761134 Bijlage 3 toelichting
Tekst van het document
Om na te gaan of bovenstaande parkeerbehoefte (tabel 4.1) op de bestaande parkeerterreinen past, is het totaaloppervlak van het parkeerterrein P1 ingeschat op basis van Streetsmart, en het oppervlak van P2 bepaald op basis van het vlekkenplan (zie tabel 4.2). P2 betreft de helft van het oppervlak van perceel H1547 (zie tabel 4.3 hieronder, en bijlage 2), dus 50% van 6.534 m2 , ongeveer 3.267 m2. Gemakshalve wordt dit naar beneden afgerond naar 3.260 m2. Vervolgens is nagegaan wat het aantal beschikbare parkeerplaatsen op P1 en P2 is (zie tabel 4.2). Tabel 4.2: beschikbaar aantal park eerplekken op P1 en P2 Totaaloppervlak (m2) Oppervlak wegen binnen parkeerterrein (m2) Beschikbare ruimte voor parkeren (m2) Oppervlak één parkeerplaats (TU Delft) (m2) Beschikbaar aantal parkeerplekken
P1 2.000 900
P2 3.260 1.100
1.100
2.160
12
12
92
180
Tabel 4.3: oppervlakten percelen binnen plangebied (Bron: vlekkenplan, september 2021)
30
Zoals blijkt uit tabel 4.2 is op P1 ruimte voor 92 parkeerplaatsen. Ervan uitgaand dat er op elk perceel ook één parkeerplek wordt gerealiseerd, is daar sprake van 76 parkeerplaatsen. P1 en de privéparkeerplaats per perceel leveren tezamen dus 92 + 76 = 168 parkeerplaatsen op. De parkeerbehoefte van 178 parkeerplaatsen wordt hiermee niet in zijn geheel opgevangen. Dan resteren nog 10 parkeerplaatsen die benodigd zijn. Hiervoor kan P2 worden ingezet, aangezien daar nog ruimte is voor 180 parkeerplaatsen. Een zeer klein deel van P2 (10 van de 180 parkeerplaatsen) kan zodoende gebruikt worden om te voldoen aan de totale parkeerbehoefte van Onze Hoeve. Zodoende biedt parkeren geen belemmering voor het bestemmingsplan. In een latere fase, bij de vergunningverlening, zal bovendien het concrete aantal parkeerplaatsen van voorliggende ontwikkeling nogmaals worden getoetst.
Figuur 4.1: parkeerterrein in de toekomstige situatie (Bron: luchtfoto streetsmart, 2019, met kadastrale percelen)
Verkeersgeneratie Het plangebied wordt ontsloten door de Hageweg. Deze weg ontsluit ook de naastgelegen recreatieparken (Stacaravanpark Bruinisse, Aquadelta), de golfbaan, de woningen naast de golfbaan en de jachthaven en bijbehorende bedrijvigheid. Vanaf de Hageweg zal het verkeer vanaf Onze Hoeve de Groeneweg gebruiken om op de N59 uit te komen, en van daaruit de route richting het noorden of zuiden te vervolgen. In de huidige situatie is reeds sprake van met name recreatief verkeer over de Hageweg en de Groeneweg.
31
In de planologisch legale situatie zijn op het moment van aankoop van de gronden maximaal 90 standplaatsen aanwezig geweest. Dit had de volgende verkeersgeneratie tot gevolg: uitgaande van 6 overnachtingsplekken / standplaats, gaat het om 540 overnachtingsplaatsen. Het aantal verkeersbewegingen op basis van het gemeentelijk beleid wordt in tabel 4.4 weergegeven: 396 bewegingen/etmaal.
Tabel 4.4: verkeersgeneratie planologisch legale situatie (op moment van aankoop gronden) Aantal Standplaatsen
90
Aantal slaapplekken /recreatiewoning 6
Aantal slaapplekken 540
Aantal parkeerplaatsen 180
Aantal bew/etm. 396
Als de verkeersgeneratie van de toekomstige situatie (na planontwikkeling, zie tabel 4.1) en die van de planologisch legale situatie (zie tabel 4.4) met elkaar vergeleken wordt, ontstaat het volgende beeld. Het verschil in verkeersbewegingen is 392 - 396 = een afname van 4 bewegingen/etmaal. Zodoende is in de toekomstige situatie dus sprake van een afname van het aantal verkeersbewegingen ten opzichte van de planologisch legale situatie. Er zal dan ook geen sprake zijn van capaciteitsproblemen op het bestaande wegennet als gevolg van voorliggend plan. 4.2.3 Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor onderhavig plan.
4.3
Bedrijven en milieuzonering
4.3.1 Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-handreiking) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). De VNG-handreiking bevat een lijst met bedrijven waaraan, afhankelijk van de mate waarin de in de lijst opgenomen bedrijven milieuhinder kunnen veroorzaken (uitgaande van de gemiddelde bedrijfssituatie), een categorie wordt toegekend. Naarmate de milieuhinder toeneemt, loopt de categorie op van 1 tot en met 5, met bijbehorende minimale afstanden tot de woongebieden. Per bedrijfstype wordt zo een globale indicatie gegeven van het invloedsgebied voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar.
De afstanden gelden in principe tussen de perceelsgrens van het bedrijf (bij een gangbare perceelsgrootte en -indeling) en percelen waarop milieugevoelige functies zoals woningen zijn toegestaan en die zijn gelegen in een rustige woonwijk. Wanneer er geen sprake is van een rustige woonwijk, maar van een gemengd gebied, kan één afstandsstap worden teruggedaan. Een bedrijf dat 50 meter afstand tot een rustige woonwijk moet aanhouden, mag zich hierdoor op 30 meter van een gemengd gebied vestigen. Onder een rustige woonwijk wordt verstaan een woongebied met weinig verkeer en praktisch geen bedrijven en/of winkelcentra. Gemengde gebieden zijn gebieden met een matige tot sterke functiemenging. Naast wonen komen ook andere functies voor zoals winkels, horeca en bedrijvigheid. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als
32
gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Voor dergelijke gebieden kunnen de richtafstanden die gelden ten opzichte van een rustige woonwijk met één afstandsstap verlaagd worden, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. De te hanteren richtafstanden zijn opgenomen in onderstaande tabel.
Tabel 4.5: richtafstanden VNG handreiking 'Bedrijven & milieuzonering' (VNG, 2009)
De afstanden in bovengenoemde uitgaven moeten als indicatief worden gezien. Doordat de omvang van bedrijven kan verschillen en omdat bedrijven maatregelen kunnen nemen om de invloed te beperken, kan de invloedssfeer in werkelijkheid afwijken van bovengenoemde afstanden. De uiteindelijke afstemming tussen de hinder van het bedrijf en de omgeving wordt geregeld in het kader van de Wet milieubeheer. 4.3.2 Toetsing Aangezien in de omgeving van het plangebied sprake is van functiemening (recreatieterreinen, jachthaven, golfbaan, jachthaven) is sprake van een gemengd gebied. Zodoende kunnen de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd.
Effect onderhavig recreatiepark op de omgeving Zoals bovenstaand beschreven valt een recreatiepark volgens de VNG handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) in 'kampeerterreinen, vakantiecentra e.d. (met keuken)'. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter ten opzichte van woningen, vanwege het milieuaspect geluid. Voor de milieuaspecten geur en gevaar geldt een richtafstand van 10 meter. In tabel 4.6 wordt getoetst aan de richtafstand tot omliggende functies.
