CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

Ontwerpbestemmingsplan Renesse - Bijlagen bij de toelichting

Gemeenteraad 23 december 2021, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: Bestemmingsplan Renesse (498313)24.934 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

RENESSE Bijlagen bij toelichting bestemmingsplan, ontwerp

Renesse

2

Inhoudsopgave

Bijlagen bij toelichting

5

Bijlage 1

6

1 1.1 2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 3 3.1 3.2 3.3 3.4 4 4.1 4.2 4.3 4.4 5 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9 5.10 5.11

Beleidskader

Europees beleid Kaderrichtlijn Water (KRW) Rijksbeleid Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) (2012) Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) (2011) Nota Belvedere (1999) Modernisering Monumentenzorg (MoMo) (2011) Nationaal bestuursakkoord Water (NBW) (2011) Nationaal Waterplan (NW) (2009) Waterwet (2009) Natura2000 Provinciaal beleid Provinciaal Verkeers- en Vervoersplan Zeeland 'Mobiliteit op maat' (2008) Zeeuwse Nota Waterkeringen (2010) Natuur- en landschapsbeleid Beleidsvisie Externe Veiligheid 2012-2018 Regionaal beleid Toetskader bluswatervoorziening en bereikbaarheid (2009) Waterbeheerplan 'Met het water mee II' (2010-2015) Keur watersysteem Waterschap Scheldestromen (2011) Bestuursvisie op fysieke veiligheid in Zeeland 2012-2015 (2012) Gemeentelijk beleid Strategische visie 'Tij van de Toekomst 2011-2040' (2011) Woonvisie 2013-2022 (2013) Woningmarktafspraken regio Schouwen-Duiveland 2014-2023 (2014) Notitie Aanpak verborgen woningbouwplancapaciteit (2014) Structuurvisie Ongebruikte bouwtitels in bestemmingsplannen Detailhandelsstructuurvisie (2013) Beleidsnota en beleidsregels evenementen (2018) Schouwen-Duiveland kiest voor toerisme (2012) Nota Kamperen (2011) Welstandsnota 2012 Schouwen-Duiveland Sportief 2008-2014 (2008)

3

5.12 5.13 5.14 5.15 5.16 5.17 5.18 5.19 5.20 5.21 5.22 5.23 5.24 5.25 5.26 5.27 5.28

Beleidsregels speelruimte Actualisatie integraal verkeer- en vervoersplan (2008) Beheer- en beleidsplan wegen 2012-2016 Bomenbeleidsplan 2010 (2009) Visie integraal beheer openbare ruimte (2014) Beleidsnotitie groenstroken en restpercelen (2009) Nota integraal Erfgoedbeleid Schouwen-Duiveland 2012-2018 (2012) Beleidsplan Archeologie (2008) Milieubeleidsplan Nota hogere waarden wegverkeerslawaai (2008) Biodivers (2012) Waterplan Schouwen-Duiveland (2007) Beleidsvisie externe veiligheid (2005) Brandbeveiligingsverordening Schouwen-Duiveland (2010) Methode 'Beheersbaarheid van brand 2012' (2012) Sociale structuurschets (2002) Beleidsregels lokaal prostitutiebeleid (2010)

Bijlage 2

Antwoordnotitie inspraak en vooroverleg

29

Bijlage 3

Antwoordnotitie zienswijzen

57

Bijlage 4

Vaststellingsbesluit

59

4

Bijlagen bij toelichting

5

Bijlage 1

Beleidskader

1

Europees beleid

1.1

Kaderrichtlijn Water (KRW)

In 2000 hebben de landen van de Europese Unie de Kaderrichtlijn Water (KRW) onderschreven om te komen tot basisbeginselen voor een duurzaam waterbeleid in de Europese Unie. De Kaderrichtlijn Water is door Nederland vertaald naar landelijke beleidsuitgangspunten voor een robuust en duurzaam water-systeem. In 2027 moeten de door Nederland aangewezen KRW-oppervlaktewaterlichamen voldoen aan de richtlijnen, zoals deze door de Europese Unie zijn vastgesteld. Voor het bereiken van de KRW-doelen is in het Nationaal Bestuursakkoord Water de onderlinge samenwerking tussen de overheden vastgelegd.

2

Rijksbeleid

2.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) (2012)

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte schetst het Rijk ambities van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid voor Nederland in 2040. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vervangt verschillende bestaande nota's zoals: de Nota Ruimte, Nota Mobiliteit, agenda Landschap, agenda Vitaal, Platteland en Pieken in de Delta. Met de Structuurvisie zet het Rijk het roer om in het nationale ruimtelijke beleid. Er is nu te vaak sprake van bestuurlijke drukte, ingewikkelde regelgeving of een sectorale blik met negatieve gevolgen voor de ontwikkeling van Nederland. Om dit te keren brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij burgers en bedrijven, laat het meer over aan gemeenten en provincies en komen de burgers en bedrijven centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Deze belangen zijn: 1. Een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren; 2. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie; 3. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen; 4. Efficiënt gebruik van de ondergrond; 5.

Een robuust hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio's inclusief de achterlandverbindingen; 6. Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem; 7. Het instandhouden van het hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van het mobiliteitssysteem te waarborgen; 8. Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's; 9. Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling; 10. Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten; 11. Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten; 12. Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten; 13. Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten.

6

Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Uitwerking vindt veelal plaats in wetgeving zoals Waterwet, Natuurbeschermingswet, Deltawet en de (toekomstige) Omgevingswet.

2.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) (2011)

In dit besluit worden regels gesteld voor verschillende aspecten van nationaal belang. Veel daarvan moeten nog worden uitgewerkt en vastgesteld.

2.3

Nota Belvedere (1999)

De Nota Belvedere geeft een visie op de wijze waarop met de cultuurhistorische kwaliteiten van het fysieke leefmilieu in de toekomstige ruimtelijke inrichting van Nederland kan worden omgegaan. Daarnaast geeft het aan welke maatregelen getroffen moeten worden en geeft het een aanvulling op het bestaande sectorale beleid. Cultuurhistorie wordt daarbij beschouwd als van vitale betekenis voor de samenleving en de individuele burger. Het behoud en het benutten van het cultureel erfgoed voegt kwaliteit toe aan de culturele dimensie van de ruimtelijke inrichting. Een ontwikkelingsgerichte benadering staat daarbij centraal. Die invalshoek dient in het ruimtelijk beleid te worden bevorderd. Deze nota vormde een belangrijke bouwsteen voor de Vijfde Nota over de Ruimtelijke Ordening en andere relevante rijksnota's. Daarnaast heeft het beleid uit de Nota Belvedere zijn vertaling gekregen in het beleid van de andere bestuursniveaus. De centrale doelstelling van het beleid luidt: De cultuurhistorische identiteit wordt sterker richtinggevend voor de inrichting van de ruimte, en het rijksbeleid zal daarvoor goede voorwaarden scheppen. Deze hoofddoelstelling is vertaald in de volgende doelen: 1. Het erkennen en herkenbaar houden van cultuurhistorische identiteit in zowel het stedelijke als landelijke gebied, als kwaliteit en uitgangspunt voor verdere ontwikkelingen. 2.

Het versterken en benutten van de cultuurhistorische identiteit en de daarvoor bepalende kwaliteiten van de cultuurhistorisch meest waardevolle gebieden van Nederland, de zogenoemde Belvedere-gebieden. 3. Het scheppen van voorwaarden ten behoeve van initiatieven van derden gericht op thematische versterking van de cultuurhistorie. 4. Het verspreiden en toegankelijk maken van de kennis over cultuurhistorie, alsmede het stimuleren van de kansen van cultuurhistorie als inspiratiebron voor de ruimtelijke inrichting en het ontwerp. 5. Het bevorderen van de samenwerking tussen burgers, organisaties en overheden. 6. Het verbeteren van de gebruiksmogelijkheden van het bestaande instrumentarium. In bestemmingsplannen dienen de fysieke dragers (cultuurhistorische kernkwaliteiten) als ruimtelijk toetsingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen te worden vastgelegd en kan indien nodig tevens een beleidsmatige opgave gericht op het herstel van de cultuurhistorische kwaliteit en samenhang worden opgenomen. De uitvoeringsstrategie kan van gebied tot gebied verschillen, van meeliften met bestaande initiatieven tot het initiëren van specifieke projecten.

