CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

998164 Bijlage 1 Ruimtelijke onderbouwing

Commissie Ruimte en Economie 5 februari 2024, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: RVS Omgevingsvergunning Hogezoom 108 Renesse (998164)13.809 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Ruimtelijke onderbouwing 230511

Pagina 24 van 37

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Figuur 11: Kaart cultuurhistorie Zeeland

Om te bepalen of binnen het plangebied sprake is van cultuurhistorische elementen waarmee rekening moet worden gehouden, is de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant geraadpleegd. Landschapstypen Het westelijk deel van Schouwen-Duivenland behoort tot het zeekleigebied oudland. Het oude zeekleilandschap heeft zich met name gevormd na de Romeinse Tijd, toen grote zeeinbraken het aanwezige veenpakket erodeerden of bedekten met een dikke laag zeezand en klei. Waar het veen standhield, is het later voor een groot deel vergraven voor de turf- en zoutwinning. Het oudland omvat de zee-afzettingen uit de Vroege Middeleeuwen (500-1000), bestaand uit zandige kreekruggen en laaggelegen, kalkloze poelgronden. Historische polders Het plangebied behoort tot de polders voor 1300, welke een hoge waardering kent. Deze polder is opgedeeld in de Oosterenbanpolder met een oppervlakte van ca. 654 ha en de Westerenbanpolder met een oppervlakte van ca. 1176 ha. De Westeren en de Oosteren Ban vormen samen de zogenaamde ‘duinbannen’. In de omgeving van Renesse (Oosterenbanpolder) zijn muntvondsten gedaan die de periode 9e-17e eeuw bestrijken. Op de lokale bewoners rustte door de eeuwen heen de verplichting om de duinen te onderhouden. Thans hebben beide polders een belangrijk natuur- en recreatiefunctie.

Historische boerderijen In de directe omgeving van de planlocatie zijn een aantal historische boerderijen aanwezig. Onverharde weg Ten noordoosten van de planlocatie is de Saresweg gelegen, een onverharde weg van redelijk hoge waarde. Onverharde wegen zijn relatief zeldzaam op Schouwen-Duiveland. De planlocatie betreft een terrein dat al geruime tijd al verblijfsrecreatieterrein is gebruikt. Bovenstaande aspecten uit de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Zeeland worden door de beoogde ontwikkeling op de planlocatie niet onevenredig aangetast. 5.4

Bedrijven en milieuzonering

5.4.1 Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met eventuele milieuhinder als gevolg van (bedrijfs-)activiteiten. Uitgangspunt daarbij is dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor het bepalen van de aan Ruimtelijke onderbouwing 230511

Pagina 25 van 37

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

te houden afstanden wordt de VNG-publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstand geldt tussen enerzijds de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is. De gegeven afstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. 5.4.2 Milieu en richtafstanden In de VNG-publicatie is een gebied ingedeeld in twee typen: rustige woonwijk/rustig buitengebied of gemengd (buiten)gebied. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied beschouwd worden.

Indien sprake is van een gemengd gebied kan de richtafstand met één afstandsstap worden verlaagd. Omgevingstype De planlocatie Hogezoom 108 ligt in het, door de VNG-publicatie aangegeven, ‘rustig buitengebied’. In de nabije omgeving van het plangebied zijn geen agrarische of andere bedrijven gelegen. Het betreft hier een gebied met een matige functiemenging. Doordat het gebied getypeerd wordt als ‘rustig buitengebied’ mogen de richtafstanden niet worden teruggebracht met een afstandstap. Onderlinge toetsing tussen recreatieve verblijven is niet noodzakelijk. In de huidige situatie is de afstand tussen Camping Sareshof en Molencaten Park Wijde Blick 38 meter. Hier zijn recreatiewoningen dus toegestaan binnen de richtafstand van 50 meter. Beide locaties hebben binnen het bestemmingsplan ‘Kop van Schouwen’ de bestemming ‘Recreatie – kampeerterrein’. Tussen de uitbreiding en het Molencaten Park Wijde Blick liggen verder groenstroken en de onverharde weg (Saresweg), die als afscherming fungeren. Daarbij dient te worden opgemerkt dat recreatiewoningen in de omgeving dichterbij elkaar zijn gesitueerd, soms zelfs tegen elkaar aan. Zodoende wordt er geen belemmering verwacht vanuit de omgeving. Milieuzones Conform de VNG-publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ behoort een kampeerterrein tot milieucategorie 3.1.

