Maatregelen financiele beheersbaarheid jeugdwet
Tekst van het document
91 B.14 Gecertificeerde Instellingen (GI’s) voeren bij complexe casuïstiek overleg met gemeenten voor verwijzing ................................................................................................................................................................... 93 B.15 Afbakening jeugdwet in relatie tot andere wetten – Bestaanszekerheid ......................... 97 B.16 Investeren versterken van het normale leven/veerkracht binnen en buiten Jeugdwet102 B.17 Voorkomen en verkorten van residentiele jeugdzorg ............................................................. 103 B.18 Normaliseer Voogdij-ondersteuning (meer inzetten op informele steunfiguren) ..... 107 B.19 Afbakening jeugdwet in relatie tot andere wetten – volwassen GGZ ................................. 111 B.20 Inkomensonafhankelijke eigen bijdrage .........................................................................................115 B.21 Inkomensafhankelijke eigen bijdrage over de ambulante zorg op locatie m.u.v. daghulp 118 B.22 Inkomensafhankelijke eigen bijdrage over ambulante zorg m.u.v. zorg geleverd door het wijkteam .....................................................................................................................................................................
122 B.23 Standaardisatie uitvoering ................................................................................................................... 127
B.1 Inperking lichte zorgvormen De maatregel past bij de denkrichting ‘inperking lichte zorgvormen’. De reikwijdte van de jeugdhulp binnen de Jeugdwet wordt ingeperkt voor lichte zorgvormen. De Jeugdwet kent op dit moment het begrip lichte zorgvormen niet, wel het verschil tussen een aanbod in het preventief kader (geen jeugdhulp) en jeugdhulp waarbij ambulante hulp de lichtste vorm betreft. Jeugdhulp dient wel te worden aangeboden door (BIG of SKJ) geregistreerde beroepsbeoefenaren. Omdat het onderscheid tussen preventie en ambulante jeugdhulp niet objectief te maken is, wordt het principe van ‘pas toe of leg uit’ gehanteerd. Indien geen grenzen worden gesteld in de gemeentelijke verordening of door de gemeentelijke toegang, bestaat het risico op een onhoudbare ontwikkeling van de zorgvraag.
36
Het uitgangspunt daarbij is dat nader afgebakend wordt welke hulp door de overheid wordt geboden, en voor welke vraagstukken een verantwoordelijkheid zijn van de ouders. Dit gaat dus niet over preventieve maatregelen, maar wel over lichte vormen van jeugdhulp die vallen onder ambulante jeugdhulp en een nadere afbakening van het ‘pas toe, of leg uit’ principe. Daarbij zijn 2 varianten mogelijk, waarbij in de praktijk ook op een combinatie van beiden ingezet kan worden: De reikwijdte van de publiek te financieren jeugdhulp wordt landelijk scherper afgebakend door bepaalde vormen van jeugdhulp, met een lichte zorgzwaarte, niet meer te bekostigen vanuit de Jeugdwet. Het Rijk faciliteert met een aanpassing van de Jeugdwet dat lokaal scherpere keuzes gemaakt worden in de inkoop om de publiek te financieren jeugdhulp scherper af te bakenen. In beide varianten kan hulp bij lichte opvoedvragen vanuit het eigen netwerk geboden worden en vanuit basisvoorzieningen zoals jeugdgezondheidszorg, onderwijs, kinderopvang, welzijn en informele steunfiguren (maatjesprojecten, buurtgezinnen etc.). Helpend bij deze afbakening kan zijn dat concreet wordt gemaakt wat “normale” opvoed- en opgroeiproblemen zijn en wat daarin van ouders zelf, scholen, kinderopvang en andere basisvoorzieningen verwacht mag worden.
Het gaat bij problemen die binnen de gebruikelijke hulp moeten vallen, bijvoorbeeld om de volgende subopties: • Paardentherapie • Kinder-coaching • Huiswerkbegeleiding • Speltherapie • Faalangst-training • Lichte opvoedondersteuning • Ezelcoaches • Klankschalentherapie • Vaktherapie Beide varianten (A en B) zijn verwerkt in onderstaand fiche. 1. Omschrijving maatregel a. Korte omschrijving
A Het Rijk beperkt de reikwijdte van de Jeugdhulp in voor lichte zorgvormen die in aanmerking komen voor publieke financiering en stelt een lijst op van interventies waar niet meer naar verwezen kan worden. De inperking komt tot stand doordat het Rijk met gemeenten en een commissie van experts een landelijk richtinggevend kader opstelt , waarmee ten minste wordt aangegeven welke toegepaste interventies niet tot de reikwijdte van de jeugdhulp behoort. Dit omdat het omgekeerde een stuk lastiger is en elke vorm van innovatie onmogelijk zou maken. Deze variant leidt tot een inperking van de reikwijdte van de jeugdhulpplicht, daardoor worden gemeenten voor minder vormen van jeugdhulp verantwoordelijk. B Gemeenten komen tot afbakening van lichte zorgvormen in de zorginkoop Het Rijk faciliteert met een aanpassing van de Jeugdwet dat lokaal scherpere keuzes gemaakt worden om de jeugdhulpplicht af te bakenen. Gemeenten krijgen de mogelijkheid tot een scherpere afbakening te komen in hun lokale verordening. Daarbij zijn gemeenten er zelf voor
37
verantwoordelijk dat zij in hun inkoopbeleid niet langer lichte zorgvormen inkopen die onder verantwoordelijkheid van ouders/opvoeders gebracht kan worden. b. Uitvoering
De uitvoering van beide varianten vraagt wetsaanpassing(en).
c. Op wie richt de maatregel In variant A is het Rijk in de lead. In variant B zijn gemeenten in de lead, zich, welke partij is in de gefaciliteerd door wetsaanpassing door het Rijk. lead om de maatregel uit te voeren? d. Beoogd effect
Het beoogd effect is dat dat grenzen worden gesteld aan de vraag naar jeugdhulp en navenant aangeboden interventies, door ingeperkte lichte zorgvormen niet meer publiek te vergoeden, zoals jeugdhulp die hulp bij lichte opvoedvragen vanuit het eigen netwerk geboden wordt en vanuit basisvoorzieningen zoals jeugdgezondheidszorg, onderwijs, kinderopvang, welzijn en informele steunfiguren. Daartoe wordt de jeugdhulpplicht nader afgebakend.
e. Interacties met andere maatregelen
Deze optie heeft interactie met de beleidsopties over de effectiviteit van de zorg. Ook zal een nadere afbakening effect hebben op de opties over eigen bijdragen, en bedrijfsvoering en contractering. Wanneer zorgvormen buiten de reikwijdte van de jeugdhulpplicht vallen, zijn maatregelen op deze terreinen immers niet meer van toepassing.
2. Uitvoering van de maatregel a. Welke randvoorwaarden zijn er om de maatregel goed uit te voeren?
A Het Rijk komt landelijk tot een afbakening voor lichte zorgvormen Om te komen tot een landelijke inperking van de jeugdhulpplicht dient het Rijk in de Jeugdwet aanpassingen te doen. Hiervoor zijn meerdere mogelijkheden benoemd en onder het kopje ”onderbouwing juridische aspecten” weergegeven. De afbakening komt tot stand doordat het Rijk met gemeenten en een commissie van experts een landelijk richtinggevend kader opstelt waarin wordt aangegeven welke vormen van jeugdhulp in ieder geval niet onder de reikwijdte van de Jeugdwet vallen en dus niet voor publieke financiering in het kader van de Jeugdwet in aanmerking komen. Deze inperking kan verankerd worden in een ministeriele regeling. Deze variant leidt tot een inperking van de reikwijdte van de jeugdhulpplicht, daardoor worden gemeenten voor minder vormen van jeugdhulp verantwoordelijk. B Gemeenten komen tot afbakening van lichte zorgvormen in de zorginkoop Het Rijk faciliteert met een aanpassing van de Jeugdwet, dat lokaal scherpere keuzes gemaakt worden om de jeugdhulpplicht af te bakenen.
38
(zie ”onderbouwing juridische aspecten”). b. Is de maatregel uitvoerbaar voor de partij die in de lead is?
Het Rijk zal in beide varianten de wet moeten aanpassen. Dit is juridisch uitvoerbaar. Voor variant A moet nader bepaald worden op welke wijze de lijst wordt opgesteld, mogelijk kan het Zorginstituut een rol spelen. Variant B vraagt van gemeenten aanscherping van de lokale verordeningen ten aanzien van de afbakening en aanpassing van het inkoopbeleid. Dit is uitvoerbaar.
d. Is het uitvoerbaar voor de andere betrokken partijen?
