Noordzee Residence Renesse Toelichting
Tekst van het document
Maatschappelijke bestemming (Vroonweg ong): Op deze gronden zijn volgens het bestemmingsplan Kop van Schouwen educatieve, medische, sociaal-medische, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke voorzieningen en hieraan gelieerde kantoren, zorgwoonvormen ten behoeve van sociaal-medische voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening toegestaan, alsmede ondersteunende- en/of horeca-activiteiten uitsluitend ten dienste van deze maatschappelijke voorzieningen. Deze functies vallen in milieucategorie 1 en 2. De aan te houden richtafstand vanaf de bestemmingsgrens bedraagt daarmee ten minste 30 meter. De afstand tot het recreatieterrein is meer dan 30 meter. Hiermee wordt aan de richtafstand voldaan.
48
Maatschappelijke bestemming, Hogezoom 141b: Op deze gronden zijn voorzieningen op het gebied van onderwijs, welzijns- en gezondheidszorg, levensbeschouwing, openbare dienstverlening en kinder- en jeugddagopvang toegestaan en tevens een brandweerkazerne. De maatschappelijke voorzieningen vallen in milieucategorie 1 en 2. De aan te houden richtafstand vanaf de bestemmingsgrens bedraagt daarmee ten minste 30 meter. Een brandweerkazerne wordt beschouwd als een categorie 3.1-bedrijf, met een richtafstand van 50 meter vanwege geluid. De kazerne dient voor de stalling van een uitrukvoertuig en klein materieel. Er is geen sprake van onderhoudswerkzaamheden, opleidingen, cursussen en oefeningen en geen schoonmaken van voertuigen. Uit de vergunning (Wet milieubeheer) blijkt dat beoordeeld is dat de kazerne voor wat betreft geluid vanwege activiteiten op het terrein en geluid vanwege de verkeersaantrekkende werking past in de omgeving, waar het recreatieterrein ook onderdeel van is. Elektrotechnisch bedrijf, Hogezoom 140a: Er is aan de Hogezoom 140a een elektrotechnische bedrijf toegestaan. Dit betreft een bedrijf in milieucategorie 1 (SBI 2008: 293, Elektrotechnische industrie n.e.g.). Een dergelijk bedrijf kent een richtafstand van 30 meter voor geluid en geur en 10 meter voor gevaar en stof. Er liggen recreatiewoningen binnen de richtafstand van 30 meter geprojecteerd.
Het bedrijf betreft Hart Automation Europe BV. Het bedrijf grenst aan de oost- en zuidkant aan woonpercelen, waarbij de woningen op circa 10 meter staan van de bedrijfsbestemming. Daarnaast grens het bedrijfsperceel direct aan gronden met de bestemming Recreatie - Verblijfsrecreatie Recreatiewoningenterrein. Het betreft een kleinschalig bedrijf met een bedrijfspand van 116 m2. Vanwege het feit dat in de bestaande situatie woningen op zeer korte afstand van het bedrijfsperceel aanwezig zijn en de gronden van het recreatiepark ook in de bestaande situatie al voor verblijfsrecreatie zijn bestemd is het aannemelijk dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. 5.3.3 Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor het plan.
5.4
Luchtkwaliteit
5.4.1 Toetsingskader Algemeen Door de uitstoot van uitlaatgassen door onder andere de industrie en het verkeer komen schadelijke stoffen in de lucht. Vooral langs drukke wegen kunnen de concentraties van verschillende stoffen zo hoog zijn dat deze de gezondheid kunnen aantasten. Om te voorkomen dat de gezondheid wordt aangetast door luchtverontreiniging dient bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden te worden met de luchtkwaliteit ter plaatse. In het algemeen geldt dat als aan de richtafstand op grond van de VNG-handreiking Bedrijven en milieuzonering behorende bij de van toepassing zijn de bedrijfscategorie wordt voldaan, het aspect stof niet zorgt voor een aantasting van het woon- en leefklimaat. Dit aspect hoeft in dit geval niet nader te worden onderzocht. Regelgeving De belangrijkste wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit is vastgelegd in hoofdstuk vijf (luchtkwaliteitseisen) van de Wet milieubeheer (hierna Wm), ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd (hierna Wlk). Het doel van de Wlk is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. De in de Wlk vastgestelde normen voor luchtkwaliteit mogen niet overschreden of, in geval van een bestaande overschrijding, mag een eventuele toename niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
Luchtkwaliteitsnormen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als:
49
er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; of een project per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; of een project slechts in 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; of een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL); of. een project een ander project van gelijke of grotere omvang vervangt. Niet in betekenende mate In de algemene maatregel van bestuur 'Niet In Betekenende Mate' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Een project draagt 'niet in betekende mate' bij aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. De 3%-grens is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. Een geplande ruimtelijke ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging als: het valt onder de beschrijving in de tabellen met categorieën van gevallen in de 'Regeling Niet In Betekenende Mate', of het bevoegd gezag aannemelijk kan maken, bijvoorbeeld door berekeningen, dat de 3% grens niet wordt overschreden.
Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in de onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een 'gevoelige bestemming' niet toenemen. Dit wordt bereikt door op die locatie de vestiging van een gevoelige bestemming niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. Is (dreigende) normoverschrijding niet aan de orde, dan is er ook geen bouwverbod voor gevoelige bestemmingen binnen de onderzoekszone. Het plangebied ligt niet binnen een zone van 300 meter van een rijksweg of 50 meter van een provinciale weg. 5.4.2 Toetsing Besluit niet in betekenende mate (NIBM) Zoals in paragraaf 5.2 is aangegeven leidt dit bestemmingsplan op basis van 1.850 slaapplekken per recreatiewoning tot 1.357 verkeersbewegingen per etmaal.
Ten opzichte van de planologisch maximaal toegestane invulling op basis van het geldende bestemmingsplan leidt dat tot een afname met 247 verkeersbewegingen ten opzichte van wat nu planologisch acceptabel is geacht. Voor de luchtkwaliteit, waarbij gekeken moet worden naar het extra verkeer vanwege het plan, betekent dat een verbetering. De effecten voor wat betreft luchtkwaliteit zijn voor de zorgvuldigheid getoetst met de zogenaamde NIBM tool (versie 28 maart 2019). De NIBM-tool is een rekentool waarmee de bijdrage van kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen aan de luchtkwaliteit kunnen worden vastgesteld. Er is daarbij een berekening gemaakt met de verkeersgeneratie van plan op zich (dus niet de toename van het verkeer) uitgaande van in gebruikname na realisatie in 2023. Volgens de NIBM-tool draagt het plan 'niet in betekenden mate bij' aan de verslechtering van de milieukwaliteit (zie figuur 5.4)
50
Figuur 5.4: Resultaten NIMB-tool Luchtk waliteit ter plaatse van het plangebied De Rijksoverheid brengt via de NSL monitoringstool in beeld hoe de luchtkwaliteit zich zal ontwikkelen in Nederland. Via deze monitoringstool kan men op straatniveau inzicht krijgen in de te verwachten luchtkwaliteit ter plaatse. Met de NSL-monitoringskaart (www.nsl-monitoring.nl/viewer/) is een toetsing van het plangebied met betrekking tot de luchtkwaliteit gedaan voor de jaren 2020 en 2030. In onderstaande tabel zijn de resultaten van de toetsing weergegeven voor de waarden langs de Dammenweg en de Serooskerkseweg, waaruit volgt dat aan de onderstaande normen wordt voldaan.