2.4

Modernisering Monumentenzorg (MoMo) (2011)

Per 1 juli 2011 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Als gevolg van MoMo wijzigt het Bro (artikel 3.6.1. lid 2). Wat voor archeologie geldt, gaat voor al het cultureel erfgoed gelden. De volgende regel is van kracht: In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is

7

daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (stede)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Dit betekent dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor het betrekken van cultuurhistorische waarden bij het opstellen van bestemmingsplannen en hierover verantwoording af te leggen in het bestemmingsplan. Dat kan op verschillende manieren en kan van het wettelijk verplichte minimum tot en met uitgebreide eigen beleid.

2.5

Nationaal bestuursakkoord Water (NBW) (2011)

In mei 2011 hebben het Rijk, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Unie van Waterschappen (UvW) en de Vereniging van waterbedrijven in Nederland (Vewin) het Bestuursakkoord Water ondertekend. Het doel van het Bestuursakkoord Water is te blijven zorgen voor: de veiligheid tegen overstromingen; een goede kwaliteit van het water; voldoende zoet water. De vijf partners willen dit bereiken door doelmatiger te werken, dat wil zeggen: goede kwaliteit tegen lagere kosten en minder bestuurlijke drukte. Noodzakelijke investeringen leiden daardoor niet tot sterke stijging van de lokale lasten voor burgers en bedrijven. De partners streven daarnaast ook naar doelmatigheid, door met minder kosten en minder bestuurlijke drukte de werkzaamheden te verrichten. Algemeen uitgangspunt is dat de overheden zich beperken tot hun kerntaken: taken worden op een niveau zo dicht mogelijk bij de burger gelegd; per terrein zijn ten hoogste twee bestuurslagen betrokken bij hetzelfde onderwerp.

2.6

Nationaal Waterplan (NW) (2009)

In de Waterwet is vastgelegd dat het Rijk een nationaal waterplan opstelt. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen aan voor een optimaal waterbeheer. Het Nationaal Waterplan bevat tevens de stroomgebiedbeheerplannen die op grond van de Kaderrichtlijn Water zijn opgesteld. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens structuurvisie.

2.7

Waterwet (2009)

In 2009 is de Waterwet in werking getreden. Deze wet is ontstaan uit het samenvoegen van acht oude waterwetten. De Waterwet kent één watervergunning, voor onder andere het lozen van afvalwater op het oppervlaktewater, het onttrekken van grondwater of het bouwen van een steiger. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. In de Keur heeft het waterschap regels opgenomen gericht op het veilig stellen van de water aan- en afvoer en de bescherming tegen wateroverlast.

8

2.8

Natura2000

Het aantal soorten planten en dieren in Europa gaat hard achteruit. De Europese Unie heeft zich ten doel gesteld in 2010 de achteruitgang van de biodiversiteit te stoppen. Een belangrijk instrument daarvoor is Natura2000: een samenhangend netwerk van bijzondere natuurgebieden van Europees belang. Dit netwerk heeft als hoofddoelstelling het waarborgen en ontwikkelen van de biodiversiteit in Europa. Nederland draagt met 162 gebieden bij aan Natura2000. Natura2000-gebieden zijn de gebieden waar aangewezen soorten (dieren en/of planten) in een bepaalde mate voorkomen. Natura2000 is vertaald in de Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en Faunawet. Het ministerie van Economische Zaken (EZ) wijst de gebieden aan. In een aanwijzingsbesluit beschrijft ze de natuurdoelen voor ieder gebied: welke natuurtypen en dier- en plantensoorten er in een bepaalde hoeveelheid en kwaliteit moeten blijven of - opnieuw - ontwikkeld worden. In Zeeland heeft de minister van EZ zestien Natura2000-gebieden aangewezen, waarvan de Voordelta, Kop van Schouwen, Oosterschelde en Grevelingen binnen de gemeentegrenzen zijn gelegen. Er is sprake van dat de Krammer-Volkerak later ook nog wordt aangewezen. Voor de Kop van Schouwen is de Provincie Zeeland verantwoordelijk voor het opstellen van de beheerplannen. Voor de overige gebieden blijft het Rijk zelf verantwoordelijk voor het opstellen van de beheerplannen.

3

Provinciaal beleid

3.1

Provinciaal Verkeers- en Vervoersplan Zeeland 'Mobiliteit op maat' (2008)

De nationale planstructuur voor verkeer en vervoer is vastgelegd in het Nationale Verkeers- en Vervoersplan (NVVP). Op grond van de Planwet dient de Provincie te voldoen aan haar planverplichting een Provinciaal Verkeers- en Vervoersplan (PVVP) op te stellen. Het PVVP gaat in op de essentiële onderdelen uit het NVVP en besteedt aandacht aan de afstemming met andere beleidsterreinen als ruimtelijke ordening, economie en milieu. De provincie is verplicht de meest belanghebbende bestuursorganen bij de planvoorbereiding te betrekken. Het PVVP zet in op een optimaal verkeers- en vervoerssysteem, waarvan de kwaliteit voor de individuele gebruiker in goede verhouding staat tot de kwaliteit van de samenleving als geheel, en dat recht doet aan de verschillende functies in de gebieden. Het basisbeleid, de elementen die voor heel Zeeland gelden, is gerelateerd aan de verschillende beleidssectoren en vertaald in verkeerskundige termen. Deze elementen zijn: Duurzaam Veilig verkeer; bereikbaarheid per auto, Openbaar Vervoer en fiets; leefbaarheid. Gezien de gebiedsspecifieke situaties is er aanleiding geweest om in het PVVP lokaal of in een bepaald gebied accenten aan te brengen in het basisbeleid.

3.2

Zeeuwse Nota Waterkeringen (2010)

Met de Zeeuwse Nota Waterkeringen 2010 stelt het Zeeuws Overlegorgaan Waterkeringen (ZOW) een gezamenlijk beleidskader en een gezamenlijke ambitie voor de waterkeringzorg vast. Het ZOW speelt hiermee in op nieuwe ontwikkelingen, regelgeving en beleid en neemt een standpunt in over de Zeeuwse uitwerking van het advies van de Deltacommissie en het Nationaal Waterplan. De nota geeft bovendien een eerste aanzet voor de gebiedsvisie voor de Zeeuwse kust, die is aangekondigd in het Nationaal Waterplan. Meer in detail heeft de Zeeuwse Nota Waterkeringen de volgende doelen: waarborgen dat het waterkerend vermogen en de stabiliteit van de waterkeringen aan de normen blijft voldoen; inspelen op specifieke kenmerken en gebruik van Zeeuwse kusten en oevers; richting geven aan integraal kustbeheer; anticiperen op ontwikkelingen op lange termijn;

9

sturing geven aan de Beheerplannen waterkeringen; innovaties in de bescherming tegen overstromingen stimuleren.

3.3

Natuur- en landschapsbeleid

De Provincie Zeeland is verantwoordelijk voor praktisch het hele natuurbeleid op basis van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en Faunawet, de Boswet en de Wet inrichting landelijk gebied (WILG). De Provincie stelt de beleidskaders vast, verleent ontheffingen en vergunningen, voert budgetbeheer, heeft de regie over de uitvoering, monitoring en toezicht (handhaving). Daarnaast wil de Provincie dat natuurgebieden en het platteland voor het publiek ontsloten worden: bekend, vindbaar, bereikbaar, toegankelijk en beleefbaar met daarbij speciale aandacht voor mensen met een functiebeperking. De Zeeuwse natuur wordt goed en actief beheerd. De Provincie stelt de doelen vast middels het Natuurbeheerplan Zeeland en stuurt het beheer van de natuurorganisaties en particuliere (agrarische) beheerders aan op basis van de Subsidieregeling Natuur en Landschap. Het Natuurbeheerplan Zeeland bevat het provinciale beleid voor begrenzing, verwerving, omvorming, inrichting en beheer van natuurgebieden en agrarische beheergebieden van de Zeeuwse Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het Natuurbeheerplan wordt jaarlijks gewijzigd. Op 29 september 2009 is het Natuurbeheerplan Zeeland 2009 vastgesteld, in 2010, 2011, 2012 zijn kleine planwijzigingen doorgevoerd. In 2013 is een grote planwijziging doorgevoerd, vanwege de landelijke herijking van de EHS.