Beide varianten leiden in eerste instantie tot extra administratieve lasten bij gemeenten en zorgaanbieders. Bestaand aanbod moeten langs de lat worden gelegd: is dit lichte opvoedondersteuning die niet langer onder de reikwijdte van de jeugdhulpplicht valt? Indien conform variant A een landelijke lijst van interventies wordt opgesteld met vormen van jeugdhulp die niet voor publieke financiering in aanmerking komen, kan dit de uitvoering aanzienlijk vereenvoudigen. Variant B vereist dat in 355 gemeenten de lokale verordeningen moeten worden aangepast. Verder is het van belang dat professionals worden betrokken bij de het samenstellen van de lijst die uitspraken doet over welke interventies niet publiek worden gefinancierd. De instemming van professionals zorgt ook voor legitimatie van de lijst van interventies die niet publiek wordt vergoed.
c. Raakt het aan de verhouding tussen partijen binnen het stelsel?
De varianten leiden tot een inperking van de reikwijdte van de jeugdhulpplicht, daardoor worden gemeenten voor minder vormen van jeugdhulp verantwoordelijk. In geval van optie A raakt het aan de beleidsvrijheid van gemeenten en het raakt aan de doelstellingen van de wet, jeugdigen zo vroeg mogelijk te helpen met zo licht mogelijke hulp. Gemeenten kunnen daarbij nog steeds bepalen wat ze verstaan onder preventieve hulp.
e. Implementatietijd
In beide varianten is wetswijziging nodig, en vervolgens is tijd nodig voor implementatie. Dit kosten in totaal circa 3 tot 4 jaar. Daarvoor moeten bestaande contracten herzien worden. Indien de looptijd van bestaande contracten langer is en niet opengebroken worden, leidt dat ertoe dat het effect oploopt naar een periode van 7 jaar. In variant B dienen in deze periode ook de lokale verordening en het lokale beleid ten aanzien van de toegang aangepast te worden.
3. Effecten van de maatregel a. Financiele effecten
Zie ‘Onderbouwing structurele gevolgen’ onderaan.
b. Effect op kwaliteit en effectiviteit van jeugdhulp
Lichte vormen van jeugdhulp worden niet langer vergoed echter zijn wel voorradig om door ouders/opvoeders zelf in te kopen. In hoeverre deze op termijn nog voorradig zullen blijven, ligt aan de bereidwilligheid van ouders op deze zelf te betalen.
39
c. Effect op meest kwetsbare kinderen
Risico is dat problemen daardoor verergeren en in een latere fase juist meer specialistische jeugdhulp nodig is. Dit staat echter niet empirisch vast. Het risico kan voorkomen worden door daar in de gemeentelijke toegang / wijkteams alert op te zijn.
d. Effect op professionals
De varianten vragen een aanpassing van handelen bij professionals aan de poort. Zij zullen sterker moeten gaan toetsen en hun doorverwijzingen moeten aanpassen op basis van het inkoopbeleid. Het is van belang dat de keuze in interventies ook wordt gedragen door professionals en hun beroepsverenigingen. Dit verschaft legitimiteit voor de gemaakte keuzes.
e. Effect op aanpalende domeinen
De varianten leiden tot een groter beroep op ouders, scholen en kinderopvang.
f. Overige relevante effecten g. Onderbouwing voor beoogde effecten
Nee, nog niet / Niet bekend
h. Hoe is de verhouding tussen de inspanning van invoering en het financiele resultaat?
In hoeverre resultaat en inspanning in verhouding zijn, valt niet te zeggen.
Onderbouwing structurele financiële gevolgen De varianten zouden kwantificeerbaar zijn door het volume en tarief van de verschillende vormen van jeugdhulp empirisch uit te vragen en op basis daarvan de besparing op te tellen. Daarbij dient ook rekening gehouden te worden met een substitutie-effect naar andere zorgvormen. De genoemde lichte zorgvormen liggen als ze al ergens zijn vastgelegd, vast in individuele gezinsplannen of zorgplannen. Ze liggen niet vast in registraties of standaardcategorieen. Indien we een uitvraag doen aan gemeenten dan kunnen zij dit niet uit bestaande registraties halen. Zij zullen professionals van de toegang of het wijkteam moeten benaderen en bij hen inschattingen ophalen over de omvang en kosten van deze specifieke lichte vormen van jeugdhulp. Daarbij is het onze inschatting dat het lastig is om op basis van de resultaten van zo’n uitvraag in enkele gemeenten te komen tot een landelijk beeld. Wij achten het aannemelijk dat er best variatie is en dus flinke verschillen tussen gemeenten onderling bij het inzetten van dit type specifieke lichte jeugdhulpvormen. We kennen geen andere bronnen om achter de benodigde informatie te komen. Bovenstaande leidt tot de conclusie dat er op korte termijn onvoldoende aanknopingspunten zijn om deze maatregel te kwantificeren.
Er zouden zeer veel aannames op elkaar gestapeld moeten worden wat leidt tot onbetrouwbare uitkomsten. Achtergrond: De gemeente Den Haag en de gemeente Groningen hebben ieder een leidraad of richtlijn opgesteld voor de toegangsmedewerkers waarin wordt aangegeven wat de gemeente verstaat onder gebruikelijke zorg die van ouders verwacht mag worden gedurende de opvoeding van jeugdigen. Dit helpt de toegangsmedewerkers in het gesprek met ouders. Het is nadrukkelijk geen afvinklijst want het blijft zaak om naar situatie, geval en omstandigheden te blijven kijken (maatwerk). In de gemeente Den Haag gaat het om een concept. In de gemeente Groningen werkt de toegang er nog maar kort mee
40
en zijn effecten nog niet zichtbaar. Hoogstens kan nagegaan worden wat de verwachting van de gemeente Groningen is van het financiele effect van deze leidraad/richtlijn. Plan van aanpak Om deze maatregel te kwantificeren is er een onderzoek nodig waarbij er een vragenlijst wordt uitgezet bij een substantieel aantal toegangs-/wijkteam professionals in een substantieel aantal gemeenten (statistisch nodig voor extrapolatie naar landelijk beeld). Dit is niet in twee weken uit te voeren en te realiseren. Meer zinvol lijkt het te zijn om gemeenten die nu leidraden en richtlijnen voor gebruikelijke zorg opstellen en invoeren om toegangsmedewerkers/ wijkteammedewerkers te ondersteunen in de gesprekken met ouders te gaan monitoren door aan de voorkant verwachte opbrengsten te expliciteren en de realisatie van deze verwachtingen te gaan volgen. Komen hier hoopvolle resultaten uit, dan is het zaak het gebruik van deze leidraden en richtlijnen breed bij gemeenten onder de aandacht te brengen. Onderbouwing juridische aspecten (indien relevant) Er zijn voor beiden varianten meerdere juridische mogelijkheden tot aanpassing van de Jeugdwet gegeven. Hieronder staan deze benoemd. Indien voor verdere uitwerking van deze maatregel en varianten wordt gekozen, zijn dit de mogelijke juridische oplossingsrichtingen. De precieze vormgeving dient verder geconcretiseerd te worden.
Hierbij is voor de uitvoerbaarheid de suggestie meegegeven dat wellicht eerst het rijk de wettelijke aanpassingen doet, zodat de gemeenten daarop de verordeningen kunnen aanpassen. 1. via artikel 4.1.4 2b van de jeugdwet kunnen nadere eisen aan de kwaliteit van jeugdhulp worden gesteld, eventueel ook in termen van doelmatigheid en doeltreffendheid of het gebrek hieraan bij lichte vormen van jeugdhulp. 2. Opstellen lijst door commissie van experts kan in een ministeriele regeling worden vastgelegd, die periodiek geactualiseerd worden. 3. Art. 1.1 van de Jeugdwet Sub 3 bepaalt nu dat de jeugdhulp het tekort aan zelfredzaamheid moet opheffen. Dit kan worden aangepast naar ‘de gemeente moet met de inzet van jeugdhulp een passende bijdrage leveren aan het verminderen van…”. Dit geeft gemeenten meer ruimte om te bepalen welke inzet van jeugdhulp passend is. 4. De definitie van jeugdhulp van artikel 1.1. geeft al aan dat preventie geen jeugdhulp is maar geeft niet aan dat de gemeente preventieve ondersteuning niet hoeft te financieren. Op dat punt moet de wettekst dus aangepast worden. Neem een definitie in artikel 1.1. op wat wordt bedoeld met basisvoorzieningen of nog beter voorliggende voorzieningen: onderwijs, kinderopvang, jeugdgezondheidszorg, welzijns- en sportvoorzieningen welke voorliggend zijn aan jeugdhulp. 5.
