Ontwerpbestemmingsplan Renesse - Toelichting
Tekst van het document
Maatschappelijk: hierbinnen zijn functies op het gebied van onderwijs, welzijns- en gezondheidszorg, levensbeschouwing, openbare dienstverlening en kinder- en jeugddagopvang toegestaan. Ter plaatse van specifieke aanduidingen zijn ook een begraafplaats en een brandweerkazerne toegestaan. 3.4.5 Sport en recreatie In Renesse zijn twee sportvoorzieningen aanwezig. Het voetbalveld gelegen aan de Laone en de tennisbanen aan de Mauritsweg. Verder zijn er recreatieve voorzieningen in het plangebied gevestigd. Er is één camping aan de Zeedistelweg en één terrein met recreatiewoningen aan de Oude Moolweg. In dit bestemmingsplan hebben de sport- en recreatieve voorzieningen de volgende enkelbestemmingen gekregen: Sport: hier zijn veldsportcomplexen en tennisbanen toegestaan; Recreatie - Dagrecreatie: hier zijn dagrecreatieve voorzieningen toegestaan. Recreatie - Kampeerterrein: hier mag gekampeerd worden en is recreatief nachtverblijf in kampeermiddelen en recreatiewoningen toegestaan. Ter plaatste van specifieke aanduidingen is opslag en detailhandel toegestaan. Recreatie - Verblijfsrecreatie: hier is op aangegeven locaties een recreatiewoning toegestaan.
3.5
Duurzaamheidsladder
Voor succesvol ruimtelijk beleid is het van belang dat vraag en aanbod van stedelijke functies goed op elkaar zijn afgestemd. Dit draagt bij aan economische dynamiek, zorgvuldig gebruik van ruimte en infrastructuur en behoud van de leefbaarheid van stedelijk en landelijk gebied. In het Bro is de ladder voor duurzame verstedelijking, ook wel de duurzaamheidsladder als centraal ruimtelijk toetsinstrument opgenomen. De duurzaamheidsladder gaat uit van drie stappen, met duidelijke voorwaarden om naar een volgende stap te gaan. Het geeft de voorkeur aan ontwikkelen naar regionale behoefte, in bestaand stedelijk gebied en op goed ontsloten locaties. Bij iedere nieuwe ontwikkeling moet worden onderbouwd hoe met die voorwaarden rekening is gehouden en waarom voor de ontwikkeling op de voorgestelde locatie is
27
gekozen. a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte; b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en; c. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.
3.6
Conclusie
Het planologisch kader zoals hierboven beschreven, is doorvertaald in de bestemmingsplanregeling en op de verbeelding van voorliggend plan.
28
4 Milieu- en duurzaamheidskader 4.1
Inleiding
In dit hoofdstuk worden alle relevante milieuaspecten behandeld die van toepassing zijn op het plangebied. Hierbij is uitgegaan van alle activiteiten die in het plan worden toegestaan, zowel rechtstreeks als middels een wijzigingsbevoegdheid.
4.2
Bedrijven en milieuzonering
4.2.1 Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-handreiking) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). De VNG-handreiking bevat een lijst met bedrijven waaraan, afhankelijk van de mate waarin de in de lijst opgenomen bedrijven milieuhinder kunnen veroorzaken (uitgaande van de gemiddelde bedrijfssituatie), een categorie wordt toegekend. Naarmate de milieuhinder toeneemt, loopt de categorie op van 1 tot en met 5, met bijbehorende minimale afstanden tot de woongebieden. Per bedrijfstype wordt zo een globale indicatie gegeven van het invloedsgebied voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar.
De afstanden gelden in principe tussen de perceelsgrens van het bedrijf (bij een gangbare perceelsgrootte en -indeling) en percelen waarop milieugevoelige functies zoals woningen zijn toegestaan en die zijn gelegen in een rustige woonwijk. Wanneer er geen sprake is van een rustige woonwijk, maar van een gemengd gebied, kan één afstandsstap worden teruggedaan. Een bedrijf dat 50 meter afstand tot een rustige woonwijk moet aanhouden, mag zich hierdoor op 30 meter van een gemengd gebied vestigen. Onder een rustige woonwijk wordt verstaan een woongebied met weinig verkeer en praktisch geen bedrijven en/of winkelcentra. Gemengde gebieden zijn gebieden met een matige tot sterke functiemenging. Naast wonen komen ook andere functies voor zoals winkels, horeca en bedrijvigheid. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Voor dergelijke gebieden kunnen de richtafstanden die gelden ten opzichte van een rustige woonwijk met één afstandsstap verlaagd worden, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1
Minimale richtafstand tot een rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m
Minimale richtafstand tot gemengd gebied Niet van toepassing 10 m 30 m 50 m 100 m
29
4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m Milieucategorieën en richtafstanden (bron: Bedrijven en Milieuzonering, editie 2009, VNG) De afstanden in bovengenoemde uitgaven moeten als indicatief worden gezien. Doordat de omvang van bedrijven kan verschillen en omdat bedrijven maatregelen kunnen nemen om de invloed te beperken, kan de invloedssfeer in werkelijkheid afwijken van bovengenoemde afstanden. De uiteindelijke afstemming tussen de hinder van het bedrijf en de omgeving wordt geregeld in het kader van de Wet milieubeheer. 4.2.2 Toetsing Het plan omvat de kern Renesse. Het plangebied omvat dan ook voornamelijk de functie wonen. Binnen het plangebied liggen solitaire bedrijven en enkele andere functies zoals recreatie en winkels. Het plangebied grenst aan het bestemmingsplan Kop van Schouwen en aan het bestemmingsplan Buitengebied. Uitgangspunten milieuzonering Om de VNG-handreiking te kunnen toepassen is beoordeeld welk deel van het plangebied kan worden gezien als rustige woonwijk en welk deel als gemengd gebied. Het overgrote deel van het plangebied betreft zoals gezegd de functie wonen en behoort daarmee tot het omgevingstype rustige woonwijk. Als gemengd gebied kan worden beschouwd: De omgeving van de Hoge Zoom, Zeeanemoonweg, Lindelaan, Korte Reke, Lange Reke, de Wilhelminaweg en begin van de Laone. Tevens is het transferium aangemerkt als gemend gebied.
In bovengenoemde gebieden is sprake van functiemenging. Naast wonen komen ook andere functies voor zoals bedrijven, horeca enz. Op onderstaande vlekkenkaart is aangegeven waar sprake is van het omgevingstype gemengd gebied. In de overige gebieden is sprake van het omgevingstype rustige woonwijk.