Daarbij ligt het accent nu meer op inrichting dan verwerving en wordt er gestreefd naar een koppeling met Natura 2000 en de Kaderrichtlijn Water. Voor Zeeland betekent dit een kleinere EHS. Begrensde natuurontwikkelingsgebieden worden via een waarborgingbeleid planologisch beschermd tegen onomkeerbare ingrepen.

3.4

Beleidsvisie Externe Veiligheid 2012-2018

Als vervolg op de provinciale beleidsvisie externe veiligheid ‘Risico’s InZicht’ heeft de provincie Zeeland de nieuwe beleidsvisie ‘Verantwoorde risico’s’ opgesteld. Bij het opstellen van deze beleidsvisie heeft afstemming plaatsgevonden met de voorbereiding van het nieuwe Omgevingsplan dat naar verwachting in 2012 zal worden vastgesteld. Met de Beleidsvisie externe veiligheid wordt het beleid van de afgelopen jaren op hoofdlijnen voortgezet. De doelstelling is het realiseren van een veilige woon-, werk- en recreatieomgeving. De Provincie richt zich op het voorkomen van ongevallen door het zoveel mogelijk beperken van risico’s waaraan burgers worden blootgesteld die verbonden zijn aan de productie, de verwerking en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Externe veiligheid in stedelijk gebied is primair de verantwoordelijkheid van de gemeenten. Het provinciaal externe veiligheidsbeleid rust op twee pijlers: 1. De effectieve en efficiënte uitvoering van wet- en regelgeving. 2. Invulling van de eigen beleidsvrijheid met locatiebeleid als belangrijkste instrument. Om de doelstelling te realiseren worden de volgende drie sporen gevolgd: Brongericht beleid. Via vergunningverlening en handhaving worden de oorzaken van risico’s aangepakt. Omgevingsgericht beleid. Door ruimtelijke inrichtingsmaatregelen wordt gezorgd voor een zo veilig mogelijke leefsituatie.

In dit beleid staat een gebiedsgerichte benadering centraal. Rampenbestrijding. Hierbij gaat het om de voorbereiding op (de bestrijding van) calamiteiten. Dit is primair het domein van de Veiligheidsregio. De Commissaris van de Koningin heeft een coördinerende taak bij de rampenbestrijding.

10

In paragraaf 2.4 Provinciaal beleid wordt ingegaan op het belang van dit beleid voor voorliggend bestemmingsplan.

4

Regionaal beleid

4.1

Toetskader bluswatervoorziening en bereikbaarheid (2009)

Het toetskader bluswatervoorziening en bereikbaarheid is een samenvoeging van de Handleiding Bluswatervoorziening en bereikbaarheid, lokale inzichten en andere beleidsstukken uit het land. Het toetskader is bedoeld als toelichting op artikel 10 van de Regeling bluswatervoorziening en hulpverlening gemeente Schouwen-Duiveland (2010). In dit artikel is vastgelegd dat burgemeester en wethouders zorg dragen voor of toezien op de realisering van zodanige bluswatervoorzieningen en de bereikbaarheid daarvan, dat de brandbestrijding te allen tijde zoveel mogelijk gewaarborgd is.

4.2

Waterbeheerplan 'Met het water mee II' (2010-2015)

In het waterbeheerplan staat het beleid van het waterschap voor oppervlaktewater en waterkeringen. Het waterbeheerplan bevat de ambities en uitvoeringsprojecten voor een planperiode. Het waterbeheerplan wordt vergeleken met een structuurvisie van de gemeente.

4.3

Keur watersysteem Waterschap Scheldestromen (2011)

In de Keur heeft het waterschap regels opgenomen gericht op het veilig stellen van de water aan- en afvoer en de bescherming tegen wateroverlast. In de watertoets zoals opgenomen in paragraaf Water van de toelichting op het bestemmingsplan is de Watertoets opgenomen.

4.4

Bestuursvisie op fysieke veiligheid in Zeeland 2012-2015 (2012)

Dit beleidsplan is opgesteld vanuit een wettelijke verplichting, maar ook om de richting van de Veiligheidsregio aan te geven. Zeeland heeft een risicoprofiel met een groot aantal risico's. De kans dat een incident optreedt is onwaarschijnlijk, maar als het optreedt zijn de gevolgen zeer groot. Het is daarom belangrijk dat dit beleidsplan er ligt. Dit beleidsplan gaat over meerdere typen veiligheid, te weten: openbare orde, sociale veiligheid, integrale veiligheid, milieuveiligheid, en fysieke veiligheid. Samenwerken en investeren zijn sleutelwoorden van dit beleidsplan. De belangrijkste beleidsprogramma's van dit beleidsplan zijn: Water en veiligheid Het thema water en veiligheid kent drie verschillende aandachtsterreinen, te weten: incidentenbestrijding op het water, overstromingen en extreme neerslag. Nucleaire Veiligheid Zeeland is de regio in Nederland met de meeste nucleaire inrichtingen voor energie productie op of nabij haar grondgebied: de kerncentrale van EPZ in Borssele en de vier kerncentrales van Electrabel in het Belgische Doel. Voor de voorbereiding op incidenten met deze inrichtingen is het bestuur van de veiligheidsregio verantwoordelijk. De voorzitter van de veiligheidsregio heeft het opperbevel bij incidenten met deze inrichting totdat dit door de minister wordt overgenomen.

Door de aanwezigheid van deze nucleaire industrie in Zeeland is er een specialisme ontstaan over nucleaire veiligheid bij de veiligheidsregio. Ook worden, door o.a. de Hogeschool Zeeland, nucleaire opleidingen ontwikkeld om de behoefte aan specialisten bij de nucleaire industrie te kunnen waarborgen. Het beleid van de Zeeuwse overheden is er op gericht om deze expertise ontwikkeling in Zeeland te ondersteunen en gezamenlijk, met de industrie, onderwijs en overheid in Zeeland een expertisecentrum voor de nucleaire industrie voor Nederland en omliggende landen te realiseren.

11

Industriële Veiligheid en Infrastructuur Het thema industriële veiligheid en infrastructuur behelst de veiligheid van de chemische industrie in Zeeland en weg- en treinvervoer. Zeeland heeft, na Rotterdam Rijnmond de meeste BRZO-plichtige bedrijven. De aanwezigheid van petrochemische industrie tezamen met het vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor maakt Zeeland tot het tweede risicogebied van Nederland. Binnen dit programma valt de uitvoering van het Besluit Risico's Zware Ongevallen 1999 (BRZO), de advisering over externe veiligheid, aanwijzing bedrijfsbrandweer, routering gevaarlijke stoffen en de risicobeheersing van overige industrie, ondergrondse transportleidingen, vervoer over weg en spoor en door tunnels. Recreatie, toerisme en evenementen Recreatie en toerisme zijn economisch van groot belang voor Zeeland. Het bieden van veiligheid voor de bezoekers van Zeeland moet dan ook prioriteit krijgen. Dit kan alleen in samenwerking met de recreatiesector. Bezoekers van campings, jachthavens, bungalowparken, stranden en historische steden en gebouwen moeten kunnen vertrouwen op effectieve hulpverlening. Evenementen moeten ook zodanig worden georganiseerd dat de bezoekers hier geen bijzondere risico's lopen. Dit vereist goede afspraken tussen vergunningverlenende instanties, organisatie en veiligheidsregio.

Veilig wonen en werken Inwoners moeten een veilige leefomgeving hebben. Dit moeten zij grotendeels eerst zelf realiseren. De taak van de veiligheidsregio is te voorzien in hulpverlening op die momenten dat de burgers zelf onvoldoende middelen hebben. Dit beleidsplan behandelt de fysieke omgeving waarin wordt gewoond en gewerkt. Het gaat dus niet om sociale veiligheid. De lijn tussen sociale veiligheid en fysieke veiligheid is echter niet eenvoudig meer te trekken. Sociale onrust of een 'sociaal' incidenten kan leiden tot een crisis en daarmee wordt ook de veiligheidsregio, verantwoordelijk voor de organisatiestructuur, bij een crisis betrokken.