Artikel 1.2 van de Jeugdwet geeft aan in welke gevallen het college niet gehouden is een voorziening op grond van de Jeugdwet te verstrekken. Voeg hier sub d toe met de volgende tekst: Indien naar het oordeel van het college de problematiek verminderd dan wel opgelost kan worden door de ouders zelf dan wel met inzet van een vorm van preventieve ondersteuning voor jeugdigen geacht wordt beschikbaar te zijn bij de voorliggende voorzieningen. 6. De keuzevrijheid van ouders met betrekking tot de activiteiten van jeugdhulp wordt in artikel 2.3 lid 5 begrensd door aan te geven dat deze keuzevrijheid enkel geldt binnen het door de gemeente gecontracteerde aanbod. 7. Aan artikel 2.9 kan een lid worden toegevoegd met de volgende tekst: e. welke vormen van preventieve ondersteuning aan jeugdigen naar het oordeel van het college niet voor vergoeding vanuit de Jeugdwet in aanmerking komen omdat zij ofwel behoren tot de verantwoordelijkheid van de voorliggende voorziening, dan wel van de ouders zelf. De gemeente kan in de verordening op basis van dit lid aangeven welke vormen van preventieve ondersteuning dit zijn.
41
B.2 Wettelijke afbakening reikwijdte Korte inleiding Ieder kind heeft recht op bescherming, gezondheid, onderwijs, vrije tijd en een gezinsleven26. Voor sommige kinderen is dit niet vanzelfsprekend. Voor deze kinderen kan op grond van de Jeugdwet hulp worden geboden. In 2019 kreeg bijna 1 op de 10 jeugdigen tot 23 jaar in Nederland jeugdhulp (9,6%). In 2015 was dat nog 7,8%. Het aantal blijft stijgen. Er is een landelijk, maatschappelijk debat nodig over de reikwijdte van de Jeugdhulpplicht: wat zijn vraagstukken die onder ‘normale’ opvoed- en opgroeivraagstukken vallen en welke kinderen hebben in welke situaties individuele jeugdhulp echt nodig? Het maatschappelijk debat moet gevoerd worden omdat steeds zichtbaarder is dat er een opstuwend effect lijkt van de druk van ‘de prestatiemaatschappij’ en zoals AEF ook in haar rapport aangeeft: “Een toename van jeugdhulp kan zelfs onbedoeld een zichzelf versterkend effect hebben. Naarmate meer jeugdhulp gebruikt wordt, bestaat namelijk ook het risico dat de latente vraag nog verder toeneemt, aangezien mensen, waaronder ook jongeren, geneigd zijn hun welzijn af te zetten tegen het welzijn van anderen.
Naarmate het welzijn in de samenleving verbetert, stijgt tegelijkertijd ook de wens om meer mensen aan diezelfde normen te laten voldoen.” Daarbij is ook de vraag of kinderen en jongeren bij normale opvoed en opgroeiproblemen beter af zijn met inzet van individuele vormen vallend onder de jeugdwet. Dit draagt niet bij het normaliseren en demedicaliseren, zoals ook bepleit in het advies van het expertiseteam reikwijdte jeugdhulp Een belangrijke denkrichting is het begrenzen van de jeugdhulpplicht langs de lijn van de zwaarte van de problematiek die inzet vanuit de jeugdwet vraagt. Dit vraagt allereerst dat we een breed debat moeten voeren op landelijk niveau welke type vraagstukken bij het ‘normale leven’ horen en voor welke vragen echt individuele inzet vanuit de jeugdwet nodig is. Dit debat heeft een tweeledige functie. Enerzijds om een helder beeld te krijgen wat normale opvoed- en opgroeivraagstukken zijn om zo te bezien welke begrenzing in de jeugdwet helpend en nodig is, anderzijds ook om professionals (vanuit specialistische hulp, lokale teams, huisartsen etc.) handvatten te kunnen bieden in het zorgen dat kinderen passende hulp en ondersteuning krijgen, binnen en buiten de jeugdwet.
Deze denkrichting sluit goed aan bij wat met de transformatie van de jeugdhulp wordt beoogd en wordt ondersteund door verschillende rapporten, zoals het rapport van het expertiseteam reikwijdte jeugdhulp en meer recentelijk het rapport van de RvS – Wissels omzetten voor een veerkrachtige samenleving. Naast dit maatschappelijk debat kunnen er criteria worden gespecificeerd. Hieronder doen we een voorstel voor een categorisering in de afbakening van de jeugdhulpplicht. Een dergelijke categorisering is geen oplossing op zich, maar zal er samen met die maatschappelijk discussie toe bijdragen om de jeugdhulp bij de kinderen terecht te laten komen die dit echt nodig hebben. Hierbij maken we een onderscheid tussen situaties waarin gemeenten op grond van een zorgplicht jeugdhulp moeten aanbieden (in de vorm van een individuele, niet-vrij toegankelijke, voorziening) en situaties waarin de gemeente hulp kan aanbieden (in de vorm van een overige, vrij toegankelijke, voorziening) (bijvoorbeeld omdat zo vroegtijdig kan worden geholpen of omdat de hulp bijdraagt aan de versterking van de sociale basis. Met een verwijzing naar het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind stellen we voor dat de jeugdhulpplicht in de volgende situaties geldt: 1) Er zijn vastgestelde zorgen over de veiligheid van het kind (kindermishandeling, onveilige woonomgeving etc.)
26 https://www.kinderrechten.nl/professionals/themas/
42
2) Een kind heeft een vastgestelde psychische aandoening, stoornis of geestelijk en/of lichamelijke beperking waarbij het eigen vermogen van de sociale omgeving ontoereikend zijn om gezond op te groeien en te participeren in de maatschappij. 3) Bij overige opvoed- en opgroeivragen geldt alleen een jeugdhulpplicht als zonder de jeugdhulp het kind niet kan participeren aan de maatschappij (deelnemen aan onderwijs, vrijetijdsbesteding en sociale contacten). Naast deze categorieen waarbij gemeenten gehouden zijn om individuele jeugdhulp aan te bieden, kunnen gemeenten collectieve ondersteuning bieden ter versterking van de sociale omgeving, voorkomen van ernstigere problematiek en ter bevordering van het welzijn van kinderen. Dit wordt in de Jeugdwet overige voorzieningen genoemd. Gewoonlijk zijn die vrij toegankelijk. Vrij toegankelijke voorzieningen zijn voorzieningen waar alle kinderen tot 18 jaar gebruik van kunnen maken. Bijvoorbeeld het consultatiebureau, het lokale (wijk)team, de school, de sportclub, de peuterspeelzaal, jongerenwerk collectief hulpaanbod. Deze voorzieningen kunnen gemeenten dan ook waar nodig versterken vanuit de jeugdwet. Zie hierover de denkrichting onder preventie die door werkgroep 5 nader is uitgewerkt. Collectieve voorzieningen ter versterking van de sociale omgeving zijn voorliggend voor individuele voorzieningen.
De jeugdhulpplicht op deze wijze afbakenen, sluit aan bij het breed gevoelde belang van normaliseren; normale problemen die bij het opgroeien en opvoeden van kinderen horen, zijn primair de verantwoordelijkheid van de opvoeder(s) en zouden niet moeten leiden tot een inzet van individuele voorzieningen op grond van de jeugdwet. De afbakening dient professionals te helpen om beter de afweging te kunnen maken welke hulp echt noodzakelijk is en gemeenten de mogelijkheid te bieden om te sturen op de toegang. In de uitwerking van deze denkrichting is het wenselijk om een combinatie te maken met een verplichte afstemming van de externe verwijzing met de gemeentelijke toegang, zodat de lokale sturing op de toegang integraal vanuit de gemeenten plaatsvindt. Dit thema is ook in een andere werkgroep uitgewerkt.
Deze voorgestelde denkrichting werpt ook een aantal dilemma’s op die belangrijk zijn om mee te nemen in het debat en de nadere afbakening van de reikwijdte: 1.
