CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

RVS bestemmingsplan Natuur Verkeersmaatregelen N57-N59 Serooskerke bijlage 3 bijlage bij toelichting

Gemeenteraad 28 april 2022, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: Bestemmingsplan Natuur Verkeersmaatregelen N57-N59 Serooskerke (523350)19.772 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Deze middelhoge verwachting is gebaseerd op de aanwezigheid van een intact Hollandveen binnen het plangebied, er zijn echter aanwijzingen dat deze laag niet langer intact is. Voor de Vroege Middeleeuwen is eveneens een middelhoge verwachting vastgesteld, voor de Late Middeleeuwen is de verwachting laag, met uitzondering voor die zones waar vanaf de Late Middeleeuwen wegen aangelegd zijn. Voor de Nieuwe tijd is de verwachting hoog op basis van de aanwezigheid van de nu nog bestaande wegen en bebouwing. De verschillende mogelijke varianten hebben geen invloed op de archeologische verwachting. Voor het plangebied Serooskerke is het beeld iets gecompliceerder. Samenvattend kan worden gesteld dat voor de zone langs het oosten en in het zuidwesten van het plangebied geen

5

ARTEFACT! RAPPORT 215

SCHOUWEN‐DUIVELAND ‐ EURORAP

archeologische verwachting is voor de Vroege Prehistorie tot Late Middeleeuwen. Voor het centrale deel van het plangebied is geen verwachting vastgesteld voor het Paleolithicum en Mesolithicum, een lage verwachting voor het Neolithicum en de Bronstijd en geen verwachting voor de IJzertijd en Romeinse tijd, hier is het Hollandveen namelijk volgens de beschikbare bronnen gemoerd. Voor de Vroege en Late Middeleeuwen geld een lage verwachting. Voor de Nieuwe tijd is de verwachting ook laag, behalve voor die zones waar op basis van historische informatie wegen en bebouwing hebben gelegen, daar is de verwachting middelhoog tot hoog. Voor het plangebied Zwaardweg geldt geen verwachting voor het Paleolithicum, Mesolithicum, IJzertijd en Romeinse tijd (op basis van de verwachte moernering van het Hollandveen) en Vroege Middeleeuwen. Voor het Neolithicum, de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd is de verwachting Laag. Voor resten van infrastructuur (wegen) uit de Nieuwe tijd is de verwachting hoog. Van belang voor de archeologische verwachting is de mate van verstoring in het plangebied. Delen van de plangebieden zijn vanaf de Nieuwe tijd in gebruik genomen als weg (en van kabel‐ en leidingstroken voorzien). Een aantal hiervan is nu nog in gebruik. Het is onbekend in welke mate het huidig gebruik als weg voor een verstoring van de bodem (en oudere wegresten) heeft gezorgd.

Voor het grootste deel van het binnen de plangebieden aanwezige Hollandveen is op basis van de beschikbare bronnen moernering vastgesteld. Het is niet bekend in welke mate deze bronnen nauwkeurig zijn op het kleinschaligere niveau van de plangebieden. Het gemeentelijk archeologiebeleid legt voor de plangebieden Kraaijensteinweg en Serooskerke een archeologisch onderzoek op bij een verstoringsdiepte van meer dan 50 centimeter en een oppervlakte van meer dan 2500 m2 en meer dan 50 centimeter en een oppervlakte van meer dan 5000 m2 voor het plangebied Zwaardweg. De plangebieden overschrijden deze grenzen. Op basis van de voorlopige planvorming is dan ook in principe een Inventariserend Veldonderzoek door middel van (hand‐) boringen, verkennende fase, noodzakelijk binnen de drie plangebieden. In overleg met de RCE is echter besloten voor wat betreft de plangebieden Kraaijensteinweg en Zwaardweg af te wijken van dit beleid. Voor deze zones geldt namelijk dat de te verrichten verstoringen beperkt blijven tot die zones waar heden reeds wegen en de hierlangs gelegen kabels en leidingen aanwezig zijn. Hierdoor is de kans zeer groot dat de bovengrond, tot het niveau waarop de geplande verstoring uitgevoerd zal worden, reeds in grote mate verstoord is.

De kans op een gave vindplaats hier dan ook zeer beperkt en de mogelijk uit een archeologisch vervolgonderzoek te behalen informatie zal hierdoor dan ook heel beperkt zijn. Voor het plangebied Serooskerke is, in overleg met de RCE, besloten wel het beleid te volgen. Voor deze zone geldt dan ook dat vervolgonderzoek in de vorm van een Inventariserend Veldonderzoek door middel van (hand‐)boringen, verkennende fase, aanbevolen wordt. Het doel van dit booronderzoek is het toetsen van het in dit bureauonderzoek opgestelde verwachtingsmodel (zowel de verwachting voor intacte als voor verstoorde of ontbrekende geologische lagen). Deze boringen dienen doorgezet te worden tot in de Afzettingen van het Laagpakket van Wormer.

6

ARTEFACT! RAPPORT 215

SCHOUWEN‐DUIVELAND ‐ EURORAP

Administratieve Gegevens Onderzoeksvorm

Archeologisch Bureauonderzoek

Projectnaam

Schouwen‐Duiveland ‐ EuroRAP

Locatie Provincie

Zeeland

Gemeente

Schouwen‐Duiveland

Plaats

Burgh‐Haamstede ‐ Serooskerke ‐ Kerkwerve 1)

N57 Kraaijensteinweg Burgh‐Haamstede, bestaande uit N57 Kraaijensteinweg en aansluitingen met de Daleboutsweg en Kraaijensteinweg / Cauersweg 2) N57/N59 Serooskerke, bestaande uit de N57 (Dammenweg, Stoofweg en Serooskerkseweg) en de aansluiting met de N59 (Serooskerkseweg), de Dorpsweg en de N651 (Stoofweg) 3) N59/Zwaardweg Kerkwerve, bestaande uit de aansluiting N59 (Provincialeweg) / Zwaardweg / Boogerdweg

Adres / Locatie

Projectnaam

Schouwen‐Duiveland EuroRAP

RD coördinaten 1)

NW

40.006 / 411.478

Z

40.326 / 411.070

W

44.957 / 413.869

N

45.846 / 414.363

NW ZO

RD coördinaten 2)

RD coördinaten 3)

NO

40.612 / 412.022

O

46.113 / 413.450

49.392 / 411.318

NO

49.501 / 411.320

49.522 / 411.208

ZW

49.395 / 411.214

Kadastrale Perceelsnummers

1)

Oppervlakte onderzoeksgebied

1) circa 17,54 ha 2) circa 55,92 ha 3) 3) circa 1,63 ha

Vigerende bestemmingsplan

WTS, Sectie E, gedeeltelijk nrs.101, 159, 160, 309, 606, 614, 680, 728, 730,733, 910, 1244, 1431, 1527, 1531, 1532, 1533, 1534, 1853, 1855, 1882, 1884, 1885, 1886, 1887, 1888, 2057, 2058, 2059, 2060, 2495, 2561, 2662, 2873, 2875, 2876, 2889. 2) WTS, sectie D, gedeeltelijk nrs. 5, 6, 115, 146, 194, 224, 259, 260, 263, 264, WTS, sectie K, gedeeltelijk nrs. 3, 5, 96, 110, 112, 114, 115, 134, 146, 150, 193, 194, 195, 196, 200, 202, 215, 216, 235, 245, 246 en WTS, sectie N, gedeeltelijk nrs. 2, 4, 5, 67, 193, 213. 3) MDS, sectie H, gedeeltelijk nrs. 638, 664, 719, 720, 724, 726, 736, 753, 766, 767, 778, 1163, 1167

Bestemmingsplan Buitengebied gemeente Schouwen‐Duiveland 2011

7

ARTEFACT! RAPPORT 215

SCHOUWEN‐DUIVELAND ‐ EURORAP

Bekende waarden binnen plangebied AMK status

geen

Archis waarnemingen

geen

Archis vondstmeldingen

geen

Zeeuws Archeologisch Archief

geen

Opdrachtgever Naam

Witteveen+Bos

Contactpersoon

Mw. A.M.S. Vrij

Adres

Postbus 85948, 2508 CP Den Haag

Contactgegevens

T

070 370 07 12

E

annemieke.vrij@witteveenbos.com

Bevoegde Overheid Naam

Gemeente Schouwen‐Duiveland

Contactpersoon

Dhr. M. Verduijn

Adres

Postbus 5555, 4300 JA Zierikzee

Contactgegevens

T

0111 452263

E

michel.verduijn@schouwen‐duiveland.nl

Adviseur RWS Naam

Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE)

Contactpersoon

Mevr. E. Vreenegoor

Adres

Postbus 1600, 3800 BP Amersfoort

Contactgegevens

T

033 4217335

E

e.vreenegoor@cultureelerfgoed.nl

Beheer en plaats van documentatie Naam

Zeeuws Archeologisch Archief (ZAA) Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland (SCEZ)

Contactpersoon

Dhr. J.J.B. Kuipers

Adres

Postbus 49, 4330 AA Middelburg

Contactgegevens

T

0118 670879

E

jjb.kuipers@scez.nl

Digitaal

E‐depot: www.edna.nl

8

ARTEFACT! RAPPORT 215

SCHOUWEN‐DUIVELAND ‐ EURORAP

Uitvoerder Naam

Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed.