5

Gemeentelijk beleid

5.1

Strategische visie 'Tij van de Toekomst 2011-2040' (2011)

De gemeenteraad heeft op 3 oktober 2011 de Strategische Visie 'Tij van de Toekomst' vastgesteld. In de visie is opgenomen hoe de gemeente Schouwen-Duiveland er in 2040 uit zou moeten zien. In de strategische visie staat de volgende ambitie centraal: 'In 2040 kent vakantie-eiland Schouwen-Duiveland een toonaangevende watereconomie die de duurzame verbinding vormt tussen wonen, werken, zorgen en genieten'. In de visie zijn de drie strategische doelen 'werken', 'wonen' en 'verblijven' uitgewerkt. Hierna zijn de strategische doelen met bijbehorende ambities voor 2040 beschreven. Strategische doelen: werken De economie van Schouwen-Duiveland is sterk watergerelateerd; Landbouw en aquacultuur zijn geïnnoveerd en verweven met andere functies; Kleinschalige bedrijvigheid floreert, optimaal gestimuleerd en gefaciliteerd; Vraag en aanbod van de arbeidsmarkt zijn in balans; Schouwen-Duiveland is krachtig gepositioneerd als toonaangevend in water en veelzijdig vakantie-eiland. Strategische doelen: wonen De gemeente heeft een kwalitatief goed en realistisch voorzieningenniveau;

12

In de gemeente wordt prettig en naar behoefte gewoond; De leefbaarheid en sociale samenhang in de kernen is groot. Inwoners zijn actief en betrokken; Er is een goed en betaalbaar aanbod van zorg en welzijn dat vraaggestuurd tot stand komt. Strategische doelen: verblijven De bijzondere kwaliteiten (water, natuur, cultuur) maken Schouwen-Duiveland tot een aantrekkelijk vakantie-eiland; Het eiland Schouwen-Duiveland heeft een krachtig en duidelijk herkenbare toeristische hoofdstructuur. We benutten de daaraan verbonden potenties; De kwaliteit en diversiteit van de toeristische sector is groot. We maken gebruik van de unieke mogelijkheden die het water biedt; Schouwen-Duiveland is een aantrekkelijk vakantie-eiland door de bloeiende watersport en de vele watergerelateerde activiteiten en evenementen.

5.2

Woonvisie 2013-2022 (2013)

De gemeente heeft de ambitie om minimaal te kunnen voorzien in de opvang van de natuurlijke groei in de kernen. Verder wordt ruimte gegeven aan de woningbehoefte van permanente en tijdelijke vestigers, door aantrekkelijke woonmilieus in zowel de bestaande voorraad als ook in de nieuwbouw. Ambities Deze Woonvisie moet er voor zorgen dat tot 2022 de juiste keuzes te maken om in 2040 het strategische doel te hebben bereikt: 'We wonen prettig naar wens en behoefte'. Deze doelstelling tot 2022 is uitgesplitst in de volgende ambities/beleidsaccenten: kwantitatieve ambities voor eigen behoefte; kwalitatieve ambities voor eigen behoefte; pakken van woonkansen voor vestigers. Kwantitatieve ambities voor eigen behoefte tot 2022 Uitgegaan wordt van een kwantitatieve woningbehoefte van 450 woningen voor eigen huishoudens. Prognoses geven voor de komende tien jaar nog een groei aan met ongeveer 450 huishoudens. Daarna slaat de huishoudensgroei om in huishoudensafname. Aanpakken van de te grote plancapaciteit: deze wordt de komende jaren in evenwicht gebracht met de kwantitatieve woningbehoefte. De netto plancapaciteit ligt op ongeveer 1.250 woningen en is aanzienlijk meer dan de gemeentelijke woningbehoefte tot 2022. De instroom van vestigers is veel te beperkt om het overige deel van de plannen in te vullen.

Onderzoeken of er een relatie gelegd kan worden tussen de verdiencapaciteit van nieuwbouwplannen en herstructurering. Door de beperkte eigen woningbehoefte kan nieuwbouw niet langer worden gezien als financieringsinstrument voor onrendabele investeringen. Er zal niet altijd meer sprake zijn van een verdiencapaciteit van nieuwbouwplannen. Of er nog mogelijkheden zijn om een relatie te leggen tussen deze twee aspecten zal per plan nader onderzocht moeten worden. Kwalitatieve ambities voor eigen behoefte tot 2022 Kwaliteit verbeteren en herstructureren van de bestaande woningvoorraad. Te kleine en niet functionele koop- en huurwoningen, die niet meer voldoen aan de huidige kwalitatieve woonwensen, moeten worden aangepast of vervangen. Nieuwbouw in beginsel in elke kern toestaan: de behoefte moet vanuit de kern worden aangetoond. Op voorhand wordt geen enkele kern van nieuwbouw uitgesloten, mits de plannen passen binnen het kwantitatief en kwalitatief woningbouwkader per woonmilieu en ze voldoen aan de kwalitatieve accenten. Inspelen op de kwalitatieve behoefte van de diverse doelgroepen en realiseren aanvullend

13

nieuwbouw: zoals voldoende huurwoningen voor huishoudens met een laaginkomen, starters in beginsel bedienen in de bestaande woningvoorraad, maatregelen om mensen zo lang mogelijk thuis te laten wonen en stimuleren spreiding van wonen met zorg. Naast het bouwen van levensloopgeschikte woningen ook inspelen op de vraag naar middeldure huur (€ 574 - € 681) en dure huur (> € 681) en eengezinswoningen tussen de € 180.000 en € 250.000. Realiseren nieuwbouw binnen de contouren van de kernen: inbreiding gaat voor uitbreiding. Er is ruim voldoende plancapaciteit aanwezig en het buitengebied moet niet onnodig geschaad worden. Pakken van woonkansen voor vestigers tot 2022 Ruimte geven aan de woningbehoefte van tijdelijke en permanente vestigers. Wonen op Schouwen-Duiveland spreekt veel mensen aan: de rust, ruimte en veiligheid. Bouwen voor vestigers wordt gezien als een kans. Kwantitatief wordt er een limiet gesteld van maximaal 200 nieuwbouwwoningen voor vestigers. Voor deze extra ambitie worden wel eisen gesteld dat het moet gaan om niches in de woningmarkt: creatieve nieuwbouwconcepten die aantrekkelijk zijn voor vestigers op de juiste locatie. Hierbij leggen we de focus op het woonmilieu 'Wonen aan de kust' en in mindere mate aan 'Zierikzee' en 'Dorpswonen'.

Onderscheid naar woonmilieu In de woonvisie is een onderscheid gemaakt in woonmilieus vanwege de diversiteit. Waar nodig wordt bij de diverse beleidsonderdelen onderscheid gemaakt naar de verschillende woonmilieus. Wonen aan de kust (Burgh-Haamstede, Ellemeet, Noordwelle, Renesse en Scharendijke). De focus ligt hier (steeds meer) op herstructurering en transformatie van de bestaande voorraad. Vanwege vergrijzing en krimp in deze dorpen is in beginsel beperkt ruimte nodig voor uitbreiding van de woningvoorraad. Door de aantrekkelijkheid van dit woonmilieu, ook voor de lokale behoefte, is er nog ruimte om 30 woningen toe te voegen. In deze kernen is het bouwen op maat, waarbij het accent ligt op de doelgroep ouderen en levensloopgeschikt bouwen. Dorps wonen (Bruinisse, Brouwershaven, Nieuwerkerk, Oosterland, Dreischor, Kerkwerve, Noordgouwe, Ouwerkerk, Serooskerke, Sirjansland, Zonnemaire). Er is ruimte in dit woonmilieu om ca. 100 woningen toe te voegen. De kernen in dit woonmilieu zijn relatief jong in leeftijdsopbouw en kennen nog enige groei de komende jaren. Het is belangrijk om in deze lokale behoefte te voorzien. Kansen om vestigers aan te trekken zijn in dit woonmilieu beperkter. Voor Bruinisse, als centrumkern binnen dit woonmilieu, zijn 60 woningen gepland en wordt een richting gegeven aan de verhouding voor huur-koop en eensgezinsappartementen.