30
Figuur 6: vlekkenkaart omgevingstypen
Algemeen Webwink els en internetafhaalpunten Door een toenemend gebruik van het internet zal naar verwachting ook het aantal webwinkels en internetafhaalpunten toenemen. Deze activiteiten zijn niet opgenomen in bijlage 1 van de VNG-handreiking. Om toch te komen tot een richtafstand tot gevoelige bestemmingen, is gezocht naar een aanverwante categorie. Gezien de aard en omvang van de activiteiten wordt SBI-2008 4791 (postorderbedrijven, milieucategorie 3.1) het meest passen geacht. Er is op basis van deze SBI-code een aparte categorie aangemaakt in de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Hierbij is het volgende onderscheid gemaakt in bedrijfsvloeroppervlak: - webwinkel en internetafhaalpunten met een bedrijfsvloeroppervlak kleiner dan of gelijk aan 50 m². Gezien de beperkte omvang vallen deze in milieucategorie 2 met een richtafstand van 30 meter tot het omgevingstype rustige woonwijk en 10 meter tot het omgevingstype gemengd gebied;
31
-webwinkel en internetafhaalpunten met een bedrijfsvloeroppervlak groter dan 50 m². Deze vallen, overeenkomstig de postorderbedrijven, onder milieucategorie 3.1 met een richtafstand van 50 meter tot het omgevingstype rustige woonwijk en 30 meter tot het omgevingstype gemengd gebied. Hierbij moet worden opgemerkt dat als een webwinkel of internetafhaalpunt gecombineerd wordt met een showroom, dit wordt gezien als detailhandel. Deze combinatie van activiteiten is alleen toegestaan onder de bestemming detailhandel. Solitaire bedrijven Binnen gemengd gebied komen, naast wonen, ook andere functies voor. Solitaire bedrijven worden, toegestaan tot en met milieucategorie 1 of 2 volgens de Staat van Bedrijfsactiviteiten. In gemengd gebied mag één afstandstap terug worden gedaan. De richtafstand behorende bij milieucategorie 1 wordt dan teruggebracht tot 0 meter waarbinnen een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd is. Bestaande bedrijfsactiviteiten die niet in deze categorieën passen zijn met een specifieke aanduiding aangegeven, zodat bestaande rechten gewaarborgd zijn. Nieuwvestiging van bedrijven in een milieucategorie hoger dan 1 of 2 is op deze locaties uitgesloten. Binnen het plangebied is een "camping" gelegen. Een camping is zowel een milieugevoelige als een milieuhinderlijke functie.
Volgens de VNG-handreiking valt een camping in milieucategorie 3.1 met een richtafstand van 30 meter tot het omgevingstype gemengd gebied en 50 meter tot het omgevingstype rustige woonwijk. In het gemeentelijke zoneringsbeleid is alleen een uitzondering gemaakt voor verblijfsrecreatie in recreatiewoningen. Dienstwoningen In het plangebied zijn dienstwoningen bij een tankstation, horeca, recreatieterreinen en maatschappelijke functies aanwezig. De woningen zijn met een aanduiding 'dienstwoning' op de verbeelding opgenomen. Agrarische bedrijven Binnen het plangebied zijn geen agrarische bestemmingen meer gelegen, deze hebben de bestemming 'Groen - Weidegrond" zonder bebouwing gekregen. Sportvelden Binnen het plangebied zijn twee sportvelden met verlichting aanwezig. Namelijk aan de Jan van Renesseweg en op de Mauritsweg. Volgens de handleiding Bedrijven en Milieuzonering geldt er een richtafstand van 50 meter tussen het omgevingstype rustige woonwijk en sportvelden met verlichting. Bij het sportveld aan de Mauritsweg wordt niet aan de richtafstand voldaan. In de regels is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen voor het plaatsen van verlichting op een sportveld. Hierin is opgenomen dat als de verlichting op minder dan 50 meter van een woning van derden of andere gevoelige bestemmingen wordt geplaatst, aangetoond moet worden dat nog steeds sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
Dit kan bijvoorbeeld door het opstellen van een lichtplan waaruit blijkt dat er geen lichtuitstraling is richting de woning of gevoelige bestemming. De bestaande verlichting op de sportveld is wel toegestaan, maar wel met de voorwaarde dat voor het plaatsen van nieuwe verlichting op een andere locatie op het sportveld een afwijkingsprocedure moet worden gevoerd waarin o.a. aangetoond moet worden dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
Evenementen De kern Renesse is een levendige kern met, voornamelijk in het toeristenseizoen, een groot aantal evenementen. Het gebied waar deze evenementen plaats vinden spant tussen de Hogezoom- de Korte-,
32
Kromme- en Lange Reke (rondom de ring)- Zeeanemoonweg- Jan van Renesseweg. De evenementen omvatten onder meer braderieën, markten een jaarlijkse kermis en diverse (zomer)activiteiten. Evenementen komen in de VNG-handreiking bedrijven en milieuzonering niet voor. Het aspect geluid is echter, naast verkeer, het meest bepalend. Dit aspect wordt in paragraaf 4.5 behandeld. Met betrekking tot verkeer en parkeren kan worden opgemerkt dat er binnen de kern parkeergelegenheid is op het transferium. Verder blijkt in de praktijk dat veel bezoekers aan evenementen afkomstig zijn van omliggende campings. Deze bezoekers komen met name op de fiets of te voet. Een goed woon- en leefklimaat is hiermee gewaarborgd. Ambulante handel Verder is binnen het plangebied een locatie voor ambulante handel, namelijk op de Lange Reke en Kromme Reke. Ambulante handel wordt wel genoemd in de VNG-handreiking, in elk geval voor zover het de bereiding en/of handel in voedingsmiddelen betreft. Dit valt onder milieucategorie 1 met een richtafstand van 10 meter tot het omgevingstype rustige woonwijk. Omdat dit type ambulante handel maatgevend is voor eventuele milieuhinder wordt een richtafstand van 10 meter ook passend geacht voor andere vormen van ambulante handel. Op de bestaande locaties wordt voldaan aan de richtafstand van 10 meter tot woonbestemmingen. Hiermee is een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd.
4.2.3 Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor het plan.
4.3
Luchtkwaliteit
4.3.1 Toetsingskader Algemeen Door de uitstoot van uitlaatgassen door onder andere de industrie en het verkeer komen schadelijke stoffen in de lucht. Vooral langs drukke wegen kunnen de concentraties van verschillende stoffen zo hoog zijn dat deze de gezondheid kunnen aantasten. Om te voorkomen dat de gezondheid wordt aangetast door luchtverontreiniging dient bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden te worden met de luchtkwaliteit ter plaatse. In het algemeen geldt dat als aan de richtafstand op grond van de VNG-handreiking Bedrijven en milieuzonering behorende bij de van toepassing zijn de bedrijfscategorie wordt voldaan, het aspect stof niet zorgt voor een aantasting van het woon- en leefklimaat. Dit aspect hoeft in dit geval niet nader te worden onderzocht. Regelgeving De belangrijkste wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit is vastgelegd in hoofdstuk vijf (luchtkwaliteitseisen) van de Wet milieubeheer (hierna Wm), ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd (hierna Wlk). Het doel van de Wlk is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. De in de Wlk vastgestelde normen voor luchtkwaliteit mogen niet overschreden of, in geval van een bestaande overschrijding, mag een eventuele toename niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
Luchtkwaliteitsnormen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; of een project per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; of een project slechts in 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; of een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal
33
Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL); of. een project een ander project van gelijke of grotere omvang vervangt. Niet in betekenende mate In de algemene maatregel van bestuur 'Niet In Betekenende Mate' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Een project draagt 'niet in betekende mate' bij aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. De 3%-grens is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. Een geplande ruimtelijke ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging als: het valt onder de beschrijving in de tabellen met categorieën van gevallen in de 'Regeling Niet In Betekenende Mate', of het bevoegd gezag aannemelijk kan maken, bijvoorbeeld door berekeningen, dat de 3% grens niet wordt overschreden. Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken.
Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in de onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een 'gevoelige bestemming' niet toenemen. Dit wordt bereikt door op die locatie de vestiging van een gevoelige bestemming niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. Is (dreigende) normoverschrijding niet aan de orde, dan is er ook geen bouwverbod voor gevoelige bestemmingen binnen de onderzoekszone. 4.3.2 Toetsing Onderhavig plan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Er hoeft niet te worden getoetst aan het aspect luchtkwaliteit. Ten opzichte van woningen in en buiten het plangebied, met uitzondering van bedrijfswoningen, wordt voldaan aan de richtafstand. Een goed woon- en leefklimaat is voor het aspect stof gewaarborgd. Daarnaast moeten de bedrijven voldoen aan de voorwaarden opgenomen in het Activiteitenbesluit en/of de omgevingsvergunning activiteit milieu, waardoor hinder richting woningen van derden wordt voorkomen dan wel zoveel mogelijk wordt beperkt.
4.3.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het plan.
4.4
Geur
4.4.1 Toetsingskader Algemeen Geur kan in de leefomgeving hinder veroorzaken. Bij geur gaat het om de geuruitstoot (emissie) van bedrijven die zich verspreidt via de lucht en een geurbelasting (immissie) veroorzaakt op de woon- en leefomgeving. De afstand tussen geuremitterende bedrijven en geurgevoelige bestemmingen is daarbij van grote invloed. Geur heeft dus gevolgen voor het leefklimaat van mensen en voor het gebruik van de ruimte.
34
In het algemeen geldt dat als aan de richtafstand op grond van de VNG-handreiking Bedrijven en milieuzonering behorende bij de van toepassing zijn de bedrijfscategorie wordt voldaan, het aspect geur niet zorgt voor een aantasting van het woon- en leefklimaat. Dit aspect hoeft in dit geval niet nader te worden onderzocht. Regelgeving bedrijven In Nederland is er geen wetgeving voor geur van bedrijven. Voor een aantal bedrijven die onder een algemene maatregel vallen zoals het Activiteitenbesluit, zijn er verplichtingen ten aanzien van te treffen maatregelen. Voor omgevingsvergunningplichtige bedrijven geldt de Nederlandse emissierichtlijn lucht (NeR) als toetsingskader voor het beoordelen van eventuele geurhinder. Wel is in beleid vastgelegd wat een tegen geur te beschermen object is. Naast woningen kunnen dit ook andere locaties zijn waar mensen zich gedurende langere tijd bevinden en waar blootstelling aan geur tot hinder kan leiden, zoals ziekenhuizen, bejaarden- en verpleegtehuizen en recreatiegebieden. Hoewel in principe alle geurgevoelige objecten moeten worden beschermd tegen geuroverlast, kunnen wel verschillen in het niveau van bescherming worden gehanteerd. Voor een bedrijfswoning kan bijvoorbeeld een lager beschermingsniveau en dus een hogere geurbelasting gehanteerd worden dan voor aaneengesloten woonbebouwing.
Regelgeving veehouderijen Vergunningplichtige veehouderijen moeten voor wat betreft geur van dierenverblijven voldoen aan de Wet geurhinder en veehouderij. Verder dienen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht de beste beschikbare technieken te worden toegepast. Veehouderijen die onder het Besluit landbouw milieubeheer vallen, moeten voldoen aan de in dat besluit genoemde minimaal aan te houden afstand tot geurgevoelige objecten. Het Besluit landbouw milieubeheer geeft ook minimaal aan te houden afstanden tot geurgevoelige objecten voor opslagen van veevoeder en mest. Zowel in het Besluit landbouw als in de Wet geurhinder en veehouderij is ook vastgelegd wat een geurgevoelig object is. Volgens de Wet geurhinder en veehouderij is dat een gebouw, bestemd voor menselijk gebruik, waar zich gedurende langere periode mensen bevinden. In het Besluit landbouw zijn categorieën van objecten gedefinieerd waartoe een minimaal te houden afstand dient te worden aangehouden. 4.4.2 Toetsing Binnen het plangebied wordt op een aantal locaties hobbymatig vee geweid zoals paarden. In sommige gevallen is er een schuilstal aanwezig waarin de aanwezige dieren kunnen schuilen bij extreem weer. De schuilstallen en de weides zijn geen inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer; de dieren worden niet op bedrijfsmatige dan wel gelijk aan bedrijfsmatige wijze gehouden.
In de regels is opgenomen dat de betreffende percelen alleen gebruikt mogen worden voor het hobbymatig weiden van vee zoals paarden, koeien, schapen e.d. Gezien de omvang is geurhinder niet te verwachten. 4.4.3 Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor het plan.
4.5
Geluid en stilte
4.5.1 Toetsingskader Algemeen Een belangrijke basis voor de ruimtelijke afweging in het kader van het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Deze wet biedt geluidgevoelige functies (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van o.a. wegverkeerlawaai en industrielawaai door middel van zonering.
35
In het algemeen geldt dat als aan de richtafstand op grond van de VNG-handreiking Bedrijven en milieuzonering behorende bij de van toepassing zijn de bedrijfscategorie wordt voldaan, het aspect geluid niet zorgt voor een aantasting van het woon- en leefklimaat. Dit aspect hoeft in dit geval niet nader te worden onderzocht. Regelgeving Industrielawaai In de Wgh wordt verhoudingsgewijs maar een klein gedeelte van het industrielawaai gereguleerd, namelijk alleen voor bedrijven gelegen op een bedrijventerrein. De geluidsruimte is voor een deel van de bedrijven vastgelegd in de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu. Een groot deel van de bedrijven valt onder een algemene maatregel van bestuur. Hierin zijn o.a. voor geluid voorschriften opgenomen. Deze voorschriften kunnen bepalend zijn voor de benodigde afstand tussen het bedrijf en gevoelige functies in de omgeving. Daarnaast moet bij de afweging in het kader van het bestemmingsplan ook rekening worden gehouden met geluidsemissies die niet geregeld zijn in het kader van de milieuwetgeving zoals laden en lossen, verkeersaantrekkende werking of menselijk stemgeluid. Menselijk stemgeluid Bestemmingen waarbij menselijk stemgeluid in de beoordeling in het kader van een goede ruimtelijke ordening een rol kan spelen, zijn onder andere bedrijven (horeca), sportvelden of speelplaatsen/hangplekken.