Tabel 4.6: vergelijking richtafstanden met werkelijke afstanden vanuit onderhavig recreatiepark naar de omgeving Ontvanger (milieugevoelige functie) Omliggende reguliere woningen Recreatiewoningen op Aquadelta
Richtafstand (VNG) (meter) 30 30
Werkelijke afstand Voldoet? (meter) 430 Ja 30 Ja + zie onder* Recreatiewoningen in jachthaven 30 50 Ja Stacaravans op Stacaravanpark 30 0 Ja + zie Bruinisse onder* *Hoewel op grond van het gemeentelijk beleid niet gezoneerd wordt tussen recreatiebedrijven onderling, wordt hierna desondanks nagegaan wat de herontwikkeling van Onze Hoeve betekent voor omliggende
33
recreatiewoningen. Tussen het plangebied en de recreatiewoningen op Aquadelta ligt een groenbestemming met een breedte van minimaal 30 meter. In deze bestemming mag niet gebouwd worden. Deze groenbestemming wordt niet gewijzigd door dit bestemmingsplan. Dit betekent dat de nieuwe recreatiewoningen in het plangebied op dusdanige afstand van de recreatiewoningen op Aquadelta komen te staan dat er geen sprake kan zijn van hinder. Ten aanzien van het deel van het plangebied dat grenst aan het Stacaravanpark Bruinisse geldt dat in het plangebied kampeermiddelen tot op de grens van het plangebied gezet mogen worden. Voor Stacaravanpark Bruinisse geldt dat de stacaravans tot op de grens van dit park gezet mogen worden. In de toekomstige situatie wordt dit niet anders. Voor deze gronden is dus geen toename van hinder te verwachten omdat de maximale planologische mogelijkheden behouden blijven. Bij de verdere uitwerking van het voornemen tot transformatie van Onze Hoeve wordt bezien hoe de nieuwe recreatiewoningen zo optimaal ingepast en afgeschermd kunnen worden ten opzichte van de stacaravans.
Effect omgeving op het recreatiepark Onze Hoeve In de omgeving van het recreatiepark zijn de volgende functies aanwezig die milieuhinder kunnen veroorzaken (zie figuur 4.2). In tabel 4.7 hieronder wordt aan de richtafstanden getoetst. De nummers in de eerste kolom corresponderen met de nummers op figuur 4.2.
Figuur 4.2: ligging functies in de omgeving van het plangebied die milieuhinder kunnen veroorzaken
34
Tabel 4.7: vergelijking richtafstanden met werkelijke afstanden vanuit activiteiten in de omgeving op recreatiepark Onze Hoeve
1 2
3 4 5
Activiteit
SBI nr. (VNG) en/of naam
Supermarkt Aquadelta Dienstverlening; ondersteunende horeca-activiteiten, dienstverlening en detailhandel ten behoeve van de verblijfsrecreatie op Aquadelta** Tennisbaan (Aquadelta) Jachthaven Bedrijf t/m cat. 2 (nabij jachthaven) Bedrijf t/m cat. 3.2 (nabij jachthaven) Detailhandel in boten (nabij jachthaven)
471 561: Restaurants, cafetaria's, snackbars, ijssalons met eigen ijsbereiding, viskramen e.d
Richtafstan Werkelijke d (VNG) afstand (meter) (meter) N.v.t. * N.v.t. *
Voldoet?
931 30 60 Ja 932 30 65 Ja n.v.t. geen specifieke 10 80 Ja categorie 6 n.v.t. geen specifieke 50 75 Ja categorie 5 47: Detailhandel voor N.v.t. * + zover niet elders 6 genoemd * Voor deze activiteiten geldt een richtafstand van 10 meter tot een rustige woonwijk. Aangezien sprake is van gemengd gebied, kan de afstand met één stap worden verlaagd. Op basis hiervan is het aannemelijk dat het recreatiepark Onze Hoeve geen hinder ondervindt van deze activiteit. **In het bestemmingsplan Recreatieterreinen (vastgesteld 27-6-2013) is hierbinnen onder meer een cafetaria, broodjeszaak, ijssalon, snackbar, eetcafé en restaurant toegestaan. 4.3.3 Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor voorliggend bestemmingsplan.
4.4
Luchtkwaliteit
4.4.1 Toetsingskader Algemeen Door de uitstoot van uitlaatgassen door onder andere de industrie en het verkeer komen schadelijke stoffen in de lucht. Vooral langs drukke wegen kunnen de concentraties van verschillende stoffen zo hoog zijn dat deze de gezondheid kunnen aantasten. Om te voorkomen dat de gezondheid wordt aangetast door luchtverontreiniging dient bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden te worden met de luchtkwaliteit ter plaatse. In het algemeen geldt dat als aan de richtafstand op grond van de VNG-handreiking Bedrijven en milieuzonering behorende bij de van toepassing zijn de bedrijfscategorie wordt voldaan, het aspect stof niet zorgt voor een aantasting van het woon- en leefklimaat. Dit aspect hoeft in dit geval niet nader te worden onderzocht.
Regelgeving
35
De belangrijkste wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit is vastgelegd in hoofdstuk vijf (luchtkwaliteitseisen) van de Wet milieubeheer (hierna Wm), ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd (hierna Wlk). Het doel van de Wlk is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. De in de Wlk vastgestelde normen voor luchtkwaliteit mogen niet overschreden of, in geval van een bestaande overschrijding, mag een eventuele toename niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
Luchtkwaliteitsnormen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; of een project per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; of een project slechts in 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; of een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL); of. een project een ander project van gelijke of grotere omvang vervangt. Niet in betekenende mate In de algemene maatregel van bestuur 'Niet In Betekenende Mate' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Een project draagt 'niet in betekende mate' bij aan de luchtverontreiniging als de 3%-grens niet wordt overschreden. De 3%-grens is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2.
Een geplande ruimtelijke ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging als: het valt onder de beschrijving in de tabellen met categorieën van gevallen in de 'Regeling Niet In Betekenende Mate', of het bevoegd gezag aannemelijk kan maken, bijvoorbeeld door berekeningen, dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in de onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totale aantal mensen dat hoort bij een 'gevoelige bestemming' niet toenemen. Dit wordt bereikt door op die locatie de vestiging van een gevoelige bestemming niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. Is (dreigende) normoverschrijding niet aan de orde, dan is er ook geen bouwverbod voor gevoelige bestemmingen binnen de onderzoekszone.
36
4.4.2 Toetsing Door de herontwikkeling is sprake van een verkeerstoename. De verkeersgeneratie als gevolg van het plan is bepaald in paragraaf 4.2. Daaruit blijkt dat sprake is van maximaal 392 bewegingen/etmaal. Uit de NIBM-tool (zie tabel 4.6) blijkt dat bij dit aantal verkeersbewegingen sprake is van 'niet in betekende mate'.
Tabel 4.6: verkeersgeneratie van het plan ingevoerd in de NIBM-tool
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de luchtkwaliteit ter plaatse geïnventariseerd. Op basis van de NSL Monitoringstool blijkt dat de luchtkwaliteit (gemeten in fijnstof: PM2,5 en PM10, en gemeten in stikstofdioxide, in NO2) ter plaatse van het plangebied voldoet aan de gestelde grenswaarden voor fijnstof en stikstofdioxide. Het aantal dagen dat de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter is dan 50 microgram per kubieke meter lucht ligt eveneens ruimschoots onder de grenswaarde. 4.4.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor voorliggend plan.