Contactpersoon

Dhr. J.E.M. Wattenberghe

Adres

Riemensstraat 9, 4543 BW Zaamslag

Contactgegevens

T

0115 851614

E

info@artefact‐info.nl

Onderzoeksgegevens Uitvoeringsperiode

Februari 2016

Archis onderzoeksmelding

3989198100

Nieuw aangetroffen vindplaats

n.v.t.

9

ARTEFACT! RAPPORT 215

SCHOUWEN‐DUIVELAND ‐ EURORAP

10

ARTEFACT! RAPPORT 215

SCHOUWEN‐DUIVELAND ‐ EURORAP

1

Inleiding

1.1

Aanleiding, doel en opzet van het onderzoek

In opdracht van Witteveen+Bos heeft Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed in februari 2016 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd binnen drie plangebieden in de gemeente Schouwen‐ Duiveland. Aanleiding tot het onderzoek is het streven van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu naar een veilig rijkswegennetwerk in Nederland. Uit een uitgevoerd onderzoek in het kader van EuroRAP bleek dat niet alle rijkswegen op basis van de RPS methodiek nu de vereiste drie sterren scoren. Naar aanleiding van het onderzoek heeft voormalig minister Eurlings een toezegging gedaan om uiterlijk in 2020 alle rijkswegen op een veiligheidsniveau van minimaal 3 sterren te hebben. Naar aanleiding hiervan werd opdracht gegeven aan de HID van RWS Zee en Delta om veiligheidsmaatregelen uit te voeren. Aanvullend werd ook opdracht gegeven om een programma uit te voeren in het kader van Meer Veilig III. In het kader van bovenstaande dient een variantenafweging gemaakt te worden om te komen tot een optimale verkeerskundige verbetering van de weginfrastructuur voor 3 locaties in Schouwen‐Duiveland: 1) Systeem N57 Kraaijensteinweg 2) Systeem N57/N59 Serooskerke 3) Systeem N59/Zwaardweg

Afbeelding 1 Ligging van de plangebieden in Nederland.

11

ARTEFACT! RAPPORT 215

SCHOUWEN‐DUIVELAND ‐ EURORAP

Binnen elk systeem zijn meerdere varianten mogelijk. De doelstelling van de planuitwerkingsfase van het project EuroRAP is het, binnen de financiële en juridische kaders van de mogelijkheden, onderzoeken en kiezen van een optimale verkeersveilige verbetering van de weginfrastructuur. Tijdens deze planuitwerkingsfase dient tevens rekening te worden gehouden met archeologie. Hiertoe dient een Archeologisch Bureauonderzoek te worden uitgevoerd. Het doel van het Archeologisch Bureauonderzoek is het per plangebied in kaart brengen van belangrijke archeologische waarden en monumenten binnen het projectgebied dit mede voor de Effectrapportage Bestemmingsplan. Het onderzoeksrapport zal in eerste plaats aangeven wat het verwachte effect van de geplande ingrepen is op de mogelijke aanwezige archeologische waarden in het plangebied, uitgesplitst per variant. De resultaten van het onderzoek worden verwerkt in een rapportage met een inhoudelijk advies aan de hand waarvan een beleidsbeslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap in de AMZ (Archeologische Monumenten Zorg) cyclus. Het Ministerie van Infrastructuur en Milieu en RWS Zee en Delta worden geadviseerd door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Voorliggend product wordt beoordeeld door, en dient instemming te hebben van RCE.

Hierbij wordt voldaan aan de voorwaarden als gesteld in het “Convenant inzake archeologie tussen Rijkswaterstaat en de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten” en in WerkWijzerAanleg 560. Daarnaast dient de kwaliteit en diepgang van de rapportage afgestemd te zijn op het beleid van de gemeente Schouwen – Duiveland. Voorliggend product dient immers zonder wijziging en/of aanvulling toegepast te kunnen worden als bijlage bij het bestemmingsplan en de vergunningaanvraag waarvoor de gemeente Schouwen – Duiveland als bevoegde overheid optreedt. Het onderzoek werd eveneens uitgevoerd conform de eisen gesteld in de KNA Versie 3.3 en de aanvullende richtlijnen van de Provincie Zeeland.1

1.2

Beleidskader

Rijk Sinds 1 september 2007 is de herziene Monumentenwet 1988 van kracht. Door middel van de ‘Wet op de archeologische monumentenzorg’ (Wamz) is hiermee het verdrag van Malta binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Het Europese Verdrag van Valletta beoogt het cultureel erfgoed, dat zich in de bodem bevindt, beter te beschermen. Deze wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van archeologische onderzoeken. De belangrijkste veranderingen als gevolg van deze nieuwe wetgeving betreffen:  het streven naar behoud en bescherming van archeologische waarden in de bodem  de archeologische monumentenzorg wordt een geïntegreerd onderdeel van het ruimtelijk ordeningsproces  de kosten van archeologische werkzaamheden komen in principe voor rekening van de initiatiefnemer van bodemverstorende activiteiten (principe van ‘veroorzaker betaalt’) 1 Aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de Provincie Zeeland: Hoofdstuk 1 en 2.

12

ARTEFACT! RAPPORT 215

SCHOUWEN‐DUIVELAND ‐ EURORAP

Daarnaast is er op landelijk niveau een Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA) opgesteld waar in hoofdstukken 11 en 14 tot 16 de vroege prehistorie, de late prehistorie, de Middeleeuwen en de vroegmoderne tijd in West‐Nederland wordt geschetst.

Provincie Het beleid van de Provincie Zeeland ten aanzien van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) is vastgelegd in de CultuurNota 2013‐2015. Daarnaast heeft de provincie in 2009 aanvullende richtlijnen opgesteld voor het uitvoeren van een bureauonderzoek, onderzoek op veen en onderzoek op dagzomend en dun afgedekt dekzand. In 2008 werd een Provinciale Onderzoeksagenda Archeologie Zeeland (POAZ) opgesteld waarbij kennislacunes en aandachtspunten worden benoemd en die in tien speerpunten kunnen worden samengevat2: 1.

Het stimuleren en verkrijgen van basale harde gegevens, aanvullen en ontwikkelen van diachrone datasets op het terrein van absolute dateringen (C‐14, dendrochronologie, luminescentie (OSL), archeobotanie, archeozoölogie, fysische antropologie, incl. DNA‐ onderzoek;

2.

Archeologisch onderzoek vanuit de lucht;

3.

Archeologisch onderzoek in diepere bodemontsluitingen;

4. Uitwerking oud archeologisch onderzoek; 5.

Zoutproductie vanaf de IJzertijd (o.a. moernering, selnering);

6. Verdronken land en dorpen (dynamiek van mens en landschap); 7.

Onderzoek naar infrastructuur (dammen, dijken, wegen, waterstaatswerken,…);

8. Verdedigingswerken in Zeeland, met nadruk op de verdedigingswerken en –linies uit de 16de en 17de eeuw; 9. Diachrone ontwikkeling van Zeeuwse havens; 10. Onderwaterarcheologie: wrakken en andere objecten onder water

Gemeente Met het in werking treden van de gewijzigde Wet op de archeologische Monumentenzorg (Wamz) in 2007 is de verantwoordelijkheid voor het cultureel erfgoed in grote mate verschoven van Rijk en provincie naar de gemeenten. Gemeenten worden verantwoordelijk gehouden voor de omgang met archeologische waarden binnen het gemeentelijk grondgebied. Daartoe dienen gemeenten een eigen archeologiebeleid te voeren. Het onderhavig archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd binnen het kader van het ruimtelijke ordeningsbeleid, de Archeologische Beleidskaart van Schouwen‐Duiveland ‐ buitengebied. Deze werd in 2008 door Past2Present opgesteld en datzelfde jaar door de gemeenteraad vastgesteld en is sindsdien geldig als beleid.3 Op deze kaart is het buitengebied van de gemeente Schouwen‐ Duiveland opgedeeld in zones met een verschillende kleur naar gelang de vastgestelde of de verwachte archeologische waarde. De archeologische waarde van deze zones is getoetst aan geologische, landschappelijke, bodemkundige en archeologische waarnemingen. Op deze kaart is te zien dat het plangebied Kraaijensteinweg in een zone met een roze kleur ligt (zie bijlage 1). De archeologische verwachting binnen de zones met een roze kleur is middelhoog of hoog 2 3

Hessing, Alkemade & Van Heeringen 2008. De Boer 2008.

13

ARTEFACT! RAPPORT 215

SCHOUWEN‐DUIVELAND ‐ EURORAP

(Onderzoeksgebied A op de beleidskaart). Plangebied Serooskerke is op deze kaart eveneens globaal gelegen binnen een zone met een roze kleur maar wordt doorsneden door een aantal groene vlekken (zie bijlage 1). De archeologische verwachting voor een zone met een groene kleur is onbekende, lage of zeer lage verwachting (Onderzoeksgebied B op de beleidskaart). Plangebied Zwaardweg is op deze kaart integraal in een groene zone (onderzoeksgebied B) gelegen (zie bijlage 1). Dit vertaalt zich ook in de aanpak naar archeologisch onderzoek. Binnen de roze zone moet archeologisch onderzoek worden uitgevoerd vanaf een verstoringsdiepte groter dan 50 cm en een verstoringsoppervlak van meer dan 2500 m². In de groene zone betreft dit eveneens een verstoringsdiepte groter dan 50 centimeter, maar is de verstoringsoppervlakte bepaald op 5000 m2.