In onderstaande tabel zijn de richtafstanden opgenomen welke aangehouden moeten worden van de rand van het bouwvlak tot omliggende gevoelige functies van derden. Daarnaast is een tabel opgenomen met de afstanden tot omliggende woonbestemmingen. Tabel 3: Richtafstanden bedrijf, omgevingstype ‘rustig buitengebied’ Functie Milieucat. Kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken)

3.1

Geur 30 m

Stof 0m

Richtafstand Geluid 50 m

Gevaar 30 m

Tabel 4: Afstand tot omliggende woonbestemmingen

Adres Hogezoom 97 Hogezoom 106

Afstand van uitbreiding standplaatsen tot woonbestemmingsvlak of bedrijfswoningen 70 meter 118 meter

Uit tabel 4 blijkt dat de richtafstanden van de planlocatie niet over een woonbestemming of bedrijfswoning in de omgeving zijn gelegen. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er wordt voldaan aan de richtafstanden. 5.4.3 Geur en veehouderij Toetsingskader De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. De Wet geurhinder en Ruimtelijke onderbouwing 230511

Pagina 26 van 37

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door veehouderijen. Met minimumafstanden en maximale waarden voor geurbelasting krijgen geurgevoelige objecten bescherming tegen geurhinder. Met de in de Wet geurhinder en veehouderij opgenomen grenswaarden moet rekening gehouden worden bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zoals het wijzigen van een bestemming. De Wet geurhinder en veehouderij vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning. Indirect heeft de Wet geurhinder en veehouderij ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd. Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in oogschouw moeten worden genomen: ▪ Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabij gelegen veehouderijen? ▪ Is ter plaatse van het plangebied een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd? Een geurgevoelig object is een gebouw dat is bestemd voor en geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf. Het gebouw moet hiervoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze worden gebruikt. De chalets op de locatie Hogezoom 108 kunnen gezien worden als geurgevoelig object.

Conclusie In Renesse wordt op een aantal locaties hobbymatig vee geweid zoals paarden. In sommige gevallen is er een schuilstal aanwezig waarin de aanwezige dieren kunnen schuilen bij extreem weer. De schuilstallen en de weides zijn geen inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer; de dieren worden niet op bedrijfsmatige dan wel gelijk aan bedrijfsmatige wijze gehouden en liggen bovendien niet in de omgeving van het plangebied. Er zijn in de omgeving geen (intensieve) veehouderijen aanwezig. De ontwikkeling op de planlocatie betreft een uitbreiding van 5 standplaatsen op de planlocatie. De bebouwing op deze standplaatsen zijn beperkt geurgevoelig. De chalets worden namelijk niet het hele jaar door bewoond. Gelet op voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect geur geen belemmering vormt voor de ontwikkelingen op de planlocatie Hogezoom 108. 5.5

Externe veiligheid

Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten en regelingen. De belangrijkste zijn: ▪ Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); ▪ Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); ▪ Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. De risico's dienen te worden beoordeeld op het plaatsgebonden en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. Hoe hoger het groepsrisico, hoe groter deze kans. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven in de vorm van contouren rond een risicobron. Het groepsrisico wordt weergegeven in een grafiek: de fN-curve.

Deze curve geeft aan hoe groot de kans is op een ongeval met een bepaald aantal slachtoffers. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat iemand die zich op een bepaalde plaats bevindt, komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het rijk heeft als maatgevende risicocontour de kans op overlijden van 10-6 per jaar gegeven (indien een persoon zich gedurende een jaar binnen deze contour bevindt is de kans op overlijden groter dan één op een miljoen jaar). Ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan het plaatsgebonden risico 10-6. Het plaatsgebonden risico 10-6 is voor ruimtelijke besluiten vertaald naar grenswaarden en richtwaarden. Ruimtelijke onderbouwing 230511

