Noordzee Residence Renesse Bijlagen bij toelichting Bijlage 15 Nota Zienswijzen
Tekst van het document
47
7.
Bij de laddertoets is het logisch dat er ook gekeken wordt naar wat er nog meer in de buurt gebeurt (cumulatie). Het wordt ontkend dat het een nieuwe ontwikkeling is. Dat is het onzes inziens wel; dit plan had immers niet uitgevoerd kunnen worden conform het geldende bestemmingsplan met als bestemming kampeerterrein.
In de toelichting is op basis van jurisprudentie gemotiveerd dat het plan wel een stedelijke ontwikkeling is ,maar geen nieuwe stedelijke ontwikkeling betreft en dat dus de ladder toets niet aan de orde is. De term stedelijke ontwikkeling is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Op grond van die definitie is voorliggend plan wel een stedelijke ontwikkeling. In artikel 3.1.6. lid 2 Bro is bepaald dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking. In de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan is in paragraaf 2.5 gemotiveerd, dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, omdat er sprake is van een functiewijziging (die ook nog eens van verblijfsrecreatieve aard blijft). Het geldende bestemmingsplan staat 422 permanente standplaatsen toe voor stacaravans. In lid 1.110 is een permanente standplaats gedefinieerd als een standplaats bestemd voor het plaatsen van een kampeermiddel of een kampeerhuisje en twee bijzettentjes van maximaal acht vierkante meter, dat gedurende het gehele jaar aanwezig mag zijn ten behoeve van recreatief nachtverblijf. In lid 1.65 is aangegeven, dat een stacaravan valt onder de definitie van een kampeermiddel. Er zijn daarnaast 145 niet-permanente standplaatsen toegestaan.
Deze plekken zijn volgens lid 1.110 bestemd voor het plaatsen van één of meerdere kampeermiddelen, niet zijnde een stacaravan, gedurende het zomer- en/of winterseizoen (dus ook jaarrond). Daarbij dient er volgens het bestemmingsplan sprake te zijn van een centrale bedrijfsmatige exploitatie, hetgeen is gedefinieerd als het via een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon voeren van een gezamenlijk beheer en exploitatie van recreatiewoningen, kampeerterreinen en kampeermiddelen, gericht op het bieden van (permanent wisselende) recreatieve (nacht)verblijfsmogelijkheden. Het gebruik, zoals geregeld in het geldende bestemmingsplan komt dus overeen met het gebruik in de beoogde situatie (jaarrond gebruik als verblijfsrecreatieterrein). In de nieuwe situatie worden er in plaats van 422 stacaravans en 145 niet-permanente standplaatsen maximaal 285 recreatiewoningen toegestaan. Deze planologische functiewijziging heeft niet een zodanige aard en omvang, dat er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als dit wordt beoordeeld op basis van de ruimtelijke uitstraling van de in het nieuwe plan voorziene functie en de mogelijkheden die het geldende
48
bestemmingsplan biedt c.q. hetgeen ten tijde van de exploitatie als kampeerterrein aan de orde was. Er zijn in het nieuwe plan veel minder verblijfsrecreatieve eenheden. Ze zijn wel groter. Het geldende plan staat toe: 422 stacaravans van maximaal 55 m2 groot met een maximum bouwhoogte van 5 meter en 145 kampeerhuisjes van 75 m2 met een bouwhoogte van maximaal 5,5 meter hoog. Het nieuwe plan omvat ten hoogste 285 recreatiewoningen van maximaal 75 m2 groot (waarbij 50 recreatiewoningen van 80 m2 en 20 van 100 m2 Zijn toegestaan) met een bouwhoogte van maximaal 8 meter en een goothoogte van 4 meter. Het nieuwe plan leidt ten opzichte van een maximale planologische invulling van het geldende bestemmingsplan bovendien tot minder verkeersbewegingen. De impact op de ruimtelijke uitstraling is naar aard en omvang niet zodanig, dat het nieuwe bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt.
