RVS bestemmingsplan Natuur Verkeersmaatregelen N57-N59 Serooskerke bijlage 3 bijlage bij toelichting
Tekst van het document
De langgerekte Pleistocene dekzandruggen in het zuiden van Zeeuws‐Vlaanderen nodigden blijkbaar uit tot het opslaan van kleine tijdelijke kampementen, getuige de spitsen, schrabbers, stekers en afslagen die werden verzameld. Bij het graven en boren van de Westerscheldetunnel kwamen ook de nodige dierlijke resten naar boven uit dit tijdperk. Op het einde van de laatste IJstijd resulteerde een aangenamer klimaat in een veranderd landschap. In aanvang zal het huidige Noordzeebekken nog grotendeels droog hebben gelegen. Onder invloed van de klimaatwijziging veranderde en diversifieerde ook de dierenwereld. Het wild bestond onder andere uit oerrunderen, wisenten en edelherten, maar ook kleinere soorten als everzwijnen, bevers, otters en vogels. De mens was voor zijn dagelijks eten niet meer aangewezen op enkele diersoorten maar kon kiezen uit een breed voedselaanbod dat behalve door de jacht ook verkregen werd door te vissen en het verzamelen van noten en vruchten. Dit had grote gevolgen voor het nederzettingspatroon van de mens, aangezien hij niet langer over grote afstanden hoefde rond te trekken om in zijn onderhoud te voorzien, want voedsel was alom aanwezig in een dergelijk landschap. Kenmerkend voor het Mesolithicum is dat men zich voor de jacht aan de nieuwe samenstelling van de meer kleinere wildsoorten ging aanpassen.
Men ging allerlei kleinere en lichtere wapens gebruiken, zoals vuurstenen pijlen, benen vishaken en gevlochten visfuiken. De overvloed aan bepaalde voedselbronnen in een bepaald seizoen leidt tot meer seizoensgebonden kampementen. Mensen konden nu ook langer op één plaats blijven, maar de bewoning was nog niet permanent. Waarschijnlijk trokken deze mesolithische gemeenschappen als nomaden rond, in een vast jaarcyclus van kamp naar kamp, binnen een eigen territorium. Het aangenamer klimaat zal in Zeeland hebben 14
De Boer 2008, 25. 15 Kuipers & Swiers 2005, 15. 16 Jongepier 1995, 33.
37
ARTEFACT! RAPPORT 215
SCHOUWEN‐DUIVELAND ‐ EURORAP
geresulteerd in een toename van de menselijke aanwezigheid. Vindplaatsen uit het Mesolithicum zijn in Zeeland enkel bekend uit Zeeuws‐Vlaanderen. Deze vindplaatsen zijn daar aangetroffen in de top van het pleistocene dekzand. Het warmere klimaat zorgde echter voor een snel stijgende zeespiegel waardoor het oorspronkelijk, grotendeels droge Noordzeebekken onder water kwam te staan. Het rijzende water zorgde voor een sterk veranderend landschap waarbij veengroei en later sedimentaire afzettingen het oorspronkelijke landschap gaan bedekken. Naar alle waarschijnlijkheid zijn vindplaatsen uit het Mesolithicum ook in de rest van Zeeland aanwezig. Deze zijn echter bijzonder moeilijk op te sporen omdat ze zijn bedekt onder een metersdik pakket van klei en veen. Opgravingen in Aardenburg, Nieuw Namen en Axel documenteerden haardplaatsen met vuurstenen werktuigen. Afslagen en vuursteenknollen die aan elkaar konden gepast worden illustreren dat in deze tijdelijke jachtkampen ook specifieke activiteiten als vuursteenbewerking plaatsvond17. Vuursteenvondsten werden verder nog aangetroffen in Terneuzen, Koewacht, het Land van Saeftinghe, Sluiskil, Aardenburg en het Sas van Gent (Suikerplein). Uit de latere fase van het Mesolithicum zijn in Zeeland geen verdere vondsten bekend.
