Noordzee Residence Renesse Toelichting
Tekst van het document
De kwaliteit wordt gevormd door de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNZ, hieronder wordt onder andere het volgende bedoeld: natuurdoelen en -kwaliteit, geomorfologische en aardkundige waarden en processen, de waterhuishouding, de kwaliteit van de bodem, water en lucht, rust, stilte, donkerte en openheid, de landschapsstructuur en de belevingswaarde. Onderstaand wordt beoordeeld of deze waarden en kenmerken significant worden aangetast als gevolg van het voornemen. Als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden wordt er gewerkt binnen de 100 meter nabij het NNZ-gebied. De omvang van de NNZ-gebieden wordt door de ingreep niet aangetast; het biotoop ter plaatse zal niet worden aangetast door de ingrepen. Het biotoop past (na uitvoering van de ingreep) binnen de dynamiek van de kenmerken behorende bij beheertypen (N01.02) Duin- en kwelderlandschap, (N12.02) Kruiden- en faunarijk grasland, (L01.03) Elzensingel en (N15.01) Duinbos.
68
Echter kunnen er mogelijk wel negatieve effecten van tijdelijke aard plaatsvinden. Het betreft voornamelijk geluidsverstoring en (mogelijk) licht verstoring tijdens de bouwwerkzaamheden. De ontwikkelingsfase van het plangebied heeft geen permanent effect op de wezenlijke kenmerken, als bodemkwaliteit of grondwaterstand, van het NNZ-gebied. Daarbij is het NNZ-gebied afgeschermd van het plangebied door een laan van bomen en struwelen (zie figuur 5.10) waardoor visuele verstoring grotendeels wordt voorkomen en een deel van het geluid tijdens de bouw zal worden gedempt in het NNZ-gebied. De tijdelijke werkzaamheden hebben geen significante effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNZ-gebied. Het project is uitvoerbaar en haalbaar in het beschermingsregime van het Natuurnetwerk Zeeland.
Figuur 5.10: Bomen en struwelen laan tussen het project- en NNZ gebied.
Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden, dat het voornemen niet leidt tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNZ. De huidige natuurbeheertypen voor beide deelgebieden worden niet belemmerd door de voorgenomen werkzaamheden, de uitwisselingsmogelijkheden, natuurlijke eenheid, aaneen geslotenheid en kwaliteit van het NNN blijven behouden. Natura 2000 In de aanlegfase is mogelijk sprake van effecten van stikstofdepositie, optische verstoring, verstoring door trillingen, geluidsverstoring en verdroging. Op basis van de resultaten van de stikstofberekening
69
kunnen effecten van stikstofdepositie als gevolg van de aanlegfase van het planvoornemen worden uitgesloten. Wat betreft optische verstoring, verstoring door trillingen en geluidsverstoring worden effecten van de aanleg van de vakantiehuisjes reeds beperkt door de bestaande afscherming langs de Kabbelaarsweg. Bovendien zijn de effecten slechts eenmalig en tijdelijk van aard. Significante effecten van deze storingsfactoren kunnen worden uitgesloten. Effecten van verdroging zijn volgens de voortoets onwaarschijnlijk, maar die worden definitief beoordeeld in de watertoets. In de watertoets (zie paragraaf 5.9) is aangegeven, dat er geen verdrogingeffecten optreden op het Natura 2000-gebied. In de gebruiksfase is mogelijk sprake van effecten van stikstofdepositie, oppervlakteverlies, verstoring door mechanische effecten, optische verstoring, geluidsverstoring, verontreiniging en verdroging. Op basis van de resultaten van de stikstofberekening (bijlage 10 en onder kopje 'stikstof') kunnen effecten van stikstofdepositie als gevolg van de gebruiksfase van het planvoornemen worden uitgesloten.
Effecten van oppervlakteverlies, verstoring door mechanische effecten, optische verstoring, geluidsverstoring en verontreiniging kunnen worden uitgesloten, omdat het voornemen niet zal leiden tot een wezenlijke toename of verandering van recreatief medegebruik ten opzichte van de huidige recreatie in het gebied. Om effecten te voorkomen wordt conform de voortoets in het noordelijk deel van het plangebied een afschermende wintergroene beplanting op een grondwal van tenminste 5 meter breed en 3 meter hoog gerealiseerd. Daarnaast is het bouwvlak waarbinnen recreatiewoningen mogen worden gebouwd 5 meter uit de plangrens gelegd, zodat de er een bufferzone tot het Natura 2000-gebied Kop van Schouwen ontstaat van minimaal 20 meter breed (zie figuur 2.3). Stikstof In het kader van het bestemmingsplan is een stikstofberekening uitgevoerd voor de gebruiksfase (zie bijlage 10). Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft ‘Kop van Schouwen’ en is gelegen op circa 15 meter vanaf het plangebied. De Natura 2000-gebieden ‘Oosterschelde’ en ‘Grevelingen’ liggen respectievelijk op circa 3 en 4 kilometer afstand. De Natura 2000-gebieden bevatten voor stikstof gevoelige habitats en zijn daarmee relevant voor de beoordeling van het aspect stikstofdepositie. Het nabij gelegen Natura 2000-gebied ‘Voordelta’ is niet stikstofgevoelig.
Het plangebied en de omliggende Natura 2000-gebieden zijn weergegeven in onderstaande figuur.
70
Figuur 5.11: Globale ligging voornemen (donkerblauwe stip) ten opzichte van omliggende Natura 2000-gebieden (groen) (bron: AERIUS-calculator). Voorliggend bestemmingsplan leidt tot een emissie van NOx en NH3 vanwege de functiewijziging met het daarbij behorende verkeer. De stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied kan berekend worden met behulp van het verplicht te gebruiken rekenprogramma AERIUS Calculator (2022). Van elke te berekenen situatie wordt een model gemaakt met invoergegevens waarmee vervolgens de berekening wordt uitgevoerd. De bijdrage aan de stikstofdepositie in de omliggende Natura 2000-gebieden wordt berekend ter plaatse van voor stikstofgevoelige habitats. Het rekenjaar voor de gebruiksfase is 2023. Mogelijk dat de gebruiksfase later dan 2023 is. In dat geval kan deze berekening als worst-case beschouwd worden vanwege de afname van emissie voor verkeer per jaar. Dit komt door het steeds schoner wordende verkeer. Referentiesituatie: Binnen het plangebied waren de camping Bona Fide en Karavaan met receptiegebouw aanwezig, deze zijn ten behoeve van voorgenomen ontwikkeling in 2016 geamoveerd.