Voor de overige kernen is het bouwen op maat / rekening houden met de huidige grootte (aantal huishoudens) en te verwachten ontwikkeling daarin. In totaliteit komt het aantal per saldo toe te voegen woningen in deze kernen tezamen niet boven de 40 uit. Ook binnen dit woonmilieu geldt dat het vizier zich langzaam gaat richten op herstructurering en transformatie van de bestaande woningvoorraad. Zierikzee De focus ligt voor Zierikzee op gedifferentieerd bouwen. Zierikzee neemt als centrumstad het leeuwendeel van de gemeentelijke woningbehoefte voor zijn rekening: voor de komende 10 jaar wordt uitgegaan van een toevoeging van ongeveer 320 woningen aan de woningvoorraad. In de kwalitatieve toedeling wordt rekening gehouden met de trends en opgaven in de woonbehoefte.

Strategie Het strategisch uitgangspunt is gericht op kwaliteit!: de juiste woningen realiseren op de juiste plaats en veel aandacht hebben voor de fysieke omgevingskwaliteiten. Het gaat om minder en kwalitatief betere nieuwbouw en om veel aandacht voor de vitaliteit van de bestaande voorraad. De woonkwaliteit wordt

14

integraal benaderd; de kwaliteit van de woning en de woonomgeving zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en staan centraal! Het gaat om lange termijn kwaliteit en niet om de kwaliteit die vandaag verkoopt in de nieuwbouw. Dus: kiezen tussen plannen en alleen de beste mogen door. Deze strategie is uitgewerkt aan de hand van de volgende speerpunten: 1. Woonkwaliteiten toevoegen in de nieuwbouw Vanwege de economische crisis en de stagnatie op de woningmarkt heeft de nieuwbouwmarkt het moeilijk. Het is daarom belangrijk dat wat we nieuw bouwen aansluit op de eigen behoefte (afzetbaar op korte en langere termijn) en tegelijkertijd toekomstwaarde (duurzaam toegevoegde waarde op langere termijn) heeft. 2. Plancapaciteit in evenwicht brengen met de kwantitatieve woningbehoefte De plancapaciteit moet sterk verminderd worden om risico's van leegstand en afzet te voorkomen. 3. Herstructureren van de bestaande woningvoorraad Na 2022 is er alleen nog sprake van vervangingsbehoefte. Daarom wordt voorgesorteerd op de periode na 2022, waarin alleen sprake is van herstructurering en transformatie van de bestaande voorraad. 4. Kansen pakken als het gaat om het aantrekken van vestigers Schouwen-Duiveland heeft aantrekkelijke woonmilieus voor vestigers. Woonkwaliteiten kunnen beter worden benut. De strategie is uitgewerkt in een actieprogramma om het de uitvoering van het beleid te waarborgen.

Daarnaast leidt de visie tot het herprogrammeren van de plancapaciteit. Herprogrammeren plancapaciteit In totaliteit is de plancapaciteit momenteel bijna 3x zo groot als de totale gemeentelijke behoefte. Dit brengt risico's met zich mee, zoals exploitatietekorten, schaderisico's, stedenbouwkundig onafgemaakte plannen, zeer langdurige bouwlocaties, verkoop- en verhuurbaarheid van delen van de bestaande voorraad komt onder druk te staan. Er moet een nieuw evenwicht komen tussen de omvang van de plancapaciteit, de eigen woningbehoefte, de kansen op instroom van elders en de mate waarin woningen worden onttrokken uit de bestaande woningvoorraad. Voor de (her)programmering van de nieuwbouw zijn de volgende acties aangegeven. De gemeente hanteert de woningbouwkaders per woonmilieu en per kern als richtsnoer voor de woningbouw in kwalitatieve en kwantitatieve zin. De gemeente hanteert een onderscheid tussen de harde en zachte plancapaciteit. Het College gaat de (mis)match in beeld brengen tussen kaders en plancapaciteit en doet een prioriteringsvoorstel en bijbehorende woningbouw(her)programmering. De Gemeente gaat na vaststelling van de herprogrammering samen met ontwikkelende partners aan de slag met implementeren van de herprogrammering, en waar nodig instrumentarium inzetten dat bijdraagt aan een beter evenwicht tussen de woningbouwkaders en plancapaciteit.

5.3

Woningmarktafspraken regio Schouwen-Duiveland 2014-2023 (2014)

De gemeentelijke Woonvisie 'We wonen prettig, naar wens en behoefte' uit 2013 speelt in op de uitdagingen op het gebied van wonen in Schouwen-Duiveland. Door de beperkte huishoudensgroei en de veranderende samenstelling van de bevolking is het aanbod van de (nieuwe)woningen onvoldoende afgestemd op de toekomstige behoefte. Daarom heeft het college in opdracht van de gemeenteraad de mismatch tussen de woonbehoefte en het aanbod van woningbouwplannen binnen de gemeente in kaart gebracht en keuzes gemaakt. Op 18 maart heeft B&W de regionale woningmarktafspraken 2014-2023 vastgesteld. Daarmee is duidelijk geworden welke stappen we moeten nemen om regie te kunnen pakken en te sturen op de ontwikkelingen op de woningmarkt in Schouwen-Duiveland. Minder en anders

15

Uit de inventarisatie is gebleken dat we te maken hebben met een kwalitatieve mismatch (behoefte sluit niet aan bij de vraag), een grote overcapaciteit (meer woningbouwplannen, dan behoefte) en te weinig spreiding (te veel plannen in bepaalde kernen/woonmilieus). De gezamenlijke opgave is minder en andere woningen! Voor alle woonmilieus Zierikzee, Dorpswonen en Wonen aan de kust zijn keuzes gemaakt om zo veel mogelijk aan de kwalitatieve en kwantitatieve behoefte te voldoen voor eigen inwoners en vestigers. Er is echter veel harde plancapaciteit (85%), waardoor er op dit moment weinig (kwalitatieve) keuzes gemaakt kunnen worden en er ook weinig ruimte is voor nieuwe initiatieven. De gemeente heeft in eerste instantie alleen ruimte gemaakt door zachte plannen te schrappen of deze door te schuiven tot na 2024. En er zijn keuzes gemaakt om minder of geen woningen te realiseren in eigen gemeentelijke plannen. Hiermee willen we het goede voorbeeld geven. Echter het kan niet zo zijn dan alleen de gemeente werkt aan het beter in balans brengen van plannen op vraag en aanbod en daarvoor de financiële consequenties draagt. Wij doen nadrukkelijk ook een beroep op andere (markt)partijen om daaraan ook een bijdrage te leveren.

Vervolgstap Met het vaststellen van de regionale woningmarktafspraken hebben we duidelijkheid gegeven over gewenste en ongewenste ontwikkelen op basis van de prognoses uit de Woonvisie. Ook vormt dit document de basis om met marktpartijen en corporaties, die plannen hebben voor woningbouw en die zijn opgenomen in het woningbouwprogramma, in gesprek te gaan. Wij willen in overleg met hen kijken of er mogelijkheden zijn om bestaande plannen kwalitatief aan te passen, zodat we de juiste woningen op de juiste plaats kunnen realiseren. Hiermee willen we bovendien ook bereiken dat de concurrentie tussen plannen vermindert, zodat de gewenste woningen echt gerealiseerd worden. Dit is een eerste stap om erop te sturen dat we nu, maar ook in de toekomst op Schouwen-Duiveland naar wens en behoefte kunnen wonen.