Dit is wellicht te wijten aan de toenemende vernatting van het landschap.18 Ten gevolge van deze vernatting was bewoning slechts mogelijk op de dekzandruggen in zuidelijk Zeeuws‐Vlaanderen en op de strandwallen en de hogere delen van het getijdengebied dat de rest van Zeeland kenmerkte.
Neolithicum (circa 5.300 – 2.000 v. Chr.) In het Neolithicum was bewoning slechts mogelijk op de strandwallen en enkele hoger opgeslibde delen van het getijdengebied dat Zeeland kenmerkte. Tijdens het Neolithicum veranderde de mens geleidelijk aan zijn manier van bestaan. Hij ging zich in steeds grotere mate voorzien in zijn voedselbehoefte door het houden van vee en het verbouwen van voedsel. De mensen gingen de natuur naar hun hand zetten en in plaats van rond te trekken, vestigde men zich op vaste locaties in meer standvaste boerderijen. Als gevolg van het toepassen van landbouw en veeteelt werd de mens gebonden aan een vaste plek in het landschap, in plaats van rond te trekken tussen tijdelijke kampementen. Neolithische sporen in Zeeland zijn echter schaars. In Saeftinghe werden een aantal fragmenten aardewerk uit de Michelsbergcultuur gevonden. Op Schouwen‐Duiveland dateren de oudste Neolothische sporen van bewoning uit het Laat Neolithicum (2.850 tot 2.000 v. Chr). Dit betreft de nederzettingssporen die opgetekend werden op de strandwal van Haamstede (Brabers). Op deze strandwal, die omstreeks 3.100 v. Chr. ontstaan is en recenter bedekt geraakt met Jonge Zeeklei19 werden eind jaren ’50 van de 20e eeuw bij archeologisch onderzoek drie huisplattegronden uit het Laat‐Neolithicum aangetroffen, in combinatie met vuursteen en aardewerk.
Op basis van zowel C14 dateringen als de typologie van de vondsten kan de nederzetting toegeschreven worden aan de Vlaardingencultuur20. De neolithische bewoning van Brabers zal een permanent of seizoensgebonden karakter hebben gehad. Het gros van de Zeeuwse vondsten uit deze periode zijn echter niet in situ aangetroffen. Het betreffen meestal oppervlaktevondsten van vuurstenen werktuigen. Kenmerkend voor het vondstenspectrum uit het Neolithicum zijn de geslepen of gepolijste bijlen die gevonden zijn in de omgeving van Koewacht, Saeftinghe, Aardenburg en ook Terneuzen. Ook op Schouwen Duiveland zijn een enkel
17 Kuipers & Swiers 2005, 16. 18 Jongepier 2012, 35. 19
20
Beekman, 2007. De Boer 2008. Beekman, 2007.
38
ARTEFACT! RAPPORT 215
SCHOUWEN‐DUIVELAND ‐ EURORAP
verspreide losse vondsten uit het Neolithicum gedaan, die niet onmiddellijk aan een nederzetting toegeschreven kunnen worden.21
Bronstijd (circa 2.000 – 800 v. Chr.) Vondsten uit de Bronstijd zijn erg schaars in Zeeland. De langzaam doorgaande zeespiegelrijzing en het weinig toegankelijke landschap zal vermoedelijk weinig kans op permanente bewoning hebben geboden. Dat er mogelijk wel wat bewoning is geweest in Zeeland tijdens de Bronstijd zou kunnen afgeleid worden uit enkele losse vondsten zoals de opgebaggerde hielbijl voor de kust van Westkapelle en een paar losse pijlpunten op de strandwallen van Schouwen‐Duiveland22. Op de Westerenban werden daarnaast ook een pijlpunt, een bronzen naald, een speerpunt en een fibula.23 In de groeve van Nieuw‐Namen werden enkele jaren geleden twee potten uit de Bronstijd aangetroffen. Dit zijn uitzonderlijke vondsten voor Zeeland.
