966738 Bijlage 1 Welstandsnota 2023
Tekst van het document
32
Kleine windturbines worden uitgevoerd in een terughoudende grijze kleur, passend in het landschap en zonder enige toepassing van reclame. Pas kleine windturbines in als onderdeel van het erf, geclusterd bij bebouwing op het achtererf. Omkader het erf met een inheemse transparante groensingel. Deze dient voldoende breed, dicht en hoog te zijn en te passen bij het landschap. Hiermee versterk je de landschappelijke waarden. Deze groensingel mag doorbroken zijn vanuit de meest voorkomende windrichting (zuid-west). De kleine windturbine wordt geplaatst binnen het bouwvlak en is niet toegestaan binnen 15 meter van een kadastrale erfgrens en/of mag het woongenot van de buren niet onevenredig aantasten. De fundering mag niet boven het maaiveld zichtbaar zijn De kleine windturbine is enkel toegestaan na positief advies van Welstandscommissie en Commissie Ruimtelijke Kwaliteit.
Mini-windturbines Mini-windturbines (o.a. windschoepen en windwokkels) zijn relatief nieuw en worden binnen de gemeente nog weinig toegepast. De gemeente wil mini-windturbines toestaan bij centrale voorzieningen bij verblijfsrecreatie, bedrijventerrein, sport, dagrecreatie en cultuur, bij woningen in landelijk gebied en maatwerk bij bedrijven en verenigingen in woongebied. Algemene toe- en inpassingseisen: In het geval dat mini-windturbines worden toegepast bij nieuwbouw dienen deze integraal onderdeel te zijn van de architectuur van het gebouw. Mini-windturbines dienen zich in maat en schaal te verhouden tot het gebouw en de omgeving waar zij deel van uitmaken. Welstand beoordeelt de toepassing van mini-windturbines. Mini-windturbines worden geplaatst op het achtererf. Mini-windturbines worden uitgevoerd in een terughoudende grijze kleur, passend in het landschap en zonder enige toepassing van reclame. Bij woningen in het buitengebied worden mini-windturbines niet op het dak geplaatst. Maximale hoogte is 12 meter.
Strandpaviljoen en overige voorzieningen op het strand Uitgangspunten voor beeldkwaliteit Burgemeester en wethouders streven voor het strand een hoog beeldkwaliteitsniveau na. Zij willen het open en natuurlijke karakter van het strand van Schouwen-Duiveland behouden. Uitgangspunten in de gewenste beeldkwaliteit van alle voorzieningen, bouwwerken e.d. op het strand zijn dan ook: openheid natuurlijkheid eenheid transparantie
33
Strandpaviljoens en overige voorzieningen moeten strandtype-, strandovergang- en omgevingsgerelateerd zijn. Verder moet de beeldkwaliteit aansluiten bij het voorzieningenniveau en de kwaliteit van het strandproduct.
Strandpaviljoens Beeldkwaliteit bebouwde oppervlakte en open karakter Een open karakter betekent dat de bebouwde oppervlakte van een strandpaviljoen één compacte aaneengesloten samenhangend, alsmede transparant geheel dient te vormen. Het hanteren van een strandterras binnen de maximale bebouwde oppervlakte van 900 m2 vermindert het bouwvolume van een paviljoen, hetgeen bijdraagt aan het open karakter op het strand. Beeldkwaliteit en innovatieve ontwerpen Innovatieve ontwerpen zijn mogelijk, indien deze een relatie hebben met het hoofdgebruik van het strand, de zee en het vastgestelde strandtype. Als innovatieve ontwerpen worden beschouwd ontwerpen die in architecturale vormgeving en/of materiaalgebruik en uitstraling zich duidelijk onderscheiden van het traditionele ontwerp van strandpaviljoens op de Schouwse kust. Beeldkwaliteit, uitstraling en materiaalgebruik Een paviljoen moet gastvrijheid, kwaliteit en professionaliteit (hetgeen bijvoorbeeld blijkt uit goed onderhoud) uitstralen en strandtype gerelateerd zijn. Het ontwerp, het materiaal- en kleurgebruik, de verhouding tussen binnenruimte, terras en strandterras moeten één geheel vormen en met elkaar in evenwicht zijn. Eventuele ruimte voor opslag van goederen en onderhoud dient aan te sluiten bij het beeld en de uitstraling van het strandpaviljoen. Transparantheid Een paviljoen moet transparant zijn.
Dit betekent dat men als het ware deels door het paviljoen heen moet kunnen kijken. Daartoe moet een paviljoen minimaal aan één zijde voorzien zijn van een terras. De terraszijden dienen verplicht te zijn voorzien van transparante schermen die maximaal 1.80 hoog zijn. Een beperkte borstwering van maximaal 90 cm. is toegestaan. De binnenruimte van een paviljoen moet een open kapstructuur hebben. Een vliering wordt dan ook niet toegestaan. Een paviljoen moet voorts voorzien zijn van een hellend dak (zoals kap-, piek- of bolconstructie). Dit draagt bij aan de kwaliteit van de beeldvorming. Een plat dak is uitsluitend toegestaan voor technische ruimtes, keuken en sanitair. Verhoudingen, kleur- en materiaalgebruik In het kader van beeldkwaliteit hebben zowel burgemeester en wethouders als de kustbeheerders niet de voorkeur voor te lang gerekte paviljoens. Richtlijn daarom is dat maximaal 60% van de lengte van binnenruimte en het aansluitende terras parallel aan de duinrichting gebouwd moet worden. Het kleurgebruik voor een paviljoen is strandtype gerelateerd. De verf of het materiaal mag niet fluorescerend zijn. Als materiaal zijn steen- en betonsoorten niet toegestaan, met uitzondering van een fundering van betonpalen. Het gebruik van voertuigen, zoals bijvoorbeeld caravans, trailers e.d. voor opslag en/of fundering is niet toegestaan. De fundering moet uit palen bestaan.
Terras grenzend aan de binnenruimte
34
Wat betreft het terras direct grenzend aan de binnenruimte wordt opgemerkt dat deze in beginsel onoverdekt moet zijn. (Gedeeltelijke) overdekking van dit terras is echter toegestaan, mits het geen permanente vaste overdekking betreft. Dit betekent dat de overdekking direct verwijderbaar of inschuifbaar moet zijn. Er dient sprake te zijn van een overdekking, die volledig past binnen de uitgangspunten van de gewenste beeldkwaliteit.
Reclame Reclame-opschriften zijn slechts toegestaan indien deze direct gerelateerd zijn aan (de functie(s) van) een paviljoen. De benaming van een paviljoen wordt niet beschouwd als een reclame-opschrift. Ter bevordering van de herkenbaarheid van een paviljoen, mag de benaming gedurende de avonduren en tot de toegestane sluitingstijd, verlicht zijn, tenzij dit op basis van de Natuurbeschermingswet niet is toegestaan. Reclame-uitingen mogen niet worden verlicht. Neonreclame en/of –verlichting, lichtbalken e.d. zijn niet toegestaan, tenzij het de benaming van een paviljoen betreft. Gelet op mogelijke uitstraling naar de omgeving is het ‘ aanschijnen ’ van de benaming met lichtinstallaties niet toegestaan. De eindbeoordeling inzake de uitstraling en het materiaalgebruik van een strandpaviljoen ligt bij de welstands-/monumentencommissie. Beeldkwaliteit en oriëntatie Er is een vrije oriëntatie geoorloofd, mits het uiterste deel van de bebouwde oppervlakte van een paviljoen richting zeezijde zich binnen het bouwvlak bevindt. Het bouwvlak is het vlak waarbinnen het paviljoen gesitueerd mag worden. Beeldkwaliteit en harmonie (opstanden op strandniveau) Om het open karakter van, en harmonie op het strand te waarborgen mag een paviljoen niet conflicteren met de omgeving.
Alle opstanden binnen de bebouwde oppervlakte van het strandpaviljoen, zoals (opslag)unit, strandbar, sanitaire voorzieningen, strandterras en dergelijke, moeten dezelfde beeldkwaliteit in kleurstelling en mate van onderhoud hebben als het paviljoen. Materiaalkeuze dient zoveel mogelijk op elkaar te zijn afgestemd. Een en ander is onderhevig aan goedkeuring van burgemeester en wethouders. Daarnaast moeten alle opstanden in het horizontale en verticale vlak geconcentreerd worden. De technische ruimtes dienen aan de duinzijde gesitueerd te worden.
