RVS Omgevingsvergunning Hoogenboomlaan 34 te Renesse Bijlage 6 Archeologisch onderzoek
Tekst van het document
Beekman, 2006. 50 Fokker, 1909.
26
ARTEFACT RAPPORT 699
RENESSE HOOGENBOOMLAAN 34
de 20e en 21e eeuw overzichtskaarten gemaakt. 51 Deze ontbreken echter vooralsnog voor de bevangen van de Oosteren Ban. Omstreeks het midden van de 18de eeuw wordt Schouwen opgetekend door David en Anthony Hattinga (zie figuur 9). Deze kaart laat door de iets grotere nauwkeurigheid een betere globale (maar nog geen exacte) projectie van het plangebied toe. Het plangebied lijkt in de 18e eeuw deel uit te maken van een onbebouwd gebied van de Oostersen Ban van Duyne onder Renesse. Het plangebied bevindt zich op dat tijdstip vermoedelijk ten noorden van een doorgaande weg die vanuit Renesse de duin in westelijke richting doorsnijdt en die aanvankelijk de verbinding vormde met de kapel van Onze Lieve Vrouwe op Zee. Al vertoont het verloop van deze weg enige afwijking met de latere 19e ‐eeuwse situatie (zie verder), wordt toch aangenomen dat he hier een voorloper betreft van de huidige Hoogenboomlaan Op enge afstand ten westen, oosten en noorden van het plangebied is bebouwing aangegeven, deze wordt, in tegenstelling tot de kaart door Visscher, hier niet nader omschreven of benoemd.
Figuur 9 Uitsnede van de Kaarte der eylanden Schouwen en Duiveland door de gebr. Hattinga uit 1752. De ligging van het plangebied is met een rode cirkel aangegeven. Bron: Zeeuws Archief, Atlassen Hattinga, 293‐72.
Met de invoer van het kadaster vanaf 1811 ‐ 1816 worden voor het eerst nauwkeurige kaarten van geheel Nederland gemaakt. Dit betreft de Minuutplannen van de Kadastrale Kaart die globaal opgesteld zijn tussen 1812 en 1832. Deze kaarten geven de omvang van de aanwezige gebouwen, de ligging van wegen, dijken en waterlopen en de ligging (maar niet de fysieke vorm) van de grenzen van de verschillende kadastrale percelen weer. Het plangebied maakt deel uit van Renesse, Sectie B, 3e blad (zie figuur 10) en is gelegen binnen het Duinblok (Blok des Dunes). Op deze kaart is het verloop van de huidige Hoogenboomlaan gelijk aan de huidige situatie. De weg wordt er niet benoemd. Het plangebied zelf overlapt (ten minste deels) met drie verschillende percelen, te weten nr. 108, 117 en 118. Het belastbaar
51 Zie onder andere Fokker, 1909, Deurlo, 1989 en Beekman, 2007.
27
ARTEFACT RAPPORT 699
RENESSE HOOGENBOOMLAAN 34
grondgebruik van deze percelen, zoals dit in de OAT (Oorspronkelijke Aanwijzende Tafel) die bij het Minuutplan hoort, betreft Duin. Hiermee wordt een gebruik als duinpolder aangegeven.
Figuur 10 Uitsnede van de gedigitaliseerde Minuutplanen van de Kadastrale Kaart uit 1811 – 1832. Bron: Geoloket Zeeland.
Op de Topografische Militaire kaart uit 1850 lijkt de opdeling van het omliggende landschap in enerzijds duin (gestippeld) en anderzijds bos zoals dit in de OAT van de Kadastrale Kaart is aangegeven te zijn weergegeven. Zoals hierboven aangegeven betreft het als duin aangegeven gebied eerder een duinpolder. Ook de benaming Bos dient van enige nuance voorzien te worden. Het is namelijk zo dat uit historisch onderzoek gebleken is dat de meeste van de percelen in dit gebied, die in de 19e eeuw als bos bestempeld worden, in werkelijkheid elzenmeten betreffen. Elzenmeet is de 19e‐eeuwse benaming voor wat in de middeleeuwen als haaimannen wordt benoemd. Het Zeeuwse woord mêêt staat voor akkertje, deze worden hier van elkaar gescheiden door greppels met elzen erlangs. De breedte van deze akkertjes varieert, afhankelijk van de vochtigheid van de ondergrond (en dus de behoefte aan ontwatering), van 4 tot 15 meter (1 tot 4 roeden). Doordat de bagger uit de greppels steeds op het terreintje wordt opgeworpen krijgt deze een bolle vorm. De akkertjes zelf worden in een wisselend systeem gebruikt voor zowel teelt van gewassen als weiland. Rond de elzenmeten (zijnde een complex van verschillende akkertjes) liggen houtwallen (diekje of knienendiekje genoemd) of soms een sloot. De houtwallen bestaan veelal uit iep en in mindere mate uit wilg en eik.
52 Deze kaart laat ook het verschillende landschap in de omgeving zien. Op de binnenduinen zijn duinpolders en elzenmeten aanwezig, waarbij de duinpolders hoofdzakelijk op de hogere delen van de binnenduin gelegen zijn en de elzenmeten op de lager gelegen delen ten noorden van de binnenduin en op de duinzoom langs de zuidoostelijke rand
52 Beekman, 2007, 203‐255.
28
ARTEFACT RAPPORT 699
RENESSE HOOGENBOOMLAAN 34
van het duinengebied. In het poldergebied ten oosten van de binnenduin is de percelering kleinschaliger en zijn deze in gebruik als landbouwgrond (weiland en bouwland).
Figuur 11 Zwart‐wit versie van de Topografische Militaire Kaart uit 1850. Bron: Geoloket Zeeland.
In figuur 14 kan de verdere evolutie in de omgeving tussen circa 1850 en 2005 gevolgd worden. De topografische kaarten laten echter slechts enkel globale vatstellingen toe, voor een gedetailleerd zich van de evolutie van het gebied zijn deze niet exact genoeg. De oudste topografische kaarten (alsook de luchtfoto 1944) laten zien dat de omgeving van het plangebied als landbouwgrond (weiland) in gebruik is. Op de kaart uit 1856 wordt in het westen van het plangebied een korenmolen aangegeven. Deze is hier in 1847 gebouwd en in 1910 van een bijkomend wagenhuis voorzien. Nadat het geheel in 1924 aan de heer Krijger is verkocht is de molen naar deze eigenaar genoemd. Vrij snel hierna wordt de maalactiviteit verplaats naar het wagenhuis, waar een motor gedreven maalinstallatie wordt ingericht. 53 De oorspronkelijk molen wordt hierna nog slechts als opslagruimte gebruikt. In 1928 verdwijnen de molenwieken, de molen zelf is tot in 1987 blijven staan. Op de kaarten tussen 1950 en 2005 is de verdere uitbouw van de molenerf tot de huidige meelfabriek (nog steeds onder de naam Krijger) te zien, de molen als afzonderlijk gebouw is slechts tot 1950 nadrukkelijk aanwezig. Met de steeds verdere uitbouw van de meelfabriek wordt het uiteindelijk in 1987 noodzakelijk de molen te slopen.
Tussen 1950 en 1968 zijn ook in het noordelijke deel van het plangebied enkele gebouwen aangegeven, deze verdwijnen grotendeels na 1968, langs de oostelijke zijde van dit deel blijft een gebouw aangegeven tot in 1995. Vanaf 1985 wordt in het gebied ten noorden van de Hoogenboomlaan verblijfsrecreatie ingericht, waardoor het beeld van de omgeving ingrijpend verandert.
53 Deze overschakeling is volgens de toenmalige eigenaar noodzakelijk omdat de molen te klein is waardoor
29
onvoldoende opslagruimte beschikbaar is en de molenwieken te klein zijn om bij weinig wind te kunnen malen. Bron: Brief door de heer Krijger uit 1925, Vereniging De Hollandsche Molen, document 1_6842_003
ARTEFACT RAPPORT 699
RENESSE HOOGENBOOMLAAN 34
Figuur 12 De binnen het plangebied gelegen molen in het eerste kwart van de 20e eeuw. Het gebouw rechts betreft vermoedelijk het wagenhuis. Bron: Vereniging De Hollandsche Molen, document ZEELAND‐R‐T_04900A.0000003.1.
Figuur 13 De binnen het plangebied gelegen molen in 1983. Bron: Vereniging De Hollandsche Molen, document ZEELAND‐R‐ T_04900A.0000002.1.
30
ARTEFACT RAPPORT 699
RENESSE HOOGENBOOMLAAN 34
Figuur 14 Uitsneden van de topografische (militaire) kaarten uit 1850 tot 2005. Bron: Esri Nederland/ Kadaster.
