CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

RVS Omgevingsvergunning Hoogenboomlaan 34 te Renesse Bijlage 6 Archeologisch onderzoek

Gemeenteraad 29 september 2022, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: RVS Omgevingsvergunning Hoogenboomlaan 34 te Renesse (voormalige meelfabriek)22.520 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

ARTEFACT! RAPPORT 699

Renesse Hoogenboomlaan 34 Gemeente Schouwen‐Duiveland Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen

F.M.J. Delporte

Colofon Titel

Renesse Hoogenboomlaan 34. Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen.

Auteur(s)

F.M.J. Delporte (Senior KNA Prospector)

Artefact rapport

699

Status rapport

Definitief Voorliggend rapport is beoordeeld en goedgekeurd door de bevoegde overheid.

Datum

30 juni 2022

Projectcode

2022ART12

Projectleider veldwerk

F.G.R. D’hondt (Senior KNA Prospector)

Projectmedewerker(s)

F.G.R. D’hondt en J.E.M. Wattenberghe (veldwerk)

ISSN

2213 7424

Autorisatie

Naam

drs. J.E.M. Wattenberghe (Senior KNA Prospector)

Paraaf

Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed! B.V. Riemensstraat 9 4543 BW Zaamslag T 0115 851614 E info@artefact‐info.nl W www.artefact‐info.nl

© Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed, 2022 Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van het hierin verwoorde advies. Alle figuren zijn vervaardigd door de auteur(s) tenzij anders vermeld.

ARTEFACT RAPPORT 699

RENESSE HOOGENBOOMLAAN 34

Inhoud Samenvatting ............................................................................................................................................................. 4 Administratieve Gegevens ...........................................................................................................................................5

1

Inleiding ........................................................................................................................... 7 1.1 Aanleiding van het onderzoek ..................................................................................................................... 7 1.2 Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen............................................................................................. 8 1.3 Beleidskader ................................................................................................................................................9 1.4 Plangebied, onderzoeksgebied en planvorming ........................................................................................ 10

2

Archeologisch bureauonderzoek....................................................................................... 13 2.1 Methoden .................................................................................................................................................. 13 2.2 Landschap en geologie .............................................................................................................................. 14 2.2.1

Landschappelijke ontwikkeling ..................................................................................................... 14

2.2.2

Aardkundige waarden .................................................................................................................. 18

2.3 Historie...................................................................................................................................................... 22 2.3.1

Historisch‐geografische ontwikkeling .......................................................................................... 24

2.3.2

Verstoringsgeschiedenis ............................................................................................................... 32

2.4 Archeologische waarden ........................................................................................................................... 32 2.5 Bouw‐ en cultuurhistorische waarden ........................................................................................................ 41 2.6 Archeologisch verwachtingsmodel ............................................................................................................ 42

3

Inventariserend veldonderzoek ........................................................................................ 47 3.1 Methoden .................................................................................................................................................. 47 3.2 Geologie en bodem ................................................................................................................................... 48 3.3 Archeologie ...............................................................................................................................................49

4

Conclusie en Advies ......................................................................................................... 50 4.1 Conclusie: beantwoording onderzoeksvragen ........................................................................................... 50 4.2 Advies ....................................................................................................................................................... 51

Lijst met figuren ........................................................................................................................................................ 53 Bronnen.....................................................................................................................................................................54 Bijlage 1

AMZ‐cyclus .......................................................................................................................................... 57

Bijlage 2

Verklarende woordenlijst en afkortingen..............................................................................................58

Bijlage 3

Tijdstabel .............................................................................................................................................59

Bijlage 4

Bestaande situatie huisnummer 34....................................................................................................... 61

Bijlage 5

KLIC .................................................................................................................................................... 62

Bijlage 6

Boorstaten ........................................................................................................................................... 63

3

ARTEFACT RAPPORT 699

RENESSE HOOGENBOOMLAAN 34

Samenvatting De initiatiefnemer heeft het voornemen om nieuwe recreatiewoningen te realiseren aan de Hoogenboomlaan 34 te Renesse en om de bestaand bedrijfswoningen (met huisnummers 32 en 36) om te zetten naar burgerwoningen. Het plangebied beslaat een oppervlakte van circa 13.400 m2. In het kader van de benodigde bestemmingsplanwijziging heeft Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed een Archeologisch Bureauonderzoek en een Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd. In het kader van het bureauonderzoek werd een groot aantal bronnen bestudeerd die geleid hebben tot een gespecificeerd verwachtingsmodel voor het plangebied. Dit model is vervolgens getoetst door het uitvoeren van een verkennend booronderzoek. Op basis van de resultaten dit onderzoek kan gesteld worden dat binnen het plangebied tot de maximale boordiepte van 2,5 m ‐mv (2,56 m +NAP) uitsluitend duinzanden (Oud Duinzand) van het Laagpakket van Schoorl aanwezig zijn. Deze bevinden zich onder een verharding en opgebrachte en/of vergraven lagen vanaf een diepte tussen 0,35 en 0,9 m ‐mv (4,86 en 3,96 m +NAP). Bij 3 boringen (gelegen langs de zuidoostelijke en zuidwestelijke rand van het plangebied), is bovenin het duinzand op een diepte tussen 0,35 en 0,6 m – mv (5,05 en 4,57 m +NAP) nog een restant van een A‐horizont waargenomen.

In een tweetal boring is in de duinzanden een vegetatiehorizont aangetroffen op een diepte van respectievelijk 1,9 en 1,85 m ‐mv (3,39 en 3,21 m +NAP), deze heeft een dikte van 10 cm. De aanwezige opgebrachte en/of vergraven lagen zijn toe te schrijven aan de bouw en verhardingsactiviteit in de 20e eeuw en het gebruik van het plangebied als meelfabriek en deels camping. De archeologische verwachting wordt in het rapport beargumenteerd. Samengevat kan worden gesteld dat: ‐

Binnen het gehele plangebied een middelhoge verwachting geldt op resten uit het neolithicum en een lage tot middelhoge verwachting voor resten uit de bronstijd tot Romeinse tijd op de afzettingen van het Laagpakket van Wormer, Hollandveen en Laagpakket van Walcheren (voor zover aanwezig). Deze niveaus zijn tijdens het onderzoek niet aangetroffen binnen de maximale boordiepte van 2,5 m ‐mv (2,56 m +NAP).

‐

Voor het vanaf een diepte van minimaal 1,85 m ‐mv (3,39 m +NAP) vastgestelde vegetatieniveau een hoge verwachting voor de ijzertijd tot middeleeuwen geldt.

‐

Voor de bovenzijde van het profiel, onder de bestaande verharding en teelaarde, een hoge verwachting geldt voor resten van de 19e en 20e‐eeuwse bebouwing.

Omdat de omvang en diepte van de toekomstige bodemingrepen nog niet gekend zijn kunnen deze niet getoetst worden aan de diepteligging van deze potentieel archeologische niveaus. Voor de resten uit de 19e en 20e eeuw geldt dat deze naar verwachting ten minste deels verstoord zullen zijn bij recenter bodemingrepen en bouwactiviteit. Daarenboven betreft het hier resten die terug te brengen zijn naar bebouwing die op basis van data (kaarten en foto’s uit de 19e en 20e eeuw) gekend zijn. Artefact is van mening dat een eventueel vervolgonderzoek van deze resten een verwaarloosbare potentiële kenniswinst zal opleveren en acht een vervolgonderzoek voor het betreffende niveau dan ook niet noodzakelijk. Voor het vegetatieniveau in het duinzand en de eventueel dieper dan 2,5 m ‐mv gelegen oudere niveaus wordt wel archeologisch onderzoek noodzakelijk geacht indien deze bij toekomstige bodemingrepen verstoord worden. Er wordt dan ook geadviseerd om in het nieuwe op te stellen bestemmingsplan de geldende dubbelbestemming inzake archeologie weliswaar te behouden maar om de vrijstellingsdiepte te verruimen naar 1,8 m ‐mv (net boven het vastgestelde vegetatieniveau).