8.
De reclamant heeft een aantal bezwaren tegen stikstofberekening. Een nieuwe Aerius berekening ontbreekt. Liefst een nieuwe met alles van de bovenstaande zienswijzen in verwerkt. De provincie stelt in de vooroverlegreactie (bijlage 11) dat de aangekondigde nieuwe versie van de Aerius calculator bij vaststelling van het bestemmingsplan moet worden gebruikt. Er is niet gewacht met de ter inzage legging van voorliggend ontwerp en daardoor is de reclamant niet in de gelegenheid gesteld om de nieuwe Aerius berekening 2022 te beoordelen. Interne saldering moet geschrapt worden. Als referentiesituatie voor interne saldering wordt genomen de feitelijk in gebruik zijnde kampeermiddelen op de peildatum 24-
Aangegeven is ook dat bij de toets of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening moet worden gemotiveerd, dat de mogelijk gemaakte ontwikkeling voorziet in een behoefte. In dat kader is een behoefte onderzoek uitgevoerd, dat als bijlage bij de toelichting zit. Daarbij is ook gekeken naar wat er in de buurt gebeurt. Er is onderzoek gedaan naar de behoefte en het planaanbod aan huisjesterrein in heel Zeeland. Zie daarvoor de als bijlage 3 bij het bestemmingsplan gevoegde ‘Laddertoets’. Nieuw AERIUS model Bij het ontwerpplan is geregeld met het AERIUS model dat toe actueel was. De AERIUS berekeningen voor zowel de aanleg als de gebruiksfase zijn geactualiseerd, waarbij het meest recente AERIUS model is gebruikt (AERIUS 2022), dat 26 januari 2023 ter beschikking is gesteld en is ook rekening is gehouden met de aangepaste wijze van ontsluiten. Geen gelegenheid op berekeningen met nieuwe AERIUS te reageren Reclamant kan na vaststelling van het bestemmingsplan gedurende de beroepstermijn tegen het aangepaste stikstofonderzoek beroep aantekenen. Schrappen interne saldering Bij het bepalen van de referentiesituatie is aangesloten bij de jurisprudentie.
Uit de uitspraak van de Raad van State over het bestemmingsplan en het exploitatieplan "Zandzoom 2019" (ABRS 1 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1960) volgt dat in het kader van interne saldering activiteiten meegenomen worden in de referentiesituatie, ook wanneer die beëindigd zijn voor de gehanteerde peildatum (voorafgaand aan de vaststelling
49
09-2009, de datum van de opzeggingsbrief aan de standplaatshuurders van camping Bonafide. Uit de brief blijft dat de standplaatshuur wordt opgezegd om ontwikkeling van een vakantiepark met kampeermiddelen, kampeerhuizen en een centrumvoorziening mogelijk te maken. Dit plan is nooit goedgekeurd en heeft planologisch nooit bestaan. De bestemming in bestemmingsplan Kop van Schouwen hebben altijd nog dezelfde bestemming gehad als toen de campings nog in gebruik waren. De huur is ook niet opgezegd om dit plan van 285 recreatiewoningen te realiseren. De huurders van de standplaatsen zijn destijds voor de rechter in het gelijk gesteld dat de huuropzegging onrechtmatig was, maar toen de uitspraak gedaan werd waren bijna alle huurders al vertrokken. Het staat niet onomstotelijk vast dat de vroegere activiteiten uitsluitend zijn beëindigd om de ontwikkeling van dit recreatiepark met max. 285 recreatiewoningen mogelijk te maken. Daarom kan er niet intern gesaldeerd worden met het in 2009 in bedrijf zijn van deze twee campings. Daarnaast is er wel degelijk sprake geweest van (tijdelijke) stikstofemissie veroorzakende activiteiten in het plangebied. Deze percelen zijn namelijk een aantal winters gebruikt door stratenmakers die werkten aan herbestrating van Renesse.