5.4

Notitie Aanpak verborgen woningbouwplancapaciteit (2014)

Uit onderzoek is gebleken dat veel inwoners op Schouwen-Duiveland percelen in hun bezit hebben waarop woningbouw mogelijk is. Zij hebben daar tot nu toe -soms al tientallen jaren- geen gebruik van gemaakt. Om te voorkomen dat de woningmarkt hierdoor uit balans raakt, gaat de gemeente ook voor de particuliere sector maatregelen treffen. De woningmarkt in Schouwen-Duiveland is de afgelopen jaren flink veranderd door de vergrijzing, nieuwe regelgeving, de recessie etc. De gemeente wil ervoor zorgen dat er ook in de toekomst naar wens en behoefte op Schouwen-Duiveland gewoond kan worden. Daarom hebben we de Woonvisie 2013-2022 (2013) geschreven en vervolgens de Woningmarktafspraken regio Schouwen-Duiveland 2014-2023 (2014) met de provincie Zeeland gemaakt. In deze plannen staat wat de gemeente moet doen om de woningmarkt in balans te houden. Uiteraard steken we de hand eerst in eigen boezem door onze eigen woningbouwplannen fors in aantal bij te stellen. Toch ontkomen we er niet aan om ook maatregelen te nemen voor de particuliere sector. Want als alle perceeleigenaren met een bouwtitel alsnog gaan bouwen heeft dit grote negatieve gevolgen voor de lokale woningmarkt. We zouden te maken kunnen krijgen met een overcapaciteit en dat brengt risico's met zich mee zoals leegstand, verpaupering, braakliggende terreinen en druk op de verkoop en verhuurbaarheid van woningen.

Kortom een situatie die wij niet wenselijk vinden. Maatregelen particuliere sector Ongebruikte vergunningen Iedereen die een woning wil bouwen heeft daarvoor een omgevingsvergunning nodig (ook wel bouwvergunning genoemd). De afgelopen jaren hebben wij diverse omgevingsvergunningen uitgegeven voor woningbouw, maar het blijkt dat deze soms (nog) niet gebruikt zijn. Wij zullen deze vergunningen na het verstrijken van de wettelijke geldigheidsduur voortaan gaan intrekken.

16

Ongebruikte bouwtitel in bestemmingsplan Vanuit het verleden, waarin de woningmarkt er anders uitzag, zijn er in het bestemmingsplan bouwtitels opgenomen. De verwachting was dat een eigenaar binnen afzienbare tijd op de betreffende locatie een woning zou realiseren, niet altijd is dit gebeurd. Inwoners met zo een ongebruikte bouwtitel geven we nog een jaar de gelegenheid om een omgevingsvergunning aan te vragen voor de bouw van een woning. Wordt van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt dan verwijderen wij bij de eerstvolgende actualisatie van het bestemmingsplan de woonbestemming van het perceel. Verzamelbestemmingen In veel bestemmingsplannen zijn er aan panden meerdere functies oftewel bestemmingen gegeven. Er kan bijvoorbeeld gewoond maar ook gewerkt worden of beide. Wij zullen voortaan bij het actualiseren van onze bestemmingsplannen inventariseren welke van deze panden daadwerkelijk voor bewoning geschikt zijn. Voor de panden die niet geschikt zijn voor bewoning wordt van geval tot geval bepaald of wonen onderdeel uit blijft maken van de flexibele bestemming. Overige maatregelen In bestemmingsplannen is het soms mogelijk een bestemming van een pand te wijzigen naar wonen, dat noemen we een wijzigingsbevoegdheid. Eigenlijk betekent dit dat we de mogelijkheid hebben om wonen toe te staan in panden waar nu nog een andere bestemming zoals bijvoorbeeld detailhandel op rust.

Deze mogelijkheid passen we alleen nog toe als het past binnen de woonvisie en woningmarktafspraken. Daarnaast verkorten wij de geldigheidsduur van een principeverzoek voor woningbouw voortaan naar 1 jaar.

5.5

Structuurvisie Ongebruikte bouwtitels in bestemmingsplannen

Op 26 maart 2015 heeft de gemeenteraad de (gewijzigde) notitie ‘Aanpak verborgen woningbouwplancapaciteit’ vastgesteld. In deze notitie is onder meer bepaald dat ongebruikte particuliere bouwtitels in de gemeente Schouwen-Duiveland nog voor een periode van 10 jaar gebruikt mogen worden. In deze structuurvisie geven we uitwerking aan dit voornemen. Deze structuurvisie ziet op alle ‘ongebruikte individuele bouwtitels in bestemmingsplannen’. En dus uitdrukkelijk niet op bouwtitels binnen woningbouwprojecten die opgenomen zijn in de regionale woningmarktafspraken voor Schouwen-Duiveland. Deze structuurvisie is van toepassing op de bij de structuurvisie bijgevoegde lijst en kaart (bijlage 1 en 2) met ongebruikte individuele bouwtitels in vigerende bestemmingsplannen. Na vaststelling van de structuurvisie wordt in iedere volgende actualisatie van het bestemmingsplan en/of door middel van een ‘facetherziening’ een passende regeling opgenomen, waarmee de ongebruikte bouwtitels na afloop van de periode van 10 jaar na vaststelling van deze structuurvisie komen te vervallen of kunnen worden ingetrokken. Door de periode van 10 jaar na vaststelling van deze structuurvisie kan in alle gevallen voldaan worden aan de minimale termijn voor passieve risicoaanvaarding van het planschaderisico.

5.6

Detailhandelsstructuurvisie (2013)

In oktober 2008 heeft de gemeenteraad de detailhandelsstructuurvisie voor de gemeente Schouwen-Duiveland vastgesteld. Na 2008 hebben zich echter ontwikkelingen voorgedaan die vragen om een evaluatie en aanpassing van de detailhandelsstructuurvisie. Het betreft de volgende ontwikkelingen: Diverse supermarkten hebben plannen ingediend die niet (geheel) passen in de detailhandelsstructuurvisie van 2008. De gemeenteraad heeft in oktober 2011 de strategische visie 2040 ‘Tij van de Toekomst’ vastgesteld. Hierin is vastgelegd te komen tot een evenwichtige, duurzame ontwikkeling van economie, vestigingsklimaat en ruimtelijke kwaliteit. Zierikzee is het aantrekkelijk en

17

toekomstbestendig centrum van Schouwen-Duiveland. Het belang van Zierikzee als de dragende kern van het eiland is in de strategische visie nadrukkelijk benoemd. Detailhandel vormt de motor van wonen, werken en verblijven in de binnenstad: een goed voorzieningenniveau voor bewoners, het verhogen van de attractiewaarde en een belangrijke functie voor werkgelegenheid. In het verlengde van de Strategische Visie wordt momenteel hard gewerkt aan het Programma Zierikzee. De meer integrale aanpak en het leggen van verbindingen tussen projecten brengt nieuwe en andere inzichten met zich mee. Ook op het gebied van de detailhandelsstructuur. De visie op het gebied Haringvlietplein / Boerenweg, de Gasthuisboomgaard en de ontwikkeling en inrichtingsopgave van de Zuid-Oostflank van Zierikzee-centrum (de Stadsentree Havenpoort) vormen specifieke onderdelen van het Programma Zierikzee. Een herontwikkelingsopgave dient zich aan. Voor alle drie de locaties is het belangrijk om meer gericht in beeld te brengen welke rol detailhandel in dit perspectief kan spelen. In de nieuwe Detailhandelsstructuurvisie (vastgesteld op 28 maart 2013), wordt, rekening houdend met bovengenoemde ontwikkelingen, een geactualiseerde ruimtelijke visie op de detailhandelsstructuur voor Schouwen-Duiveland gegeven.

Het detailhandelsbeleid van de gemeente Schouwen-Duiveland heeft de volgende hoofddoelen: komen tot een goede verzorgingsstructuur voor haar inwoners en de toeristen in het gebied komen tot een duurzame voorzieningenstructuur en een sterk ondernemersklimaat voor haar ondernemers. Om de consument zo goed mogelijk te bedienen, wordt gestreefd naar sterke winkelconcentraties die elkaar aanvullen. Aan de ondernemers wordt bovendien zo veel mogelijk ruimte binnen de gestelde kaders geboden om in te kunnen blijven spelen op de dynamiek in de detailhandel (vernieuwing). In paragraaf 2.6 Gemeentelijk beleid van dit bestemmingsplan wordt in gegaan op het belang van dit beleid voor voorliggend bestemmingsplan.

