CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

751960 Bijlage 3 ruimtelijke onderbouwing

Gemeenteraad 16 februari 2023, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: RVS Ontwerp verklaring van geen bedenkingen Rijksweg 19 en 21 Nieuwerkerk (751960)28.787 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Niet gesprongen explosieven De potentiële aanwezigheid van niet gesprongen explosieven (conventionele explosieven) kan een bedreiging in houden bij grondroerende werkzaamheden en kan tot vertraging in de planvorming en - uitvoering leiden. De gemeente beschikt over een inventarisatie van niet gesprongen explosieven op een signaleringskaart, opgesteld door historisch onderzoek, ooggetuigenverklaringen en eerdere vondsten. Wanneer er ontwikkelingen plaatsvinden in een aandachtsgebied kan een toetsing op niet gesprongen explosieven worden uitgevoerd. De ontwikkeling niet in een verdacht gebied plaats met betrekking tot NGE's, waardoor onderzoek hiernaar niet benodigd is.

4.4

Cultuurhistorie Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. Als uitwerking van het aspect cultuurhistorie heeft de gemeente Schouwen-Duiveland op 25 oktober 2012 de nota 'Integraal erfgoedbeleid 2012-2018: De schatkamer van Schouwen-Duiveland' vastgesteld. Het adagium dat het erfgoedbeleid kenmerkt is ‘behouden, beleven, benutten’.

In de nota wordt aangehaald dat, in het kader van de wettelijke plicht, in Schouwen-Duiveland het aspect cultuurhistorie actief wordt opgenomen in bestemmingsplannen. De nota beschrijft het totale erfgoedbeleid op hoofdlijnen. Vanuit deze visie wordt een actieplan uitgevoerd dat er zorg voor draagt dat cultuurhistorische waarden in de gemeente inzichtelijk worden gemaakt. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in het bieden van onder meer een juridisch-planologische kader voor het amoveren van de oude cichoreifabriek en deze te vervangen door nieuwbouw. In bijlage 4 is een beoordeling van de cultuurhistorische waarde van de cichoreifabriek opgenomen. De bestaande bebouwing heeft geen bescherming vanuit rijk, provincie of gemeente, maar wel historische waarde. Behoud van de bebouwing is echter (te) kostbaar, zodat

24

Ruimtelijke onderbouwing ‘Rijksweg 19 en 21 te Nieuwerkerk’

met instemming van gecombineerd welstands- en monumentencommissie nieuwbouw kan en mag worden geplaagd. Teneinde echter de cultuurhistorische waarde, voor zowel de huidige als toekomstige generaties te behouden, worden de oorspronkelijke elementen, waaronder een weergave van de meestoof, in een paviljoen, vormgegeven in skeletbouw als de oorspronkelijke cichoreifabriek, onder gebracht. Dit paviljoen wordt op het terrein, naast de nieuwe bedrijfsbebouwing gerealiseerd en zal voor een ieder, met name fietsers, toegankelijk zijn. Hierdoor worden als gevolg van het planvoornemen geen cultuurhistorisch waardevolle elementen geschaad. Integendeel; door de historische elementen op het perceel de voormalige cichoreifabriek te plaatsen, zal dit de beleving en informatie versterken en ontstaat als het ware een openluchtmuseum. Hiermee is bij voorliggend voornemen optimaal, zowel ruimtelijk als functioneel, rekening gehouden met de historische waarden in/nabij het projectgebied. 4.5

Archeologie Het archeologisch erfgoed wordt binnen Nederland als zeer waardevol beschouwd. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WaMZ) legt de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het archeologische erfgoed bij de gemeente. Zo verplicht de WaMZ om bij de vaststelling van een bestemmingsplan of bij afwijking daarvan rekening te houden met in de bodem aanwezige of te verwachten archeologische waarden. De feitelijke bescherming daarvan krijgt gestalte door het opnemen van regels in het bestemmingsplan ten aanzien van de afgifte van omgevingsvergunningen in die gebieden die als archeologisch waardevol zijn aangemerkt. Binnen het kader van de Erfgoedwet (juli 2016), voortvloeiend uit het Verdrag van Malta uit 1992, is men verplicht bij ontwikkelingen voorafgaand archeologisch onderzoek uit te voeren. Het gemeentelijk archeologiebeleid is vastgelegd in de ‘Beleidsplan Archeologie’ (2008), alsmede de daarbij behorende archeologische beleidskaart. Met dit beleidsplan en bijbehorende kaart heeft de gemeente een instrument in handen op basis waarvan zij op een verantwoorde manier met haar archeologische waarden kan omgaan. De gemeente kan daarmee, indien wenselijk, gemotiveerd van de landelijke en provinciale richtlijnen afwijken en een eigen visie op het archeologisch landschap ontwikkelen.