van het bestemmingsplan), als onomstotelijk vaststaat dat de activiteiten uitsluitend zijn beëindigd ten behoeve van de ontwikkeling die het plan mogelijk maakt. Dat betekent dat uit een schriftelijk stuk, zoals een koopovereenkomst, moet blijken dat de activiteit is beëindigd ten behoeve van de ontwikkeling die het plan mogelijk maakt. Het gaat daarbij om een schriftelijk stuk dat dateert uit de periode dat de activiteit werd beëindigd of daarvoor. Daarnaast moet uitgesloten zijn dat de activiteit sowieso zou zijn beëindigd voor de gehanteerde peildatum. Verder is vereist, dat in de periode tussen de beëindiging van de activiteit en de vaststelling van het plan geen andere stikstofveroorzakende activiteiten zijn ontplooid op het desbetreffende perceel. Het is in overeenstemming met de Wnb om een al beëindigde activiteit die aan deze strikte voorwaarden voldoet mee te nemen in de referentiesituatie. Zo overweegt de Afdeling bestuursrechtspraak expliciet. In het stikstofonderzoek is onderbouwd dat aan deze voorwaarden wordt voldaan.
Reclamant maakt bezwaar tegen de berekening van de verkeersgeneratie in de referentiesituatie. Er is geen rekening gehouden met het feit dat de niet permanente standplaatsen in de winter niet gebruikt werden en dat de bezettingsgraad van de permanente standplaatsen laag was in de winter. Al met al: het aantal verkeersbewegingen zijn overschat en de stikstofemissie daarvan moet naar beneden bijgesteld worden.
In de AERIUS berekening voor de bouwfase is rekening gehouden met stikstofemissie veroorzakende bouwwerktuigen. Gezien de resultaten is het verplichten van elektrische bouwwerktuigen niet aan de orde.
AERIUS berekeningen bouwfase zijn onjuist. Volgens reclamant moet het gebruik van stikstofemissieveroorzakende bouwwerktuigen in de Aerius berekening voor bouwfase
Het stikstofonderzoek is derhalve op de juiste wijze uitgevoerd. Er hebben geen relevante stikstofveroorzakende activiteiten plaatsgevonden in de tussentijd. Bij de AERIUS berekening is rekening gehouden met seizoensinvloeden voor wat betreft gasverbruik. Voor de verkeersgeneratie geldt dat de gehanteerde norm een gemiddelde is voor de verkeersgeneratie gedurende het gehele jaar. Daarbij is derhalve in de norm al rekening gehouden met wisselingen in de bezettingsgraad gedurende het jaar. Bij de gehanteerde gemeentelijke normen wordt onderscheid gemaakt in stacaravans en toeristische standplaatsen. Beide hebben in het beleid dezelfde norm.
Voor wat betreft het borgen in het bestemmingsplan, dat de recreatiewoningen en centrumgebouwen in de gebruiksfase stikstofemissieloos zullen zijn en blijven geldt het volgende. In het stikstofonderzoek is het uitgangspunt gehanteerd, dat de bebouwing niet zal worden aangesloten op het gastransportnet. Dit uitgangspunt is reëel en aannemelijk, omdat in de Gaswet als wettelijk uitgangspunt is opgenomen, dat nieuwbouwprojecten niet worden aangesloten op het gastransportnet en het niet aannemelijk is dat voor dit project een uitzondering zal worden gemaakt. Alleen in gevallen waarin aansluiting op het gastransportnet strikt noodzakelijk is om zwaarwegende redenen van algemeen belang kan een uitzondering worden
50
meegeteld worden. Dit is op te lossen door bij de bouwregels het volgende toe te voegen: de verplichting tot gebruik van elektrische bouwwerktuigen.
gemaakt. Dat is hier niet aan de orde. Desondanks zullen we om tegemoet te komen aan de zienswijze in de planregels borgen dat de bebouwing gasloos moet zijn en blijven.