Reddingsposten Voor reddingsposten gelden dezelfde uitgangspunten in gewenste beeldkwaliteit als voor strandpaviljoens (openheid, natuurlijkheid, eenheid, transparantie). Een reddingspost hoeft niet strandtype- of strandoverganggerelateerd te zijn, maar wel omgevingsgerelateerd. Ook behoeft de beeldkwaliteit niet aan te sluiten bij het voorzieningenniveau en de kwaliteit van het strandproduct. De eisen onder 3.1, 3.3, 3.4 en 3.6 zijn - voorzover mogelijk en voorzover niet conflicterend met de functie van een reddingspost - van overeenkomstige toepassing. Gelet op de (niet commerciële) functie van een reddingspost en in vergelijking met de technische ruimtes van paviljoens, behoeft deze niet in harmonie te zijn met een strandpaviljoen - indien sprake is van aanwezigheid binnen een verzorgingsgebied van een paviljoen - en is een plat dak toegestaan. Een reddingspost mag niet conflicteren met zijn omgeving en moet in een goede staat van onderhoud verkeren. Het materiaalgebruik en kleurstelling dient terughoudend te zijn en een natuurlijke uitstraling te hebben. Terrassen zijn niet toegestaan, wel een beperkte balustrade ter uitoefening van de functie. Er zijn geen reclame-opschriften toegestaan, maar wel opschriften gerelateerd aan de functie van een reddingspost.
35
Evenals bij paviljoens mag de lengte-breedte verhouding maximaal 60:40 bedragen. Gelet op zijn functie mag naast de post een boottrailer worden geplaatst. Vanuit het streven naar eenheid in beeldkwaliteit dient deze wel direct naast de reddingspost te zijn geplaatst.
36
Overige voorzieningen
Ook voor overige voorzieningen op het strand zoals de voorzieningen benoemd in de beleidsnota zonering en ontwikkelingskader (hierna: de beleidsnota), gelden de hiervoor beschreven uitgangspunten in de gewenste beeldkwaliteit. In beginsel geldt, dat als een voorziening is gerelateerd aan een strandpaviljoen of zich binnen een afstand van maximaal 50 meter tot een paviljoen bevindt, de voorziening in kleurstelling en waar mogelijk ook in vormgeving, materiaalgebruik etc., in harmonie moet zijn met het paviljoen. Is dit niet het geval, dan wordt bij strandcabines een overgangstermijn van 5 jaar gehanteerd om hieraan te voldoen. Voor overige voorzieningen geldt een termijn van 1 seizoen. Het eindoordeel in beeldkwaliteit bij overige voorzieningen berust bij de welstands-/monumentencommissie.
Strandcabines
Ingevolge de beleidsnota mag slechts sprake zijn van strandcabines met maximale afmetingen van 2 bij 2 meter. De toegestane periode, aantallen en locaties zijn in de beleidsnota benoemd. De nokhoogte van dergelijke cabines mag maximaal 3.00 meter bedragen. Teneinde de openheid op het strand te bevorderen dient sprake te zijn van solitaire strandcabines. De strandcabines moeten, ondanks deze eis, in vormgeving, kleurstelling, materiaalgebruik en uitstraling echter wel één geheel vormen en derhalve in harmonie zijn met elkaar. Variatie in vorm, bijvoorbeeld in de dakconstructie van de cabines, is echter toegestaan, mits geen afbreuk wordt gedaan aan de harmonie tussen de cabines. Cabines moeten derhalve dezelfde nokhoogte hebben. Het is toegestaan de strandcabines aan de voorzijde te voorzien van een ‘veranda’ ter breedte van de cabine en met een lengte van 2 meter (2 bij 2 meter), ten behoeve van de plaatsing van strandattributen zoals terrasstoeltjes e.d. Deze veranda mag niet zijn voorzien van terrasschermen e.d. Reclame-uitingen e.d. zijn niet toegestaan. Ook het gebruik van steen- en betonsoorten is niet toegestaan. Verder dient gestreefd te worden naar een ‘natuurlijke’ uitstraling van de cabines, bijvoorbeeld in materiaalgebruik en/of kleurstelling.
Het gebruik van loopplanken ter bevordering van de bereikbaarheid van strandcabines is toegestaan, mits toestemming van de kustbeheerder(s) is verleend. Overnachting in strandcabines is niet toegestaan. Ook is het, gelet op de functie van deze cabines (kleedruimte en opslag van bad/strandspullen), niet toegestaan om in strandcabines sanitaire voorzieningen te realiseren.
Opslagunits e.d. buiten bebouwde oppervlakte van paviljoens Toegestane (opslag)units, alsmede oppervlakte, locaties etc. zijn benoemd in de beleidsnota. Ook opslagunits moeten in beginsel voldoen aan de beschreven uitgangspunten in de gewenste beeldkwaliteit. Om de eenheid te bevorderen, dient sprake te zijn van één opslagunit. Indien bijvoorbeeld 15 m2 aan opslagunit is toegestaan, is het niet toegestaan meerdere opslagunits tot deze maximale oppervlakte te plaatsen. Een opslagunit mag nooit hoger zijn dan 3.20 meter. Omdat over het algemeen voor dergelijke opslagunits (zee)containers worden gebruikt, is dit gebruik als basis toegestaan. Een container mag echter niet de ‘uitstraling’ van een (zee)container hebben. Dit kan bijvoorbeeld door kleurstelling, figuratie, camouflage met afwerkingsmateriaal e.d. worden bewerkstelligd.
Kinderspeeltuig Gelet op voornoemde uitgangspunten dient, indien sprake is van een omheining, deze transparant te zijn. Een beperkte borstwering is toegestaan. Een omheining mag verder maximaal 1.80 meter hoog zijn. Aanwezigheid van een tent of tentdak tot een maximale oppervlakte van 50 m2 is toegestaan, maar moet tot op een hoogte van 1.80 meter 37
transparant zijn en mag maximaal 4 meter hoog zijn. Dergelijke voorzieningen dienen te voldoen aan brandveiligheidsvoorschriften zoals gesteld door de brandweer. Op geen enkele wijze mogen dergelijke voorzieningen het zicht aan een reddingspost onttrekken.
38
Dakopbouwen Nieuwerkerk (Ribesstraat/Lijsterbesstraat/Ooststraat / Esdoornstraat/ Meidoornstraat en Muyeweg) Gezien de historische ontwikkeling in Nieuwerkerk zijn dakopbouwen in genoemde straten mogelijk indien ze in relatie staan tot de omliggende bestaande dakopbouwen. Het bouwplan dient voorgelegd te worden aan de welstands-/monumentencommissie ter toetsing van hoogte/breedte/kleur en materiaaltoepassing aan de hand van de reeds bestaande dakopbouwen.
Carport Poortambacht Zierikzee (Kreeftstraat/Oesterstraat/Zeesterpad) Gezien de historische ontwikkeling is het mogelijk een carport aan de voorzijde dicht te bouwen (tot berging), wanneer e.e.a. in relatie staat tot de omliggende bestaande bergingen. Het bouwplan dient voorgelegd te worden aan de welstands-/monumentencommissie ter toetsing van materiaal en kleurtoepassing.
Persluchtvulstations Een persluchtvulstation, geplaatst bij geclusterde bebouwing (bv. In een haven), dient uitgevoerd te worden in zwarte potdekseldelen met witte boeiboorden. Wanneer een persluchtvulstation wordt geplaatst in een open landschap (bv. aan de kust) dienen de buitenwanden in een terughoudende kleur te worden uitgevoerd.
