CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

966787 Bijlage 1 Ruimtelijk Beleid Duurzame Energie definitief concept

Commissie Ruimte en Economie 9 oktober 2023, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: RVS Ruimtelijk Beleid Duurzame Energie (966787)20.062 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

• De opstelling is begrijpelijk (bijvoorbeeld vergelijkbaar met de huidige opstelling). • Binnen een opstelling wordt één type turbine toegepast. • Grote windturbines mogen geen geluidoverlast veroorzaken. 34 - BoschSlabbers

•

•

Grote windturbines zijn enkel toegestaan na positief advies van Welstandscommissie en Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. Bij grootschalige duurzame windenergie projecten dienen in een vroegtijdig stadium de netbeheerder, veiligheidsregio en de Regionale Uitvoerings Dienst (RUD) Zeeland betrokken worden.

• •

•

•

Kleine windturbines Voor functioneel agrarische bedrijven in het buitengebied geldt dat 1 kleine windturbine is toegestaan op het bouwblok. Wij willen de openheid van het polderlandschap zo min mogelijk verstoren maar vinden dat agrariërs, die een zeer hoog elektriciteitsverbruik hebben, wel de mogelijkheid moeten krijgen om energieneutraal te worden. De voorwaarde hierbij is dat er een combinatie is met een substantieel aandeel zon op dak. Daarnaast wordt inspanning verwacht voor een kwalitatieve en robuuste landschappelijke inpassing van het erf. Uitvoering maximaal passend binnen provinciaal beleid.

•

•

• •

Algemene toe- en inpassingseisen: • Kleine windturbines worden alleen toegestaan bij agrarische bedrijven en niet bij andere bedrijven in het buitengebied. • Daken moeten substantieel benut worden met zonnepanelen. • Het gaat om agrarische bedrijven met een hoog energieverbruik, bijvoorbeeld door koeling of ventilatie. Het jaargebruik is hierbij leidend.

•

De maximale tiphoogte is 21 meter zoals opgenomen in het provinciaal beleid. Pas kleine windturbines in als onderdeel van het erf, geclusterd bij bebouwing op het achtererf. Kleine windturbines worden uitgevoerd in een terughoudende kleur, passend in het landschap en zonder enige toepassing van reclame. Omkader het erf met een inheemse transparante groensingel. Deze dient voldoende breed, dicht en hoog te zijn en te passen bij het landschap. Hiermee versterk je de landschappelijke waarden. Deze groensingel mag doorbroken zijn vanuit de meest voorkomende windrichting (zuid-west). De kleine windturbine moet worden geplaatst binnen het bouwvlak en is niet toegestaan binnen 15 meter van een kadastrale erfgrens en/ of mag het woongenot van de buren niet onevenredig aantasten. Grenzend aan natuurgebieden geld, volgens de Zeeuwse omgevingsverordening een 100 meter brede toetsingszone. Kleine windturbines mogen geen geluidoverlast veroorzaken. De fundering mag niet boven het maaiveld zichtbaar zijn. De kleine windturbine is enkel toegestaan na positief advies van Welstandscommissie en Commissie Ruimtelijke Kwaliteit.

Mini-windturbines Mini-windturbines (o.a. windschoepen en windwokkels) zijn relatief nieuw en worden binnen de gemeente nog weinig toegepast. De gemeente wil mini-windturbines toestaan bij centrale voorzieningen in verblijfsrecreatie, op bedrijventerreinen, bij sport, dagrecreatie en cultuur, in het landelijk gebied en is maatwerk bij bedrijven en verenigingen in woongebied. Algemene toe- en inpassingseisen: • In het geval dat mini-windturbines worden toegepast bij nieuwbouw dienen deze integraal onderdeel te zijn van de architectuur van het gebouw. • Mini-windturbines dienen zich in maat en schaal te verhouden tot het gebouw en de omgeving waar zij deel van uitmaken. Welstand beoordeelt de toepassing van miniwindturbines. • Mini-windturbines worden uitgevoerd in een terughoudende kleur, passend in het landschap en zonder enige toepassing van reclame. • Bij woningen in het buitengebied worden mini-windturbines niet op het dak geplaatst. • Maximale hoogte is 12 meter • De fundering mag niet boven het maaiveld zichtbaar zijn. • Mini-windturbines mogen geen geluidoverlast veroorzaken.

Voorbeelden van mini-windturbines (bron: Amazon)

Ruimtelijk beleid Duurzame Energie Schouwen-Duiveland - 35

4.3 Zon Trede 1: Zon-op-dak Zonnepanelen* op daken (mits voor eigen gebruik) die geen monumentale status hebben of zich niet bevinden in het beschermd dorps- en stadsgezicht kunnen vergunningsvrij worden aangelegd, mits wordt voldaan aan de eisen genoemd onder artikel 2 lid 6 van bijlage 2 van het Besluit Omgevings Recht (BOR). Om te stimuleren dat de ruimtelijke kwaliteit behouden blijft, geven we ter inspiratie richtlijnen mee voor het plaatsen van zonnepanelen op bestaande daken. Voor monumenten, beschermd dorps- en stadsgezicht en nieuwbouw worden wel specifieke eisen gesteld. Algemene toe- en inpassingseisen (indien vergunningsplichtig, anders ter inspiratie): • Zonnepanelen zijn, als ze zichtbaar zijn vanuit de openbare ruimte, voor het straatbeeld zeer bepalend. De ruimte tussen zonnepaneel en goot moet voldoende zijn. • Bij meerdere zonnepanelen op één doorgaand dakvlak streeft de gemeente naar een herhaling van uniforme exemplaren en een regelmatige rangschikking op een horizontale lijn. Herhaling

Passend bij het dak zonder storende randen (bron: zaanzon.nl),

•

•

binnen een blok (van dezelfde architectuur-/ bouwstijl) kan rust en samenhang brengen. Bevestigingsmiddelen, randen en panelen zijn uitgevoerd in één kleur en afgestemd en passend op de kleur van het dakvlak; Dakramen worden op een logische wijze meegenomen in het plaatsen van de panelen.

Specifieke eisen voor monumenten en beschermd dorps- en stadsgezicht: Voor monumenten en beschermd dorps- en stadsgezicht geldt maatwerk dat in samenspraak met de welstandscommissie moet worden uitgewerkt en goedgekeurd. In lijn met de regels vanuit de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE) hebben de gemeenten de mogelijkheid om een vergunning te verlenen voor het plaatsen van zonnepanelen op erfgoed in het zicht. Criteria zijn de mate van visuele verstoring en of er sprake is van een afgewogen ontwerp. Zie bijlage 6. Hellende daken uit het zicht (voorkeur) • het dak kan het extra gewicht dragen; • de panelen liggen boven de dakpannen (opbouw); • er is een zorgvuldig ontworpen legplan voor de panelen: • de panelen liggen in één aangesloten rechthoekig vlak; • de dakvorm of dakbedekking is niet bijzonder (geen spits, koepel, riet, zink, enzovoorts). • Bij het plaatsen van zonnepanelen moet men zich erop richten dat het historische materiaal van het dak (dakbedekking, dakbeschot, sporen, gordingen en spanten) behouden blijven.

Hellende daken in het zicht • er zijn geen alternatieven op andere plekken – ook niet in de buurt – of met andere systemen; • er is geen onevenredige visuele verstoring van het monument of de directe omgeving; • er is een zorgvuldig ontworpen legplan voor de panelen; • de panelen liggen in één aangesloten rechthoekig vlak; • het dak kan het extra gewicht dragen; • de panelen liggen boven de dakpannen (opbouw); • Bij het plaatsen van zonnepanelen moet men zich erop richten dat het historische materiaal van het dak (dakbedekking, dakbeschot, sporen, gordingen en spanten) behouden blijven. • en de ligging van het monument of het pand binnen beschermd stads-/dorpsgezicht, de dakvorm of dakbedekking is niet bijzonder (geen locatie met hoge waarden binnen een bijzonder gebied, ensemble of complex; geen spits, koepel, riet, zink, enzovoorts). Platte daken • Op platte daken is de minimale afstand tot de dakrand gelijk aan de hoogte van de panelen of collectoren; • De zonnepanelen mogen niet zichtbaar zijn vanuit de openbare ruimte. • bevestigingsmiddelen, randen en panelen zijn uitgevoerd in één kleur en afgestemd en passend op de kleur van het dakvlak. * waar gesproken wordt over zonnepanelen worden ook

36 - BoschSlabbers

zonnecollectoren , zonneboilers en en PVT-panelen bedoeld

Zon-op-dak bij nieuwbouw (bron: zonnegilde.nl)

Specifieke eisen voor nieuwbouw: Ook bij nieuwbouw gelden specifieke voorwaarden voor zonnepanelen. • Pas in geval van nieuwbouw zonnepanelen toe op daken, waarbij zij worden geïntegreerd in het ontwerp en/of als vanzelfsprekend deel uitmaken van het dakvlak. Daarbij is onderscheid tussen platte daken en schuine daken. • Op schuine daken geldt dat zonnepanelen integraal worden opgenomen in het dakontwerp. • Op platte daken zichtbaar vanaf de openbare weg is de minimale afstand tot de dakrand gelijk aan de hoogte van de panelen. • Op platte daken geldt dat zonnepanelen bij voorkeur in combinatie met een groen dak (sedumdak) worden uitgevoerd.