Tabel 5.5: Normen luchtkwaliteit Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt voor de volledigheid ook ingegaan op de cumulatieve effecten van voorliggend plan met de uitbreidingsplannen voor het Fletcher Hotel en Camping De Oase op het gebied van luchtkwaliteit. De luchtkwaliteit wordt met name bepaald door de uitstoot van verschillende stoffen door het wegverkeer. De verschillende ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied zorgen niet voor een grootschalige groei van de verkeersintensiteiten. Als daarbij de huidige achtergrondconcentraties van de verschillende stoffen, die ver onder de geldende normen blijven, mede in ogenschouw worden genomen, kan gesteld worden, dat er geen significant nadelige cumulatieve luchtkwaliteit effecten te verwachten zijn. 5.4.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het plan
5.5
Geur
5.5.1 Toetsingskader Algemeen
51
Geur kan in de leefomgeving hinder veroorzaken. Bij geur gaat het om de geuruitstoot (emissie) van bedrijven die zich verspreidt via de lucht en een geurbelasting (immissie) veroorzaakt op de woon- en leefomgeving. De afstand tussen geuremitterende bedrijven en geurgevoelige bestemmingen is daarbij van grote invloed. Geur heeft dus gevolgen voor het leefklimaat van mensen en voor het gebruik van de ruimte. In het algemeen geldt dat als aan de richtafstand op grond van de VNG-handreiking Bedrijven en milieuzonering behorende bij de van toepassing zijn de bedrijfscategorie wordt voldaan, het aspect geur niet zorgt voor een aantasting van het woon- en leefklimaat. Dit aspect hoeft in dit geval niet nader te worden onderzocht. Regelgeving bedrijven In Nederland is er geen wetgeving voor geur van bedrijven. Voor een aantal bedrijven die onder een algemene maatregel vallen zoals het Activiteitenbesluit, zijn er verplichtingen ten aanzien van te treffen maatregelen. Voor omgevingvergunningplichtige bedrijven geldt de Nederlandse emissierichtlijn lucht (NeR) als toetsingskader voor het beoordelen van eventuele geurhinder. Wel is in beleid vastgelegd wat een tegen geur te beschermen object is.
Naast woningen kunnen dit ook andere locaties zijn waar mensen zich gedurende langere tijd bevinden en waar blootstelling aan geur tot hinder kan leiden, zoals ziekenhuizen, bejaarden- en verpleegtehuizen en recreatiegebieden. Hoewel in principe alle geurgevoelige objecten moeten worden beschermd tegen geuroverlast, kunnen wel verschillen in het niveau van bescherming worden gehanteerd. Voor een bedrijfswoning kan bijvoorbeeld een lager beschermingsniveau en dus een hogere geurbelasting gehanteerd worden dan voor aaneengesloten woonbebouwing. Regelgeving veehouderijen Vergunningplichtige veehouderijen moeten voor wat betreft geur van dierenverblijven voldoen aan de Wet geurhinder en veehouderij. Verder dienen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht de beste beschikbare technieken te worden toegepast. Veehouderijen die onder het Besluit landbouw milieubeheer vallen, moeten voldoen aan de in dat besluit genoemde minimaal aan te houden afstand tot geurgevoelige objecten. Het Besluit landbouw milieubeheer geeft ook minimaal aan te houden afstanden tot geurgevoelige objecten voor opslagen van veevoeder en mest. Zowel in het Besluit landbouw als in de Wet geurhinder en veehouderij is ook vastgelegd wat een geurgevoelig object is.
Volgens de Wet geurhinder en veehouderij is dat een gebouw, bestemd voor menselijk gebruik, waar zich gedurende langere periode mensen bevinden. In het Besluit landbouw zijn categorieën van objecten gedefinieerd waartoe een minimaal te houden afstand dient te worden aangehouden. 5.5.2 Toetsing In Renesse wordt op een aantal locaties hobbymatig vee geweid, zoals paarden. In sommige gevallen is er een schuilstal aanwezig waarin de aanwezige dieren kunnen schuilen bij extreem weer. De schuilstallen en de weides zijn geen inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer; de dieren worden niet op bedrijfsmatige dan wel gelijk aan bedrijfsmatige wijze gehouden en liggen bovendien niet in de omgeving van het plangebied. Er zijn in de omgeving geen (intensieve) veehouderijen aanwezig. 5.5.3 Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor het plan.
52
5.6
Geluid en stilte
5.6.1 Toetsingskader Algemeen Een belangrijke basis voor de ruimtelijke afweging in het kader van het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Deze wet biedt geluidgevoelige functies (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van o.a. wegverkeerlawaai en industrielawaai door middel van zonering. In het algemeen geldt dat als aan de richtafstand op grond van de VNG-handreiking Bedrijven en milieuzonering behorende bij de van toepassing zijnde bedrijfscategorie wordt voldaan, het aspect geluid niet zorgt voor een aantasting van het woon- en leefklimaat. Dit aspect hoeft in dit geval niet nader te worden onderzocht. Regelgeving Industrielawaai In de Wgh wordt verhoudingsgewijs maar een klein gedeelte van het industrielawaai gereguleerd, namelijk alleen voor bedrijven gelegen op een gezoneerd industrieterrein. De geluidsruimte is voor een deel van de bedrijven vastgelegd in de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu. Een groot deel van de bedrijven valt onder een algemene maatregel van bestuur. Hierin zijn o.a. voor geluid voorschriften opgenomen. Deze voorschriften kunnen bepalend zijn voor de benodigde afstand tussen het bedrijf en gevoelige functies in de omgeving.
Daarnaast moet bij de afweging in het kader van het bestemmingsplan ook rekening worden gehouden met geluidsemissies die niet geregeld zijn in het kader van de milieuwetgeving zoals laden en lossen, verkeersaantrekkende werking of menselijk stemgeluid. Menselijk stemgeluid Bestemmingen waarbij menselijk stemgeluid in de beoordeling in het kader van een goede ruimtelijke ordening een rol kan spelen, zijn onder andere bedrijven (horeca), sportvelden of speelplaatsen/hangplekken. Getoetst moet worden of het stemgeluid niet leidt tot aantasting van het woon- en leefklimaat. Wegverkeerslawaai Ingevolge artikel 74 Wet geluid hinder (Wgh) zijn in principe alle wegen gezoneerd. Uitzondering op deze regel zijn wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km per uur geldt en woonerven. Tevens zijn in de Wgh onderzoekszones opgenomen waarbinnen onderzoek moet worden uitgevoerd naar de gevolgen van wegverkeerslawaai op een geluidsgevoelige bestemming. Deze onderzoekszones bedragen voor het stedelijk gebied voor wegen met 1 of 2 rijstroken 200 meter en voor het buitenstedelijk gebied 250 meter voor wegen met 1 of 2 rijstroken. Voor gezoneerde wegen geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De grenswaarde ligt tussen de 53 dB en 68 dB, afhankelijk van de ligging en of het een nieuwe of bestaande situatie betreft. Een geluidsbelasting hoger dan deze grenswaarde is niet toelaatbaar.