Pagina 27 van 37

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

De wetgeving is erop gericht om voor bestaande situaties geen personen in kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen en grote kantoren) en zo min mogelijk personen in beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren en sportcomplexen) bloot te stellen aan een plaatsgebonden risico dat hoger is dan 10-6 per jaar. Nieuwe ontwikkelingen van kwetsbare objecten binnen de risicocontour van 10-6 per jaar zijn niet toegestaan. Nieuwe ontwikkelingen van beperkt kwetsbare objecten zijn ongewenst, maar wel toegestaan indien gemotiveerd kan worden waarom dit noodzakelijk is. Daarnaast dient aangetoond te worden dat afdoende maatregelen worden genomen om de risico's en de gevolgen van een eventueel ongeval te beperken. Groepsrisico Het groepsrisico is een maat voor de kans dat een bepaald aantal mensen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De hoogte van het groepsrisico hangt af van: ▪ de kans op een ongeval; ▪ het effect van het ongeval; ▪ het aantal personen dat in de omgeving van de bron(inrichting of transportroute) verblijft; ▪ de mate waarin de personen in de omgeving beschermd zijn tegen de gevolgen van een ongeval. Het groepsrisico kan worden weergegeven in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers en op de verticale as de kans per jaar op tenminste dat aantal slachtoffers.

Het groepsrisico wordt bepaald binnen het zogenaamde invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Hoe meer personen in het invloedsgebied aanwezig zijn, hoe groter het aantal (potentiële) slachtoffers is, en hoe hoger het groepsrisico. Bij het opstellen van een bestemmingsplan, waarvan het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van een risicobron, geldt een verantwoordingsplicht.

Figuur 12: Uitsnede risicokaart

Inrichtingen De verantwoordingsplicht groepsrisico is van toepassing binnen het invloedsgebied van een risicovolle inrichting waarop het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van toepassing is. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle inrichtingen. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Uit de risicokaart, zie figuur 12, blijkt dat er binnen een straal van 250 meter van de planlocatie geen risicovolle inrichtingen zijn gelegen. Op een afstand van circa 280 meter is de dichtstbijzijnde risicovolle inrichting

Ruimtelijke onderbouwing 230511

Pagina 28 van 37

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

gelegen. Dit betreft een propaantank gelegen op het Molencaten Park Wijde Blick. De planlocatie is gelegen buiten de veiligheidsafstanden en komt daar niet binnen te liggen door de beoogde ontwikkeling. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er op grond van het Bevi geen belemmeringen zijn voor de beoogde ontwikkeling op de planlocatie. Een verantwoording van het groepsrisico is hierop niet van toepassing. Transport Naast de invloed van de risicovolle inrichtingen speelt de verantwoordingsplicht groepsrisico een rol bij transportassen waarop Beluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), van toepassing is. Dit besluit verplicht het bevoegd gezag om een beoordeling en afweging van de externe veiligheid mee te nemen bij ruimtelijke plannen die in de directe nabijheid zijn gelegen van een transportas waarover gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Op basis van het Bevt, welke vanaf 1 april 2015 van kracht is, dient bij nieuwe ontwikkelingen welke zijn gelegen binnen 200 meter van een transportas, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt, rekening te worden gehouden met de ruimtelijke ontwikkeling. De planlocatie ligt buiten het invloedsgebied van 200 meter van de transportas. Er is geen overschrijding van het groepsrisico externe veiligheid. Buisleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van kracht geworden.

Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. In de directe omgeving (in een straal van < 500 meter) van de planlocatie zijn geen buisleidingen gelegen die van invloed zijn op het plangebied. De dichtstbijzijnde buisleiding (gas) is gelegen op een afstand van circa 14,4 kilometer. Een verantwoording van het groepsrisico op grond van het Bevb is dus niet aan de orde. Conclusie De risicokaart toont in de directe omgeving (binnen een straal van < 250 meter) van de planlocatie Hogezoom 108 geen risicovolle inrichting. In de directe omgeving (binnen een straal van < 250 meter) van de planlocatie zijn geen risicorelevante transportassen of risicorelevante buisleidingen gelegen. Er is geen overschrijding van het groepsrisico externe veiligheid. 5.6

Kabels en Leidingen

Op of in de directe nabijheid van het plangebied zijn verder geen transportleidingen dan wel andere belangrijke kabels en leidingen gelegen, die de beoogde ontwikkeling kunnen belemmeren. Middels een KLIC-melding worden de overige kabels en leidingen in beeld gebracht. 5.7