De uitspraak van de Raad van State over het bestemmingsplan en het exploitatieplan "Zandzoom 2019" (1 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1960) toont aan dat in het kader van interne saldering activiteiten meegenomen kunnen worden in de referentiesituatie die al zijn beëindigd voor de gehanteerde peildatum als onomstotelijk vaststaat dat de activiteit uitsluitend is beëindigd ten behoeve van de ontwikkeling die het plan mogelijk maakt. 1. Dat betekent dat uit een schriftelijk stuk, zoals een koopovereenkomst, moet blijken dat de activiteit is beëindigd ten behoeve van de ontwikkeling die het plan mogelijk maakt. Het gaat daarbij om een schriftelijk stuk dat dateert uit de periode dat de activiteit werd beëindigd of daarvoor. 2. Daarnaast moet uitgesloten zijn dat de activiteit sowieso zou zijn beëindigd voor de gehanteerde peildatum.
71
3. Verder is vereist dat in de periode tussen de beëindiging van de activiteit en de vaststelling van het plan geen andere stikstofveroorzakende activiteiten zijn ontplooid op het desbetreffende perceel. Het is in overeenstemming met de Wnb om een al beëindigde activiteit die aan deze strikte voorwaarden voldoet mee te nemen in de referentiesituatie. Aan deze voorwaarden wordt voldaan. Dat is in bijlage 10 uitgebreid gemotiveerd. Voor de referentiesituatie is aangesloten bij de uitspraak van de Raad van State over het bestemmingsplan en het exploitatieplan "Zandzoom 2019" (1 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1960). De referentiedatum is in dit geval 24 september 2009 (schriftelijke opzegging huurovereenkomsten). Zoals in het stikstofonderzoek is aangegeven zijn er sinds de referentiedatum geen activiteiten meer ontplooid die hebben geleid tot stikstofdepositie. Ook is geen sprake van saldering van activiteiten die gebruik maken van overgangsrecht. Referentiesituatie uitgangspunten recreatie eenheden: In de ontwikkelingsvisie 2008 worden de aantallen standplaatsen genoemd die er op dat moment daadwerkelijk waren gerealiseerd in het plangebied. Het gaat om 78 permanente standplaatsen en 33 niet-permanente standplaatsen (De Karavaan) en 303 permanente standplaatsen en 116 niet-permanente standplaatsen (Bona Fide). Het totaal permanente standplaatsen bedraagt 381 eenheden.
Het totaal aantal niet-permanente standplaatsen betreft 149 stuks. Dat maakt een totaal aantal recreatie-eenheden van 530, waarvan 72 procent permanente standplaatsen waren en 28 procent niet-permanente. In juli 2009 is een masterplan ‘Vakantiepark Renesse’ opgesteld. Daarin staat beschreven dat er toentertijd 452 standplaatsen zijn, waarvan 352 permanent (77 procent) en 100 niet-permanente plaatsen (23 procent). Op de luchtfoto van het plangebied uit 2009 (geleverd door de gemeente Schouwen-Duiveland) zijn het receptiegebouw en in totaal 461 recreatie eenheden te tellen. Dit zijn minder eenheden dan in de ontwikkelingsvisie januari 2008 en het masterplan juli 2009 aangegeven. Zoals op de luchtfoto te zien is, zijn er ook plaatsen leeg. Deze zijn niet meegenomen in de berekening (worst-case). Uitgaande van de minst gunstige verhouding 72-28 tussen permanent en niet-permanente standplaatsen, komt men uit op 332 permanente en 129 niet-permanente standplaatsen. Dit is als uitgangspunt voor de berekening genomen. Voor de overige uitgangspunten, zoals gasverbruik en verkeersgeneratie verwijzen we naar bijlage 10. Uit de berekeningen volgt dat de stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied in de gebruiksfase niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. De grootste afname van berekende stikstofdepositie is zelfs 0,61 mol/ha/jaar op het Natura 2000-gebied Kop van Schouwen.
Geconcludeerd kan worden dat er geen significante (negatieve) gevolgen zijn voor de beschermde habitats in de Natura 2000-gebieden. De Wet natuurbescherming staat verdere besluitvorming niet in de weg. Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 2 november 2022 (kenmerk: ECLI:NL:RVS:2022:3159) is de zogenaamde bouwvrijstelling komen te vervallen. Naar aanleiding van die uitspraak is ook het uitgevoerde onderzoek voor de bouwfase als bijlage 11 bijgevoegd. Er is een verschilberekening uitgevoerd tussen de referentiesituatie en de realisatiefase. De berekende stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied is niet hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Ook voor de bouwfase kan derhalve worden geconcludeerd, dat er geen significante (negatieve) gevolgen zijn voor de beschermde habitats in de Natura 2000-gebieden. De Wet natuurbescherming staat verdere besluitvorming niet in de weg. Opgemerkt wordt dat de stikstofberekeningen zijn uitgevoerd met AERIUS 2021. Begin 2023 zal een nieuw AERIUS model (versie 2022) beschikbaar worden gesteld. De berekening zullen met dat nieuwe model worden geactualiseerd en in het bestemmingsplan verwerkt en bij de besluitvorming worden betrokken. Beschermde soorten
72
Uit de bureaustudie in combinatie met het terreinbezoek is gebleken dat (leefgebied van) de volgende in het kader van de Wet natuurbescherming beschermde soorten aanwezig zijn en/of mogelijk verwacht worden in het plangebied: Algemene broedvogels (er zijn nesten aanwezig in het plangebied); Zoogdieren – bunzing, wezel en haas (mogelijk essentieel leefgebied aanwezig); Reptielen – levendbarende hagedis (mogelijk essentieel leefgebied aanwezig); Amfibieën – boomkikker, heikikker en rugstreeppad (mogelijk essentieel leefgebied) In tabel 5.2 is aangegeven welke gevolgen de aanwezigheid van (het leefgebied van) deze soorten heeft voor het voorliggende plan. Aangegeven is of er sprake is van een overtreding van de Wet natuurbescherming en onder welke voorwaarden het plan uitvoerbaar is. Tabel 5.2: Overzicht conclusies en vervolgstappen soortbescherming