In het gebied tussen de voorkeursgrenswaarde en de grenswaarde is de geluidbelasting alleen toepasbaar na een afwegingsproces in de vorm van een procedure hogere grenswaarde. 5.6.2 Toetsing Industrielawaai Het plangebied ligt niet in een geluidzone van een gezoneerd industrieterrein. Wegverkeerslawaai
53
Recreatiewoningen zijn niet aangemerkt als geluidgevoelig gebouw in de zin van de Wet geluidhinder. Dit betekent dat er in de zin van de Wet geluidhinder geen formele grenswaarden voor gelden. In het kader van goede ruimtelijke ordening is de geluidsituatie vanwege wegverkeer ter plaatse wel in ogenschouw genomen. Rond het plangebied zijn wegen gesitueerd die mogelijk geluideffect kunnen hebben op het plangebied. In onderstaande afbeelding is het plangebied (in grijze arcering) met omliggende wegen weergegeven. Verder ligt in zuidoostelijke richting op enige afstand (minimaal 400 meter tot de rand van het plangebied) de Recreatieverdeelweg (N652).
Figuur 5.6: Plangebied met omliggende wegen Uit de beschouwing van deze wegen volgt dat er geen sprake is van verwachte significante geluidinvloed op het plangebied en wel om de volgende redenen: Vroonweg/Kabbelaarsweg/Hogezoom Dit betreft 30 kilometer wegen die voornamelijk een ontsluitende functie hebben voor aan deze wegen gelegen verblijfsrecreatieterreinen. Voor genoemde wegen zijn geen verkeersgegevens voorhanden, althans niet voor de weggedeelten die direct langs het plangebied liggen. De verwachting is dat, gezien de ligging en functie van deze wegen/weggedeeltes, de verkeersintensiteiten hier beperkt zijn. In samenhang met de relatief lage rijsnelheid is het voldoende aannemelijk, dat geen sprake is van een relevante geluidbelasting op het plangebied. Kooijmansweg (tussen Hogezoom en Lagezoom) Dit betreft een 60 kilometer weg die voornamelijk een ontsluitende functie heeft voor het aan deze weg gelegen verblijfsrecreatieterrein. Van deze weg zijn geen verkeersgegevens voorhanden. De verwachting is dat, gezien de ligging en functie van deze wegen/weggedeeltes, de verkeersintensiteiten hier beperkt zijn. In samenhang met de relatief lage rijsnelheid die gezien het smalle profiel lager zal zijn dan de toegestane 60 km / uur en het feit dat 2/3e deel van het verkeer vanwege het plan vanaf de
54
Kooijmansweg het plangebied op rijdt is het voldoende aannemelijk, dat geen sprake is van een relevante geluidbelasting op het plangebied. Roelandsweg: De Roelandsweg is een doorgaande route richting het dorp en het strand waar wel sprake is van hogere verkeersintensiteiten. Echter gezien de afstand tot het plangebied (minimaal circa 100 meter), de rijsnelheid (op het weggedeelte langs het plangebied is grotendeels sprake van een maximum rijsnelheid van 30 km/uur), de aanwezigheid van een aarden wal aan de zijde van het plangebied en de aanwezigheid van (afschermende) bebouwing tussen de weg en het plangebied, is het voldoende aannemelijk dat geen sprake is van een relevante geluidbelasting op het plangebied.
Figuur 5.7: Aarden wal langs Roelandsweg Recreatieverdeelweg (N652) Gezien de ruime afstand tot het plangebied (minimaal 400 meter), is het voldoende aannemelijk dat geen sprake is van een relevante geluidbelasting op het plangebied. Indirecte hinder wegverkeer Zoals aangegeven in paragraaf 5.2 leidt voorliggend plan tot een afname met 247 verkeersbewegingen ten opzichte van wat nu planologisch acceptabel is geacht. Het plan is derhalve voor wat betreft het aantal verkeersbewegingen en daarmee ook voor wat betreft geluid vanwege wegverkeer een verbetering ten opzichte van de nu toegestane invulling als kampeerterrein en planologisch acceptabel geacht. Wanneer wordt gekeken naar de feitelijke toename van het verkeer en daarmee samenhangend geluid, geldt het volgende. In het kader van bestemmingsplan Noordzee Residence Renesse is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (zie bijlage 6). Het akoestisch onderzoek richt zich specifiek op de verwachte geluideffecten van het verkeer van en naar het plangebied (verkeersaantrekkende werking), voor zover het verkeer is te onderscheiden van omgevingsverkeer. In het kader van het plan zijn geen wijzigingen aan bestaande wegen aan de orde. Dit betekent dat er in de zin van de Wet geluidhinder geen wettelijke eisen gelden voor het geluid van verkeer van en naar het plangebied.
In het onderzoek is ingegaan op verwachte effecten, om hiermee invulling te geven aan een goede ruimtelijke ordening in de zin van de Wet ruimtelijke ordening. De verwachte geluidseffecten zijn bepaald op grond van informatie over de verwachte verkeersaantallen op omliggende ontsluitende wegen voor de woningen langs de weggedeelten waar het verkeer qua rijgedrag (optrekken/afremmen) mogelijk nog is te onderscheiden van omgevingsverkeer. Aan de hand van de onderzoeksuitkomsten is beoordeeld in hoeverre er vanwege voorgenomen plan sprake is van een significant geluidseffect door de verkeersaantrekkende werking. Voor de Hogezoom en de Kooijmansweg zijn ter hoogte van het plangebied geen verkeerstellingen voorhanden. Daarom is een inschatting gemaakt van de verkeersintensiteit op dit wegvak. Deze is
55
gebaseerd op een verkeerstelling aan de Loane tussen de Loane en de Korte Moermondsweg uit augustus 2020. Aangezien de bestemmingen die gelegen zijn aan de Loane vergelijkbaar zijn met die aan de Hogezoom en de Kooijmansweg wordt aangenomen dat de verkeersintensiteit op de Loane gelijk is aan die op de Hogezoom en de Kooijmansweg. De verkeersintensiteit op de Loane bedroeg in 2020 1.241 mvt/etmaal op een weekdag. Omgerekend met een jaarlijkse groeifacor van 1% is de intensiteit in 2033 1.412 mvt/etmaal. Kooijmansweg 7: De feitelijke toename van het verkeer ter hoogte van Kooijmansweg 7 en het oostelijke deel van de Hogezoom bedraagt 184 mvt/etmaal (zie bijlage 4). Deze extra verkeersbewegingen leiden tot een toename van 0,44 dB op de woningen. Deze toename is akoestisch niet relevant. Hogezoom (westelijk deel): De toename van het verkeer op de Hogezoom vanaf het noordelijk deel van het recreatiepark omvat circa 300 mvt/etmaal gerelateerd aan de huidige situatie in plaats van de planologische situatie. De extra verkeer op de Hogezoom leidt tot een toename van maximaal 0,84 dB op de woningen aan de Hogezoom. Deze toename is akoestisch niet relevant.