In het gemeentelijke Beleidsplan Archeologie is voor het gehele eiland vastgelegd welke archeologische verwachtingswaarden er zijn. Hieraan zijn beleidsadviezen gekoppeld die als basis dienen voor de voorwaarden bij op te stellen bestemmingsplannen. Er wordt daarbij onderscheid gemaakt in verschillende gebiedstypen, van archeologische monumenten tot gebieden waar geen enkele archeologische verwachtingswaarde is. Voor ieder gebiedstype gelden eigen uitgangspunten, randvoorwaarden en drempelwaarden. Het projectgebied ligt volgens de Beleidskaart Schouwen-Duiveland in onderzoeksgebied A (50 cm en 2.500 m²). Archeologisch (voor)onderzoek is dus noodzakelijk indien je dieper verstoort dan 0,50 m-mv én de plannen een oppervlakte beslaan die groter is dan 2.500 m². De oppervlakte van de nieuwbouw blijft ruim onder de vrijstellingsgrens en de gronden worden verder niet dieper geroerd dan 0,50 m -mv. Hiermee vormt het aspect ‘Archeologie’ geen belemmering voor de uitvoering van het voorgenomen project.

4.6

Water Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan

25

Ruimtelijke onderbouwing ‘Rijksweg 19 en 21 Nieuwerkerk’

het ruimtegebruik. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Water vormt een steeds belangrijker aspect bij ontwikkelingen op onder meer het gebied van woningbouw en bedrijventerreinen. Belangrijke thema's zijn: - het vasthouden in plaats van direct afvoeren van hemelwater; - het hergebruik van water; - het zuinig omgaan met drinkwater; - het beperken van de onttrekking van grondwater. Het is dan ook verplicht om bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de toelichting van een bestemmingsplan aan te geven op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. In de Startovereenkomst Waterbeleid 21e eeuw tussen rijk, provincies, waterschappen en gemeenten (d.d. 14 februari 2001) is overeengekomen dat vanaf de ondertekening van deze overeenkomst op alle voor de waterhuishouding relevante nieuwe ruimtelijke plannen een zogenaamde watertoets uitgevoerd dient te worden. Concreet betekent de invoering van de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.6 lid 1, sub b Bro. Dit hoofdstuk kan als waterparagraaf worden beschouwd. In artikel 3.1.1.

van het Bro is vastgelegd dat bij het opstellen van het bestemmingsplan overleg dient plaats te vinden met de waterbeheerder. Water dient in een zo vroeg mogelijk moment in de planvorming te worden meegenomen. Bij voorkeur in de initiatieffase. De gemeente is in principe verantwoordelijk voor de omgang met hemelwater in het stedelijke gebied, maar legt wel meer verantwoordelijkheid bij de perceeleigenaar. Pas wanneer men zich niet redelijkerwijs van het hemelwater kan ontdoen is de gemeente gehouden aan het treffen van maatregelen (Waterwet, art. 9a). De gemeente zal beoordelen wat zij in dit verband redelijkerwijs van de perceeleigenaar mag vragen. Daarbij moet rekening worden gehouden met de gewenste voorkeursvolgorde voor de omgang met hemelwater. Teneinde de omgang met het water bij het planvoornemen te beschrijven, is de watertoetstabel opgesteld. In de watertoetstabel zijn voor de diverse relevante waterthema's de waterdoelstellingen van het waterschap weergegeven, met daarbij de uitwerking van deze doelstellingen voor de onderhavige locatie. Het Waterschap Scheldestromen en Rijkswaterstaat hebben aan de hand van de watertoetstabel een advies gegeven. Er is aan de hand van de criteria uit de Handreiking watertoets van het Waterschap Scheldestromen nagegaan of het voorliggende plan strijdig is met de waterdoelstellingen c.q. noodzaakt tot waterhuishoudkundige maatregelen.

Hierna wordt per thema ingegaan op de wateraspecten. Thema

Waterdoelstelling

Toetsing

Veiligheid/

Waarborgen veiligheidsniveau en daar- Het projectgebied ligt niet binnen kern en/of beschermingszo-

Waterkering

voor benodigde ruimte.

nes en/of transportroutes gevaarlijke stoffen over water. Het aspect veiligheid/waterkering is derhalve niet aan de orde.