Trede 2: Zon-in-tuin Bij particuliere woningen zowel binnen als buiten de bebouwde kom is het mogelijk zonnepanelen te plaatsen in de tuin als het dak aantoonbaar ongeschikt is qua constructie of dat panelen onevenredige afbreuk doen aan de beeldkwaliteit van de woning. Voorwaarde is dat de opgewekte energie altijd voor eigen gebruik is. Algemene toe- en inpassingseisen: • Maximale hoogte op het maaiveld is 1,5 meter. • Zonnepanelen zijn niet zichtbaar vanuit de openbare ruimte (alleen plaatsing op achtererf.) • Zonnepanelen worden geplaatst op een waterdoorlatende ondergrond. • De totale oppervlakte van constructies ten behoeve van zonnepanelen en bouwwerken (zoals schuurtjes) mogen het maximaal bebouwd oppervlak niet overschrijden. Specifieke eisen voor zon-in-tuin binnen de bebouwde kom: • Zonnepanelen worden minimaal 1 meter van de erfgrens geplaatst. Specifieke eisen voor zon-in-tuin buiten de bebouwde kom: • Zonnepanelen worden landschappelijk ingepast (zie hoofdstuk 3).

Zonnepanelen achter meidoornhaag (bron: Jack de Vos)

Panelen niet zichtbaar vanuit het landschap (bron: Jack de Vos)

Trede 3: Zon-energieneutraal Indien voor eigenaren van een bedrijf binnen of buiten de bebouwde kom optie 1 (daken) aantoonbaar onvoldoende mogelijkheden bieden om voor eigen gebruik energieneutraal te zijn, is realisatie van zonnepanelen op maaiveld mogelijk. Daar waar een zonnepark vanuit ruimtelijk oogpunt een grotere impact heeft op het landschap, dient zwaarder ingezet te worden op de landschappelijke inpassing. Algemene toe- en inpassingseisen: • Maximale hoogte op het maaiveld is 1,5 meter. • Bevestigingsmiddelen, randen en panelen zijn uitgevoerd in één kleur en afgestemd en passend in de omgeving; • Zonnepanelen voegen zich naar het bestaande verkavelingspatroon (zie figuur 13). • Zonnepanelen mogen binnen een opstelling onderling niet in hoogte en diepte verspringen, dit ten behoeve van een rustig landschapsbeeld. • Zonnepanelen worden landschappelijk ingepast (zie hoofdstuk 3). • Zonnepanelen dienen bij voorkeur binnen het bouwvlak geplaatst te worden, indien aantoonbaar niet geschikt, dan pas plaatsing buiten het bouwvlak. • Bij agrarische bedrijven grenzen de zonnepanelen aan de bouwkavel. • Zonnepanelen zijn niet zichtbaar vanaf de openbare weg. Afstand tot de openbare weg is minstens 10 meter daarna begint de landschappelijke inpassing waarachter de panelen zich bevinden. • Verlichting is niet toegestaan.

Ruimtelijk beleid Duurzame Energie Schouwen-Duiveland - 37

niet zo

wel zo

max 1,5 meter

Figuur 11: Maximale hoogte en afstand tot maaiveld

Figuur 12: 15% van de totale oppervlakte van zonnepanelen dient te worden ingezet voor vrije bodem

•

•

•

•

•

Ten behoeve van een gezonde bodem dient er een minimale ruimte tussen de onderzijde van de panelen en het maaiveld van 0,3 m te zijn zodat voldoende licht en lucht de bodem kunnen bereiken (zie figuur 11). Voor een goede bodemkwaliteit en vegetatiestructuur mag de bodem niet maximaal bedekt worden door zonnepanelen. Minimaal 15% van de totale oppervlakte van zonnepanelen dient te worden ingezet voor extra vrije bodem. De ruimte wordt gelijkmatig verdeeld tussen de rijen met panelen (zie figuur 12). Toegangswegen, beveiliging, hekwerken en transformator zijn mee ontworpen in de totale inpassing. Indien de toepassing van hekwerken onvermijdelijk is, dienen deze zo laag mogelijk en transparant te zijn, landschappelijk te zijn ingepast en nooit zichtlijnen te doorkruisen. Bomenkap ten behoeve van de zonnepanelen is niet mogelijk, tenzij aantoonbaar noodzakelijk en driedubbel gecompenseerd. Nieuwe aanplant dient duurzaam in stand te worden gehouden en bestuursrechterlijk en/of privaatrechtelijk geborgd te worden. Voor recreatiebedrijven wordt dubbel ruimtegebruik van centrale parkeerplaatsen

38 - BoschSlabbers

met zonnepanelen aangemoedigd. Dit is • De zonoverkapping moet ingepast worden met max. max. maatwerk. lage onderbegroeiing (inheems en streekeigen). 2.5 meter 2.5 meter min. min. • Een plan moet ter beoordeling voorgelegd Dit punt geldt voor overkappingen van min. 5 0,8 meter 0,8 meter worden aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit parkeerplaatsen. zuid-opstelling oostwest-opstelling en welstand indien gelegen aan de rand van een • De maximale hoogte is 4,5 meter. recreatieterrein en dus zichtbaar vanaf de • afmetingen De constructie moet opentype zijn (geen achter- en Principes behorende bij maximale en minimale zonnepanelen bij verschillende opstellingen. openbare ruimte. zijwanden). • Bij het realiseren van zonneparken dient • De constructie moet zodanig worden geplaatst aandacht te zijn voor de bereikbaarheid en dat de zonnepanelen vlak op het dak gelegd min. 10% bluswatervoorzieningen. kunnen worden. • Afstemming moet plaats vinden met de • De overkapping mag geen belangrijke Netbeheerder, Veiligheidsregio Zeeland (VRZ) en zichtlijnen belemmeren. de Regionale Uitvoeringsdienst Zeeland (RUD). • Het plan moet passend zijn in het straat- en bebouwingsbeeld.

Specifieke eisen voor overkappingen: • Een positief advies van stedenbouw, Minimaal 10% van het perceel dient gereserveerd Zonnepanelen mogen onderling in hoogte Ook bij overkappingen ten behoeve welstandscommissie en indien van toepassing te wordenvan voor landschappelijke inpassing. niet verspringen ten behoeve van een rustig landschapsbeeld. zonnepanelen gelden specifieke voorwaarden, Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. namelijk: • De constructie is uitsluitend ten behoeve van de zonnepanelen. • De zonnepanelen zijn uitsluitend voor eigen gebruik. • De constructie heeft een natuurlijke uitstraling, bij voorkeur uitgevoerd in hout. • Bevestigingsmiddelen, randen en panelen zijn uitgevoerd in één kleur en afgestemd envrij zicht op de Figuur 13: voegen zich Paszonnepanelen het zonnepark in de bestaande Voorkom achterkanten van zonnepanelen. verkavelingsstructuur in. passend in de omgeving; naar het bestaande verkavelingspatroon

Energielandschap Krammer

Trede 4: Energielandschap Er zijn mogelijkheden voor zon bij bestaande ‘energielandschappen’. Concreet betekent dit dat de aanleg van zonneparken mogelijk is bij de bestaande windparken Krammer en Roggenplaat die aangesloten zijn op een externe kabel voor de afvoer van energie. Algemene toe- en inpassingseisen • Omdat de zonnepanelen hier zichtbaar zijn wordt door de gemeente meegekeken met de verschijningsvorm. • Zonnepanelen liggen in een duidelijk herkenbaar patroon en vormen een samenhangend cluster (voorkomen van een versnipperd landschapsbeeld). • De verschijningsvorm wordt ter beoordeling voorgelegd worden aan de Welstandscommissie en de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. • Beveiligingsmaatregelen worden zoveel als mogelijk uit het zicht gehouden. Hekken zijn transparant of water wordt ingezet als fysieke barrière. • Verlichting is niet toegestaan.