Indien uit nader onderzoek naar voren komt, dat de soorten uit tabel 5.2 aanwezig zijn in het plangebied dient er een ontheffing aangevraagd te worden bij het bevoegd gezag, met mogelijk genomen mitigerende maatregelen tot gevolg. Het bestemmingsplan is uitvoerbaar onder voorwaarde, dat de benodigde ontheffing door bevoegd gezag zal worden verleend. De verwachting is dat er geen belemmeringen zullen zijn voor ontheffingverlening in geval beschermde soorten in het plangebied worden aangetroffen. Dit is nader gemotiveerd in bijlage 9. De nadere onderzoek worden uitgevoerd. Noordse Woelmuis
73
Het nader onderzoek naar de Noordse woelmuis is uitgevoerd, zie bijlage 12. In het plangebied zijn geen Noordse woelmuizen aangetroffen. Er zijn wel vijf soorten muizen aangetroffen, die beschermd zijn onder artikel 3.10, onderdeel A van de Wnb, maar onder de vrijstelling vallen in de provincie Zeeland. Derhalve zijn geen vervolgstappen nodig in het kader van de Wet natuurbescherming. Zorgplicht In de Wet natuurbescherming is een zorgplicht opgenomen. In het tekstkader in Bijlage 1 staat het wetsartikel uitgeschreven. De zorgplicht houdt in dat planten en dieren niet onnodig vernield/gedood of verstoord mogen worden. De initiatiefnemer/uitvoerder is verantwoordelijk voor een adequate naleving van de algemene zorgplicht tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. Houtopstanden De bomen in het plangebied liggen binnen de bebouwde kom Wnb van de gemeente Schouwen-Duiveland. Houtopstanden binnen de bebouwde kom Wnb vallen niet onder de bescherming van houtopstanden uit de Wet natuurbescherming. Er dient wel rekening gehouden te worden met gemeentelijke bomenbescherming in de APV of Bomenverordening. De bomen in de plangebied staan niet vermeld op de beschermde bomenlijst van de gemeente Schouwen-Duiveland. Er zijn geen gevolgen wat betreft de bescherming van houtopstanden op het planvoornemen.
Samenvattend zijn de conclusies en vervolgstappen gebiedsbescherming opgenomen in onderstaande tabel, waarbij geldt dat: uit het stikstofonderzoek volgt dat er geen sprake is stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden uit de watertoets volgt dat er geen verdrogingseffecten zijn op Natura 2000-gebied Kom van Schouwen. Tabel 5.3: Overzicht conclusies en vervolgstappen gebiedsbescherming.
74
5.10.3 Conclusie De Wet natuurbescherming is geen belemmering voor de uitvoering van het plan mits de maatregelen worden genomen en indien nodig een ontheffing wordt aangevraagd en de daaruit voortvloeiende mitigerende maatregelen worden genomen.
5.11
Licht en duisternis
5.11.1 Toetsingskader Algemeen Kunstmatige verlichting komt voor bij (autosnel)wegen, (fiets)paden, woonkernen, industrie- en bedrijventerreinen, recreatieterreinen, glastuinbouwbedrijven, sportterreinen (maneges, golfbanen, tennisbanen, voetbalvelden, e.d.). Mogelijk negatieve effecten van lichthinder worden bepaald door enerzijds de aard, intensiteit en duur en plaats van de verlichting en anderzijds door de kans op blootstelling, die gerelateerd is aan de omgeving en de leefwijze van mens en dier. Regelgeving De regelgeving die voorhanden of in voorbereiding is, richt zich vooral op de lichtbronnen, de veroorzakers van licht. Voor vergunningplichtige bedrijven geldt in het algemeen dat zij niet mogen bestaan zonder omgevingsvergunning op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (2.1 lid 1 onder e Wabo). Eventuele hinder door kunstverlichting van een bedrijf is dan geregeld via een omgevingsvergunning. In plaats van een omgevingsvergunning kan ook een Algemene Maatregel van Bestuur gelden voor een bedrijf (8.40 Wet milieubeheer). Dit houdt concreet in dat voor een aantal bedrijven van rechtswege het een en ander (onder andere lichthinder) geregeld is.
5.11.2 Toetsing Er zijn drie soorten effecten van kunstmatige verlichting: hinder voor de mens; hinder/verstoring voor de natuur; horizonvervuiling Hinder voor de mens Hinder bij mensen ontstaat wanneer men zich niet kan onttrekken aan het aanwezige kunstlicht, terwijl er wel behoefte aan is. Bijvoorbeeld om te kunnen rusten of slapen. Bij de beoordeling van lichthinder voor mensen wordt er een afweging gemaakt tussen maatschappelijke belangen (veiligheid op straat of bijvoorbeeld bruikbaarheid sportvelden) en de hinderbeleving. Het plan voorziet niet in lichtbronnen die lichthinder kunnen veroorzaken voor de mens. Hinder voor natuur Nachtelijk kunstmatige verlichting kan het gedrag van dieren (negatief) beïnvloeden. Naast mogelijke aanpassingen van de levenscyclus aan de kunstmatige verlichting, kan er sprake zijn van desoriëntatie, afstoting of aantrekking. Deze effecten kunnen leiden tot uitputting en sterfte. Ook kan kunstmatige verlichting als een barrière werken bij migrerende dieren. De verschillende negatieve effecten van kunstmatige verlichting hebben niet alleen een individueel effect. Uit de natuurtoets en de voortoets (bijlage 9) volgt dat effecten van lichtverstoring kunnen worden uitgesloten. De habitattypen welke zijn aangewezen in het Natura 2000-gebied ‘Kop van Schouwen’ zijn niet gevoelig voor lichtverstoring.
Ook voor het NNZ gebied is lichthinder uitgesloten. Ook in het kader van de soortenbescherming zijn geen effecten vanwege lichthinder te verwachten.