1.3

Onderzoeksgebied

De drie plangebieden die onderwerp vormen van dit bureauonderzoek zijn gelegen in het buitengebied van de gemeente Schouwen‐Duiveland. Het betreft telkens een bestaande weg en kruising van wegen waar de veiligheid verbeterd dient te worden door deze her in te richten.

Afbeelding 2 Ligging van het plangebied Kraaijensteinweg op een vergrote uitsnede van de Topografische Kaart van Nederland. Schaal 1:25.000. Bron: Kadaster/Esri 2016.

14

ARTEFACT! RAPPORT 215

SCHOUWEN‐DUIVELAND ‐ EURORAP

De afbakeningen van de plangebieden is ruimer dan de uiteindelijk te verstoren zone. Dit is omdat voor geen van de plangebieden al een definitieve selectie is gemaakt van het uit te voeren ontwerp. De afgebakende plangebieden vormen dan ook de zones waarbinnen de verschillende ontwerpen zich situeren. Plangebied Kraaijensteinweg is gelegen ten zuidwesten van Burg‐Haamstede en ten noordoosten van Westenschouwen. Het plangebied omvat de N57 Kraaijensteinweg en aansluitingen met de Daleboutsweg en Kraaijensteinweg /Cauersweg (zie afbeelding 2 en bijlage 2). Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 17,54 hectare en is gelegen ter plaatse van de volgende kadastrale percelen: WTS, Sectie E, gedeeltelijk nrs.101, 159, 160, 309, 606, 614, 680, 728, 730,733, 910, 1244, 1431, 1527, 1531, 1532, 1533, 1534, 1853, 1855, 1882, 1884, 1885, 1886, 1887, 1888, 2057, 2058, 2059, 2060, 2495, 2561, 2662, 2873, 2875, 2876, 2889.

Afbeelding 3 Ligging van het plangebied Serooskerke op een vergrote uitsnede van de Topografische Kaart van Nederland. Schaal 1:25.000. Bron: Kadaster/Esri 2016.

Plangebied Serooskerke is gelegen onmiddellijk ten westen van Serooskerke en omvat de N57 (Dammenweg, Stoofweg en Provincialeweg) en de aansluiting met de N59 (Serooskerkseweg), de Dorpsweg en de N651 (Stoofweg) (zie afbeelding 3).Voor dit plangebied zijn verschillende mogelijke plannen beschikbaar, die elk hun eigen traject hebben (zie bijlage 2), om die reden heeft het

15

ARTEFACT! RAPPORT 215

SCHOUWEN‐DUIVELAND ‐ EURORAP

plangebied dan ook een omvang van circa 55,92 hectare. De volgende kadastrale percelen maken deel uit van het plangebied: WTS, sectie D, gedeeltelijk nrs. 5, 6, 115, 146, 194, 224, 259, 260, 263, 264, WTS, sectie K, gedeeltelijk nrs. 3, 5, 96, 110, 112, 114, 115, 134, 146, 150, 193, 194, 195, 196, 200, 202, 215, 216, 235, 245, 246 en WTS, sectie N, gedeeltelijk nrs. 2, 4, 5, 67, 193, 213.

Afbeelding 4 Ligging van het plangebied Zwaardweg op een vergrote uitsnede van de Topografische Kaart van Nederland. Schaal 1:40.000. Bron: Kadaster/Esri 2016.

Het derde plangebied Zwaardweg is gelegen ten westen van Kerkwerve en omvat de aansluiting van de N59 (Provincialeweg) op de Zwaardweg en Boogerdweg (zie afbeelding 4). Dit plangebied betreft de locatie waar een rotonde zal ingericht worden. Voor de uiteindelijke uitvoering zijn nog een aantal verschillende typen van rotonden mogelijk (zie bijlage 2). Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 1,63 hectare. De volgende kadastrale percelen maken deel uit van het plangebied: MDS, sectie H, gedeeltelijk nrs. 638, 664, 719, 720, 724, 726, 736, 753, 766, 767, 778, 1163, 1167.

16

ARTEFACT! RAPPORT 215

SCHOUWEN‐DUIVELAND ‐ EURORAP

2

Archeologisch Bureauonderzoek

2.1

Onderzoeksmethode

Voorliggend Archeologisch Bureauonderzoek werd uitgevoerd conform de eisen gesteld in de KNA Versie 3.3 en de aanvullende richtlijnen van de Provincie Zeeland4. Om tot een specifieke archeologische verwachting te komen werden volgende werkzaamheden uitgevoerd:  bepalen van het onderzoekskader (aanleiding onderzoek en begrenzing onderzoeksgebied);  het vaststellen van het huidige en historische gebruik van het onderzoeksgebied en naaste omgeving door het raadplegen van de beheerder/eigenaar van de grond en/of de opdrachtgever en de door hen overgedragen gegevens;  het vaststellen van de toekomstige inrichting van het onderzoeksgebied;  het raadplegen van de gemeentelijke maatregelenkaart‐in‐lagen;  het bepalen van de landschappelijke (geologische en bodemkundige) kenmerken aan de hand van bestudering van de bodem‐, geologische en geomorfologische kaarten  het bestuderen van oude kaarten;  het raadplegen van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN);  het raadplegen van relevante literatuur en luchtfoto’s;  het inventariseren van gegevens uit het ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) te Amersfoort;  het raadplegen van de Archeologische Monumentenkaart (AMK) van Nederland;  het raadplegen van het Zeeuws Archeologisch Archief (ZAA).

Bij het tot stand komen van voorliggend onderzoeksrapport werd gebruikt gemaakt van de hieronder genoemde historische of oude kaarten. Enkel de kaarten waarop nieuwe, afwijkende of kenmerkende informatie met betrekking tot het onderzoeksgebied wordt weergegeven, zijn afgebeeld in het rapport.  Kaart van Zeeland. Jacob van Deventer, 1546;  Ostium Scaldis, Kaart van de Zeeuwse Delta uit het midden van de 16de eeuw, door C. Sgrooten, 1573;  Zelandiae comitatus. Het nieuwe aanzien van westelijk Staats‐Vlaanderen. N. Visscher, 1656 ;  Kaart van Zeeland door D.W.C. Hattinga 1753;  Kadastrale Kaart (Minuutkaart) , circa 1832;  Topografische Militaire Kaarten circa 1857, 1916  Topografische Kaart: 1950, 1950, 1968, 1985, 1995, 2005;  Luchtfoto’s en satellietfoto’s 1959, 1972, 1989, 2003, 2005, 2007, 2008, 2010, 2011, 2012, 2013, 2014 en 2015.

Aangezien het hier drie verschillende, op enige afstand van elkaar gelegen, plangebieden betreft worden in de onderstaande hoofdstukken, waar nodig, de gegevens uit het bureauonderzoek opgesplitst naar afzonderlijke hoofdstukken per plangebied.

4

Aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de Provincie Zeeland 2014: Hoofdstuk 1: Bureauonderzoek.

17

ARTEFACT! RAPPORT 215

SCHOUWEN‐DUIVELAND ‐ EURORAP

2.2

Aardkundige Waarden

2.2.1

Algemene Geologische Geschiedenis

De omgeving van het plangebied behoort tot het zuidwestelijke zeekleigebied en is gelegen op Schouwen‐Duiveland. De geologische basis die bepalend zal zijn voor het uitzicht van huidige landschap begint na het laatste glaciaal (Weichselien, Laat Paleolithicum, tot 9.700 v. Chr.). Onder invloed van de stijgende temperatuur en het smelten van ijskappen in het Boreaal (Mesolithicum, 7.220 – 8.640 v. Chr.) zal de zeespiegel stijgen en het dan aanwezige pleistocene landschap (Laagpakket van Wierden) langzaam vernatten. Hierdoor begint zich op lager gelegen delen van het landschap een laag basisveen te vormen. Aan dit veenvormingsproces komt een einde in het Midden‐ Atlanticum (+/‐ 4.500 v. Chr., Vroeg‐Neolithicum).5 Door de zeespiegelstijging en getijdenwerking liep het noordelijke deel van Zeeland geleidelijk onder water en ontstond een getijdengebied met platen, slikken en schorren. Grote delen van het pleistocene landschap werden door getijdengeulen uitgeschuurd. De afzettingen (zowel in het getijdengebied als in de geulen) worden gerekend tot het Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk). Ze werden bij een open kust gevormd tot in het Vroeg‐Subboreaal (Midden‐Neolithicum, 3.500 v. Chr.). Deze afzettingen zijn overwegend zandig. In het westelijke deel van Schouwen vormt zich op het Laagpakket van Wormer een strandwal bestaande uit strandzanden en stuifduinen.

Tabel 1 Tijdschaal van het Kwartair. Bron: De Mulder 2003.