Kooijmansweg 4, Lageweg en Roelandsweg: Het af- en aanrijdende verkeer vanaf de ontsluiting van het recreatie aan de Kooijmansweg is ter hoogte van Kooijmansweg 4, nabij de kruising Kooijmansweg / Lagezoom op meer dan 300 meter afstand van de zuidelijke entree van het recreatiepark voor wat betreft snelheid en rij- en stopgedrag niet meer te onderscheiden van het overige verkeer, dat daar aanwezig kan zijn en moet derhalve worden geacht vanaf daar opgenomen te zijn in het heersende verkeersbeeld. Dit volgt uit jurisprudentie, zie uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 23 april 2008 (ECLI:NL:RVS:2008:BD0315). Dit houdt in dat ook ter hoogte van de Camping Agri-Nova en woning aan de Kooijmansweg 8 er geen sprake is van indirecte hinder. Menselijk stemgeluid Uit jurisprudentie van de Raad van State blijkt dat het aspect stemgeluid ook kan worden beoordeeld aan de hand van VNG Handreiking Bedrijven en Milieuzonering (zie Uitspraak ABRvS d.d. 29 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1357). Er mag van worden uitgegaan dat het stemgeluid van spelende kinderen als een voor een verblijfsrecreatieterrein relevante geluidbron in de richtafstand (50 meter) is meegenomen. Nader akoestisch onderzoek kan daarom achterwege blijven.
In het bestemmingsplan zijn regels opgenomen waarin is bepaald dat speelvoorzieningen niet mogen worden gerealiseerd binnen een afstand van 50 meter van de perceelsgrens. Deze gronden zijn op de verbeelding aangeduid. 5.6.3 Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het plan.
5.7
Externe veiligheid
5.7.1 Toetsingskader Algemeen Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken, namelijk: bedrijven waar opslag, gebruik en / of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen. In het externe veiligheidsbeleid wordt doorgaans onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken (dat wil zeggen vierentwintig uur per dag en gedurende het gehele jaar) en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als
56
rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde. De gemeente heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt ten gevolge van het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor of het water. Indien de ontwikkeling gelegen is binnen de invloedssfeer van een BEVI-inrichting of een leiding zoals opgenomen in het Besluit Externe Veiligheid Buisleidingen, dan is altijd een verantwoording noodzakelijk. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een feitelijk bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting.
De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als buitenwettelijke oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor of over het water. De concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Met het inwerking treden van het BEVT vervalt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (visie tot 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6-contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute.
Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. In dat Besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het plaatsgebonden risico en de hoogte van het groepsrisico als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen eisen gesteld.
57
5.7.2 Toetsing In het kader van het bestemmingsplan is een externe veiligheidsonderzoek gedaan. Dit onderzoek is als bijlage 7 bijgevoegd. De resultaten van het onderzoek zijn hieronder samengevat. Risicovolle inrichtingen Direct ten oosten van het plangebied bevindt zich een camping aan de Roelandsweg 8. Uit informatie van de Risicokaart blijkt dat het bedrijf beschikt over twee propaantanks die vallen onder de werkingssfeer van het Bevi. De maximale PR 10-6/jaar-contouren van deze tanks bedragen 25 meter. Gezien de ligging van deze tanks reiken deze contouren niet tot het plangebied. Deze camping is daarmee geen relevante risicobron in relatie tot het plangebied. Er bevinden zich geen andere risicovolle inrichtingen in de omgeving van het plangebied. De invloedsgebieden van de dichtstbijzijnde Bevi-inrichtingen reiken niet over het plangebied. Andersom zorgen toegestane ontwikkelingen binnen het plangebied niet tot een beperking van Bevi-inrichtingen. Vervoer van gevaarlijke stoffen Wegen De Rijksweg N57 bevindt zich circa 3.200 meter ten oosten van het plangebied. Over deze weg vindt, conform de Regeling basisnet, transport van gevaarlijke stoffen plaats. Het invloedsgebied van de weg bedraagt 880 meter (stofcategorie LT2). Het plangebied ligt daarmee niet binnen het invloedsgebied van de N57.
Voor de nabijgelegen provinciale wegen N651 (Stoofweg) en N652 (Recreatieverdeelweg) dient aangenomen te worden dat geen sprake is van significant vervoer gevaarlijke stoffen. Er zijn geen telgegevens gevaarlijke stoffen bekend en geen nabijgelegen risicobronnen voor aan- en afvoer. Water Op de kaart behorende bij het Basisnet Water is het Zijpe aangeduid als binnenvaartroute met frequent vervoer van gevaarlijke stoffen (zwart). Voor zwarte vaarwegen komt de PR 10-6 -contour maximaal tot de oeverlijn. Er is daarom geen noodzaak op het land rekening te houden met veiligheidszones. Buisleidingen In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen hogedruk aardgastransportleidingen of andere buisleidingen die onder de werkingssfeer van het Besluit externe veiligheid buisleidingen vallen. Het plangebied bevindt zich daarmee niet binnen het invloedsgebied van een hogedruk aardgastransportleiding. 5.7.3 Conclusie In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen relevante risicovolle inrichtingen, transportroutes en/of buisleidingen. Een nadere beschouwing (verantwoording groepsrisico of risicoberekeningen) zijn daarmee niet nodig in het kader van de ruimtelijke procedure. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmeringen in relatie tot de voorgenomen ontwikkelingen.
5.8
Bodem
5.8.1 Toetsingskader Milieuhygiënische bodemkwaliteit Het landelijk beleid gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie, de bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem. Voor alle bestemmingen waar een functiewijziging of herinrichting wordt voorzien, dient de bodemkwaliteit door middel van een bodemonderzoek in beeld te worden gebracht.
58
Een belangrijk basis vormt de Wet bodembescherming (Wbb) en daarnaast zijn het Besluit bodemkwaliteit en de Waterwet van toepassing. Het doel van de Wbb is om te voorkomen dat nieuwe gevallen van bodemverontreinigingen ontstaan. Voor bestaande bodemverontreinigingen is aangegeven in welke situaties (omvang en ernst van verontreiniging) en op welke termijn sanering moet plaatsvinden. Hierbij dient de bodemkwaliteit tenminste geschikt te worden gemaakt voor de functie die erop voorzien is, waarbij verspreiding van verontreiniging zoveel mogelijk wordt voorkomen. Het Besluit bodemkwaliteit omvat de regels rond grondverzet, bouwstoffen en een stuk kwaliteitsborging. Aardkundige waarde Ten aanzien van de aardkundige waarde richt het gemeentelijk beleid zich op het versterken van de plaatselijke landschapskwaliteiten. Dit kan door aardkundige patronen een zichtbare rol te laten spelen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Doorsnijding en versnippering van het landschap moet zo veel mogelijk worden voorkomen. Er is geen landelijke wetgeving met betrekking tot aardkundige waarden. In de provincie Zeeland en in de gemeente zijn de aardkundige waarden opgenomen in het omgevingsplan en bodembeleidsplan. Bodemenergie Bodemenergie is het gebruik van de bodem als energiebron of voor de opslag van energie (warmte/koude).