31
ARTEFACT RAPPORT 699
2.3.2
RENESSE HOOGENBOOMLAAN 34
Verstoringsgeschiedenis
Bodemloket In het bodemloket worden de bodemkwaliteit en de status/voortgang van eventueel uitgevoerde onderzoeken weergegeven. Raadpleging van het bodemloket leert dat binnen het plangebied geen saneringen hebben plaatsgevonden die tot verstoring van de bodem (kunnen) hebben geleid. Een historisch onderzoek op de locatie van de voormalige molen in 1998 heeft geen aanleiding gegeven tot een nader onderzoek of verplichting tot saneren. KLIC In het plangebied bevinden zich meerder kabels en leidingen (huisaansluitingen) voor zowel water, gas, elektriciteit als riolering. Ook zijn er verschillende eigen kabels aanwezig (zie bijlage 5). Gegevens (gemeente)archief, bouwtekeningen, opdrachtgever Het gemeentearchief van Schouwen‐Duiveland is ondergebracht in het Zeeuws Archief in Middelburg. Voor het plangebied is een vergunning beschikbaar voor het veranderen en bouwen vaan gebouwen voor en bij de meelfabriek, deze dateren uit de periode tussen 1948 en 2006. Voor de bouw van de woning met huisnummer 32 is er een vergunning uit 1954, voor huisnummer 36 een vergunning voor het veranderen van de bestaande bebouwing in 1951, op dat tijdstip moet deze woning dan ook al enige tijd aanwezig zijn.
De huidige eigenaar beschikt over een kaart met daarop de huidige bebouwing, verhardingen (inclusief type verharding) en kabels en leidingen, voor zover deze op het perceel van huisnummer 34 gelegen zijn. Deze tekening is in bijlage 4 opgenomen.
2.4
Archeologische waarden
Archeologische monumenten De Archeologische Monumentkaart (AMK) is een digitaal bestand waarin de archeologische monumenten terreinen, waaronder de wettelijk beschermde monumenten, werden bijgehouden. Sinds 2014 wordt dit bestand echter niet meer bijgewerkt waardoor het als statisch bestand kan worden beschouwd. (Een deel van) de monumententerreinen werden opgenomen op de gemeentelijke beleidskaarten en benoemd als gemeentelijke vindplaats. De wettelijk beschermde monumenten, waarvoor het rijk bevoegd is, worden enkel op de AMK weergegeven. Het plangebied is niet gelegen binnen of grenzend aan een AMK‐terrein. In de ruime omgeving (straal 1 km) komt slechts een terrein voor, dit betreft het AMK‐terrein van hoge archeologische waarde (nr. 13398) met de oude dorpskern van Renesse. Eerder uitgevoerd onderzoek en vondstlocaties Archis is het geautomatiseerde Archeologisch Informatiesysteem voor Nederland. Het bestaat uit een databank waarin allerlei gegevens over archeologische onderzoeken, vindplaatsen en terreinen in Nederland zijn opgeslagen. Het raadplegen van Archis leert dat binnen het plangebied nog geen onderzoek heeft plaatsgevonden, noch dat er archeologische vondstlocaties bekend zijn. In een straal van 1 km rondom het plangebied zijn meerdere onderzoeken uitgevoerd die in de onderstaande tabel worden opgesomd. Nr. 1
Onderzoek nummer 2440395100/ 4010482100
Uitvoerder
Aard en resultaten onderzoek
RAAP
Bureau‐ en booronderzoek (2016). De bodem vertoonde de volgende opbouw: een geroerde bovengrond en vanaf gemiddeld 0,9 m ‐mv (circa 3,3 m +NAP) jonge duinafzettingen (Laagpakket van Schoorl). Afzettingen behorend tot het Laagpakket van Zandvoort noch afzettingen behorend tot het Laagpakket van Walcheren en/of
32
ARTEFACT RAPPORT 699
RENESSE HOOGENBOOMLAAN 34
Schoorl zijn aangetroffen. Er werd geen vervolgonderzoek aanbevolen.54 2
2230142100
SMA
Bureauonderzoek (2008). Archeologische begeleiding aanbevolen.
3
2050930100
RAAP
4
5079927100
Artefact!
5
2322904100
Sagro
Booronderzoek Hogezoom 175 (2004). Er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen, de bodem was tot circa 0,7 m ‐mv verstoord. Hieronder bevonden zich Jonge Duin‐ en Strandzanden. Er werd geen vervolgonderzoek aanbevolen.55 Bureau‐ en booronderzoek (2021). Op basis van de resultaten dit onderzoek kon gesteld worden dat binnen het plangebied tot de maximale boordiepte van 0,66 m ‐NAP (4 m ‐mv) uitsluitend duinzanden van het Laagpakket van Schoorl aanwezig zijn. Deze worden afgedekt door een antropogeen pakket tot een diepte tussen 2,53 en 1,65 m +NAP (0,95 en 1,95 m ‐mv). In een vijftal boring werd in deze zanden een vegetatiehorizont aangetroffen op een diepte tussen 1,98 en 1,14 m +NAP (1,95 en 2,3 m ‐mv), deze heeft een dikte van 5 tot 15 cm. In het antropogene pakket werden archeologische indicatoren aangetroffen uit de middeleeuwen en nieuwe tijd, waarvan de oudste dateerbare vondsten teuggaan tot de 11e tot midden 13e eeuw. Ook werden verschillende fragmenten menselijk bot aangetroffen, afkomstig van het voormalige rondom de kerk gelegen kerkhof. Samengevat kon worden gesteld dat binnen het gehele plangebied een hoge verwachting gold voor resten uit de middeleeuwen en nieuwe tijd op, in en onder de antropogene lagen en in de bovenzijde van het Laagpakket van Schoorl (duinzand).
Verder gold voor het in het Laagpakket van Schoorl aangetroffen vegetatieniveau een hoge verwachting voor resten uit de ijzertijd en Romeinse tijd tot middeleeuwen. Voor het niveau van het Laagpakket van Schoorl en de hierop aanwezige antropogene lagen, alsook het in het duinzand aangetroffen vegetatieniveau werd dan ook dat vervolgonderzoek aanbevolen. Bureauonderzoek (2011). Vervolgonderzoek (booronderzoek) aanbevolen.
2330697100
SOB Research
54 Coppens, 2016.
55
De Waal, 2004.
56 Ras, 2014.
Booronderzoek in navolging op onderzoeksmelding 2322904100. Tijdens het booronderzoek werd Jong Duinzand, op afzettingen van het Laagpakket van Walcheren (op een diepte van 0,35 ‐ 1 m ‐mv/ 0 – 1,3 m –NAP) aangetroffen. Dit Laagpakket van Walcheren bestond enerzijds uit komafzettingen en anderzijds uit geulafzettingen. Waar komafzettingen werden aangetroffen lag hieronder op een diepte van 1 – 1,65 m ‐mv (1,10 – 1,95 m –NAP) Hollandveen. Plaatselijk was de top van het Hollandveen veraard. De top van het Laagpakket van Wormer werd aangetroffen op een diepte van 1,95 ‐ 3 m ‐mv (1,.9 – 2,7 m –NAP). Waar geulafzettingen van het Laagpakket van Walcheren werden aangeboord ontbrak het Hollandveen en de bovenzijde van het Laagpakket van Wormer. De top van het Jonge Duinzand was verstoord door graafwerkzaamheden en bodembewerking, tot op een diepte van 0,3 tot 0,7 m ‐mv. Er werd vervolgonderzoek aanbevolen indien toekomstige graafwerkzaamheden dieper zouden reiken dan 0,9 m ‐mv.56
33
ARTEFACT RAPPORT 699
RENESSE HOOGENBOOMLAAN 34
6
2135081100
RAAP
Booronderzoek (2006). Bij dit onderzoek in 2006 werden 8 boringen gezet tot maximaal 2 m ‐mv. Hier bestond de bovengrond, onder een verstoord pakket van circa 0,4 m dik, uit Jonge Duinafzettingen tot circa 0,7 m ‐mv in het noordoosten en circa 1,25 m ‐mv in het westen van het toenmalig onderzoeksgebied. Deze laag bestond uit kalkhoudend zand. De duinafzettingen lagen op een verstoord pakket, ontstaan als gevolg van moernering. Een restant rietveen werd op circa 1,5 m ‐mv aangetroffen. In een tweetal boringen in het noorden en oosten van het toenmalig onderzoeksgebied werd geen sporen van moernering aangetroffen. Hier was het veenpakket deels geërodeerd maar wel dikker. Onder het Hollandveen bevonden zich zandig afzettingen van het Laagpakket van Wormer. De top van deze laag bevond zich op circa 1,80 m ‐mv. 57 Er werd geen vervolgonderzoek aanbevolen.
7
2077726100
Archeomedia
Booronderzoek (2002). In het zuidelijk en oostelijk deel van het onderzochte terrein was een getijdengeul goed zichtbaar aanwezig in de boorprofielen. Deze werd gekenmerkt door klei‐ en zandafzettingen tot een diepte van meer dan 3 m ‐ mv. De geulvulling was aan het oppervlak ook nog duidelijk zichtbaar door de lage, en daardoor zeer natte ligging. Het gebied ten noorden van de geul had een sterk wisselende bodemopbouw. Slechts zeer plaatselijk was hier veen bewaard gebleven. De rest was door moernering verdwenen. Ten zuiden van de geul was nog een smalle strook van de andere oever aanwezig. Ook hier vertoonde de bodem een sterk wisselende gelaagdheid, wat wederom wees op moernering. Er werden dan ook geen archeologische indicatoren aangetroffen.