Water

Beleid Waterschap De Scheldestromen Het waterschap De Scheldestromen is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen In het waterschapsbeheerplan 2022-2027, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de partners. Met specifiek aandacht voor thema’s als duurzaamheid, innovatie, klimaatadaptatie en de Zeeuwse leefomgeving. Grondwaterbeschermingsgebied De planlocatie ligt niet in een grondwaterbeschermingsgebied en/of waterwingebied. De planlocatie is wel gelegen in een bufferzone. Met de ruimtelijke ontwikkeling worden 5 extra permanente standplaatsen gerealiseerd. De standplaatsen worden gerealiseerd aan de bestaande weg. Er wordt enkel nieuwe verharding aangelegd ten behoeve van de bereikbaarheid van de chalets. Waterlopen Uit beoordeling van de Leggerkaart blijkt dat camping Sareshof is omringd met watergangen. Aan de noord-, noordwest- en noordoostzijde van de planlocatie is een secundaire watergang gelegen. Aan de zuid-, zuidwest

Ruimtelijke onderbouwing 230511

Pagina 29 van 37

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

en zuidoostzijde van de planlocatie is een primaire watergang gelegen. De bestaande waterlopen blijven behouden en worden niet belemmerd door de beoogde ontwikkeling op de locatie Hogezoom 108.

Figuur 13: Uitsnede Leggerkaart Waterschap Scheldestromen

Figuur 14: Uitsnede kaart grondwaterbeheer Waterschap Scheldestromen

Watertoets De watertoets is een belangrijk instrument om te verzekeren dat de waterhuishouding vanaf het begin van de planvorming integraal onderdeel uitmaakt van de ontwikkeling. Met name het vasthouden, bergen en afvoeren van regenwater is daarbij een belangrijk aandachtspunt.

Ruimtelijke onderbouwing 230511

Pagina 30 van 37

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn gemeenten verplicht om bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan overleg te plegen met de besturen van de betrokken waterbeheerder (artikel 3.1.6 Bro). In de toelichting bij het ruimtelijk plan dient voorts een waterparagraaf te worden opgenomen. Deze waterparagraaf moet een beschrijving bevatten van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het betreffende ruimtelijke plan voor de waterhuishouding en vormt de schriftelijke weerslag van de watertoets. Het waterkwantiteitsbeheer en waterkwaliteitsbeheer is in handen van het Waterschap Scheldestromen, de verantwoordelijkheid voor het rioolstelsel ligt bij de gemeente. Deze ruimtelijke onderbouwing wordt voorgelegd aan het waterschap Scheldestromen. Die zal in het kader van het overleg ex. artikel 3.1.1 Bro het wateradvies uitbrengen. Voor de beoordeling van ruimtelijke ontwikkelingen hanteert het waterschap een watertoetstabel. Voor de ontwikkeling op de planlocatie Hogezoom 108 te Renesse is de watertoetstabel ingevuld, deze watertoets is opgenomen in bijlage 2. Hieruit blijkt dat de beoogde ontwikkeling geen effect heeft op de waterhuishouding in het gebied. Conclusie Het aspect ‘Water’ vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 5.8

Ecologie

Vanuit Europa is de bescherming van (plant en dier) soorten en gebieden geregeld in de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. In Nederland is de natuurwetgeving verankerd in de Wet Natuurbescherming. Europese Vogel- en Habitatrichtlijn De Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn hebben tot doel de bescherming van (vogel)soorten en hun natuurlijke habitats. Elke lidstaat is verplicht om speciale beschermingszones (SBZ’s) aan te wijzen, die samen één Europees netwerk van natuurgebieden vormen: “Natura 2000”. Wanneer in een gebied bepaalde soorten voorkomen, of een bepaald percentage van de Europese populatie herbergt, dan komt dit gebied in aanmerking voor plaatsing onder de betreffende richtlijnen. De planlocatie valt in zijn geheel niet binnen de aangewezen Vogelrichtlijn- of Habitatrichtlijngebieden. Wet Natuurbescherming De Wet natuurbescherming is een 'kaderwet'. Dat betekent dat er alleen algemene principes en verantwoordelijkheden in staan. De details zijn geregeld in een groot aantal algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen. Sommige bepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn het gevolg van afspraken op internationaal en Europees niveau, zoals de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn en het CITESverdrag.

Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen kunnen wettelijk beschermde dieren en plantensoorten in hun algemeenheid of wettelijk beschermde gebieden in het geding zijn. Om de natuurwaarden van de projectlocatie te kunnen beoordelen moet er getoetst worden aan hetgeen beschreven staat in de Wet natuurbescherming. Daarnaast is het beleid aangaande het Natuurnetwerk van belang. Gebiedsbescherming Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden activiteiten te verrichten die leiden tot aantasting van wettelijk beschermde soorten en van hun voortplantingsplaats, vaste rustplaats of vaste verblijfplaats. De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van gebieden die om hun ecologische waarde beschermd moeten worden. Daaronder vallen onder andere de zogenaamde Natura 2000 gebieden. De planlocatie ligt niet in een speciale beschermingszone als bedoeld in de Wet natuurbescherming of binnen het Natuurnetwerk Nederland / EHS. Het beleid dat daarop van toepassing is heeft geen betrekking op de planlocatie. Al jaren is er in Natura 2000-gebieden een overschot aan stikstof (ammoniak en stikstofoxiden). Dit kan schadelijk zijn voor de natuur. Het belemmert ook vergunningverlening voor economische activiteiten.

Ruimtelijke onderbouwing 230511

Pagina 31 van 37

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Wanneer middels de AERIUS Calculator kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft het ‘Kop van Schouwen’ wat is gelegen op een afstand van circa 160 meter. De beoogde ontwikkeling betreft een uitbreiding van 5 standplaatsen op camping Sareshof. Om rekenkundig te onderbouwen dat de uitbreiding van 5 standplaatsen op de planlocatie geen negatieve gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden, is een berekening van de gebruiksfase en een berekening van de bouwfase uitgevoerd. Deze berekening inclusief invoergegevens is bijgevoegd in bijlage 1. Uit de berekening blijkt dat de gebruiksfase en de bouwfase niet leidt tot een depositie op Natura 2000-gebieden. De haalbaarheid is daarmee rekenkundig onderbouwd. Gelet op de schaal en aard van de voorgenomen ontwikkeling en ligging op voldoende geruime afstand tot Natura 2000 kunnen negatieve effecten op Natura 2000 gebied als een kwaliteitsverlies of overschrijding van de gestelde drempelwaarden geheel uitgesloten worden. Wat betreft het Natuurnetwerk Nederland worden er geen negatieve effecten verwacht die de wezenlijk waarden en kenmerken van de NNN/ EHS aantasten gelet op de aard en schaal van de voorgenomen ingrepen en ontwikkeling en de ligging op voldoende afstand.

Een toetsing aan het NNN/EHS-beleid wordt niet noodzakelijk geacht. Beschermde soorten Het is in theorie mogelijk dat op de locatie dier- en plantensoorten van de Habitatrichtlijnen voorkomen of dier- en plantensoorten die beschermd zijn op grond van de Wet natuurbescherming. De volgende beschermde soorten kunnen mogelijk in het plangebied worden aangetroffen, concreet zijn dit de kamsalamander, de heikikker, de poelkikker, de rugstreeppad, de vleermuis en de drijvende waterweegbree. Met uitzondering van vleermuis bestaat de habitat van deze soorten voornamelijk uit stromend dan wel stilstaand water. Op dit moment is er geen water op de locatie aanwezig. Het is dan ook nagenoeg uitgesloten dat op de locatie één of meer beschermende amfibiesoorten voorkomen. De vleermuis leeft in bomen en/of in gebouwen. Verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen worden gevonden in spouwmuren, maar ook achter betimmering en daklijsten en zijn dus zeer moeilijk op te sporen. De beoogde ontwikkeling op de planlocatie betreft het realiseren van 5 extra standplaatsen op de locatie Hogezoom 108. Op de standplaatsen is ruimte voor 5 chalets. Deze gebouwen worden gerealiseerd op het bestaande grasveld op de locatie, zie onderstaande foto’s. Voor de beoogde ontwikkeling worden geen bomen gekapt.

Omdat nooit helemaal kan worden uitgesloten dat vleermuizen aanwezig zijn, verdient de aanbeveling bij de planning en uitvoering van het plaatsen van de chalets en trekkershutten rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van vleermuizen. De voor vleermuizen meest gunstige periodes om de bebouwing te plaatsen zijn: • half september tot eind oktober, tijdens een warmere periode. De dieren zijn dan nog niet in winterslaap en kunnen zelfstandig een andere verblijfplaats zoeken. De paartijd is voorbij en de overwinteringsperiode is nog niet begonnen (eventueel nog in november, mits de temperatuur ’s nachts niet meer dan vijf nachten achtereen onder de drie graden Celsius en overdag onder de acht graden Celsius komt). ▪ eind maart tot en met april, tijdens een warmere periode. De dieren zijn dan niet meer in winterslaap en kunnen zelfstandig een andere verblijfplaats zoeken. De overwinteringsperiode is voorbij en de kraamperiode is nog niet begonnen. Het wordt aangeraden om de chalets te plaatsen buiten het broedseizoen om.