In de meeste gevallen wordt er gebruik gemaakt van warmtekoude opslag systemen (WKO). Dit deels is geregeld in het Besluit bodemenergie. Het Besluit schrijft o.a. voor dat een nieuw systeem gemeld moet worden, een bestaand systeem niet mag hinderen en dat de systemen door een erkend bedrijf moeten worden aangelegd. Bodemenergiesystemen mogen niet in grondwaterbeschermingsgebieden worden aangelegd. Voor de gesloten systemen geldt een meldingsplicht. Open systemen en grote gesloten systemen (>70kW) zijn vergunningsplichtig onder de Waterwet. De gemeente Schouwen-Duiveland beschikt over een kansenkaart bodemenergie. Voor het opsporen en winnen van delfstoffen of aardwarmte is een vergunning nodig van de Minister van Economische Zaken (artikel 6 van de Mijnbouwwet). Tevens is een omgevingsvergunning nodig. Niet gesprongen explosieven (NGE) De potentiële aanwezigheid van niet gesprongen explosieven kan een bedreiging in houden bij grondroerende werkzaamheden en kan tot vertraging in de planvorming en - uitvoering leiden. De gemeente beschikt over NGE beleid. Dit beleid is opgesteld op basis van een historisch onderzoek, ooggetuigenverklaringen en eerdere vondsten. Afhankelijk van de toekomstige ontwikkeling wordt getoetst of een vervolg onderzoek nodig is.
Daar waar het huidige grondgebruik wordt gecontinueerd is geen sprake van een verhoogd risico en is vervolgonderzoek of opsporing niet noodzakelijk. Trillingen Bij het opstellen van ruimtelijke plannen is het aspect trillingen een aandachtspunt in de afwegingen. De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening, waarin de zorg voor een goede ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Daarvoor is het nodig om mogelijke trillingshinder in kaart te brengen en deze te betrekken in de beoordeling. Dit is mogelijk met behulp van de SBR-richtlijn "Meet- en beoordelingsrichtlijnen voor trillingen". Trillingshinder wordt beoordeeld aan de hand van het maximaal optredende trillingsniveau en het gemiddeld trillingsniveau. Voor een aantal typen trillingen en verschillende gebouwfuncties (wonen, onderwijs e.d.) staan in de richtlijn grens- en streefwaarden voor maximaal optredende trillingsniveaus en gemiddelde trillingsniveaus. In de beoordeling van trillingshinder moet in het algemeen onderscheid worden gemaakt naar bestaande, te wijzigen of gewijzigde en nieuwe situaties. Bij bestaande situaties moet het bestaande trillingsniveau
59
worden geaccepteerd en kunnen de veroorzaker normaal gesproken geen (aanvullende) eisen worden opgelegd. Voor te wijzigen situatie is het uitgangspunt dat de gewijzigde situatie geen overschrijding van de grens- of streefwaarden mag opleveren. Indien er al sprake was van overschrijding geldt dat de situatie niet mag verslechteren. Ten slotte geldt voor nieuwe situaties dat de grens- of streefwaarden niet zouden mogen worden overschreden. In de laatste twee situaties zal het aanwezige trillingsniveau vooraf moeten worden vastgesteld. 5.8.2 Toetsing Milieuhygiënische bodemkwaliteit In het kader van het bestemmingsplan is een beoordeling van de bodemkwaliteit uitgevoerd via een quickscan, zie bijlage 8. Met behulp van deze informatie kan een antwoord worden gegeven op de te beantwoorden onderzoeksvragen over de bodemkwaliteit ter plaatse van de voorgenomen werkzaamheden: De resultaten zijn hieronder samengevat. Wat is de afbakening van de onderzoekslocatie en is deze voldoende? De onderzoekslocatie is voldoende afgebakend en beperkt zich tot de locatie van de voorgenomen bestemmingswijziging.
Welke bodemkwaliteitsklasse is toegekend aan de bodem in de bodemkwaliteitskaart en welke lagen zijn daarbij onderscheiden? Volgens de bodemkwaliteitskaart ligt het onderzoeksgebied in een deelgebieden waar de gemiddelde kwaliteit van de boven- en ondergrond voldoet aan kwaliteitsklasse ‘AW2000’ en ‘industrie’. Is er sprake van potentiële bronnen van bodemverontreiniging? Zo ja, wat zijn de potentiële bronnen van bodemverontreiniging, waar liggen ze en wat zijn de kritische parameters? Op en nabij de onderzoekslocatie hebben voor zover bekend bodembedreigende activiteiten plaatsgevonden. Dit betreffen ondergrondse tanks en dempingen. Deze activiteiten zijn met name verdacht op het veroorzaken van verontreinigingen met minerale olie, zware metalen en PAK; Ook blijkt dat er 1 tank aanwezig is (geweest). Deze was geplaatst in een lekbak op een betonvloer. Is de bodem asbestverdacht? Uit de verschillende onderzoeken blijkt dat in het gebied zintuigelijk geen asbest is aangetoond. De locatie is derhalve niet verdacht op de aanwezigheid van asbest in de bodem. Is er een vermoeden dat op basis van beschikbare voorinformatie werkzaamheden plaatsvinden binnen een geval van ernstige bodemverontreiniging en is de bodem sterk verontreinigd (boven interventiewaarde)? Uit eerder uitgevoerde onderzoeken blijkt dat enkel licht verhoogde gehalten in de bodem zijn aangetroffen.
Er is geen sprake van bodemverontreinigingen. Op basis van de beschikbare gegevens blijkt dat op de onderzoekslocatie geen bodemverontreinigingen worden verwacht. Daarnaast wordt niet verwacht dat de verdachte activiteiten in de directe omgeving van de onderzoekslocatie invloed hebben op de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. Bodem In de bodem worden hooguit lichte verhoogde gehalten aan zware metalen, PAK, PCB en minerale olie verwacht. Grondwater In het grondwater zijn enkel licht verhoogde gehalten voor aromaten en chloorkoolwaterstoffen aangetoond. Asbest Op basis van het vooronderzoek wordt geconcludeerd dat de locatie als onverdacht ten aanzien van asbest wordt aangemerkt omdat uit de uitgevoerde onderzoeken blijkt dat er geen asbestverdachte materialen zijn aangetroffen.
60
Op basis van de beschikbare gegevens wordt aangenomen dat op deze locatie geen sprake zal zijn van een bodemverontreiniging. Hiermee is de bodem geschikt voor het beoogde gebruikt als verblijfsrecreatiepark en is het niet noodzakelijk om aanvullend bodemonderzoek te verrichten. Het aspect bodem vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoering van het bestemmingsplan. Aan de omgevingsvergunning voor de uitvoering van het plan kunnen door de gemeente voorwaarden voor wat betreft de bodem worden gekoppeld. Op deze wijze is het aspect bodemkwaliteit voldoende geborgd Aardkundige waarde Aardkundige waarden behouden of versterken. Renesse behoort tot de oudste bewoonde delen van het eiland. Het zuidelijk deel van het plangebied is op de signaleringskaart van de cultuuhistorische kaart van de provincie aangeduid als onderdeel van het duingebied (figuur 5.5, links). Doordat het plangebied reeds geruime tijd als verblijfsrecreatieterrein is gebruikt en ingericht zijn er geen kenmerken van het duingebied meer aanwezig. Het plangebied ligt niet in een aardkundig waardevol gebied (figuur 5.5, rechts).