4

ARTEFACT RAPPORT 699

RENESSE HOOGENBOOMLAAN 34

Administratieve Gegevens Projectnaam

Renesse Hoogenboomlaan 34

Onderzoeksvorm

Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen

LOCATIE Provincie

Zeeland

Gemeente

Schouwen‐Duiveland

Plaats

Renesse

Adres / Locatie Hoekpunten coördinaten RD Centrum coördinaat RD

Hoogenboomlaan 32‐36 NO 42.594 / 416.825 ZO 42.673 / 416.701 ZW 42.566 / 416.663 NW 42.520 / 416.783 42.591 / 416.740

Kaartblad

64G

Kadastraal perceel

Gemeente Westenschouwen, Sectie L, Perceel 444, 450, 525, 538, 539, 545

Oppervlakte plangebied

13.400 m²

Vigerende bestemmingsplan

1e herziening Kop van Schouwen (2019): enkelbestemming Bedrijf, dubbelbestemming waarde archeologie 6 (2.500 m², 0,50 m‐mv)

BEKENDE WAARDEN Gemeentelijke vindplaats

Geen

AMK status

Geen

Archis vondstlocatie

Geen

Zeeuws Archeologisch Depot

Geen

OPDRACHTGEVER Naam

Rho Adviseurs voor leefruimte

Contactpersoon

Dhr. G. Veugen

Adres

Segeerssingel 6, 4337 LG Middelburg

Telefoon

06 30852580

Email

Gijs.veugen@rho.nl

BEVOEGDE OVERHEID Naam

Gemeente Schouwen‐Duiveland

Contactpersoon

Dhr. J. Dirksen

Adres

Postbus 5555, 4300 JA Zierikzee

Telefoon

0111 452000

Email

Jeroen.Dirksen@schouwen‐duiveland.nl

ADVISEUR BEVOEGDE OVERHEID Naam

Gemeente Schouwen‐Duiveland 5

ARTEFACT RAPPORT 699

RENESSE HOOGENBOOMLAAN 34

Contactpersoon

Dhr. G.P.A. Besuijen

Adres

Postbus 5555, 4300 JA Zierikzee

Telefoon

0111 452000

Email

Guus.Besuijen@schouwen‐duiveland.nl

BEHEER EN PLAATS DOCUMENTATIE EN VONDSTEN Naam

Zeeuws Archeologisch Depot

Contactpersoon

dhr. J.J. H. van den Berg

Adres Telefoon

Looierssingel 2, 4331 NK Middelburg Postbus 49, 4330 AA Middelburg 0118 670618

Email

jjh.vanden.berg@erfgoedzeeland.nl

E‐depot

EDNA (E‐Depot Nederlandse archeologie via www.easy.dans.knaw.nl)

UITVOERDER Naam

Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed B.V.

Contactpersoon

dhr. J.E.M. Wattenberghe

Adres

Riemensstraat 9, 4543 BW Zaamslag

Telefoon

0115 851614

Email

janwattenberghe@artefact‐info.nl

Certificaat

ARC‐010/2 ‐ BRL4000 SIKB: protocollen 4002, 4003 en 4004

ONDERZOEKSGEGEVENS Planologische aanleiding

Bestemmingsplanwijziging

Uitvoeringsperiode

April 2022

Projectnummer Artefact

2022ART12

Archis onderzoeksmelding

5228634100

Vindplaats(en)

Molen

6

ARTEFACT RAPPORT 699

1

Inleiding

1.1

Aanleiding van het onderzoek

RENESSE HOOGENBOOMLAAN 34

In opdracht van Rho Adviseurs voor leefruimte heeft Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd binnen een plangebied op de rand van het centrum van Renesse. De initiatiefnemer heeft het voornemen om nieuwe recreatiewoningen te realiseren aan de Hoogenboomlaan 34 te Renesse en om de bestaand bedrijfswoningen (met huisnummers 32 en 36) om te zetten naar burgerwoningen. Het plangebied beslaat een oppervlakte van circa 13.400 m2.

Figuur 1 Ligging in Nederland. Bron: ESRI Nederland, Community Map Contributors 2021.

Het plangebied is binnen bestemmingsplan 1e herziening Kop van Schouwen (2019) gesitueerd in een gebied met enkelbestemming Bedrijf. Mogelijke archeologische vindplaatsen worden planologisch beschermd door een dubbelbestemming waarde archeologie 6. Binnen dit gebied geldt een verbod op het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden die groter zijn dan 2.500 m2 én dieper reiken dan 0,50 m ‐mv. Dergelijke werkzaamheden zijn wel vergunbaar mits een archeologisch onderzoeksrapport wordt voorgelegd waarin wordt aangetoond dat geen archeologische waarden aanwezig zijn, dat deze niet behoudenswaardig zijn of dat deze door de voorgenomen werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad. De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen het bestaande bestemmingsplan. In het kader van de noodzakelijke bestemmingplanwijziging dient een archeologisch onderzoeksrapport te worden voorgelegd.

7

ARTEFACT RAPPORT 699

1.2

RENESSE HOOGENBOOMLAAN 34

Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen

Conform de AMZ‐ cyclus start een archeologisch onderzoek steeds met een bureauonderzoek. Het doel van een bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde, archeologische verwachting, met behulp van informatie van bestaande bronnen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen een omschreven gebied. Het resultaat is een standaardrapport met een advies op basis waarvan de bevoegde overheid een besluit kan nemen over het al dan niet laten uitvoeren van vervolgonderzoek. 1 De resultaten van het standaardrapport bureauonderzoek kunnen leiden tot één van de volgende uitkomsten:  Er zijn onvoldoende data: er wordt nader archeologisch onderzoek geadviseerd conform protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek  Er zijn voldoende data: er wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd Het doel van een inventariserend veldonderzoek is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het bureauonderzoek en/of in het Programma van Eisen. Het gaat om gebieds‐ of vindplaatsgericht onderzoek. Inventariserend veldonderzoek gebeurt door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en/of verwachte archeologische waarden in een onderzoeksgebied.

Dit omvat de aan‐ of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Het inventariserend veldonderzoek kan uitgevoerd worden als een IVO‐ proefsleuvenonderzoek (IVO‐P waarbij veldwerk bestaat uit het aanleggen van proefsleuven en/of proefputten) of als een IVO‐overig (IVO‐O waarbij het veldwerk kan bestaan uit oppervlaktekartering, boringen, profielputjes of geofysisch onderzoek). Een inventariserend veldonderzoek kent drie mogelijke fasen: een verkennende, een karterende en een waarderende fase. Het is vanzelfsprekend niet steeds noodzakelijk al deze fasen te doorlopen.  De verkennende fase heeft als doel om inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap die van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Dit kan met een eenvoudige terreininspectie, maar ook door geo‐archeologisch booronderzoek en het graven van profielputjes. Doel daarbij is het uitsluiten van kansarme zones en het selecteren van kansrijke zones voor de volgende vormen van onderzoek.  Tijdens de karterende fase wordt het terrein systematisch onderzocht op de aanwezigheid van vondsten en/of sporen.

 Tijdens de waarderende fase kan het waarnemingsnet verdicht worden om de aard, omvang, datering, gaafheid, conservering en inhoudelijke kwaliteit van de archeologische resten vast te stellen Het resultaat van dit onderzoek is een standaardrapport met een waardering en een inhoudelijk selectieadvies (buiten normen van tijd en geld), op basis waarvan een beleidsbeslissing (meestal een selectiebesluit) kan worden genomen. Om te komen tot het resultaat moeten de veldactiviteiten uitgevoerd worden tot het niveau waarop de beleidsbeslissing gefundeerd genomen kan worden, d.w.z. dat de archeologische waarden van het terrein/vindplaats in voldoende mate zijn vastgesteld. Indien er onvoldoende data voor waardering en selectie‐advies zijn, kunnen deze niet opgesteld worden.2 Het advies kan dan zijn: vrijgeven, vervolgonderzoek en/of planologische bescherming. Het voorliggend onderzoek betreft een bureauonderzoek gecombineerd met een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen (IVO‐O, verkennende fase). Conform de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 20193 dient een archeologisch vooronderzoek in de Provincie Zeeland, behoudens anders besloten na overleg met de bevoegde overheid, immers (minimaal) te bestaan uit een bureauonderzoek gecombineerd met een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen.