2. 3. 4.
Normaliseren en demedicaliseren vraagt dat je waar nodig het normale leven versterkt. Hoe zorgen we ervoor dat deze afbakening niet juist bijdraagt aan het medicaliseren -> alleen individuele jeugdhulp als in een aantal beschreven situaties waaronder een vastgestelde psychische aandoening of ziekte. Je wilt hier geen perverse prikkel inbouwen dat kinderen alleen individuele jeugdhulp krijgen als er een diagnose is. Hoe zorgen we er voor dat de toegang in brede zin goed toegerust wordt om de voorgestelde afbakening invulling te kunnen geven? Hoe zorgen we ervoor dat daar waar nodig passende (collectieve) ondersteuning geboden kan worden (op het onderwijs, de JGZ, in de wijken, in gezinnen,…)? Hoe zorgen we ervoor dat we er vroegtijdig bij zijn als er wel jeugdhulp nodig is en voorkomen we dat problematiek eerst verergert?
1. Omschrijving maatregel a. Korte omschrijving
Begrenzen van de jeugdhulpplicht door deze af te bakenen tot drie situaties waarin gemeenten gehouden zijn individuele hulp op grond van de jeugdwet aan te bieden en er sprake is van een situatie waarbij de gebruikelijke zorg niet afdoende is. Dit vraagt tevens om een
43
maatschappelijk debat over welke problematiek bij het opgroeien hoort en welke problematiek dermate ernstig is dat het individuele ondersteuning vraagt b. Uitvoering
Uitvoering vraagt nadere uitwerking in richtlijnen, verordeningen en eventueel wetgeving
c. Op wie richt de maatregel Gemeenten en rijk zijn samen in de lead om dit in eerste instantie te zich, welke partij is in de realiseren. O.a. het onderwijs, aanbieders en lokale teams zijn hierin lead om de maatregel uit te belangrijke partners. voeren? d. Beoogd effect
Door de jeugdhulpplicht af te bakenen en te normaliseren (meer vraagstukken als onderdeel zien van het gewone opgroeien en opvoeden) zal de inzet van individuele voorzieningen afnemen
e. Interacties met andere maatregelen
Relatie met werkgroep 4 toegang en werkgroep 5 preventie.
2. Uitvoering van de maatregel a. Welke randvoorwaarden zijn er om de maatregel goed uit te voeren?
Het is belangrijk dat het maatschappelijk debat gevoerd wordt om tot acceptatie te komen dat niet bij ieder vraagstuk waar ouders en kinderen, in het opgroeien en opvoeden tegenaan lopen een individuele voorziening voor jeugdhulp nodig is. Daarnaast is het nodig om een sterk voorveld te creeren met een sterke sociale basisinfrastructuur, goede preventieve signalering en voldoende collectieve voorzieningen. Professionals, huisartsen, GI’s en leerkrachten moeten goed worden toegerust om de toegang tot hulp op grond van de jeugdwet te kunnen begrenzen en het normaliseren invulling te geven. Hier is een mix van aanscherpen van de zorgplicht in de jeugdwet en een stevig maatschappelijk debat nodig. Hierbij is van belang dat er verplichte afstemming is tussen gemeenten en externe verwijzers, zodat alle verwijzingen bijdragen aan het doel dat alleen de jeugdhulp wordt ingezet voor de kinderen die het echt nodig hebben.
b. Is de maatregel uitvoerbaar voor de partij die in de lead is?
Rijk zal de wet aan moeten passen. Het voeren van het maatschappelijk debat vraagt een rol van rijk en gemeenten, als ook van aanbieders, professionals en clientenorganisaties.
d. Is het uitvoerbaar voor de andere betrokken partijen?
Uitvoerbaar
c. Raakt het aan de verhouding tussen partijen binnen het stelsel?
Nee. Van gemeenten, andere verwijzers en professionals zal wel worden verwacht dat zij conform de voorgestelde afbakening handelen. Van ouders wordt verwacht dat zij meer vraagstukken als onderdeel zien van het gewone opgroeien en opvoeden.
44
e. Implementatietijd
Tussen 4 en 6 jaar om op basis van het maatschappelijke debat de wet aan te passen. In de eerste 4 jaar leidt het maatschappelijke debat al wel tot handvatten om binnen de huidige brede wet de sturing op de reikwijdte lokaal vorm te geven.
3. Effecten van de maatregel a. Financiele effecten in miljoenen euro’s
2021
2022
2023
2024
2025
Structureel
Jeugdwet besparing (-)
-€0
- € 300
- € 300
- € 300
- € 300
- € 300
Jeugdwet tijdelijke investering (+)
€
€
€
€
€
€
Andere domeinen besparing (-)
-€0
-€
-€
-€
-€
-€
Andere domeinen tijdelijke investering (+)
€0
€
€
€
€
€
Totaal netto resultaat (+/-) Negatieve bedragen zijn een besparing
-€ 0
-€ 300
-€ 300
-€ 300
-€ 300
-€ 300
Opmerkingen bij financiele effecten
Het potentieel van deze maatregel kent een bandbreedte van maximaal 300 miljoen. Uitgangspunt is dat we van 1:8 kinderen met jeugdhulp weer teruggaan naar niveau 2015 toen 1:10 kinderen hulp kreeg. Dit zien we als uitgangspunt voor een gezonde situatie. Het betreft jeugdhulp zonder verblijf. De hulp die straks buiten het bereik van de jeugdhulp valt is naar verwachting 50% goedkoper dan de ambulante hulp die wel onder de jeugdwet blijft vallen. Hiervoor is geen goede informatie beschikbaar.
b. Effect op kwaliteit en effectiviteit van jeugdhulp
Deze maatregel alleen levert op zichzelf geen financieel effect op, aangezien de begrenzing in de wet in de praktijk mogelijk alsnog open geïnterpreteerd kan worden. Deze maatregel kan wel financieel effect opleveren als deze het maatschappelijke debat hierover voedt, en als deze maatregel samen met andere maatregelen wordt uitgevoerd (zoals maatregelen in aanpalende domeinen aan jeugdhulp of maatregelen omtrent effectiviteit van interventies). In dit geval levert de maatregel wel pas effect op nadat de wet hierop is aangepast (dus ongeveer na 4 jaar).
c. Effect op meest kwetsbare kinderen
Deze maatregel leidt tot een vermindering van inzet van individuele voorzieningen en draagt bij een aan een lagere instroom. Daarmee is hulp beschikbaar voor de meest kwetsbare kinderen, ook in en krappe arbeidsmarkt.
45
d. Effect op professionals
Het vraagt van verwijzers, huisartsen, professionals en leerkrachten om een andere wijze van handelen en dat vraagt gerichte aandacht.
e. Effect op aanpalende domeinen
Het is van invloed op wat er in de sociale basis en in het onderwijs opgepakt moet worden; immers aan de orde is het versterken van de veerkracht van gezinnen en kinderen.
f. Overige relevante effecten
Kinderen en gezinnen die nu hulp krijgen in vraagstukken die we straks veel meer als onderdeel van het normale leven gaan zien bieden we vanuit het perspectief van jeugdhulp een ander antwoord. Daarmee plaatsen we kinderen en gezinnen veel minder dan nu het geval is in de positie van een probleem hebbend, afwijkend zijn.
g. Onderbouwing voor beoogde effecten
Minder instroom in jeugdhulp voor ‘relatief lichte opvoed- en ondersteuningsvragen’ (gezien vanuit perspectief jeugdwet). Door in te zetten op het normale leven en het versterken van de veerkracht bij kinderen en gezinnen waar nodig (onder andere door vanuit jeugdhulp te versterken van bijv. onderwijs en niet over te nemen) zal dit ook een duurzaam effect kunnen hebben voor kinderen en gezinnen. We zetten in op versterking van bijv. de onderwijscontext en ontwikkelen veel meer collectieve voorzieningen (die als positieve bijvangst kunnen hebben dat gezinnen/kinderen/jongeren hun netwerk uitbreiden en mensen elkaar ook verder kunnen helpen). Professionals houden meer tijd over voor vragen van de meest kwetsbare kinderen en gezinnen. De schaarste zal op deze manier beter verdeeld worden.
h. Hoe is de verhouding tussen de inspanning van invoering en het financiele resultaat?
Resultaat en inspanning zijn in verhouding; financieel effect zal pas op termijn zichtbaar worden maar is wel duurzaam.