4.5
Geur
4.5.1 Toetsingskader Algemeen Geur kan in de leefomgeving hinder veroorzaken. Bij geur gaat het om de geuruitstoot (emissie) van bedrijven die zich verspreidt via de lucht en een geurbelasting (immissie) veroorzaakt op de woon- en leefomgeving. De afstand tussen geuremitterende bedrijven en geurgevoelige bestemmingen is daarbij van grote invloed. Geur heeft dus gevolgen voor het leefklimaat van mensen en voor het gebruik van de ruimte. In het algemeen geldt dat als aan de richtafstand op grond van de VNG-handreiking Bedrijven en milieuzonering behorende bij de van toepassing zijn de bedrijfscategorie wordt voldaan, het aspect geur niet zorgt voor een aantasting van het woon- en leefklimaat. Dit aspect hoeft in dit geval niet nader te worden onderzocht.
Regelgeving bedrijven In Nederland is er geen wetgeving voor geur van bedrijven. Voor een aantal bedrijven die onder een algemene maatregel vallen zoals het Activiteitenbesluit, zijn er verplichtingen ten aanzien van te treffen maatregelen. Voor omgevingsvergunningplichtige bedrijven geldt de Nederlandse emissierichtlijn lucht
37
(NeR) als toetsingskader voor het beoordelen van eventuele geurhinder. Wel is in beleid vastgelegd wat een tegen geur te beschermen object is. Naast woningen kunnen dit ook andere locaties zijn waar mensen zich gedurende langere tijd bevinden en waar blootstelling aan geur tot hinder kan leiden, zoals ziekenhuizen, bejaarden- en verpleegtehuizen en recreatiegebieden. Hoewel in principe alle geurgevoelige objecten moeten worden beschermd tegen geuroverlast, kunnen wel verschillen in het niveau van bescherming worden gehanteerd. Voor een bedrijfswoning kan bijvoorbeeld een lager beschermingsniveau en dus een hogere geurbelasting gehanteerd worden dan voor aaneengesloten woonbebouwing.
Regelgeving veehouderijen Vergunningplichtige veehouderijen moeten voor wat betreft geur van dierenverblijven voldoen aan de Wet geurhinder en veehouderij. Verder dienen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht de beste beschikbare technieken te worden toegepast. Veehouderijen die onder het Besluit landbouw milieubeheer vallen, moeten voldoen aan de in dat besluit genoemde minimaal aan te houden afstand tot geurgevoelige objecten. Het Besluit landbouw milieubeheer geeft ook minimaal aan te houden afstanden tot geurgevoelige objecten voor opslagen van veevoeder en mest.
Zowel in het Besluit landbouw als in de Wet geurhinder en veehouderij is ook vastgelegd wat een geurgevoelig object is. Volgens de Wet geurhinder en veehouderij is dat een gebouw, bestemd voor menselijk gebruik, waar zich gedurende langere periode mensen bevinden. In het Besluit landbouw zijn categorieën van objecten gedefinieerd waartoe een minimaal te houden afstand dient te worden aangehouden. 4.5.2 Toetsing Zoals in paragraaf 4.3 is beschreven, wordt voldaan aan de richtafstanden tot niet-agrarische bedrijven in de nabije omgeving van het plangebied. Ten opzichte van agrarische bedrijven is sprake van een geruime afstand van het plangebied tot die bedrijven (minstens 1,8 kilometer). Derhalve wordt ook voldaan aan de richtafstanden tot veehouderijen. Zo is, in vergelijking met andere veehouderijen, de richtafstand volgens de VNG handreiking Bedrijven & Milieuzonering (2009) bij het 'Fokken en houden van varkens' het grootst: 200 meter tot een rustig woongebied, en dus 100 meter tot een gemengd gebied. Hier wordt ruimschoots aan voldaan. Uit de Atlas voor de Leefomgeving blijkt dat 3-4% van de mensen aangaf ernstige geurhinder te ondervinden van landbouwbedrijven en het uitrijden van mest (2016, zie figuur 4.3). Deze kaart is gemaakt door de Atlas Leefomgeving op basis van cijfers uit landelijk onderzoek van het RIVM en het CBS.
Hoewel de kaart van de Atlas voor de Leefomgeving slechts een grof beeld geeft van het percentage mensen dat ernstige geurhinder aangaf te ondervinden van landbouwbedrijven en het uitrijden van mest, kan, mede gelet op de grote afstand tot de meest dichtbijgelegen veehouderijen, worden gesteld dat het geurklimaat in het plangebied aanvaardbaar is.
38
Figuur 4.3: percentage mensen dat ernstige geurhinder aangaf te ervaren als gevolg van landbouwbedrijven en het uitrijden van mest (Bron: Atlas voor de leefomgeving, 2016) 4.5.3 Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor het plan.
4.6
Geluid en stilte
4.6.1 Toetsingskader Algemeen Een belangrijke basis voor de ruimtelijke afweging in het kader van het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Deze wet biedt geluidgevoelige functies (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van o.a. wegverkeerlawaai en industrielawaai door middel van zonering.
In het algemeen geldt dat als aan de richtafstand op grond van de VNG-handreiking Bedrijven en milieuzonering behorende bij de van toepassing zijn de bedrijfscategorie wordt voldaan, het aspect geluid niet zorgt voor een aantasting van het woon- en leefklimaat. Dit aspect hoeft in dit geval niet nader te worden onderzocht.
Regelgeving Wegverkeerslawaai Ingevolge artikel 74 Wet geluid hinder (Wgh) zijn in principe alle wegen gezoneerd. Uitzondering op deze regel zijn wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km per uur geldt en woonerven. Tevens zijn in de Wgh onderzoekszones opgenomen waarbinnen onderzoek moet worden uitgevoerd naar de gevolgen van wegverkeerslawaai op een geluidsgevoelige bestemming. Deze onderzoekszones bedragen voor het stedelijk gebied voor wegen met 1 of 2 rijstroken 200 meter en voor het buitenstedelijk gebied 250 meter
39
voor wegen met 1 of 2 rijstroken. Voor gezoneerde wegen geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De grenswaarde ligt tussen de 53 dB en 68 dB, afhankelijk van de ligging en of het een nieuwe of bestaande situatie betreft.
Een geluidsbelasting hoger dan deze grenswaarde is niet toelaatbaar. In het gebied tussen de voorkeursgrenswaarde en de grenswaarde is de geluidbelasting alleen toepasbaar na een afwegingsproces in de vorm van een procedure hogere grenswaarde.
Menselijk stemgeluid Bestemmingen waarbij menselijk stemgeluid in de beoordeling in het kader van een goede ruimtelijke ordening een rol kan spelen, zijn onder andere bedrijven (horeca), sportvelden of speelplaatsen/hangplekken. Getoetst moet worden of het stemgeluid niet leidt tot aantasting van het woon- en leefklimaat. 4.6.2 Toetsing Wegverkeerslawaai Recreatiewoningen zijn niet aangemerkt als geluidgevoelig gebouw in de zin van de Wet geluidhinder. Dit betekent dat er in de zin van de Wet geluidhinder geen formele grenswaarden voor gelden. In het kader van goede ruimtelijke ordening is de geluidsituatie vanwege wegverkeer ter plaatse wel in ogenschouw genomen. Daarbij is relevant dat de gemeente Schouwen-Duiveland in dit verband de geluidbelasting op recreatiewoningen toetst op dezelfde manier als de geluidbelasting op reguliere woningen. Nabij het plangebied zijn de volgende wegen gesitueerd die mogelijk geluideffect kunnen hebben op het plangebied: Hageweg. N59. Met behulp van akoestisch onderzoek is het geluideffect van wegverkeer op bovengenoemde wegen bepaald. Dit onderzoek is als bijlage 3 bij deze toelichting gevoegd. Het plangebied ligt op meer dan 250 meter afstand van een weg waarop een hogere maximumsnelheid dan 30 kilometer per uur geldt.