5.7

Beleidsnota en beleidsregels evenementen (2018)

Evenementen vormen een goede promotie voor Schouwen-Duiveland en dragen bij aan de leefbaarheid van kernen. Schouwen-Duiveland verkeert in een positie dat er veel evenementen zijn en de groei zit er nog steeds in. Door het grote aantal evenementen ontstonden voordat we met het evenementenbeleid werkten knelpunten bij de vergunningverlening door het ontbreken van een duidelijk beleidskader en toezicht en handhaving door de gemeente tijdens het organiseren van evenementen. Sinds de eerste vaststelling van de beleidsregels voor evenementenvergunningen op 14 februari 2005 en de 1e wijziging beleidsregels evenementen 2006 is de nodige ervaring opgedaan met het evenementenbeleid om tot een evaluatie en actualisatie van het evenementenbeleid te komen. Een groot deel van de knelpunten die voor 2005 bestonden zijn in 2005 en 2006 gereguleerd. Zo werd het begrip evenement omschreven en zijn kleine activiteiten slechts meldingsplichtig gemaakt. Circussen moesten gaan rouleren, het aantal geregelde snuffelmarkten werd beperkt en er werden vooraf veiligheidseisen (het veiligheidsplan) gesteld aan grote evenementen. Met het evenementenbeleid van 2012 hebben we een evaluatieslag gemaakt en nieuw ontstane knelpunten opgelost. Zo staan we het gelijktijdig plaatsvinden van geregelde snuffelmarkten niet mee toe en hebben we meer evenementen onder de meldingsplicht gebracht.

Dat werkt sterk deregulerend. Ook het verbinden van evenementen met ons jeugd-alcoholbeleid heeft een plaats gekregen in het evenementenbeleid van 2012. Met het evenementenbeleid van 2018 is vooral ingezet op het verwerken van de aanbevelingen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid betreffende het monstertruckongeluk van mei 2015, het rapport 'Meer aandacht nodig voor veiligheid en gezondheid bij publieksevenementen' van de Inspectie Veiligheid en Justitie van februari 2016 en de daarmee samenhangende VNG conferentie Evenementveiligheid. Deze rapportages onderstrepen nog eens het belang van een actueel en doelmatig evenementenbeleid, een

18

wijze van vergunningverlening waarbij wordt gewaakt voor een “mechanische afdoening” waardoor veiligheidsrisico's over het hoofd worden gezien en een adequaat toezicht op evenementen. Verder is de inwerkingtreding van het “Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen” verwerkt in het evenementenbeleid van 2018. Deze trad per 1 januari 2018 in werking en vervangt delen van de Brandveiligheidsverordening. Alle evenementen vallen onder de werkingssfeer van deze algemene maatregel van bestuur. Niet onopgemerkt mag blijven dat nieuwe ontwikkelingen in beleidsvelden als duurzaamheid, natuurbescherming, gezondheid, veiligheid en hygiëne steeds meer hun invloed hebben op de wijze waarop we naar vergunningverlening voor evenementen moeten kijken. Het wordt een steeds meer integrale benadering. De gemeente Schouwen-Duiveland is voornemens elke 4 jaar het evenementenbeleid te evalueren en daar waar nodig aan te passen. Het reguleren van veiligheid, het beperken van overlast en het waar mogelijk dereguleren van de regelgeving zijn hierin de belangrijkste onderwerpen.

5.8

Schouwen-Duiveland kiest voor toerisme (2012)

Evaluatie 2008-2011 en Herijking Beleidsvoornemens 2012 tot en met 2015 Wat betreft economische ontwikkelingen zijn de volgende zaken van belang: de gevolgen van de (wereldwijde) economische crisis; de demografische ontwikkelingen (vooral meer ouderen); het belang van ecologie; de digitale innovaties; het belang van watersport in Nederland (en voor Schouwen-Duiveland). Het advies van Buck Consultants International 2011, uitgebracht voor de Strategische visie: 'Tij van de Toekomst 2011 - 2040', luidt: 'Toerisme blijft belangrijk, maar groeit niet meer: boor nieuwe toeristische bronnen aan zoals wellness'. Op het gebied van toerisme moet de gemeente zich richten op drie aandachtspunten: ontwikkelen visie Toeristische Hoofd Structuur; herstructurering (Westhoek); ondersteunen ondernemers in nieuwe concepten. Wat betreft de economische doelstellingen kiest de gemeente voor: behoud van het huidige niveau van werkgelegenheid; streven naar behoud en, zo mogelijk, verhogen van de (totale) bestedingen; meer seizoensspreiding van de toeristenstroom en meer bereik van gezinnen met (jonge) kinderen en senioren (vitale 50+'er).

5.9

Nota Kamperen (2011)

Op 30 juni 2011 heeft de raad de (gewijzigde) Nota Kamperen vastgesteld. Het lange termijn doel van de Nota luidt: 'Schouwen-Duiveland heeft in 2018 kwalitatief hoogwaardige, innoverende en gezonde kampeerbedrijven, waar gasten zoveel mogelijk jaarrond veilig en vraaggericht in een gedifferentieerd kwaliteitsproduct kunnen recreëren'. Om deze doelstelling in de praktijk gestalte te geven, wordt exploitanten van kampeerterreinen meer ruimte geboden om hun terrein naar eigen inzicht in te richten. In dit kader is exploitanten de mogelijkheid geboden om initiatieven in te dienen om één of meer wijzigingen door te voeren op hun terrein. In de Nota Kamperen wordt gesproken over reguliere kampeerterreinen en niet-reguliere kampeerterreinen. Een regulier kampeerterrein is een bedrijf met recreatie als hoofdtak, waarbij intensief

19

op het terrein wordt gerecreëerd en geen sprake is van een subbestemming. Een niet-regulier kampeerterrein wordt omschreven als een bedrijf met over het algemeen recreatie als neventak. Waarbij naast verblijfsrecreatie sprake is van een subbestemming met veelal de nadruk op landschappelijke kwaliteiten, zoals: landschapscamping, natuurcamping, kleinschalig kampeerterrein en fruitgaardbedrijf.

5.10

Welstandsnota 2012

De gemeentelijke overheid heeft de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de bebouwde en onbebouwde omgeving in het algemeen en de visuele- of beeldkwaliteit in het bijzonder. In de Woningwet (vanaf 1 januari 2003) wordt de gemeenteraad verplicht: burgers, ruim voordat ruimtelijk planvormingsprocessen worden afgesloten, concreet duidelijk te maken wat het wettelijk criterium 'redelijke eisen van welstand' inhoudt; ruim vooraf een zo concreet mogelijk inhoudelijk toetsingskader te bieden dat door B&W en de welstandscommissie bij de uitoefening van hun wettelijke taken moet worden gehanteerd. Dergelijke criteria dienen te worden opgenomen in een gemeentelijke welstandsnota. Voordat het gebiedsgericht welstandsbeleid opgesteld wordt, is het echter van belang te beschikken over een beleidskader inzake de ruimtelijk-visuele kwaliteit van het gehele gemeentelijk grondgebied. Middels een uitgebreide inventarisatie en analyse van zowel de bestaande beleidsstukken als van de ruimtelijke structuur van het gemeentelijke grondgebied, is gebleken dat Schouwen-Duiveland onder te verdelen is in een aantal gebieden en/of clusters van gebieden met gelijke kenmerken en eigenschappen op stedenbouwkundige, architectonische, functionele en/of thematische gronden. Een belangrijke pijler van de welstandsnota is het gebiedsgerichte welstandsbeleid.