Figuur 5.8: Aardkundig waardevolle gebieden (Bron: Kaart Cultuurhistorie Zeeland Bodemenergie (geothermie en warmte-koude opslag) Het gebruik van bodemenergie is in het plangebied mogelijk. Een melding of vergunningaanvraag voor deze activiteit is wel noodzakelijk. Het gebruik van bodemenergie is in grondwaterbeschermingsgebieden niet toegestaan. Niet gesprongen explosieven De potentiële aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten kan een bedreiging in houden bij grondroerende werkzaamheden en kan tot vertraging in de planvorming en - uitvoering leiden. De gemeente beschikt over een inventarisatie van ontplofbare oorlogsresten met een signaleringskaart, opgesteld door historisch onderzoek, ooggetuigenverklaringen en eerdere vondsten. Op basis daarvan is er een CE-beleidsnota opgesteld. Het plangebied valt binnen een aandachtsgebied waar niet-gesprongen explosieve kunnen voorkomen. Volgens de risicokaart valt het plangebied in de zone verhoogd en hoog risico. Dit vanwege de aanwezigheid van oorlogsstellingen en bombardementen gedurende 1944-1945. In gebieden met een verhoogde/hoge kans op aantreffen word in het CE-beleid van de gemeente Schouwen-Duiveland geadviseerd maatregelen met betrekking tot ontplofbare oorlogsresten te treffen bij grondroerende werkzaamheden. Dit kan zijn in de vorm van een project gebonden risicoanalyse of detectie onderzoek.
Daar waar het huidige grondgebruik wordt gecontinueerd is geen sprake van een verhoogd risico en is vervolgonderzoek of opsporing niet noodzakelijk. Trillingen
61
De meest bekende trillingsbronnen zijn wegverkeer, railverkeer (trein, maar ook tram en metro) en industriële activiteiten (stansmachines, draaiende motoren, heftrucks, zwaar materieel e.d). Voor wegverkeer geldt dat trilling met name worden veroorzaakt door verkeer over een oneffen wegdek. De aard van deze trilling is afhankelijk van het type voertuig en de belading, de rijsnelheid en de vorm van de oneffenheden. Als een voertuig over een oneffen wegdek rijdt, wordt de weg als het ware voor korte tijd vervormd. Daarna keert het terug in haar bestaande vorm. Bij het passeren van vooral zware voertuigen (vrachtwagens, bussen) kunnen trillingen ontstaan met een kortdurend karakter. In het verkeer kan een verkeersdrempel zorgen voor extra trillingen. De Vrooonweg is een geasfalteerde weg zonder verkeersdrempels met een maximum snelheid van 30 km/uur. Er is geen aanleiding om te verwachten dat deze weg trillingshinder veroorzaakt. Ook op de Hogeweg zijn er geen drempels aanwezig. Ter hoogte van het plangebied zijn op de Hogezoom enkele snelheidsnelheidsremmers geplaatst. De Hogezoom ligt op circa 50 meter van het plangebied. Gezien de aanwezigheid van snelheidsremmers in combinatie met het smalle profiel van de weg is geen trillingshinder te verwachten. In de omgeving is geen spoorweg of industrieterrein aanwezig die leiden tot trillinghinder.
5.8.3 Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering
5.9
Water
5.9.1 Toetsingskader Algemeen In ruimtelijke plannen moet voldoende aandacht besteed worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. Regelgeving In de Startovereenkomst Waterbeleid 21e eeuw tussen rijk, provincies, Waterschappen en gemeenten (d.d. 14 februari 2001) is overeengekomen dat vanaf de ondertekening van deze overeenkomst op alle voor de waterhuishouding relevante nieuwe ruimtelijke plannen een zogenaamde watertoets uitgevoerd dient te worden. Concreet betekent de invoering van de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.6, eerste lid, onder b, Bro. In artikel 3.1.1. van het Bro is vastgelegd dat bij het opstellen van het bestemmingsplan overleg dient plaats te vinden met de waterbeheerder. Water dient in een zo vroeg mogelijk moment in de planvorming te worden meegenomen.
Bij voorkeur in de initiatieffase. Grondwateronttrekking Zorgvuldig omgaan met grondwaterwinning beperkt het risico op verzilting van het vaak schaarse zoete grondwater. Door verzilting neemt het zoutgehalte van het (grond)water en de bodem toe. Verzilting kan tot schade leiden voor de landbouw, omdat het grondwater minder of ongeschikt wordt voor beregeningsdoeleinden. Winning van grondwater kan verlaging van de grondwaterstand en daarmee verdroging van gebieden tot gevolg hebben. Om verdroging tegen te gaan zijn in kwetsbare gebieden, bijvoorbeeld (natte) natuurgebieden en grondwaterbeschermingsgebieden, alleen grondwaterwinningen op basis van een melding toegestaan als ze kortdurend zijn (maximaal 6 maanden) en een laag debiet hebben (maximaal 100 m3 per uur en
62
maximaal 1.000 m3 per maand) hebben. Voor alle andere grondwateronttrekkingen is altijd een vergunning van het waterschap of de provincie vereist. 5.9.2 Toetsing Er is aan de hand van de criteria uit de Handreiking watertoets van het Waterschap Scheldestromen nagegaan of het voorliggende plan strijdig is met de waterdoelstellingen c.q. noodzaakt tot waterhuishoudkundige maatregelen. Hierna wordt per thema ingegaan op de wateraspecten. Tabel 5.1: Criteria uit de Handreiking watertoets van het Waterschap Scheldestromen Thema en water(beheer)doelstelling
Uitwerking
Veiligheid waterkeringen Waarborgen van het veiligheidsniveau en rekening houden met de daarvoor benodigde ruimte.
Het plangebied ligt niet in de nabijheid van een waterkering
Voorkomen overlast door oppervlaktewater 41.500 m2 grondoppervlak wordt nieuw verhard Het plan biedt voldoende ruimte voor het (22.000 m2 wegen, 19.500 m2 daken). vasthouden, bergen en afvoeren van water. Waarborgen van voldoende bouwpeil om inundatie Er wordt geen bodemverharding verwijderd en geen vanuit oppervlaktewater in maatgevende situaties te wateroppervlak gedempt. Er wordt geen voorkomen. Rekening houden met de gevolgen van wateroppervlak nieuw gecreëerd. klimaatverandering en de kans op extreme weersituaties. De afwatering wordt per individueel huisje naar een berm of infiltratievoorziening geleid. De nieuw aan te leggen wegen zullen naar onverharde bermen afvloeien. Het afstromende water wordt zoveel als mogelijk lokaal daar waar het valt weer naar de bodem afgevoerd. Een grote centrale collectieve waterberging is niet voorzien. Voor de afstroom van de verharding van de centrale voorzieningen worden wel voorzieningen getroffen. Of dit droogvallende (wadi's) of permanent watervoerende watergangen worden is nog niet uitgewerkt. De voorzieningen zullen aan de compensatie eisen van het waterschap voldoen en door de initiatiefnemer worden onderhouden. Binnen de plangrenzen is voldoende ruimte voorzien om deze voorzieningen te realiseren.