B.3 Regionalisering Korte inleiding In deze fiche wordt beschreven welke opties er zijn om de jeugdhulp op een andere schaal te organiseren. De gedachte daarbij is dat dit bijdraagt aan een afname van administratieve lasten, transactiekosten en coordinatiepunten en/of de slagkracht kan vergroten op gemeentelijk niveau. Er zijn drie mogelijkheden hoe de regionalisering tot stand kan komen:
- De eerste optie sluit aan bij de huidige maatregelen die het Rijk en/of gemeenten hebben getroffen. Daarbij wordt uitgegaan van de Norm voor opdrachtgeverschap en/of het voorliggend wetsvoorstel van het Rijk waarin gemeenten binnen jeugdhulpregio’s overgaan tot nietvrijblijvende (NVO) of verplichte (Wetsvoorstel) samenwerking aan te gaan en gezamenlijk de jeugdhulp in te kopen; - De tweede optie is het onderbrengen van taken en bevoegdheden inzake de jeugdhulp bij een centrumgemeente; - De derde optie gaat uit van het beleggen van de taken bij de centrumgemeenten inclusief de bovenregionale taken (GI’s, jeugdzorgplus en expertisecentra). Gezien de complexiteit en de verkennende fase waarin het gesprek zich nu bevindt tussen het Rijk, gemeenten en aanbieders
46
over bovenregionale zorg werken wij deze optie niet verder uit. Dit zou te zeer ten kosten kunnen gaan van de zorgvuldigheid die geboden is bij de inrichting van het bovenregionale landschap. NvO en voorliggend wetsvoorstel regionalisering inkoop De eerste optie is een gegeven (wel afhankelijk van advies Raad van State en parlementaire besluitvorming) en zal naar verwachting een beperkte maatschappelijke en financiële impact opleveren. Veel regio’s werken al samen ten aanzien van de inkoop en kennen al een vorm van samenwerking. Met de NvO en het voorliggend wetsvoorstel wordt deze samenwerking meer verankerd en zal overal een verplichte samenwerking krijgen in GR-verband. Slechts in die regio’s waar dit (nog) niet het geval is, zal het tot een beperkte maatschappelijke en financiële impact leiden. Centrumgemeenteconstructie De tweede optie behelst het overhevelen van de gemeentelijke taken van de regiogemeenten naar de centrumgemeenten. Daarbij wordt de centrumgemeente verantwoordelijk voor de gehele inrichting van de jeugdhulp in de regio en dient zij samen met de regiogemeenten afspraken te maken over de toegang, inkoop en backoffice. Verder maken centrumgemeenten met de regiogemeenten specifieke gebiedsgerichte afspraken.
Het voordeel van deze centrumgemeenteconstructie is dat voor jeugdhulpaanbieders in een regio een uniforme toegang en contractering ontstaan, waarmee de administratieve lasten en het aantal coördinatiepunten afnemen. Dit vergroot tevens de slagkracht van de regio om de gewenste inhoudelijke en financiële transformatie te realiseren. Nadeel van deze constructie is dat dit de inhoudelijke betrokkenheid van regiogemeenten ten opzichte van de lokale verantwoordelijkheid voor kinderen en jongeren op een grotere afstand komt te staan. In het verlengde geldt dit ook voor jeugdhulpaanbieders die zich meer zullen richten op de centrumgemeenten. Met de verplichting tot gebiedsgerichte afspraken binnen een jeugdhulpregio kan geborgd worden dat het jeugdhulpaanbod aansluit op lokale behoeften. En is het denkbaar juist de meest voorkomende jeugdhulp wel regionaal in te kopen en onderdeel te laten uitmaken van de lokale toegang omdat zij beter kunnen onderscheiden wat jeugdhulp moet zijn en wat hoort bij het ‘normale’ leven. Dit gebeurt met de lokale partners zoals welzijnsvoorzieningen en het onderwijs. Overigens mag ook niet vergeten worden dat in meerdere regio’s goed regionaal wordt samengewerkt, ondanks het ontbreken van de centrumgemeenteconstructie; in deze regio’s zou de efficiencywinst minder groot kunnen zijn.
Overigens zou een regioconstructie, waarin gemeenten (verplicht) samenwerken en sprake is van een geborgde democratische legitimatie (vgl. de Duitse Kreisen) een prima alternatief zijn voor de centrumgemeenteconstructie. Echter is een dergelijk construct in Nederland nog niet voorhanden. Wel wordt een advies verwacht van het ROB hoe regionale samenwerking verder vorm te geven. Wellicht dat dit aanknopingspunten biedt om alsnog een alternatief te verkennen en een groeimodel kan zijn. Overigens bestaat ook hier het gevaar dat niet alleen de regiogemeenten op afstand komen te staan, maar ook een beoogde centrumgemeente indien de jeugdhulp wordt georganiseerd in een separaat bestuursorgaan. Tot slot is de centrumgemeenteconstructie een ander soort bestuurlijk arrangement, waar ook een ander financieel arrangement bij hoort. Het ligt dan meer voor de hand om gemeenten te bekostigen met een specifieke uitkering dan (doeluitkering)met dan een algemene uitkering. Het gaat hier immers om medebewindstaken. Dit mede vanuit de assumptie dat de beleidsvrijheid voor de centrumgemeente beperkt is.
1. Omschrijving maatregel a. Korte omschrijving
Deze fiche kent dus twee opties: - De eerste optie sluit aan bij de huidige maatregelen die het Rijk en/of gemeenten hebben getroffen. Daarbij wordt uitgegaan van de Norm voor Opdrachtgeverschap en het voorliggend wetsvoorstel
47
van het Rijk waarin gemeenten binnen jeugdhulpregio’s verplicht worden om een GR-samenwerkingsverband aan te gaan en gezamenlijk de jeugdhulp in te kopen; - De tweede optie is het onderbrengen van taken en bevoegdheden inzake de jeugdhulp in een centrumgemeenteconstructie. b. Uitvoering
• •
De NVO is inmiddels in uitvoering en ligt het wetsvoorstel voor bij de Raad van State; - Taken en verantwoordelijkheden overhevelen naar de centrumgemeente vraagt om een wetswijziging en derhalve een verandering van bestuurlijk en financieel arrangement; - Dit vraagt ook om een zorgvuldig proces in overheveling van taken, bevoegdheden en eventueel personeel etc. van de regiogemeenten naar de centrumgemeenten;
c. Op wie richt de maatregel zich, welke partij is in de lead om de maatregel uit te voeren?
1. 2.
Het Rijk is al in de lead samen met gemeenten; Het Rijk zal de wet moeten wijzigen en komen tot een gewijzigd bestuurlijk en financieel arrangement. Om tot een goede aanwijzing van centrumgemeenten en regio-indeling te komen wordt dit gedaan in samenspraak met gemeenten en jeugdhulpaanbieders;
d. Beoogd effect
1.
Zoals al eerder aangegeven zal het maatschappelijke en financiele effect bij deze maatregel beperkt zijn. Veel regio’s kopen al samen in en kennen al een samenwerkingsverband; Door de centrumgemeenteconstructie ontstaat er uniformiteit in een regio voor de gehele jeugdhulp, dat betekent: - Minder administratieve lasten; - Minder coordinatiepunten; - Beleid en uitvoering vanuit de gemeente kan nu vanuit een organisatie worden vormgegeven; - Wel rekening houden met optie waarin veelvoorkomende ambulante jeugdhulp wel regionaal wordt ingekocht door centrum- en regiogemeenten.
2.
e. Interacties met andere maatregelen
Kijkende naar de inrichting van de centrumgemeente is bij deze denkrichting sprake van veel standaardisatie en uniformering in de regio. Dit heeft overlap met de andere maatregelen die op standaardisatie en uniformering betrekking hebben.
2. Uitvoering van de maatregel a. Welke randvoorwaarden zijn er om de maatregel goed uit te voeren?
•
•
Voordat deze maatregel uitgevoerd kan worden, is het eerst van belang te bepalen welke taken je op het niveau van centrumgemeenten wil beleggen en op welke wijze centrumgemeenten hier met de regio uitvoering kunnen gaan geven; Daarnaast is het van belang om afspraken te maken welke gemeenten tot centrumgemeenten kunnen worden aangewezen, aangezien dit niet in elke regio voor de hand liggen is.
48
b. Is de maatregel uitvoerbaar voor de partij die in de lead is?