Derhalve is het niet verplicht om akoestisch onderzoek uit te voeren om het geluid van wegverkeer op de nieuwe recreatiewoningen vast te stellen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening heeft dergelijk onderzoek wel plaatsgevonden en zijn de resultaten in analogie met de Wet geluidhinder beoordeeld.
Hageweg De Hageweg ligt op een afstand van circa 10 meter van het plangebied. Op deze weg geldt een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur. Op de Hageweg is sprake van een mening van gemotoriseerd verkeer en langzaam (recreatief) verkeer. De daadwerkelijke maximale snelheid die het gemotoriseerd verkeer hier veilig kan halen ligt gedurende een groot deel van de dag waarschijnlijk onder de 30 kilometer per uur. Daarbij moet worden opgemerkt dat de Hageweg niet gezoneerd is omdat er op die weg een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is de geluidbelasting van wegverkeer op deze locatie naar analogie met de Wet geluidhinder beoordeeld. Uit het akoestisch onderzoek in bijlage 3 blijkt dat de geluidbelasting van wegverkeer op de Hageweg op de eerstelijnsbebouwing aan die weg niet meer dan 40 dB (inclusief aftrek ex artikel 110g Wet geluidhinder) bedraagt). Er wordt daarmee ruimschoots voldaan aan de grenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder.
40
N59 Op de N59 geldt een maximumsnelheid van 80 kilometer per uur. De afstand tussen het plangebied en de N59 is circa 650 meter. Uit bijlage 3 blijkt dat de geluidbelasting als gevolg van wegverkeer op de N59 maximaal 41 dB (incusief aftrek ex artikel 110g Wet geluidhinder) bedraagt. Voor deze geluidbron geldt daarmee ook dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder niet overschreden wordt.
Indirecte hinder wegverkeer Zoals beschreven in paragraaf 4.3.2 leidt dit bestemmingsplan tot een afname van 4 verkeersbewegingen per etmaal ten opzichte van het huidig toegestane planologisch gebruik en daarmee ten opzichte van wat planologisch acceptabel geacht is. Dit bestemmingsplan leidt daarmee niet tot een verslechtering van de geluidsituatie omdat het zorgt voor een afname van de verkeersbewegingen en de daarmee samenhangende geluidbelasting. Daar komt bij dat uit de voorgaande alinea's blijkt dat de geluidbelasting als gevolg van wegverkeer op de Hageweg en N59 ruimschoots onder de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder ligt. Omdat er sprake is van een afname van de verkeersgeneratie en een laag geluidniveau in het plangebied kan derhalve gesteld worden dat er in het plangebied alsook nabij het plangehied na realisatie van de voorgenomen ontwikkeling sprake is van een akoestisch aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Menselijk stemgeluid Uit jurisprudentie van de Raad van State blijkt dat het aspect stemgeluid ook kan worden beoordeeld aan de hand van VNG-handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (zie Uitspraak ABRvS d.d. 29 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1357). Er mag van uit worden gegaan dat het aspect stemgeluid (het geluid van spelende kinderen) relevant is voor een verblijfsrecreatieterrein en meegenomen is in de richtafstand (in dit geval 30 meter, zie paragraaf 4.3.2) voor dergelijke terreinen. Het is derhalve niet nodig om op dit punt akoestisch onderzoek uit te voeren of regels ter beheersing van het stemgeluid te stellen in dit bestemmingsplan.
Evenementen Ter beperking van de mogelijke overlast van activiteiten in het plangebied naar de omgeving is in artikel 9.2 bepaald dat in het plangebied geen evenementen georganiseerd mogen worden. Daarmee wordt voorkomen dat de omgeving hinder ondervindt van het geluid van een evenement alsmede van het geluid van verkeer van en naar het evenement. 4.6.3 Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het plan, toetsing van de geluidbelasting als gevolg van verkeersbewegingen op de Hageweg en de N59 laat geluidbelastingen zien die zich minimaal 7 dB onder de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder bevinden. Er is daarmee sprake van een goede ruimtelijke ordening.
4.7
Externe veiligheid
4.7.1 Toetsingskader Algemeen Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken,
41
namelijk: bedrijven waar opslag, gebruik en / of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen. In het externeveiligheidsbeleid wordt doorgaans onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken (dat wil zeggen vierentwintig uur per dag en gedurende het gehele jaar) en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar.
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een feitelijk bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als buitenwettelijke oriëntatiewaarde. Op grond van de provinciale Beleidsvisie externe veiligheid van de Provincie Zeeland (mei 2005) is bij ruimtelijke plannen geen uitgebreide verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk wanneer: a. de geplande (kwetsbare) objecten buiten het invloedsgebied liggen (dan is er geen groepsrisico), of b. het een enkel (kwetsbaar) object in een nagenoeg maagdelijke omgeving betreft (dan is het groepsrisico zeer laag), of c. het een enkel (kwetsbaar) object in een al zeer volle omgeving betreft, waardoor het effect op het groepsrisico marginaal is. Pas als de risicosituatie niet voldoet aan de hiervoor genoemde voorwaarden a, b of c, vereist de provincie een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico, waarbij aandacht wordt besteed aan de criteria zelfredzaamheid, beheersbaarheid en resteffecten. Voor een aantal categorieën van risicovolle inrichtingen is een standaardbenadering voor het omgaan met risico's voorgeschreven in het Bevi.
Deze benadering is uitgewerkt in een aantal veiligheidsafstanden die zijn opgenomen in de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). De categorieën van inrichtingen waarop het Revi van toepassing is, betreffen onder meer lpg-tankstations en opslagplaatsen voor gevaarlijke stoffen die voldoen aan de PGS 15 (Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen). Propaantanks van meer dan 13 m³ vallen onder de werkingssfeer van het Bevi. Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg en het water Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over weg, binnenwater en spoor gegarandeerd. Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen (snelwegen), hoofdwaterwegen (binnenwateren) en hoofdspoorwegen (enkele uitzonderingen daargelaten). Het Basisnet heeft als doel een evenwicht voor de lange termijn te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen, de bebouwde omgeving en de veiligheid van mensen die wonen of verblijven dicht in de buurt van de infrastructuur waar dit vervoer plaatsvindt. Het Basisnet stelt verder regels aan het vaststellen en beheersen van de risico's voor het vervoer van gevaarlijke stoffen
42
(vervoerskant). De wetgeving rondom het Basisnet, in werking getreden op 1 april 2015, bestaat onder andere uit: de Wet vervoer gevaarlijke stoffen; het Besluit externe veiligheid transportroutes; de Regeling Basisnet: hier staat waar risicoplafonds liggen langs transportroutes en welke regels gelden voor ruimtelijke ontwikkelingen. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Op het transport van risicovolle stoffen door buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. Het besluit werkt met een vaste norm voor het PR die in acht moeten worden genomen bij het vaststellen van een bestemmingsplan. Deze norm betreft de contour van het PR met kans 10-6. Binnen deze contour is de bouw van kwetsbare objecten geheel niet toegestaan. Daarnaast verplicht het Bevb tot het opnemen van een adequate bestemming van solitaire buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen in het bestemmingsplan. In elk geval dient de belemmeringenstrook op de verbeelding te worden weergegeven. Binnen deze belemmeringenstrook mogen geen nieuwe bestemmingen worden opgenomen die het oprichten van bouwwerken toestaan; met een afwijkingsbevoegdheid kan bouwen voor aanwezige positief bestemde functies worden toegestaan, mits het geen kwetsbare objecten betreft.