26

Ruimtelijke onderbouwing ‘Rijksweg 19 en 21 te Nieuwerkerk’

Wateroverlast (vanuit Voldoende ruimte voor vasthouden/ In de huidige situatie is het projectgebied grotendeels verhard. oppervlaktewater)

bergen/afvoeren van water. Vergroten Er vindt nieuwbouw ten behoeve van de bedrijfsvoering plaats van de veerkracht van het watersys- en verwacht wordt dat een gedeelte van het onbebouwde perteem.

ceel wordt voorzien van verhardingen t.b.v. parkeren. Hierbij worden alle parkeerplaatsen met grastegels, waterdoorlatend, aangelegd. De totale hoeveelheid verhard oppervlak neemt in beginsel daarbij in totaal 562 m² toe. Op basis hiervan dient 42 m³ respectievelijk 105 m² aan water te worden gecompenseerd. De watercompensatie vindt plaats langs een tertiaire waterloop aan de zuidkant van het perceel. Hiertoe dient een watervergunning te worden aangevraagd. Overlast (inundatie) vanuit oppervlaktewater wordt dan ook niet verwacht. Het voornemen zal dan ook geen negatieve effecten hebben op dit aspect van de waterhuishouding.

Watervoorziening/

- Het voorzien van de bestaande functie Binnen het projectgebied zal het schone hemelwater (zoge-

aanvoer

van (grond- en/of oppervlakte-)water naamde hemelwaterafvoer; HWA) niet op het vuilwater (zogevan de juiste kwaliteit water en de juiste naamde droogweerafvoer; DWA) worden aangesloten maar hoeveelheid op het juiste moment. Het separaat binnen de plangrenzen worden verwerkt conform de tegengaan van nadelige effecten van uitgangspunten van de waterbeheerder en de gemeente. veranderingen in ruimtegebruik op de Het hemelwater wat op verharde oppervlakten neerkomt kan behoefte aan water.

afvloeien naar de onverharde terreindelen en ter plaatse op natuurlijke wijze in de bodem infiltreren. Eventueel kan het hemelwater worden opgevangen en hergebruikt m.n. voor toiletspoeling in het sanitair gebouw. Het afvalwater zal aangesloten worden op het bestaande rioolstelsel/drukriool.

Volksgezondheid

Minimaliseren risico water gerelateerde Er is geen sprake van (extra) open water binnen het project-

(water gerelateerd)

ziekten en plagen. Voorkomen van ver- gebied. drinkingsgevaar/-risico’s via o.a. de daarvoor benodigde ruimte.

Riolering/RWZI (incl.

Afkoppelen van (schone) verharde op- Er is slechts sprake van hemelwater. De afvoer hiervan zal

water

op pervlakken i.v.m. reductie hydraulische rechtstreeks aangesloten moeten worden naar het oppervlak-

straat/overlast)

belasting RWZI en transportsysteem tewater (sloot aan de noordzijde). Als dat niet verantwoord is met beperken overstorten. Rekening (geen goede afvoer/ zaksloot) dan is hergebruik nog noodzahouden met (eventuele benodigde fil- kelijker. Als laatste optie zal het gescheiden aangeboden ter)ruimte daarvoor.

moeten worden op het bestaande (gemengde) systeem. Geen gebruik zal worden gemaakt van uitloogbare materialen.

Bodemdaling

Voorkómen van maatregelen die (extra) Het peilregiem van het projectgebied is afgestemd op bemaaiveldsdalingen met name in zet- bouwd gebied. Voor de beoogde ontwikkeling wordt het protingsgevoelige gebieden kunnen ver- jectgebied niet opgehoogd of verlaagd. Bodemdaling zal niet oorzaken.

optreden.

Grondwater

Tegengaan/Verhelpen van grondwater- Bij nieuwe plannen dient de in de Verordening Waterhuishou-

Overlast

overlast

ding Zeeland opgenomen richtlijn voor de ontwateringsdiepte minimaal 70 cm beneden het maaiveld aangehouden te worden. De grondwaterstand hoeft niet te worden aangepast.

27

Ruimtelijke onderbouwing ‘Rijksweg 19 en 21 Nieuwerkerk’

Oppervlakte

Behoud/Realisatie van goede water- De beoogde uitbreiding heeft geen negatieve invloed op de

waterkwaliteit

kwaliteit voor mens en natuur

oppervlaktewaterkwaliteit. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van het oppervlakte- en grondwater worden duurzame, niet-uitloogbare materialen gebruikt, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.