8
2320271100
Archeomedia
Bureauonderzoek (2010), actualisatie en uitbreiding van onderzoek 2077726100 (zie hierboven).
9
4700676100
Artefact!
Bureau‐ en booronderzoek (2019). De tijdens het veldonderzoek vastgestelde geologische laagopbouw kwam in grote lijnen overeen met de vooraf verwachte opbouw (duinzand op het Laagpakket van Walcheren op Hollandveen op het Laagpakket van Wormer). Oude duin‐ en/of strandzanden zijn niet onder het Laagpakket van Wormer aangetroffen binnen de geboorde dieptes. Op basis van het getoetste verwachtingsmodel gold er binnen het toenmalig plangebied dan ook een onbekende verwachting voor resten uit de neolithicum tot bronstijd op het niveau van de oude duinzanden (die gelegen zijn beneden de verstoringsdiepte van 1,8 m ‐mv), een lage verwachting voor resten uit dezelfde perioden op het niveau van het Laagpakket van Wormer, een lage verwachting voor resten uit de late brontijd tot Romeinse tijd op het niveau van het Hollandveen, geen verwachting voor de vroege middeleeuwen op het niveau van het Laagpakket van Walcheren en een lage verwachting voor de late middeleeuwen en nieuwe tijd in en op het bovenliggende duinzand (Laagpakket van Schoorl).
10
2291282100
Sagro
Bureauonderzoek aanbevolen.
2420777100
SOB Research
Booronderzoek in navolging op onderzoeksmelding 2291282100. De ondergrond bestond uit Jonge Duin‐ en Strandafzettingen met bovenin aan laagje vergraven of opgebrachte grond. Deze vormden
57
Henk, 2006.
(2010).
Vervolgonderzoek
(booronderzoek)
34
ARTEFACT RAPPORT 699
RENESSE HOOGENBOOMLAAN 34
hier het volledige boorprofiel. Meer naar het zuiden werden afzettingen van het Laagpakket van Walcheren op Hollandveen (plaatselijk gemoerd en/of geërodeerd) op afzettingen van het Laagpakket van Wormer aangetroffen. 58 er werd geen vervolgonderzoek aanbevolen. 11
2050939100
RAAP
Booronderzoek Kabbelaarsweg 2 (2004). Het boorprofiel bestond hier uit zand (tot minimaal 2,75 m ‐mv), met in één boring een dun veenlaagje tussen 2,1 en 2,15 m ‐mv. Het zand was kalkrijk vanaf 0,75 m ‐mv. Er werden geen aanwijzingen voor archeologische resten aangetroffen, er werd geen vervolgonderzoek aanbevolen.59
12
4026164100
RAAP
Booronderzoek Hoogenboomlaan 33 (2016). Het boorprofiel bestond hier uit geroerde bovengrond en vanaf gemiddeld 0,9 m ‐ mv (circa 3,3 m +NAP) jonge duinafzettingen (Laagpakket van Schoorl). Afzettingen behorend tot het Laagpakket van Walcheren en/of Hollandveen werden niet aangetroffen binnen de maximale boordiepte van 5 m ‐mv. Er werden in 10 boringen lagen aangetroffen die konden wijzen op (begraven) bodemhorizonten. Deze lagen varieerden van zwak humeus zand tot een veen. Deze lagen duiden erop dat het plangebied in het verleden (mogelijk) geschikt voor bewoning is geweest. Deze lagen werden aangetroffen op een diepte tussen 0,85 en 3,25 m ‐mv (3,21 en 0,63 m +NAP). Er werd vervolgonderzoek aanbevolen bij bodemingrepen die dieper reiken dan 0,5 m ‐mv.60
13
2086928100
RAAP
Booronderzoek Vroonweg 141 (2004). De bodem bestond tot circa 0,2 m ‐mv uit een verstoorde zandlaag. In één boring reikte de verstoring tot 0,9 m ‐mv. Onder de verstoring bevonden zich, tot circa 1,4 m ‐mv, verschillende laagjes kalkloos, zwak siltig zand. Dit pakket had lang genoeg aan de oppervlakte gelegen om ontkalkt te raken en kon geschikt zijn geweest voor bewoning. Vanaf circa 1,4 m ‐mv werd kalkrijk zand aangeboord, hierin lag in één boring een dun laagje zwak kleiig veen. Er kon niet dieper geboord worden dan 3,0 m ‐mv. Er werd geen vervolgonderzoek aanbevolen.61
14
2133494100
Archeomedia
Booronderzoek (2006) in het kader van de aanleg van een zwembad (camping).
15
2114823100
Archeomedia
Booronderzoek (2006) in het kader van de bouw van een centraal gebouw (camping).
16
2383655100
Transect
Bureau en booronderzoek (2012). Op basis van historisch kaartmateriaal werd vastgesteld dat het toenmalig onderzoeksgebied altijd onbebouwd is geweest. Het oudste geraadpleegde kaartmateriaal van het plangebied uit het begin van de 19e eeuw laat ter plaatse van het plangebied een boomgaard zien. Ook op jonger kaartmateriaal staat geen bebouwing aangegeven, waardoor voor de nieuwe tijd daarom een lage verwachting op het aantreffen van archeologische (nederzettings‐)resten bestaat. Tijdens het veldonderzoek werden uitsluitend boringen verricht in het deel van het plangebied waar graafwerkzaamheden gepland waren ten behoeve van de realisatie van enkele drinkwaterputten. Hier werden onderin de boringen mariene sedimenten aangetroffen, die vermoedelijk door een getijdegeul in het plangebied zijn afgezet.
58 Mientjes, 2016 59 De Waal, 2004. 60 Warning, 2016. 61 De Waal, 2004.
35
ARTEFACT RAPPORT 699
RENESSE HOOGENBOOMLAAN 34
Deze getijdegeul dateert vermoedelijk uit de late middeleeuwen. Vlak na verzanding van deze geul is op de mariene afzettingen duinzand afgezet. Dit heeft vermoedelijk onder natte landschappelijke condities plaatsgevonden. De duinafzettingen zijn naderhand in het onderzochte deel van het plangebied grotendeels verstoord. Concluderend gold voor het deel van het plangebied waar de drinkwaterputten gepland waren een lage archeologische verwachting. Er werd geen vervolgonderzoek geadviseerd in het kader van de geplande werkzaamheden.62 17
2050914100/ 2050922100
RAAP
Booronderzoek Hoogezoom 100 (2004). Het profiel is tot 0,6 m ‐mv verstoord. Hieronder bevonden zich Jonge Duin‐ en Strandzanden. Er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen, geen vervolgonderzoek.63
18
2397717100
BAAC
Bureau‐ en booronderzoek (2013), hierbij werd uitsluitend ter plaatse van de geplande verstoringen (te graven kreken en duinbeken) veldonderzoek uitgevoerd. Tijdens het uitgevoerde veldonderzoek werden afzettingen van de Formatie van Naaldwijk en van de Formatie van Nieuwkoop aangetroffen. De oudste afzettingen die tijdens het veldwerk werden aangetroffen betreffen kleiige op zandige afzettingen van het Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk). Deze gaan geleidelijk over in veen van het Hollandveen Laagpakket (Formatie van Nieuwkoop). Het veen is afgetopt, zichtbaar aan de erosieve bovengrens, en in vrijwel alle boringen afgedekt met geroerde afzettingen van het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk), bestaande uit zand en klei. In het noordwesten van het onderzochte deel van het plangebied zijn deze afzettingen afgedekt door duinen van het Laagpakket van Schoorl (Formatie van Naaldwijk). De aangetroffen verstoringsdiepte varieerde van 0,50 tot 2,40 m ‐mv de gemiddelde verstoringsdiepte bedroeg 1,50 m. Het verstoorde deel van de bodem betrof ter plaatse van de duinafzettingen de bouwvoor van 30 tot 45 cm. Er werden geen archeologische indicatoren aangetroffen. Op basis van het uitgevoerde bureauonderzoek en verkennend booronderzoek kon de archeologische verwachting ter plaatse van de geplande kreken en duinbeken worden bijgesteld naar laag.
Archeologisch vervolgonderzoek werd niet noodzakelijk geacht.64
62
Nales, 2012. De Waal, 2004. 64 De boer en Buesink, 2013. 63
36
ARTEFACT RAPPORT 699
RENESSE HOOGENBOOMLAAN 34
Figuur 15 Monumenten, onderzoeken en vondstlocaties. Gegevens ontleend aan Archis 3. Bron ondergrond: ESRI Nederland, Community Map Contributors 2021.