63
Voorkomen overlast door hemel- en Het hemelwater wordt per huisje afgevoerd naar afvalwater een infiltratievoorziening. Het waterschap heeft (per (inclusief water op straat / overlast) email van 20 januari 2022) aangegeven dat het Waarborgen optimale werking van de zuiveringen/ afstromende hemelwater bij voorkeur niet wordt RWZI's en van de (gemeentelijke) rioleringen. geïnfiltreerd. Met het waterschap wordt nader Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken in overlegd welke alternatieven er zijn en hoe daar verband met de reductie van hydraulische belasting mee omgegaan wordt ten aanzien van hydrologisch van de RWZI, het transportsysteem en het neutraal bouwen en geen nadelige effecten op de beperken van overstorten. nabijgelegen natuurgebieden (verdroging). Het afstromende water van de wegen wordt afgevoerd naar de berm. Grondwaterkwantiteit en verdroging In het zuidelijk deel van het projectgebied is naar Tegengaan / verhelpen van grondwateroverlast en verwachting de ontwateringsdiepte onvoldoende. -tekort. Rekening houden met de gevolgen van Daarom wordt ter plaatse van wegen en bebouwing klimaatverandering. Beschermen van het plangebied lokaal opgehoogd. Het waterschap infiltratiegebieden en -mogelijkheden. heeft (per email van 20 januari 2022) aangegeven dat het afstromende hemelwater bij voorkeur niet wordt geïnfiltreerd.
Met het waterschap wordt nader overlegd welke alternatieven er zijn en hoe daar mee omgegaan wordt ten aanzien van hydrologisch neutraal bouwen en geen nadelige effecten op de nabijgelegen natuurgebieden. Grondwaterkwaliteit Behoud / realisatie van een goede grondwater-kwaliteit. Denk aan grondwaterbeschermingsgebieden.
Bij de bouw van de recreatiewoningen wordt rekening gehouden met het Bouwbesluit. Dit betekent dat geen uitlogende of anderszins verontreinigende stoffen worden toegepast.
Oppervlaktewaterkwaliteit Behoud / realisatie van goede oppervlaktewaterkwaliteit. Vergroten van de veerkracht van het watersysteem. Toepassing van de trits schoonhouden, scheiden en zuiveren.
Bij de bouw zal conform het Bouwbesluit worden gebouwd. Er worden geen uitlogende materialen toegepast
Volksgezondheid (water gerelateerd) Nieuwe watergangen worden niet voorzien. Ook Minimaliseren risico watergerelateerde ziekten en zijn geen grote (diepe) collectieve water bergingen plagen. Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-risico's voorzien. via o.a. de daarvoor benodigde ruimte. Bodemdaling Voorkomen van maatregelen die (extra) maaiveldsdalingen in zettinggevoelige gebieden kunnen veroorzaken.
64
Het water wordt zoveel als mogelijk lokaal weer geïnfiltreerd. Het plan is daarmee grondwater neutraal en heeft geen verdrogend effect.
Natte natuur Binnen de projectgrenzen zijn geen aangewezen Ontwikkeling/bescherming van een rijke gevarieerde natuurwaarden aanwezig. Ten noordwesten van het en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur. plangebied ligt een natuurgebied. Bij de aanleg van nutsvoorzieningen en riolering is naar verwachting kortstondig bemaling noodzakelijk. Bij de uitvoering zal aandacht zijn voor de tijdelijke effecten. In verband met het kortdurende karakter en de beperkte verlagingen die nodig zijn worden nadelige effecten niet verwacht. Onderhoud oppervlaktewater In de plannen wordt geen nieuw permanent Oppervlaktewater moet adequaat onderhouden oppervlaktewater gerealiseerd. De waterbergende worden. Rekening houden met obstakelvrije voorzieningen worden door de initiatiefnemer onderhoudsstroken vrij van bebouwing en opgaande onderhouden. (hout)beplanting.
Andere belangen waterbeheer Relatie met eigendom waterbeheerder Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de werking van objecten (terreinen, milieuzonering) van de waterbeheerder niet belemmeren.
Het noordelijk deel van het projectgebied is gelegen in de bufferzone van een kwetsbaar natuurgebied. De zuidrand van het zuidelijk deel is gelegen in een zeer gering kwelgebied.
Scheepvaart en/of wegbeheer Er vinden geen transporten plaats over wegen van Goede bereikbaarheid en in stand houden van het waterschap. veilige vaarwegen en wegen in beheer en onderhoud bij Rijkswaterstaat, de provincie en/of het De toename van verkeer is beperkt. Ontsluiting waterschap. vindt plaats via de bestaande weg Hogezoom. Er wordt op eigen terrein geparkeerden er wordt niet binnen 20 meter van een waterschapsweg een bouwwerk ver- of gebouwd. 5.9.3 Conclusie De watertoetstabel is per email voorgelegd aan het waterschap op 29 november 2021. Na een herinnering 10 december 2021 heeft het waterschap op 16 december gereageerd en gevraagd of er een meer gedetailleerde plantekening beschikbaar was. Na verstrekken van nadere info op 17 december 2021 is op 20 januari 2022 van het waterschap de reactie ontvangen, dat het waterschap adviseert om het hemelwater niet te infiltreren. Aangezien infiltreren noodzakelijk is om hydrologisch neutraal te kunnen ontwikkelen is gevraagd welke alternatieven het waterschap voorziet. Op 27 januari 2022 heeft het waterschap aangegeven, dat waterneutraal bouwen ook bij het waterschap een uitgangspunt is. Echter, zo merken ze op, juist in dit gebied worden we geconfronteerd met wateroverlastsituaties, die mede het gevolg zijn van de hoge grondwaterstanden.
We moeten dan ook voorzichtig zijn om bij nieuwe initiatieven het verharde oppervlak volledig af te koppelen via bodeminfiltratie. Andere mogelijkheden zijn uitbreiden van het oppervlaktewater, vertraagde afvoer naar het oppervlaktewater door middel van wadi`s al dan niet in combinatie met bermpassages. Bij dit initiatief lijkt volgens het waterschap, gezien de voor Zeeuwse begrippen grote hoogteverschillen, een combinatie van genoemde alternatieven inclusief bodeminfiltratie wel mogelijk. Initiatiefnemer gaat uit van bodeminfiltratie. Nadere afstemming over de omgang met hemelwater vindt plaats bij de verdere uitwerking van de ontwikkeling. Het bestemmingsplan is in het kader van het overleg ex artikel 3.1.1. Bro eerst voorgelegd aan het waterschap Scheldestromen voor het formele wateradvies. Bij de vrijgave van het
65
ontwerpbestemmingplan was dit advies nog niet ontvangen. Het waterschap heeft tijdens de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan aangegeven de kennisgeving van het voorontwerp en ontwerp bestemmingsplan niet te hebben ontvangen. Het waterschap heeft in dat kader een zienswijze kenbaar gemaakt. Naar aanleiding daarvan en de voor de start van de uitwerking van de waterhuishouding heeft er op 11 april 2023 overleg plaatsgevonden met het waterschap Scheldestromen. In dit overleg heeft het waterschap wensen, eisen en aandachtspunten met betrekking tot het plan benoemd. Op basis daarvan worden bij de uitwerking van het waterhuishoudingsplan de volgende uitgangspunten gehanteerd: het maaiveld van het zuidelijk deel van het plangebied wordt opgehoogd tot een niveau dat wateroverlast tot een minimum beperkt wordt; in de zomer mag de grondwaterstand niet verlaagd worden. watergangen die gedempt worden dienen 1 op 1 te worden gecompenseerd, ook de watergangen die een gedeelte van het jaar droog staan. Deze hebben wel een afwaterende functie. Voor de watergangen die gedempt worden kan uitgegaan worden van een diepte van 40cm en een breedte van 50cm. de watergang parallel aan de Kooijmansweg, onder de geplande entree en aan de oostzijde van de woning Kooijmansweg 7 is een afvoerende watergang. Deze blijft behouden. Indien hemelwater versneld wordt afgevoerd d.m.v.