Teeltondersteunende voorzieningen Bij de beoordeling van teeltondersteunende voorzieningen wordt ondermeer getoetst aan de hand van de volgende criteria. Algemeen Teeltondersteunende voorzieningen zijn de permanente of seizoensgebonden boog- en gaaskassen, overkappingsconstructies en stellingen. De bouwwerken zijn bedoeld voor de bescherming van teeltgewassen en plantmateriaal dat nodig is voor het eigen bedrijf. Of ter voorkoming van de verspreiding van gewasbeschermingsmiddelen. Het gaat hierbij om grondgebonden agrarische teelten. Teeltondersteunende voorzieningen mogen niet bijdragen aan een onevenredige aantasting van de bestaande landschappelijke waarden en functies en mogen het gebied qua beeld niet overheersen. Voor wat betreft ligging, bouwmassa en hoogte dient getoetst te worden aan het geldende bestemmingsplan en eventueel, waar nodig, een schriftelijk advies te worden gevraagd bij de agrarische deskundige. Architectonische uitwerking en detaillering De architectonische uitwerking en detaillering zijn zorgvuldig en ingetogen, de constructie is open en licht.
39
Materiaal en kleur Het kleur- en materiaalgebruik is terughoudend, niet contrasterend en afgestemd op de omgeving. Daar waar kunststoffolies of te nadrukkelijke beeldverstorende materialen dient te worden aangetoond ( in het bedrijfsplan en teeltplan) en dient op te wegen tegen de nadelige effecten op de ruimtelijke kwaliteit. Een bemonstering van materiaal en kleur maakt onderdeel uit van de aanvraag en dient ter goedkeuring te worden overlegd. Windgaas en vogelnetten e.d. alleen in een donkere en gedekte kleur (zoals bv. zwartgroen, zwartgrijs) zodat deze teeltondersteunende voorzieningen zich minder nadrukkelijk tonen.
Zonnecollectoren, zonnepanelen en zonneboilers Voor het plaatsen van zonnepanelen op het maaiveld waarvoor omgevingsvergunning noodzakelijk is, gelden de volgende welstandscriteria:
Zonnepanelen zijn niet zichtbaar vanuit de openbare ruimte Er is een zorgvuldig ontworpen legplan voor de panelen Zonnepanelen mogen binnen een opstelling onderling niet in hoogte en diepte verspringen Bevestigingsmiddelen, randen en panelen zijn uitgevoerd in één kleur en afgestemd en passend op de kleur van de omgeving Indien van toepassing zijn toegangswegen, beveiliging, hekwerken en transformator mee-ontworpen in de totale inpassing Verlichting is niet toegestaan
Voor het plaatsen van zonnepanelen op water, gelden de volgende welstandscriteria: De zonnepanelen mogen niet boven het maaiveld uitkomen van het omliggende terrein; Bij zonnepanelen op waterbassins mogen de panelen niet boven de waterbassins uitkomen; Bevestigingsmiddelen, randen en panelen zijn uitgevoerd in één kleur en afgestemd en passend op de kleur van de omgeving Voor het plaatsen van overkappingen ten behoeve van zonnepanelen, gelden de volgende welstandscriteria: De constructie heeft een natuurlijke uitstraling en is bij voorkeur uitgevoerd in hout; Bij toepassing van een ander materiaal altijd ter goedkeuring voorleggen aan de welstands-/ monumentencommissie Bevestigingsmiddelen, randen en panelen zijn uitgevoerd in één kleur en afgestemd en passend op de kleur van de omgeving De constructie moet zodanig worden geplaatst dat de zonnepalen vlak op het dak gelegd kunnen worden; Het plan moet passend zijn in het straat- en bebouwingsbeeld
40
41
Zonnecollectoren, zonnepanelen en zonneboilers Indien het plaatsen van zonnecollectoren, zonnepanelen en zonneboilers vergunningplichtig zijn conform artikel 2.1 Wabo gelden de volgende welstandscriteria: Algemeen Zonnecollectoren, zonnepanelen en zonneboilers zijn bedoeld om warmte of elektriciteit op te wekken. Zonnecollectoren, zonnepanelen en zonneboilers zijn, als ze zichtbaar zijn vanuit de openbare ruimte, voor het straatbeeld zeer bepalend. De ruimte tussen zonnecollector, zonnepaneel of zonneboiler en goot moet voldoende zijn. Bij meerdere zonnecollectoren, zonnepanelen of zonneboilers op één doorgaand dakvlak streeft de gemeente naar een herhaling van uniforme exemplaren en een regelmatige rangschikking op een horizontale lijn. Herhaling binnen een blok (van dezelfde architectuur-/bouwstijl) kan rust en samenhang brengen. Bij het plaatsen van zonnecollectoren, zonnepanelen of zonneboilers moet men zich erop richten dat het historische materiaal van het dak (dakbedekking, dakbeschot, sporen, gordingen en spanten) behouden blijven. Voor het plaatsen/aanbrengen van zonnecollectoren, zonnepanelen en zonneboilers op de daken van rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten en panden binnen het beschermde stads-/dorpsgezicht, zijn de volgende welstandscriteria van toepassing.
Plaatsing Hellende daken uit het zicht (voorkeur) Het dak kan het extra gewicht dragen; De panelen liggen boven de dakpannen (opbouw); Er is een zorgvuldig ontworpen legplan voor de panelen; De panelen liggen in één aaneengesloten rechthoekig vlak; Dakramen worden op een logische wijze meegenomen in het plaatsen van de zonnepanelen; Bevestigingsmiddelen, randen en panelen zijn uitgevoerd in één kleur en afgestemd en passend op de kleur van het dakvlak; De dakvorm of dakbedekking is niet bijzonder (geen spits, koepel, riet, zink, enzovoorts). Hellende daken in het zicht: Er zijn geen alternatieven op andere plekken – ook niet in de buurt – of met andere systemen; Er is geen onevenredige visuele verstoring van het monument of de directe omgeving; Er is een zorgvuldig ontworpen legplan voor de panelen; De panelen liggen in één aaneengesloten rechthoekig vlak; Dakramen worden op een logische wijze meegenomen in het plaatsen van de zonnepanelen Het dak kan het extra gewicht dragen; De panelen liggen boven de dakpannen (opbouw); Bevestigingsmiddelen, randen en panelen zijn uitgevoerd in één kleur en afgestemd en passend op de kleur van het dakvlak De ligging van het monument of het pand binnen beschermd stads-/dorpsgezicht, de dakvorm of dakbedekking is niet bijzonder (geen locatie met hoge waarden binnen een bijzonder gebied, ensemble of complex;
geen spits, koepel, riet, zink, enzovoorts).
42
Platte daken Zonnepanelen op platte daken zijn niet zichtbaar vanuit de openbare ruimte; Op platte daken is de minimale afstand tot de dakrand gelijk aan de hoogte van de panelen; Bevestigingsmiddelen, randen en panelen zijn uitgevoerd in één kleur en afgestemd en passend op de kleur van het dakvlak
Warmtepompen Indien het plaatsen van een warmtepomp vergunningplichtig is, gelden de volgende welstandscriteria:
Warmtepompen mogen niet zichtbaar zijn vanaf de openbare weg; Materiaal, kleur en vormgeving afgestemd en passend in de omgeving.
43
Toetscriteria
5
Bij toetscriteria gaat het om objectieve welstandscriteria die de planindiener vooraf zoveel mogelijk duidelijkheid dienen te geven. Er zijn toetscriteria opgesteld voor aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen, kozijn- en gevelwijzigingen, dakkapellen, erfafscheidingen en rolhekken, luiken en rolluiken. Vergunningplichtige plannen die aan de toetscriteria voldoen worden in principe niet aan de welstands-/monumentencommissie voorgelegd, maar beoordeeld door een medewerker van de afdeling Ruimte en Milieu, die daartoe door burgemeester en wethouders is gemandateerd. Wanneer een bouwplan niet aan de toetscriteria voldoet of wanneer er sprake is van een bijzondere situatie, waarbij twijfel bestaat aan de toepasbaarheid van deze criteria, kan het bouwplan alsnog aan de welstands-/ monumentencommissie worden voorgelegd. De welstands-/monumentencommissie maakt in dergelijke gevallen tevens gebruik van de gebiedsgerichte, de objectgerichte en de algemene welstandscriteria. Van zo’n bijzondere situatie is in ieder geval sprake bij de bouwplannen voor beschermde stads-/dorpsgezichten en rijks-/gemeentelijke monumenten!