1 SIKB, Protocol 4002, Versie 4.1, d.d. 19 februari 2018: p.4. 2 SIKB, Protocol 4003, Versie 4.1, d.d. 19 februari 2018: p.4‐5. 3 Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019.

8

ARTEFACT RAPPORT 699

RENESSE HOOGENBOOMLAAN 34

Daarbij dienen volgende vragen te worden beantwoord:  Wat is de geo(morfo)logische situatie binnen het plangebied?  Is de bodem intact of werden verstoringen vastgesteld?  Werden binnen het plangebied (aanwijzingen voor de aanwezigheid van) vindplaatsen vastgesteld? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte?  Bestaat binnen het plangebied een verwachting op het voorkomen van vindplaatsen? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? Met andere woorden: kan het verwachtingsmodel uit het bureauonderzoek worden bijgesteld?  Worden de (vastgestelde of verwachte) archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen planontwikkeling?  Is het plangebied in voldoende mate onderzocht? Zo nee, welke vorm van vervolgonderzoek wordt geadviseerd?

1.3

Beleidskader

Rijk

Erfgoedwet (2016)

Provincie

CultuurNota 2017‐2020

Gemeente

Bestemmingsplan

Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht, hiermee is het Europese Verdrag van Malta binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Het verdrag beoogt het cultureel erfgoed, dat zich in de bodem bevindt, beter te beschermen. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van archeologische onderzoeken. De Erfgoedwet moet samen met de (nog in werking te treden) Omgevingswet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk maken. Het beleid van de provincie Zeeland ten aanzien van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) is vastgelegd in de CultuurNota 2017‐2020, deze is intussen met 1 jaar verlengd. In februari 2017 heeft het College van Gedeputeerde Staten van Zeeland het ‘Toetsingskader archeologie Provincie Zeeland 2017’ vastgesteld4 . In het toetsingskader is vastgesteld wanneer archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk is indien de provincie als bevoegde overheid optreedt. Daarnaast werd in 2016 de Provinciale Onderzoeksagenda Archeologie Zeeland 2017‐2020 gepubliceerd waarin de kernthema’s en zwaartepunten voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland worden gepresenteerd.

Tot slot heeft de provincie een Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019.5 De Gedeputeerde Staten van de Provincie Zeeland treden op als bevoegde overheid indien projecten worden uitgevoerd die onder de Ontgrondingenwet vallen. De huidige planvorming valt niet onder de Ontgrondingswet. Met de komst van de (herziene) Wet op de archeologische Monumentenzorg (Wamz) in 2007 is de verantwoordelijkheid voor het cultureel erfgoed in grote mate gedecentraliseerd en verschoven van Rijk en provincie naar de gemeenten. Gemeenten worden verantwoordelijk gehouden voor de omgang met archeologische waarden. Daartoe dienen gemeenten een eigen archeologiebeleid te voeren. Het gemeentelijke archeologieplan van Schouwen‐ Duiveland is in 2008 door Past2Present opgesteld, datzelfde jaar door de gemeenteraad vastgesteld en sindsdien geldig als beleid. 6 In het gemeentelijke archeologiebeleid is geen onderzoeksagenda opgenomen met thema’s die richtinggevend kunnen zijn bij het nemen van selectiebesluiten en het bepalen van de randvoorwaarden voor archeologisch (vervolg)onderzoek. Het gemeentelijk beleid is meegenomen in het bestemmingsplan 1e herziening Kop van Schouwen uit 2019. Hierin hebben gebieden met (een) archeologische (verwachtings‐)waarde een planologische bescherming gekregen.

De 4 Toetsingskader archeologie Provincie Zeeland 2017, Provinciaal blad 2017 nr. 605, 15 februari 2017. 5 Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 10 december 2019. 6 Beleidsplan archeologie Schouwen‐Duiveland. Past2Present, 2008. De Boer 2008

9

ARTEFACT RAPPORT 699

RENESSE HOOGENBOOMLAAN 34

vrijstellingsgrenzen werden toegekend op basis van de (verwachtings‐)waarde. Het plangebied is in dit bestemmingsplan gesitueerd in een gebied met een dubbelbestemming waarde archeologie 6. Binnen dit gebied geldt een verbod op het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden die groter zijn dan 2.500 m2 én dieper reiken dan 0,50 m ‐mv.

1.4

Plangebied, onderzoeksgebied en planvorming

Het plangebied (tevens onderzoeksgebied) is gelegen in het zuidwesten van dorpskern van Renesse in een gebied dat hoofdzakelijk gebruikt wordt voor verblijfsrecreatie. Het betreft de percelen Hoogenboomlaan 32, 34 en 36 die kadastraal bekend staan onder Gemeente Westenschouwen, Sectie L, Perceel 444, 450, 525, 538, 539, 545. Het plangebied beslaat een oppervlakte van circa 13.400 m². Het plangebied ligt in een wijds duinlandschap, meer specifiek in de binnenduinen, een gebied tussen de buitenduinen en de achterliggende polders. Dit van oudsher agrarisch ontgonnen gebied, gedomineerd door elzenmeten en duinpolders, werd in (de tweede helft van) de 20ste eeuw geleidelijk aan omgevormd in een woon‐ en recreatiegebied met het realiseren van grootschalige campings, bungalowparken en villawijken. In het plangebied bevindt zich een voormalige meelfabriek (huisnummer 34) en staan ook twee bedrijfswoningen (huisnummers 32 en 36). De gebouwen van de voormalige meelfabriek worden met de realisatie van de plannen gesloopt. Op dit terrein worden nieuwe recreatiewoningen gebouwd. De bedrijfswoningen worden behouden maar worden omgezet naar burgerwoningen. Exacte plannen van de toekomstige situatie zijn nog niet beschikbaar, tevens is de omvang en diepte van eventueel uit te voeren bodemverstoringen nog niet gekend.

Figuur 2 Ligging van het plangebied. Bron : ESRI Nederland, Community Map Contributors 2021.

10

ARTEFACT RAPPORT 699

RENESSE HOOGENBOOMLAAN 34

Bij de opdrachtgever is geen informatie gekend omtrent de omvang en diepte van de bestaande funderingen. Het terrein van de voormalige meelfabriek is voor een groot deel verhard met asfalt, stelconplaten en deels ook een puinverharding. De zone ten noorden van de bedrijfsgebouwen ligt braak. Rond de bestaande bedrijfswoningen bevinden zich tuinen (gras).

11

ARTEFACT RAPPORT 699

2

Archeologisch bureauonderzoek

2.1

Methoden

RENESSE HOOGENBOOMLAAN 34

Het voorliggend hoofdstuk omvat de resultaten van het archeologisch bureauonderzoek. Het onderzoek is uitgevoerd conform protocol 4002 van de KNA 4.1 en de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019.7 Hierbij werden de volgende processtappen doorlopen: Processtap

Specificatie

Hoofdstuk

Afbakenen plan/onderzoeksgebied; vaststellen consequenties toekomstig gebruik

LS01

1.4

Vermelden (en toepassen) overheidsbeleid

LS01

1.3

Beschrijven huidig gebruik

LS02

1.4

Beschrijven historische situatie

LS03

2.3.1

Beschrijven mogelijke verstoringen

LS03

2.3.2

Beschrijven mogelijke aanwezigheid bouwhistorische waarden ondergrond

LS02‐03‐04

2.5

Beschrijven bekende aardwetenschappelijke kenmerken

LS04

2.2.2

Beschrijven bekende archeologische kenmerken

LS04

2.4

Opstellen gespecificeerde verwachting

LS05

2.6

Tijdens het uitvoeren van de bovengenoemde processtappen werd een groot aantal bronnen van diverse aard geraadpleegd. Deze worden hieronder benoemd en in het bronnenoverzicht nader gespecificeerd.  (Landelijke en regionale) bodem‐, geologische en geomorfologische (overzichts)kaarten  Paleogeografische kaarten  Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)  (Specialistische) literatuur  Rapporten van eerder uitgevoerd archeologisch en cultuurhistorisch onderzoek  Inrichtingsplannen en conditionerende onderzoeksrapporten: milieu, ecologie, niet‐gesprongen explosieven  Lucht‐ en satellietfoto’s  Kaartmateriaal: topografische (militaire) kaarten, oud(st)e kadasterkaarten, oude en/of historische kaarten  Gemeentelijk en/of provinciaal archief  Archeologische Monumenten Kaart (AMK)  Het Archeologisch Informatie Systeem (Archis)  Centraal Monumenten Archief (CMA) en Centraal Archeologisch Archief (CAA) werden niet geraadpleegd omdat deze oude papieren archieven na de introductie door de ROB werden ingevoerd in Archis  Cultuurhistorie: gemeentelijke waardenkaart en/of de provinciale Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS)  Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO)  Gemeentelijke verwachtings‐ en beleidskaarten  Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW), maar enkel indien geen meer gedetailleerde regionale kaarten beschikbaar zijn  Amateurarcheologen, AWN

en/of heemkundevereniging 7 Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019.