De maatregel is uitvoerbaar, maar de ontwikkeling van de centrumgemeenten vraagt van zowel het Rijk als de gemeenten een stevige inzet. Vanzelfsprekend moet er wel consensus zijn tussen gemeenten over deze constructie en als deze er niet, is zal het Rijk een afweging moeten maken wat de voorkeur heeft bij het al dan niet over gaan naar een centrumgemeenteconstructie. Voor de ontwikkeling is het Rijk in samenwerking met de VNG en de branches in de lead. De uitvoering ligt hoofdzakelijk bij het Rijk als wetgever en uiteindelijk bij de betreffende centrumgemeenten.
c. Is het uitvoerbaar voor de andere betrokken partijen?
Dit zou wel het geval moeten zijn, aangezien dit voorstel met name bijdraagt aan minder administratieve lasten en coordinatiepunten.
d. Raakt het aan de verhouding tussen partijen binnen het stelsel?
Het raakt de bestuurlijk een financiele verhoudingen tussen Rijk en gemeenten. Een centrumgemeenteconstructie vraagt om een andere invulling van de bestuurlijke en financiele verhoudingen. Dit geldt vervolgens ook weer voor de verhoudingen tussen gemeenten en jeugdhulpaanbieders.
e. Implementatietijd
Dit vraagt om een wetswijziging en een significante wijziging in de bestuurlijk een financiele verhoudingen. Al met al ca. 2 jaar voor het wetstraject en daarnaast (parallel/dakpansgewijs) ook ca. 2 jaar voor de implementatie door gemeenten. Vervolgens zijn enkele jaren nodig om vertrouwd te raken met de nieuwe werkwijze. Rekening houden met de centrumgemeente constructie die al bestaat en expertisenetwerken in oprichting.
3. Effecten van de maatregel a. Financiele effecten
Zie ‘toelichting op de berekening’ onderaan.
b. Effect op kwaliteit en effectiviteit van jeugdhulp
Met name het invoeren van de centrumgemeenteconstructie zou voor de hoog specialistische zorg in de regio een impuls moeten geven aan de kwaliteit en effectiviteit van de jeugdhulp. Ook zou dit een bijdrage moeten leveren aan een betere opschaling en afschaling van de zorg.
c. Effect op meest kwetsbare kinderen
Meer eenduidigheid, coordinatie en sturing in de regio (beter afschalen en opschalen) kan een positief hebben op de zorg aan de kwetsbare kinderen.
d. Effect op professionals
Meer eenduidigheid in de regio kan een positief effect hebben op professionals.
e. Effect op aanpalende domeinen f. Overige relevante effecten
Wat belangrijk is om te vermelden is dat regionalisering niet hoeft te betekenen dat de uitgaven aan jeugdhulp hierdoor dalen of beheersbaar worden. Het kan een positieve bijdrage leveren aan de administratieve lasten en het verminderen van het aantal coordinatiepunten, maar zegt niet iets over de beheersing van de zorginhoudelijke uitgaven! Als een centrumgemeente haar inkoopstrategie niet goed inricht, kunnen de uitgaven nog steeds meer dan gewenst stijgen. Dit vraagt logischerwijs om andere maatregelen.
49
g. Onderbouwing voor beoogde effecten
Zie toelichting onder tabel.
h. Hoe is de verhouding tussen de inspanning van invoering en het financiele resultaat?
•
•
De keuze voor een centrumgemeente, met name als dit voor alle taken en bevoegdheden geldt, een ingrijpende wijziging zijn in de jeugdwet met een grote bestuurlijke impact op het gemeentelijke decentrale bestuur. Niet alleen dient hiervoor een wetswijziging plaatst te vinden, ook heeft dit grote impact op de regiogemeenten. Dit zal minder zijn als de meest voorkomende ambulante jeugdhulp bij de regiogemeenten blijft; Overigens kan de optie van centrumgemeente wel een significante bijdrage leveren in de daling van de administratieve lasten en het aantal coördinatiepunten.
Toelichting op de berekening Korte omschrijving o.b.v. fiche De maatregel Regionalisering jeugdhulp beziet de mogelijkheid om de jeugdhulp op een andere schaal te organiseren. Er zijn drie opties uitgewerkt, waarvan alleen de tweede optie is doorgerekend. Deze optie behelst het overhevelen van de gemeentelijke taken van de regiogemeenten naar de centrumgemeenten. Daarbij wordt de centrumgemeente verantwoordelijk voor de gehele inrichting van de jeugdhulp in de regio en dient zij samen met de regiogemeenten afspraken te maken over de toegang, inkoop en backoffice. Verder maken centrumgemeenten met de regiogemeenten specifieke gebiedsgerichte afspraken. Het voordeel van deze centrumgemeenteconstructie is dat voor jeugdhulpaanbieders in een regio een uniforme toegang en contractering ontstaan, waarmee de administratieve lasten en het aantal coördinatiepunten afnemen. Aanbieders merken dit in de communicatie, de tijd voor contractmanagement, in de hoeveelheid contracten (daalt) en wijze van verantwoording (minder versnipperd). Dit vergroot tevens de slagkracht van de regio om de gewenste inhoudelijke en financiële transformatie te realiseren.
Opbrengsten Voor de berekening van het effect van de maatregel is gekozen voor een gelijke aanpak als gehanteerd voor maatregel 19 ‘Inkoop voor bepaalde zorgvormen verplicht op regionaal niveau’ uit het onderzoek ‘Stelsel in groei’ van december 2020. Zowel de besparingshypotheses als de gebruikte data zijn in lijn met dit onderzoek. Maatregel 1.5 centrumgemeenten ziet in tegenstelling tot het genoemde onderzoek op alle vormen van jeugdzorg, niet alleen gespecialiseerde vormen. Aangenomen wordt dat minder gespecialiseerde zorg momenteel in geringe mate al op regionale schaal wordt ingekocht dan gespecialiseerde jeugdzorg (65% tegenover 82% voor gespecialiseerde vormen). De gebruikte hypothesen zijn i) een daling in administratieve lasten van aanbieders door uniforme eisen van gemeenten van 0.5% t.o.v. de totale jeugdzorgkosten, ii) een daling van de administratieve lasten van aanbieders en gemeenten door gezamenlijk contractmanagement van 0,1% t.o.v. de totale jeugdzorgkosten en iii) een toename van de administratieve lasten van gemeenten door regionale afstemming van 0,4% t.o.v. de totale jeugdzorgkosten. Op basis van deze hypothesen resulteert de maatregel na ingroeiperiode in structurele opbrengsten van €6 mln. per jaar. Kosten De transitiekosten voor deze maatregel zullen fors zijn. De voorgestelde wijziging is een majeure ingreep in het stelsel.
Het CPB rekent voor grote stelselwijzigingen met 1 tot 1,5% transitiekosten per jaar ten opzichte van de budgettaire grondslag. Vanwege de reeds opgedane ervaring met regionale samenwerking is voor deze maatregel met 1% gerekend. De transitiekosten komen daarmee uit op 47 €mln. per jaar in de eerste vijf jaar.
50
B.4 Centralisatie bepaalde vormen van gespecialiseerde jeugdhulp Korte inleiding (indien relevant) In deze variant wordt de (inkoop van) de specialistische jeugdhulp meer gecentraliseerd. Het doel van de maatregel is het beperken van de coordinatiekosten en uitvoeringskosten door het beperken van het aantal contractpartners. Dat gebeurt door de zorgverzekeraars voor de jeugd-ggz de taak van gemeenten over te laten nemen (variant A) of door voor de cruciale jeugdhulp de taak van gemeenten over te laten nemen door een landelijke uitvoeringsorganisatie (variant B).