Getoetst moet worden of het stemgeluid niet leidt tot aantasting van het woon- en leefklimaat. Wegverkeerslawaai Ingevolge artikel 74 Wet geluid hinder (Wgh) zijn in principe alle wegen gezoneerd. Uitzondering op deze regel zijn wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km per uur geldt en woonerven. Tevens zijn in de Wgh onderzoekszones opgenomen waarbinnen onderzoek moet worden uitgevoerd naar de gevolgen van wegverkeerslawaai op een geluidsgevoelige bestemming. Deze onderzoekszones bedragen voor het stedelijk gebied voor wegen met 1 of 2 rijstroken 200 meter en voor het buitenstedelijk gebied 250 meter voor wegen met 1 of 2 rijstroken. Voor gezoneerde wegen geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De grenswaarde ligt tussen de 53 dB en 68 dB, afhankelijk van de ligging en of het een nieuwe of bestaande situatie betreft. Een geluidsbelasting hoger dan deze grenswaarde is niet toelaatbaar. In het gebied tussen de voorkeursgrenswaarde en de grenswaarde is de geluidbelasting alleen toepasbaar na een afwegingsproces in de vorm van een procedure hogere grenswaarde. 4.5.2 Toetsing Industrielawaai Binnen het plangebied liggen solitaire bedrijven en enkele andere functies zoals recreatie en winkels. Er is geen gezoneerd industrieterrein aanwezig. Bedrijfsmatige activiteiten moeten voldoen aan de geldende milieuwetgeving wat zorgt voor een bescherming van gevoelige bestemmingen.
Wegverkeerslawaai In de bebouwde kom van Renesse is nagenoeg overal een maximum snelheid van 30 km per uur ingevoerd. Vanaf de provinciale weg tot het plangebied geldt voor de gebiedsontsluitingswegen Roelandsweg en de Stoofweg een maximale wettelijke snelheid van 50 kilometer per uur. In het plangebied geldt ook een maximale wettelijke snelheid van 30 kilometer per uur voor deze wegen. Op grond van de Wet geluidhinder zijn de wegen in de 30-kilometerzone niet gezoneerd en dient er dus geen akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden. Evenementen
36
Het belangrijkste milieuaspect bij evenementen is geluid. De evenementen zijn ingedeeld in zes categorieën (zie bijlage 3 Lijst van toegelaten evenementen bij de regels). Hiervan komen 3 categorieën binnen dit plangebied voor, namelijk A, B en D. Daarnaast vindt er jaarlijks een twee wekelijkse kermis plaats. Per categorie is naast onder andere de duur van het evenement (en op- en afbouw) en het aantal bezoekers dat gelijktijdig aanwezig is, ook het maximale geluidsniveau op de gevels van woningen vastgelegd. Voor een evenement in categorie A is dit 65 dB(A) waarbij dan ook geen sprake mag zijn van versterkte muziek. Voor de overige categorieën geldt deze aanvullende bepaling niet en is het geluidsniveau vastgelegd op 75 dB(A). Dit komt overeen met het geluidsniveau dat op grond van de APV is toegestaan. Een geluidsniveau van 75 dB(A) op de gevel betekent een geluidsniveau van maximaal 55 dB(A) binnen in de woning door de akoestische isolatie van de woning. Met name in het hoogseizoen (juli en augustus) zijn er veel evenementen. Dit past ook binnen een sterk toeristische kern als Renesse. In het voor-, na- en laagseizoen is het aantal toegestane evenementen veel minder. De hogere belasting in het hoogseizoen wordt zo gecompenseerd met een veel lagere belasting gedurende de overige maanden van het jaar.
Op deze wijze is er over het jaar gezien sprake van een goed woon- en leefklimaat. De evenementen vinden plaats binnen de aanduiding 'overige zone - evenemententerrein 1'. Dit is een gebied waar ook andere functies voorkomen dan wonen zoals horeca en detailhandel. De gevolgen van deze evenementen voor het woon- en leefklimaat zijn dan ook acceptabel. De voorwaarden voor de jaarlijkse kermis zijn apart opgenomen in de regels. 4.5.3 Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het plan.
4.6
Externe veiligheid
4.6.1 Toetsingskader Algemeen Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken, namelijk: bedrijven waar opslag, gebruik en / of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen. In het externe veiligheidsbeleid wordt doorgaans onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken (dat wil zeggen vierentwintig uur per dag en gedurende het gehele jaar) en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde. De gemeente heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt ten gevolge van het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor of het water.
Indien de ontwikkeling gelegen is binnen de invloedssfeer van een BEVI-inrichting of een leiding zoals opgenomen in het Besluit Externe Veiligheid Buisleidingen, dan is altijd een verantwoording noodzakelijk. Risicovolle inrichtingen
37
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor of over het water. De concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Met het inwerking treden van het BEVT vervalt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen.
Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (visie tot 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6-contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Buisleidingen Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden.
In dat Besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het plaatsgebonden risico en de hoogte van het groepsrisico als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen eisen gesteld. 4.6.2 Toetsing Risicovolle inrichtingen Volgens de Risicokaart (Bron: risicokaart.nl, juni 2015) bevinden zich in de nabije omgeving van het plangebied geen Bevi-inrichtingen die van invloed zijn op de planontwikkeling. De invloedsgebieden van de dichtstbijzijnde Bevi-inrichtingen reiken niet over het plangebied. Andersom zorgen toegestane ontwikkelingen binnen het plangebied niet tot een beperking van Bevi-inrichtingen. Omgang risicovolle inrichtingen In het bestemmingsplan is één tankstation (zonder LPG) aanwezig. Voor nieuwe bedrijvigheid of uitbreiding van bestaande bedrijvigheid geldt dat de PR 10-6 contouren binnen de eigen bedrijfsperceelgrenzen moeten blijven liggen en/of binnen de bestemming 'Verkeer', 'Groen', 'Groen - Landschappelijk', of 'Water'.
Op deze wijze zijn dergelijke risicovolle activiteiten niet belemmerend voor ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving.