In de omgeving van het plangebied zijn tevens meerdere Archis‐vondstmeldingen gelegen. Deze zijn in onderstaande tabel opgenomen. Nummer
Vondslocatie
Datering
Aard van de waarneming of vondstmelding
19
1046074
MEL‐NT
Melding op basis van historische kaarten van de aanwezigheid van een mogelijke motte, aangegeven als molenberg.
1068118
‐
Melding afgraving molenberg op het einde van de 19e eeuw
1072790
MEL‐NT
Tweede melding van de vergraven mogelijke motte molenberg.
20
1102187
‐
Meldingen van de resultaten van onderzoek 2420777100 (nr. 10 voorgaande tabel).
21
1072271
MEL‐NT
Vondst bij een kartering door een particulier van een kleine concentratie laat‐ en postmiddeleeuws aardewerk.
22
1072531
NT
Vondst bij een kartering door een particulier van aardewerk uit de nieuwe tijd.
23
1131984
‐
Meldingen van de resultaten van onderzoek 2383655100 (nr. 16 voorgaande tabel).
37
ARTEFACT RAPPORT 699
RENESSE HOOGENBOOMLAAN 34
Luchtfotoanalyse In het kader van dit onderzoek zijn meerdere luchtfoto’s geraadpleegd: 1944 (Wageningen University & Research), 1959, 1970 en 2003 en satellietfoto’s uit 2005 en 2007 t/m 2021 (Atlas van Zeeland). Met name luchtfoto’s van onverharde en onbebouwde terrein kunnen aan de hand van herkenbare soil‐ en of cropmarks aanwijzingen geven voor de aanwezigheid van mogelijke archeologisch vindplaatsen in de bodem. Op een luchtfoto uit 1944 is het gebruik als landbouwgebied (weiland) van de ruime omgeving rondom het plangebied te zien. In het zuidwesten van het plangebied bevindt zich bebouwing. Dit is de molen (krijger) en de bijhorende gebouwen (waaronder de wagenschuur).
Figuur 16 Luchtfoto van 29 december 1944. Bron: WUR library ID 380370.
Het beeld uit 1970 laat een fors uitgebreide bebouwing binnen het plangebied zien. Dit betreft hoofdzakelijk gebouwen van de meelfabriek maar ook de twee woningen met huisnummer 32 en 36. Achteraan het terrein is een camping gelegen. Wat nog rest van de oorspronkelijke molen bevindt zich ten noorden van deze bebouwing (aangegeven met een gele pijl op figuur 17). In 1982 is een deel van de camping verdwenen en vervangen door een nieuwe grote bedrijfshal (die heden, uit verder uitgebreide vorm, nog in het gebied aanwezig is). Vanaf 2013 is het noorden van het plangebied niet langer gebruik als camping, het ligt sindsdien braak (grasveld). Het beeld uit 2013 en 2021 (figuur 19 en 20) laat ook de verdere uitbouw van de bedrijfsgebouwen zien.
38
ARTEFACT RAPPORT 699
RENESSE HOOGENBOOMLAAN 34
Figuur 17 Luchtfoto uit 1970. De voormalige molen (Krijger) is met een gele pijl aangegeven. Bron: Atlas van Zeeland.
Figuur 18 Luchtfoto uit 1982. Bron: Atlas van Zeeland.
39
ARTEFACT RAPPORT 699
RENESSE HOOGENBOOMLAAN 34
Figuur 19 Satellietbeeld uit 2013. Bron: Atlas van Zeeland.
Figuur 20 Satellietbeeld uit 201321 Bron: Atlas van Zeeland.
40
ARTEFACT RAPPORT 699
RENESSE HOOGENBOOMLAAN 34
Overige meldingen In het Zeeuws Archeologisch Depot is met betrekking tot het plangebied en de omgeving ervan geen nadere informatie bekend, anders dan hierboven beschreven onderzoeken en vondstlocaties.65 In het kader van dit onderzoek zijn ook de kaartbijlagen van de archeologische waarden‐ en verwachtingskaart van de Gemeente Schouwen‐Duiveland66 geraadpleegd. Deze kaartbijlagen bestaan uit verschillende bladen met telkens een andere periode waarvoor een verwachting en de (in 2008) gekende vindplaatsen staan aangegeven. Hieronder wordt per kaart aangegeven wat de verwachting is: ‐
Kaart 4, neolithicum en de bronstijd: middelhoge verwachting, geen vindplaatsen in deze zone in de omgeving.
‐
Kaart 5, ijzertijd en Romeinse tijd: hoge verwachting (geen bekende vindplaats in de omgeving).
‐
Kaart 6, vroege en late middeleeuwen: hoge verwachting, oude woongronden bekend (circa 260 m) ten zuiden van het plangebied. In de ruime omgeving bevinden zich twee vindplaatsen, een voormalige motte ten noorden van Renesse (nr. 19 in de tabel met Archis‐vondstlocaties). En een niet nader getypeerde vindplaats uit de vroege middeleeuwen tot nieuwe tijd op ruim 500 m ten zuiden van het plangebied (nr. 21 in de tabel met Archis‐vondstlocaties).
‐
Voor de nieuw tijd (Kaart 7) geldt dat het plangebied gelegen is in het duingebied. Hierin bevindt zich één vondplaats in de omgeving van het plangebied, dit betreft de vindplaats met aardwerk uit de nieuwe tijd (nr. 22 in de tabel met Archis‐vondstlocaties).
2.5
Bouw‐ en cultuurhistorische waarden
(Ondergrondse) bouwhistorische waarden De gemeente Schouwen‐Duiveland beschikt niet over een bouwhistorische waardenkaart. Om vast te stellen of er binnen het plangebied waardevolle bouwhistorische elementen voorkomen is het Geoloket van de Provincie Zeeland geraadpleegd. Binnen of grenzend aan het plangebied komen geen Rijksmonumenten, historische boerderijen of gemeentelijk monumenten voor. Cultuurhistorische waarden De gemeente Schouwen‐Duiveland beschikt niet over een cultuurhistorische waardenkaart. Om vast te stellen of er binnen het plangebied waardevolle cultuurhistorische elementen voor komen is het Geoloket Cultuurhistorie van de Provincie Zeeland geraadpleegd. Op deze kaart wordt binnen of grenzend aan het plangebied geen waarden aangegeven. Ten zuiden van de Hoogenboomlaan bevinden zich enkele historische houtwallen en een als elzenmeet aangegeven zone. Militair erfgoed De Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME) geeft een overzicht van de (verwachte) ligging van resten van ondergronds en bovengronds militair erfgoed (vooralsnog enkel uit de Tweede Wereldoorlog). Raadpleging van de kaart leert dat het plangebied binnen de Atlantikwall linie is gelegen, zoals bij uitbreiding heel het westelijke deel van Schouwen.
De Atlantikwall (1941) was een gefaseerd uitgebouwde kustverdedigingslinie die door de Duitse bezetter aan de westgrens van het Derde Rijk werd aangelegd om een aanval vanuit het westen af te wenden en zo een gevreesde tweefrontenoorlog te voorkomen. Verder worden geen militaire relicten binnen het plangebied weergegeven.