Energielandschap Roggenplaat-West

Zon op waterbassin (bron: installatiejournaal.nl)

Specifieke eisen voor energielandschap Krammer • Binnen de bekkens wordt nooit meer dan 50% van het open water bedekt met zonnepanelen, om de waterkwaliteit te behouden. • Aangetoond moet worden dat er geen significant negatieve gevolgen zijn voor de ecologische waarden van water en omgeving. • Bij zon op water is het ook van belang de nodige aandacht te besteden aan de draagconstructie. Doelstelling is de zichtbaarheid van de constructie zoveel als mogelijk te beperken.

Algemene toe- en inpassingseisen • Voor zonnepanelen op water is landschappelijke inpassing enkel nodig wanneer deze in het zicht liggen vanaf de openbare weg. • Zonnepanelen mogen hierbij niet boven het maaiveld uitkomen van het omliggende terrein. • Bevestigingsmiddelen, randen en panelen zijn uitgevoerd in één kleur en afgestemd en passend in de omgeving; • Zonnepanelen mogen de waterkwaliteit niet negatief beïnvloeden. • Plaatsing van zonnepanelen mag geen overlast van spiegelingseffect veroorzaken.

Trede 5: Zon-op-water Samen met het waterschap Scheldestromen wil de gemeente onderzoeken of het mogelijk is om zonnepanelen aan te leggen op bestaande watergangen die niet gelegen zijn langs wegen (watergangen tussen de akkers). Hier mogen de panelen te zien zijn. Er zijn mogelijkheden om op kleine schaal zonnepanelen aan te leggen op waterbassins.

Specifieke eisen voor zonnepanelen op waterbassins • Zonnepanelen zijn goed te combineren met - tijdelijke - waterberging. Om beide functies optimaal tot stand te brengen worden voor deze locaties maatwerk oplossingen gezocht. Zonnepanelen mogen hierbij niet boven de waterbassins uitkomen.

Ruimtelijk beleid Duurzame Energie Schouwen-Duiveland - 39

Trede 6: Zon-nabij-bebouwingsconcentraties Grootschalige zonneparken voor duurzame energieopwekking voor derden is binnen het bestaande energienetwerk niet mogelijk. Aangrenzend aan bebouwd gebied, zoals de kernen, bedrijventerreinen en recreatieparken zijn kleinschalige duurzame energieprojecten onder voorwaarden toegestaan. Het gaat hierbij om kleine coöperatieve zonne-energie-initiatieven ten behoeve van het energieneutraal worden van dorpen en wijken. Dit gebeurt altijd in overleg met de netbeheerder. Inwoners die geen mogelijkheden hebben om zelf zonnepanelen op het dak te plaatsen kunnen zich dan verenigen en samen zoeken naar een oplossing door bijvoorbeeld gebruik te maken van de Subsidieregeling Coöperatieve Energieopwekking (SCE) - voorheen postcoderegeling. Ook hier dient eerst gezocht te worden naar een groot geschikt dak voordat de zonnepanelen op het maaiveld worden toegepast. Per kern is maximaal één initiatief toegestaan. Landschappelijke inpassing is voor deze initiatieven van groot belang. Daar waar sprake is van een fraaie verweving tussen bebouwing en het omliggende landschap dient dit karakter behouden te blijven en zo mogelijk verder te worden versterkt. Hier ligt de toepassing van zonnepanelen niet voor de hand.

Waar een betere afronding van de dorpsrand of een dorpsuitbreiding op stapel staat, is een zorgvuldige groene inpassing tussen de bebouwing en het landschap vereist. Waar deze opgave gecombineerd kan worden met zonnepanelen behoort dit tot de mogelijkheden. In geen geval mag daarbij het zicht op de cultuurhistorisch waardevolle objecten verminderen.

40 - BoschSlabbers

Per kern zal het gaan om maatwerk. Voor deze trede hanteren wij daarom een stappenplan die gebruikt dient te worden om te komen tot de meest passende locaties: Stap 1: landschappelijke context Beoordeel de landschappelijke context van de kern. Het gaat om de visuele relatie vanuit het dorp naar de omgeving, maar ook omgekeerd. Denk aan vergezichten en open zichtlijnen. Zonneparken zijn altijd op ooghoogte (max. 1.50m). Waardevolle visuele relaties worden aangegeven op een kaart. Openheid op zich is niet voldoende, het moet voor de beleving in het dorp en de beleving van het dorp belangrijk zijn. Benoem per zichtlijn wat de visuele waarde is. Stap 2: bepalen locaties Kijk in stap 2 praktisch naar de locaties die geen belemmeringen vormen voor vergezichten en waardevolle open ruimtes. De locaties moeten aansluiten aan het bestaande bebouwd gebied, niet doorsneden worden door een weg (m.u.v. recreatieve routes) en een begrenzing hebben die in bestaande verkavelingspatronen past. Daarnaast moet er ook een buffer zijn tussen de locatie en de aangrenzende bebouwing. Als deze niet aanwezig is, moet deze in het ontwerp worden meegenomen. Stap 3: Landschappelijke inpassing Maak een lijstje van landschapselementen die in dat gebied gebruikt worden. Waarom en hoe kunnen ze worden ingezet om de locatie in te passen.

En hoe zou dat voor de verschillende locaties kunnen? We willen het middel ‘dijk’ alleen inzetten als dit een oude dijklocatie is (dus reconstructie van dijken). Als

Zonneveld bij het dorp ‘t Zandt (bron: Eemskrant.nl)

het middel ‘dijk’ te kust en te keur wordt ingezet dan wordt het landschap van Schouwen-Duiveland onbegrijpelijk. Toepassing van een lage grondwal is maatwerk. Stap 4: integraal overzicht Over de mogelijke locaties moet in deze stap meer uitgezocht worden. Er moet een overzicht gemaakt worden van de kansen, mogelijkheden, bedreigingen en problemen van de verschillende locaties. Na een stakeholderanalyse dienen alle betrokken partijen met elkaar in gesprek te gaan over de onderwerpen en zo tot meningsvorming komen. Bij het doorlopen van deze stap wordt duidelijk of een locatie geschikt is. Stap 5: definitieve locatiekeuze De verschillende stappen hebben inzicht gegeven in de mogelijkheden van de locatie. De definitieve locatie kan gekozen en onderbouwd worden. Stap 6: het plan Voor de locatie kan op basis van de voorgaande stappen een plan met wijze van inpassing voor het zonnepark worden opgesteld.

4.4 Innovatie Algemene toe- en inpassingseisen: • De algemene in en toepassingseisen genoemd onder trede zon-energieneutraal zijn ook hier van toepassing (zie bijlage 3). • Draag zorg voor afronding / landschappelijke inpassing dorpsranden, ‘’ínbedding in het groen’’ onder meer door versterking van de landschapsstructuur met beplantingstypen die karakteristiek zijn voor het aanwezige landschap; • Na de levensduur van de zonnepanelen moet de landschappelijke inpassing bijdragen aan een aantrekkelijk landschap. • De ontwikkeling verhoudt zich vanzelfsprekend met dorpsrandfuncties: bijvoorbeeld aansluiten op de afwisselende open en besloten bebouwings- en beplantingsbeeld. • Maak zonneparken (deels) toegankelijk en zorg waar mogelijk voor aanvullingen op het routenetwerk voor wandelen en fietsen om vanuit de kern het buitengebied in te kunnen en andersom. Zandwegen, waterlopen en oude routes zoals kerkepaden zijn daarbij interessante aanknopingspunten. • Bij het realiseren van zonneparken dient aandacht te zijn voor de bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen. • Afstemming moet plaats vinden met de Netbeheerder, Veiligheidsregio Zeeland (VRZ) en de Regionale Uitvoeringsdienst Zeeland (RUD). • Een plan moet ter beoordeling voorgelegd worden aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. en welstandscommissie. Trede 7: Zon-in-open-landschap Dit is niet toegestaan.