75
Horizonvervuiling Bij horizonvervuiling gaat het om de zichtbaarheid van licht op langere afstand. Bijvoorbeeld het zichtbaar zijn van een open stal of een verlicht sportveld in een open landschap. Het gaat hierbij om grotere afstanden. Het plangebied omvat een verblijfsrecreatiepark dat deels in en deels nabij het stedelijk gebied van Renesse ligt. Dit gebied is van zichzelf in de nacht in zekere mate verlicht. Er zijn in de gebruiksfase geen lichtbronnen die lichthinder kunnen veroorzaken. Er is daarom geen sprake van horizonvervuiling. 5.11.3 Conclusie De aspecten lichthinder en duisternis zijn geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
5.12
Energie en klimaat
5.12.1 Toetsingskader Algemeen Op dit moment zijn er een aantal transities die onder het begrip duurzaamheid vallen. De energietransitie, (het terugbrengen van de CO2 uitstoot door van fossiele energie over te gaan op hernieuwbare en duurzame energie) de ruimtelijke adaptatie voor de klimaatverandering (het aanpassen van de openbare ruimte om de negatieve effecten van de klimaatverandering te verkleinen of zelfs weg te nemen) en de overgang naar circulaire economie (gericht op het hoogwaardig hergebruiken van producten en grondstoffen). Alle ruimtelijke ontwikkelingen worden aan deze ontwikkelingen getoetst en indien mogelijk zal op deze ontwikkelingen geanticipeerd moeten worden. Energiebesparing en het gebruik van duurzame energie is een belangrijk thema in het nationale klimaatbeleid. In het bestemmingsplan gaat het er bij het thema energie om dat rekening gehouden wordt met duurzaamheidsaspecten bij het ontwikkelen van een plangebied. Daarnaast moet er ook gekeken worden of de ontwikkeling klimaatbestendig is. Daarvoor wordt gekeken naar de thema's waterveiligheid, wateroverlast, hitte en droogte. Klimaatverandering heeft ook voor deze thema's gevolgen. Door daar aan de voorkant hierop te anticiperen, kunnen de effecten hiervan worden verminderd.
Regelgeving Alleen via het Bouwbesluit geldt een wettelijke verplichting om bij bestemmingsplannen aandacht te besteden aan (duurzame) energie. Door bij de opstelling van een bestemmingsplan al rekening te houden met bijvoorbeeld een zongerichte situering van woningen, kan al in een vroeg stadium van een planontwikkeling worden bewerkstelligd dat de mogelijkheden voor efficiënt gebruik van energie en de inzet van nieuwe energiebronnen kunnen worden benut. In het bestemmingsplan kunnen geen voorwaarden worden gesteld met betrekking tot energie van niet stedenbouwkundige aard. De gemeente is verplicht uit het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie om in 2020 een plan te hebben om de gemeente in 2050 klimaatbestendig te hebben. Bij nieuwbouw moet hier rekening mee worden gehouden. Energie en duurzaamheid. Het Bouwbesluit stelt eisen aan energiezuinigheid van gebouwen. Op 1 januari 2021 is de EPC vervangen door de norm voor een Bijna Energie Neutraal Gebouw (BENG). De energieprestatie voor bijna energieneutrale gebouwen zal dan vastgelegd worden aan de hand van drie eisen: 1. maximale energiebehoefte in kWh per m2; 2. maximale primaire fossiel energiegebruik in kWh / m2 en 3. minimale aandeel hernieuwbare energie in procenten. Aanvragen van de Omgevingsvergunning voor nieuwbouw moeten vanaf 1 januari 2021 voldoen aan deze BENG norm.
In het kader van de Wet Voortgang Energie Transitie (VET) is de aansluitingsplicht van aardgas bij nieuwbouw geschrapt.
76
Voor wat betreft circulaire economie is in het Bouwbesluit opgenomen dat bij de aanvraag Omgevingsvergunning het bij nieuwbouwwoningen en kantoren groter dan 100 m2 verplicht is om een Milieu Prestatie Gebouwen (MPG) te overleggen. Een MPG is een belangrijke maatstaf voor duurzaamheid van een gebouw. 5.12.2 Toetsing Energie Op het terrein en/of in de (verblijfsrecreatieve) gebouwen komen geen gasaansluitingen. Hitte en Droogte Door klimaatverandering gaat de kans op ander weer toenemen. Hierdoor wordt de kans op extreme droogte en hitte groter. In de buitenruimte worden door de aanplant van bomen voldoende schaduwrijke gebieden gecreëerd, zodat de recreanten de mogelijkheid hebben om in de schaduw te zitten of staan. Wateroverlast Uit de waterparagraaf (zie paragraaf 5.9) volgt dat er sprake is van een goede waterhuishouding, waardoor wateroverlast wordt voorkomen. Circulaire economie De circulaire economie is gericht op het zodanig toepassen van materialen dat de materialen na gebruik weer hergebruikt kunnen worden voor een hoogwaardige toepassing. In onderstaand figuur staat de essentie van circulaire economie aangegeven. Hergebruik betekent op de eerste plaats dat kapotte dingen weer gerepareerd worden en door goed onderhoud een langer functioneel gebruik mogelijk is.
Wanneer het product zelf niet meer nodig is, wordt het niet weg gegooid, maar juist weer opnieuw voor anderen in roulatie gebracht, eventueel nadat onderdelen vervangen zijn en het product zo een update heeft gekregen. Als dat niet gaat, kan het materiaal nog gerecycled worden, waardoor de grondstof weer hergebruikt wordt. Als circulaire economie verder wordt doorgevoerd, dan gaat het niet meer om bezit maar om gebruik. De functie/dienst wordt gekocht en niet het middel. Het college van burgemeester en wethouders heeft aangegeven met het principe circulaire economie actief aan de slag te gaan. Bij de verdere uitwerking van het ontwerp van het gebouw wordt hier zoveel mogelijk rekening mee gehouden. 5.12.3 Conclusie De recreatiewoningen zijn aardgasloos. Door de aanplant van bomen en opgaande beplanting wordt de kans op hittestress bij langdurige hoge temperaturen verkleind. Er worden bij de inrichting van het terrein maatregelen genomen die leiden tot een goede waterhuishouding, zodat wateroverlast wordt voorkomen.