38
Geconcludeerd wordt dat met bovengenoemde regeling wordt aangesloten op het provinciale beleid. Tevens worden met deze regeling de bestaande rechten zoveel mogelijk gehandhaafd en wordt met de regeling een voldoende veiligheidsniveau geborgd. Vervoer van gevaarlijke stoffen Wegen Zoals eerder vermeld zijn de rijkswegen N57, N59 en N256 aangewezen als transportroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Deze wegen liggen op een zodanig grote afstand dat de invloedsgebieden niet over het plangebied reiken. Plaatsgebonden risico Uit het Basisnet Weg en de Circulaire Vervoer Gevaarlijke Stoffen (CRVGS) blijkt dat voor de voornoemde wegen geen sprake is van een plasbrandaandachtsgebied en evenmin van een veiligheidszone; er is geen maatgevende contour voor het PR (de contour met kans 10-6 ligt op de weg, niet erbuiten). Groepsrisico Ook blijkt uit het Basisnet Weg dat voor de betreffende wegvakken in de huidige situatie sprake is van een zeer laag GR (kleiner dan 0,1 maal de oriënterende waarde). De oriënterende waarde voor het groepsrisico wordt langs genoemde wegen niet overschreden. Water Op de kaart behorende bij het Basisnet Water is het Zijpe aangeduid als binnenvaartroute met frequent vervoer van gevaarlijke stoffen (zwart). Voor zwarte vaarwegen komt de PR 10-6 -contour maximaal tot de oeverlijn.
Er is daarom geen noodzaak op het land rekening te houden met veiligheidszones. Buisleidingen De meest nabij gelegen planologisch relevante aardgastransportleiding betreft een 8 inch leiding met een maximale werkdruk van 40 bar. Deze leiding komt vanuit de Grevelingen ten noordoosten van Zonnemaire het eiland op, en loopt langs de Dreischorsedijk naar een gasontvangstation tot ongeveer de kruising met de Stoofweg. De lengte van de leiding op het land bedraagt ongeveer 1,2 km. De afstand van de leiding tot aan het plangebied bedraagt ruim 15 km. Geconcludeerd wordt dat de leiding geen belemmering vormt voor het bestemmingsplan. Ook de afstand van het gasontvangststation tot de ontwikkeling is zodanig groot dat hier geen belemmeringen uit voortvloeien. 4.6.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmeringen voor de ontwikkeling. Andersom zorgt de ontwikkeling niet voor een beperking van Bevi-inrichtingen en de buisleiding bij Zonnemaire, en een verhoging van het groepsrisico op de rijkswegen N57, N59 en N256.
4.7
Bodem
4.7.1 Toetsingskader Milieuhygiënische bodemkwaliteit Het landelijk beleid gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie, de bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem. Voor alle bestemmingen waar een functiewijziging of herinrichting wordt voorzien, dient de bodemkwaliteit door middel van een bodemonderzoek in beeld te worden gebracht. Een belangrijk basis vormt de Wet bodembescherming (Wbb) en daarnaast zijn het Besluit
39
bodemkwaliteit en de Waterwet van toepassing. Het doel van de Wbb is om te voorkomen dat nieuwe gevallen van bodemverontreinigingen ontstaan. Voor bestaande bodemverontreinigingen is aangegeven in welke situaties (omvang en ernst van verontreiniging) en op welke termijn sanering moet plaatsvinden. Hierbij dient de bodemkwaliteit tenminste geschikt te worden gemaakt voor de functie die erop voorzien is, waarbij verspreiding van verontreiniging zoveel mogelijk wordt voorkomen. Het Besluit bodemkwaliteit omvat de regels rond grondverzet, bouwstoffen en een stuk kwaliteitsborging. Aardkundige waarde Ten aanzien van de aardkundige waarde richt het gemeentelijk beleid zich op het versterken van de plaatselijke landschapskwaliteiten. Dit kan door aardkundige patronen een zichtbare rol te laten spelen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Doorsnijding en versnippering van het landschap moet zo veel mogelijk worden voorkomen. Er is geen landelijke wetgeving met betrekking tot aardkundige waarden. In de provincie Zeeland en in de gemeente zijn de aardkundige waarden opgenomen in het omgevingsplan en bodembeleidsplan. delen van de gronden onder dit bestemmingsplan deel uitmaken van een door de Provincie aangewezen aardkundige waarde. Het gaat om de aardkundige waarde nr. 1 De Kop van Schouwen.
Bodemenergie Bodemenergie is het gebruik van de bodem als energiebron of voor de opslag van energie (warmte/koude). In de meeste gevallen wordt er gebruik gemaakt van warmtekoude opslag systemen (WKO). Dit deels is geregeld in het Besluit bodemenergie. Het Besluit schrijft o.a. voor dat een nieuw systeem gemeld moet worden, een bestaand systeem niet mag hinderen en dat de systemen door een erkend bedrijf moeten worden aangelegd. Bodemenergiesystemen mogen niet in grondwaterbeschermingsgebieden worden aangelegd. Voor de gesloten systemen geldt een meldingsplicht. Open systemen en grote gesloten systemen (>70kW) zijn vergunningsplichtig onder de Waterwet. De gemeente Schouwen-Duiveland beschikt over een kansenkaart bodemenergie. Voor het opsporen en winnen van delfstoffen of aardwarmte is een vergunning nodig van de Minister van Economische Zaken (artikel 6 van de Mijnbouwwet). Tevens is een omgevingsvergunning nodig. Niet gesprongen explosieven (NGE) De potentiële aanwezigheid van niet gesprongen explosieven kan een bedreiging in houden bij grondroerende werkzaamheden en kan tot vertraging in de planvorming en - uitvoering leiden. De gemeente beschikt over NGE beleid. Dit beleid is opgesteld op basis van een historisch onderzoek, ooggetuigenverklaringen en eerdere vondsten. Afhankelijk van de toekomstige ontwikkeling wordt getoetst of een vervolg onderzoek nodig is.
Daar waar het huidige grondgebruik wordt gecontinueerd is geen sprake van een verhoogd risico en is vervolgonderzoek of opsporing niet noodzakelijk. Trillingen Bij het opstellen van ruimtelijke plannen is het aspect trillingen een aandachtspunt in de afwegingen. De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening, waarin de zorg voor een goede ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Daarvoor is het nodig om mogelijke trillingshinder in kaart te brengen en deze te betrekken in de beoordeling. Dit is mogelijk met behulp van de SBR-richtlijn "Meet- en beoordelingsrichtlijnen voor trillingen". Trillingshinder wordt beoordeeld aan de hand van het maximaal optredende trillingsniveau en het gemiddeld trillingsniveau. Voor een aantal typen trillingen en verschillende gebouwfuncties (wonen, onderwijs ed.) staan in de richtlijn grens- en streefwaarden voor maximaal optredende trillingsniveaus en gemiddelde trillingsniveaus. In de beoordeling van trillingshinder moet in het algemeen onderscheid worden gemaakt naar bestaande, te wijzigen of gewijzigde en nieuwe situaties. Bij bestaande situaties moet het bestaande trillingsniveau
40
worden geaccepteerd en kunnen de veroorzaker normaal gesproken geen (aanvullende) eisen worden opgelegd. Voor te wijzigen situatie is het uitgangspunt dat de gewijzigde situatie geen overschrijding van de grens- of streefwaarden mag opleveren. Indien er al sprake was van overschrijding geldt dat de situatie niet mag verslechteren. Ten slotte geldt voor nieuwe situaties dat de grens- of streefwaarden niet zouden mogen worden overschreden. In de laatste twee situaties zal het aanwezige trillingsniveau vooraf moeten worden vastgesteld. 4.7.2 Toetsing Milieuhygiënische bodemkwaliteit Aangezien het bestemmingsplan vrijwel geen functiewijziging mogelijk maakt, is geen nieuwe toetsing of onderzoek noodzakelijk naar de bodemkwaliteit. Voor zover nieuwe functies wel gewenst zijn, zal hiervoor een aparte planologische procedure worden gevoerd waarbij de noodzakelijke onderzoeken worden uitgevoerd. Aardkundige waarde Aardkundige waarden behouden of versterken. Renesse behoort tot de oudste bewoonde delen van het eiland. Renesse ligt aan de voet van de duinen, in een smalle strook die getypeerd wordt als het zoomgebied. Aan de zuidoostkant ligt een duidelijk ander landschapstype: de open kleipolders. Bodemenergie (geothermie en warmte-koude opslag) Het gebruik van bodemenergie is in het plangebied mogelijk. Een melding of vergunningaanvraag voor deze activiteit is wel noodzakelijk.