De energietransitie kent nog veel onzekerheden wat betreft de technieken die kunnen worden ingezet voor de verduurzaming. Ontwikkelingen gaan snel. Om deze reden is in de Energie-Agenda van Schouwen-Duiveland gekozen om in stappen van 5 jaar aan te geven wat we gaan doen om de doelstelling van energieneutraal in 2040 te behalen. Dit om in ieder geval tussentijds rekening te kunnen houden met nieuwe ontwikkelingen op het gebied van verduurzaming van de energievraag. De gemeente Schouwen-Duiveland wil bijdragen aan de verdere ontwikkelingen van alternatieve technieken door middel van onderzoek en pilots. Belangrijke aandachtspunten binnen de pilots is de monitoring en evaluatie. Energie-opslag is nog in ontwikkeling en zou een oplossing kunnen zijn voor het ontlasten van het elektriciteitsnetwerk. De warmtetransitie is een complexe opgave. Voor Schouwen-Duiveland is het dominante transitiepad: zoveel mogelijk woningen isoleren, waar dat kan stimuleren van individuele hybride of elektrische warmtepompen of andere individuele oplossingen als bijvoorbeeld thermische collectoren en wijkgericht onderzoeken naar collectieve alternatieven zoals energie uit water (aquathermie), bodemenergie, etc. Ook worden de ontwikkelingen op het gebied van waterstof gevolgd.

Specifieke eisen voor individuele warmtepompen Voor wat betreft (kleinschalige) warmtepompen dienen deze te voldoen aan de wettelijke eisen. Hinder naar omwonenden dient ten alle tijden voorkomen te worden. Indien het plaatsen van een warmtepomp vergunningplichtig is, gelden de volgende welstandscriteria: • Warmtepompen mogen niet zichtbaar vanaf de openbare weg; • Materiaal en kleur afgestemd en passend in de omgeving.

Specifieke eisen voor biovergisters Biovergisters worden vaak geplaatst in aansluiting op bestaande boerenerven. Daarnaast zien we ook steeds vaker kleine installaties. Daarbij dient rekening gehouden te worden met de volgende specifieke eisen: • De biovergister mag geen geuroverlast veroorzaken. • Er dient een erfinrichtingsplan opgesteld te worden bij plaatsing van een biovergister. • Het plan moet ter beoordeling voorgelegd worden aan de Welstandscommissie en de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. Specifieke eisen voor grootschalige energieopslag Het moment dat elektriciteit uit duurzame bronnen wordt opgewekt komt vaak niet overeen met het moment van verbruik. Om dit te overbruggen wordt grootschalige energieopslag steeds interessanter. Deze grote batterijen vragen wel ruimte en zien er niet altijd even fraai uit. Daarom gelden hiervoor deze eisen: • Grootschalige energieopslag wordt ingepast in een bebouwde voorziening of geplaatst op terrein buiten het zicht van de openbare weg. • Indien dit niet mogelijk dient grootschalige energieopslag te worden voorzien van landschappelijke inpassing (zie hoofdstuk 3). • Bij de locatiekeuze moet aandacht zijn voor het voorkomen van veiligheidsrisico’s voor de omgeving. • Afstemming moet plaats vinden met de Veiligheids Regio Zeeland (VRZ). de Regionale Uitvoeringsdienst Zeeand (RUD) en de netbeheerder Stedin.

• Het plan moet ter beoordeling worden voorgelegd aan de Welstandscommissie en de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit.

Ruimtelijk beleid Duurzame Energie Schouwen-Duiveland - 41

42 - BoschSlabbers

5.

PARTICIPATIE Met wie?

Ruimtelijk beleid Duurzame Energie Schouwen-Duiveland - 43

44 - BoschSlabbers

5. Participatie

5.1 Participatie gedefinieerd Het klimaatakkoord maakt een onderscheid tussen participatie in de beleidsfase en projectparticipatie. Participatie in de beleidsfase In de beleidsvormende fase besluit de lokale overheid of er duurzame energieprojecten komen en zo ja, waar en hoe. Participatie is hier van belang om te verzekeren dat de ambities in overleg met de omgeving opgesteld worden. De wijze waarop belanghebbenden betrokken worden in het beleidsproces wordt vaak weergegeven in de participatieladder waar een onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende niveaus van participatie als: informeren, raadplegen, adviseren, coproduceren en meebeslissen. Bij het opstellen van het beleid duurzame energie zijn belanghebbenden geïnformeerd en geraadpleegd door middel van bijeenkomsten en konden zij meedenken via de interactieve website Denk Mee Schouwen-Duiveland.

Projectparticipatie Projectparticipatie is aan de orde als er een concreet duurzaam energieproject in beeld komt. Het vormgeven van de participatie ligt op dat moment grotendeels bij de initiatiefnemer. Projectparticipatie is alle vormen van participatie in de ontwikkeling, bouw en exploitatie van een project, zowel procesparticipatie als financiële participatie. Procesparticipatie is de inhoudelijke betrokkenheid van belanghebbenden bij het ontwikkelen van beleid, strategie, visie of een project, gericht op besluitvorming, randvoorwaarden etc. Financiële participatie is het investeren in en/of voordeel ervaren van de opbrengsten van een initiatief of project. Bij financiële participatie wordt onderscheid gemaakt tussen actieve en passieve financiële participatie. Bij passieve financiële participatie wordt een deel van de opbrengsten van een hernieuwbaar energieproject gebruikt om de omgeving tegemoet te komen. Bij actieve financiële participatie is een ondernemend element aan de orde. Deze vorm is risicodragend voor de deelnemers. In de participatiewaaier van het Klimaatakkoord (figuur 14) zijn de opties voor projectparticipatie bij zon- en windprojecten weergegeven. De participatiewaaier is weergegeven op de volgende pagina.

Kaders voor participatie zijn te vinden in het Klimaatakkoord, Regionale Energietrategie Zeeland en de Omgevingswet (Ow) die naar verwachting in januari 2024 in werking zal treden en in de verschillende gedragscodes als de gedragscode wind op land en de gedragscode zon op land. Klimaatakkoord. In het Klimaatakkoord is vastgelegd dat de participatiewaaier wordt gehanteerd gedurende het proces om te komen tot een wenselijke en haalbare vormgeving van omgevingsparticipatie in een project. Afspraken met de omgeving worden vastgelegd in een omgevingsovereenkomst. Op basis hiervan wordt een projectplan en participatieplan gemaakt, waarin wordt beschreven hoe participatie binnen het project optimaal wordt ingericht. Het bevoegd gezag controleert dat initiatiefnemers en omgeving hierover het gesprek aangaan en aan de voorwaarden voor participatie wordt voldaan. Het bevoegd gezag kan bovendien ook nadere eisen stellen. Voor wat betreft lokaal eigendom is in het Klimaatakkoord afgesproken dat er sprake moet zijn van “een evenwichtige eigendomsverdeling in een gebied waarbij gestreefd wordt naar 50 % lokaal eigendom van de productie (burgers en bedrijven).

Ruimtelijk beleid Duurzame Energie Schouwen-Duiveland - 45

Figuur 14: Participatiewaaier (www.Klimaatakkoord.nl)