Voor- en achterkant benadering (AMvB) De voor- en achterkant benadering houdt in dat er met het oog op stedenbouw en welstand in een aantal gevallen verschil moet worden gemaakt tussen het bouwen aan de voorkant of aan de achterkant van een bouwwerk. Vanuit welstandsoptiek is het bouwen aan de voorkant in het algemeen van grotere invloed dan het bouwen aan de achterkant. Onder voorkant wordt in dit verband verstaan de voorgevel, het voorerf en het dakvlak aan de voorzijde van een gebouw en de zijgevel, het zijerf en het dakvlak aan de zijkant van een gebouw voor zover die zijde (zijdelings) gekeerd is naar de weg of het openbaar groen. Onder achterkant wordt in dit verband verstaan de achtergevel, het achtererf en het dakvlak aan de achterzijde van een gebouw en de zijgevel, het zijerf en het dakvlak aan de zijkant van een gebouw voor zover die zijde (zijdelings) niet gekeerd is naar de weg of het openbaar groen. Met het oog op behoud van kwaliteit worden bouwwerken aan de voorkant altijd kritischer beoordeeld. In de toetscriteria is daarom voor een aantal bouwwerken onderscheid gemaakt tussen bouwwerken aan de voorkant en aan de achterkant. Voor aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen en dakkapellen is in de welstandscriteria onderscheid gemaakt in criteria voor de voor- en achterkant, zoals deze begrippen door de AMvB zijn vastgelegd.
44
Aan- en uitbouwen Omschrijving en uitgangspunten
Een aan- of uitbouw is een grondgebonden toevoeging van één bouwlaag aan een gevel van een gebouw. Het bestemmingsplan treedt bij vergunningplichtige aan- en uitbouwen in eerste instantie regelend op voor wat betreft rooilijnen en maximale afmetingen. Wanneer aan- of uitbouwen zichtbaar zijn vanuit de openbare ruimte, zijn ze voor het straatbeeld zeer bepalend. De voorkeur gaat daarom uit naar een aan- of uitbouw aan de achterkant (achtererf of zijerf als deze niet gekeerd is naar de weg of het openbaar groen). Om het straatbeeld te respecteren en intact te houden dient er bij de mogelijke toepassing van aan- en uitbouwen aan de voorkant een bufferzone aanwezig te zijn tussen gevel en straat. De gemeente streeft in gebieden naar een herhaling van gelijkvormige exemplaren die passen bij het karakter van de straat en de gebouwen. Belangrijk is dat de contour en het silhouet van het oorspronkelijke gebouw of bouwblok zichtbaar blijven en dat de aan- of uitbouw qua uitstraling en volume ondergeschikt is aan het oorspronkelijke gebouw. Indien een aan- en uitbouw vergunningplichtig is conform artikel 2.1 Wabo, gelden de volgende toetsingscriteria. Algemeen De aan- of uitbouw is een ondergeschikte toevoeging aan het hoofdgebouw. Erkers Aan de voorgevel zijn alleen erkers mogelijk. Deze mogen niet buiten de zijgevel uitsteken, diepte is max.
1 meter loodrecht gemeten vanaf de oorspronkelijke voorgevel, breedte is max. 2/3 van de breedte van de oorspronkelijke voorgevel. Plaatsing De afstand van de (zij)aanbouw tot de voorgevelrooilijn is minimaal 1 meter. Indien er al aan- of uitbouwen geplaatst zijn dienen de hoogten met elkaar in overeenstemming te zijn of te worden gebracht. Vormgeving Hoofdvorm bestaande uit één bouwlaag met een rechthoekige plattegrond afgedekt met een plat dak. Geen overmaat aan detailleringen, dus bescheiden overstek en ornamenten. Geen beton, golfplaat of damwandprofielplaat. Ongebruikelijke materialen ter goedkeuring van welstands-/monumentencommissie.
45
Welstandscriteria voor aan- en uitbouwen aan de rijks- en gemeentelijke monumenten en binnen beschermde stads- en dorpsgezichten. Algemeen De aan- of uitbouw is een ondergeschikte toevoeging aan het hoofdgebouw. Behouden van de cultuurhistorische waarde. Behouden van de individuele herkenbaarheid van de bebouwing binnen het samenhangende gevelbeeld. Het is wenselijk voorafgaand aan een bouwplan een bouwhistorisch onderzoek te verrichten. Plaatsing Plaatsing in de bestaande rooilijn of bij verspringing binnen de uitersten van de belendingen. Behouden van bestaande gesloten gevelwanden. Behouden van positie en oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing bij renovatie, verbouwing of (vervangende) nieuwbouw. Massa en vorm Bouwmassa’s wat betreft maat en schaal afstemmen op monument en
belendingen. Gebouwen afdekken met een kap met hellend(e) dakvlak(ken). Voorgevel uitvoeren als lijst- of topgevel. Voorgevel uitvoeren als individuele gevel. Ontsluiting minimaal aan de voorzijde situeren. Respecteren van oorspronkelijke toevoegingen daken bij renovatie, verbouwing of (vervangende) nieuwbouw (schoorsteen, waterbord, windveer, dakkapel, dakraam, balustrade, versiering).
Gevelkarakteristiek Respecteren van oorspronkelijke bouwstijl. Respecteren van oorspronkelijke gevelkenmerken, -geledingen en –opbouw bij renovatie, verbouwing en (vervangende) nieuwbouw. Streven naar individuele presentatie per pand door middel van gevelkarakteristieken. Uitsluiten van gesloten gevels aan de straatzijde. Streven naar verticale geleding in gevels. Respecteren van oorspronkelijke toevoegingen gevels bij renovatie, verbouwing en (vervangende) nieuwbouw (naam, jaartal, raamluik, vlaggenmast, balkon, bordes, balustrade, stoeppaal, versiering). Detaillering, kleur en materiaal Respecteren van oorspronkelijke detaillering daken, goten, gevels bij renovatie, verbouwing en (vervangende) nieuwbouw. Detaillering uitvoeren in harmonie met gebouw en omgeving. Respecteren van oorspronkelijke materialisering daken, goten, gevels bij renovatie, verbouwing en (vervangende) nieuwbouw. Voor het toepassen van dakpanbedekking zijn andere materialen dan ongeglazuurde keramische dakpannen niet toegestaan. Voor kozijnen zijn andere materialen dan hout niet toegestaan tenzij de situatie acceptabel is gelet op de belendingen en gekozen architectonische opzet. Kunststof toepassingen zijn niet toegestaan tenzij de situatie acceptabel is gelet op de belendingen en gekozen architectonische opzet.
46
Respecteren van oorspronkelijke kleuren bij renovatie, verbouwing en (vervangende) nieuwbouw. Toepassen van sterk contrasterende kleuren en materialen is niet toegestaan. Het schilderen van metselwerk, natuursteen of pleisterwerk (welke nog niet eerder geschilderd zijn) is niet toegestaan tenzij de situatie acceptabel is gelet op de belendingen en de architectonische opzet. Behouden van authentieke vensterindeling en kozijnprofielen. Bij lichtopeningen in de voorgevel dient een borstwering van minimaal 30 centimeter te worden toegepast. De breedte van de deuropening in de voorgevels niet groter is dan 30% van de totale breedte van de woning. Behouden van authentieke detailleringen, ornamenten en overige gevelversieringen bij renovatie, verbouwing en (vervangende) nieuwbouw.
47
Overkappingen en vrijstaande bijgebouwen Omschrijving en uitgangspunten
Een bijgebouw of overkapping is een grondgebonden gebouw van één bouwlaag al of niet voorzien van een kap. Een bijgebouw staat los op het erf van het hoofdgebouw en is meestal bedoeld als schuur, tuinhuis, of garage. De overkapping staat los op het erf of tegen het hoofdgebouw aan en is meestal bedoeld als carport of luifel boven een deur of raampartij. Het bestemmingsplan treedt in eerste instantie regelend op voor wat betreft rooilijnen en maximale afmetingen. Als ze zichtbaar zijn vanuit de openbare ruimte, zijn ze voor het straatbeeld zeer bepalend. De voorkeur gaat daarom uit naar een bijgebouw of overkapping aan de achterkant (achtererf of zijerf als deze niet gekeerd is naar de weg of het openbaar groen). De gemeente streeft in principe naar een bescheiden uiterlijk van de bijgebouwen en overkappingen: materialen en kleuren van gevels en dakvlakken afgestemd op die van het hoofdgebouw, eenvoudige kapvorm en geen onnodig grote dakoverstekken of versieringen. Bijgebouwen moeten qua uitstraling en volume ondergeschikt zijn aan het oorspronkelijke hoofdgebouw en afgestemd worden op het karakter van het hoofdgebouw of de erfinrichting. Een belangrijk kenmerk van een overkapping is de transparantie. Overkappingen mogen niet met wanden worden dichtgezet. Bij overkapping van voor- en zijerf zijn de criteria met betrekking tot het voorerf bepalend.