Het gebruik van bodemenergie is in grondwaterbeschermingsgebieden niet toegestaan. Niet gesprongen explosieven Het plangebied valt deels binnen een aandachtsgebied waar niet-gesprongen explosieve kunnen voorkomen. Ook zijn er enkele voormalige mijnenvelden. Afhankelijk van de toekomstige ontwikkeling zal dan getoetst worden of een vervolgonderzoek nodig is. Daar waar het huidige grondgebruik wordt gecontinueerd is geen sprake van een verhoogd risico en is vervolgonderzoek of opsporing niet noodzakelijk. 4.7.3 Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering.
4.8
Water
4.8.1 Toetsingskader Algemeen In ruimtelijke plannen moet voldoende aandacht besteed worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. Regelgeving In de Startovereenkomst Waterbeleid 21e eeuw tussen rijk, provincies, Waterschappen en gemeenten (d.d. 14 februari 2001) is overeengekomen dat vanaf de ondertekening van deze overeenkomst op alle voor de waterhuishouding relevante nieuwe ruimtelijke plannen een zogenaamde watertoets uitgevoerd dient te worden. Concreet betekent de invoering van de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De
41
watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.6 lid 1, sub b Bro. In artikel 3.1.1. van het Bro is vastgelegd dat bij het opstellen van het bestemmingsplan overleg dient plaats te vinden met de waterbeheerder. Water dient in een zo vroeg mogelijk moment in de planvorming te worden meegenomen. Bij voorkeur in de initiatieffase. Grondwateronttrekking Zorgvuldig omgaan met grondwaterwinning beperkt het risico op verzilting van het vaak schaarse zoete grondwater. Door verzilting neemt het zoutgehalte van het (grond)water en de bodem toe. Verzilting kan tot schade leiden voor de landbouw, omdat het grondwater minder of ongeschikt wordt voor beregeningsdoeleinden. Winning van grondwater kan verlaging van de grondwaterstand en daarmee verdroging van gebieden tot gevolg hebben. Om verdroging tegen te gaan zijn in kwetsbare gebieden, bijvoorbeeld (natte) natuurgebieden en grondwaterbeschermingsgebieden, alleen grondwaterwinningen op basis van een melding toegestaan als ze kortdurend zijn (maximaal 6 maanden) en een laag debiet hebben (maximaal 100 m3 per uur en maximaal 1.000 m3 per maand) hebben. Voor alle andere grondwateronttrekkingen is altijd een vergunning van het waterschap of de provincie vereist.
4.8.2 Toetsing Er is aan de hand van de criteria uit de Handreiking watertoets van het Waterschap Scheldestromen nagegaan of het voorliggende plan strijdig is met de waterdoelstellingen c.q. noodzaakt tot waterhuishoudkundige maatregelen. Hierna wordt per thema ingegaan op de wateraspecten.
Thema en water(beheer)doelstelling
Uitwerking
Veiligheid waterkeringen Waarborgen van het veiligheidsniveau en rekening houden met de daarvoor benodigde ruimte.
Het bestemmingsplan voorziet niet in nieuwe ontwikkelingen die hierop van invloed kunnen zijn.
Voorkomen overlast door oppervlaktewater Dit bestemmingsplan is een consoliderend plan Het plan biedt voldoende ruimte voor het waarbinnen geen nieuwe functies/ontwikkelingen vasthouden, bergen en afvoeren van water. mogelijk worden gemaakt. Er is dus geen sprake Waarborgen van voldoende bouwpeil om inundatie van extra oppervlakte verharding. vanuit oppervlaktewater in maatgevende situaties te voorkomen. Rekening houden met de gevolgen van klimaatverandering en de kans op extreme weersituaties. Voorkomen overlast door hemel- en Het afvalwater wordt afgevoerd door het afvalwater vuilwaterstelsel van de gemeente. Hemelwater (inclusief water op straat / overlast) dient doormiddel van grindkoffers, via het Waarborgen optimale werking van de zuiveringen/ oppervlaktewater of via een gescheiden RWZI's en van de (gemeentelijke) rioleringen. rioleringsstelsel (indien aanwezig) te worden Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken in afgevoerd. verband met de reductie van hydraulische belasting van de RWZI, het transportsysteem en het beperken van overstorten.
42
Grondwaterkwantiteit en verdroging Tegengaan / verhelpen van grondwateroverlast en -tekort. Rekening houden met de gevolgen van klimaatverandering. Beschermen van infiltratiegebieden en -mogelijkheden.
Het bestemmingsplan voorziet niet in nieuwe ontwikkelingen die hierop van invloed kunnen zijn.
Grondwaterkwaliteit Behoud / realisatie van een goede grondwater-kwaliteit. Denk aan grondwaterbeschermingsgebieden.
Het bestemmingsplan voorziet niet in nieuwe ontwikkelingen die hierop van invloed kunnen zijn.
Oppervlaktewaterkwaliteit Behoud / realisatie van goede oppervlaktewaterkwaliteit. Vergroten van de veerkracht van het watersysteem. Toepassing van de trits schoonhouden, scheiden en zuiveren.
Het bestemmingsplan voorziet niet in nieuwe ontwikkelingen die hierop van invloed kunnen zijn. Het hemelwater is en wordt waar mogelijk afgekoppeld/niet aangesloten op de riolering conform de door het Waterschap gehanteerde afkoppelbeslisboom.
Volksgezondheid (water gerelateerd) Er zijn geen risico's voor volksgezondheid bekend. Minimaliseren risico watergerelateerde ziekten en Er is geen sprake van de aanleg van (extra) open plagen. Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-risico's water. via o.a. de daarvoor benodigde ruimte. Bodemdaling Voorkomen van maatregelen die (extra) maaiveldsdalingen in zettinggevoelige gebieden kunnen veroorzaken.
Niet van toepassing.