46 - BoschSlabbers

Regionale Energie Strategie Zeeland (RES-Zeeland) In de RES- Zeeland zijn uitgangspunten opgenomen voor participatie. De energietransitie is niet alleen een technisch en economisch vraagstuk, maar ook een maatschappelijke beweging. Om die beweging te kunnen maken is het belangrijk inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties te betrekken bij de energietransitie. Daarin maken we onderscheid tussen procesparticipatie en financiële participatie. In de Regionale Energie Strategie Zeeland is afgesproken dat Zeeuwse partners zich inspannen om, in de helft van alle wind- en zonprojecten, een vorm van burgerparticipatie te realiseren. Hierbij wordt een belangrijk onderscheid gemaakt in de soort participatie. We onderscheiden participatie in de volgende 5 onderdelen/ mogelijkheden: 1. Procesparticipatie in het project 2. Mede-eigenaarschap 3. Financiële deelneming 4. Omgevingsfonds 5. Omwonendenregeling. Omgevingswet De Omgevingswet gaat uit van minder regels en meer betrokkenheid van burgers bij de ruimtelijke inrichting van de omgeving. Het beschermen en

benutten van de leefomgeving wordt daarmee een gezamenlijke verantwoordelijkheid van overheid, bedrijven en burgers. De wet biedt ruimte voor de samenleving om initiatieven te ontplooien en voor het bevoegd gezag om daarbij burgerparticipatie te eisen. Dat wil zeggen “het in een vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden bij het proces van de besluitvorming over een project of activiteit”. De nieuwe wet is relevant voor duurzame energieprojecten. Omgevingsplan Het omgevingsplan vertaalt de doelen en het beleid uit de gemeentelijke omgevingsvisie en de programma’s naar juridische regels. Denk hierbij aan het toewijzen van functies aan locaties, het toestaan of niet toestaan van bepaalde activiteiten in bepaalde gebieden, algemene regels en meldingsplichten bij activiteiten, vergunningplichten en beoordelingsregels en regels over omgevingswaarden. Bij het opstellen van een omgevingsplan is participatie heel belangrijk. Als een gemeente een omgevingsplan gaat maken dan moet ze daarvan een kennisgeving doen. In die kennisgeving staat hoe de gemeente participatie

zal gaan vormgeven. Stelt een gemeente een omgevingsplan vast? Dan moet daar in staan hoe zij burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen bij de voorbereiding betrokken heeft. En ook wat de gemeenten met de resultaten heeft gedaan. Wie de gemeente bij de vroegtijdige participatie betrekt, hangt af van het type omgevingsplan, de aard, de omvang en invloed op de fysieke leefomgeving. De verplichtingen voor participatie bij het omgevingsplan staan in artikel 10.2 lid 1 en 2 van het Omgevingsbesluit In de Denkwijze(r) voor goede participatie staan de volgende aandachtspunten bij het inrichten van participatie bij een omgevingsplan: - Betrek participanten bij de vraag of het toekennen van functies aan bepaalde locaties nodig is om ongewenste activiteiten te voorkomen. - Betrek participanten bij de vraag of er regels nodig zijn voor bepaalde activiteiten en, zo ja, welk type regel het meest geschikt is.

Ruimtelijk beleid Duurzame Energie Schouwen-Duiveland - 47

- Betrek participanten bij de vraag of bij vergunningplichten voldoende beoordelingsregels zijn geformuleerd. - Ga met participanten na of voldaan wordt aan evenwichtige toedeling van functies aan locaties. - Stem het proces voor een eventuele planmilieueffectrapportage (mer) af met het participatieproces van een omgevingsplan. Gebruik informatie uit de mer om participanten inzicht te geven in effecten van regels. En omgekeerd: gebruik participatie als bron voor de mer. Omgevingsvergunning De initiatiefnemer moet bij het aanvragen van een vergunning aangeven of -en zo ja, hoe- aan participatie is gedaan en wat de resultaten daarvan zijn. Het bevoegd gezag betrekt deze informatie bij de integrale belangenafweging. Bij het aanvragen van een omgevingsvergunning is de initiatiefnemer verantwoordelijk voor het organiseren van participatie.

48 - BoschSlabbers

Gedragscode Wind op Land Deze gedragscode biedt projectontwikkelaars handvatten voor het in een zo vroeg mogelijk stadium betrekken van de omgeving bij windprojecten. Projectontwikkelaars die lid zijn van Nederlandse Windenergie Associatie (NWEA) en Energie Samen zijn via deze twee brancheorganisaties automatisch gebonden aan de code. Naast voorwaarden voor een gebiedsgerichte aanpak, aandacht voor innovatie en natuur en landschap bevat de gedragscode voorwaarden voor procesparticipatie en financiële participatie. Procesparticipatie: In een zo vroeg mogelijk stadium en uiterlijk voorafgaand aan het ruimtelijke ordeningsproces wordt door de initiatiefnemers of het bevoegd gezag een participatieplan opgesteld. Uitgangspunt is dat alle belanghebbenden op gelijkwaardige wijze meewerken aan het opstellen hiervan. De gesprekken met en tussen hen leveren informatie op voor keuzes ten aanzien van participatieniveau, betrokkenheid en financiële participatie. In het participatieplan wordt concreet beschreven hoe

deze procesparticipatie vorm krijgt. Het participatieplan behandelt in ieder geval de volgende punten: • Reguliere afstemming en overleg met (direct) omwonenden, buurtverenigingen en dorpsraden, energiecoöperaties, natuur- en landschapsorganisaties; bijvoorbeeld door het (mede-)opzetten van een klankbord- of adviesgroep van belanghebbenden; • Het organiseren en faciliteren van discussie- en informatiebijeenkomsten met en voor de omgeving; • Duidelijke communicatie over op welke momenten de omgeving betrokken wordt en met welke frequentie. De initiatiefnemer geeft in overleg met de vergunningverlenende overheid - in het participatieplan én gedurende het proces - steeds duidelijk aan welke mogelijkheden er (nog) zijn voor aanpassingen in de planvorming; • Het inrichten van een goed en transparant systeem voor het behandelen van vragen en klachten, zowel tijdens de bouw als tijdens de exploitatie.

Financiële participatie Concrete afspraken in de gedragscode voor financiële participatie zijn: • Richtbedrag van 0,40 tot 0,50 euro / MWh voor omgevingsfonds of omwonenden regeling. • Volgens afspraak uit het Klimaatakkoord streven naar 50% lokaal eigendom.

Gedragscode Zon op land. De zonnesector heeft een eigen gedragscode vergelijkbaar met die van Wind op Land. Deze kan ook in acht worden genomen bij de beoordeling van een initiatiefnemer van een project. De drie principes uit de leidraad die leidend zijn voor initiatiefnemers en ondertekenaars van de gedragscode zijn: 1. Samen met stakeholders: Op het project afgestemde vorm van procesparticipatie waarbij stakeholders inclusief bewoners uit de omgeving vanaf het begin meedenken over de locatie, vormgeving en ontwikkeling van het beoogde zonneveld. 2. Meerwaarde omgeving: Naast economische motieven voor ontwikkelaar en grondeigenaar spelen er voor de omgeving andere belangen zoals landschap, biodiversiteit en financiële waarde voor de omgeving. De sector neemt het principe op zich dat, in overleg met stakeholders, het zonneveld per saldo een verbetering voor de landschappelijke en natuurwaarde van het gebied betekent. 3. Oorspronkelijk grondgebruik mogelijk: Zonneparken worden zo ingericht dat er geen

onomkeerbare ontwikkeling plaats vindt. Het oorspronkelijke of een ander grondgebruik moet, indien gewenst door grondeigenaar en bevoegd gezag, na het zonneveld weer mogelijk zijn; zowel beleidsmatig als fysiek. Daarbij hoort ook dat de sector zorgt dat er geen vervuiling optreedt of dat er spullen achter blijven. De initiatiefnemer doorloopt een proces om te komen tot een wenselijke en haalbare vormgeving van participatie. Het gaat hierbij om de participatiewaaier; dit kan zijn procesparticipatie, financiële participatie, financiële obligaties, eigendomsparticipatie, een omgevingsfonds of een combinatie hiervan. Het bevoegd gezag controleert dat initiatiefnemers en omgeving hierover het gesprek aangaan. Afspraken met de omgeving worden bij voorkeur vastgelegd in een omgevingsovereenkomst.

Ruimtelijk beleid Duurzame Energie Schouwen-Duiveland - 49

Gedragscode acceptatie en participatie Geothermie De geothermiesector heeft een eigen gedragscode namelijk de gedragscode omgevingsbetrokkenheid bij aardwarmteprojecten. In deze gedragscode zijn voorwaarden opgenomen voor: 1. Communicatie en dialoog; 2. Omgevingseffecten; 3. Kwaliteit van de leefomgeving. Handleiding participatieplan De handleiding participatieplan geeft een uitgebreid overzicht van de stappen bij beleidsvorming en mogelijke instrumenten om participatie toe te passen bij windprojecten. Veel van de informatie geldt ook voor projecten met andere vormen van duurzame energie, het document kan daarom ook handvatten bieden voor andere duurzame energieprojecten. Het participatieplan gaat uit van vijf projectfases namelijk: 1. Beleidsvorming; 2. Vergunningverlening; 3. Contractering; 4. Bouw; 5. Exploitatie.

50 - BoschSlabbers

Voor alle fase geeft de handleiding participatieinstrumenten die in de betreffende fase kunnen worden ingezet.