1. Omschrijving maatregel a. Korte omschrijving
Er zijn twee subvarianten mogelijk: 1) Overhevelen jeugd-ggz naar Zvw In deze variant wordt de jeugd-ggz gecentraliseerd. De aanspraak uit de Jeugdwet wordt overgeheveld naar de Zvw. Momenteel wordt de ggz boven de 18 jaar uit de Zvw gefinancierd, afgezien van langdurige intramurale ggz, die wordt gefinancierd uit de Wlz. 2) Centralisatie bovenregionale jeugdzorg In deze variant wordt bovenregionale jeugdhulp gecentraliseerd. Voor de afbakening van bovenregionale jeugdhulp in deze variant wordt aangesloten bij de voorgestelde afbakening van hulp die bovenregionaal afgestemd zou moeten worden in het conceptwetsvoorstel: ‘Wet verbetering beschikbaarheid zorg voor jeugdigen’ dat voor advies bij de RvS ligt. Het gaat om de volgende zorgvormen: •
•
•
Huidige in het LTA opgenomen functies en zorgaanbieders Jeugd 2019 – 2020 (https://vng.nl/artikelen/functies-enzorgaanbieders-jeugd-2019-2020) (gesloten) woonvoorzieningen voor jeugdigen met complexe problemen (gesloten jeugdhulp, 3-milieusvoorziening, zware intramurale ggz, Wvggz- en Wzd-plaatsen) in samenhang met het onderwijs, inclusief (de ontwikkeling van) hoogwaardige ambulante alternatieven voor behandelzorg met verblijf zoals MST, MPFT, en Jeugd FACT-teams; jeugdhulp vanuit het gedwongen kader, te weten ter uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel als ook jeugdhulp opgelegd in strafrechtelijk kader (specifieke sociale vaardigheidstrainingen in ggz-kader die erop gericht zijn om
51
• •
recidive te voorkomen, voor zover deze niet door het Ministerie van JenV wordt betaald); de kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering; de expertisecentra voor jongeren met weinig voorkomende ernstige psychiatrische en/of anderszins complexe problematiek.
NB: Bovenstaande lijst mag geen statische lijst zijn. Een rol zoals het Nederlands Zorginstituut dat de minister van VWS adviseert over de inhoud, kwaliteit en betaalbaarheid van het landelijk pakket is nodig. Wetenschappelijke commissies toetsen deze adviezen. b. Uitvoering
Wetsaanpassing is vereist.
c. Op wie richt de maatregel Rijk zich, welke partij is in de lead om de maatregel uit te voeren? d. Beoogd effect
Het doel van de maatregel is het beperken van de coordinatiekosten en uitvoeringslasten van gemeenten en aanbieders door het beperken van het aantal contractpartners. Door grotere onderhandelingsmacht kan mogelijk ook doelmatiger worden ingekocht, tegen een lager tarief.
e. Interacties met andere maatregelen
Er is sprake van interactie met de maatregelen over regionalisering en landelijke inkoop. Variant B uit deze maatregel is niet gelijktijdig mogelijk met die maatregel. Ook is er raakvlak met andere maatregelen op het gebied van de toegang, standaardisering van de inkoop en regionale samenwerking.
2. Uitvoering van de maatregel a. Welke randvoorwaarden zijn er om de maatregel goed uit te voeren?
Beide varianten vergen wetswijziging en zorgvuldige implementatie. Variant B vergt bovendien een eenduidige omschrijving van het landelijk pakket en een beschrijving van de wijze van toegang tot deze zorg.
b. Is de maatregel uitvoerbaar voor de partij die in de lead is?
Rijk In alle varianten is een wetswijziging nodig. In subvariant B moet VWS voor delen van de specialistische jeugdhulp de zorg landelijk inkopen. Dit lijkt uitvoerbaar. In het verleden werd ook de gesloten jeugdhulp landelijk ingekocht. Vergelijkbaar met de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) vraagt dat een landelijke uitvoeringsorganisatie. Gemeenten De varianten beperken het takenpakket van gemeenten. Vooral variant B is ingrijpend.
d. Is het uitvoerbaar voor de andere betrokken partijen?
Meer centrale inkoop vermindert de uitvoeringslasten voor aanbieders van specialistische jeugdhulp. Bij variant B geldt dat de toegang op twee manieren belegd kan worden. Optie 1: conform huidige Jeugdwet (bij gemeenten en verwijzers zoals in de wet beschreven)
52
Optie 2: bij een (landelijke) organisatie die gelinkt is aan de organisatie die de jeugdhulp inkoopt. c. Raakt het aan de verhouding tussen partijen binnen het stelsel?
Beide varianten raken substantieel aan de verhouding tussen partijen in het stelsel. Voor variant B is dit effect het grootst. Deze denkrichtingen staat haaks op wat wordt voorgesteld in het onlangs voor advies naar de Raad van State gestuurde wetsvoorstel ‘verbetering beschikbaarheid zorg voor jeugdigen’. Voor alle varianten is wetswijziging vereist, dit vergt een doorlooptijd van circa 18 maanden. De varianten vragen zorgvuldige implementatie. Dat vergt minimaal drie jaar. Hierbij gaan we er vanuit dat de lopende contracten worden ontbonden. Invoering per 1 januari 2024.
e. Implementatietijd
3. Effecten van de maatregel Optie A. Financiele effecten in miljoenen euro’s
2021
2022
2023
2024
2025
Structureel
Jeugdwet besparing (- € )
€
€
- € 1400
- € 1400
- € 1400
Jeugdwet tijdelijke investering (+)
€
€
€
€
€
€
Andere domeinen besparing (-)
-€
-€
-€
-€
-€
-€
Andere domeinen investering (+)
€
€ 15
€ 15
€ 1330
€ 1330
€ 1330
Totaal netto resultaat (+/-) Negatieve bedragen zijn een besparing
€
€ 15
€ 15
- € 70 + niet berekend deel
- € 70 + niet berekend deel
- € 70 + niet berekend deel
Optie B. Financiele effecten in miljoenen euro’s
2021
2022
2023
2024
2025
Structureel
Jeugdwet besparing (- - € )
-€
-€
- € 700
- € 700
- € 700
Jeugdwet tijdelijke investering (+)
€
€
€
€
€
€
Andere domeinen besparing (-)
-€
-€
-€
-€
-€
-€
Andere domeinen investering (+)
€
€ 7,5
€ 7,5
€ 665
€ 665
€ 665
53
Totaal netto resultaat (+/-) Negatieve bedragen zijn een besparing
€
€ 7,5
€ 7,5
- € 35 + niet berekend deel
- € 35 + niet berekend deel
- € 35 + P niet berekend deel
Opmerkingen bij financiele effecten
Zie onderbouwing onderaan fiche
b. Effect op kwaliteit en effectiviteit van jeugdhulp
Het risico bestaat dat zorgaanbieders/zorgverleners uit verschillende domeinen minder integraal en minder nabij hulp en behandeling bieden aan kind en gezin. Dit heeft met name voor de multi-probleem gezinnen negatieve gevolgen Voor Variant B bestaat er risico op afwenteleffecten waarbij onnodig zware hulp wordt geleverd aan jeugdigen, wanneer de toegang tot deze hulp bij gemeenten blijft (conform jeugdwet). Wanneer in optie B gekozen wordt voor het inrichten van een aparte toegang dan kan dit leiden tot knelpunten of wachttijden bij overdracht. Ook zijn sociaal domein brede oplossingen dan minder vanzelfsprekend.
c. Effect op meest kwetsbare kinderen
Het risico bij beide varianten bestaat dat er door het creëren van een extra schot voor de meest kwetsbare kinderen onvoldoende van andere (sociaal domein brede) oplossingen gebruik gemaakt wordt waar de gemeente toegang toe heeft (bv oplossen van schuldenproblematiek of woonproblematiek), waardoor onnodig of onvoldoende effectief specialistische zorg ingezet wordt. Subvariant A kan positief uitwerken voor jongeren met psychische problemen die 18 jaar worden. Ernstige psychische problemen ontstaan vaak in de puberteit en zijn niet verholpen op de 18e verjaardag. Deze jongeren hebben nu te maken met een overgang van Jeugdwet naar Zvw. Daardoor is de continuïteit van de zorg niet altijd gewaarborgd: zij moeten soms overstappen van behandelaar of instelling. Subvariant B kan bijdragen aan de beschikbaarheid van cruciale jeugdhulp omdat de continuïteit van de aanbieders beter geborgd is.
d. Effect op professionals
Meer centrale inkoop vermindert de uitvoeringslasten voor aanbieders van specialistische jeugdhulp. Meer centrale inkoop kan de continuïteit van specialistische jeugdzorginstellingen beter waarborgen. In variant B bestaat het riciso door een hoger organisatieniveau dat de hulp verder af komt te staan van de lokale leefomgeving van het kind.
e. Effect op aanpalende domeinen
Variant A versterkt de samenhang tussen de GGZ en de andere medische zorg in de Zvw. De jeugd-ggz en overige jeugdzorg worden juist minder integraal georganiseerd. Variant B heeft het risico dat het beschermen van deze zorgvormen een transformatie naar meer lokaal aanbod van zorg hindert.
f. Overige relevante effecten
Bij variant A bestaat het risico op medicaliseren van de jeugdhulp.