Tijdsindeling Holoceen Pleistoceen

Laat‐Pleistoceen Midden‐ Pleistoceen

Weichselien (ijstijd) Eemien (warme periode) Saalien (ijstijd)

Holsteinien (warme periode) Elsterien (ijstijd) Cromerien (warme periode) Vroeg‐Pleistoceen Bavelien Menapien Waalien Eburonien Tiglien Pretiglien

Jaar geleden 11.755‐heden 115.000‐11.755 130.000‐115.000 370.000‐130.000 410.000‐370.000 475.000‐410.000 850.000‐475.000 1.100.000‐850.000 1.200.000‐1.100.000 1.500.000‐1.200.000 1.800.000‐1.500.000 2.450.000‐1.800.000 2.600.000‐2.450.000

De oostelijke grens van deze strandwal op het Laagpakket van Wormer loopt van Brabers, over Haamstede en loopt dan verder naar het noorden waar ze uitwigt tegen het Laagpakket van Wormer.6 In de laatste fase van het Subboreaal (Bronstijd, 1.800 v. Chr.) raakt het oostelijke deel van deze duinenstrook opnieuw overspoeld en raakt dit deel bedekt onder een dunne laag klei. Deze klei is slap en bevat veel rietwortels. Deze wortels zijn een indicatie voor de veenvorming die begint plaats te vinden. Vanaf deze periode begon het getijdengebied geleidelijk te verlanden en plaatselijk begon er zich veen te vormen op de getijdenafzettingen, een quasi gesloten kustbarrière van strandwallen ontstond met daarachter een groot veengebied (Hollandveen Laagpakket, van de Formatie van

5 6

Vos en van Heeringen, 1997. Van Rummelen, 1997.

18

ARTEFACT! RAPPORT 215

SCHOUWEN‐DUIVELAND ‐ EURORAP

Nieuwkoop). In het in het westelijk deel van het duinengebied van Schouwen begint deze veengroei omstreeks 1.600 v. Chr. Het milieu veranderde in het Subboreaal van brak naar zoet en vervolgens van eutroof naar oligotroof. De aanwijzingen van bewoning tot in het Vroeg‐ Subatlanticum (IJzertijd, 250 v. Chr.) zijn vooral aangetroffen in het strandwallengebied. Pas in de periode dat de mariene invloed was afgenomen en delen van het hoog opgegroeide veen voldoende ontwaterd waren, werden delen van het veen bewoond. In de Vroeg‐Romeinse tijd (in dit gebied ca. 50 n. Chr.), nam de bewoningsintensiteit in het gehele Zeeuwse kustgebied af. Tijdens de Midden Romeinse tijd (200 n. Chr.) keerde de mens weer op grote schaal terug naar het Zeeuwse kustgebied. Grote delen van het veengebied werden ten behoeve van de grootschalige verbreiding van de bewoning ontwaterd. Dit deed men door het graven van afwateringsgreppels en het verbreden en kanaliseren van de reeds aanwezige veenstroompjes en watergangen. Doordat het ontwaterde veen ging inklinken kreeg de zee opnieuw vat op dit gebied. Vanaf het Midden‐Subatlanticum (Laat‐Romeinse tijd, 350 n. Chr.) kon de zee verder en breder het achterland instromen waardoor een nieuw getijdenlandschap ontstond. In het Laat‐Subatlanticum (Late Middeleeuwen, ca.1000 n.

Chr.) werd het strandwallengebied plaatselijk door de zee doorbroken waardoor het veengebied tot ver landinwaarts werd aangetast door inbraken van de zee. De oudere afzettingen werden bij deze inbraken grotendeels opgeruimd. De afzettingen van het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk), die daarbij tot stand kwamen, liggen tot op heden in vrijwel heel Zeeland overal aan het oppervlak. In de Middeleeuwen werd het door het zeewater overspoelde veen op grote schaal afgegraven ten behoeve van brandstof‐ en zoutwinning. In die periode heeft er een intensieve kolonisatie van het getijdengebied plaats gevonden. Na eeuwen van overstroming waren de schorren hoog opgeslibd, slechts tijdens stormvloeden kwamen deze hoge delen af en toe weer onder water te staan. In de 11de en 12de eeuw begonnen de bewoners zich met dijken tegen stormvloeden te beschermen. Daarnaast vonden op grote schaal veenontginningen plaats. Dit had een aanzienlijke verlaging en erosie van het oppervlak tot gevolg. Deze erosie werd in de hand gewerkt door slecht onderhoud van dijken. Dit had tot gevolg dat dijkdoorbraken tijdens een stormvloed catastrofale gevolgen kon hebben waarbij veel land verloren ging. Schouwen was vrij goed beschermd tegen deze stormvloeden, dankzij de bescherming die de duinenrij toen bood. In dit gebied treedt echter een ander fenomeen op.

Het losse strandzand, afgezet aan de kust gaat opstuiven en de oude duinen overdekken. De binnenduinen schuiven ook naar het oosten op.7

2.2.2

Geo(morfo)logie en Bodem plangebied Kraaijensteinweg

Geologie Het plangebied Kraaijensteinweg maakt deel uit van zuidwestelijke zeekleigebied, specifiek van het oudland. Op de Geologische Kaart van Nederland (TNO‐NITG 2006, niet afgebeeld) is het onderzoeksgebied grotendeels gelegen in een zone met code Na9. Dit duidt op een geologische configuratie van Afzettingen van het Laagpakket van Walcheren, zeeklei op Hollandveen (Formatie van Nieuwkoop) op duin‐ en strandzand (Laagpakket van Schoorl en Zandvoort). Het uiterste 7

Beekman, 2007.

19

ARTEFACT! RAPPORT 215

SCHOUWEN‐DUIVELAND ‐ EURORAP

zuidoosten van het plangebied is gelegen binnen een zone met code Na7. Zones met een code Na7 hebben een ondergrond die bestaat uit zeeklei‐ en zandafzettingen (Laagpakket van Walcheren, Formatie van Naaldwijk) met inschakelingen van veen (Formatie van Nieuwkoop). Vanwege de relatieve grofschaligheid van deze kaart is hier geen uitsnede afgebeeld en werd ook de oudere Geologische Kaart van Nederland geraadpleegd (Van Rummelen,1967). Op de Geologische kaart van Nederland is het plangebied gelegen binnen een zone met code SAO.2 (zie afbeelding 5). Dit betekent dat de bodemopbouw hier bestaat uit afzettingen van Duinkerke II (Laagpakket van Walcheren) op Hollandveen (Hollandveen Laagpakket) op afzettingen van Calais (Laagpakket van Wormer) op oude duin‐ en strandafzettingen (Laagpakketten van Schoorl en Zandvoort). In het noorden van het plangebied is een gelijkaardige opbouw aanwezig maar ontbreken de afzettingen van Calais (Laagpakket van Wormer), hier is het veen rechtstreeks op de oude duin‐ en strandzanden ontwikkeld (code SFO.2). Het zuiden van het plangebied wordt volgens deze kaart doorsneden door een smalle Duinkerke IIIa geul (Laagpakket van Walcheren) waarvan de afzettingen rechtstreeks op de oude duin‐ en strandzanden rusten (Laagpakketten van Schoorl en Zandvoort).

Hier zijn de oudere afzettingen van Duinkerke II (Laagpakket van Walcheren) en het Hollandveen met andere woorden weg geërodeerd door de geul. Deze geul is langs de westelijke rand van het plangebied (en in de zone ten westen van het plangebied) afgedekt met een pakket jong duinzand met een dikte van minder dan 2 meter vlak (aangegeven met gele stippen, begrenzing met roze stippen, zie afbeelding 5). De Bijkaart van de Geologische Kaart van Nederland toont dat de top van het pleistoceen afzettingen van het noorden naar het zuiden afhellen. In het noorden van het plangebied zijn de pleistocene afzettingen gelegen op een diepte vanaf 20–25 meter –NAP, geleidelijk zakt dit tot een diepte vanaf 35‐40 meter –NAP in het zuiden van het plangebied. Ten behoeve van dit onderzoek werden boorgegevens uit het DINO‐loket (TNO Geologische Dienst Nederland) geraadpleegd. Deze gegevens zijn bruikbaar om de diepteligging van de verschillende geologische lagen te achterhalen. Op basis van deze boringen is een ondergrondmodel samen te stellen voor een gekozen locatie, waarbij boorgegevens uit de omgeving worden geïnterpoleerd tot een voorspelling van de bodemopbouw op het gekozen punt. Uiteraard gaat het om de verwachte bodemopbouw die af kan wijken van de werkelijke situatie vanwege onbekende lokale omstandigheden.