Het uitvoeren van werken en werkzaamheden binnen deze strook, dient aan een vergunningenstelsel te worden gekoppeld. In de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) is een verdere technische uitwerking gemaakt van onderdelen van het Bevb. In het Revb is onder andere de rekenmethodiek voor het beoordelen van het PR en het GR voorgeschreven. Op grond van artikel 12 van het Bevb dient het groepsrisico in het invloedsgebied van de buisleiding te worden verantwoord. Tussen een bestaand gasontvangstation (GOS) en nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gelden aan te houden veiligheidsafstanden volgens de Wet Milieubeheer. Afhankelijk van de inlaatdruk worden nadere eisen gesteld.
Betekenis voor het initiatief Recreatieterreinen zijn op grond van artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) kwetsbare objecten. Deze vallen namelijk binnen de categorie 'kampeer- en andere recreatieterreinen bestemd voor het verblijf van meer dan 50 personen gedurende meerdere aaneengesloten dagen'. 4.7.2 Toetsing Nabij het plangebied zijn de volgende risicobronnen aanwezig (zie figuur 4.4). Hierna wordt op deze risicobronnen ingegaan.
43
Figuur 4.4: ligging plangebied (paars omlijnd) tot risicobronnen (Bron: risicokaart in ArcGisPro)
Risicovolle inrichtingen Volgens de Risicokaart (Bron: risicokaart.nl, 20 december 2021) bevindt zich in de nabije omgeving van het plangebied één Bevi-inrichting: tank met propaan of ander vloeibaar gemaakt brandbaar gas op het terrein van Stacaravanpark Bruinisse (25 meter vanaf het hart van de tank tot aan grens voorliggend plangebied). De tank heeft een inhoud van 18 m3. Voor de propaantank geldt dat de indicatieve waarde voor de effectafstand bij een grote calamiteit 285 meter is. Binnen een straal van 45 meter van de bron geldt voor onbeschermde personen een letaliteit van 99% door warmtestraling. Indien een calamiteit op meer dan 45 meter plaatsvindt, hebben personen een kans een calamiteit te overleven. Het plangebied ligt zodoende binnen het invloedsgebied van de tank. De afstand van de tank tot de grens van voorliggend bestemmingsplan bedraagt 25 meter. De risicoafstand van de tank (PR 10-6) betreft 45 meter. De overlap met het plangebied vindt echter plaats bij de boerderij. Hier is op basis van het vigerende bestemmingsplan een bedrijfswoning en dienstverlening toegestaan. Binnen dienstverlening zijn ondersteunende horeca-activiteiten toegestaan, voor zover voorkomend in categorie 1a en 1b van de Staat van Horeca-activiteiten, en daarnaast is dienstverlening en detailhandel ten behoeve van het recreatiebedrijf toegestaan.
Voor de toekomstige situatie wordt deze situatie overgenomen. Zodoende is dus geen sprake van nieuwvestiging van een kwetsbaar object. De kortste afstand vanaf de tank tot aan een nieuw kwetsbaar object (nieuw te bouwen recreatiewoning) bedraagt 80 meter. Daar wordt dus voldaan aan de richtafstand (PR 10-6) van 45 meter. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de bovengrondse propaantank. Onder de kop 'beperkte verantwoording groepsrisico' wordt ingegaan op het groepsrisico en de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid bij een incident met de propaanktank.
44
Transportroutes (weg- en spoorweg) De rijksweg N59 ligt op circa 620 meter afstand van het plangebied. Dit traject, Bruinisse - afrit N257 (inclusief Grevelingendam), valt binnen het Basisnet Weg. Voor dit traject gelden de volgende effectafstanden, invloedsgebieden: voor LT2 (880 meter), voor LF3 (355 meter). Zodoende ligt het plangebied binnen het invloedsgebied voor wat betreft de stof LT2. De PR 10-6-contour ligt op de weg, en niet erbuiten. Zodoende is er vanuit PR geen belemmering. Er is bij de N59 geen sprake van een Plasbrandaandachtsgebied, zoals blijkt uit de Risicokaart. De afstand tussen de weg en het plangebied bedraagt meer dan 200 meter; een nadere beschouwing van het GR is dan ook niet nodig. Aangezien het plangebied wel binnen het invloedsgebied ligt van de N59, is conform artikel 7 van het Bevt een beperkte verantwoording van toepassing. Dit komt hierna aan bod.
Buisleidingen In de nabijheid van het plangebied zijn geen buisleidingen aanwezig.
Beperkte verantwoording Groepsrisico Vanuit het oogpunt van externe veiligheid is enkel het vervoer van gevaarlijke stoffen over de N59 relevant en de propaantank op een nabijgelegen recreatiepark.
De N59 Gezien de ligging van het plangebied tot de N59 (620 meter), is ingevolge artikel 7 van het Bevt een beperkte verantwoording van het groepsrisico van toepassing. Daarbij wordt voor wat betreft de N59 ingegaan op een toxisch scenario, aangezien de N59 op méér dan 200 meter van het plangebied ligt.
Hieronder worden elementen aangedragen voor de invulling van de verantwoordingsplicht door het bevoegd gezag. Deze elementen zijn afgeleid uit het Bevt en zijn tevens hierboven bij het toetsingskader omschreven, evenals in de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico. Ter verantwoording van het groepsrisico dienen, naast de hoogte van het groepsrisico, enkele kwalitatieve elementen beschouwd te worden: algemene beschouwing veiligheidssituatie, zelfredzaamheid, en bestrijdbaarheid. Hieronder wordt allereerst het scenario dat kan optreden, verduidelijkt.
Toxisch scenario Een toxisch scenario ontstaat wanneer een tankwagen lek raakt en toxische stoffen ontsnappen. Toxische vloeistoffen kunnen verdampen waardoor een gaswolk ontstaat die over de omgeving uit kan waaien. Bij een percentage personen zal letaal letsel optreden door blootstelling aan de gaswolk. Bij de toxische scenario's zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. De omvang, verplaatsingsrichting en verstrooiing van de gaswolk is mede afhankelijk van de weersgesteldheid op dat moment.
Zelfredzaamheid
45
Zelfredzaamheid is de mate waarin personen in staat zijn zichzelf (zonder hulp van buitenaf) in geval van een calamiteit in veiligheid te brengen. Het gewenste handelingsperspectief in geval van een calamiteit (schuilen en/of vluchten) is afhankelijk van het scenario. Gerichte risicocommunicatie met aanwezigen (bijvoorbeeld via NL-Alert) kan ertoe bijdragen dat alarmering van het gebied sneller verloopt. Hierbij dient aan te worden gegeven wat het gewenste handelingsperspectief is (schuilen of vluchten).