kolken en/of drainage dienen deze verharde oppervlakken gecompenseerd te worden. Hier geldt de regel dat het oppervlak vermenigvuldigd met 0,075 het aantal kubieke meters vertegenwoordigt. indien al het hemelwater, ook van de daken van de woningen, vertraagd wordt afgevoerd – met greppels en wadi's hoeft er geen watercompensatie te worden opgenomen. voor het aanleggen van de riolering (HWA en DWA) is een watervergunning vereist. Deze wordt aangevraagd. langs de watergangen aan de zuidoost- en noordoostzijde dient een onderhoudsstrook van 5 meter beschikbaar te blijven. bij de noordoostzijde zijn ook bestaande bomen en struiken aanwezig in de onderhoudsstrook. Het waterschap geeft aan dat als dit er al staat, dit niet verwijderd hoeft te worden. Echter als er nieuwe bomen gepland worden mag dit in deze strook h.o.h. 12m (minimaal), 1 meter uit de insteek sloot.
5.10
Flora en fauna
5.10.1 Toetsingskader Algemeen In deze paragraaf wordt het toetsingskader op het vlak van ecologie beschreven. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden. Regelgeving De regelgeving voor de flora en fauna is sinds 1 januari 2017 gebundeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora en faunawet en de Boswet. De Wet Natuurbescherming regelt zowel de soortenbescherming als gebiedsbescherming. Gebiedsbescherming: Wet natuurbescherming (hoofdstuk 2) en Natuurnetwerk Nederland) De gebiedsbescherming is verankerd in de Wet natuurbescherming en de regelgeving rondom het Natuurnetwerk Nederland (NNN), in voorliggende situatie Natuurnetwerk Zeeland genoemd. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming dan wel het NNZ de uitvoering van het plan niet in de weg staat. In het kader van de Wet natuurbescherming zijn binnen de gemeente de volgende Natura 2000-gebieden aangewezen: Voordelta, Oosterschelde, Grevelingen en Kop van Schouwen. Daarnaast loopt nog steeds een aanwijzingsprocedure voor het Krammer Volkerak.
66
Per Natura 2000-gebied worden in een aanwijzingsbesluit de instandhoudingdoelstelling voor bepaalde soorten of habitattypes bepaald en worden beheerplannen opgesteld. In een dergelijk beheerplan staat onder meer aangegeven voor welke nieuwe activiteiten geen vergunning nodig is. Ook activiteiten buiten de natuurgebieden kunnen effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen. Vandaar dat hier vooraf onderzoek naar moet worden verricht. Als er wel effecten zijn op de instandhoudingsdoelstellingen dan zal voor de activiteit een vergunning Wet Natuurbescherming moeten worden aangevraagd bij het bevoegd gezag (Provincie of Ministerie EZ). De gebieden die vallen onder de NNZ zijn aangegeven op de onderstaande kaart (zie ook Geoloket provincie Zeeland). Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kunnen niet zonder meer bestemmingsplanmatig mogelijk worden gemaakt als sprake is van negatieve effecten op de gebiedsafhankelijke kenmerken en waarden van de NNZ.
Figuur 5.9: Natuur Netwerk Zeeland Soortbescherming (hoofdstuk 3 Wet natuurbescherming) De soortenbescherming bestaat uit drie beschermingsregimes. Twee volgen er uit Europese wetgeving. Volgens de wet zijn de soorten uit de Vogelrichtlijn (VRL) beschermd (artikelen 3.1-3.4 Wnb) en de soorten die genoemd worden in de Habitatrichtlijn (HRL) (artikelen 3.5-3.9. Wnb) Daarnaast is er ook nog een nationale lijst met beschermde soorten (3.10 Wnb). Deze soorten staan vermeld in de bijlage van de wet. Voor alle bestemmingsplannen geldt dat onderzoek moet worden uitgevoerd naar mogelijke beschermde soorten die in het plangebied voorkomen. Stikstofdepositie
67
Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering van kracht is geworden. Deze wet voorzag in een vrijstelling voor een bouwactiviteit of een sloopactiviteit die het feitelijk verrichten van bouw- of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk betreft, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen. Door een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State op 2 november 2022 is deze bouwvrijstelling komen te vervallen. Als een bestemmingsplan een mogelijke toename van de stikstofemissie toestaat, moet in het plan gemotiveerd worden hoe de depositie eruit ziet en hoe zich dat verhoudt tot de kritische depositiewaarde en de nog beschikbare ruimte voor stikstoftoename. Hierbij moet zowel de aanlegfase als de gebruiksfase worden onderzocht. Als een bestemmingsplan een mogelijke toename van de stikstofemissie toestaat, moet in het plan gemotiveerd worden hoe de depositie eruit ziet en hoe zich dat verhoudt tot de kritische depositiewaarde en de nog beschikbare ruimte voor stikstoftoename. 5.10.2 Toetsing In het kader van het bestemmingsplan is een natuurtoets en een voortoets opgesteld, zie bijlage 9. De resultaten van dit onderzoek zijn hieronder samengevat. Tevens zijn er twee stikstofonderzoeken uitgevoerd, zie bijlage 10 en 11.
Beschermde gebieden De werkzaamheden ten behoeve van de voornemens vinden plaats op 15 meter afstand van NNN-gebied en Natura 2000-gebied. Deze gebieden liggen binnen de invloedsfeer van het plangebied. Natuurnetwerk Zeeland (NNZ) Voor wat betreft de NNZ is bij (in)directe aantasting sprake van vervolgstappen, waaronder compensatie. Er bevinden zich geen NNZ-gebieden binnen het plangebied. Er is van directe aantasting van de NNZ dan ook geen sprake. In de omgeving van het plangebied liggen wel NNZ-gebieden. Er ligt een NNZ gebied op 15 meter afstand van het noordelijke perceel. Dit gebied ligt binnen de 100 meter zone die door de provincie Zeeland is aangewezen als toetsingszone. Dit houdt in dat de voornemens dienen te worden beoordeeld op negatieve effecten. Voor een NNZ-gebied geldt dat de wezenlijke waarden en kenmerken van dat gebied niet mogen worden aangetast, ook mogen de gestelde ambities niet belemmerd worden. Als ecologische (wezenlijke) waarden en kenmerken van een NNZ-gebied gelden de natuurbeheertypen zoals vastgelegd op de beheertypenkaart en de ambitiekaart van het natuurbeheerplan. Daarnaast zijn de volgende aspecten een kernkwaliteit van het NNZ: uitwisselingsmogelijkheden (doel 'verbinden'); natuurlijke eenheid en aaneen geslotenheid (doel 'vergroten'); kwaliteit van het NNZ en van leefgebied van soorten (doel 'kwaliteitsverbetering).