Bij overkapping van achter- en zijerf zijn de criteria met betrekking tot het zijerf bepalend. Een bijgebouw of overkapping bij niet-woongebouwen wordt altijd aan de welstands- / monumentencommissie voorgelegd. Indien het plaatsen van een overkapping en/of vrijstaand bijgebouw vergunningplichtig is conform artikel 2.1 Wabo, gelden de volgende welstandscriteria. Algemeen Het bijgebouw of de overkapping is een ondergeschikte toevoeging bij het hoofdgebouw. Plaatsing Afstand van overkapping tot voorgevellijn minimaal 1.00 m. Geen bijgebouw of overkapping op het voorerf (voor advies naar de welstands-/monumentencommissie). Overkappingen geplaatst aan of tegen de zijgevel, of op het zijerf, moeten minimaal twee open zijden hebben. Vormgeving Hoofdvorm bestaande uit één bouwlaag met een rechthoekige plattegrond afgedekt met een plat dak, of met een van het hoofdgebouw afgeleide eenduidige kapvorm, dakhelling en richting. Geen overmaat aan detailleringen, dus bescheiden overstek en ornamenten. Materiaal en kleur gevels, kozijnen en profielen gelijk aan het hoofdgebouw. Geen golfplaat, betonplaten of damwandprofielen. Bij integratie met erfafscheiding materiaal- en kleurgebruik afgestemd op erfafscheiding.
48
Welstandscriteria voor overkappingen en vrijstaande bijgebouwen aan of bij rijks-gemeentelijke monumenten en binnen beschermde stads- en dorpsgezichten. Algemeen De bijgebouwen of overkappingen zijn een ondergeschikte toevoeging aan het hoofdgebouw. Behouden van de cultuurhistorische waarde. Behouden van de individuele herkenbaarheid van de bebouwing binnen het samenhangende gevelbeeld. Het is wenselijk voorafgaand aan een bouwplan een bouwhistorisch onderzoek te verrichten. Plaatsing Plaatsing in de bestaande rooilijn of bij verspringing binnen de uitersten van de belendingen. Behouden van bestaande gesloten gevelwanden. Behouden van positie en oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing bij renovatie, verbouwing of (vervangende) nieuwbouw. Massa en vorm Bouwmassa’s wat betreft maat en schaal afstemmen op monument en belendingen. Gebouwen afdekken met een kap met hellend(e) dakvlak(ken). Voorgevel uitvoeren als lijst- of topgevel. Voorgevel uitvoeren als individuele gevel. Ontsluiting minimaal aan de voorzijde situeren. Respecteren van oorspronkelijke toevoegingen daken bij renovatie, verbouwing of (vervangende) nieuwbouw (schoorsteen, waterbord, windveer, dakkapel, dakraam, balustrade, versiering). Gevelkarakteristiek Respecteren van oorspronkelijke bouwstijl.
Respecteren van oorspronkelijke gevelkenmerken, -geledingen en –opbouw bij renovatie, verbouwing of (vervangende) nieuwbouw. Streven naar individuele presentatie per pand door middel van gevelkarakteristieken. Uitsluiten van gesloten gevels aan de straatzijde. Streven naar verticale geleding in gevels. Respecteren van oorspronkelijke toevoegingen gevels bij renovatie, verbouwing of (vervangende) nieuwbouw (naam, jaartal, raamluik, vlaggenmast, balkon, bordes, balustrade, stoeppaal, versiering). Detaillering, kleur en materiaal Respecteren van oorspronkelijke detaillering daken, goten, gevels bij renovatie, verbouwing of (vervangende) nieuwbouw. Detaillering uitvoeren in harmonie met gebouw en omgeving. Respecteren van oorspronkelijke materialisering daken, goten en gevels bij renovatie, verbouwing of (vervangende) nieuwbouw. Voor het toepassen van dakpanbedekking zijn andere materialen dan ongeglazuurde keramische dakpannen niet toegestaan. Voor kozijnen zijn andere materialen dan hout niet toegestaan tenzij de situatie acceptabel is gelet op de belendingen en gekozen architectonische opzet.
49
Kunststof toepassingen zijn niet toegestaan tenzij de situatie acceptabel is gelet op de belendingen en gekozen architectonische opzet. Respecteren van oorspronkelijke kleuren bij renovatie, verbouwing of (vervangende) nieuwbouw. Het schilderen van metselwerk, natuursteen of pleisterwerk (welke nog niet eerder geschilderd zijn) is niet toegestaan tenzij de situatie acceptabel is gelet op de belendingen en de architectonische opzet. Toepassen van sterk contrasterende kleuren en materialen is niet toegestaan. Behouden van authentieke vensterindeling en kozijnprofielen. Bij lichtopeningen in de voorgevel dient een borstwering van minimaal 30 centimeter te worden toegepast. De breedte van de deuropening in de voorgevel mag niet groter dan 30% van de totale breedte van de woning zijn. Behouden van authentieke detailleringen, ornamenten en overige gevelversieringen bij renovatie, verbouwing of (vervangende) nieuwbouw.
50
Kozijn- en gevelwijzigingen Omschrijving en uitgangspunten Van een kozijn- of gevelwijziging is sprake bij het veranderen of verplaatsen van een kozijn, kozijninvulling, luik of gevelpaneel. Omdat de opbouw en indeling van de gevel een belangrijk onderdeel is van de architectonische vormgeving van het gebouw en/of de straatwand moeten ook de kozijn- of gevelwijzigingen zorgvuldig worden ingepast. In principe mag de samenhang en de ritmiek in straatwanden niet worden verstoord door incidentele kozijn- of gevelwijzigingen. Met name een kozijn- of gevelwijziging in de voorgevel of zijgevel als deze gekeerd is naar de weg of het openbaar groen vraagt om een zorgvuldige vormgeving. Een kozijn- of gevelwijziging moet passen bij het karakter van het hoofdgebouw en de karakteristiek van de omgeving. Een naoorlogse woning vraagt bijvoorbeeld om andere vormgeving dan een historisch pand uit de 19de eeuw. Het uitgangspunt van de toetscriteria is dat de oorspronkelijke of originele vormgeving in elk geval niet strijdig is met redelijke eisen van welstand. Belangrijke te handhaven kenmerken daarbij zijn de maatvoering van de negge en profilering van het kozijn en het raamhout. De materialisering en (mate aan) detaillering is voornamelijk afhankelijk van de architectuur/bouwstijl waar de wijziging betrekking op heeft.
Er is ondermeer aandacht voor de profielmaten, de indeling van het raamhout, eventuele roedenverdeling, bestaande lateien, onderdorpels, raamlijsten, speklagen en/of rollagen, etc. Een kozijn- of gevelwijziging bij niet-woongebouwen wordt altijd aan de welstands-/monumentencommissie voorgelegd. Indien het wijzigen van een kozijn en/of gevel vergunningplichtig is conform artikel 2.1 Wabo, gelden de volgende welstandscriteria. Algemeen Alle wijzigingen aan monumenten en panden binnen beschermde stads- en dorpsgezichten worden altijd voorgelegd aan de welstands-/monumentencommissie. Op wijzigingen aan de achterkant op de begane grond aan panden zonder monumentale waarde, en panden buiten de beschermde stads- en dorpsgezichten zijn onderstaande criteria niet van toepassing gezien de geringe invloed op de openbare ruimte. Maatvoering De oorspronkelijke maatvoering, detaillering en plaatsing van kozijnen en ramen behouden. Vormgeving Gevelwijziging blijft in overeenstemming met architectuurbeeld/ bouwstijl van de oorspronkelijke gevel. Een individuele wijziging leidt niet tot een wijziging van de oorspronkelijke hoofdindeling, geleding en indeling van de gehele gevel, m.a.w. verticale of horizontale indeling van gevel handhaven. De gevel van begane grond en verdieping(en) blijft samenhangend. Toegevoegde of vervangende draaiende of schuivende delen zijn mogelijk.