Ruimtelijke onderbouwing 230511

Pagina 32 van 37

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Figuur 15: foto's locatie nieuwe standplaatsen

Gelet op het bovenstaande en de beoogde ontwikkeling op de planlocatie kan gesteld worden dat de beschermde soorten niet belemmerd worden. Een nader onderzoek wordt daarom niet noodzakelijk geacht, maar er geldt altijd een algemene zorgplicht voor beschermde en onbeschermde soorten. 5.9

Luchtkwaliteit

Conform de Wet Luchtkwaliteit kan elk project dat NIBM (niet in betekenende mate) bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Als het plan NIBM aan de luchtkwaliteit bijdraagt, hoeft geen uitgebreid luchtkwaliteitsonderzoek meer uitgevoerd te worden. Op 1 augustus 2009 is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Het NSL zorgt ervoor dat Nederland binnen de door Europa gestelde termijn zal voldoen aan de Europese grenswaarden op het gebied van fijn stof en stikstofdioxide. In het NSL is een lijst met ruimtelijke Ruimtelijke onderbouwing 230511

Pagina 33 van 37

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

infrastructurele projecten opgenomen met een maatregelenpakket, dat ervoor gaat zorgen dat de huidige overschrijdingen van de luchtkwaliteit worden opgelost en de negatieve effecten van geplande ruimtelijke ontwikkelingen worden gecompenseerd. De inwerkingtreding van het NSL heeft gevolgen voor het NIBM. Een plan is vanaf 1 augustus 2009 NIBM als het een toename van de concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) veroorzaakt die niet meer bedraagt dan 3 % van de jaargemiddelde concentratie van die stof. Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m³ voor zowel PM10 en NO2. De categorieën die altijd NIBM zijn, zijn de volgende: Woningbouw: ▪ 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg; ▪ 3000 woningen (netto) bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.

Met onderhavig ruimtelijke ontwikkeling worden op de planlocatie 5 extra standplaatsen gerealiseerd op camping Sareshof. De ontwikkeling op de planlocatie valt niet onder een van de hierboven genoemde categorieën, maar is ook niet zonder meer te zeggen dat de ontwikkeling NIBM is. Daarom is een globale berekening nodig om te bepalen of nader onderzoek noodzakelijk is of niet. Omdat bij de beoogde ontwikkeling sprake is van een woonfunctie, dient ook een beoordeling plaats te vinden of voldaan wordt aan de wettelijke luchtkwaliteitseisen c.q. inzicht te worden gegeven in de heersende concentraties. De coördinaten van de planlocatie zijn bij benadering: ▪ x = 42819 ▪ y = 415848 De Grootschalige Concentratie- en Depositiekaart Nederland (GCN) van het RIVM tonen ter hoogte van deze coördinaten, de volgende achtergrondconcentraties: 2022: NO2: 11,29 µg/m3 en PM10: 15,19 µg/m3 2025: NO2: 10,07 µg/m3 en PM10: 13,40 µg/m3 2030: NO2: 8,26 µg/m3 en PM10: 12,76 µg/m3 Deze waarden liggen ruim beneden de grenswaarde van PM10 en NO2 van 40 µg/m3. Hiermee vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de ontwikkeling van de planlocatie. De ontwikkeling van de uitbreiding met 5 standplaatsen op de planlocatie valt niet onder een van de hierboven genoemde categorieën, maar is ook niet zonder meer te zeggen dat de ontwikkeling NIBM is.

Daarom is een globale berekening nodig om te bepalen of nader onderzoek noodzakelijk is of niet. Door het Ministerie van VROM is een instrument ontwikkeld, waarmee op een eenvoudige wijze kan worden berekend of een bepaalde ontwikkeling wel of niet ‘in betekende mate’ bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit: de NIBM-tool. Met deze tool is het voldoende om gegevens te hebben over de omvang van het extra verkeer en het aandeel vrachtverkeer als gevolg van het plan. Indien deze gegevens voor een plan bekend zijn, kan op basis van een berekening met de tool worden bepaald of het plan aangemerkt kan worden als NIBM.