Natte natuur Het bestemmingsplan voorziet niet in nieuwe Ontwikkeling/bescherming van een rijke gevarieerde ontwikkelingen die hierop van invloed kunnen zijn. en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur. Onderhoud oppervlaktewater In het plangebied liggen diverse waterlopen. De Oppervlaktewater moet adequaat onderhouden onderhoudsmogelijkheden veranderen met dit worden. Rekening houden met obstakelvrije bestemmingsplan niet. Voor onderhoud van onderhoudsstroken vrij van bebouwing en opgaande waterlopen geldt dat ten opzichte van door het (hout)beplanting. waterschap beheerde waterlopen maximaal 7 meter brede obstakelvrije stroken / beplantings- en bebouwingsvrije onderhoudsstroken (schouwstroken), gemeten vanuit de insteek van het oppervlaktewater, in acht moeten worden genomen. Met een Watervergunning kan hiervan onder voorwaarden worden afgeweken. Alle primaire waterlopen met bijbehorende kunstwerken zijn in beheer en in onderhoud bij het waterschap. In het bestemmingsplan hebben primaire waterlopen de bestemming 'Water'. De onderhoudsstroken behoeven niet in het plan te worden geregeld. Daarin voorziet de Keur watersysteem waterschap Scheldestromen 2011.
43
4.8.3 Conclusie Vanuit het aspect water bestaan er geen belemmeringen voor onderhavig bestemmingsplan. De watertoets is voorgelegd aan het waterschap Scheldestromen voor het formele wateradvies en zij hebben de watertoets [PM/met hun reactie op het voorontwerpbestemmingsplan] akkoord bevonden.
4.9
Flora en fauna
4.9.1 Toetsingskader Algemeen In deze paragraaf wordt het toetsingskader op het vlak van ecologie beschreven. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. Regelgeving De regelgeving voor de flora en fauna is sinds 1 januari 2017 gebundeld in de Wet Natuurbescherming (Wnb). Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora en faunawet en de Boswet. De Wet Natuurbescherming regelt zowel de soortenbescherming als gebiedsbescherming. Gebiedsbescherming: Wet Natuurbescherming (hoofdstuk 2) en Natuur Netwerk Nederland (NNN) De gebiedsbescherming is verankerd in de Wet Natuurbescherming en de regelgeving rondom het Natuur Netwerk Nederland. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet Natuurbescherming dan wel het NNN de uitvoering van het plan niet in de weg staat. In het kader van de Wet Natuurbescherming zijn binnen de gemeente de volgende Natura2000-gebieden aangewezen: Voordelta, Oosterschelde, Grevelingen en Kop van Schouwen. Daarnaast loopt nog steeds een aanwijzingsprocedure voor het Krammer Volkerak. Per Natura2000-gebied worden in een aanwijzingsbesluit de instandhoudingdoelstelling voor bepaalde soorten of habitattypes bepaald en worden beheerplannen opgesteld. In een dergelijk beheerplan staat onder meer aangegeven voor welke nieuwe activiteiten geen vergunning nodig is.
Ook activiteiten buiten de natuurgebieden kunnen effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen. Vandaar dat hier vooraf onderzoek naar moet worden verricht. Als er wel effecten zijn op de instandhoudingsdoelstellingen dan zal voor de activiteit een vergunning Wet Natuurbescherming moeten worden aangevraagd bij het bevoegd gezag (Provincie of Ministerie EZ). De gebieden die vallen onder de NNN zijn aangegeven op de onderstaande kaart (zie ook Geoloket provincie Zeeland). Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kunnen niet zonder meer bestemmingsplanmatig mogelijk worden gemaakt als sprake is van negatieve effecten op de gebiedsafhankelijke kenmerken en waarden van de NNN.
44
Figuur 7: Natuur Netwerk Nederland Soortbescherming (hoofdstuk 3 Wet Natuurbescherming) De soortenbescherming bestaat uit drie beschermingsregimes. Twee volgen er uit Europese wetgeving. Volgens de wet zijn de soorten uit de Vogelrichtlijn (VRL) beschermd (artikelen 3.1-3.4 Wnb) en de soorten die genoemd worden in de Habitatrichtlijn (HRL) (artikelen 3.5-3.9. Wnb) Daarnaast is er ook nog een nationale lijst met beschermde soorten (3.10 Wnb). Deze soorten staan vermeld in de bijlage van de wet. Voor alle bestemmingsplannen geldt dat onderzoek moet worden uitgevoerd naar mogelijke beschermde soorten die in het plangebied voorkomen. Stikstofdepositie Om de stikstofdepositie op Natura2000 gebieden terug te dringen heeft het ministerie van I&M samen met o.a. het ministerie van EZ het PAS ontwikkeld. PAS staat voor Programmatische Aanpak Stikstof. In het PAS worden maatregelen opgenomen om de stikstofdepositie terug te brengen en hiermee de biodiversiteit in de Natura2000 gebieden te beschermen. Hierdoor wordt weer wat ruimte gecreëerd voor nieuwe ontwikkelingen met een extra stikstofafgifte. Deze ruimte is echter beperkt en daarom zal bij nieuwe ontwikkelingen getoetst moeten worden of er nog voldoende ruimte is waardoor de ontwikkeling gerealiseerd kan worden, of dat de stikstofafgifte te groot is en het plan op die wijze niet uitgevoerd kan worden.
Als een bestemmingsplan een mogelijke toename van de stikstofemissie toestaat, moet in het plan gemotiveerd worden hoe de depositie eruit ziet en hoe zich dat verhoudt tot de kritische depositiewaarde en de nog beschikbare ruimte voor stikstoftoename. 4.9.2 Toetsing Een deel van het plangebied grenst aan Natura2000- gebied Kop van Schouwen. Het bestemmingsplan betreft een actualisatie en is conserverend van aard. Er worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die, op basis van externe werking, mogelijk kunnen zorgen voor een significant negatief effect op de omliggende Natura2000-gebieden. Binnen het plangebied is wel sprake van feitelijk nog niet ingevulde 3 lege bouwkavels binnen de bestemming 'Wonen'. Hiervoor is een AERIUSberekening gemaakt die bij deze toelichting als bijlage 3Aerius-berekening is opgenomen. Uit de berekening blijkt dat de stikstofdepositie op de omliggende
45
Natura2000-gebieden niet toeneemt. Verder maakt dit bestemmingsplan geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk binnen NNN-gebieden. 4.9.3 Conclusie Het aspect flora- en fauna vormt geen belemmering voor het plan.