AERIUS berekeningen gebruiksfase zijn onjuist. Er moet geborgd worden dat de recreatiewoningen en centrumgebouwen in de gebruiksfase stikstofemissieloos zullen zijn en blijven.
2.15. Zienswijze 15 Samenvatting zienswijze 1. Reclamant maakt zich grote zorgen om de grote hoeveelheden van verblijfsrecreatie ontwikkelingsplannen in de Kop van Schouwen. De ontwikkelingen veroorzaken een grote aanslag op de bijzondere natuur en landschapswaarden van dit gebied. Het Schouwse duingebied heeft een waardevolle schatkist met organismen en beplanting die behouden moeten blijven. Daarnaast is er nu zo een groot stikstofprobleem voor het overbelaste gebied Kop van Schouwen, dat er een directe bouwstop voor alle geplande bouwprojecten in de Westhoek noodzakelijk zal zijn. Ook kunnen de landelijke weggetjes de verkeersstromen niet aan.
Reactie gemeente Er is in het kader van het bestemmingsplan een Natuurtoets – Voortoets uitgevoerd, waarbij in het kader van zowel de soortenbescherming als de gebiedsbescherming de effecten op de natuur zijn beoordeeld. Hieruit volgt dat de Wet natuurbescherming en het Natuurnetwerk Zeeland geen belemmering zijn voor de uitvoering van het plan, mits de maatregelen worden genomen en indien nodig een ontheffing wordt aangevraagd en de daaruit voortvloeiende mitigerende maatregelen worden genomen. Ook is er een stikstofonderzoek gedaan voor de bouw- en gebruiksfase. Dat onderzoek is geactualiseerd met het meest recente AERIUS-model dat 26 januari 2023 beschikbaar is gesteld. Hieruit volgt dat de berekende stikstofdepositie o een Natura 2000-gebied niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Ten aanzien van cumulatie van stikstof geldt, dat de drie ontwerpbestemmingsplannen sec niet leiden tot een toename van stikstof. Alleen al om die reden hoeft in het onderzoek naar de stikstofdepositie geen rekening te worden gehouden met de overige ontwikkelingen. Dit is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling).
Concreet betekent dit, dat wanneer een plan (of project) op zichzelf niet leidt tot een toename van stikstofdepositie (= de berekende stikstofdepositie bedraagt niet meer dan 0,00 mol N/ha/jr), het betreffende plan (of project) om die reden geen negatieve stikstofdepositie gevolgen heeft en dat aan cumulatie met andere plannen en/of projecten om die reden niet wordt toegekomen. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1210). De verkeersafwikkeling van het plan gaat grotendeels over de Kooijmansweg - Lagezoom. Die wegen zijn geschikt voor de afwikkeling van het verkeer.
51
2.
Reclamant ondersteunt volledig de zienswijzen van de reclamant zoals onder zienswijze 14 is beschreven.
Voor de beantwoording van de zienswijzen van Stichting Duinbehoud verwijzen we naar de beantwoording in paragraaf 2.14.
3.
Reclamant is het volledig oneens met de ladder voor duurzame verstedelijking en vindt dat dit wel een nieuwe en erg omvangrijke stedelijke ontwikkeling is. Reclamant laat weten dat het gebied al 13 jaar een groen en rustig gebied is. Na de realisatie van het project zal het een drukke stadswijk worden met veel verkeersoverlast.
De term stedelijke ontwikkeling is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Voorliggend plan is een stedelijke ontwikkeling. In artikel 3.1.6. lid 2 Bro is bepaald dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking. In de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan is in paragraaf 2.5 gemotiveerd, dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, omdat er sprake is van een functiewijziging (die ook nog eens van verblijfsrecreatieve aard blijft).
Er wordt gerefereerd aan de twee campings die 13 jaar geleden aanwezig waren. Dit is niet te vergelijken met dit massieve ontwerp. Hierdoor vindt de reclamant de toepassing van de ladder wel noodzakelijk. Ook is de reclamant het niet eens met dat het plangebied een bestaand stedelijk gebied is. Er wordt uitgegaan van een papieren werkelijkheid.