13

ARTEFACT RAPPORT 699

RENESSE HOOGENBOOMLAAN 34

 Provinciaal depot: archief van het Zeeuws Archeologisch Depot (ZAD)

2.2

Landschap en geologie

2.2.1

Landschappelijke ontwikkeling

Zeeland maakt deel uit van het zuidwestelijk zeekleigebied, een sterk gestapeld landschap bestaande uit eolische afzettingen, mariene sedimenten en sedentaat (veen). De landschappelijke evolutie van het Zeeuwse kustgebied kan geschetst worden aan de hand van de paleogeografische kaarten die door Vos en de Vries zijn gepubliceerd 8 . Paleogeografische kaarten zijn ontwikkeld door de analyse van grote hoeveelheden bodemdata en bieden aan de hand van momentopnamen inzicht in het waarschijnlijke landschapsbeeld. De veranderende landschappelijke omgeving gedurende de laatste 12.000 jaar wordt, en de globale ligging van het plangebied, wordt afgebeeld op figuur 3. Onder invloed van de stijgende temperatuur en het smelten van ijskappen in het boreaal (circa 8.400 – 6.950 v. Chr.) stijgt de zeespiegel en gaat hierdoor het pleistocene zandlandschap langzaam vernatten. De regio rondom het plangebied is nadien gelegen in open water. Elders wordt het plantaardig materiaal als een gevolg van het stijgende waterniveau niet meer afgebroken. Eerst op de lager gelegen delen, maar later ook hogerop in het landschap groeit laag na laag een pakket veen dat lithostratigrafisch benoemd wordt als Basisveen (Formatie van Nieuwkoop).

Deze veengroei doet zich eerst voor in het westen van Zeeland, maar de grens verschuift door de constante stijging van het waterpeil geleidelijk op in oostelijke richting. Aan het veenvormingsproces komt een einde in het midden tot laat‐ atlanticum (vanaf 5.500 v. Chr.).9 Gaandeweg wordt namelijk door de sterke zeespiegelstijging en getijdenwerking de strandbarrière die het veenlandschap van de zee afschermt opgeruimd en loopt het noordelijke deel van Zeeland onder water. Er ontstaat hierbij een open kust met daarachter een groot getijdengebied bestaande uit platen, slikken en schorren. Grote delen van het oude pleistocene landschap en (waar dit ontstaan is) het Basisveen worden door getijdengeulen uitgeschuurd. De afzettingen van het Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk) die in dit getijdengebied gevormd zijn, zijn overwegend zandig maar kunnen ook bestaan uit kleiplaatgronden. 10 De brede wadgeul ten zuiden van het huidige eiland Schouwen maakt contact met de Schelde die tot dan toe in noordelijke richting afwaterde maar nu zijn loop westwaarts verplaatst, de latere Oosterschelde. In het westelijke deel van Schouwen vormt zich op het Laagpakket van Wormer een strandwallencomplex bestaande uit strandzanden en stuifduinen. De meeste oostelijke grens van dit complex loopt van Brabers, over Haamstede en dan verder naar het noorden waar ze uitwigt.

Vanaf het subboreaal (circa 3.750 v. Chr.) neemt de snelheid van de zeespiegelstijging dermate af dat er zich een nieuwe kustbarrière van strandwallen kan vormen die zich sterk in westelijke richting uitbouwden. De meeste westelijke grens van dit complex wordt wellicht in de midden ijzertijd bereikt. De zeegaten in deze barrière waarlangs het zeewater het achterliggende gebied in stroomt sluiten zich geleidelijk waardoor de getijdenwerking landinwaarts afneemt. Er vormen zich hierbij in het getijdengebied meer kleiige afzettingen. Gaandeweg houden in het getijdengebied achter de kustbarrière de sedimentatie en stijging ten gevolge van de verminderende marine invloed elkaar in balans. Op de hoger opgelslibde kwelders in het getijdengebied groeit daardoor een dichte rietvegetatie en plaatselijk gaat zich opnieuw veen vormen op de getijdenafzettingen, zodat er vanaf het midden‐subboreaal achter de inmiddels quasi gesloten kustbarrière een groot veenlandschap ontstaat dat bestaat uit een veenmoeras met daartussen kleine vennen en veenstroompjes.11 Geologisch wordt dit veen tot het Hollandveen Laagpakket van de Formatie van Nieuwkoop gerekend. C14 datering van de basis van dit veen in de Prunjepolder, enkele kilometer landinwaarts, plaatsen de start van de veen groei rond 4.300 BP.

Recenter datering van de bovenzijde van het Laagpakket van Wormer op de Kop van Schouwen gewezen op een vergelijkbare datering van omstreeks 4.400 tot 4.200 BP.12

8 Vos en de Vries, 2018. 9 Van Rummelen, 1978: 62‐64 10 Van Rummelen, 1978: 53 11 Vos and Van Heeringen, 1997: 28. 12 Van de Valk en Beekman, 2021.

14

ARTEFACT RAPPORT 699

RENESSE HOOGENBOOMLAAN 34

15

ARTEFACT RAPPORT 699

RENESSE HOOGENBOOMLAAN 34

Figuur 3 Paleogeografische ontwikkeling Zeeland. Blauwe stip: globale ligging plangebied. Bron: Vos en de Vries 2018.

16

ARTEFACT RAPPORT 699

RENESSE HOOGENBOOMLAAN 34

Het veenmilieu verandert in het subboreaal van brak naar zoet en vervolgens van eutroof naar oligotroof en kan opgroeien tot ruim boven NAP. Een C14 datering van de top van het veen in de omgeving van Renesse wijst op veengroei tot circa 3.400 BP.13 Omstreeks 500 v. Chr. bereikt het veenkussen zijn maximale omvang waarbij ook de oostelijke lager gelegen rand van de strandwallen bedekt raken met veen. Het is ook in deze periode dat het goed ontwaterde veenmoeras wellicht bewoonbaar raakt. Daarna treedt een geleidelijk verval in. Water uit dit veengebied zoekt zijn weg richting de zee in steeds breder wordende geulen. Hierdoor wordt de mariene invloed op het achterliggende land opnieuw geactiveerd. Tussen Vrouwenpolder en Oostkapelle, op Walcheren, doorbreekt het water de strandwal en ontstaat er een sluftergebied met een veelvoud aan smalle geulen die de verbinding tussen het veengebied met de zee versterkten.

Het Veerse gat, de inbraakgeul tussen Walcheren en Noord‐Beveland, is in oorsprong wellicht ook in deze periode ontstaan.14 Waar tot in de late ijzertijd de landschappelijke ontwikkeling voornamelijk bepaald wordt door natuurlijke factoren zoals de morfologie van de ondergrond, de zeespiegelstijging en de gedifferentieerde afzettingen en opslibbing van sediment zal vanaf grofweg vanaf de Romeinse tijd de antropogene invloed geleidelijk aan een meer bepalende rol spelen in de vorming en afbraak van het landschap. 15 De ontwatering van het veen door het graven van afwateringsgreppels en het verbreden en kanaliseren van de reeds aanwezige veenstroompjes resulteren in erosie van het oppervlakteveen en inklinken van het veenlandschap. De zee krijgt opnieuw vat op het laag gelegen Zeeuwse veengebied. De eerste tekenen van overstromingen van dit gebied dateren dan ook al uit de 2de helft van de 2de eeuw. Vanaf circa 250 n. Chr. kan de zee ook verder en breder het achterland voorbij de strandwallen instromen, waardoor een nieuw getijdenlandschap ontstaat.16 Het ontstaan van een nieuw getijdenlandschap vanaf deze periode resulteert in de sedimentatie van dikke pakketten klei en zand. Daar waar getijdengeulen zich hebben ingesneden worden zandige pakketten afgezet en de hoger gelegen veengronden worden afgedekt met fijner sediment, hoofdzakelijk zware klei.