Bestaande lateien, onderdorpels, raamlijsten, speklagen en/of rollagen in originele staat of in ieder geval in overeenstemming met de vormentaal van andere in de gevel voorkomende lateien, onderdorpels en/of raamlijsten.
51
Dakkapellen Omschrijving en uitgangspunten
Een dakkapel is een bescheiden uitbouw in de kap, bedoeld om de lichttoetreding te verbeteren en het bruikbaar woonoppervlak te vergroten. Dakkapellen zijn, als ze zichtbaar zijn vanuit de openbare ruimte, voor het straatbeeld zeer bepalend. Dakkapellen dienen een ondergeschikte toevoeging te zijn aan een dakvlak. Het plaatsen van een dakkapel mag dus niet ten koste gaan van de karakteristiek van de kapvorm. Daarom mag een dakkapel nooit domineren in het silhouet van het dak en moet de noklijn van het dak, afhankelijk van straatprofiel, vanaf de weg zichtbaar blijven. Bovendien moet de ruimte tussen dakkapel en goot voldoende zijn. Bij meerdere dakkapellen op één doorgaand dakvlak streeft de gemeente naar een herhaling van uniforme exemplaren en een regelmatige rangschikking op een horizontale lijn. Herhaling binnen een blok (van dezelfde architectuur/bouwstijl) kan rust en samenhang brengen. Het plaatsen van dakkapellen is sterk afhankelijk van de kapvorm. Mede daarom zijn per kapvorm aanvullende voorwaarden gesteld voor het plaatsen van dakkapellen. Een dakopbouw is geen dakkapel. Er is sprake van een dakopbouw bij een verhoging van de nok en bij plaatsing in de goot. Indien het plaatsen van een dakkapel vergunningplicht is conform artikel 2.1 Wabo, gelden de volgende welstandscriteria.
Algemeen De dakkapel voldoet aan de aanvullende sneltoetscriteria voor dakkapellen per kapvorm. De dakkapel is een ondergeschikte toevoeging aan het hoofdgebouw. Dakkapellen worden niet boven elkaar geplaatst. Plaatsing Bij meerdere dakkapellen op meerdere woningen in hetzelfde bouwblok regelmatige rangschikking op horizontale lijn. Afstand tot goot minimaal 0.50 m. en maximaal 1.00 m. Afstand tot nok minimaal 0.50 m. of minimaal drie rijen dakpannen. Afstand tot nok minimaal 0.50 m. of minimaal drie rijen dakpannen. Bij aangekapte dakkapel gemeten vanaf de aansluiting van de aankapping aan het dakvlak. Afstand tot zijkant dakvlak minimaal 1.00 m. gemeten tot midden woningscheidende bouwmuren of eindgevels (bij kilkepers gemeten aan de onderzijde/dakvoet van de dakkapel). Maatvoering Hoogte dakkapel voorkant (of zijgevel naar de openbare weg gekeerd) Maximaal 1.50 m. gemeten vanaf voet dakkapel tot bovenzijde boeiboord of daktrim. Breedte maximaal 50% van de breedte van het dakvlak (gemeten tussen midden woningscheidende bouwmuren of eindgevels gemeten aan de bovenzijde van de dakkapel, bij kilkepers gemeten aan de onderzijde/dakvoet van de dakkapel).
52
Uitzondering! Bij monumentenpanden en objecten gelegen binnen het beschermde stads-/dorpsgezicht is de breedte van een dakkapel maximaal 50% van de breedte van het dakvlak, met een maximum van 1,5 meter per dakvlak. Het bouwplan altijd ter advisering voorleggen aan de welstands-/monumentencommissie. Hoogte dakkapel achterkant of zijgevel niet naar de openbare weg gekeerd Hoogte maximaal 1.75 m. gemeten vanaf voet dakkapel tot bovenzijde boeiboord of daktrim. Breedte maximaal 75% van de breedte van het dakvlak, met een maximum van 4 meter per dakvlak (gemeten tussen midden woningscheidende bouwmuren of eindgevels gemeten aan de bovenzijde van de dakkapel, bij kilkepers gemeten aan de onderzijde/dakvoet van de dakkapel). Hoogte boeiboord van de dakkapel maximaal 0.25 m. Uitzondering! Bij monumentenpanden en objecten gelegen binnen het beschermde stads-/dorpsgezicht is de breedte van een dakkapel maximaal 50% van de breedte van het dakvlak, met een maximum van 1,5 meter per dakvlak. Het bouwplan altijd ter advisering voorleggen aan de welstands-/monumentencommissie. Vormgeving Plat afgedekt of indien passend in architectuurbeeld/bouwstijl en bij een dakhelling groter dan 45° een aangekapte dakkapel met een dakhelling van minimaal 25°.
Voorvlak grotendeels gevuld met glas, eventueel alleen in ondergeschikte mate tussen de glasvlakken beperkte toepassing van dichte panelen. Detaillering, kleur en materiaal (rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten en beschermde stads-/dorpsgezichten) Respecteren van oorspronkelijke detailleringen bij renovatie, verbouwing of (vervangende) nieuwbouw; Detaillering uitvoeren in harmonie met gebouw en omgeving. Respecteren van oorspronkelijke materialisering bij renovatie, verbouwing of (vervangende) nieuwbouw. Voor het toepassen van dakbedekking plat dak zijn andere materialen dan koper, lood of zink en ongeglazuurde keramische dakpannen bij een aangekapte dakkapel niet toegestaan. Zijwangen dakkapel donkerkleurig uitvoeren. Voor kozijnen zijn andere materialen dan hout niet toegestaan tenzij de situatie acceptabel is gelet op de belendingen en gekozen architectonische opzet. Kunststof toepassingen zijn niet toegestaan tenzij de situatie acceptabel is gelet op de belendingen en gekozen architectonische opzet. Respecteren van oorspronkelijke kleuren bij renovatie, verbouwing of (vervangende) nieuwbouw. Toepassen van sterk contrasterende kleuren en materialen is niet toegestaan. Behouden van authentieke vensterindeling en kozijnprofielen.
Behouden van authentieke detailleringen, ornamenten en overige versieringen bij renovatie, verbouwing of (vervangende) nieuwbouw.
53
Dakramen Omschrijving en uitgangspunten
Een dakraam is een bescheiden lichtopening in de kap, bedoeld om de lichttoetreding te verbeteren. Dakramen zijn, als ze zichtbaar zijn vanuit de openbare ruimte, voor het straatbeeld zeer bepalend. Dakramen dienen een ondergeschikte toevoeging te zijn aan een dakvlak. Het plaatsen van een dakraam mag dus niet ten koste gaan van de karakteristiek van de kapvorm. Daarom mag een dakraam nooit domineren in het silhouet van het dak. Bovendien moet de ruimte tussen dakraam en goot voldoende zijn. Bij meerdere dakramen op één doorgaand dakvlak streeft de gemeente naar een herhaling van uniforme exemplaren en een regelmatige rangschikking op een horizontale lijn. Herhaling binnen een blok (van dezelfde architectuur/bouwstijl) kan rust en samenhang brengen. Bij het plaatsen van dakramen moet men zich erop richten dat het historische materiaal van het dak (dakbedekking, dakbeschot, sporen, gordingen en spanten) behouden blijven. Indien het plaatsen van een dakraam vergunningplichtig is conform artikel 2.1 Wabo, gelden de volgende welstandscriteria. Algemeen Een dakraam moet met een verticale indeling worden uitgevoerd. Het dakraam voldoet aan de welstandscriteria voor dakramen. Het dakraam is een ondergeschikte toevoeging aan het hoofdgebouw. Niet meer dan twee dakramen per woning op het betreffende dakvlak. Plaatsing Geen dakramen in het voordakvlak van het pand.