In de omgeving van het plangebied zijn relatief veel boringen gezet, waaronder zes binnen het plangebied zelf. Omdat er boringen binnen het plangebied zelf zijn opgenomen in het DINO‐loket is er voor geopteerd deze boringen te raadplegen en geen gebruik te maken van het ondergrondmodel. Van de beschikbare boormonsterprofielen in het DINO‐loket zijn drie diepe profielen, verspreid over het plangebied nader bekeken. Dit betreft boring B42G0496 in het nooroosten,B42G0501 centraal en B42G0530 in het zuiden (met een rode stip aangegeven op afbeelding 5). In het noorden van het plangebied (boring B42G0496) bestaat het profiel tot een diepte van 0,50 meter beneden maaiveld (circa 0,25 meter –NAP) uit omgewerkte klei. Hieronder bevinden zich tot een diepte van 2,65 meter beneden maaiveld (circa 2,40 meter –NAP) afzettingen van het Laagpakket van Walcheren (bestaande uit klei van 0,50 tot 0,90 meter beneden maaiveld, zand van 0,90 tot 1,10 meter, opnieuw klei van 1.10 tot 1,75 meter en ten slotte zand van 1.75 tot de onderzijde van het pakket)8. Hieronder ligt een 15 centimeter dun pakket Hollandveen (2,65 tot 2,80 meter beneden maaiveld, circa 2,40 tot 2,55 meter –NAP). Het veen rust op strandzand van het Laagpakket van 8

In NAP‐waarden: circa 0,20 tot 0,65 –NAP: klei; 0.65 tot 0,85 –NAP; zand, 0,85 tot 1,50 –NAP: klei en 1,50 tot 2,40 meter –NAP: zand.

20

ARTEFACT! RAPPORT 215

SCHOUWEN‐DUIVELAND ‐ EURORAP

Zandvoort dat aangetroffen is tot een diepte van 3,1 meter beneden maaiveld (circa 2,85 meter – NAP). Dit rust vervolgens op zandafzettingen van het Laagpakket van Wormer (vastgesteld tot een diepte van 4,5 meter beneden maaiveld, circa 4,25 meter –NAP).

Afbeelding 5 Projectie van het plangebied op een uitsnede van de Geologische Kaart van Nederland. Schaal 1:20.000. Bron: RGD, Van Rummelen 1967. De in de onderstaande tekst gebruikte boorprofielen (DINO‐loket) zijn met een rode stip, genummerd, weergegeven.

Centraal in het plangebied (boring B42G0501) is een gedeeltelijk afwijkend profiel aangetroffen. Vanaf het maaiveld tot een diepte van 2 meter (circa 1,75 meter –NAP) bestaat het profiel hier uit afzettingen van het Laagpakket van Walcheren. Dit betreft klei tot een diepte van 0,40 meter, vervolgens van 0,40 tot 0,50 meter zand, van 0,50 tot 1,15 opnieuw klei en van 1,15 tot 2 meter zand9. Hieronder is opnieuw een dun laagje Hollandveen gelegen (2 tot 2,10 meter benden maaiveld, circa 1,75 tot 1,85 meter –NAP). In tegenstelling tot de hierboven beschreven boring rust het Hollandveen hier op een dun laagje klei dat behoort tot het Laagpakket van Wormer (2,10 tot 2,20 meter beneden maaiveld, circa 1,85 tot 1,95 meter –NAP). Vanaf 2.20 meter benden maaiveld tot een diepte van 2,90 meter (circa 1,95 tot 2,70 meter –NAP) liggen hier vervolgens zandafzettingen van het Laagpakket van Zandvoort (strandafzettingen). Deze rusten op oudere afzettingen van het Laagpakket van 9

In NAP‐waarden: circa 0,25 +NAP tot 0,15 –NAP: klei; 0.15 tot 0,25 –NAP; zand, 0,25 tot 0,90 –NAP: klei en 0,90 tot 1,75 meter –NAP: zand.

21

ARTEFACT! RAPPORT 215

SCHOUWEN‐DUIVELAND ‐ EURORAP

Wormer (30 centimeter klei op zand). Deze zijn vastgesteld tot een diepte van 8 meter beneden maaiveld (circa 7,75 meter –NAP). In het zuiden van het plangebied (boring B42G0530), tenslotte, is een bodemopbouw aangetroffen die gelijkend is aan de opbouw in het noorden van het plangebied. Hier is de bodem (bestaande uit zand) tot een diepte van 0,90 meter beneden maaiveld geroerd (circa 0,65 meter ‐NAP). Hieronder liggen tot een diepte van 1,30 meter beneden maaiveld (circa 1,05 meter –NAP) kleiafzettingen van het Laagpakket van Walcheren. Het onderliggende Hollandveen is in deze zone een stuk dikker als in de voorgaande, namelijk 60 centimeter. Net als in het noorden van het plangebied rust het veen op strandzandafzettingen van het Laagpakket van Zandvoort, op een diepte van 1,90 meter beneden maaiveld (circa 1,65 meter –NAP), die vanaf 2,10 meter beneden maaiveld (circa 1,85 meter –NAP) over gaan in zandafzettingen van het Laagpakket van Wormer. In deze boring is het Laagpakket van Wormer opgeboord tot een diepte van 3,50 meter beneden maaiveld 93,25 meter –NAP. Voor de diepere opbouw ter plaatse van het plangebied is wel gebruik gemaakt van het ondergrondmodel. Volgens dit model gaan de afzettingen van het Laagpakket van Wormer op een diepte van 30 meter benden maaiveld (29,75 meter –NAP) over in zandafzettingen van Eem Formatie.

Dit betreft mariene afzettingen uit het Eemien (de oudste fase van het Laat Pleistoceen, circa 130.000‐115.000 jaar geleden). Deze lopen door tot een diepte van circa 39,50 meter beneden maaiveld (39,25 meter –NAP) waar deze rusten op marine zanden en kleien die deel uitmaken van de Formatie van Maassluis (uit het Vroeg Pleistoceen).

Geomorfologie Het plangebied Kraaijensteinweg bevindt zich op de Geomorfologische Kaart van Nederland grotendeels binnen een zone met een relatief hoog gelegen vlakte van getijafzettingen (code 2M35a, zie afbeelding 6). De noordelijke rand van het plangebied ligt gedeeltelijk ter plaatse van een ongekarteerde zone, vanwege de daar gelegen bebouwing. De zuidwestelijke rand van het plangebied is dan weer gelegen ter plaatse van een zone met relatief hoog gelegen welvingen in getijafzettingen (code 3L20a) die doorsneden worden door een dijk met een hoogteverschil van 0,5 tot 1,5 meter (roze op afbeelding 6). Deze dijk is een uitloper van de ten zuidwesten van het plangebied gelegen Oosterscheldekering.

Bodem Op de Bodemkaart van Nederland ligt het onderzoeksgebied grotendeels binnen een zone met code Mn15C (zie afbeelding 7). Dit betekent dat hier kalkarme poldervaaggronden van lichte zavel aanwezig zijn. Het uiterste noordoosten en zuidoosten zijn gelegen in een zone met code Mn15C/gMn53C, met kalkarme poldervaaggronden ontwikkeld in lichte zavel dan wel knippige poldervaaggronden in lichte zavel. Het noordwestelijk van het plangebied is op deze kaart gelegen ter plaatse van een zone met kalkarme leek‐ en woudeerdgronden, ontwikkeld in zavel (pMn55C). Dit zijn zeekleigronden met een zeer donkere bovengrond met een dikte van 15 tot 50 centimeter. Deze eerdgronden worden in Zeeland hoofdzakelijk aangetroffen op de grens tussen duinzandgebied en de jonge zeekleipolders10. Centraal langs de noordwestelijke rand is een niet gekarteerde zone gelegen.

10

Pleijter en van Wallenburg, 1994.

22

ARTEFACT! RAPPORT 215

SCHOUWEN‐DUIVELAND ‐ EURORAP

Afbeelding 6 Projectie van het plangebied op een uitsnede van de Geomorfologische Kaart van Nederland. Schaal 1:20.000. Bron: Wolfert, 1991.

Bij het bepalen van het grondwaterregime van de bodem wordt gewerkt met grondwatertrappen (zie onderstaande tabel 2). Deze trappen geven een klassenindeling weer van ten eerste de verschillende grondwaterstanden naar diepte en ten tweede de seizoensvariatie in de grondwaterstanden. De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) wordt doorgaans bepaald door de ontwatering van de percelen; de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) wordt echter beïnvloed door de aard van de ondergrond. De grondwatertrappen worden vastgesteld op een schaal van I tot en met VII, van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. Gebiedsdelen met een goede ontwatering (Gwt VI en VII) zijn zeer geschikt voor landbouw en vormden mede daarom, met name in het verleden een aantrekkelijk vestigingsgebied. In gebieden met een hoge grondwaterstand kunnen daarentegen goed geconserveerde, met name organische, archeologische resten worden aangetroffen. De grondwatertrap bedraagt binnen het grootste deel van het plangebied VI . Daarmee schommelt de gemiddeld hoogste grondwaterstand tussen 0,40 en 0,80 meter beneden maaiveld en de gemiddeld laagste grondwaterstand bedraagt meer dan 1,20 meter beneden maaiveld. Het westen van het plangebied is gelegen binnen een zone met grondwatertrap IV. Hier ligt de gemiddeld hoogste grondwaterstand op een diepte van meer dan 0,80 meter beneden maaiveld en de

23

ARTEFACT! RAPPORT 215

SCHOUWEN‐DUIVELAND ‐ EURORAP

gemiddeld laagste grondwaterstand bedraagt 0,80 tot 1,20 meter beneden maaiveld. Tabel 2 Indeling grondwatertrappen. grondwatertrap

I

II

III

IV

V

GHG in cm ‐mv (< 20) (< 40) < 40 > 40 < 40 GLG in cm ‐mv < 50 50‐80 80‐120 80‐120 > 120 GHG gemiddeld hoogste grondwaterstand / GLG gemiddeld laagste grondwaterstand

VI

VII

40 ‐ 80 > 120

> 80 (> 160)

Afbeelding 7 Projectie van het plangebied op een vergrote uitsnede van de Bodemkaart van Nederland. Schaal 1:25.000. Bron: De Pleijter 1994.