Het geldende bestemmingsplan staat 422 permanente standplaatsen toe voor stacaravans. In lid 1.110 is een permanente standplaats gedefinieerd als een standplaats bestemd voor het plaatsen van een kampeermiddel of een kampeerhuisje en twee bijzettentjes van maximaal acht vierkante meter, dat gedurende het gehele jaar aanwezig mag zijn ten behoeve van recreatief nachtverblijf. In lid 1.65 is aangegeven, dat een stacaravan valt onder de definitie van een kampeermiddel. Er zijn daarnaast 145 niet-permanente standplaatsen toegestaan. Deze plekken zijn volgens lid 1.110 bestemd voor het plaatsen van één of meerdere kampeermiddelen, niet zijnde een stacaravan, gedurende het zomer- en/of winterseizoen (dus ook jaarrond). Daarbij dient er volgens het bestemmingsplan sprake te zijn van een centrale bedrijfsmatige exploitatie, hetgeen is gedefinieerd als het via een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon voeren van een gezamenlijk beheer en exploitatie van recreatiewoningen, kampeerterreinen en kampeermiddelen, gericht op het bieden van (permanent wisselende) recreatieve (nacht)verblijfsmogelijkheden. Het gebruik, zoals geregeld in het geldende bestemmingsplan komt dus overeen met het gebruik in de beoogde situatie (jaarrond gebruik als verblijfsrecreatieterrein).
In de nieuwe situatie worden er in plaats van 422 stacaravans en 145 niet-permanente standplaatsen maximaal 285 recreatiewoningen toegestaan. Deze planologische functiewijziging heeft niet een zodanige aard en omvang, dat er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als dit wordt beoordeeld op basis van de ruimtelijke uitstraling van de in het nieuwe plan voorziene functie en de mogelijkheden die het geldende
52
bestemmingsplan biedt c.q. hetgeen ten tijde van de exploitatie als kampeerterrein aan de orde was. Er zijn in het nieuwe plan veel minder verblijfsrecreatieve eenheden. Ze zijn wel groter. Het geldende plan staat toe: 422 stacaravans van maximaal 55 m2 groot met een maximum bouwhoogte van 5 meter en 145 kampeerhuisjes van 75 m2 met een bouwhoogte van maximaal 5,5 meter hoog. Het nieuwe plan omvat ten hoogste 285 recreatiewoningen van maximaal 75 m2 groot (waarvan 50 van 80 m2 en 20 van 100 m2) met een bouwhoogte van maximaal 8 meter en een goothoogte van 4 meter. Het nieuwe plan leidt ten opzichte van een maximale planologische invulling van het geldende bestemmingsplan bovendien tot minder verkeersbewegingen. De impact op de ruimtelijke uitstraling is naar aard en omvang niet zodanig, dat het nieuwe bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. Voor wat betreft ‘bestaande stedelijk gebied ‘geldt het volgende. In het besluit ruimtelijke ordening is in artikel 1.1.1 de volgende definitie hiervoor gegeven: ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociale culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur” Uit de rechtspraak blijkt dat ook de geldende bestemming van een plangebied relevant is.
Het geldende bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van verblijfsrecreatie al mogelijk. Het plangebied is bestemd als ‘Recreatie-Kampeerterrein’ en kan daarmee worden gekenmerkt als ’stedelijke’ functie. We concluderen op basis hiervan van dat er sprake is van een ontwikkeling binnen bestaande stedelijk gebied. 4.
Met de opmerkingen en voorstellen die in zienswijze 14 aangegeven worden is reclamant het volledig eens. Nieuwe stikstofberekeningen zijn noodzakelijk, welke tot een verplicht Nbw-vergunning zullen leiden. Het uitgangspunt om gebruik te maken van intern salderen door hiervoor terug te vallen op de oude situatie van de twee campings 13 jaar geleden is niet meer toepasbaar.