Mogelijkheden tot zelfredzaamheid bij een toxisch scenario Bij een calamiteit waarbij toxische gassen vrijkomen is zo snel mogelijk schuilen in een gebouw het voorkeurscenario. Bij een calamiteit met toxische gassen zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. Snel reageren, naar binnen vluchten en ramen en deuren sluiten is bij dit scenario dus van belang. Binnen het plangebied zijn in de toekomstige situatie meerdere vluchtroutes aanwezig die van de risicobron af zijn gericht (zie figuur 4.5). Onder de Omgevingswet dient een mechanisch ventilatiesysteem standaard te beschikken over een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld (artikel 4.124 Besluit bouwwerken leefomgeving).
Bestrijdbaarheid Bestrijdbaarheid is de mate waarin een rampscenario door de brandweer te bestrijden is. De verschillende scenario's vragen alle een ander aanvalsplan. De mate waarin uitvoering aan deze aanvalsstrategieën kan worden gegeven hangt af van de capaciteit van de brandweer (opkomsttijd en beschikbare blusmiddelen) en de bereikbaarheid van het plangebied (opstelplaatsen).
Mogelijkheden tot bestrijdbaarheid bij een toxisch scenario Bij een ongeval met toxische vloeistoffen kan de brandweer, afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water. De Veiligheidsregio heeft protocollen voor het bestrijden van deze scenario's.
De propaantank, en de bevoorrading met propaan Het plangebied 'Onze Hoeve' ligt binnen het invloedsgebied van de bovengrondse propaantank, die is gelegen op het naastgelegen Stacaravanpark Bruinisse. Voor het beschrijven van de externe veiligheid is aangesloten bij de informatie uit het Besluit kwaliteit leefomgeving dat 1 januari 2023 van kracht wordt. De tank heeft een inhoud van 18m². Uitgaande van een jaarlijkse doorzet van groter dan 300m³, bedraagt de afstand voor het plaatsgebonden risico 45 meter. De voorgenomen ontwikkeling vindt buiten deze afstand, maar ook buiten het brandaandachtsgebied van 60 meter plaats. Wel is de ontwikkeling gelegen binnen het explosie-aandachtsgebied, dat een straal van 160 meter heeft. De ontwikkeling is echter niet bestemd voor zeer kwetsbare gebouwen. Ten opzichte van de bestaande situatie neemt de personenbezetting beperkt toe. De locatie heeft voorheen een recreatiebestemming gehad, alleen doordat het gebruik nu meer weersonafhankelijk is, zal de personenbezetting over het jaar gezien toenemen.
Bestrijdbaarheid / Zelfredzaamheid De bovengrondse tank is warme-bleve-vrij opgesteld en goed bereikbaar voor hulpdiensten. Bij de tank en tankauto kan wel een 'koude bleve' optreden. Een 'koude' BLEVE is niet te bestrijden, omdat bij een
46
calamiteit met enkel brandbare gassen de calamiteit meteen plaatsvindt. Voor ontvluchting is geen tijd. In deze situatie is geen handelingsperspectief voorhanden in het geval deze calamiteit plaatsvindt. Overlevenden van de calamiteit dienen het plangebied te kunnen ontvluchten in verband met secundaire branden. Op de figuur 4.5 zijn de vluchtroutes (rode pijlen) aangegeven die operationeel zullen worden bij de oplevering van het bouwplan. Via deze vluchtroutes kan in meerdere richtingen van de tank worden afgevlucht. Geconcludeerd moet worden dat voldaan wordt aan de relevante veiligheidsnormen. Door de nieuwe ontwikkeling zal op jaarbasis sprake zijn van een gering hogere bezettingsgraad.
Figuur 4.5: vluchtroutes (rode pijlen) in het vlekkenplan. Oranje ovaal (linkerzijde figuur) is de propaank tank. 4.7.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid geen belemmering oplevert voor onderhavig bestemmingsplan.
47
4.8
Archeologie
4.8.1 Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Hiertoe wordt, naast de in ontwikkeling zijnde regelgeving en beleid, een economische factor toegevoegd. De kosten voor het zorgvuldig omgaan met het bodemarchief, dus de kosten voor inventarisatie, (voor)onderzoeken, bodemonderzoek en documentatie, worden door de initiatiefnemer betaald. 4.8.2 Toetsing In 2008 heeft de gemeente Schouwen-Duiveland het beleidsplan Archeologie vastgesteld (raadsvergadering van 28 februari 2008). Dit archeologiebeleid is voorzien van een gedetailleerde beleidskaart. Op de kaart is het plangebied aangewezen als 'onderzoeksgebied B'. Hier geldt dat het verrichten van archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij ontwikkelingen met een oppervlakte van meer dan 5.000 m² en waarbij bodemingrepen plaatsvinden met een diepte van meer dan 50 cm onder maaiveld plaatsvinden. Deze eis is als zodanig ook verwerkt in het vigerende bestemmingsplan 'Recreatieterreinen' (27 juni 2013), waar het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 7' heeft gekregen.
Om archeologische waarden die mogelijk in de bodem van het plangebied aanwezig zijn te beschermen, is de bovengenoemde dubbelbestemming in dit bestemmingsplan overgenomen als artikel 6 van de regels van dit bestemmingsplan. In dat artikel is onder meer bepaald dat er een omgevingsvergunning nodig is voor werken en werkzaamheden die een groter oppervlak dan 5.000 m2 beslaan of die bodemingrepen die meer dan 50 centimeter onder maaiveld met zich brengen. Een dergelijke omgevingsvergunning wordt alleen verleend als aangetoond is dat de voorgenomen ingrepen geen negatieve effecten hebben op archeologische waarden (hetzij door bescherming in situ, hetzij door bescherming ex situ). Om de consequenties van de beoogde ontwikkeling op de archeologische waarde van de bodem vast te stellen, zal nadere studie worden gedaan. 4.8.3 Conclusie Het aspect archeologie vormt, door het opnemen van een beschermende dubbelbestemming, geen belemmering voor voorliggend plan.
4.9
Cultuurhistorie
4.9.1 Toetsingskader Modernisering Monumentenzorg (MoMo) Per 1 juli 2011 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Als gevolg van MoMo wijzigt het Bro (artikel 3.6.1. lid 5, onder a). De volgende regel is dan kracht: In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.
48
De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (stede)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
Dit betekent dat voor gemeenten er de verantwoordelijkheid komt om cultuurhistorische waarden te betrekken bij de bestemmingsplannen en hierover verantwoording af te leggen in het bestemmingsplan. Dat kan op verschillende manieren en kan van het wettelijk verplichte minimum tot en met uitgebreid eigen beleid.
Provincie Zeeland Cultuurhistorie is - omdat het in belangrijke mate bepalend is voor de regionale identiteit - benoemd tot één van de omgevingskwaliteiten van Zeeland. Naast het vastleggen van de verschillende objecten zijn op de cultuurhistorische waardenkaart ook verschillende gebieden opgenomen met bijzondere cultuurhistorische waarden. De provincie benoemt op haar cultuurhistorische waardenkaart het Belvederegebied dat (grofweg) gelegen is tussen Brouwershaven, Zierikzee en Sirjansland. De provincie Zeeland geeft prioritair aandacht aan deze gebieden en heeft hier inpasbaarheidstrategieën voor opgesteld, afhankelijk van hun waarde en ontwikkelingsmogelijkheden. De strategieën zijn: behoud cultuurhistorische elementen en relicten; behoud door ontwikkeling en versterken van de samenhang; herkenbaarheid als voorwaarde voor inpassen nieuwe ontwikkeling. Daarnaast overweegt de provincie in het kader van de nota 'cultuurhistorie en monumenten' om cultuurhistorisch waardevolle provinciale ensembles aan te wijzen. Hierbij wordt gedacht aan ensembles die veelal gemeentegrensoverschrijdend en identiteitsbepalend zijn. Voorbeelden hiervan zijn de verdedigingslinies zoals de Staats Spaanse Linies.