5.13
M.e.r.-beoordeling
5.13.1 Toetsingskader Algemeen De bedoeling van de Mer regelgeving is om (in een aantal gelimiteerde gevallen) milieu een volwaardige plaats in de besluitvormingsprocessen van een groot aantal wetten, waaronder de Wro, te geven. Regelgeving De basis voor de regelgeving met betrekking tot de MER wordt gevormd door de Europese richtlijn voor milieueffectrapportage (85/337/EEG) en de Europese richtlijn betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's (2001/42/EG). Beide richtlijnen zijn in de Wet milieubeheer (Hoofdstuk 7) en het Besluit milieueffectrapportage in de Nederlandse wetgeving
77
geïmplementeerd. De MER-regelgeving maakt onderscheid tussen plannen en besluiten en geeft hiervoor verschillende procedurele verplichtingen. Uitgangspunt van de MER-regelgeving is dat de procedure van het betreffende plan of besluit, waarbij het milieueffectrapport wordt opgesteld wordt gevolgd. De Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage 1994 maken onderscheid tussen: 1. een m.e.r.-plicht voor plannen (plan-m.e.r.); 2. een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor projecten (project-m.e.r.); 3. een vormvrije m.e.r.-beoordeling voor projecten die als activiteit genoemd zijn in het Besluit m.e.r., ook al blijven zij onder de genoemde drempelwaarden. Dit betekent dat het bevoegd gezag ook bij deze kleinere activiteiten (die niet aan de drempelwaarden voldoen), na moet gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Als uit de (vormvrije) m.e.r-beoordeling blijkt dat geen MER behoeft te worden opgesteld of uit de MER blijkt dat er als gevolg van het plan geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen, kan het plan worden uitgevoerd.
5.13.2 Toetsing Er is een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd waarvan de resultaten zijn gepresenteerd in een aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling. Deze is als bijlage 13 bijgevoegd. 5.13.3 Conclusie Op grond van het aanmeldnotitie wordt geconcludeerd, dat er geen sprake is van waarschijnlijk belangrijke gevolgen voor het milieu zoals bedoeld in artikel 7.16 en 7.17 Wet milieubeheer en is het maken van een milieueffectrapport voor de besluitvorming over het plan niet nodig. Deze beoordeling ligt formeel bij het bevoegd gezag.
78
Hoofdstuk 6 6.1
Juridische aspecten
Inleiding
Dit hoofdstuk beschrijft de wijze waarop het ruimtelijk en functioneel beleid voor het plangebied in het bestemmingsplan is vertaald. Bij het opstellen van de juridische regeling heeft het uitgangspunt centraal gestaan dat de nieuwe regeling de beoogde ontwikkeling in het plangebied mogelijk maakt.
6.2
Plansystematiek
Het bestemmingsplan bestaat uit (bestemmings)planregels, een verbeelding en een toelichting. De planregels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Hierna volgt een toelichting op de afzonderlijke onderdelen. De verbeelding is een kaart van het plangebied waarop onder andere te zien is waar, welke bestemming geldt en waar bouwvlakken liggen waarbinnen gebouwen opgericht dienen te worden. Op de verbeelding zijn de volgende hoofdgroepen opgenomen: Enkelbestemmingen; Dubbelbestemmingen; Gebiedsaanduidingen; Bouwvlakken; Maatvoeringen. Uit de bestemmingsregels blijkt hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingsplanregels bestaan altijd uit de volgende vier hoofdstukken: 1. Inleidende regels; 2. Bestemmingsregels; 3. Algemene regels; 4. Overgangs- en slotregels. De opzet van de verbeelding en regels sluit aan op de wettelijk vastgelegde Standaard Vergelijkbare bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Verder zijn de bestemmingen zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gronden. In de toelichting wordt gemotiveerd waarom er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Ondanks het feit dat de toelichting geen onderdeel uitmaakt van het juridische plangedeelte, dient het wel als interpretatiekader voor de uitleg van de regels.
6.3
Toelichting op de bestemmingen
6.3.1 Inleidende regels De inleidende regels staan in hoofdstuk 1 (artikel 1 en 2) van de regels. In artikel 1 van de regels worden diverse begrippen die in de planregels voorkomen nader omschreven. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis, ook als in het normale spraakgebruik of bijvoorbeeld in een encyclopedie andere, afwijkende definities voorkomen.
79
6.3.2 Bestemmingsregels In hoofdstuk 2 (met de artikelen 3 tot en met 6) zijn de bouw- en de gebruiksregels opgenomen van de op de verbeelding opgenomen (enkel)bestemmingen en dubbelbestemmingen. In de regels van de verschillende bestemmingen komen een aantal onderdelen (bijna altijd) terug. De bestemmingsomschrijving omschrijft voor welke functies de gronden zijn bedoeld. In de bouwregels is vervolgens geregeld wat er ten behoeve van de bestemming mag worden gebouwd. In veel bestemmingen is de regeling opgenomen dat het bevoegd gezag nadere eisen kan stellen aan de plaats en afmeting van bebouwing waarvoor een omgevingsvergunning is aangevraagd. Als nadere eis komen in de verschillende bestemmingen de volgende criteria voor: een redelijke lichttoetreding en voldoende privacy; milieusituatie: met het oog op de milieukundige situatie kunnen eisen worden gesteld als gevoelige functies zich in de nabijheid bevinden van hinderlijke functies; vanwege de gevolgen voor flora en fauna, geluid, bodemkwaliteit en/of (grond)waterkwaliteit en gelet op de situering van gebouwen ten opzichte van water; verkeersveiligheid: nadere eisen kunnen worden gesteld gelet op de verkeersaantrekkende werking en parkeerbehoefte; sociale veiligheid: het zoveel mogelijk voorkomen van een ruimtelijke situatie die onoverzichtelijk, onherkenbaar en niet sociaal controleerbaar is.
Zo kunnen nadere eisen hierbij zien op verbetering van toezicht op en overzichtelijkheid en toegankelijkheid van sociaal onveilige plekken en andere openbare ruimten; brandveiligheid en bereikbaarheid bij calamiteiten: nadere eisen kunnen zien op de aanwezigheid en bereikbaarheid van vluchtwegen, bereikbaarheid van bouwwerken en de beschikbaarheid van adequate blusmiddelen. gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden: voorkomen van een zodanige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende percelen ontstaat, dat een gebruik van die percelen overeenkomstig de bestemming niet meer volledig mogelijk is. In de specifieke gebruiksregels is het volgens de begripsomschrijving toegestane gebruik van zowel de onbebouwde gronden als van de aanwezige gebouwen gedetailleerder uitgewerkt en/of wordt een nader omschreven soort gebruik uitgesloten. Verder komen diverse flexibiliteitsbepalingen voor (afwijkingsbevoegdheden en wijzigingsbevoegdheden) en kan een vergunningplicht zijn opgenomen om bepaalde werkzaamheden (zoals bijvoorbeeld afgraven of het kappen van bomen) te mogen uitvoeren. Let op: de gebruiks- en de bouwmogelijkheden die in de enkelbestemmingen zijn opgenomen, kunnen worden beperkt door de dubbelbestemmingen of door de bepalingen uit hoofdstuk 3 (de algemene regels).