De gebiedsgerichte welstandscriteria worden gebruikt voor de kleine en middelgrote bouwplannen die zich voegen binnen de bestaande ruimtelijke structuur van Schouwen-Duiveland. Het gaat met name om criteria ter beoordeling van regulier bouwvergunningplichtige (volgens Wabo: omgevingsvergunningplichtige) bouwwerken. Daarnaast omvatten de gebiedsuitwerkingen (eventueel ??) ook criteria voor de veel voorkomende kleine bouwplannen, aanvullend op de sneltoetscriteria. Gebaseerd op de ruimtelijke opbouw is onderscheid gemaakt naar een vijftal verschillende gebiedscategorieën (thema's) onderverdeeld in 19 deelgebieden met overeenkomstige kenmerken en eigenschappen. De volgende gebiedscategorieën zijn aangegeven: 1. Dorpskernen; 2. Planmatige uitbreidingen; 3. Bedrijfs- en haventerreinen; 4. Sport en recreatie; 5. Buitengebied. Binnen het selectieve gebiedsgerichte welstandsbeleid is het van belang om vast te stellen in welke gebieden meer regulering gewenst is en in welke gebieden minder. Dit is inzichtelijk gemaakt door het vastleggen van zogenaamde welstandsniveaus. In Schouwen-Duiveland wordt gebruik gemaakt van een viertal welstandsniveaus: I.

Beschermde stads- en dorpsgezichten (extra bescherming gericht op consolidatie van historische context); II. Bijzondere welstandsgebieden (extra inspanning tot voordeel van de bestaande of gewenste ruimtelijke kwaliteit); III. Reguliere welstandsgebieden (normale inspanning gericht op het handhaven van de basiskwaliteit); IV. Welstandsvrije gebieden (geen welstandstoetsing).

5.11

Schouwen-Duiveland Sportief 2008-2014 (2008)

De gemeente Schouwen-Duiveland heeft de beleidsuitgangspunten voor sport vastgelegd in de Nota Schouwen-Duiveland Sportief 2008-2014. Hieruit komen de volgende kernpunten naar voren:

20

Sport en bewegen draagt bij aan de leefbaarheid van de samenleving en is leuk om te beleven; Sport en bewegen vormt mensen (sociale contacten, sociale vaardigheden, samenwerking, doorzettingsvermogen, verantwoordelijkheidsbesef, fysiek, normen en waarden, tegengaan criminaliteit, deelname zelfwerkzaamheid); Sport en bewegen is (doorgaans) goed voor de gezondheid en zet aan tot een actieve en gezonde leefstijl; Topsport inspireert en stimuleert mensen uit alle lagen van de bevolking om te bewegen; Gemeentelijke buitensportterreinen blijven gehandhaafd, onder voorbehoud van door de gebruikers zelf dragen van de onderhouds- en beheerslasten betreffende bestaande club- en kleedgebouwen en van de investerings-, onderhouds- en beheerslasten van eventuele toekomstige uitbreidingen van deze gebouwen; Gemeentelijke binnensportvoorzieningen (gym- en sportzalen) blijven gehandhaafd, onder voorbehoud van een nog te bepalen % bezettingsgraad; Sport- en speelruimte is voor iedereen fysiek toegankelijk; Stimuleren dat meer mensen gaan sporten en bewegen; De toekomstige rol van de gemeente in sportbeleid is regisserend, faciliterend, adviserend, monitorend en herijkend. Voor wat betreft sportaccommodaties worden de op de buitensportaccommodaties staande club- en kleedgebouwen (indien van toepassing) aan de gebruikers overgedragen.

Dit alles vanuit het gemeentelijk Strategisch Accommodatie Beleid (SAB). De gemeente streeft naar een grotere verantwoordelijkheid van de burger/gebruiker. De (gemeentelijke) sportaccommodaties moeten echter wel voor alle leeftijdsgroepen toegankelijk en betaalbaar zijn (en blijven). De accommodaties moeten voldoen aan de door de betrokken sportbonden opgestelde criteria, met uitzondering van die gevallen waarin de Vereniging Nederlandse Gemeenten een afwijkend standpunt inneemt.

5.12

Beleidsregels speelruimte

5.13

Actualisatie integraal verkeer- en vervoersplan (2008)

Deze actualisatie legt de verkeers- en vervoersbeleid van de gemeente Schouwen-Duiveland voor de komende jaren in hoofdlijnen vast. Ook voor het regionaal beleid wordt met het gewenst fysiek netwerk en de opdeling van de gemeente in gebiedsprofielen een duidelijke visie gegeven wat betreft de infrastructuur. In deze actualisatie wordt uitgegaan van een andere benadering van het mobiliteitsvraagstuk. In plaats dat alleen van de gedachte wordt uitgegaan dat mobiliteit een voorwaarde is voor economisch functioneren en deelnemen aan maatschappelijke processen, wordt de aandacht voor een groot deel gericht op het faciliteren. Met andere woorden: De bestaande verkeersstructuur en gebiedsprofielen moeten voor een belangrijk deel richting gevend zijn voor verdere ontwikkelingen en economische ontwikkelingen om geen nodeloze extra mobiliteit te genereren. Hierbij spelen de Ruimtelijke/strategische Visie Schouwen-Duiveland en bestemmingsplannen een belangrijke rol. Op basis van het gewenst fysiek netwerk willen wij in samenhang met de andere wegbeheerders knelpunten aanpakken om daarmee de veiligheid en bereikbaarheid te verbeteren. Via gebiedsgerichte aanpak zal de afstemming plaatsvinden van de netwerken van de verschillende wegbeheerders. Daarbij zal differentiatie in bereikbaarheid plaatsvinden al naar gelang de functie en betekenis van het gebied.

Nieuwe uitbreidingsplannen en inbreidingen worden ingericht conform de uitgangspunten van "Duurzaam Veilig" en aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom van het CROW. Dit betekent dat voor uitbreidingsplannen een 30km-regime geldt en de gebieden als zodanig worden ingericht. Op het gebied van verkeersveiligheid richten wij ons voor de korte termijn op een sobere en kosteneffectieve aanpak van verkeersonveilige situaties. De financiële mogelijkheden om onze doelstellingen en ambities te realiseren zijn beperkt.

21

5.14

Beheer- en beleidsplan wegen 2012-2016

Wegbeheer is een wezenlijk onderdeel van het beheer van de openbare ruimte. Wegbeheerders hebben vanuit de Wegenwet de zorgplicht voor wegverhardingen. Dit betekent dat de gemeente als wegbeheerder te allen tijde verantwoordelijk is voor de kwaliteit (onderhoudstoestand) van de verhardingen die de gemeente in beheer heeft. Deze zorgplicht moet er voor zorg dragen dat het gebruik van de wegen veilig plaats kan vinden en schades/ongevallen ten gevolge van gebreken aan de weg zoveel mogelijk worden voorkomen. Andere wettelijke kaders waarbinnen wegbeheer dient te worden uitgevoerd zijn het Burgerlijk Wetboek, de Wet Milieubeheer en de ARBO-wetgeving. Spelers in het proces van wegbeheer zijn het bestuur, het ingenieursbureau van de afdeling Openbare Werken, de buitendienst (districten) en de gebruikers van het product van wegbeheer, de burgers. Dit complexe kader vraagt om een duidelijk beheerbeleid. Het beheer- en beleidsplan wegen 2012-2016 geeft in hoofdlijnen het kwalitatieve en financiële niveau aan waarop het college haar taak als wegbeherende instantie dient uit te voeren. Jaarlijks legt het college aan de gemeenteraad verantwoording af middels de evaluatie wegbeheer. In de evaluatie wegbeheer wordt terug gekeken op het uitgevoerde onderhoud, het kwaliteitsverloop van de gemeentelijke verhardingen en de toereikendheid van de voorziening wegen.

Het beheer- en beleidsplan wegen kijkt met name vooruit en is bepalend voor het stellen van prioriteiten en de beschikbaar te stellen budgetten.

5.15

Bomenbeleidsplan 2010 (2009)

Het belang van groen is met name vastgelegd in het (inmiddels vervallen) Groenkwaliteitsplan uit 2009. Omdat dit groenkwaliteitsplan niet specifiek op bomen is gericht, heeft de gemeente in 2009 een Bomenbeleidsplan vastgesteld. Het bomenbeleid beschrijft de manier waarop de gemeente met de bomen in het openbaar gebied wil omgaan. Het vormt de basis voor beheer- en werkplannen en biedt bescherming aan bomen tijdens bijvoorbeeld bouwwerkzaamheden. Het Bomenbeleidsplan geeft een duidelijke richting aan de gewenste ontwikkelingen voor de middellange termijn (10 jaar)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10832441/1