5.2 Participatie in Ruimtelijk Beleid Duurzame Energie In deze paragraaf stellen we de voorwaarden waar initiatiefnemers bij duurzame energieprojecten aan moeten voldoen. Hierbij maken we onderscheid in kleinschalige projecten voor opwek voor eigen gebruik en grootschalige projecten voor opwek derden. Algemene voorwaarden Grootschalige projecten voor opwek derden moeten voldoen aan de voorwaarden die zijn neergelegd in de gedragscodes Wind-op-Land, Zon-op-Land en Acceptatie en participatie Geothermie. Concreet betekent dit dat: bij grootschalige windprojecten voldaan moet worden aan de voorwaarden die in de gedragscodes zijn gesteld voor een gebiedsgerichte aanpak, innovatie en natuur en landschap. Bij grootschalige zonprojecten moet voldaan worden aan de drie principes: 1. Samen met

stakeholders; 2. Meerwaarde omgeving en 3. Oorspronkelijk grondgebruik mogelijk. Bij geothermieprojecten moet voldaan worden aan de voorwaarden uit de gedragscode van 1. Communicatie en dialoog; 2. Omgevingseffecten en 3. Kwaliteit van de leefomgeving. Voorwaarden voor procesparticipatie. Bij alle duurzame energieprojecten, zowel kleinschalig als grootschalig, moet de omgeving in een vroegtijdig stadium worden meegenomen. Vooruitlopend op de Omgevingswet zijn de vereisten als volgt: • Bij kleinschalige projecten voor opwek voor eigen gebruik moet de initiatiefnemer bij de omgevingsvergunning aangeven op welke wijze participatie met de omgeving heeft plaats gevonden en wat de resultaten daarvan zijn. De overheid neemt dit mee in de integrale belangenafweging. • Bij grootschalige projecten moet een participatieplan worden opgesteld met daarin voor alle fasen (beleidsvorming, vergunningverlening, contractering, bouw en exploitatie) informatie over:

•

•

•

•

Afstemming en overleg met (direct) omwonenden, buurtverenigingen en dorpsraden, energiecoöperaties, natuuren landschapsorganisaties; Het organiseren en faciliteren van discussie- en informatiebijeenkomsten met en voor de omgeving; Duidelijke communicatie over op welke momenten de omgeving betrokken wordt en met welke frequentie. Het inrichten van een goed en transparant systeem voor het behandelen van vragen en klachten, zowel tijdens de bouw als tijdens de exploitatie.

Voorwaarden voor financiële participatie Bij financiële participatie wordt onderscheid gemaakt tussen actieve en passieve financiële participatie. Bij passieve financiële participatie wordt een deel van de opbrengsten van een hernieuwbaar energieproject gebruikt om de omgeving tegemoet te komen. Bij actieve financiële participatie is een ondernemend element aan de

orde. In de participatiewaaier wordt onderscheid gemaakt tussen vier vormen van financiële participatie namelijk: mede-eigenaarschap, financiële deelneming, omgevingsfonds en omwonendenregeling. De eerste twee vormen zijn een vorm van actieve participatie en de laatste twee vormen zijn passieve participatie. Voorwaarden voor financiële participatie voor duurzame energieprojecten in SchouwenDuiveland zijn: • Financiële participatie in welke vorm dan ook is alleen van toepassing op grootschalige duurzame energieprojecten voor opwek voor derden. • Voor wat betreft actieve participatie (medeeigenaarschap en financiële deelneming) wordt, in navolging van het Klimaatakkoord en de RES-Zeeland, gestreefd dat 50 % van de productie van duurzame energie in eigendom is van de lokale omgeving (burgers en bedrijven). • Voor wat betreft passieve participatie (omgevingsfonds of omwonendenregeling) is

•

•

er een richtbedrag van 0,40 tot 0,50 euro / MWh om bij te dragen aan een omgevingsfonds of omwonenden regeling. Van het richtbedrag kan gemotiveerd worden afgeweken bijvoorbeeld wanneer het gaat om innovatieve projecten waarbij de opbrengsten lager liggen dan in al bewezen duurzame energieprojecten. Afspraken met de omgeving over financiële participatie worden vastgelegd in een omgevingsovereenkomst.

Ruimtelijk beleid Duurzame Energie Schouwen-Duiveland - 51

52 - BoschSlabbers

BIJLAGEN

Ruimtelijk beleid Duurzame Energie Schouwen-Duiveland - 53

54 - BoschSlabbers

BIJLAGE 1. Factsheet energiebalans 2023

ENERGIEBALANS VAN SCHOUWEN-DUIVELAND 2023

De ambitie van de gemeente is energieneutraal in 2040. Er zijn 2 factoren van invloed: 1. Het totale energieverbruik. 2. Het opwekken van duurzame energie. Deze infographic geeft een beeld van hoever Schouwen-Duiveland is.

HUIDIGE ENERGIEVERBRUIK

1.000 TJ =

De doelstelling voor 2023 is 3 % (ten opzichte van 2017) van het energieverbruik terug te dringen. Voor 2040 is dit 20 %. Het huidige energieverbruik is 4.229 TJ (op basis van de laatste cijfers van de klimaatmonitor van 2021).

1.000 TJ =

30 windmolens à 3 MW 100.000 woningen met zonnedaken De doelstelling 2023, voor het terugdringen van het energieverbruik, is hiermee nog niet gehaald.

1.565 TJ 37 %

1.526 TJ 36 %

130 TJ 3 %

Woningen, commerciële- en publieke dienstverlening.

Wegverkeer, mobiele werktuigen, binnenen recreatievaart en zeescheepvaart.

Industrie, bouwnijverheid, energieproductie en afvalverwerking.

Gebouwde omgeving

463 TJ 11 %

545 TJ 13 %

Warmte en energie opgewekt achter de meter.

Landbouw

Landbouw, bosbouw en visserij.

ENERGIEVERBRUIK

Industrie

Mobiliteit

Totaal

4.229 TJ

Doel 2023

Gerealiseerd 2021

Doel 2040

3.880 TJ

4.229 TJ

3.200 TJ

Bron: https://klimaatmonitor.databank.nl/dashboard/dashboard/

HOEVEEL ENERGIE WEKKEN WE AL DUURZAAM OP? In 2022 was het aandeel duurzame energie 1.691 TJ, 40 % van ons huidig energieverbruik. Dat betekent dat er nog 1.509 TJ extra per jaar duurzame energie nodig is om ons einddoel in 2040 te halen. Het tussendoel van 620 TJ (zonder windpark Krammer) hebben we gehaald.

Windenergie

Zonne-energie

Biomassa Sirjansland

264 TJ 16 %

175 TJ 10 %

181 TJ 11 %

zonder windpark Krammer

1.071 TJ 63 %

Totaal

1.691 TJ

windpark Krammer

OPWEK DUURZAME ENERGIE

2017

250 TJ

Doel 2023 Gerealiseerd 620 TJ

Gerealiseerd

621 TJ zonder windpark Krammer 1.690 TJ met windpark Krammer

Doel 2040 3.200 TJ

Voor de opgewekte duurzame energie worden de gegevens opgevraagd bij de exploitanten.

Ruimtelijk beleid Duurzame Energie Schouwen-Duiveland - 55

56 - BoschSlabbers

BIJLAGE 2. Historische ontwikkeling

Het landschap van Zeeland is het resultaat van de combinatie van omvangrijke natuurlijke gebeurtenissen en het ingrijpen van de mens. Eeuwenlang bouwden de bewoners van SchouwenDuiveland aan hun eiland. Het was een voortdurende interactie met de zee. Naast doorbraken en afkalvingen vonden ook aanslibbing, landaanwinning en zandinblazing plaats. Tussen 1000 en 1300 werd vanuit de zee veel zand aangevoerd en ontstond het duingebied ‘De Kop van Schouwen’. Dit is het breedste duingebied van Zeeland, met duinen tot 35 meter hoog. De dynamiek waarmee dit gebied gevormd is, is nog steeds goed af te lezen uit de verschillende verschijningsvormen van duinen in het gebied. De stormvloed van 1134 was directe aanleiding om Schouwen te gaan bedijken. In diezelfde periode kregen ook de eilanden Dreischor, Bommenede en Duiveland ringdijken. In de dertiende eeuw vormden Dreischor en Sirjansland samen één eiland. Door een dijkdoorbraak werd Sirjansland gescheiden van Dreischor. Hierbij ontstond de geul het Dijkwater. In 1374 werd het noordelijke deel van de Gouwe afgedamd. De Noordgouwe polder ontstond en het eiland van Dreischor werd