Ruimtelijke onderbouwing 230511

Pagina 34 van 37

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Figuur 16: Weergave NIMB-tool

Maximaal kunnen er 105 extra voertuigbewegingen op een weekdaggemiddeld zijn, waarbij uitgegaan wordt van 100% vrachtverkeer. Op basis van bovenstaande berekening kan geconcludeerd worden dat er geen 105 extra voertuigbewegingen zijn op een weekdag op de locatie Hogezoom 108. Dit zijn er veel minder. Het plan kan aangemerkt worden als NIBM. Een nader onderzoek naar luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. 5.10

Duurzaamheid

Algemeen Op dit moment zijn er een aantal transities die onder het begrip duurzaamheid vallen. Deze zijn: • de energietransitie: het terugbrengen van de CO2 uitstoot door van fossiele energie over te gaan op hernieuwbare en duurzame energie; • de ruimtelijke adaptatie voor de klimaatverandering: het aanpassen van de openbare ruimte om de negatieve effecten van de klimaatverandering te verkleinen of zelfs weg te nemen; • de overgang naar kringloopeconomie: gericht op het hoogwaardig hergebruiken van producten en grondstoffen; • Verbeteren van de biodiversiteit: door behoud en versterking van natuur en diersoorten. Alle ruimtelijke ontwikkelingen worden aan deze ontwikkelingen getoetst en indien mogelijk zal op deze ontwikkelingen geanticipeerd moeten worden. Energietransitie Het Bouwbesluit stelt eisen aan energiezuinigheid van nieuwe woningen en utiliteitsgebouwen. Op 1 januari 2021 is de EPC vervangen door de norm voor een Bijna Energie Neutraal Gebouw (BENG). De energieprestatie voor bijna energie neutrale gebouwen is vastgelegd aan de hand van drie eisen: 1. maximale energiebehoefte in kWh per m2; 2. maximale primaire fossiel energiegebruik in kWh / m2 en 3. minimale aandeel hernieuwbare energie in procenten. Aanvragen van de Omgevingsvergunning voor nieuwbouw moeten vanaf 1 januari 2021 voldoen aan deze BENG norm.

In het kader van de Wet Voortgang Energie Transitie (VET) is de aansluitingsplicht van aardgas bij nieuwbouw bij kleinverbruikersaansluitingen geschrapt. Voor grootverbruikers (hoger dan 50.000 kWh en 25.000 m3 gas) is er een energiebesparingsplicht en informatieplicht. Kantoren groter dan 100 m2 moeten voldoen een minimaal energielabel C hebben. Bij recreatieve ontwikkelingen geldt de duurzaamheidsstaffel uit de Agenda Toerisme. In deze duurzaamheidsstaffel is opgenomen dat bij uitbreiding van recreatie met meer dan 15% voldaan moet worden aan energieneutraliteit.

Ruimtelijke onderbouwing 230511

Pagina 35 van 37

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Duurzame mobiliteit De richtlijn Energy Performance of Buildings Directive (EPBD III) verplicht om laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen aan te leggen bij nieuwbouw, bij ingrijpende renovaties of bij bestaande grotere gebouwen, ook als deze niet worden verbouwd. Nederland heeft deze vastgelegd in het Bouwbesluit. Circulaire economie In het Bouwbesluit is opgenomen dat bij de aanvraag Omgevingsvergunning het bij nieuwbouwwoningen en kantoren groter dan 100 m2 verplicht is om een Milieu Prestatie Gebouwen (MPG) te overleggen. Een MPG is een belangrijke maatstaf voor duurzaamheid van een gebouw. Bij recreatieve ontwikkelingen en een uitbreiding van meer dan 15% moet volgens de Agenda Toerisme voldaan worden aan circulariteit. Klimaatadaptatie Het wordt steeds belangrijker om het regenwater wat er valt te hergebruiken, omdat de kans op schaarste van zoet water steeds groter wordt in de toekomst. Zoetwater bergen voor de landbouw is dan een goede mogelijkheid, naast het gebruik van regenwater voor een grijswatercircuit (onder meer spoelen toiletten). Door klimaatverandering is de verwachting dat er steeds langere perioden van droogte en hitte ontstaan. Zorg voor voldoende opgaande beplanting. Beplanting kan voor schaduw zorgen, maar ook rond de beplanting is door water verdamping uit de plant de lucht koeler.