Op de bodemkaart van Kuipers uit 196011 (niet afgebeeld) wordt het grootste deel van het plangebied weergegeven ter plaatse van kleiplaatgronden. Het westen van het plangebied ligt volgens deze kaart ter plaste van oude overgangsgronden.

11

Kuipers 1960.

24

ARTEFACT! RAPPORT 215

SCHOUWEN‐DUIVELAND ‐ EURORAP

Varianten Voor het plangebied Kraaijensteinweg is de mogelijke variatie in planontwikkeling in ruimtelijke zin beperkt. Er is voor dit plangebied dan ook geen onderscheid te maken in de geo(morfo)logische situatie tussen de varianten.

2.2.3

Geo(morfo)logie en Bodem plangebied Serooskerke

Geologie Het plangebied Serooskerke maakt deel uit van zuidwestelijke zeekleigebied, specifiek van het oudland. Op de Geologische Kaart van Nederland (TNO‐NITG 2006, niet afgebeeld) is het onderzoeksgebied grotendeels gelegen in een zone met code Na7. Dit duidt op een geologische configuratie van die bestaat uit zeeklei‐ en zandafzettingen (Laagpakket van Walcheren, Formatie van Naaldwijk) met inschakelingen van veen (Formatie van Nieuwkoop). Het oosten van het plangebied is deels gelegen binnen een zone met code Na14. In zones met een code Na14 is het Laagpakket van Walcheren rechtstreeks op het Laagpakket van Wormer gelegen. Beide pakketten omvatten zeeklei en –zand. Op de Geologische kaart van Nederland is het centrale en noordwestelijke deel van het plangebied gelegen binnen een zone met code AO.3a (zie afbeelding 8). Dit betekent dat de bodemopbouw hier bestaat uit komafzettingen van Duinkerke IIIa (Laagpakket van Walcheren) op Hollandveen (Hollandveen Laagpakket) op afzettingen van Calais (Laagpakket van Wormer). De oostelijke rand is gelegen langs een zone waarbinnen een Duinkerke IIIb geul (Laagpakket van Walcheren) het landschap is binnen gedrongen (code DO.3b). Volgens het profiel A‐A’ horende bij de geologische kaart (niet afgebeeld) heeft deze geul de onderliggende pakketten weg geërodeerd tot ruim in het Laagpakket van Wormer (afzettingen van Calais).

Langs de flanken van deze geul is een strook gelegen waarbinnen komafzettingen van Duinkerke IIIb (Laagpakket van Walcheren) afgezet zijn op Hollandveen op Afzettingen van Calais (Laagpakket van Wormer). De zuidoostelijke en zuidwestelijke hoeken van het plangebied liggen volgens de geologische kaart in een zone waar Duinkerke IIIb (Laagpakket van Walcheren) afzettingen afgezet zijn bovenop de afzettingen van Calais (Laagpakket van Wormer)(code BO.3b). Hier is het Hollandveen met andere woorden volledig verdwenen. Deze zone wordt eveneens doorsneden door de Duinkerke IIIb‐geul (code DO3b) die ter hoogte van de oostelijke rand van het plangebied is gelegen. Centraal langs de zuidelijk rand van het plangebied, tenslotte, is een zone weergegeven waar de ondergrond bestaat uit komafzettingen van Duinkerke II (Laagpakket van Walcheren) op Hollandveen op afzettingen van Calais (Laagpakket van Wormer)(code AO.2). De Bijkaart van de Geologische Kaart van Nederland toont dat de top van het pleistocene afzettingen binnen het plangebied een zeker reliëf kennen (de hoogte varieert van 35‐40 meter –NAP tot 25‐30 meter –NAP, nummer 11 tot nummer 9 op afbeelding 9) en dat er in het zuidoosten van het plangebied sprake is van een kleine kop (15 tot 20 meter –NAP, nummer 7 op afbeelding 9).

25

ARTEFACT! RAPPORT 215

SCHOUWEN‐DUIVELAND ‐ EURORAP

Afbeelding 8 Projectie van het plangebied op een uitsnede van de Geologische Kaart van Nederland. Schaal 1:20.000. Bron: RGD, Van Rummelen 1967. De in de onderstaande tekst gebruikte boorprofielen (DINO‐loket) zijn met een rode stip, genummerd, weergegeven.

In het DINO‐loket zijn in de omgeving van het plangebied een aantal boringen gezet. Drie boringen (B42E0534, B42E0473 en 42E0474) bevinden zich binnen de grenzen van het plangebied, zij het langs de randen (rode stip op afbeelding 8). Omdat deze boringen net in een zone vallen met telkens een verschillende opbouw volgens de geologische kaart worden deze alle drie gebruikt. Waarbij de boringen enkel indicatief zijn voor de zone waarin deze zich bevinden. Boring B42E0473 is gelegen in de zone die op de Geologische kaart aangegeven staat met code AO.3a (komafzettingen van Laagpakket van Walcheren/Duinkerke IIIa op Hollandveen op het Laagpakket van Wormer/Calais) en waarbinnen het grootste deel van het plangebied gelegen is. Het boorprofiel bestaat in deze boring vanaf het maaiveld (1,47 meter –NAP) tot een diepte van 0,60 meter beneden maaiveld (2,07 meter –NAP) uit kleiafzettingen van het Laagpakket van Walcheren. Hieronder ligt een 10 centimeter dik laagje Hollandveen (2,07 tot 2.17 meter –NAP). Vanaf een diepte van 0,70 meter beneden maaiveld (2,17 meter –NAP) tot de onderzijde van het boorprofiel (4,10 meter beneden maaiveld, 4,57 meter –NAP) komen vervolgens afzettingen van het Laagpakket van Wormer voor (klei op zand).

26

ARTEFACT! RAPPORT 215

SCHOUWEN‐DUIVELAND ‐ EURORAP

Afbeelding 9 Projectie van het plangebied (blauwe polygoon) op een uitsnede van de bijkaart van de Geologische Kaart van Nederland met daarop de diepteligging van het pleistocene zand. Schaal 1:30.000. Bron: RGD, van Rummelen 1967.

De in het DINO‐loket opgenomen boring B42E0534 is gelegen ter plaatse van de zone met komafzettingen van het Laagpakket van Walcheren (Duinkerke IIIb) op Hollandveen op afzettingen van het Laagpakket van Wormer (Calais)(code AO.3b). In het boorprofiel van deze boring bestaat de eerste 50 centimeter van het profiel (vanaf het maaiveld, 1,20 meter –NAP) uit een verstoord kleipakket. Van 0,50 tot 0,70 meter beneden maaiveld (1,70 tot 1,90 meter –NAP) komen hieronder kleiafzettingen van het laagpakket van Walcheren voor. Onder de kleiafzettingen ligt een dun laagje Hollandveen (10 centimeter, van 1,90 tot 2,00 meter –NAP). Vanaf een diepte van 0,80 meter beneden maaiveld (2,00 meter –NAP) tot de onderzijde van het boorprofiel (3,70 meter beneden maaiveld, 4,90 meter –NAP) komen hier afzettingen van het Laagpakket van Wormer voor (zand‐ en kleipakketten met bovenin zand). Boring B42E0474 is gelegen in een zone waar volgens de geologische kaart geulafzettingen van het Laagpakket van Walcheren (Duinkerke IIIb) op afzettingen van het Laagpakket van Wormer (Calais) gelegen zijn (code BO.3b). Ter plaatse van de boring echter is volgens de gegevens in het DINO‐loket enkel sprake van afzettingen van het laagpakket van Wormer (vanaf het maaiveld, 1,12 meter –NAP) tot een diepte van 5,90 meter beneden maaiveld (7,02 meter –NAP)(zand‐ en kleipakketten met

27

ARTEFACT! RAPPORT 215

SCHOUWEN‐DUIVELAND ‐ EURORAP

bovenin klei). Voor de diepere opbouw ter plaatse van het plangebied is opnieuw gebruik gemaakt van het ondergrondmodel uit het DINO‐loket. Volgens dit model gaan de afzettingen van het Laagpakket van Wormer (met niet afzonderlijk weergegeven inschakelingen van de Laagpakket van Zandvoort) op een diepte van 26,50 meter benden maaiveld (27,75 meter –NAP) over in zandafzettingen van Eem Formatie. Dit betreft mariene afzettingen uit het Eemien (de oudste fase van het Laat Pleistoceen, circa 130.000‐115.000 jaar geleden). Deze lopen door tot een diepte van circa 32,50 meter beneden maaiveld (33,75 meter –NAP) waar deze rusten op de Formatie van Waalre (fluviatiele en estuariene zandafzettingen van de Rijn uit het Laat Plioceen tot Vroeg Pleistocene). Vanaf een diepte van 36 meter beneden maaiveld (37,25 meter –NAP) tot ten minste 49 meter beneden maaiveld (50,25 meter –NAP) komen hieronder marine zanden en kleien voor die deel uitmaken van de Formatie van Maassluis (uit het Vroeg Pleistoceen). De opduiken van het de pleistocene afzettingen zoals deze is weergegeven op de Bijkaart ven de Geologische kaart (afbeelding 9) is aan de hand van het ondergrondmodel niet vast te stellen, in de verschillende aangemaakte modellen is de hoogte in meer of mindere mate dezelfde.