IJzertijd (circa 800 – 12 v. Chr.) In de IJzertijd wordt Zeeland grotendeels bedekt door een uitgestrekt veenlandschap. In de Vroege IJzertijd is de bewoning dan ook nog zeer schaars. Uit deze periode zijn op Schouwen‐Duiveland alleen vondsten bekend van op de Westerenban, waar, op basis van de vondsten, bewoningscontinuïteit is vanuit de Late Bronstijd tot Midden IJzertijd.24
Afbeelding 18 Foto van de plattegrond van een boerderij uit de IJzertijd te Serooskerke (gemeente Veere), aangetroffen bij de aanleg van de N57. Bron: WAD.
Vanaf de Late IJzertijd neemt de bewoning toe, mede mogelijk gemaakt door een goede ontwatering van dit niveau, waardoor oxidatie en een klink in de top van het veenniveau ontstaat. Dit uitgestrekte en goed ontwaterde veenlandschap aan de Belgische en Zeeuwse kust vormde vanaf de Late IJzertijd, maar vooral vanaf de Romeinse Tijd een vrij intensief bewoond gebied. De ontwatering van dit gebied verliep via verschillende veenstromen. Vindplaatsen uit de Late IJzertijd zijn echter vooral bekend op Walcheren, Tholen en Schouwen. In Grijpskerke werd een rituele kuil met meer dan 660 kilogram aardewerk aangetroffen. De middelen van bestaan waren nu exclusief gericht op landbouw (onder andere werd in Zeeland het verbouwen van rogge en huttentut aangetoond) en veeteelt (onder andere runderen, schapen, geiten en varkens). De nederzettingen bestonden uit alleenstaande boerderijen, die werden bewoond door een kernfamilie, die volledig op de eigen gemeenschap was 21
De Boer 2008, 25‐26. 22 Kuipers & Swiers 2005, 17‐18. 23 24
Jongepier 1995. Van Heeringen 1988.
39
ARTEFACT! RAPPORT 215
SCHOUWEN‐DUIVELAND ‐ EURORAP
gericht. Op de foto (zie afbeelding 18) is een boerderij te zien die werd opgegraven in kader van de aanleg van de N57 in het Veerse Serooskerke. In Zeeuws‐Vlaanderen zijn, op basis van luchtfotografie, sporen uit deze tijd in de buurt van Axel bekend. Op Schouwen‐Duiveland zijn op het zuidelijke deel van Brabers nederzettingssporen uit de Late IJzertijd aangetroffen in een cultuurlaag die ook gedurende de Romeinse tijd in gebruik is gebleven. De aangetroffen paalsporen en greppels, die uit de 1e eeuw v. Chr. dateren, konden evenwel niet tot herkenbare structuren herleidt worden.25
Romeinse tijd (12 v. Chr. – 450 n. Chr.) Rond 50 BC verschenen de Romeinen in de Lage Landen. Voor het eerst worden deze streken vermeld in historische bronnen zoals De bello gallico van Julius Caesar. In Nederland begint de Romeinse Tijd in 12 BC, als alle stammen in Nederland, inclusief die ten noorden van de grote rivieren, door de Romeinse veldheer Drusus waren onderworpen. Vanaf het midden van de eerste eeuw werd de Rijn de noordgrens van het Romeinse rijk in West‐Europa. Zeeland werd onderdeel van de provincie Gallia Belgica.
Afbeelding 19 Patroon met natuurlijke getijdengeulen en restanten van antropogene veenontwateringskanalen op Walcheren. Bron: Vos & Van Heeringen 1997, naar: Brus et al. 1986.
Ook in de Romeinse Tijd was Zeeland een uitgestrekt veengebied. De bewoning zal zich voornamelijk geconcentreerd hebben op de strandwallen en langs de oevers van de Schelde, die een belangrijke handels(vaar)weg vormde. Vele (recente) vondsten tonen echter dat ook het veengebied vrij intensief bewoond werd. Nederzettingen zijn bekend uit Haamstede, Zierikzee, Colijnsplaat, Kats, Domburg, Aardenburg en Ellewoutsdijk. In deze periode werden tevens dijken en terpen opgeworpen die het, steeds meer aan getijdewerking onderhevige landschap, geschikt voor bewoning maakte. 25
Trimpe Burger 1995.
40