De afzettingen van het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk), die daarbij tot stand komen, liggen tot op heden in vrijwel heel Zeeland aan het oppervlak. Omstreeks 800 n. Chr. bestaat Zeeland grotendeels uit een langzaam opslibbend kweldergebied. De geleidelijk aan droger en stabieler wordende situatie biedt nieuwe kansen. Gedurende de eeuwen die volgenden vindt dan ook een intensieve kolonisatie van het getijdengebied plaats. Het economische zwaartepunt ligt hier op schapenteelt en wolproductie. Vanaf dat ogenblik beginnen de bewoners zich ook met grootschalige bedijkingen tegen het water te beschermen en worden ook nieuwe gebieden (offensief) ingepolderd. In het nieuwgewonnen land wordt naast landbouw en veeteelt ook aan veenontginning gedaan. Het zoute veen kan namelijk gebruikt worden bij de productie van zout. Het weggraven van het veen heeft echter ook een aanzienlijke verlaging van het maaiveld en een erosie van het leefoppervlak tot gevolg.17 De degeneratie van het landschap in de late middeleeuwen wordt bovendien in de hand gewerkt door slecht onderhoud van dijken, wat ertoe zal leiden dat dijkdoorbraken tijdens een stormvloed catastrofale gevolgen kennen, waarbij veel land verloren gaat.

Het oostelijk deel van Zuid‐Beveland (het verdronken land van Zuid‐Beveland) welke na zware stormen aan het einde van de 16e eeuw onder water komt te staan, is hiervan een van de bekendste exponent. Bovendien heeft dit ook fundamentele gevolgen voor de hydrografie van Zeeland. De hoofdstroom van de Schelde, die tot dat ogenblik via de Oosterschelde zijn weg naar de zee had gevonden, verlegt zich door de realisatie van een verbinding met de Honte zuidwaarts en vormt zo de Westerschelde.18 De omgeving van het plangebied is door zijn hoge ligging nooit getroffen door stormvloeden of inundaties. De hernieuwde mariene activiteit heeft echter ook op de Kop van Schouwen andere aanzienlijke gevolgen: doorgaande

13 Vos en Van Heeringen, 1997. 14 Vos and van Heeringen, 1997 paleogeografische kaart. 15 Vos and Van Heeringen: 1997. 16 Vos and van Heeringen: 1997. 17 Dekker, 1971: 20. 18 Vlam, 1944, Coen, 2008.

17

ARTEFACT RAPPORT 699

RENESSE HOOGENBOOMLAAN 34

kustafslag resulteert erin dat een groot deel van de kuststrook onherroepelijk verloren gaat. Met het geleidelijk afbreken van de zandige kustbarrière steekt tevens een nieuw fenomeen de kop op: duinoverstuivingen. Beekman heeft in zijn standaardwerk over de Kop van Schouwen beargumenteerd dat de Oude Duinen in twee fasen worden begraven onder zich steeds verder inlands verplaatsende buitenduinen. De eerste duinoverstuiving dateert hij in de periode 900‐1300 waarbij het vroegmiddeleeuwse cultuurlandschap bedekt raakt met metersdik jong duinzand, een proces dat mede in gang wordt gezet, of tenminste versterkt door de aanleg van wegen en intensieve beweiding van het gebied in de Karolingische periode. De tweede duinoverstuiving in de 17de en 18de eeuw wordt geïnstigeerd door de sterk vergrote dynamiek in de Oosterschelde en de daarmee gaande veranderingen voor de kust van de Kop van Schouwen: het vergroten van de geul de Hammen en het ontstaan van het Krabbengat die de kuststrook ernstig aantasten.19

2.2.2

Aardkundige waarden

Geologie Op de Geologische Kaart van Nederland (TNO‐NITG 2010, niet afgebeeld) is het plangebied gelegen in een zone met code Na1. Dit duidt op een geologische configuratie van duin‐ en strandzand. Bij het opstellen van de nieuwe lithostratigrafie is voor deze afzettingen een indeling gemaakt die enkel op lithostratigrafische gronden rust en die losgekoppeld is van een tijdgebonden indeling. De oudere eenheden van de Oude en Jonge Duinzanden (daterend uit 1975, infra) worden hierbij ondergebracht onder één pakket, het Laagpakket van Schoorl. De strandzanden worden als het Laagpakket van Zandvoort benoemd.

Figuur 4 Uitsnede van de Geologische Kaart van Nederland. Bron: van Rummelen, 1967.

19 Beekman, 2007: 256‐259

18

ARTEFACT RAPPORT 699

RENESSE HOOGENBOOMLAAN 34

Op de Geologische Kaart van Nederland (figuur 4, code S6) is het plangebied gelegen in een gebied dat gekenmerkt wordt door het voorkomen van jonge duin‐ en strandzanden (nu Laagpakket van Schoorl en Zandvoort) op afzettingen van Calais (nu Laagpakket van Wormer) op oude duin‐ en strandzanden (nu Laagpakketten van Schoorl en Zandvoort). In en tussen de jonge duin‐ en strandzanden en de afzettingen van Calais komen inschakelingen van Duinkerke (nu Laagpakket van Walcheren) en/of Hollandveen (nu Hollandveen Laagpakket) voor. De brede groene lijn ten westen van het plangebied duidt de maximale westelijke verspreiding van het Laagpakket van Walcheren aan. Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO) Raadpleging van het DINO loket20 leert dat binnen het plangebied geen boringen zijn uitgevoerd. De meest dichtbij gelegen boringen bevindt zich op circa 310 m ten noordwesten van het plangebied, in een zone met een (volgens de Geologische kaart) gelijkaardig profiel. In deze boring (B42E0003) bestaat de bovenste 6,3 m uit matig fijn zand van het Laagpakket van Schoorl. Plaatselijk komen hierin humeuze pakketten voor. Tussen 6,3 en 7,6 m ‐mv (0,75 m en 2,05 m ‐NAP) komt een kleiige veenlaag voor, behorende tot het Hollandveen Laagpakket. Hieronder bevindt zich zandafzettingen van het Laagpakket van Wormer (tot 34,1 m ‐mv/ 28,55 m ‐NAP).

Oudere duin‐ of strandafzettingen worden hier niet aangegeven, mogelijk ontbreken deze, al is niet uitgesloten dat deze in de geraadpleegde boringen niet als dusdanig onderscheiden zijn. Bodem Op de Bodemkaart van Nederland21 (niet afgebeeld) wordt het plangebied weergegeven in bebouwd, niet gekarteerd gebied. Het omringende gebied wordt gedomineerd door een duinzone waar de bodem bestaat uit vlakvaagronden en duinvaaggronden met leemarm fijn zand (code Zn21, GWT III). Plaatselijk zijn hierin kalkarme beekeerdgronden van leemarm en zwak lemig zand (code pZg21, GWT III) ontwikkeld. De grondwatertrap III in het gebied wijst op een relatief hoge grondwaterstand. Op de bodemkaart van Kuipers uit 1960 (niet afgebeeld) wordt de omgeving van het plangebied gekenmerkt door duingronden. Ter plaatse van het plangebied betreft dit meer specifiek duinvlaktegronden22. Geomorfologie Ook op de Geomorfologische Kaart van Nederland23 (niet afgebeeld) ligt het plangebied in bebouwd, niet gekarteerd gebied. De omliggende zones worden gedomineerd door lage kustduinen met bijhorende vlakten en laagten (3L7). Plaatselijk is hierin door afgraving en/of egalisatie van de duinen een vlakte ontstaan (code 2M49). Actueel Hoogtebestand Nederland De geschetste geo(morfo)logische situatie wordt tevens geïllustreerd op de onderstaande bewerkte uitsneden van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3).