Voor de beantwoording van deze zienswijzen verwijzen we naar de beantwoording in paragraaf 2.14.
53
2.16. Zienswijze 16 Samenvatting zienswijze 1. De kennisgeving van het voorontwerp en ontwerp bestemmingsplan is niet bij het Waterschap ontvangen. Naar aanleiding van de waterparagraaf geeft de reclamant het volgende mee. Het park ligt in gevoelig gebied voor wateroverlast. Onduidelijk is op welke wijze de waterberging plaatsvindt. Vanuit de gevoeligheid van wateroverlast is de vraag of in de Kop van Schouwen kan worden geïnfiltreerd. Daarover ontbreken onderzoeksgegevens van de initiatiefnemer. Ook zijn er onduidelijkheden over het beheer en onderhoud en obstakelvrije onderhoudsstroken. De reclamant verzoekt de gemeente en initiatiefnemer voor vaststelling duidelijkheid te geven over het waterbeheer en het onderhoud daarvan. Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang dat geen wateroverlast ontstaat voor de initiatiefnemer en zijn omgeving.
Reactie gemeente Bij de uitwerking van de waterhuishouding wordt rekening gehouden met deze zienswijze. Het waterhuishoudingsplan wordt in overleg met het waterschap opgesteld. Hierbij worden afspraken gemaakt over hoe om te gaan met de benoemde aandachtspunten. In een overleg op 11 april 2023 met het waterschap is vastgelegd dat bij de uitwerking van het waterhuishoudingsplan de volgende uitgangspunten worden gehanteerd: • het maaiveld van het zuidelijk deel van het plangebied wordt opgehoogd tot een niveau dat wateroverlast tot een minimum beperkt wordt; • in de zomer mag de grondwaterstand niet verlaagd worden. • watergangen die gedempt worden dienen 1 op 1 te worden gecompenseerd, ook de watergangen die een gedeelte van het jaar droog staan. Deze hebben wel een afwaterende functie. Voor de watergangen die gedempt worden kan uitgegaan worden van een diepte van 40cm en een breedte van 50cm. • de watergang parallel aan de Kooijmansweg, onder de geplande entree en aan de oostzijde van de woning Kooijmansweg 7 is een afvoerende watergang. Deze blijft behouden. Dit hoeft niet via het bestemmingplan te worden geborgd. De Keur van het waterschap heeft hiervoor een beschermende regeling. • Indien hemelwater versneld wordt afgevoerd d.m.v. kolken en/of drainage dienen deze verharde oppervlakken gecompenseerd te worden.
Hier geldt de regel dat het oppervlak vermenigvuldigd met 0,075 het aantal kubieke meters vertegenwoordigt. • indien al het hemelwater, ook van de daken van de woningen, vertraagd wordt afgevoerd – met greppels en wadi’s hoeft er geen watercompensatie te worden opgenomen. • voor het aanleggen van de riolering (HWA en DWA) is een watervergunning vereist. Deze wordt aangevraagd. • langs de watergangen aan de zuidoost- en noordoostzijde dient een onderhoudsstrook van 5m beschikbaar te blijven. Dit hoeft niet via het bestemmingplan te worden geborgd. De Keur van het waterschap heeft hiervoor een beschermende regeling. • bij de noordoostzijde zijn ook bestaande bomen en struiken aanwezig in de onderhoudsstrook. Het waterschap geeft aan dat als dit er al staat, dit niet
54
verwijderd hoeft te worden. Echter als er nieuwe bomen gepland worden mag dit in deze strook h.o.h. 12m (minimaal), 1 meter uit de insteek sloot. Op basis van de zienwijze is de groene omzoming die via een voorwaardelijke verplichting was geborgd in het ontwerpbestemmingsplan aan de zuid- en oostzijde geschrapt, zodat de daar aanwezige watergangen bereikbaar blijven voor onderhoud door het waterschap. Omdat Noordzee Residence Renesse hier grenst aan de Camping De Oase, was deze voorwaardelijke verplichting voor die zijdes al niet noodzakelijk. Omdat deze uitgangspunten, die ook zijn verwerkt in de waterparagraaf, worden gehanteerd bij de verdere uitwerking van het waterhuishoudkundig plan is voldoende beschreven op welke wijze in het bestemmingsplan rekening is gehouden met de waterhuishouding en is op een goede wijze invulling gegeven aan het watertoetsproces.