Afbeelding 10 Projectie van het plangebied op een uitsnede van de Geomorfologische Kaart van Nederland. Schaal 1:20.000. Bron: Wolfert, 1991.

28

ARTEFACT! RAPPORT 215

SCHOUWEN‐DUIVELAND ‐ EURORAP

Geomorfologie Het plangebied bevindt zich op de Geomorfologische Kaart van Nederland grotendeels binnen een zone met een geëgaliseerde vlakte van plaatselijk gemoerde getijafzettingen (code 2M51, zie afbeelding 10). Het oosten van het plangebied ligt volgens deze kaart ter plaatse van een zone met plaatselijk geëgaliseerde of vergraven vlakte van getijafzettingen (code 3M35 met horizontale pijlen). Op de geomorfologische kaart worden de Serooskerkseweg en Provincialeweg (N57/N59) langs de zuidelijke rand van het plangebied weergegeven als gelegen op een dijk met een hoogteverschil tussen 0,5 en 1,5 meter (roze op afbeelding 10). Langs de oostelijke rand is een kleine zone niet gekarteerd. Dit omdat deze gelegen is ter plaatse van een dijk en de bebouwende kern van Serooskerke.

Afbeelding 11 Projectie van het plangebied op een vergrote uitsnede van de Bodemkaart van Nederland. Schaal 1:20.000. Bron: De Pleijter 1994.

Bodem Op de Bodemkaart van Nederland ligt het westelijke deel van het plangebied Serooskerke binnen een zone met code Mn86Aw/Mn35Aw met linkse horizontale pijlen (zie afbeelding 11). Dit betekent dat hier geëgaliseerde kalkrijke poldervaaggronden in klei en/of lichte klei gelegen zijn met 15 tot 40 centimeter moerig materiaal beginnend op 40 tot 80 centimeter diepte. In het oosten van het

29

ARTEFACT! RAPPORT 215

SCHOUWEN‐DUIVELAND ‐ EURORAP

plangebied komen verschillende bodemdieptes voor: Mn15A, Mn25A en Mn35A, allen met linkse horizontale pijlen. Dit betreft allemaal geëgaliseerde kalkrijke poldervaaggronden, ontwikkeld in respectievelijk lichte zavel, zware zavel en lichte klei. In het uiterste zuidoosten en langs de oostelijke rand zijn twee zones niet gekarteerd. Dit omdat deze gelegen zijn ter plaatse van een dijk en de bebouwende kern van Serooskerke. De grondwatertrap bedraagt in het westen van het plangebied (zone met moerig materiaal) IV. Hier ligt de gemiddeld hoogste grondwaterstand op een diepte van meer dan 0,80 meter beneden maaiveld en de gemiddeld laagste grondwaterstand bedraagt 0,80 tot 1,20 meter beneden maaiveld. In het oosten van het plangebied bedraagt de grondwatertrap VI. Daar schommelt de gemiddeld hoogste grondwaterstand tussen 0,40 en 0,80 meter beneden maaiveld en de gemiddeld laagste grondwaterstand bedraagt meer dan 1,20 meter beneden maaiveld. Op de bodemkaart van Kuipers uit 196012 (niet afgebeeld) wordt het grootste deel van het plangebied weergegeven ter plaatse van gemoerde gronden, enkel de zone ten oosten van de Stoofweg staat niet als gemoerd aangegeven. Het westen van het plangebied ligt volgens deze kaart ter plaatse van jonge overgangsgronden en jonge poelgronden met plaatselijk oude zeeklei binnen 1 meter.

Het uiterste westen van het plangebied en de zone ten oosten van de Stoofweg (waar ook op de geologische kaart een Duinkerke IIIb geul staat aangegeven) staat op deze kaart te boek als een jonge kreekruggronden (in het westen eveneens gemoerneerd). De zone die op de geologische kaart staat aangeduid als bestaande uit Duinkere II gronden staat op deze bodemkaart aangegeven als gemoerde oude poelgrond met zeeklei binnen 1 meter.

Varianten Voor het plangebied Serooskerke zijn verschillende varianten mogelijk die ook in de ruimtelijke zin van elkaar verschillen. In onderstaande tabel worden de gegevens uit de verschillende geraadpleegde kaarten per variant opgesomd. Tabel 3 Overzicht van de geo(morfo)logie van het plangebied Serooskerke. Variant (zie bijlage 1)

Geologie

Geomorfologie

Bodem

1

Bo.3b

2M35

Mn15A, Mn25A

2‐4

Ao.3a, Ao.3b

2M35, 2M51

Mn86Aw/Mn35Aw, Mn15A, Mn25A

3

Ao.3a, Ao.3b, Do.3b, Bo.3b

2M35, 2M51

Mn86Aw/Mn35Aw, Mn15A, Mn25A

2.2.4

Geo(morfo)logie en Bodem plangebied Zwaardweg

Geologie Ook het plangebied Zwaardweg maakt deel uit van zuidwestelijke zeekleigebied. Op de Geologische Kaart van Nederland (TNO‐NITG 2006, niet afgebeeld) is het onderzoeksgebied integraal gelegen in een zone met code Na14. Dit duidt op een geologische configuratie van Afzettingen van het Laagpakket van Walcheren, zeeklei en ‐zand op het Laagpakket van Wormer, eveneens bestaande uit zeeklei en –zand. 12

Kuipers 1960.

30

ARTEFACT! RAPPORT 215

SCHOUWEN‐DUIVELAND ‐ EURORAP

Op de Geologische kaart van Nederland is het plangebied integraal gelegen binnen een zone met code AO.3a (zie afbeelding 12). Dit betekent dat de bodemopbouw hier bestaat uit komafzettingen van Duinkerke IIIa (Laagpakket van Walcheren) op Hollandveen (Hollandveen Laagpakket) op afzettingen van Calais (Laagpakket van Wormer). De Bijkaart van de Geologische Kaart van Nederland toont dat de top van het pleistocene afzettingen binnen het plangebied gelegen zijn op en diepte tussen 25 en 30 meter –NAP.

Afbeelding 12 Projectie van het plangebied op een uitsnede van de Geologische Kaart van Nederland. Schaal 1:20.000. Bron: RGD, Van Rummelen 1967.

In het DINO‐loket komt ook binnen dit plangebied een boring voor (B42G0187). In deze boring bestaat het profiel vanaf het maaiveld (1,05meter –NAP) uit kleiafzettingen van het Laagpakket van Walcheren. Op een diepte van 2 meter beneden maaiveld (3,05 meter –NAP) gaan deze over op afzettingen van het Laagpakket van Wormer (zand). Het volgens de geologische kaart aanwezige Hollandveen is niet aangetroffen. Ook in de overige in de omgeving gelegen boringen komt het Hollandveen bijna niet voor, slechts in één boring, gelegen op circa 150 meter ten oosten van het plangebied, is een laagje van circa vier centimeter aangetroffen. De afzettingen van het Laagpakket van Wormer rusten op een diepte van 28 meter benden maaiveld (29,05 meter –NAP) op (pleistocene) zandafzettingen van de Formatie van Boxtel. Deze bevatten geen intacte top. Op 31 meter beneden maaiveld (32,05 meter –NAP) liggen hieronder afzettingen van de Formatie van Waalre (fluviatiele en

31

ARTEFACT! RAPPORT 215

SCHOUWEN‐DUIVELAND ‐ EURORAP

estuariene zandafzettingen van de Rijn uit het Laat Plioceen tot Vroeg Pleistocene). Vanaf een diepte van 37 meter beneden maaiveld (38,05 meter –NAP) tot ten minste 40 meter beneden maaiveld (41,05 meter –NAP) komen hieronder marine zanden en kleien voor die deel uitmaken van de Formatie van Maassluis (uit het Vroeg Pleistoceen).

Geomorfologie Het plangebied bevindt zich op de Geomorfologische Kaart van Nederland globaal binnen een zone met een geëgaliseerde vlakte van plaatselijk gemoerde getijafzettingen (code 2M51, zie afbeelding 13). Het traject van de Zwaardweg, Boogerdweg en Provincialeweg worden weergegeven als liggend op een dijk met en hoogteverschil tussen 0,5 en 1,5 meter (roze op afbeelding 13). In het zuidwesten wordt, parallel aan de Serooskerkseweg, een waterloop weergegeven (blauwe lijn op afbeelding 13).

Afbeelding 13 Projectie van het plangebied op een uitsnede van de Geomorfologische Kaart van Nederland. Schaal 1:20.000. Bron: Wolfert, 1991.