Daarnaast kan beplanting zorgen dat wateroverlast minder wordt, doordat het water opgenomen wordt door de plant, en het water in de bodem opgenomen wordt, waardoor de bodem minder snel uitdroogt. Biodiversiteit De Wet natuurbescherming beschermt de biodiversiteit. De wet moet ervoor zorgen dat de soortenrijkdom van planten en dieren in de natuur blijft bestaan en dat kwetsbare soorten niet verdwijnen. Voorbeeld is natuur inclusief bouwen waarbij extra nestgelegenheid voor vleermuizen, huismussen en gierzwaluwen wordt gecreëerd. Toetsing De uitbreiding van het aantal standplaatsen op Camping Sareshof past binnen de genoemde 15% regeling uit de Agenda Toerisme. Er is namelijk sprake van een uitbreiding van de huidige 35 eenheden naar 40 eenheden. Op de planlocatie worden de chalets niet aangesloten op aardgas. Tevens wordt ingezet op het creëren van een toekomstbestendige en duurzame camping door flink te investeren in zonnepanelen, zowel op daken van de gebouwen als middels de zonnecarport. De camping is recent voorzien van laadinfrastructuur om zo ook Erijders te bedienen. Dit systeem is uitgerust met Dynamic Load Balancing. Hiermee heeft camping Sareshof geen grootverbruikers aansluiting meer, maar gaan zij slim om met de energie en stimuleren zij de gasten om te laden op zon. De chalets worden op een andere locatie gebouwd en worden compleet aangeleverd op de planlocatie.

Hiermee wordt invulling gegeven aan het aspect circulariteit. Voor de planlocatie is daarnaast ook een duurzaamheidsscan uitgevoerd, deze is toegevoegd in bijlage 4. Het initiatief voldoet aan de duurzaamheidsaspecten en de eisen volgens de Agenda Toerisme. 5.11

M.E.R. Beoordeling

Bij besluit van 21 februari 2011 heeft de wetgever het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht gewijzigd. De belangrijkste wijziging betreft het meer 'in lijn brengen' van het Besluit m.e.r. met de Europese richtlijn m.e.r. Dit houdt in dat onder andere de zogenaamde drempelwaarde voor activiteiten een indicatief karakter heeft gekregen. Met dit wijzigingsbesluit is bepaald dat voor activiteiten die op de bij het besluit behorende C‐ en D‐lijst zijn opgenomen, altijd aandacht aan m.e.r. geschonken dient te worden. Op hoofdlijnen komt het erop neer dat voor activiteiten die behoren tot de C‐lijst een m.e.r.‐plicht volgt en voor activiteiten op de D‐lijst volgt dan wel een m.e.r.‐ beoordelingsplicht dan wel een motivering dat geen m.e.r.(beoordeling) nodig is.

Ruimtelijke onderbouwing 230511

Pagina 36 van 37

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Onder lijst D van het Besluit m.e.r. valt de aanleg, wijziging of uitbreiding van permanente kampeer- en caravanterreinen als de activiteit 100 ligplaatsen of meer omvat. Binnen de planlocatie omvat de ontwikkeling een uitbreiding van 5 permanente standplaatsen. Gesteld kan worden dat de milieueffecten gevolgen van de realisatie van 5 standplaatsen op de camping van dien aard zijn dat er geen m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordeling aan de orde is. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of activiteit met een omvang onder de drempelwaarde toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die een omvang hebben beneden de drempelwaarden, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrij m.e.r.-beoordeling gebruikt. Uit deze toets kunnen twee conclusies komen: belangrijke nadelige milieueffecten kunnen worden uitgesloten of belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uitgesloten. In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.-beoordelingsplichtig in het andere geval dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd.

De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEGrichtlijn milieueffectbeoordeling. Beoordeling Drempelwaarde lijst D Op de planlocatie worden 5 extra standplaatsen gerealiseerd. Gelet op de omvang en het ruimtebeslag van de nieuwe standplaatsen valt de ruimtelijke ontwikkeling niet onder de activiteiten D.10 in de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage. De drempelwaarde voor een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten van D.10 in de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage vermeld: • 250.000 bezoekers of meer per jaar, • Een oppervlakte van 25 hectare of meer, • 100 ligplaatsen of meer of • Een oppervlakte van 10 hectare of meer in een gevoelig gebied. Conclusie Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is een aanmeldnotitie m.e.r. opgesteld. Deze is in bijlage 3 van de onderbouwing toegevoegd.

Ruimtelijke onderbouwing 230511

Pagina 37 van 37

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13732412/1