55
Hoofdstuk 3.
Samenvatting
In dit hoofdstuk is een overzicht gegeven van de wijzigingen in het vast te stellen uitwerkingsplan. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen wijzigingen als gevolg van zienswijzen en als gevolg van overlegreacties. Tot slot zijn de ambtshalve wijzigingen beschreven.
3.1. Wijzigingen als gevolg van zienswijzen Naar aanleiding van de zienswijze worden de volgende wijzigingen in het bestemmingsplan doorgevoerd. Toelichting • In paragraaf 2.5 is de motivatie, dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling verstevigd. • In paragraf 3.4 is de tekst met betrekking tot de aanduiding ‘begrenzing badplaatsen’ aangepast en is een figuur opgenomen om de leesbaarheid van de paragraaf te verbeteren. • In paragraaf 5.2 is de variantenstudie die als bijlage bij de toelichting is gevoegd samengevat. • In paragraaf 5.6 is nader ingegaan op indirecte hinder (geluid) vanwege wegverkeer van en naar het recreatiepark op de relevante woningen aan de Hogezoom en de Kooijmansweg. Hiervoor is ook een geluidonderzoek uitgevoerd dat is bijgevoegd als bijlage 6. In paragraaf 5.6 is tevens de aangegeven maximum snelheid op de Kooijmansweg aangepast van 30 km/uur naar 60 km/uur. • In paragraaf 5.9 zijn de afspraken met het waterschap over de uitgangspunten voor de waterhuishouding beschreven. • In de toelichting zijn de resultaten van de Variantenstudie naar een alternatieve ontsluiting verwerkt. • Het stikstofonderzoek is aangepast naar aanleiding van de veranderde verkeersafwikkeling door de aangepaste wijze van ontsluiten van het zuidelijk deel van het recreatiepark. De conclusies blijven hetzelfde.
• Cumulatie: In het kader van een goede ruimtelijke ordening is in paragraaf 5.2 voor wat betreft de verkeerssituatie de verkeersafwikkeling in samenhang beoordeeld met de plannen voor Camping De Oase en het Fletcher Hotel. In paragraaf 5.4 is dat gedaan voor het aspect luchtkwaliteit. Regels • in de regels is in lid 4.2.1 een regel toegevoegd, waarbij het bouwen van kelders niet is toegestaan. In artikel 1 is de definitie van een kelder opgenomen, zijnde een ondergronds, voor mensen toegankelijk bouwwerk. • In de regels is aan lid 4.4.1 sub g toegevoegd waarin wordt bepaald dat de bebouwing niet mag worden aangesloten op een distributienet voor gas. • het sublid van lid 4.1 waarin was bepaald dat uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘ontsluiting’ een ontsluitingsweg is toegestaan is als volgt aangepast: ‘uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'ontsluiting'; een ontsluitingsweg voor gemotoriseerd verkeer voor het recreatiewoningenterrein’. Hierdoor kunnen de beide ontsluiting op de Hogezoom wel door langzaam verkeer worden gebruikt en alleen de noordelijke door gemotoriseerd verkeer. In de begrippen is gemotoriseerd verkeer gedefinieerd als alle gemotoriseerde voertuigen behalve bromfietsen, fietsen met trapondersteuning, gehandicaptenvoertuigen en voertuigen voor het beheer en onderhoud (zoals schoonmaak) van het recreatiepark.