ca. 1600

ca. 1920 Ruimtelijk beleid Duurzame Energie Schouwen-Duiveland - 57

Het dijkenlandschap van de polders van Duiveland

Duinlandschap van Kop van Schouwen

Het open polderlandschap van Schouwen

verbonden met Schouwen. Er volgde een reeks nieuwlandpolders die een minder roerige geschiedenis kennen dan vele andere delen van het eiland. In 1610 werden de eilanden Schouwen en Duiveland aan elkaar verbonden. Van de stormvloeden, die het gebied troffen, was die van 1953 het meest aangrijpend. Afgezien van de duinen en het gebied tussen Schouwen en Duiveland werd het eiland door zeewater overspoeld. Typisch voor Schouwen-Duiveland zijn de vele inlagen. We vinden deze zowel aan de noord- als aan de zuidkust van het eiland. Inlagen en inlaagdijken werden aangelegd op plekken waar de bestaande zeedijk wegens oever- en dijkvallen dreigde in te storten. Om dit te voorkomen werd achter de instabiele zeedijk een ‘reservedijk’ aangelegd, de zogenaamde inlaagdijk met daartussen de inlaag. Naast de inlagen en dijken herinneren ook de wielen of welen (doorbraakkolken) en de kreken aan de strijd tegen het water. Een zeer tastbare en sprekende herinnering aan deze roerige geschiedenis van land en zee, is de Plompetoren. In 1581 werd de inlaagdijk dwars door het dorp Koudekerke gelegd. De kerktoren werd niet afgebroken, hij bleef dienen als

baken voor de scheepvaart. Na de ramp van 1953 was een groot deel van het oude landschap verdwenen. Oude sloten lagen vol zand en bijna alle beplanting was dood. Het was sowieso de tijd van de ruilverkavelingen in Nederland, overal werd het landschap gemoderniseerd. Op SchouwenDuiveland was de moderniseringsslag (grote landbouwkavels en rechte sloten) door de combinatie van de ramp en de tijdsgeest ingrijpend. Echter de dijken, ook de binnendijken, bleven nagenoeg ongewijzigd. Dat met uitzondering van het gebied tussen Schouwen en Duiveland. Daar verdween een deel van de binnendijken.

wegen, de waterlopen, de compacte kernen de groene erven. Tezamen dragen zij bij aan de kernkwaliteiten groen, weidsheid en diepte.

58 - BoschSlabbers

Landschappelijke structuur Door de historische ontwikkelingen kenmerkt Schouwen-Duiveland zich door een grote verscheidenheid aan landschappen. Het gaat daarbij om zaken als maat en schaal, aanwezigheid van kenmerkende elementen en structuren, zichtlijnen, leesbaarheid van de geschiedenis, aanwezigheid van (micro)reliëf etc. De landschappelijke structuur bestaat uit het onderscheid in oudland en nieuwland, de kenmerkende buitenrand, de binnendijken, de

Oudland en Nieuwland Allereerst kenmerkt Schouwen-Duiveland zich van oorsprong door een tweedeling in wat we noemen oudland en nieuwland. Het oudland zijn gebieden die natuurlijk zijn ontstaan door ophoping van zand in de kreken en gebieden waar klei op veengrond is afgezet. In het oudland vestigden mensen zich voornamelijk op de kreekruggen die hoger en droger waren dan de aangrenzende poelgronden. De verkaveling is van oorsprong door natuurlijke patronen gevormd en daardoor onregelmatig. De ramp van ’53 heeft echter gezorgd voor herverkaveling waardoor de verkaveling hier regelmatiger is. De ´nieuwe´ verkaveling is nagenoeg overal blokvormig. In tegenstelling tot wat men zou verwachten, kent op SchouwenDuiveland het oudland de grootste vergezichten. Het nieuwland is door mensenhanden ontstaan. Dit kon gebeuren door opwas of aanwas. Opwas is het aanleggen van een dijk rond een kwelder die inmiddels hoog genoeg was opgeslibd. Aanwas is het laten opslibben van een al bestaande dijk. Het

nieuwland heeft een regelmatige verkaveling. De kreekruggen als onderdeel van het nieuwland worden gekenmerkt door verspreid liggende boomgaarden en beplante kavelgrenzen in de vorm van singels en landschapshagen. De strijd tegen het binnenwater heeft op Schouwen gevolgen gehad voor het landschap. Door de aanleg van een ringdijk in het midden van de negentiende eeuw werd een afscheiding gecreëerd: in het zuiden het lage deel, voor een groot deel overeenkomend met het huidige natuurgebied, en daar buiten een gebied dat sindsdien veel beter kon worden benut voor akkerbouw. Dat laatste gestimuleerd door de inwerkingtreding van het stoomgemaal Schouwen in 1877. Toonde het landschap van Schouwen in het laatst bedoelde deel variatie, in het kader van de herverkaveling na 1953 werd besloten Schouwen een geheel open karakter te geven. Het was een menselijke ingreep. Dat gold ook voor de toen aangelegde Delingsdijk, dwars door Schouwen. Die was bedoeld om te zorgen dat bij een nieuwe stormvloed niet geheel Schouwen opnieuw zou onderlopen. Reeds bij de aanleg ervan werd het nut betwijfeld.

Binnendijken De dijken maken het eiland. Er zijn twee grote verhalen die samenhangen met de dijken. Het eerste verhaal is het ‘groei’ verhaal van SchouwenDuiveland dat door de dijken verteld wordt. De meeste opeenvolgende landaanwinningen hebben een eigen dijk die op veel plekken ook nog aanwezig is. Er is een aantal ‘driedijkenpunten’ waar dit verhaal het sterkste zichtbaar is. Alle dijken die deel uitmaken van het ‘wordingsverhaal’ zijn waardevol. Een belangrijke gebiedskwaliteit is de beleving van het landschap vanaf de dijk. De diepte van het beeld is daar het beste te ervaren. Omdat de dijken bijna de enige gebogen lijnen in dit landschap zijn is dit extra goed waarneembaar. De vorm van de dijk is dan ook waardevol. Een bijzonder punt van de dijken, met uitzondering van de Oosterscheldedijk is dat ze overgedimensioneerd zijn. Ze zijn nog wel opgenomen in het waterkeringssyteem maar niet verhoogd of aangepast. Door de overmaat van de dijken is er ruimte voor bomen en verwildering van beplanting. Hier en daar gebeurt dat ook. De overmaat is een waardevolle kwaliteit van de dijken.

Buitenrand De huidige waterkering is het resultaat van een groot aantal deelstappen die over een periode van honderden jaren zijn uitgevoerd. Daarom is de ‘buitendijk’ een uiterst waardevol verhaal, een archief van gebeurtenissen. De zichtbaarheid en de beleving van de dijken zijn van grote kwaliteit. De dijken zijn bepalend voor de landschapsstructuur, de historische context en de beleving van omgevingskwaliteiten die je op de rand ervaart.

Wegen Het bestaande stelsel van beplante wegen geeft uitdrukking aan het agrarische landschap dat na 1953 is aangelegd. Hierin komen de verschillen tussen de diverse polders van Schouwen-Duiveland het beste tot uiting. Nu we gaan inzetten op bomen op de dijken willen we de wegbeplanting daarmee in samenhang ontwikkelen. Nabij dijken willen we vooral de wegen die naar de dijken toelopen meer aandacht gaan geven. Daarmee ontstaat het hoofdpatroon. Waar beplante wegen beplante dijken kruisen ontstaan bijzondere punten. Ook het netwerk van wegbeplantingen heeft invloed op het

diepe landschap. Daar waar deze beplanting dichter is, ontstaat een coulissenlandschap. Omdat er niet overal bomenrijen staan is hier en daar het landschap in de volle diepte waarneembaar. Compacte kernen De gemeente kent twee steden, Zierikzee en Brouwershaven. Deze steden zijn aangewezen als beschermd stadsgezicht. Daarnaast zijn er vijftien dorpen en twaalf gehuchten, voor het merendeel gekrompen dorpen. De dorpen Dreischor en Noordgouwe zijn aangewezen als beschermd dorpsgezicht. Binnen de gemeente zijn 825 objecten aangewezen als beschermd gebouwd, groen of archeologisch rijksmonument en zijn 315 objecten aangewezen als gemeentelijk monumenten, waarvan het overgrote deel in Zierikzee. De meeste dorpen nemen een beperkt deel van de horizon in beslag en kennen een zekere compactheid. De kernen hebben in de meeste gevallen een groene uitstraling. Gebouwen mogen zichtbaar zijn en voegen dan vaak wat toe aan het beeld maar wel als onderdeel van een groene setting. Waar de groene uitstraling ontbreekt wordt de kernkwaliteit aangetast. Groene overgangen van stad naar land zijn een belangrijke kwaliteit. Groene erven De ruime groene erven in het landelijk gebied geven veel mogelijkheden voor ontwikkeling van groen. Met ‘groen’ wordt bedoeld dat de algehele indruk van het erf een groene oase is en dat de gebouwen zich daar in voegen.