65 Informatie afkomstig van dhr. H. Jongepier (EZ), dd. 12‐04‐22. 66 De Boer, 2008.
41
ARTEFACT RAPPORT 699
2.6
RENESSE HOOGENBOOMLAAN 34
Archeologisch verwachtingsmodel
De in de eerdere hoofdstukken beschreven informatie over de aardwetenschappelijke gegevens, de historische situatie en de bekende archeologische waarden laten toe een specifieke archeologische verwachting op te stellen. Hierbij wordt per geologische eenheid aangegeven uit welke perioden archeologische waarden worden verwacht. Indien mogelijk wordt informatie verstrekt over het complextype en worden kenmerken van de vindplaats beschreven. Omdat nog geen archeologisch booronderzoek heeft plaatsgevonden binnen of in de onmiddellijke omgeving van het plangebied is voor de verwachte diepteligging van de verschillende lagen gebruik gemaakt van een Appelboringen (ondergrondmodel) gegenereerd in het DINO‐loket. In dit verwachtingsmodel is tevens (op basis van het DINO‐model) uitgedaan van de aanwezigheid van zowel Hollandveen als afzettingen van het Laagpakket van Walcheren, of deze daadwerkelijk aanwezig zijn binnen het plangebied staat echter niet vast. Oude getijdenlandschap ‐ Laagpakket van Zandvoort/ Laagpakket van Wormer – Formatie van Naaldwijk Datering
Neolithicum
Complextype Soort vindplaats
Algemeen – niet gespecificeerd: bewoning, begraving, agrarische productie en voedselvoorziening Vindplaatsen met zowel grondsporen als een vondststrooiing
Omvang
Huisplaats: 500‐2.000 m²
Uiterlijke kenmerken
Voorkomen van archeologische indicatoren zoals aardewerk, verbrand bot, vuursteen, verbrande botanische resten. Maar ook indicatoren die niet met zekerheid als antropogeen kunnen bestempeld worden: onbewerkt natuursteen, onverbrand bot, onverbrand botanisch materiaal
Vondstdichtheid
Zeer laag tot laag: < 40 tot 80 per m²
Diepteligging
7,5 m – mv/ 2,75 ‐NAP
Locatie
Volledige plangebied
Gaafheid en conservering
Goed: afgedekt landschap met goede bewaarcondities voor o.a. organisch materiaal
Mogelijke verstoringen
‐
De basis van het profiel wordt gevormd door klei‐ en zandafzettingen van het Laagpakket van Wormer. Deze afzettingen zijn gevormd in een open kustlandschap waarbij strandvlaktes afgewisseld werden met hoger opgeslibde strandwallen en mogelijke lage duintjes. De kust breidde zich tijdens het neolithicum op die manier steeds verder westwaarts uit. Uit eerder uitgevoerd archeologisch onderzoek is bekend dat de hoog opgeslibde strandwallen preferente bewoningslocaties vormden. De vindplaats Brabers, kort ten zuid(oost)en van Burgh, heeft vindplaatsen uit het laat‐neolithicum, de ijzertijd en de Romeinse tijd opgeleverd en dit op een strandwal die tot circa 1 m‐NAP hoog was ontwikkeld. Op de paleogeografische reconstructiekaarten verloopt de strandwal van Brabers in noordelijke richting via Burgh tot Renesse. Dit betreft echter een reconstructie. De aanwezigheid van deze strandwal is in de omgeving van het plangebied nog niet aangetoond. Daarenboven zijn bij eerder (DINO‐)boringen in de omgeving steeds uitsluitend afzettingen van het Laagpakket van Wormer vastgesteld. Vooralsnog wordt daarom een middelhoge verwachting op het voorkomen van vindplaatsen uit het neolithicum aangehouden.
Indien er daadwerkelijk sprake is van een hoger opgeslibde strandwal binnen het plangebied dan is de kans op het aantreffen van vindplaatsen groter maar bovendien kunnen dan mogelijk ook vindplaatsen uit jongere perioden worden aangetroffen (tot en met de Romeinse tijd). Immers vormden deze hoger gelegen ruggen uitstekende vestigingsplaatsen in een landschap waar zich in het laat neolithicum en de bronstijd een uitgestrekt kustveenmoeras ontwikkelde. Het niveau van het Laagpakket van Wormer bevindt zich gelet op de verwachte diepteligging vermoedelijk buiten de haalbare diepte die met een regulier booronderzoek bereikt kan worden. De archeologische verwachting voor dit niveau zal dan ook vermoedelijk niet getoetst kunnen worden in het veld.
42
ARTEFACT RAPPORT 699
RENESSE HOOGENBOOMLAAN 34
Veenlandschap – Hollandveen Laagpakket– Formatie van Nieuwkoop Datering
Midden bronstijd – Romeinse tijd
Complextype
Algemeen – niet gespecificeerd: bewoning, begraving, infrastructuur, industrie en nijverheid, agrarische productie en voedselvoorziening
Soort vindplaats
Vindplaatsen met alleen grondsporen; vondststrooiing mogelijk
Omvang
Huisplaats: 500‐2.000 m²; Nederzetting: 2.000‐8.000 m²
Uiterlijke kenmerken
Voorkomen van archeologische indicatoren zoals vuursteen, aardewerk, verbrand bot, verbrande botanische resten. Maar ook indicatoren die niet met zekerheid als antropogeen kunnen bestempeld worden: onbewerkt natuursteen, onverbrand bot, onverbrand botanisch materiaal; mogelijk voorkomen van leef‐, cultuur‐ of ophooglagen
Vondstdichtheid
Zeer laag tot laag: < 40 tot 80 per m²
Diepteligging
7 m – mv/ 2,25 ‐NAP
Locatie
Volledige plangebied
Gaafheid en conservering
Matig: afgedekt landschap met goede bewaarcondities voor anorganisch materiaal maar organisch materiaal mogelijk slechter bewaard door zure omstandigheden in veen; mogelijk aangetast door mariene erosie ‐
Mogelijke verstoringen
Door de sluiting van de kustbarrière, verslechtering van de afwatering en verzoeting van het milieu vond op uitgebreide schaal veengroei plaats. De bewoningsmogelijkheden namen door de veengroei af. Dit ontwikkelende veenmoeras zal in deze periode vrijwel alleen door mensen zijn gebruikt voor activiteiten die van tijdelijke aard waren. Te denken valt aan al of niet rituele deposities of overblijfselen van vervoer (achtergelaten kano, knuppelweg door het veen). De verwachting op het voorkomen van dergelijke vindplaatsen in (de onderzijde van) het veen wordt daarom ook laag geacht. Het zijn bovendien puntlocaties die moeilijk met geijkte onderzoeksmethoden zijn op te sporen waardoor ook de kans op het aantreffen daarvan bijzonder klein wordt geacht. De basis van het veen wordt volgens het DINO‐model verwacht op 7,5 m – mv/ 2,75 ‐NAP m‐NAP, de top van het veen op 7 m ‐mv/ 2,25 m‐NAP. Het is niet bekend wanneer de veengroei is geëindigd. Nemen we een C14 datering in de omgeving van Renesse als uitgangspunt dan zou dit rond 3.400 BP zijn. Dit zou impliceren dat vindplaatsen uit de midden/late bronstijd, ijzertijd en Romeinse tijd op het veen kunnen voor komen.
Vooralsnog is dit louter hypothetisch, vindplaatsen uit de eerstgenoemde perioden (bronstijd en ijzertijd) werden in de omgeving nog niet op het veen aangetroffen, daarentegen wel in de Oude Duinen meer westelijk van het plangebied wat gezien de meer gunstige ligging niet verwonderlijk is (infra). In 2020 werd 500 m ten zuiden van Burgh aan de Kraaijensteinseweg wel een Romeinse vindplaats op het veen aangetroffen.67 De vindplaats zou zich op een dun laagje klei bevinden bovenop een zandige ondergrond (tussen circa 1 en 1,50 m‐NAP). Hoewel de Oude Duinen wellicht meer gunstige bewoningsmogelijkheden boden mag het duidelijk zijn dat de Romeinse occupatie zich niet beperkte tot die kuststreek, iets wat ook uit andere delen van Zeeland bekend is. Vooralsnog gaan we uit van een lage tot middelhoge verwachting op het voorkomen van vindplaatsen uit de bovengenoemde perioden in en op het Hollandveen, een en ander samenhangend met de daadwerkelijke aanwezigheid, diepteligging van het veen en de aard en datering van het afdekkende sedimenten (infra). Het niveau van het Hollandveen Laagpakket bevindt zich gelet op de verwachte diepteligging vermoedelijk buiten de haalbare diepte die met een regulier booronderzoek bereikt kan worden. De archeologische verwachting voor dit niveau zal dan ook vermoedelijk niet getoetst kunnen worden in het veld.
67 Nog niet gepubliceerd, mondelinge mededeling M. de Koning (Bodac).
43
ARTEFACT RAPPORT 699
RENESSE HOOGENBOOMLAAN 34
Jonge getijdenlandschap ‐ Laagpakket van Walcheren – Formatie van Naaldwijk Datering
IJzertijd – Romeinse tijd
Complextype
Algemeen – niet gespecificeerd: bewoning, begraving, infrastructuur, industrie en nijverheid, agrarische productie en voedselvoorziening
Soort vindplaats
Vindplaatsen met alleen grondsporen; vondststrooiing mogelijk
Omvang
Huisplaats: 500‐2.000 m²; Nederzetting: 2.000‐8.000 m²
Uiterlijke kenmerken
Voorkomen van archeologische indicatoren zoals vuursteen, aardewerk, verbrand bot, verbrande botanische resten. Maar ook indicatoren die niet met zekerheid als antropogeen kunnen bestempeld worden: onbewerkt natuursteen, onverbrand bot, onverbrand botanisch materiaal; mogelijk voorkomen van leef‐, cultuur‐ of ophooglagen
Vondstdichtheid
Zeer laag tot laag: < 40 tot 80 per m²
Diepteligging
6 m – mv/ 1,25 ‐NAP
Locatie
Volledige plangebied
Gaafheid en conservering
Goed: afgedekt landschap met goede bewaarcondities voor (an)organisch materiaal
Mogelijke verstoringen
‐
In het ondergrondmodel uit het DINO‐loket wordt het Hollandveen afgedekt door een laag marien kleiig zand of sterk siltige klei dat kan worden geïnterpreteerd als afzettingen van het Laagpakket van Walcheren. Wanneer deze afzettingen zijn afgezet is niet bekend, de datering van de veentop bij Renesse reikt in ieder geval een terminus post quem aan. Van der Valk en Wattenberghe gaan er bij het recente onderzoek68 aan de Hogeweg in Burgh van uit dat de daar aangetroffen estuariene klei is afgezet in een slufterachtige omgeving en een datering heeft die in de oude nomenclatuur overeenkomt met de voormalige Duinkerke I transgressie periode of ouder, zeg maar het eerste anderhalve millennium voor Christus. De top van deze afzettingen wordt in het DINO‐model aangegeven op een diepte van 6 m ‐mv/ 1,25 m ‐NAP. Hoewel het opnieuw aannemelijk is dat bewoning zich concentreert op de strandwallen en in het duingebied (denk aan de vele ijzertijdvondsten in de Meeuwenduinen en de Romeinse vindplaats op de eerdergenoemde strandwal bij Brabers) biedt dit gebied zeker mogelijkheden. Op Walcheren zijn, ietwat anders van karakter maar toch in enigszins vergelijkbare context, in dergelijk sluftergebied zowel ijzertijd als Romeinse vindplaatsen vastgesteld. Romeinse vindplaatsen (denk aan de Roompot) waren zeker op de kuststrook bij Westenschouwen ter hoogte van de toenmalige kustlijn aanwezig.