56
Verbeelding • De aanduiding ‘ontsluiting’ op het zuidelijk deel van het plangebied is verplaatst van de Hogezoom naar de nieuwe geprojecteerde ontsluiting aan de Kooijmansweg. • De aanduiding ‘speelvoorzieningen’ is ter plaatse van het perceel Hogezoom 136 verder van de perceelsgrens afgelegd om geluidhinder bij de op dit perceel aanwezige verblijfsaccommodaties te voorkomen. • De aanduiding ‘parkeerterrein’ op het noordelijk deel van het plangebied lag op 30 meter van de gevels van de omliggende woningen conform de richtafstand uit de VNG-Handreiking Bedrijven en milieuzonering. Deze parkeerplaats is in noordoostelijke richting verplaatst. De afstand tot omliggende woningen is daardoor vergroot en is nu meer dan 30 meter. • de groene omzoming die via een voorwaardelijke verplichting was geborgd in het ontwerpbestemmingsplan is aan de zuid- en oostzijde geschrapt, zodat de daar aanwezige watergangen bereikbaar blijven voor onderhoud door het waterschap. Hiervoor is de aanduiding ‘groen’ aan de oost- en zuidkant verwijderd, zodat de voorwaardelijke verplichting om daar een groene omzoming te realiseren voor die gronden niet meer van toepassing is.
3.2. Ambtshalve wijzigingen Toelichting Het bestemmingsplan wordt als volgt aangepast naar aanleiding van ambtshalve wijzigingen: • In paragraaf 3.4 is de tekst aangepast waarin was gesteld dat het plan niet op gronden met de aanduiding ‘Groene Zeeuwse topkwaliteit’ is gelegen. Het noordelijk deel van het plan ligt in gebied van Groene Zeeuwse topkwaliteit. De conclusie blijft dat het plan daar geen significant negatief effect op heeft. • Er is in het kader van de Wet natuurbescherming een nader onderzoek naar de effecten op de Noordse woelmuis. Het onderzoek is als bijlage bij de toelichting gevoegd en de resultaten zijn samengevat weergegeven in paragraaf 5.10. In het plangebied zijn geen Noordse woelmuizen aangetroffen. • Het stikstofonderzoek voor zowel de bouwfase als de gebruiksfase zijn geactualiseerd met de nieuwe AERIUS calculator versie 2022. Deze zijn als bijlagen opgenomen. Regels • Clustering van recreatiewoningen is toegestaan 1. In lid 4.2.2 is een nieuw sub c opgenomen: recreatiewoningen mogen uitsluitend vrijstaand worden gebouwd 2. In 4.2.2. is een nieuw lid f opgenomen: In afwijking van het bepaald in lid 4.2.1 onder c mogen recreatiewoningen onder de volgende voorwaarden aaneen (geschakeld) worden gebouwd: a.
maximaal 30 recreatiewoning mogen twee aaneen worden gebouwd, mits de gezamenlijke oppervlakte van twee aaneen gebouwde woningen niet meer bedraagt dan 75 m2. b. maximaal 16 recreatiewoningen mogen vier aaneen worden gebouwd, mits de gezamenlijke oppervlakte van vier aaneen gebouwde woningen niet meer bedraagt dan 150 m2. • In lid 8.3 zijn de functieaanduidingen groen en ‘specifieke vorm van groen - 1 tot en met 3’ vervangen door gebiedsaanduidingen ‘overige zone – groen 1 tot en met 4. Dit is gedaan om de digitale verwijzing direct door te linken naar het juiste artikel, i.c. artikel 8 waarin de regels met betrekking tot deze aanduidingen zijn opgenomen. Dat was met de functieaanduidingen niet mogelijk. De naam van de aanduidingen is aangepast vanwege de eisen uit RO standaarden 2012, onderdeel SVBP 2012. Inhoudelijk is de regeling niet gewijzigd. Verbeelding • Op de verbeelding zijn functieaanduidingen groen en ‘specifieke vorm van groen - 1 tot en met 3’ vervangen door gebiedsaanduidingen ‘overige zone – groen 1 tot en met 4.