Figuur 5 illustreert de ligging op de binnenduinen, een uitgestrekt gebied met NAP waarden tussen 1 en 7 m +NAP (lichtblauwe tinten op figuur 5). Goede herkenbaar is de scheiding met het ten oosten hiervan lager gelegen polderlandschap (donkerblauwe tinten op figuur 5). Ten noorden en noordwesten van het plangebied markeren de oranje en rode kleuren de hoog opgewaaide buitenduinen met waarden tot wel 40 m +NAP. Deze gordel is aan de noordzijde van het eiland niet zeer breed (soms maar 100 m) ontwikkeld. Dit staat in schril contrast met de buitenduinen in de Verklikkerduinen en meer nog in de Meeuwen‐ en Zeepeduinen aan de westkant van Schouwen. Het hoogtebestand illustreert in deze buitenduinengebieden tevens mooi het proces van de steeds verder inlands verplaatsende (jonge) duinen (rode en paarse tinten) waarbij de lichter gekleurde (gele en tussenliggende lichtblauwe) delen de uitgeblazen stuifketels of duinvalleien weerspiegelen.

20 www.DINOloket.nl/ondergrondgegevens: geraadpleegd op 03‐06‐2021. 21 Pleijter, 1994 22 Kuipers, 1960 23 Wolfert, 1991

19

ARTEFACT RAPPORT 699

RENESSE HOOGENBOOMLAAN 34

Figuur 5 Bewerkte uitsnede Actueel Hoogtebestand Nederland. Bron: www.pdok.nl (AHN3 0,5 meter raster DSM).

Bekijken we het plangebied op een sterk vergrote en bewerkte uitsnede (figuur 6) dan valt de ligging van het plangebied op een binnenduin duidelijk op (oranjetinten op figuur 6). Deze binnenduin steekt hoger boven het landschap uit (circa 5 m +NAP) in vergelijking met het gebied ten noorden hiervan (waarden van 2,5 tot 2,9 m +NAP) en het gebied ten zuiden ervan (waarden van 0 m NAP en lager). Meer noordelijk, bovenaan het beeld, is de smalle buitenduin gelegen, hier heeft het maaiveld een waarde van meer dan 10 m +NAP (tot plaatselijk 20 m +NAP). Op het centrale deel van de binnenduin is het oorspronkelijke microreliëf grotendeels afgevlakt bij de ontwikkeling van de nederzetting Renesse en nadien de vele vakantieparken ten westen van de dorpskern (waaronder ook het gebied rondom het plangebied). Mogelijk heeft ook het gebruik voor landbouwdoeleinden vanaf de middeleeuwen een rol gespeeld in deze gedeeltelijke afvlakking van het reliëf. Meer zuidwestelijk is dit microreliëf wel nog in het landschap zichtbaar als een reeks van welvingen met een hoogte van 7 m +NAP (rode tinten op figuur 6). Binnen het plangebied bedraagt de maaiveldhoogte circa 5 m +NAP, in het braakliggende noordelijke deel betreft dit 4,5 tot 5 m +NAP.

20

ARTEFACT RAPPORT 699

RENESSE HOOGENBOOMLAAN 34

Figuur 6 Bewerkte uitsnede Actueel Hoogtebestand Nederland. Bron: www.pdok.nl (AHN3 0,5 meter raster DSM).

21

ARTEFACT RAPPORT 699

2.3

RENESSE HOOGENBOOMLAAN 34

Historie

De vondst van een menselijke kies uit het mesolithicum (C14 datering in 8290 BP/6340 v. Chr.) op het strand van Burgh‐ Haamstede vormt een van de oudste vondsten die in de ruime omgeving zijn gedaan en wijst in elk geval naar een wijdverbreide aanwezigheid van de mesolithische mens in de toenmalige lagergelegen delen van het landschap gedurende deze periode. De bij Burgh‐Haamstede aangetroffen kies is vermoedelijk afkomstig van Doggerland, het verdronken lager gelegen prehistorische landschap tussen Nederland, Engeland en Denemarken. Aangenomen wordt dat de kies bij baggerwerkzaamheden in het Noordzeebekken vrijgekomen is en bij Burgh‐Haamstede aangespoeld of met opgespoten zand aangevoerd is.24 Uit het op het mesolithicum volgende neolithicum zijn op Schouwen‐Duiveland eveneens resten aangetroffen. Dit betreft onder meer nederzettingssporen die opgetekend zijn op een strandwal of overwash bij Brabers (Haamstede).25 Op deze hoger gelegen zone, die omstreeks 3.100 v. Chr. ontstaan is en recenter bedekt geraakt met jonge zeeklei26 zijn eind jaren ’50 van de 20e eeuw bij archeologisch onderzoek drie huisplattegronden uit het laat‐neolithicum (2.850 tot 2.000 v. Chr.) aangetroffen, in combinatie met vuursteen, aardewerk, het fragment van een polijststeen en van een maalsteen.

Op basis van zowel C14 dateringen als de typologie van de aangetroffen huisplattegronden en vondsten kan de nederzetting toegeschreven worden aan de Vlaardingencultuur27. De neolithische bewoning van Brabers zal een permanent of seizoensgebonden karakter hebben gehad. Elders op Schouwen zijn alleen losse vondsten bekend die mogelijk neolithisch kunnen zijn. Het betreft enkele vuurstenen artefacten, die echter op basis van typologische kenmerken niet exact te dateren zijn. Een jongere herkomst (bronstijd) is voor deze vondsten zeker niet uitgesloten. In het Schouwse duingebied zijn nog geen neolithische nederzettingssporen gevonden, maar het is mogelijk dat ook hier de drooggelegen strandafzettingen bewoond waren. Op de Oude Duinen op de Kop van Schouwen zijn dan weer verschillende vondsten aangetroffen die kunnen wijzen op bewoning gedurende de bronstijd langs de droge delen van de kust. De vondsten bestaan onder andere een pijlpunt, een bronzen naald, een speerpunt en een fibula, grotendeels daterend uit de late bronstijd, aangetroffen samen met een aantal fragment aardewerk die door van Heeringen aan de Den Haag pottery style group (uit late bronstijd) toegeschreven worden.28 In de Oude Duinen van Schouwen gaat de bewoning in de late bronstijd waarschijnlijk direct over in de vroege ijzertijd.

In de midden‐ijzertijd neemt de bewoning wellicht iets toe, maar dan alleen in de duingebieden en op de strandwallen. Uit deze periode zijn op Schouwen‐Duiveland verschillende vondsten bekend op de duinen, deze worden door van Heeringen in 1989 ondergebracht bij de Rotterdam pottery style group.29 Ook in meer recente tijden zijn op de Kop van schouwen meerder vondsten en enkel sporen uit de ijzertijd (tot late ijzertijd) aangetroffen.30 Op het zuidelijke deel van Brabers zijn nederzettingssporen uit de late ijzertijd aangetroffen in een cultuurlaag die ook gedurende de Romeinse tijd in gebruik is gebleven. De aangetroffen paalsporen en greppels, die uit de 1e eeuw v. Chr. dateren, konden evenwel niet tot herkenbare structuren herleid worden. In het duingebied is de hoeveelheid aardewerkfragmenten uit de late ijzertijd opvallend kleiner dan in de vroege en midden‐ijzertijd. Mogelijk was de kern van de bewoning in deze periode dichter aan de kust gelegen, in een gebied dat later is weg geërodeerd door het water. Op Schouwen zijn onder andere Romeinse vondsten uit de periode 80‐250 na Chr. aangetroffen op het zuidelijke deel van het onderzochte areaal bij Brabers (dit is niet ter plaatse van de nederzetting uit de vroege fasen van de prehistorie). Zoals eerder aangegeven zijn deze aangetroffen in dezelfde cultuurlaag waarin ook de bewoning uit de late ijzertijd is vastgesteld.