4.10
Licht en duisternis
4.10.1 Toetsingskader Algemeen Kunstmatige verlichting komt voor bij (autosnel)wegen, (fiets)paden, woonkernen, industrie- en bedrijventerreinen, recreatieterreinen, glastuinbouwbedrijven, sportterreinen (maneges, golfbanen, tennisbanen, voetbalvelden, e.d.). Mogelijk negatieve effecten van lichthinder worden bepaald door enerzijds de aard, intensiteit en duur en plaats van de verlichting en anderzijds door de kans op blootstelling, die gerelateerd is aan de omgeving en de leefwijze van mens en dier. Regelgeving De regelgeving die voorhanden of in voorbereiding is, richt zich vooral op de lichtbronnen, de veroorzakers van licht. Voor vergunningplichtige bedrijven geldt in het algemeen dat zij niet mogen bestaan zonder omgevingsvergunning op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (2.1 lid 1 onder e Wabo). Eventuele hinder door kunstverlichting van een bedrijf is dan geregeld via een omgevingsvergunning. In plaats van een omgevingsvergunning kan ook een Algemene Maatregel van Bestuur gelden voor een bedrijf (8.40 Wet milieubeheer). Dit houdt concreet in dat voor een aantal bedrijven van rechtswege het een en ander (onder andere lichthinder) geregeld is.
4.10.2 Toetsing Om zo min mogelijk lichthinder te krijgen, is het belangrijk dat de lampen zodanig geplaatst worden dat ze vooral naar beneden gericht zijn, en een plat armatuur hebben, zodat je aan de zijkant de lamp niet ziet zitten. Daarnaast zorgt dynamische verlichting dat de verlichting enkel aan is, als er ook reden voor is. Zeker als er verlichting plaatsvindt aan de rand van de kern is het belangrijk dat dit zorgvuldig gebeurd, zodat er geen onnodige horizonvervuiling plaatsvindt die op grote afstand zichtbaar kan zijn. 4.10.3 Conclusie Het aspect licht vormt geen belemmering voor het plan.
4.11
Energie en klimaat
4.11.1 Toetsingskader Algemeen Energiebesparing en het gebruik van duurzame energie is een belangrijk thema in het nationale klimaatbeleid. In het bestemmingsplan gaat het er bij het thema energie om dat rekening gehouden wordt met duurzaamheidsaspecten bij het ontwikkelen van een plangebied. Regelgeving Alleen via het Bouwbesluit geldt een wettelijke verplichting om bij bestemmingsplannen aandacht te besteden aan (duurzame) energie. Door bij de opstelling van een bestemmingsplan al rekening te houden met bijvoorbeeld een zongerichte situering van woningen, kan al in een vroeg stadium van een
46
planontwikkeling worden bewerkstelligd dat de mogelijkheden voor efficiënt gebruik van energie en de inzet van nieuwe energiebronnen kunnen worden benut. In het bestemmingsplan kunnen geen voorwaarden worden gesteld met betrekking tot energie van niet stedenbouwkundige aard. 4.11.2 Toetsing In dit geval gaat het om een actualisatie van een bestemmingsplan waarvan het gebied nagenoeg al compleet is ingericht. In dat geval is een zongerichte situering meer toeval dan bewust. En in die gevallen dat het gebouw niet zongericht is, valt er weinig aan te doen. Slechts in die gevallen dat er nog een woning gebouwd kan worden, of een woning vervangen wordt, kan bewust gekeken worden naar een dusdanige indeling waardoor de zonnewarmte en zonnelicht optimaal gebruikt kan worden. 4.11.3 Conclusie Het aspect energie en klimaat vormt geen belemmering voor het plan.
4.12
M.e.r.-beoordeling
4.12.1 Toetsingskader Algemeen De bedoeling van de Mer regelgeving is om (in een aantal gelimiteerde gevallen) milieu een volwaardige plaats in de besluitvormingsprocessen van een groot aantal wetten, waaronder de Wro, te geven. Regelgeving De basis voor de regelgeving met betrekking tot de MER wordt gevormd door de Europese richtlijn voor milieueffectrapportage (85/337/EEG) en de Europese richtlijn betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's (2001/42/EG). Beide richtlijnen zijn in de Wet milieubeheer (Hoofdstuk 7) en het Besluit milieueffectrapportage in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De MER-regelgeving maakt onderscheid tussen plannen en besluiten en geeft hiervoor verschillende procedurele verplichtingen. Uitgangspunt van de MER-regelgeving is dat de procedure van het betreffende plan of besluit, waarbij het milieueffectrapport wordt opgesteld wordt gevolgd. De Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage 1994 maken onderscheid tussen: 1. een m.e.r.-plicht voor plannen (plan-m.e.r.); 2. een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor projecten (project-m.e.r.); 3. een vormvrije m.e.r.-beoordeling voor projecten die als activiteit genoemd zijn in het Besluit m.e.r., ook al blijven zij onder de genoemde drempelwaarden.
Dit betekent dat het bevoegd gezag ook bij deze kleinere activiteiten (die niet aan de drempelwaarden voldoen), na moet gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Als uit de aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling voor projecten blijkt dat geen MER behoeft te worden opgesteld of uit de MER blijkt dat er als gevolg van het plan geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen, kan het plan worden uitgevoerd.
47
4.12.2 Toetsing Binnen het plangebied worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C en/of D van bijlage I van het Besluit m.e.r. 4.12.3 Conclusie Er hoeft aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling voor projecten onder de drempelwaarde of een MER te worden opgesteld.
4.13
Conclusie
Uit de toetsing aan de sectorale aspecten blijkt dat er, rekening houdend met de deel conclusies opgenomen voorwaarden, geen belemmeringen zijn voor voorliggend plangebied.
48
5 Juridische aspecten 5.1
Inleiding
Dit bestemmingsplan kan grotendeels worden gekarakteriseerd als een zogenaamd beheersplan. In een dergelijke bestemmingsregeling ligt het accent vooral op het bieden van rechtsbescherming ten aanzien van het bestaand gebruik van gronden en opstallen. Dit heeft geresulteerd in een planopzet met een beperkt aantal bestemmingen, een verbeelding en een uniforme opzet van de bouwbepalingen. Alle bestaande functies worden gerespecteerd, ingrijpende functieveranderingen zijn niet voorzien.
5.2
Plansystematiek
Het bestemmingsplan bestaat uit (bestemmings)planregels, een verbeelding en een toelichting. De planregels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Hierna volgt een toelichting op de afzonderlijke onderdelen. De verbeelding is een kaart van het plangebied waarop onder andere te zien is waar, welke bestemming geldt en waar bouwvlakken liggen waarbinnen gebouwen opgericht dienen te worden. Op de verbeelding zijn de volgende hoofdgroepen opgenomen: Enkelbestemmingen; Dubbelbestemmingen; Gebiedsaanduidingen; Functieaanduidingen; Bouwvlakken; Bouwaanduidingen; Maatvoeringen. Uit de bestemmingsregels blijkt hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingsplanregels bestaan altijd uit de volgende vier hoofdstukken: 1. Inleidende regels; 2. Bestemmingsregels; 3. Algemene regels; 4. Overgangs- en slotregels. De opzet van de verbeelding en regels sluit aan op de wettelijk vastgelegde Standaard Vergelijkbare bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Verder zijn de bestemmingen zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gronden. In de toelichting wordt gemotiveerd waarom er sprake is van een goede ruimtelijke ordening.