Bij meerdere dakramen op meerdere panden in hetzelfde bouwblok regelmatige rangschikking op een horizontale lijn. Afstand tot goot/dakrand minimaal 0.50 m. en maximaal 1.00 m. Afstand tot nok minimaal 0.50 m. of minimaal drie rijen dakpannen. Afstand tot zijkant dakvlak minimaal 1.00 m. ,gemeten tot midden woningscheidende bouwmuren of eindgevels (bij kilkepers gemeten aan de onderzijde van het dakraam). Maatvoering Hoogte en breedte dakraam zijgevel naar de openbare weg gekeerd) De maximale hoogte van het dakraam bedraagt 1.40 m ; De maximale breedte van het dakraam bedraagt 1.00 m. Hoogte dakramen achterkant of zijgevel niet naar de openbare weg gekeerd De maximaal hoogte van het dakraam 1.80 m; De maximale breedte van het dakraam bedraagt 1.15 m. Uitzondering! Een bouwplan bij een rijksmonumenten/gemeentelijk monument dient altijd voorgelegd te worden aan de welstands-/monumentencommissie.
54
Aanvullende welstandscriteria per kapvorm Zadeldak met hellingshoek <30°
Soms geeft een zadeldak door de flauwe helling weinig tot geen gelegenheid om een dakkapel toe te passen. Door de flauwe helling wordt de bovenzijde van de dakkapel namelijk (nagenoeg) gelijk met de nok. Hierdoor worden het dakvlak en het silhouet te sterk aangetast. Daarom is het plaatsen van een dakkapel op een zadeldak met een helling kleiner dan 30° welstandshalve ongewenst. Als de vrije hoogte onder de nok tenminste 2.00 meter bedraagt kan soms een oplossing worden gevonden door de nok te verplaatsen en te verhogen. Dan spreken we van een dakopbouw.
Zadeldak met vliering De basismaat van de vliering is doorgaans te gering om een dakkapel te realiseren. Plaatsing hoog in het dakvlak geeft een onevenwichtig beeld. Bij deze dakvorm dus in principe geen dakkapellen op dakvlak. Indien een dakkapel onder in het dakvlak toch voldoende stahoogte biedt, gelden dezelfde uitgangspunten als voor zadeldaken.
Zadeldak met wolfseind De beperkte maat van het wolfseind is ongeschikt voor toevoegingen. De zijdakvlakken zijn hiervoor meer geschikt, en dienen behandeld te worden als het zadeldak. Hierbij dienen de wolfseinden gerespecteerd te worden. Dakopbouwen zijn daarom niet gewenst.
Schild-, tent- of piramidedak Het karakter van deze kapvormen, met naar de nok toelopende hoekkepers, vereist een zeer beperkte afmeting van de dakkapel. Bij situering van de dakkapel dient respect te zijn voor de hoekkepers en dient minimaal een meter dakvlak vrij te blijven, gemeten aan de bovenzijde van de dakkapel.
Mansardedak
Een daktoevoeging aan de achterkant is toegestaan in het onderste deel van het dakvlak. Hierbij kan onderscheid gemaakt worden tussen een schuin afgedekte dakkapel en een dakkapel met plat dak. In beide gevallen dient de bovenaansluiting met het dakvlak op de knik van het dakvlak plaats te vinden.
Lessenaardak Voor dakkapellen op lessenaardaken gelden dezelfde uitgangspunten als voor zadeldaken. Afhankelijk van de hoek van het dak en de nok- en goothoogte gelden verschillende regels. Wanneer de hoek kleiner is dan 30° is een dakkapel welstandshalve niet wenselijk. Bij een hoek kleiner dan 45° is een dakkapel aanvaardbaar wanneer de hoogte onder de nok meer dan 2.70 m meet.
Asymmetrisch dak Een dakkapel hoog in het dakvlak geeft bij een asymmetrisch dakvlak een onevenwichtig beeld en is welstandshalve niet gewenst. Het advies hier is omzetten naar het andere dakvlak. In het algemeen worden dakkapellen onder in het dakvlak toegepast. Door de grootte van het dakvlak ontstaat hiermee een goed en evenwichtig beeld. Door de hoogte van het dakvlak is hier een dakkapel met een inwendige hoogte tot de verdiepingsvloer voorstelbaar.
55
Erf- en perceelsafscheidingen Omschrijving en uitgangspunten
Een erf- of perceelsafscheiding is een bouwwerk, bedoeld om het erf af te bakenen van een buurerf of van de openbare weg. Een erf- of perceelsafscheiding tussen buren moet in de eerste plaats door beide kanten worden gewaardeerd. Indien aan deze voorwaarde wordt voldaan zal de gemeente zich terughoudend opstellen. Afscheidingen aan de openbare weg zijn van grote invloed op de ruimtelijke kwaliteit. De gemeente streeft ernaar een rommelige indruk door een te grote verscheidenheid aan afscheidingen te voorkomen. Vooral in nieuwbouwwijken is dit een belangrijk punt, omdat het groen hier de eerste jaren nog niet volgroeid is. Erf- of perceelsafscheidingen moeten passen bij het karakter van de omgeving. Het buitengebied vraagt bijvoorbeeld om andere afscheidingen dan de woongebieden. Afscheidingen moeten op een zorgvuldige en professionele manier worden geplaatst en moeten worden gemaakt van duurzame materialen. Een lange, gesloten, slecht onderhouden schutting in diverse kleuren en materialen kan het straatbeeld verstoren. Begroeide hekwerken en beplantingen hebben een open en vriendelijke uitstraling. Indien een erf- of perceelsafscheiding vergunningplichtig is conform artikel 2.1 Wabo, gelden de volgende welstandscriteria. Algemeen Extra aandacht voor erfafscheidingen op hoeklocaties.
Geen toepassing van golfplaat, beton, kunststof, staal of damwandprofielplaten en andere ongebruikelijke materialen. Vormgeving, kleur, materiaalgebruik afgestemd op hoofdgebouw. Ter plaatse van sportvelden , kantoren, bedrijven en recreatieterreinen zijn transparante hekwerken, mits noodzakelijk voor de bedrijfsvoering, tot een hoogte van maximaal 2 meter toegestaan. Deze hekwerken dienen in donkergroen/antraciet of zwart uitgevoerd te worden. Ter plaatse van sportvelden zijn ballenvanghekken van een grotere hoogte toegestaan, mits volledig transparant en uitgevoerd in donkergroen cq. zwart.
56
Rolhekken, luiken en rolluiken Rolhekken, luiken en rolluiken zijn voorzieningen om ruiten van gebouwen tegen inbraak en vandalisme te beschermen. Deze voorzieningen kunnen de omgeving een rommelig aanzien geven. Daarom stimuleert de gemeente in de eerste plaats het toepassen van alternatieve oplossingen zoals geweldbestendig glas of elektronische beveiligingssystemen. In winkelgebieden zijn de problemen met deze anti-inbraak en – vandalismevoorzieningen het grootst. De gemeente streeft er daarom naar dat rolhekken, luiken en rolluiken de uitstraling van een pand niet negatief beïnvloeden. Ze dienen zo transparant en open mogelijk te worden uitgevoerd en dienen te allen tijden voorgelegd te worden aan de welstands-/monumentencommissie. Indien het plaatsen van rolhekken, luiken en rolluiken vergunningplichtig is conform artikel 2.1 Wabo, gelden de volgende welstandscriteria.
Bij winkels en bedrijven Algemeen Het rolhek, luik of rolluik voldoet aan het gebiedsgerichte beoordelingskader van het gebied waar het rolhek, luik of rolluik geplaatst gaat worden. Het rolhek, luik of rolluik aan de gevel dient alleen voor het afsluiten van één kozijngat en mag niet de gehele gevel of meerdere kozijnen overspannen. Plaatsing Het rolhek, luik of rolluik ligt minimaal 1 meter terug van de uitwendige scheidingsconstructie (pui); of aan de binnenzijde van de uitwendige scheidingsconstructie (pui), mits voor minimaal 70% bestaand uit glasheldere doorkijkopeningen, of; aan de buitengevel indien plaatsing aan de binnenzijde aantoonbaar niet mogelijk is, mits voor minimaal 90% bestaand uit glasheldere doorkijkopeningen en (inclusief rolkasten en geleidingen) ingepast in het gevelbeeld. Alleen toegestaan op de benedenverdieping. In maat sluitend/passend in de bijbehorende opening. Vormgeving Rolkasten en geleidingen geheel niet waarneembaar in gevelbeeld en architectuur of, indien passend bij het gevelbeeld, een passende, traditionele, geheel houten opzet. Historische luiken uitgevoerd in hout met traditionele detailleringen. Materiaal en kleur Aan de binnenzijde ingetogen kleurgebruik of kleuren harmoniërend met interieur en aan de buitenzijde donker kleurgebruik of kleuren harmoniërend met gevel.