Het achterland zal, indien geen bewoning aanwezig is, wel opportuniteiten tot ontginning en exploitatie hebben geboden (zie mogelijk ook de recente vindplaats Kraaijensteinseweg bij Burgh). Uit de Romeinse periode weten we bovendien dat infrastructurele en waterbouwkundige ingrepen werden uitgevoerd die dit ook mogelijk maakten/hielden. De verwachting op het aantreffen van vindplaatsen uit de ijzertijd en de Romeinse tijd (activiteitenzones en off‐site fenomenen) op het Laagpakket van Walcheren wordt daarom laag tot middelhoog geacht, een en ander samenhangend met de daadwerkelijke aanwezigheid en datering van het laagpakket alsook het tijdstip van het ontstaan van het afdekkende sedimenten (infra). Het niveau van het Laagpakket van Walcheren bevindt zich gelet op de verwachte diepteligging vermoedelijk buiten de haalbare diepte die met een regulier booronderzoek bereikt kan worden. De archeologische verwachting voor dit niveau zal dan ook vermoedelijk niet getoetst kunnen worden in het veld.
68 Wattenberghe en van der Valk (in concept)
44
ARTEFACT RAPPORT 699
RENESSE HOOGENBOOMLAAN 34
Duinlandschap ‐ Laagpakket van Schoorl Datering
IJzertijd – Romeinse tijd – middeleeuwen – nieuwe tijd
Complextype
Algemeen – niet gespecificeerd: bewoning, infrastructuur, nijverheid, agrarische productie en voedselvoorziening.
Soort vindplaats
Vindplaatsen met alleen grondsporen; enkel vondststrooiing mogelijk
Omvang
Huisplaats: 500‐2.000 m²; Nederzetting: 2.000‐8.000 m²
Uiterlijke kenmerken
Voorkomen van archeologische indicatoren zoals vuursteen, aardewerk, verbrand bot, verbrande botanische resten. Maar ook indicatoren die niet met zekerheid als antropogeen kunnen bestempeld worden: onbewerkt natuursteen, onverbrand bot, onverbrand botanisch materiaal; mogelijk voorkomen van leef‐, cultuur‐ of ophooglagen
Vondstdichtheid
Zeer laag tot laag: < 40 tot 80 per m²
Diepteligging
Dagzomend of afgedekt door jongere Duinzanden.
Locatie
Volledige plangebied
Gaafheid en conservering
Matig: afgedekt landschap met gunstige bewaarcondities voor (an)organisch materiaal in meer vochtige paleosols maar minder goede (zure en zuurstofrijke) omstandigheden in de hoger gelegen drogere bodems. Vondstmateriaal kan zijn aangetast door fysieke verwering (wind).
Mogelijke verstoringen
Bouwwerkzaamheden (inrichting als meelfabriek, voormalige molen), verhardingen en bestaande nutsleidingen
Het estuariene landschap is overstoven door een pakket duinzand dat dagzomend voorkomt. Op de Geologische Kaart van Nederland worden deze als Jong Duin benoemd. Wij volgen echter de benadering van Beekman die stelt dat de binnenduinen per definitie als Oud Duin kunnen worden gekarakteriseerd. Dit wordt onderbouwd door het voorkomen van archeologica vanaf de late bronstijd op de Kop van Schouwen. Zo werden in de stuifketels in de Meeuwenduinen door erosie van het Jong Duin schervenvloeren (maar ook grondsporen) uit de late bronstijd, de ijzertijd en middeleeuwen gedocumenteerd. Ook in de omgeving van Renesse werd aardewerk uit ijzertijd (niet nader gespecificeerd) in de duinen verzameld. Dit impliceert dat ook de duinzanden ter plaatse van het plangebied Oud Duin betreft. Op welk tijdstip deze Oude Duinen in de omgeving van het plangebied zelf tot ontwikkeling zijn gekomen is niet gekend, volgens Beekman is het trouwens zo dat langs de Hogezoom, grenzend aan de polder Schouwen het aanwezige duinzand verwaaid Oud Dekzand betreft. 69 Gelet op de aanwezigheid van zowel veen als een pakket afzettingen van het Laagpakket van Walcheren (volgens de gegevens uit het DINO‐loket) en de mogelijke aanwezigheid van verwaaid Oud Duinzand zal dit eerder ten vroegste vanaf de ijzertijd/Romeinse tijd zijn.
Om die reden wordt de verwachting op het voorkomen van vindplaatsen uit de ijzertijd tot en met de Romeinse tijd hoog geacht. Gezien de dynamiek van een dergelijk duingebied is het niet mogelijk de diepteligging van eventuele vindplaatsen aan te wijzen. Hoewel er geen aanwijzingen zijn voor grootschalige overstuivingen van het gebied gedurende de middeleeuwen en nieuwe tijd is het niet uitgesloten dat er een beperkte afzetting van verstoven Oud Duinzand heeft plaatsgevonden en dat zich in het pakket duinzand begraven vegetatiehorizonten of oudere bodems bevinden. Voor wat betreft de middeleeuwen geldt dat het plangebied deel uitmaakt van landbouwgebied (eerst haaimannen, later vermoedelijk duinpolder). Intensieve bewoning is in dit gebied niet te verwachten, in deze zone kunnen wel verspreidde boerderijen uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd verwacht worden Ook kunnen resten van infrastructuur worden teruggevonden: landinrichtingsgreppels evenals sporen van landbouw (akkertjes, bemestingslagen).
69
Beekman, 2007.
45
ARTEFACT RAPPORT 699
RENESSE HOOGENBOOMLAAN 34
Vanaf 1847 is in het plangebied een molen gelegen en is vanaf de 20e eeuw een meelfabriek ingericht. Het plangebied is hierbij voor een groot deel bebouwd en van een verharding voorzien. De molen zelf is in 1987 gesloopt. Gelet op deze bouw‐ en verhardingen zal naar verwachting binnen het plangebied bovenin het boorprofiel sprake zijn van een verstoorde bodem.
46
ARTEFACT RAPPORT 699
RENESSE HOOGENBOOMLAAN 34
3
Inventariserend veldonderzoek
3.1
Methoden
Het voorliggend onderzoek betreft een Inventariserend Veldonderzoek door middel van boringen (IVO‐O, verkennende fase). In de aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland staat immers beschreven dat het, op basis van het voorafgaand bureauonderzoek, opgestelde archeologisch verwachtingsmodel door een verkennend booronderzoek moet worden getoetst. Het onderzoek is uitgevoerd conform protocol 4003 (IVO‐O) van de KNA 4.1, de Aanvullende Richtlijnen van de Provincie Zeeland (2019) en het hiertoe opgestelde Plan van Aanpak70. Het verkennend booronderzoek is niet de meest geschikte methode voor het in kaart brengen van (de aan‐ of afwezigheid) van archeologische vindplaatsen; dit vormde evenwel ook niet het doel van het onderzoek, waarbij het bepalen van de landschappelijke vormeenheden en het toetsen van het archeologische verwachtingsmodel voorop stond. De strategie en werkwijze is afgestemd op de bovengenoemde richtlijnen en in onderstaande tabel opgenomen: Aantal boringen
12
Grid Dichtheid
Grid van 35 bij 35 aangepast in functie van de bestaande situatie (bebouwing, verharding, kabels en leidingen) 8 boringen per hectare
Plaats‐ en hoogtebepaling
RTK‐GNSS (GPS & GLONASS, max. afwijking horizontaal/verticaal= 2cm)
Boorgegevens
Digitaal vastgelegd op iPad
Gebruikte codelijsten ‐ standaard
(afgeleide van) ASB (Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode) en ABR (Archeologisch Basis Register)
Boordiepte
Maximaal 2,5 m‐mv / 2,56 m +NAP
Gehanteerde boor
Edelmanboor (Ø 7 cm tot circa 1,0 m ‐mv), Gutsboor (Ø 3 cm)
Opsporen indicatoren
In het veld visueel door versnijden/verbrokkelen
Monstername
Geen
Oppervlaktekartering
Geen (bebouwd/verhard/gras)
Tijdens het beschrijven van de boringen is verder specifieke aandacht besteed aan de volgende geologische en bodemkundige kenmerken: de aard, kleur en kalkgehalte van het sediment aard van de laagovergangen (erosieverschijnselen) de genese van de laag bodemvormende kenmerken (bodemvorming/veraarding, ontkalking, rijping e.d.) de diepteligging van het reductievlak De boorpuntenkaart wordt afgebeeld op figuur 21, de boorstaten zijn opgenomen in bijlage 6.