Gebouwen mogen best zichtbaar zijn maar, zeker vanuit het landschap, niet overheersen. Groene erven dragen bij aan de kwaliteit van weidsheid en diepte van het landschap die uniek is voor Schouwen-Duiveland. Ruimtelijk beleid Duurzame Energie Schouwen-Duiveland - 59

60 - BoschSlabbers

BIJLAGE 3. Landschappelijke inpassing per landschapseenheid Landschapseenheid

Kenmerken

Voorwaarden voor landschappelijke inpassing

Deltalandschap

Een weids zeelandschap, bestaande uit de Oosterschelde en Grevelingen. De ervaring van het grote water is de grootste kwaliteit van het eiland Naast het water zijn er grote infrastructurele werken zoals de Grevelingendam, Brouwersdam, Zeelandbrug en Oosterschelde kering. Het vrije zicht op het water met daarbij de beleefbaarheid van de werken is van grote waarde.

• • • • • • •

Kop van Schouwen

De kop van Schouwen bestaat voornamelijk uit duinlandschap. De vroongronden, oude en jonge duinen, de boswachterij (Domeinen) en het zoomgebied zijn hierin gelegen. Dit gebied is grotendeels aangewezen als Natura 2000 gebied en Natuur Netwerk Nederland (NNN). Het oostelijke gedeelte van de Kop van Schouwen sluit qua landschap meer aan op de polder Schouwen. Een gebied met veel landschappelijke en bijzondere natuurwaarden. Door de bijzondere natuurwaarden is dit gebied kwetsbaar voor duurzame energie.

• • • •

Duurzame energie mag in dit landschap zichtbaar zijn. Orde en ritmiek zijn belangrijk. Maximaal 50% van het wateroppervlak mag met zonnepanelen bedekt zijn. De draagconstructie van de zonnepanelen mag niet zichtbaar zijn. Aanvullende voorzieningen zoals hekwerken moeten zo transparant mogelijk zijn. Toets door Commissie Ruimtelijke Kwaliteit is verplicht. Koppelkansen in verbetering biodiversiteit en recreatie.

Zonnepanelen op erf/maaiveld mogen niet zichtbaar zijn vanaf het openbare gebied. Er moet rekening gehouden worden met de beleving vanaf dijk of duin. Landschappelijke inpassing vindt plaats door gebiedseigen landschapselementen. Hier kan bosaanleg kan hierbij een middel zijn. Koppelkansen in versterking landschappelijke structuur, biodiversiteit en recreatie.

Ruimtelijk beleid Duurzame Energie Schouwen-Duiveland - 61

62 - BoschSlabbers

Gouwepolders

De Gouwepolders hebben een meer besloten karakter dan de overige polders op het eiland. Ze zijn klein en smal met weinig bebouwing. De dijken vormen een heldere begrenzing. Hierdoor is de leesbaarheid van het landschap relatief groot. De openheid van het gebied is een belangrijke landschappelijke kwaliteit. Al is de schaalbeleving van Gouwepolders een andere beleving dan bijvoorbeeld de Polder Schouwen.

• • •

• •

Dreischor

In dit gebied draait alles om het dorp Dreischor. Het ligt dan wel niet in het midden van de polder, maar het is toch vanuit bijna ieder punt in de polder het centrum. Daarnaast is het natuurlijk één van de kenmerkende ringdorpen van Schouwen-Duiveland. Het zicht op het dorpssilhouet en de Langeweg zijn belangrijke landschapskarakteristieken.

• • •

•

Polders van Duiveland

In de polders van Duiveland komt relatief veel beplanting voor. Dit komt met name door boomgaarden met hagen, wegbeplantingen en wisselende erfbeplanting. Met name rond de kreken van Ouwerkerk komt veel opgaande beplanting voor. Daarentegen zijn de agrarische polders en de polders van Bruinisse open en grootschalig. Rond Sirjansland en Oosterland is sprake van grootschalige glastuinbouw. De groene sfeer en de landschappelijke variatie zijn belangrijke landschapskarakteristieken.

• • •

•

Zonnepanelen op erf/maaiveld mogen niet zichtbaar zijn vanaf het openbare gebied. Er moet rekening gehouden worden met beleving vanaf de dijken. Landschappelijke inpassing vindt plaats door gebiedseigen landschapselementen. Hier kunnen (geschoren) Zeeuwse hagen of houtsingels met boomvormers een passend middel zijn. Beplanting mag de ervaring van dijken vanuit de polder niet aantasten. Koppelkansen in versterking van de landschappelijke structuur, erfbeplantingen en biodiversiteit.

Zonnepanelen op erf/maaiveld mogen niet zichtbaar zijn vanaf het openbare gebied. Er moet rekening gehouden worden met beleving vanaf de dijken. Landschappelijke inpassing vindt plaats door gebiedseigen landschapselementen. Hier kunnen (geschoren) Zeeuwse hagen of houtsingels met boomvormers een passend middel zijn. Opgaande beplanting mag het zicht op het dorpssilhouet niet beperken. De Langeweg moet een herkenbare lijn in de polder blijven

Zonnepanelen op erf/maaiveld mogen niet zichtbaar zijn vanaf het openbare gebied. Er moet rekening gehouden worden met beleving vanaf de dijken. Landschappelijke inpassing vindt plaats door gebiedseigen landschapselementen. Hier kunnen windsingels, (geschoren) Zeeuwse hagen of kleinschalige bosopstanden een passend middel zijn. Koppelkansen in versterking van de landschappelijke structuur, erfbeplantingen en biodiversiteit. Koppelkansen met glastuinbouw en/of waterbassins.

Ruimtelijk beleid Duurzame Energie Schouwen-Duiveland - 63

BIJLAGE 4. Tabel ecologische inrichting zonneparken (bron: Literatuurstudie en formulering richtlijnen voor een ecologische inrichting van zonneparken in de provincies Groningen en Noord-Holland)

Tabel 1. Algemene aanbevelingen voor ecologische inrichting van zonneparken gebaseerd op de beschikbare literatuur. Aanbeveling Algemeen Planning locatie zonnepark Leg zonnepark niet aan in natuurgebied, aangrenzend aan natuurgebied enkel indien zorgvuldig ingepast

Verplicht insecten-vriendelijke panelen in het geval van bouw naij water (meren en plassen)

Planfase Laat meerdelige natuurtoets (0meting) uitvoeren volgens gestandaardiseerde (wetenschappelijke) methodes Laat biodiversiteitsbeheerplan opstellen, met input van ecoloog

Motivatie/Opmerking

Wetenschappelijke onderbouwing

Aanbeveling

Verlies aan leefgebied met hoge natuurwaarden. In specifieke gevallen biedt de aanleg van zonneparken direct naast natuurgebieden kansen om de kwaliteit van het natuurgebied te verbetren. Bijvoorbeeld, door de aanleg van een zonnepark naast een natuurgebied zou de grondwaterstand verhoogd kunnen worden, wat ook het natuurgebied ten goede zou kunnen komen. Ook zonneparken naast weidevogelkerngebieden zouden een positief effect op de lokale weidevogelpopulatie kunnen hebben als zo’n zonnepark goede en veilige opgroeimogelijkheden voor kuikens zou bieden. Panelen val voor waterinsecten, maar probleem kan verholpen worden door speciale panelen te gebruiken met witte strips.

Niet onderzocht maar in overeenstemming met ‘algemene kennis’

Leg zonneparken in principe niet in of direct naast natuurgebieden. Zonneparken naast natuurgebieden alleen toestaan als ze meerwaarde voor kwaliteit natuurgebied hebben.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13029935/1