Gemeentelijk monumentenbeleid Om cultuurhistorische bouwwerken binnen haar grondgebied te beschermen, zijn in het gemeentelijk monumentenbeleid drie categorieën 'monumenten' onderscheiden: de rijksmonumenten, de gemeentelijke monumenten en de beschermde stads- en dorpsgezichten. De rijksmonumenten worden beschermd in het kader van de 'Monumentenwet 1988'. De gemeentelijke monumenten worden voor wijziging of afbraak behoed middels voorschriften opgenomen in de gemeentelijke Erfgoedverordening. 4.9.2 Toetsing Historische (steden)bouwkunde In het plangebied is aan de Hageweg 1 een rijksmonument gelegen. Het betreft de Boerenhoeve 'Nooit Gedacht'. Dit is een vrijstaand woonhuis, gebouwd rond 1800. De woning heeft twee vensters aan elke zijde naast de voordeur, een oorspronkelijke roedenverdeling, luiken en twee dakvensters met vleugelstukken. Deze woning/boerderij blijft behouden; het zal op de verbeelding, net als in de huidige situatie, aangeduid worden als 'bedrijfswoning' en 'dienstverlening'. Verder is er geen historische waardevolle bebouwing in of rondom het plangebied aanwezig. Historische geografie Het plangebied is gelegen in de Bruinissepolder. Een van de oudere polders op Duiveland. De Bruinissepolder werd bedijkt in 1468.
In 1453 was het bedijkingsoctrooi voor het oostelijk deel van Duiveland al door hertog Philips van Bourgondië verleend aan Adriaan van Borssele, heer van
49
Brigdamme. Door het opdringen van het Zijpe hebben zich aan het eind van de 18e eeuw verschillende dijkdoorbraken voorgedaan. Ook vonden inundaties van de polder plaats in 1530, 1532, 1570, 1682 en 1953. Als gevolg van de herinrichting na 1953 is het landschap van de polder sterk veranderd: de relatief kleinschalige historische verkaveling is geheel verdwenen, terwijl ook het waterpatroon ingrijpend gewijzigd is. De gronden van het plangebied zijn reeds in gebruik ten behoeve van verblijfsrecreatieve doeleinden. De omgeving van het plangebied is ook reeds lange tijd bebouwd. Zoals eerder beschreven is het landschap van het plangebied ingrijpend gewijzigd bij de realisatie van het huidige kampeerterrein. De boskamers die toen ontstaan zijn, komen terug in de structuur van het nieuwe ontwerp maar zijn niet cultuurhistorisch waardevol. De cultuurhistorische waarde van het plangebied wordt derhalve niet aangetast. 4.9.3 Conclusie Het oorspronkelijke landschapspatroon in het plangebied en dat van de omgeving is reeds ingrijpend gewijzigd als gevolg van de ontwikkeling van het plangebied en omgeving tot recreatiepark. In het plangebied zijn derhalve geen cultuurhistorisch waardevolle structuren of elementen meer aanwezig. De rijksmonumentale boerderij 'Nooit Gedacht' behoudt in de nieuwe situatie zijn functie als bedrijfswoning en locatie voor dienstverlening.
Het rijksmonument geniet, zoals ieder rijksmonument, bescherming tegen ingrepen die de monumentale waarde aan kunnen tasten. Aanvragen om een omgevingsvergunning voor ingrepen aan een rijksmonument worden getoetst door de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed. Het opnemen van beschermende regels in dit bestemmingsplan is derhalve niet noodzakelijk. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit initiatief.
4.10
Bodem
4.10.1 Toetsingskader Milieuhygiënische bodemkwaliteit Het landelijk beleid gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie, de bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem. Voor alle bestemmingen waar een functiewijziging of herinrichting wordt voorzien, dient de bodemkwaliteit door middel van een bodemonderzoek in beeld te worden gebracht.
Een belangrijk basis vormt de Wet bodembescherming (Wbb) en daarnaast zijn het Besluit bodemkwaliteit en de Waterwet van toepassing. Het doel van de Wbb is om te voorkomen dat nieuwe gevallen van bodemverontreinigingen ontstaan. Voor bestaande bodemverontreinigingen is aangegeven in welke situaties (omvang en ernst van verontreiniging) en op welke termijn sanering moet plaatsvinden. Hierbij dient de bodemkwaliteit tenminste geschikt te worden gemaakt voor de functie die erop voorzien is, waarbij verspreiding van verontreiniging zoveel mogelijk wordt voorkomen. Het Besluit bodemkwaliteit omvat de regels rond grondverzet, bouwstoffen en een stuk kwaliteitsborging.
Aardkundige waarde Ten aanzien van de aardkundige waarde richt het gemeentelijk beleid zich op het versterken van de plaatselijke landschapskwaliteiten. Dit kan door aardkundige patronen een zichtbare rol te laten spelen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Doorsnijding en versnippering van het landschap moet zo veel mogelijk worden voorkomen.
50
Er is geen landelijke wetgeving met betrekking tot aardkundige waarden. In de provincie Zeeland en in de gemeente zijn de aardkundige waarden opgenomen in het Omgevingsplan Provincie Zeeland 2018 en het bodembeleidsplan.
Bodemenergie Bodemenergie is het gebruik van de bodem als energiebron of voor de opslag van energie (warmte/koude). In de meeste gevallen wordt er gebruik gemaakt van warmtekoude-opslagsystemen (WKO). Dit deels is geregeld in het Besluit bodemenergie. Het Besluit bodemenergie schrijft onder andere voor dat een nieuw systeem gemeld moet worden, een bestaand systeem niet mag hinderen en dat de systemen door een erkend bedrijf moeten worden aangelegd. Bodemenergiesystemen mogen niet in grondwaterbeschermingsgebieden worden aangelegd. Voor de gesloten systemen geldt een meldingsplicht. Open systemen en grote gesloten systemen (>70kW) zijn vergunningsplichtig onder de Waterwet. De gemeente Schouwen-Duiveland beschikt over een kansenkaart bodemenergie. Voor het opsporen en winnen van delfstoffen of aardwarmte is een vergunning nodig van de Minister van Economische Zaken (artikel 6 van de Mijnbouwwet). Tevens is een omgevingsvergunning nodig.
Niet gesprongen explosieven (NGE) De potentiële aanwezigheid van niet gesprongen explosieven kan een bedreiging in houden bij grondroerende werkzaamheden en kan tot vertraging in de planvorming en - uitvoering leiden. De gemeente beschikt over NGE-beleid. Dit beleid is opgesteld op basis van een historisch onderzoek, ooggetuigenverklaringen en eerdere vondsten. Afhankelijk van de toekomstige ontwikkeling wordt getoetst of een vervolgonderzoek nodig is. Daar waar het huidige grondgebruik wordt gecontinueerd is geen sprake van een verhoogd risico en is vervolgonderzoek of opsporing niet noodzakelijk.