6.4
Handhaving
6.4.1 Handhaving en bestemmingsplannen Handhaving van regelgeving vraagt om geactualiseerde regels. Door de actualisering van de bestemmingsplannen worden de bestaande ruimtelijke kaders aangegeven en worden daarmee tevens de grenzen bepaald waarbinnen planologische ontwikkelingen mogelijk zijn. De regels van het bestemmingsplan leggen een ruimtelijke relevante norm vast, met dikwijls een daaraan gekoppelde afwijkingsmogelijkheid, die het bestuur de mogelijkheid geeft in te spelen op de dynamiek van de samenleving. Op die wijze wordt ook de gelegenheid geboden een belangenafweging te maken van de individuele belangen ten opzichte van het algemeen belang. De term handhaving wordt vaak beperkt uitgelegd als uitsluitend het toepassen van
80
handhavingsinstrumenten, zoals de last onder bestuursdwang en de last onder dwangsom. Deze vorm van handhaving is overwegend repressief van aard. Handhaving bestaat echter ook uit het geven van voorlichting en het houden van toezicht op een goede uitvoering. Dit is de preventieve invalshoek. In de meest optimale situatie zou sanctionering niet nodig moeten zijn. Handhaving van bestemmingsplannen en ruimtelijke regelgeving is steeds meer in de belangstellingkomen te staan van bestuurlijk Nederland. Door het plaatsvinden van enkele ingrijpende incidenten is de handhaving van wet- en regelgeving in een stroomversnelling gekomen. In toenemende mate spreken burgers de gemeente aan op het handhaven van de (eigen) regels. De rechter spreekt zich nadrukkelijk uit over het handhaven van de regelgeving en neemt daartoe in beginsel een plicht tot handhaving aan. Dit houdt in dat, gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift of regel het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moet maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat.
Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. 6.4.2 Handhavingsbeleid gemeente Binnen de gemeente Schouwen-Duiveland wordt er zo veel mogelijk planmatig gehandhaafd. Hiertoe wordt jaarlijks een handhavingsprogramma vastgesteld. Daarnaast is er ook de nodige ruimte om te kunnen handhaven op incidenten en klachten. In principe dient tegen alle geconstateerde overtredingen te worden opgetreden. De zogenaamde beginselplicht tot handhaving. Het vaststellen van prioriteiten is echter onvermijdelijk. Als belangrijke handhavingsdoelen kunnen genoemd worden: het tegengaan van het bouwen zonder vergunning en het optreden daar waar sprake is van afwijking van reeds verleende vergunningen. Ook in de gevallen waar de veiligheid in het geding is en/of aantasting van het milieu plaatsvindt, dient prioriteit te worden gegeven aan de handhaving. Het tegengaan van strijdig gebruik van gronden en/of gebouwen is eveneens een belangrijke doelstelling. Als nevengeschikte doelen van de handhaving kunnen worden genoemd: het ongedaan maken van de gevolgen van een overtreding of een daarmee behaald voordeel. 6.4.3 Handhaving onrechtmatig gebruik van recreatiewoningen Recreatieverblijven worden veelvuldig onrechtmatig gebruikt.
Van onrechtmatig gebruik is sprake wanneer het gebruik in strijd is met de bestemmingsvoorschriften van de recreatieve bestemming. Hierbij gaat het niet om de duur van het strijdig gebruik, maar om de strijdigheid van de activiteit met de geldende planvoorschriften. Zo is het permanent (laten) bewonen van een recreatieverblijf en het recreatieverblijf (laten) gebruiken ten behoeve van het huisvesten van (buitenlandse) werknemers in strijd met de bestemmingsvoorschriften van de recreatieve bestemming. Het onrechtmatig gebruik van recreatieverblijven wordt binnen de gemeente Schouwen-Duiveland als een knelpunt ervaren. Om het oneigenlijk gebruik van recreatieverblijven terug te dringen, heeft de gemeenteraad van de gemeente Schouwen-Duiveland in 2003 de uitvoeringsnota "Verbod op permanente bewoning van recreatiewoningen" vastgesteld. In deze nota worden de uitgangspunten voor het handhavings- en gedoogbeleid met betrekking tot de permanente bewoning van recreatieverblijven aangegeven. De gemeenteraad heeft toen besloten dat aan alle permanente bewoners van een recreatiewoning op de peildatum 28 mei 2003, ongeacht de duur van de permanente bewoning, een gedoogbeschikking wordt verstrekt. De bewijslast voor de bewoners om aan te tonen dat zij voor de peildatum reeds woonachtig waren in de recreatiewoning, is in 2004 nader uitgewerkt.
Gedoogbeschikkingen werden slechts afgegeven wanneer zeker was dat de permanente bewoning eindig is. Om zeker te stellen dat de gedoogsituatie slechts van tijdelijke aard is, werden alleen
81
objectgebonden gedoogbeschikkingen afgegeven in combinatie met persoonsgebondenheid. Zodra de bewoners overlijden, verhuizen of wanneer de woning is verkocht, vervalt de gedoogbeschikking. Met deze constructie wordt bereikt dat aan het onrechtmatig gebruik een einde komt. 6.4.4 Uitvoering handhaving De uitvoering van het handhavingsbeleid is vastgelegd in de hiertoe relevante handhavingsprotocollen, het handhavingsplan en het daaruit voortvloeiende jaarprogramma. Daar waar een overtreding wordt geconstateerd en legalisatie niet mogelijk is, moet in eerste instantie toepassing worden gegeven aan de bestuursrechtelijke handhaving om tot herstel van de rechtsorde te komen. Het proces van bestuursrechtelijke handhaving is vastgelegd in een stappenplan, waarin de verschillende stadia van de besluitvorming en procedures tot uitdrukking komen. Naast de bestuursrechtelijke mogelijkheden van handhaving wordt een taak gezien voor de strafrechtelijke handhaving. De uitvoering en voortgang van de handhaving wordt jaarlijks vastgelegd in een verslag, dat bestuurlijk wordt vastgesteld.
82
Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid 7.1
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven. Indien het bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond. Er wordt nader ingegaan op de grondexploitatie, de koppeling met het exploitatieplan en eventuele inschatting tegemoetkoming in planschade.