Bodem Op de Bodemkaart van Nederland ligt het plangebied binnen een zone met code pMn55A met linkse horizontale pijlen (zie afbeelding 14). Dit betekent dat hier geëgaliseerde kalkrijke leek‐ en woudeerdgronden, ontwikkeld in zavel, gelegen zijn. De grondwatertrap bedraagt in het plangebied III. Hier ligt de gemiddeld hoogste grondwaterstand

32

ARTEFACT! RAPPORT 215

SCHOUWEN‐DUIVELAND ‐ EURORAP

op een diepte van minder dan 0,40 meter beneden maaiveld en de gemiddeld laagste grondwaterstand bedraagt 0,80 tot 1,20 meter beneden maaiveld. Op de bodemkaart van Kuipers uit 196013 (niet afgebeeld) wordt het plangebied weergegeven ter plaatse van oude zeeklei.

Afbeelding 14 Projectie van het plangebied op een vergrote uitsnede van de Bodemkaart van Nederland. Schaal 1:30.000. Bron: De Pleijter 1994.

Varianten Voor het plangebied Zwaardweg is de mogelijke variatie in planontwikkeling in ruimtelijke zin beperkt. Er is voor dit plangebied dan ook geen onderscheid te maken in de geo(morfo)logische situatie tussen de varianten.

13

Kuipers 1960.

33

ARTEFACT! RAPPORT 215

2.2.5

SCHOUWEN‐DUIVELAND ‐ EURORAP

Actueel Hoogtebestand Nederland

Het Actueel Hoogtebestand Nederland vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laser‐altimetrie (LiDAR) verkregen digitale bestand toont een goed beeld van het huidige reliëf in de plangebieden. Kleine hoogteverschillen kunnen zo visueel worden voorgesteld. Afbeeldingen 15, 16 en 17 tonen bewerkte uitsneden van het AHN3. Afbeelding 15 geeft de omgeving van het plangebied Kraaijensteinweg weer. Op deze uitsnede zijn waarden hoger dan 6 meter + NAP en lager dan 1 meter –NAP uitgefilterd. Op dit beeld vallen de hoger gelegen dijken ten zuiden van het plangebied goed op (rood). Ook de duinen ten noord en westen van het plangebied zijn egaal rood weergegeven want hoger gelegen dan 6 meter +NAP met op de randen een schakering naar geel. In het plangebied en ten oosten en westen daarvan is een lichte welving in het landschap zichtbaar die echter niet terug te brengen is tot antropogene structuren (blauwe en gele kleur). De wegen zijn herkenbaar als gele (iets hoger gelegen) lijnen. De hoogte van het maaiveld ligt in het plangebied en de omgeving ervan op circa 0,10 tot 0,50 meter +NAP. Het traject van de wegen is iets hoger gelegen, op circa 0,60 tot 1 meter +NAP.

Afbeelding 15 Projectie van het plangebied Kraaijensteinweg (roze lijn) op een uitsnede van het Actueel Hoogtebestand Nederland, versie 3. Waarden hoger dan 6 meter +NAP en lager dan 1 meter –NAP zijn uitgefilterd. Zones waarvoor geen waarden beschikbaar zijn, zijn grijs ingekleurd Schaal 1:20.000. Bron: AHN.nl.

34

ARTEFACT! RAPPORT 215

SCHOUWEN‐DUIVELAND ‐ EURORAP

Op afbeelding 16 is het plangebied Serooskerke en omgeving weergegeven. Op deze afbeelding zijn waarden hoger dan 2 meter +NAP en lager dan 2 meter –NAP uitgefilterd. De kustzone (ten zuiden van het plangebied) en de Delingsdijk (ten oosten van het plangebied) liggen hoger dan 2 meter +NAP en zijn egaal rood ingekleurd. In het westelijke deel van het plangebied is een lichte welving in het landschap zichtbaar (blauwe en gele kleur). Een van deze welvingen betreft het traject van het voormalige Zuid Welle wegje (18e eeuw, zie verder). De waarden van het maaiveld bedragen hier circa 1,20 tot 1,40 meter –NAP. De wegen liggen iets hoger (geel) op 0,20 tot 0,60 meter –NAP. Ook de erven ten noorden van de Serooskerkseweg liggen iets hoger, op circa 0,80 tot 1,30 meter –NAP. Het oostelijke deel van het plangebied Serooskerke is herkenbaar gelegen ter plaatse van een van zuid naar noord lopende rug (gele kleur), met een maaiveldhoogte van circa 0,40 tot 0,70 meter –NAP op de kam. Hier bevindt zich volgens de geologische informatie een smalle geulrug. De plaats Serooskerke, gelegen onmiddellijk ten oosten van het plangebied, is herkenbaar als een reeks gele blokjes en donkere vakjes. Deze woonkern is eveneens gelegen op een hoogte van circa 0,40 tot 0,70 meter –NAP. De donkerrode zone ten zuiden van het plangebied betreft de ringdijk rondom De Schelphoek (zie verder).

Afbeelding 16 Projectie van het plangebied Serooskerke (roze lijn) op een uitsnede van het Actueel Hoogtebestand Nederland, versie 3. Waarden hoger dan 2 meter +NAP en lager dan 2 meter –NAP zijn uitgefilterd. Zones waarvoor geen waarden beschikbaar zijn, zijn grijs ingekleurd. Schaal 1:25.000. Bron: AHN.nl.

35

ARTEFACT! RAPPORT 215

SCHOUWEN‐DUIVELAND ‐ EURORAP

De laatste afbeelding, nr. 17, laat de situatie rondom het plangebied Zwaardweg zien. Omdat het hier een klein plangebied betreft op de kruising van verschillende wegen is binnen het plangebied hoofdzakelijk sprake van hoger gelegen wegen (geel, circa 0,70 tot 0,80 meter –NAP). Het maaiveld in die delen die niet in gebruik zijn als weg is gelegen op een hoogte van circa 1,50 tot 1,70 meter –NAP. Omdat het plangebied in een zone ligt waarin vrij veel gebieden voorkomen waarvoor geen hoogte informatie beschikbaar is (donkergrijs op afbeelding 17) is het beeld minder volledig als voor de overige plangebieden. De zone onmiddellijk ten noorden van het plangebied is in elk geval vrij egaal (lichtblauwe kleur) met een maaiveldhoogte van circa 1,50 tot 1,60 meter –NAP. De in de omgeving aanwezige wegen en dijken zijn ook op dit kaartbeeld makkelijk herkenbaar als gele en rode lijnen en stroken.

Afbeelding 17 Projectie van het plangebied Zwaardweg (roze lijn) op een uitsnede van het Actueel Hoogtebestand Nederland, versie 3. Waarden hoger dan 1,5 meter +NAP en lager dan 2 meter –NAP zijn uitgefilterd. Zones waarvoor geen waarden beschikbaar zijn, zijn grijs ingekleurd. Schaal 1:10.000. Bron: AHN.nl.

Via de AHN‐viewer werden een reeks van kleinschaliger beelden van de plangebieden bekeken met een dynamische opmaak van het AHN (niet afgebeeld). Ook op deze beelden zijn geen aanwijzingen zichtbaar die kunnen wijzen op de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen binnen en in de directe omgeving van het plangebieden.

36

ARTEFACT! RAPPORT 215

2.3

Bewoningsgeschiedenis

2.3.1

Algemene Bewoningsgeschiedenis

SCHOUWEN‐DUIVELAND ‐ EURORAP

Dit hoofdstuk beschrijft de bewoningsgeschiedenis van Schouwen en Zeeland. Daar waar dit mogelijk is gaat de aandacht hierbij hoofdzakelijk naar de gegevens van Schouwen‐Duiveland, waar lokale gegevens ontbraken wordt vooral het regionaal beeld (Zeeland) geschetst.

Paleolithicum en Mesolithicum (circa 300.000 – 4.900 v. Chr.) In Zeeland zijn vondsten uit het Paleolithicum bijzonder schaars, in Schouwen‐Duiveland ontbreken ze quasi. De enige mogelijke bekende paleolithische vondst uit Schouwen‐Duiveland betreft een losse vondst van fragment van een gewei van een reuzenhert dat in secundaire context is aangetroffen14. De vroegste getuigen van menselijke aanwezigheid dateren uit het Midden‐Paleolithicum (tot circa 35.000 BC) en bestaan uit enkele afslagen en werktuigen, waaronder vuistbijlen, uit vuursteen. Deze relicten van Neanderthalers werden echter enkel in verspoelde (Cadzand), opgebaggerde (Ellewoutsdijk) of in losse context (Nieuw Namen) aangetroffen. Ook van de daarop volgend periode, het Laat‐Paleolithicum (35.000 tot 8.800 BC), werden de meeste artefacten in secundaire context waargenomen: zo werden op het strand van Cadzand aangespoelde, en op de akkers rond Nieuw Namen vuurstenen werktuigen gevonden.15 Een bijzondere exponent uit deze periode is de zogenaamde Lyngby‐bijl, vervaardigd uit rendiergewei en opgebaggerd uit de Westerschelde nabij Ellewoutsdijk.16 De vuurstenen werktuigen die bij de bouw van een bejaardentehuis in Axel werden aangetroffen getuigen van de vroegste menselijke bewoning van Zeeland.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11124915/1