Op één locatie was de ijzertijd component stratigrafisch gescheiden van de Romeinse, deze 24 Van der Plicht, et al, 2016.

25

22

De oorspronkelijk interpretatie van de rug bij Brabars als een strandwal wordt meer recent in twijfel getrokken ten voordele van een overwash. Zie Beekman, 2007 en Van der Valk en Beekman, 2021. 26 Beekman, 2007. 27 Verhart, 1992, De Boer, 2008 en Beekman, 2007. 28 Van Heeringen, 1989, 190‐191. 29 Van Heeringen, 1989, 196‐197. 30 Van der Valk en Beekman, 2021.

ARTEFACT RAPPORT 699

RENESSE HOOGENBOOMLAAN 34

is echter vergaven voordat deze opgegraven kon worden. De Romeinse bewoning omvat hier ten minste twee fasen en bestaan uit huisplattegronden van ten minste vijf tweeschepige gebouwen, greppels, een tonput en een kortstondig gebruikt akkertje. In enkel greppels uit de latere Romeinse fase zijn bouwmaterialen zoals tufsteen, tubuli, hypocausttegels en dakpannen voorzien van specie aangetroffen. Deze geven aan dat in de omgeving ten minste één (gedeeltelijk) versteend gebouw heeft gestaan. Ook de aanwezigheid van importaardewerk uit Midden en Oost‐Gallië, Spanje, het Rijnland en België (het zogenaamde Belgische waar) tonen eveneens aan dat de nederzetting een zekere toegang had tot het interregionaal Romeins handelsnetwerk.31 Op basis van historische bronnen (de 17e‐eeuwse kaart van Visser‐Roman) wordt de aanwezigheid van een Romeinse versterking vermoed in de huidige Oosterschelde ter hoogte van het huidige werkeneiland Roggeneiland. Op deze locatie op de rand van de toenmalige Zuidduinen (die sindsdien verdwenen zijn) staat op deze 17e‐eeuwse kaart een Romeins kasteel aangegeven met de met de benaming Den Roompot. Waarschijnlijk betreft het hier de resten van een Romeins castellum of vlootstation voor de verdediging en controle van de Scheldemonding dat mogelijk nabij een natuurlijke haven en nederzetting heeft gelegen.

Een tweede aanwijzing voor de aanwezigheid van een Romeinse vindplaats ter plaatse van de huidige Oosterschelde is de vondst in de loop der jaren van een grote hoeveelheid aan verspoelde Romeinse vondsten (aardewerk, metaal, waaronder een grote hoeveelheid munten) op het strand van Westenschouwen, tussen het Noordduin en De Punt. Hoewel hier dan ook geen bijhorende sporen konden aangetroffen worden geeft de hoeveelheid aan materiaal aan dat er in de omgeving een vrij vondstrijke nederzetting uit de 2e tot 5e eeuw zal hebben gelegen. 32 Op het terrein van Slot‐Haamstede, zijn bij opgravingen ten behoeve van restauratiewerken in de jaren ’60 van de 20e eeuw, resten van een muur in tufsteen en los tufsteenpuin aangetroffen die mogelijk eveneens uit de Romeinse tijd dateren.33 Op dezelfde locatie zou in de loop van de 17e eeuw een Romeinse munt uit 270 na Chr. aangetroffen zijn.34 Meer recent, in 2020 werd 500 m ten zuiden van Burgh aan de Kraaijensteinseweg een Romeinse vindplaats op het veen aangetroffen.35 De oudste aanwijzingen voor middeleeuwse bewoning op Schouwen‐Duiveland dateren uit de Merovingische tijd (400 tot 750 na Chr.). Hier boden de duinen op Schouwen betere omstandigheden dan het natte getijdengebied van de Schelde.

Op het strand bij Westenschouwen zijn, als losse vondsten, in totaal 78 sceatta’s (kleine muntjes) uit de eerste helft van de 8e eeuw aangetroffen door Hubregtse, de plaatselijke onderwijzer die in de periode tussen circa 1911 en zijn overlijden in 1940 tal van prospecties uitvoerde. Landinwaarts van deze vondstlocatie (in het duingebied) trof hij Merovingisch aardewerk en een tremisis36 uit het begin van de 7de eeuw aan. Uit de Karolingische tijd (750‐950 na Chr.) vond hij op het strand 46 zilveren munten die dateren uit de periode tussen 768 en 875. Hoewel nergens nederzettingssporen zijn aangetroffen, maken de vondsten uit de Merovingische en Karolingische periode wel aannemelijk dat in deze eeuwen sprake was van bewoning. Waarschijnlijk is een vroegmiddeleeuwse handelsplaats, vergelijkbaar met die bij Domburg, in zee komen te liggen door kusterosie. De Karolingische vondsten op het strand en in de duinen van Westenschouwen maken evenwel duidelijk dat een nederzetting uit deze periode meer noordelijk geplaatst moet worden, waar de Romeinse en Merovingische nederzettingresten meer zuidelijk gelegen zouden zijn. Duidelijk is dat door erosie van de kust, de nederzetting honderden meters westelijk van het huidige strand moet hebben gelegen.

Deze lag in een landschap van lage duinen met daartussen vochtige strandvlakten en had door de lokale landschappelijke situatie waarschijnlijk een langgerekte structuur. Op basis van historische bronnen is nabij Westenschouwen de aanwezigheid gekend van een nederzetting villa Scaltheim 37 Mogelijk betreft het hier een handelsnederzetting die reeds gedurende de 9e eeuw verdwenen is. Ook tijdens het onderzoek bij Brabers werden enkele fragmenten Karolingisch aardewerk aangetroffen die lijken te wijzen 31 Trimpe Burger, 1995. 32 Beekman, 2007.

23

33 Van Straalen en Renaud, 1971. 34 Beekman, 2007. 35 Onderzoek door Bodac, nog niet gepubliceerd. 36 Een gouden munt die van oorsprong in de laat‐Romeinse tijd werd geslagen. Na de Romeinse tijd is dit munttype overgenomen

door de Germaanse heersers. 37 Beekman, 2007 en Dekkers, 2014

ARTEFACT RAPPORT 699

RENESSE HOOGENBOOMLAAN 34

op bewoning in deze periode.38 Villa Scaltheim was mogelijk in bezit van de abdij van Sint Baaf in Gent. De nederzetting kan geleden hebben onder de stormvloed van 838, maar was vermoedelijk wel voldoende hoog boven het vloedniveau gelegen om niet geheel te zijn verdronken, betoogt Beekman. Ook een verwoesting door de Noormannen is niet uitgesloten, maar hier zijn geen aanwijzingen voor. Scaltheim, als hoofdplaats van het gelijknamige domein, kan zodoende met de Karolingische nederzetting waarvan de vondsten op het meest westelijke strand van Westenschouwen zijn aangetroffen, worden vereenzelvigd. Aannemelijk is dan dat deze strandvondsten, maar ook de Karolingische vondsten uit het achtergelegen duingebied, de oostelijke periferie van deze nederzetting markeren. Voor wat betreft de ringwal in Burg is uit beperkt archeologisch onderzoek gebleken dat de aanleg van de ringwal in 880‐890 n. Chr. te dateren is en de burg in gebruik gebleven is tot in de 10e eeuw.39 De bewoning concentreerde zich in de daaropvolgende periode in het westen van Schouwen op de strandwallen en Oude Duinen met de nederzettingen Westenschouwen, Burgh‐Haamstede en Renesse. Bij de laatstgenoemde nederzettingen zijn in het midden en tweede helft van de 13e eeuw de kastelen Haamstede en Moermond gebouwd.