70
Delporte, F.M.J., 2022.
47
ARTEFACT RAPPORT 699
RENESSE HOOGENBOOMLAAN 34
Figuur 21 Boorpunten geprojecteerd op een uitsnede van het satellietbeeld uit 2021. Bron: Atlas van Zeleland.
3.2
Geologie en bodem
Binnen de boorprofielen, die doorgezet zijn tot maximaal 2,5 m ‐mv (2,56 m +NAP), 71 zijn geen jonge of oude getijafzettingen (Laagpakket van Walcheren en Laagpakket van Wormer) en/of Hollandveen Laagpakket aangetroffen. De onderzijde van het boorprofiel bestaat binnen het volledige plangebied uit Oude Duinzanden van het Laagpakket van Schoorl. Dit betreft zwak siltig lichtbruin en lichtgrijs zand met regelmatig een gelige tint. Plaatselijk is het zandpakket onderin eerder blauw van tint. Alle aangetroffen duinzanden zijn bovenin kalkloos. Vanaf een diepte tussen 0,9 en 1,6 m ‐mv (4,06 en 3,38 m +NAP) gaan deze over op kalkarm tot kalkrijk zand72, dit betreft tevens de overgang naar de meer gereduceerd afzettingen. De bovenzijde van het pakket duinzand is bij het huidig onderzoek aangetroffen op een diepte tussen 0,35 en 0,9 m ‐mv (4,86 en 3,96 m +NAP).
71 Er is gepoogd enkele boringen dieper door te zetten, dit bleek echter door de aanwezigheid van een watervoerende
48
zandlaag niet mogelijk. 72 Dit ligt in lijn met de resultaten van de eerder in de omgeving uitgevoerde booronderzoeken waarbij het kalkgehalte is vastgesteld (Kabbelaarsweg 2, Hoogenboomlaan 33 en Vroonweg 141, nr. 11, 12, 13 van figuur 15 en de bijhorende tabel). Hierbij werd kalkrijke duinzanden aangetroffen vanaf een diepte tussen 0,75 en 1,4 m ‐mv met daarboven ontkalkt zand. Tijdens het onderzoek ter plaatse van de Kerkring (nr. 4 op figuur 15 en de bijhorende tabel) zijn uitsluitend kalkrijke duinzanden aangetroffen maar hier bestond het boorprofiel tot een diepte tussen 0,95 en 1,95 m ‐mv (2,53 en 1,65 m +NAP) uit antropogene lagen.
ARTEFACT RAPPORT 699
RENESSE HOOGENBOOMLAAN 34
Bij boringen 3 en 8 bevindt zich in het pakket duinzand een vegetatiehorizont met zwak siltig, matig humeus donkerbruin zand. Ook dit zand is kalkhoudend en bevat enkele takjes. De vegetatieniveaus zijn aangetroffen op een diepte van respectievelijk 1,9 en 1,85 m ‐mv (3,39 en 3,21 m +NAP) en zijn 10 cm dik. 73 Bij boringen 1, 3 en 7, gelegen langs de zuidoostelijke en zuidwestelijke rand van het plangebied, is bovenin het Oud Duinzand nog een restant van een A‐horizont waargenomen. Deze is 30 tot 40 cm dik (aangetroffen op een diepte tussen 0,35 en 0,6 m – mv/ 5,05 en 4,57 m +NAP) en bestaat uit grijsbruin zwak siltig zand met sporen van houtskool en baksteen. Dit pakket is heterogeen en is afgetopt. Bij de overige boringen is deze horizont niet bewaard. Bij boringen 2, 4 en 9 is de bovenzijde van wat rest van het Oude Duinzand vergraven/ verstoord (tot een diepte tussen 0,4 en 1,1 m ‐mv/ 4,68 en 4,09 m +NAP) en bevat dit wat sporen van puin en kalkmortel. Bovenop het duinzand bevindt zich in boringen 1, 3, 4, 6, 7, 8, en 9 een antropogeen pakket. Dit betreft opgebracht zand, deels bouwzand, met bovenin een verharding (beton, stelconplaat,) bij boringen 4, 6, 8 en 9 en een recente teelaarde bij boringen 1, 3, 7, 11 en 12.
Bij boring 2 rust de verharding (op 0,35 m ‐mv/ 4,73 m +NAP) rechtstreeks op de vergraven top van het Oud Duinzand (het niet vergraven duinzand is hier gelegen op 0,4 m ‐mv/ 4,68 m +NAP). Bij boring 10 bestaat het opgebracht pakket (onder de teelaarde, vanaf een diepte van 0,3 m ‐mv/ 4,53 m +NAP) uit dempingslagen van een sloot. Dit betreft zwak silitg donkergrijs(bruin/zwart) zand met puin en kalkmortel, onderin zijn hierin enkele dunne sedimentlaagjes zichtbaar die het restant vormen van de slootbodem. De onderzijde van deze sloot is gelegen op 1,45 m ‐mv (3,38 m +NAP). Bij boring 5 is onder de stelconverharding een tweede betonverharding gelegen, hier kon de boring niet dieper doorgezet worden dan 0,25 m ‐mv (4,63 m +NAP).
3.3
Archeologie
De opgebrachte pakketten die in boringen 1, 3, 4, 6, 7, 8 en 9 zijn aangetroffen, alsook de tweede verhardingslaag in boring 5, zijn te relateren aan het gebruik van het gebied als meelfabriek en de verschillende 20e‐eeuwse verhardings‐ en bouwactiviteiten die hier hebben plaatsgevonden. In deze pakketten zijn kiezels en baksteenbrokjes aangetroffen. Boringen 10, 11 en 12 zijn achteraan het plangebied gelegen in een zone waar zich in het verleden een camping heeft bevonden en voordien (vanaf circa 1950) ook enkele gebouwen hebben gestaan. Hier is de bodem eveneens vergraven en is er sprake van een gedempte sloot (boring 10). In de vergaven bodem bevinden zich beton – en baksteenbrokjes, in het dempingspakket van de sloot puin. Deze vondsten zijn in het profiel terechtgekomen bij het verstoren van de bodem en het dempen van de sloot en duiden op een vrij recente datering van deze verstoringen. In de verstoorde/afgetopte A‐horizont die in boringen 1, 3 en 7 is aangetroffen bevinden zich uitsluitend enkele sporen van puin en houtskool in boring 1. Deze zijn naar verwachting in de bodem terechtgekomen bij het bewerken van de A‐horizont en voren geen indicatie voor de aanwezigheid van archeologische resten of ‐sporen op dit niveau. In de vegetatiehorizonten die aangetroffen zijn in boringen 3 en 8 zijn geen archeologische indicatoren vastgesteld.
73 Het plaatselijk voor komen van een dergelijke vegetatielaag is eerder ook al vastgesteld bij de in de vorige voetnoot
opgesomde onderzoeken.
49
ARTEFACT RAPPORT 699
4
Conclusie en Advies
4.1
Conclusie: beantwoording onderzoeksvragen
RENESSE HOOGENBOOMLAAN 34
Op basis van de beschikbare aardwetenschappelijke, archeologische en historische gegevens is tijdens het bureauonderzoek een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde booronderzoek kunnen de onderstaande onderzoeksvragen beantwoord worden en het verwachtingsmodel bijgesteld en verfijnd worden. Wat is de geo(morfo)logische situatie binnen het plangebied? Binnen het plangebied zijn binnen de behaalde boordiepte van 2,5 m ‐mv (2,56 m +NAP) uitsluitend duinzanden (Oud Duinzand) van het Laagpakket van Schoorl aangetroffen. Deze bevinden zich onder een verharding en opgebrachte en/of vergraven lagen vanaf een diepte tussen 0,35 en 0,9 m ‐mv (4,86 en 3,96 m +NAP). Bij 3 boringen (gelegen langs de zuidoostelijke en zuidwestelijke rand van het plangebied), is bovenin het duinzand op een diepte tussen 0,35 en 0,6 m – mv (5,05 en 4,57 m +NAP) nog een restant van een A‐horizont waargenomen. In een tweetal boring is in de duinzanden een vegetatiehorizont aangetroffen op een diepte van respectievelijk 1,9 en 1,85 m ‐mv (3,39 en 3,21 m +NAP), deze heeft een dikte van 10 cm. Is de bodem intact of werden verstoringen vastgesteld? In alle boorprofielen is de bovenzijde van het boorprofiel recent verstoord. Er is sprake van een verharding, opgebrachte/vergraven zandpakketten.