Bij woningen Algemeen Luiken en rolluiken ter plaatse van deuropeningen is uitgesloten. Luiken en rolluiken ter plaatse van raamopeningen in beginsel niet toegestaan, maar ter beoordeling gelet op gevelbeeld in de directe omgeving en de specifiek voorgestelde materialisatie, detaillering en kleurstelling. Plaatsing Aan de binnenzijde van de uitwendige scheidingsconstructie (pui) bij voldoende ruimte voor plaatsing en aansluitend op aanwezige specifiek gevelbeeld en/of architectuur, of
57
aan de buitengevel indien plaatsing aan de binnenzijde aantoonbaar niet mogelijk is, mits passend binnen het gevelbeeld. In maat sluitend/passend in de bijbehorende raamopening.
Vormgeving Rolkasten en geleidingen geheel niet waarneembaar in gevelbeeld en architectuur of, indien passend bij het gevelbeeld, een passende, traditionele, geheel houten opzet. Historische luiken uitgevoerd in hout met traditionele detailleringen. Materiaal en kleur Donker kleurgebruik of kleuren harmoniërend met de gevel.
Zonwering en markiezen Voor het plaatsen van zonwering of markies aan een monument of een pand binnen het beschermde stads- of dorpsgezicht is een bouwvergunning noodzakelijk. De welstandscriteria voor bovengenoemde bouwwerken zijn als volgt. Algemeen De zonweringen of markiezen voldoen aan het beoordelingskader van het gebied of object waar de zonwering of de markies geplaatst gaat worden Zonwering niet aanbrengen op plaatsen waar het geen zonweringsfunctie heeft. Plaatsing Aan de voor-, zij- en achtergevels alleen op de begane grond verdieping. Maatvoering, vormgeving, materiaal en kleur Het zonnescherm of de markies dient te worden uitgevoerd in tentdoek of tentzeil. Het zonnescherm of de markies dient in één gedekte donkere kleur uitgevoerd te worden. Alle zichtbare constructiedelen moeten bedekt zijn met een tent- of zeildoek. Per kozijn 1 zonwering binnen de negge en het scherm dient zo dicht mogelijk boven de onderliggende kozijnen te worden geplaatst (bijvoorbeeld op de latei). Indien de schermen geheel gespannen zijn, moeten ze minstens 2.20 meter boven het straatniveau hangen. Maximaal één reclameopdruk (logo en/of tekst) op een markies of zonnescherm ter plaatse van de hoofdingang, over maximaal 50% van de breedte van de betreffende markies of zonnescherm en geplaatst op de volant of op het onderste segment van de markies.
Reclame dient te worden uitgevoerd in 1-kleurige letteropdruk van maximaal 0,15 meter hoog.
58
Reclame
6
Reclames aan gevels of vrijstaand in de openbare ruimte bepalen in grote mate het aanzien en beleving van een gebied. Reclames hebben echter de neiging, onder de druk van de concurrentie, steeds groter en opzichtiger te worden. Zeker kwetsbare gebieden, zoals de historische delen van de stad, zijn daarvoor gevoelig. Voor de ondernemer heeft reclame een belangrijke betekenis: hij wil een groot publiek bereiken. De consument moet de zaak makkelijk kunnen vinden. Ondernemers onderkennen steeds meer het belang van een aangename verblijfskwaliteit en beseffen dat het reguleren van reclame-uitingen daarop van positieve invloed kan zijn. Het kan zelfs een uitdaging zijn om iets extra’s aan de gevel toe te voegen, dat werkelijk een meerwaarde is. Dat bewijst dat reclame mooi en tegelijk functioneel kan zijn. Het gemeentebestuur is zich bewust van de economische belangen van reclamevoering voor de ondernemer, maar hecht ook waarde aan de kwaliteit en de uitstraling van de omgeving. De gemeente is er van overtuigd dat een aantrekkelijk en goed verzorgde omgeving het vestigingsklimaat versterkt. Dat betekent niet direct dat reclamevoering tot het minimum beperkt moet worden. Een beperking van reclame kan namelijk ook leiden tot een omgeving die wordt ervaren als saai, niet openbaar en onherkenbaar. De aantrekkelijkheid neemt dan af, wat invloed heeft op het koopgedrag van mensen.
Een bepaalde mate aan drukte en diversiteit aan reclame kan juist een gezellige omgeving bevorderen. Om balans te krijgen tussen enerzijds een verzorgd straatbeeld en anderzijds het economisch belang is deze reclamenota opgesteld. Heldere richtlijnen voor reclameuitingen moeten aantasting van het straatbeeld voorkomen en bijdragen aan de kwaliteit van de stad, en moeten gelijktijdig ruimte bieden voor economische levendigheid zodat ondernemers zich kunnen ontwikkelen.
Uitgangspunten Deze reclamenota omvat een beoordelingskader voor beoordeling van vergunningaanvragen voor reclame-uitingen. Onder reclame-uitingen wordt verstaan: ‘openbare aanprijzing van bedrijfsnaam, goederen of diensten, waarmee kennelijk een commercieel belang wordt gediend’. Deze nota heeft uitsluitend betrekking op reclame (dus niet de uitstallingen die geen reclame omvatten). Alle reclame-uitingen, waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, worden getoetst aan de richtlijnen zoals opgenomen in deze reclamenota. Dit schept voor zowel gemeente als ondernemer duidelijkheid.
Rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten en beschermde stads- of dorpsgezichten Algemeen De monumenten zijn door het Rijk of de gemeente als zodanig aangewezen, en genieten daarmee een beschermde status. Door de status van monument is aangegeven dat het pand en de directe omgeving een uniek cultuur- en architectuurhistorisch karakter hebben en dat dit beschermd wordt. Het is dan ook van groot belang dat reclameobjecten op een harmonieuze manier opgenomen worden in de architectuur van het pand of zelfs bijdragen aan een versterking van de kwaliteit van die architectuur. In
59
deze reclamenota zijn voor rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten specifieke richtlijnen opgenomen. Uitgangspunt voor het beoordelen van vergunningaanvragen is het behoud van het karakteristieke historische monument en het straatbeeld. Beschermde stads- of dorpsgezichten zijn gebieden die als samenhangend geheel van algemeen belang zijn door schoonheid of geschiedenis, belangrijk zijn voor de wetenschap en een cultuurhistorische betekenis hebben. Daarnaast ondersteunen deze gebieden de kwaliteiten van de individueel beschermde monumenten binnen dat gebied. Deze gebieden worden door het Rijk, provincie of gemeente als zodanig aangewezen, en genieten daarmee een beschermde status waarvoor extra regels gelden met betrekking tot bouwen en verbouwen. Uitgangspunt voor het beoordelen van vergunningaanvragen is het behoud van het karakteristieke historische straatbeeld.
Richtlijnen gevelreclame Algemeen De reclame voldoet aan het gebiedsgerichte beoordelingskader van het gebied waar de reclame aangebracht of geplaatst gaat worden. De vormgeving, afmetingen en kleuren van een reclame-uiting moeten afgestemd zijn op het karakter van het pand en zijn directe omgeving. Gevelreclames dienen qua vormgeving, afmetingen en plaatsing op de gevelopzet afgestemd te worden. De samenhang en structuur van de gevel dienen behouden te blijven (geen scheiding winkelpui en verdieping). Bij het monument is de bestaande samenhang en ritmiek van de gevel en straatwand essentieel voor een passende reclame. Indien de architectuur van het monument reeds voorziet in specifieke reclamemogelijkheden, zoals koofboorden of velden tussen raamkozijnen en -bogen, zijn dat de aangewezen plaatsen waar reclame-uitingen aangebracht dienen te worden. Te veel en frequente herhaling van dezelfde tekst of te grote hoeveelheid tekst per reclame dient voorkomen te worden. Tekst beperken tot de hoofdboodschap (productaanduiding, bedrijfsnaam of andere aanduiding). De reclame-uiting zelf dient ook grafisch goed verzorgd te zijn. De opschriften, eventueel in combinatie met afbeeldingen, van reclame-uitingen moeten zijn samengesteld uit esthetisch verantwoorde letters en tekens.