Trillingen Bij het opstellen van ruimtelijke plannen is het aspect trillingen een aandachtspunt in de afwegingen. De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening, waarin de zorg voor een goede ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Daarvoor is het nodig om mogelijke trillingshinder in kaart te brengen en deze te betrekken in de beoordeling. Dit is mogelijk met behulp van de SBR-richtlijn "Meet- en beoordelingsrichtlijnen voor trillingen". Trillingshinder wordt beoordeeld aan de hand van het maximaal optredende trillingsniveau en het gemiddeld trillingsniveau. Voor een aantal typen trillingen en verschillende gebouwfuncties (wonen, onderwijs en dergelijke) staan in de richtlijn grens- en streefwaarden voor maximaal optredende trillingsniveaus en gemiddelde trillingsniveaus. In de beoordeling van trillingshinder moet in het algemeen onderscheid worden gemaakt naar bestaande, te wijzigen of gewijzigde en nieuwe situaties. Bij bestaande situaties moet het bestaande trillingsniveau worden geaccepteerd en kunnen aan de veroorzaker normaal gesproken geen (aanvullende) eisen worden opgelegd. Voor te wijzigen situatie is het uitgangspunt dat de gewijzigde situatie geen overschrijding van de grens- of streefwaarden mag opleveren. Indien er al sprake was van overschrijding geldt dat de situatie niet mag verslechteren.
Ten slotte geldt voor nieuwe situaties dat de grens- of streefwaarden niet zouden mogen worden overschreden. In de laatste twee situaties zal het aanwezige trillingsniveau vooraf moeten worden vastgesteld.
51
4.10.2 Toetsing Milieuhygienische bodemkwaliteit Op twee plekken binnen het plangebied is voorheen bodemonderzoek uitgevoerd: ter plaatse van het meest oostelijk gelegen parkeerterrein (perceel H1547 en H1548, in 2007) en rondom de boerderij (in 2005). Na de onderzoeken heeft op beide plekken sanering plaatsgevonden. Zodoende is daar geen sprake van verontreiniging. Voor het overige deel van het plangebied zijn geen verontreinigingen bekend. Op de bodemkwaliteitskaart (Marmos Bodemmanagement, 2018) is te zien dat zowel de boven- als de ondergrond van het plangebied voldoet aan Achtergrondwaarde. Grond die voldoet aan Achtergrondwaarde is duurzaam geschikt voor elk bodemgebruik en wordt aangeduid als schone of niet verontreinigde grond. Verontreinigingen elders in het plangebied worden dan ook niet verwacht. De gronden zijn in de huidige situatie reeds bestemd als 'Recreatie - kampeerterrein', en zullen in de beoogde situatie een recreatiebestemming houden (dan als 'Recreatie - Recreatiewoning'). Er is geen sprake van een wijziging naar een functie die hogere eisen stelt aan de bodemkwaliteit, zoals van 'Groen' naar 'Wonen'. Aangezien door de herontwikkeling geen sprake is van een functiewijziging, is bodemonderzoek ten behoeve van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet nodig.
Wel dient op grond van het Bouwbesluit 2012 bij aanvraag om een omgevingsvergunning voor de bouw en het gebruik van recreatiewoningen aangetoond te worden dat de bodem geen verontreiniging bevat. Hiermee is geborgd dat de bodemkwaliteit geen risico's met zich mag brengen als het plangebied daadwerkelijk als recreatiewoningterrein gebruikt gaat worden.
Aardkundige waarden Op basis van de aardkundigewaardenkaart van de provincie Zeeland (bron: Zeeuws bodemvenster) zijn binnen het plangebied geen aardkundige waarden van provinciaal-, nationaal- of internationaal niveau aanwezig.
Bodemenergie Binnen het plangebied zal in de toekomstige situatie géén gebruikgemaakt worden van bodemenergiesystemen.
Niet gesprongen explosieven (NGE) Op de beleidskaart van de gemeente (versie mei 2020, figuur 4.5) is te zien dat het overgrote deel van het plangebied niet is gekleurd (lage kans van aantreffen conventionele explosieven). De oostelijke rand van het plangebied ligt tegen 'geel' gebied aan (verlaagde kans van aantreffen conventionele explosieven). De niet-gekleurde gebieden worden gekenmerkt door geen oorlogshandelingen, geen sprake van opsporingswerkzaamheden met uitkomst, en ruimingen. In deze gebieden worden geen extra maatregelen getroffen. Bij gebieden met een verlaagde trefkans geldt op basis van de gemeentelijke 'Beleidsnota conventionele explosieven (CE)' dat toetsing plaatsvindt op basis van de geplande ontwikkeling met verhoogde kans, met de wetenschap dat in deze gebieden reeds veel ontwikkelingen na WO II hebben plaatsgevonden. Bij gebieden met een verhoogde kans van aantreffen zal altijd een afweging gemaakt moeten worden op basis van de ontwikkeling (historie, diepte van de grondroering, soort gevechtshandelingen, oppervlakte enzovoorts). Hierbij is sprake van maatwerk.
52
Aan de oostzijde van het plangebied is in de huidige situatie een parkeerterrein en groen (bomen, gras) aanwezig. De gronden zijn zodoende in het verleden reeds geroerd. Hoewel ten behoeve van de sloop van bestaande opstallen en de bouw van de nieuwe recreatiewoningen ook grondwerkzaamheden zullen plaatsvinden, is het niet aannemelijk dat vondsten worden aangetroffen, aangezien de gronden in het verleden reeds zijn geroerd. Om de kans op aantreffen van CE niet uit te sluiten moet voor beide bovengenoemde (niet gekleurde en gele gebieden), bij grondverzet, bouwwerkzaamheden en/of infrastructurele werkzaamheden, het protocol 'Toevalstreffer CE uit de Tweede Wereldoorlog' gevolgd worden (zie bijlage 3 van de hierboven genoemde nota). Tot slot wordt opgemerkt dat het milieuaspect NGE geen ruimtelijk relevant milieuthema is, maar in het kader van arboregelgeving relevant is. Als de uitvoerder zich houdt aan het bovengenoemde protocol, is voor dit bestemmingsplan geen sprake van belemmeringen vanuit het aspect NGE.
Figuur 4.5: plangebied (paars omlijnd) op de beleidskaart NGE van de gemeente Schouwen-Duiveland (versie mei 2020)
Trillingen Bij voorliggende ontwikkeling is sprake van een te wijzigen situatie: de bestaande camping wordt getransformeerd tot een recreatiepark, waarbij er sprake blijft van recreatief gebruik van het plangebied. Zoals bovenstaand beschreven is het uitgangspunt bij een te wijzigen situatie dat de gewijzigde situatie geen overschrijding van de grens- en streefwaarden opleveren. Het plan leidt tot een verkeersafname en reduceert daarmee de trillingshinder als gevolg van wegverkeer (zie paragraaf 4.2). Daarnaast is geen sprake van een aanzienlijke toename aan zwaar verkeer dat tot trillingshinder kan leiden. Zodoende is geen sprake van een verslechtering ten opzichte van de huidige situatie. Vanuit de omgeving beredeneerd, wordt gesteld dat de toekomstige recreatiewoningen niet meer trillingsgevoeliger zijn dan de standplaatsen en recreatiewoningen, zoals die in de huidige situatie zijn toegestaan. Zodoende vormt het aspect trillingen, bekeken vanuit de omgeving naar het plangebied, ook geen belemmering voor het plan.