Ook de bovenzijde van het Oud Duinzand is bij 3 boringen (2, 11 en 12) bovenin heterogeen. Resten van een A‐horizont zijn slechts in 3 boringen aangetroffen (boringen 1, 3 en 7). Dit betreft boringen die langs de zuidoostelijke en zuidwestelijke rand van het plangebied gelegen zijn. Echter, ook in deze boringen is het profiel enigszins aangetast, de A‐horizont is namelijk heterogeen en is afgetopt. De onverstoorde Oude Duinenzanden zijn aangetroffen vanaf een diepte tussen 0,4 en 1,1 m ‐mv (4,72 en 3,96 m +NAP). Bij boring 10 is het gedempte sloot aanwezig en ligt de bovenzijde van het ongestoorde duinzand op 1,45 m ‐ mv (3,38 m +NAP). Werden binnen het plangebied (aanwijzingen voor de aanwezigheid van) vindplaatsen vastgesteld? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? Er zijn binnen het plangebied in en op het Oud Duinzand geen aanwijzingen voor vindplaatsen vastgesteld, er is wel in twee boringen een vegetatiehorizont vastgesteld in het opgaand pakket. De aanwezige antropogeen lagen zijn toe te schrijven aan de bouw en verhardingsactiviteit in de 20e eeuw en het gebruik van het plangebied als meelfabriek en deels camping.
Bestaat binnen het plangebied een verwachting op het voorkomen van vindplaatsen? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? Tijdens het onderzoek zijn geen andere afzettingen dan Oud Duinzand (Laagpakket van Schoorl) aangetroffen. Of en welke oudere afzettingen zich binnen het plangebied op een diepte van meer dan 2,5 m ‐mv (2,56 m +NAP) bevinden is dan ook niet gekend. De archeologische verwachting voor deze afzettingen dient dan ook vooralsnog gehandhaafd te worden. Concreet betekent dit dat er in het plangebied een middelhoge verwachting geldt voor resten uit het neolithicum en een lage tot middelhoge verwachting voor resten uit de bronstijd tot Romeinse tijd in op de eventueel oudere aanwezige niveaus (Laagpakket van Walcheren, Hollandveen en Laagpakket van Wormer). Binnen de behaalde boordiepte is in enkele boringen een afgedekte vegetatielaag aangetroffen op een diepte van minimaal 1,85 m ‐mv (3,39 m +NAP). De datering van dit niveau is niet gekend. In en op het vegetatieniveau zijn geen archeologische resten aangetroffen, gelet op de beperkte diameter van het boorgat (steekguts met 3 cm diameter) 50
ARTEFACT RAPPORT 699
RENESSE HOOGENBOOMLAAN 34
hoeft dit echter niet te betekenen dat deze niet aanwezig (kunnen) zijn. Voor dit niveau geldt dan ook nog steeds een hoge verwachting voor resten uit de ijzertijd en Romeinse tijd tot middeleeuwen. Voor het Oud Duinzand ondiepere dan 1,85 m ‐mv geldt er geen aanwijzingen voor vegetatieniveaus of historische antropogene pakketten aangetroffen zijn. Voor dit opgaand pakket duinzand (hoger dan 1,85 m ‐mv) geldt dan ook een lage verwachting voor resten uit de ijzertijd tot nieuwe tijd. In de 19e en 20e eeuw heeft bebouwing en verstoring van het plangebied plaatsgevonden. In en onder deze verstoorde lagen kunnen nog resten van 19e‐ en 20e ‐eeuwse bebouwing aanwezig zijn, waaronder de resten van de oorspronkelijke 19e‐eeuwse molen. Voor dergelijke resten geldt dan ook een hoge verwachting. Deze resten kunnen aangetroffen worden onmiddellijk onder de bestaande verharding en verhardingslagen. In welke mate deze resten verstoord zijn door afbraak en recentere graaf‐ en bouwwerkzaamheden is onbekend. Worden de (vastgestelde of verwachte) archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen planontwikkeling? Exacte plannen van de toekomstige situatie zijn nog niet beschikbaar, tevens is de omvang en diepte van eventueel uit te voeren bodemverstoringen nog niet gekend.
Omdat de exacte omvang en diepte van de graafwerkzaamheden voor de toekomstige herinrichting niet bekend zijn is de invloed hiervan heden niet af te baken. Bij bodemingrepen binnen het plangebied zullen resten van de 19e en 20e‐eeuwse bebouwing, voor zover nog aanwezig, verstoord worden. Bij ingrepen die dieper rijken dan 1,85 m ‐mv (3,39 m +NAP) wordt ook het aanwezige vegetatieniveau (met een hoge verwachting voor resten uit de ijzertijd en Romeinse tijd tot middeleeuwen) bedreigd. Is het plangebied in voldoende mate onderzocht? Zo nee, welke vorm van vervolgonderzoek wordt geadviseerd? Deze vraag wordt in het volgende hoofdstuk 4.2 beantwoord.
4.2
Advies
In bovenstaande hoofdstukken wordt het archeologisch potentieel binnen het plangebied geïllustreerd. Voor de bovenzijde van het profiel geldt, onder de bestaande verharding en teelaarde, een hoge verwachting voor resten van de 19e en 20e‐eeuwse bebouwing. Voor dergelijke resten geldt echter dat deze naar verwachting ten minste deels verstoord zullen zijn bij recenter bodemingrepen en bouwactiviteit. Daarenboven betreft het hier resten die terug te brengen zijn naar bebouwing die op basis van data (kaarten en foto’s uit de 19e en 20e eeuw) gekend zijn. Artefact is van mening dat een eventueel vervolgonderzoek een verwaarloosbare potentiële kenniswinst zal opleveren en acht een vervolgonderzoek voor het betreffende niveau dan ook niet noodzakelijk. Er wordt dan ook geadviseerd om voor het betreffende niveau geen dubbelbestemming inzake archeologie op te nemen in het nieuw op te stellen bestemmingsplan. Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt verder dat er binnen het plangebied een middelhoge verwachting geldt op resten uit het neolithicum en een lage tot middelhoge verwachting voor resten uit de bronstijd tot Romeinse tijd op de afzettingen van het Laagpakket van Wormer, Hollandveen en Laagpakket van Walcheren (voor zover aanwezig). Deze niveaus zijn tijdens het onderzoek niet aangetroffen binnen de maximale boordiepte van 2,5 m ‐mv (2,56 m +NAP).
Ook is vastgesteld dat er zich vanaf een diepte van minimaal 1,85 m ‐mv (3,39 m +NAP) een vegetatieniveau bevindt waarvoor een hoge verwachting geldt voor de ijzertijd tot middeleeuwen. Omdat de omvang en diepte van de toekomstige bodemingrepen nog niet gekend zijn kunnen deze niet getoetst worden aan de diepteligging van deze potentieel archeologische niveaus. Voor deze niveaus geldt dat archeologisch onderzoek wel noodzakelijk geacht wordt indien deze bij toekomstige bodemingrepen verstoord worden. Er wordt dan ook geadviseerd om in het nieuwe op te stellen bestemmingsplan een dubbelbestemming archeologie op te nemen vanaf 1,8 m ‐mv (net boven het vastgestelde vegetatieniveau). Gelet op het eenduidig advies is in het rapport geen advieskaart opgenomen.
51
ARTEFACT RAPPORT 699
RENESSE HOOGENBOOMLAAN 34
Tot slot dient het volgende opgemerkt. Het is niet uit te sluiten dat voor die delen waar geen vervolgonderzoek is aanbevolen desondanks toch relevante archeologische vindplaatsen in de bodem verborgen zijn en dat deze in de uitvoeringsfase van de toekomstige graafwerkzaamheden aan het licht komen. Voor dergelijke vondsten bestaat een wettelijke meldingsplicht op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet (2016). Om ervoor te zorgen dat aan deze wettelijke plicht wordt voldaan bij het eventueel aantreffen van sporen en/of vondsten tijdens de uitvoering van de werkzaamheden, wordt verzocht om navolgende tekst in het uitvoeringsbestek op te nemen: Archeologie Ondanks dat er bij het vooronderzoek geen behoudenswaardige archeologische waarden werden aangetroffen, is niettemin de kans aanwezig dat archeologische sporen en vondsten in de bodem aanwezig zijn en dat deze in de uitvoeringsfase van de graaf‐ en inrichtingswerkzaamheden aan het licht komen. Voor dergelijke vondsten bestaat een wettelijke meldingsplicht ex. artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit 2016. Bij graafwerkzaamheden dient men dan ook attent te zijn op eventuele vondsten. Opdrachtgever verplicht de aannemers om attent te zijn op eventuele vondsten en/of sporen tijdens de werkzaamheden en verplicht hen archeologische vondsten direct te melden bij de bevoegde overheid.