Ten oosten van het duinengebied concentreerde de bewoning zich op de kreekruggen van het Walcheren Laagpakket. De eerste nederzettingen op de kreekruggen waren Kerkwerve en Zonnemaire. Op de vindplaatsen bij Brabers is bij het onderzoek van de oudere nederzettingen een drieschepig gebouw uit de 11e of 12e eeuw aangetroffen.40 Bij meer recente vaststellingen op de Kop van Schouwen zijn daarnaast resten en vondsten vastgesteld die mogelijk wijzen op de aanwezigheid van een 11e ‐eeuwse nederzetting in het uiterste westen van het duingebied.41

2.3.1

Historisch‐geografische ontwikkeling

Grote delen van Zeeland krijgen hun huidige aanzien in de middeleeuwen wanneer grootschalige bedijkingen aangelegd worden, op Schouwen‐Duiveland is dit vanaf de 11e eeuw. Omstreeks 1250 worden de eilanden Schouwen en Duiveland geheel omdijkt en ontstaat de Polder Schouwen. Dat in de Polder Schouwen nadien nog binnendijkse moernering plaatsvindt lijkt te worden bevestigd door een verbod hierop uit 1395 42 , al worden de grootschalig gemoerde gebieden door Kuipers in 196043 eerder ten oosten van Haamstede en Renesse aangegeven. Schouwen is gedurende de middeleeuwen opgedeeld in zesdedelen. Deze bestaan uit Haamstede, Brijdorpe, Kerkwerve, Poort ‐of Quaelambacht en Zuidland, allen gelegen binnen de Polder Schouwen en het zesdedeel van Burgh en Westland (gelegen in de gelijknamige polder die voor het einde van de 13e eeuw is ontstaan). Na 1558, nadat een groot deel van het Zuidland in de golven verdwenen is, spreekt men van de Vierendelen van de Polder Schouwen: Het Wester‐, Ooster‐ en Zuidervierendeel en het Poortambacht. Drie van de Vierendelen (het Poortambacht niet) zijn op hun beurt onderverdeeld in tezamen achttien ambachtsheerlijkheden, waarvan sommige al in 13de ‐eeuwse stukken zijn vermeld. In de omgeving van het onderzoeksgebied betreft dit onder andere de heerlijkheid van Renesse, Noordwelle en Haanstede.

Op de Polder Burgh en Westland komen eveneens heerlijkheden tot ontwikkeling, de heerlijkheden Burgh en Westenschouwen. De kerk van Burgh (die vermoedelijk al in de 8e eeuw is ontstaan) vormt hierbij de oudste kerk op Schouwen. Het binnenduinengebied ten noordwesten en westen van de heerlijkheden van Westenschouwen, Burgh, Haamstede, Noordwelle en Renesse dat door zijn relatief hoge ligging, boven het hoogwaterpeil, in de middeleeuwen bewerkt en bewoond kan worden in de periode voorafgaand aan de bedijkingen (11e eeuw)44 is, hoewel deze soms als polder wordt benoemd, nooit daadwerkelijk ingepolderd (hoeven worden) 45 Dit relatief hoog gelegen gebied bestaat uit haaimannen, percelen binnenduin die in cultuur gebracht zijn en afwisselend als weide en akkerland (voor hoofdzakelijk de teelt van rogge) gebruikt worden en waarbij de percelen omgeven worden met een houtwal.46 Dit 38 Trimpe Burger, 1995. 39 Van Heeringen et al., 1995. 40 Trimpe Burger, 1995. 41 Van der Valk en Beekman, 2021. 42 Dekker, 1996. 43 Op de Bodemkundige overzichtskaart van Schouwen en Duiveland. Kuipers, 1960. 44 Geoloket Cultuurhistorie Zeeland. 45 Wilderom, 1964, 60 46 In de 19e eeuw wordt de benaming haaimannen vervangen door elzenmeet, zie verder. Beekman, 2007.

24

ARTEFACT RAPPORT 699

RENESSE HOOGENBOOMLAAN 34

gebied met duinen en haaimannen maakt gedurende de volle middeleeuwen deel uit van een afzonderlijke heerlijkheid, de heerlijkheid Van den Duine. De heerlijkheid Van den Duine is in 1229 samen met de heerlijkheid van Renesse door Graaf Floris V via een landruil aan Costijn van Zierikzee geschonken47. Costijn wordt hierna de eerste Heer van Renesse en laat omstreeks 1230 een kasteel bouwen ten oosten van Renesse. Iets later verkrijgt Costijn ook de gebieden van Haamstede (en het gelijknamige kasteel) en Burgh via gift of koop. Nadat de laatste mannelijke telg in rechte lijn van de Heeren van Renesse in 1304 sterft terwijl hij aan de zijde van Gwijde van Namen en diens Vlaamse leger deelneemt aan een poging om Zeeland te veroveren op de graven van Holland, worden de goederen door Jan I, graaf van Holland en Zeeland, verbeurdverklaard aan een diens halfbroer Witte van Haamstede geschonken. De eigendommen van Witte van Haamstede worden na diens dood in 1321 over zijn drie zonen verdeeld, waarbij het haaimannen‐ en duinengebied van de heerlijkheid Van den Duine wordt opgedeeld in de Oosteren en Westeren Ban van den Duine.

De Westeren Ban wordt bij de heerlijkheid van Haamstede gevoegd, de Oosteren Ban bij Renesse.48 De kaart met de monding van de Maas en Rijn uit de Brusselse Atlas van Christian Sgrooten uit omstreeks 1570 (figuur 7) geeft een beeld van de situatie in de tweede helft van de 16e eeuw. Vanwege de grofschaligheid van deze kaart is het onderzoeksgebied niet exact te projecteren, het is te situeren in het gebied ten zuidwesten van Renesse.

Figuur 7 Uitsnede van de Effluxus Mosae et duorum cornuum Rheni in mare Britannicu[m] door Sgrooten, 1573. De rode cirkel geeft de globale ligging van het plangebied aan. Bron: Koninklijke bibliotheek Brussel.

Aangenomen wordt dat de Westeren en Oosteren Ban gedurende de 13e tot 15e eeuw geheel uit haaimannen bestaat maar dat er daarna gedurende de 16e eeuw door een minder intensief gebruikt (en plaatselijk ook overstuiving) delen

47 Costijn staat hierbij zijn bezittingen bij Zierikzee af. 48 Encyclopedie van Zeeland (geraadpleegd dd. 20‐5‐21), Zeeuwse ankers (geraadpleegd dd. 20‐5‐21) en

Stenvert, van Ginkel‐Meester, Stades‐Vischer, Kolman en van Cruyningen, 2003.

25

ARTEFACT RAPPORT 699

RENESSE HOOGENBOOMLAAN 34

van deze haaimannen verloren zijn gegaan. In veldboeken uit het de 17e eeuw is er namelijk niet enkel sprake van haaimannen maar ook van duinpolders en ree.49 De kaart van Visscher van Zeeland uit circa 1656 (figuur 8) toont het plangebied en omgeving ervan in de 17e eeuw en laat behalve de diverse parochies ook individuele voorname bebouwing en weginfrastructuur zien. Deze kaart geeft echter een vereenvoudigd beeld van de wegen en losse gebouwen en erven tussen de woonkernen. Ook de kerken en de bewoning van de dorpen staan vaak niet op de juiste plaats aangegeven. Ook deze kaart is daardoor niet geschikt om een juiste projectie van het plangebied mogelijk te maken. In het gebied ten westen en zuidwesten van Renisse worden op deze kaart meerdere hofsteden en enkel vrijstaande woningen/gebouwen aangegeven. In hoeverre het huidig plangebied ter plaatse van één van deze complexen gelegen is op basis van deze kaart niet te bepalen. Wel toont deze kaart aan dat het plangebied in een zone gelegen is die gedurende de 17e eeuw bewoond (en bewerkt) werd.

Figuur 8 Uitsnede van de Zelandiae comitatus door N. Visscher, 1656. De globale ligging van het plangebied is met een rode cirkel aangegeven. Bron: Nationale Bibliotheek Frankrijk.

Tegen het begin van de 17e eeuw is, in het kader van de heffing van de grondbelastingen, een indeling gemaakt van de beschikbare landbouwgronden op Schouwen in verschillende bevangen (waarvan er volgens de inventarisatie door Fokker 24 deel uitmaken van de Oosteren Ban).50 Elk bevang omvat meerdere percelen. Deze bevangen zijn niet op de beschikbare historische kaarten in beeld gebracht. Van de bevangen van grote delen van Schouwen zijn in de loop van 49 Een duinpolder is een schraal duingrasland, ree is en een begreppeld duingrasland dat eerder als haaiman in gebruik is geweest.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11747325/1