7.2
Toepassing Grondexploitatiewet
De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan, een wijziging van een bestemmingsplan, een projectbesluit of een projectafwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening: de bouw van een of meer woningen; de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een hoofdgebouw met ten minste 1.000 m² of met een of meer woningen; de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies tenminste 1.000 m² bedraagt; de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m². Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is.
Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is én er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd én geen locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) hoeven te worden vastgesteld. Tevens is wettelijk geregeld dat voor onbenutte bouwruimte die al opgenomen was in een bestemmingsplan dat nog op basis van de oude Wet op de Ruimtelijke Ordening was opgesteld en vastgesteld en bij de herziening van dat bestemmingsplan na 1 juli 2008 geen andere bestemmingsregeling is vastgesteld, geen exploitatieplan hoeft te worden vastgesteld. Door als gemeente alle gronden en opstallen in eigendom te hebben, zelf de grondexploitatie te voeren en de bouwgrond uiteindelijk bouwrijp tegen een marktconforme prijs te leveren wordt ook voldaan aan de eis van verplichte kostenverhaal. De kosten van grondexploitatie worden in dat geval verhaald via de gronduitgifteprijs.
83
7.3
Conclusie
Omdat het plan een particulier initiatief betreft zijn er voor de gemeente Schouwen-Duiveland geen financieel-economische consequenties aan verbonden. De uitvoeringsrisico's liggen bij de initiatiefnemer. Eventueel benodigde onderzoeken ten behoeve van het bestemmingsplan zijn afgerond. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente Schouwen-Duiveland is een exploitatieovereenkomst afgesloten voor het voorgenomen initiatief waarin de (financiële) afspraken zijn vastgelegd. Het verhalen van planschade maakt onderdeel uit van deze overeenkomst, eventuele planschade komt geheel voor rekening van de initiatiefnemer. De financieel-economische haalbaarheid is hiermee voldoende verzekerd en er kan daarom worden afgezien van het opstellen van een exploitatieplan. De financieel-economische haalbaarheid is hiermee voldoende verzekerd en er kan daarom worden afgezien van het opstellen van een exploitatieplan.
84
Hoofdstuk 8 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 8.1
Inleiding
Gedurende de voorbereiding van bestemmingsplannen wordt het plan één of meerdere keren ter inzage gelegd. Tijdens de periode van ter inzage legging kunnen bewoners, bedrijven, dorps- en stadsraden en andere geïnteresseerden of belanghebbenden reageren op het plan. In dezelfde periode wordt ook overleg gevoerd met andere overheden over het plan. De resultaten van de ter inzage legging kunnen leiden tot aanpassingen, verbeteringen of wijzigingen van het plan. In dit hoofdstuk wordt beschreven wat de resultaten zijn van deze maatschappelijke consultaties.
8.2
Participatie
Op 14 september heeft initiatiefnemer een informatiebrief gestuurd om de omwonenden te informeren over de herontwikkeling van de voormalige kampeerterreinen Bona Fide en Karavaan. In navolging daarop heeft er op 10 november een informatieavond plaatsgevonden in het Fletcher Strandhotel, waar het bestemmingsplan en de herontwikkeling verder zijn toegelicht. Tijdens de informatieavond kregen de omwonenden de gelegenheid vragen te stellen en feedback te geven op het plan. De avond is bezocht door ongeveer 50 mensen. Onderstaande punten zijn tijdens de avond opgehaald. 1. 2. 3. 4. 5.
Hogezoom is te smal voor het verkeer van en naar het park. Ingangen verplaatsen naar Lagezoom. Parkeerterrein noordelijk deel verder weg van bestaande bebouwing. Ingang park via Vroonweg. Ingang park via Kooijmansweg. Graag rekening houden met hoogte groenvoorziening op de groenwal i.v.m. schaduwwerking achterliggende bebouwing. 6. Het verkeer over de Lagezoom naar de camping laten rijden en ook van de camping af. 7. Bestaand groen is (grotendeels) mooi groen en is zonde om te vervangen door een aarde wal. 8. De huisjes nabij de Kooijmansweg staan erg dicht op de bestaande woning. Terras van de huisjes niet naar bestaande woning oriënteren. De meeste zorgen gaan over de ontsluiting van het park. Initiatiefnemer heeft in overleg met de gemeente afgesproken om gezamenlijk de haalbaarheid te onderzoeken voor een eventuele alternatieve ontsluiting, zowel voor het noordelijk deel als voor het zuidelijke deel. Initiatiefnemer heeft tevens toegezegd de voortgang en de uitkomsten van het onderzoek met de omwonenden te delen. Eventuele aanpassingen aan het plan die hieruit volgen worden voor de vaststelling van het bestemmingsplan verwerkt.
8.3
Resultaten vooroverleg ex artikel 3.1.1. Bro
In het kader van het vooroverleg is het voorontwerp bestemmingsplan naar de relevante instanties toegestuurd. Er zijn drie reacties ontvangen, die in een Nota van Beantwoording van een antwoord zijn voorzien. Deze Nota van Beantwoording is bijgevoegd als bijlage 14.
85
8.4
Resultaten ter inzage legging ontwerpbestemmingsplan
Tijdens de ter inzage legging zijn zestien zienswijzen ingediend. Ook zijn er ambtelijke opmerkingen op het plan gemaakt. Een volledig overzicht van deze reacties en de bijbehorende beantwoording door de gemeenteraad vindt u in bijlage 15. De gemeenteraad heeft als gevolg daarvan bij de vaststelling van het bestemmingsplan de volgende wijzigingen doorgevoerd. Wijzigingen als gevolg van zienswijzen Toelichting In paragraaf 2.5 is de motivatie, dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling verstevigd. In paragraaf 3.4 is de tekst met betrekking tot de aanduiding 'begrenzing badplaatsen' aangepast en is een figuur opgenomen om de leesbaarheid van de paragraaf te verbeteren. In paragraaf 5.2 is de variantenstudie die als bijlage bij de toelichting is gevoegd samengevat. In paragraaf 5.6 is nader ingegaan op indirecte hinder (geluid) vanwege wegverkeer van en naar het recreatiepark op de relevante woningen aan de Hogezoom en de Kooijmansweg. Hiervoor is ook een geluidonderzoek uitgevoerd dat is bijgevoegd als bijlage 6. In paragraaf 5.6 is tevens de aangegeven maximum snelheid op de Kooijmansweg aangepast van 30 km/uur naar 60 km/uur. In paragraaf 5.9 zijn de afspraken met het waterschap over de uitgangspunten voor de waterhuishouding beschreven. In de toelichting zijn de resultaten van de Variantenstudie naar een alternatieve ontsluiting verwerkt.