54
Bij variant B geldt dat een landelijke uitvoeringsorganisatie geen verbinding heeft met de jeugdregio’s. Daardoor ontstaat er een knip in de jeugdketen. Naast bovengenoemd risico voor de transformatie bestaat het risico van afwenteling van dure zorg op de Rijksoverheid. Onderdelen terugdraaien van de decentralisatie zet de verhoudingen met gemeenten onder druk. g. Onderbouwing voor beoogde effecten
Zie voor een beschrijving van variant A CPB (2020) Zorgkeuzes in kaart. CPB (2021) Keuzes in Kaart
h. Hoe is de verhouding tussen de inspanning van invoering en het financiele resultaat?
Resultaat en inspanning zijn in verhouding/ Veel inspanning en weinig financieel resultaat Resultaat en inspanning zijn in verhouding
Onderbouwing structurele financiële gevolgen Bruto effect en samenhangende kosten, ook buiten jeugd. Suboptie A CPB heeft in 2020 een inschatting (Zorgkeuzes in Kaart) gemaakt van de omvang van de schuif van deze maatregel. Het betreft €1,4 miljard schuif van de Jeugdwet (€1,2 miljard uitgaven + €0,2 miljard tekort vanwege de door CPB genoemde ‘niet gerealiseerde besparing als gevolg van de decentralisatie’) naar de Zvw. Per saldo is dat een nuleffect (los van een klein transitie-effect). Zie Keuzes in Kaart (CPB, 2021). Het doelmatigheidseffect is nog niet verwerkt in bovenstaande berekening. Er kan sprake zijn van een kostendaling, doordat: • Er bij landelijke inkoop (door verzekeraars) meer onderhandelingsmacht is. Hierbij merken we wel op dat in het “oude” stelsel voor 2015 niet zo is dat de tarieven substantieel lager waren dan na 2015. Niet gekwantificeerd • Door standaardisatie kunnen coördinatiekosten en uitvoeringskosten afnemen. Volgens een onderzoek van Berenschot, gaat 29% van het jeugdhulpbudget op aan coördinatiekosten. Het aandeel van aanbieders is 21,3%. Gemeenten zijn voor toegang, regie, administratie, beleid lokaal en in de regio 4,3% van het jeugdhulpbudget aan coördinatiekosten kwijt. Dat is meer dan de oorspronkelijk voor gemeenten geraamde 3.1%. Ingeschat op €70 miljoen euro, dat is 5% van de grondslag.
Overheadkosten dalen als gevolg van lagere coördinatielasten. Het verschil van 30% overhead in de jeugd-ggz versus 20% overhead in de reguliere ggz/ Zvw (benchmarks en onderzoeken van o.a. Berenschot) komt deels door selectieeffecten. Vandaar dat slechts de helft van het 10%-punt verschil is meegenomen als besparing. Er kan sprake zijn van een kostenstijging, doordat: • Synergieverlies kan optreden doordat de inkoop van de jeugdzorg minder integraal wordt daar waar samenloop is tussen GGZ-problemen en andere (oorzaken van) jeugdproblematiek. Niet gekwantificeerd • Er afwenteleffecten kunnen optreden doordat er een schot wordt geïntroduceerd tussen verschillende stelsels/ inkopers: Niet gekwantificeerd a. Gemeenten hebben geen prikkel om niet door te verwijzen naar specialistische GGZzorg (al dan niet via de huisarts) of bij waargenomen jeugdproblematiek jeugdigen al te snel te verwijzen naar de toegangspoort van de jeugd-GGZ (huisarts)
55
b.
Zorginhoudelijke afstemming tussen GGZ-problematiek en andere problematiek (bijvoorbeeld LVG of complexe jeugdproblematiek) wordt minder eenvoudig waardoor meerdere hulpverleners tegelijkertijd actief zijn of naar elkaar afwentelen.
De decentralisatie ging gepaard met een korting, die gemotiveerd werd met doelmatigheid (synergie). Omdat er bij gemeenten sprake is van een tekort op jeugdzorg, gaat CPB er niet vanuit dat deze besparing gerealiseerd is (CPB Zorgkeuzes in Kaart 2020). Als de besparing bij de decentralisatie niet gehaald is, dan ligt het ook niet direct in de rede om een kostenstijging te veronderstellen vanwege recentralisatie. Subopties B Er was nog geen grondslag bekend voor deze maatregel (‘bovenregionale jeugdzorg’) , dus is een inschatting gemaakt op basis van bronnen en onderzoeken. Het is ingewikkeld om een goede inschatting te maken omdat het een diverse groep zorgtypen betreft waartussen soms overlap is. De registratie van de zorgtypen is niet een op een terug te vinden in dataclassificaties. We hebben een macrobenadering gekozen om te grondslag in te schatten (PxQ). De basis voor de Q is de statistiek ‘Trajecten jeugdzorg in natura’ van CBS over 2019. Onder de grondslag valt Jeugdhulp met gesloten verblijf, Jeugdreclassering, Jeugdbescherming (OTS en Voogdij) en Jeugdhulp met een ander verblijf bij de hulpverlener. Van die laatste categorie valt slechts een deel onder de ‘bovenregionale jeugdzorg’. Deze categorie is zeer divers.
Op basis van onderzoek van Significant naar de capaciteit van specialistische jeugdhulp maken we aannemelijk dat ongeveer 30% van de ‘overige’ groep onder bovenregionaal valt. Hier zit veel onzekerheid omheen, een bandbreedte van 20%-50% is aan de orde. Daarmee resulteert de volgende inschatting: CBS categorie
aandeel doelgroep
AANTAL trajecten in etmalen per jaar
PRIJS/etmaal (euro's 2021)
Uitgaven miljoen €
JH verblijf gesloten
100%
388.117
390
151
JH verblijf overig
30%
1.259.433
189
238
Jbesch OTS
100%
7.896.167
26,13
206
Jbesch Voogdij
100%
3.696.233
17,42
64
Jreclassering
100%
2.185.742
22,87
50
15.425.691
46,05
710
Totaal
De gemiddelde prijzen (P’s) zijn ook vermeld in de tabel. De bronnen daarvan zijn het kostprijsonderzoek gecertificeerde instellingen van Berenschot en een onderzoek naar tarieven voor de residentiele jeugdzorg in de FoodValley. Afgerond komt de grondslag uit op €700 miljoen. De bandbreedte is €630 tot €870 miljoen. De transitiekosten zijn naar rato verlaagd ten opzichte van Suboptie A. Dat betekent €7,5 miljoen in de twee jaar voor invoering. Als we voor de vuist weg dezelfde aanname hanteren als bij Suboptie A, dan bespaar je 5% op de kosten door minder coördinatiekosten, dat €35 miljoen, binnen een bandbreedte van €32 miljoen tot €44 miljoen. We gaan hierbij vanuit dat er bepaalde randvoorwaarden zijn die hierbij horen zoals:
56
1) Er wordt een contract afgesloten per aanbieder voor de specifieke zorgfuncties (in plaats van via verschillende regio’s en/of gemeenten); 2) Er vindt een wijze van financiele afhandeling en verantwoording plaats vanuit een landelijke organisatie (in plaats van via verschillende regio’s en/of gemeenten). Een belangrijk aandachtspunt bij deze oplossing is dat het voorstel uitgaat van zorgfuncties. Voor de overige zorgfuncties blijven de coordinatiekosten dan wel gewoon bestaan. Vanuit het perspectief van een aanbieder die zowel lokaal als bovenregionale zorgfuncties uitvoert – wat vaak voorkomt in de specialistische GGZ of LVG - levert deze maatregel dan maar beperkt voordelen op. We hebben in deze analyse niet meegenomen wat de besparing is aan gemeentezijde waar minder tijd nodig is voor contracteren en financiele afhandeling van de zorg. Er komt een knip tussen intramurale complexe hulpverlening en overige ambulante zorg. Dan is het moeilijk om deze goed aan elkaar te verbinden waardoor de zorg voor een jeugdige bij uitstroom “overgaat” van de ene naar de andere zorgverlener. Deze beperking kan nadelen opleveren op integrale zorg en brengt afwentelrisico’s met zich mee. Dit kan net als bij variant A leiden tot een kostenstijging. Dit effect is niet gekwantificeerd. Het verschil tussen opties 1 en 2 is eveneens niet gekwantificeerd.