Het stikstofonderzoek is aangepast naar aanleiding van de veranderde verkeersafwikkeling door de aangepaste wijze van ontsluiten van het zuidelijk deel van het recreatiepark. De conclusies blijven hetzelfde. Cumulatie: In het kader van een goede ruimtelijke ordening is in paragraaf 5.2 voor wat betreft de verkeerssituatie de verkeersafwikkeling in samenhang beoordeeld met de plannen voor Camping De Oase en het Fletcher Hotel. In paragraaf 5.4 is dat gedaan voor het aspect luchtkwaliteit. Regels in de regels is in lid 4.2.1 een regel toegevoegd, waarbij het bouwen van kelders niet is toegestaan. In artikel 1 is de definitie van een kelder opgenomen, zijnde een ondergronds, voor mensen toegankelijk bouwwerk. In de regels is aan lid 4.4.1 sub g toegevoegd waarin wordt bepaald dat de bebouwing niet mag worden aangesloten op een distributienet voor gas. het sublid van lid 4.1 waarin was bepaald dat uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'ontsluiting' een ontsluitingsweg is toegestaan is als volgt aangepast: 'uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'ontsluiting'; een ontsluitingsweg voor gemotoriseerd verkeer voor het recreatiewoningenterrein'. Hierdoor kunnen de beide ontsluiting op de Hogezoom wel door langzaam verkeer worden gebruikt en alleen de noordelijke door gemotoriseerd verkeer.
In de begrippen is gemotoriseerd verkeer gedefinieerd als alle gemotoriseerde voertuigen behalve bromfietsen, fietsen met trapondersteuning, gehandicaptenvoertuigen en voertuigen voor het beheer en onderhoud (zoals schoonmaak) van het recreatiepark. Verbeelding De aanduiding 'ontsluiting' op het zuidelijk deel van het plangebied is verplaatst van de Hogezoom naar de nieuwe geprojecteerde ontsluiting aan de Kooijmansweg. De aanduiding 'speelvoorzieningen' is ter plaatse van het perceel Hogezoom 136 verder van de perceelsgrens afgelegd om geluidhinder bij de op dit perceel aanwezige verblijfsaccommodaties te voorkomen. De aanduiding 'parkeerterrein' op het noordelijk deel van het plangebied lag op 30 meter van de gevels van de omliggende woningen conform de richtafstand uit de VNG-Handreiking Bedrijven en
86
milieuzonering. Deze parkeerplaats is in noordoostelijke richting verplaatst. De afstand tot omliggende woningen is daardoor vergroot en is nu meer dan 30 meter. de groene omzoming die via een voorwaardelijke verplichting was geborgd in het ontwerpbestemmingsplan is aan de zuid- en oostzijde geschrapt, zodat de daar aanwezige watergangen bereikbaar blijven voor onderhoud door het waterschap. Hiervoor is de aanduiding 'groen' aan de oost- en zuidkant verwijderd, zodat de voorwaardelijke verplichting om daar een groene omzoming te realiseren voor die gronden niet meer van toepassing is. Ambtshalve wijzigingen Toelichting In paragraaf 3.4 is de tekst aangepast waarin was gesteld dat het plan niet op gronden met de aanduiding 'Groene Zeeuwse topkwaliteit' is gelegen. Het noordelijk deel van het plan ligt in gebied van Groene Zeeuwse topkwaliteit. De conclusie blijft dat het plan daar geen significant negatief effect op heeft. Er is in het kader van de Wet natuurbescherming een nader onderzoek naar de effecten op de Noordse woelmuis. Het onderzoek is als bijlage bij de toelichting gevoegd en de resultaten zijn samengevat weergegeven in paragraaf 5.10. In het plangebied zijn geen Noordse woelmuizen aangetroffen. Het stikstofonderzoek voor zowel de bouwfase als de gebruiksfase zijn geactualiseerd met de nieuwe AERIUS calculator versie 2022. Deze zijn als bijlagen opgenomen.
Regels Clustering van recreatiewoningen is toegestaan: 1. In lid 4.2.2 is een nieuw sub c opgenomen: recreatiewoningen mogen uitsluitend vrijstaand worden gebouwd 2. In 4.2.2. is een nieuw lid f opgenomen: In afwijking van het bepaald in lid 4.2.1 onder c mogen recreatiewoningen onder de volgende voorwaarden aaneen (geschakeld) worden gebouwd: a. maximaal 30 recreatiewoning mogen twee aaneen worden gebouwd, mits de gezamenlijke oppervlakte van twee aaneen gebouwde woningen niet meer bedraagt dan 75 m2. b. maximaal 16 recreatiewoningen mogen vier aaneen worden gebouwd, mits de gezamenlijke oppervlakte van vier aaneen gebouwde woningen niet meer bedraagt dan 150 m2. In lid 8.3 zijn de functieaanduidingen groen en 'specifieke vorm van groen - 1 tot en met 3' vervangen door gebiedsaanduidingen 'overige zone – groen 1 tot en met 4. Dit is gedaan om de digitale verwijzing direct door te linken naar het juiste artikel, i.c. artikel 8 waarin de regels met betrekking tot deze aanduidingen zijn opgenomen. Dat was met de functieaanduidingen niet mogelijk. De naam van de aanduidingen is aangepast vanwege de eisen uit RO standaarden 2012, onderdeel SVBP 2012. Inhoudelijk is de regeling niet gewijzigd. Verbeelding Op de verbeelding zijn functieaanduidingen groen en 'specifieke vorm van groen - 1 tot en met 3' vervangen door gebiedsaanduidingen 'overige zone – groen 1 tot en met 4.
Het vaststellingsbesluit van de gemeenteraad is opgenomen als bijlage.
87
Laan van St. Hilaire 2 4301 SH Zierikzee Postadres: Postbus 5555 4300 JA Zierikzee T (0111) 452 000 F (0111) 452 452 gemeente@schouwen-duiveland.nl www.schouwen-duiveland.nl