Grondwater

Behoud/Realisatie van goede water- Er wordt geen water de grond ingebracht en daarom heeft de

Kwaliteit

kwaliteit voor mens en natuur

beoogde ontwikkeling geen nadelige gevolgen voor de waterkwaliteit. Er wordt niet gebouwd in een natuurgebied, (specifiek daarvoor bedoelt) infiltratiegebied en/of gebied voor drinkwatervoorziening. Daarnaast ligt het projectgebied niet in een grondwaterbeschermingsgebied.

De

grondwaterkwaliteit

wordt door de ontwikkeling van het planvoornemen niet negatief beïnvloed. Verdroging

Bescherming karakteristieke grondwa- De locatie ligt in een aangewezen bufferzone langs de bosgeterafhankelijke ecologische waarden; bieden ten zuiden en ten oosten van het projectgebied. Er is m.n. van belang in/rond natuurgebie- geen sprake van het onttrekken van grondwater of het infiltreren den (voor hydrologische beïnvloedings- van grondwater met als doel het later weer op te pompen in het zone zie provinciaal omgevingsplan)

Natte Natuur

Ontwikkeling/Bescherming

van

projectgebied.

een Er bevindt zich geen natte natuur in of nabij het projectgebied.

rijke gevarieerde en natuurlijk karakte- De bestaande natuurwaarden worden niet aangetast. Er zijn ristieke aquatische natuur.

daarom geen bijzondere maatregelen te treffen.

Onderhoud(mogelijk-

Oppervlaktewater dient adequaat on- Het projectgebied wordt aan alle zijden begrensd door een

heid) waterlopen

derhouden te worden.

sloten, waar ingevolge de Keur Waterschap Zeeuwse Eilanden onderhoudsstroken van 5 meter langs deze sloten moeten worden gevrijwaard van bebouwing.

Waterschapswegen

Binnen het projectgebied komen geen Er liggen geen waterschapswegen binnen of nabij het projectwaterschapswegen voor

gebied.

Scheepvaart

en/of Goede bereikbaarheid en in stand hou- Er is sprake van een verkeersaantrekkende werking van het

wegbeheer

den van veilige vaarwegen en wegen in planvoornemen. Een toevoeging van verkeer op het bebeheer en onderhoud bij Rijkswater- staande wegennet wordt gevormd door normale verkeersinstaat, de provincie en/of het water- tensiteiten behorende bij een bedrijfsmatige functie en beroep schap.

aan huis. De capaciteit van het bestaande wegennet komt hiermee geenszins onder druk te staan. Parkeergelegenheid voor alle functies wordt op eigen terrein gerealiseerd.

Het Waterschap Scheldestromen heeft per e-mail d.d. 21 november 2022 laten weten akkoord te zijn met de watertoetstabel, zoals hiervoor opgenomen. 4.7

Ecologie/flora en fauna Bij elk ruimtelijk plan moet, met het oog op beschermenswaardige natuurwaarden, rekening worden gehouden met de regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming en soortenbescherming. Dit wordt geregeld in de Wet natuurbescherming die op 1 januari 2017 in werking is getreden. Gebiedsbescherming Eén van de belangrijkste kaders voor gebiedsbescherming wordt sinds 1 januari 2017 gevormd door de Wet natuurbescherming. Deze wet regelt de bescherming van gebieden die als Natura

28

Ruimtelijke onderbouwing ‘Rijksweg 19 en 21 te Nieuwerkerk’

2000-gebied zijn aangewezen. Wanneer in of in de directe nabijheid van een dergelijk gebied een activiteit plaatsvindt die leidt tot nadelige gevolgen voor het natuurgebied, dan dient hiervoor een vergunning te worden aangevraagd. Daarnaast bestaan gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur); die gebieden worden beschermd via het ruimtelijk ordeningsrecht (Barro en/of provinciale structuurvisies). Het NNN is in Zeeland uitgewerkt in het Natuur Netwerk Zeeland (NNZ). Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming Ook het aspect ’soortbescherming’ vindt sinds 1 januari 2017 zijn wettelijk kader in de Wetnatuurbescherming; deze wet beschermt de in deze wet aangemerkte soorten planten en dieren, ongeacht waar die zich bevinden. Om de instandhouding van de beschermde soorten te waarborgen moeten negatieve effecten op de instandhouding worden voorkomen. Hiertoe zijn in de wet verschillende verbodsbepalingen geformuleerd en zijn de soorten onderverdeeld in twee groepen: - strikt beschermde soorten, volgend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; - alle overige beschermde soorten, waaronder die uit de Rode Lijst. De provincie kan ontheffing verlenen van de verboden voor overige soorten.

In de provincie Zeeland geldt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en bestendig beheer en onderhoud een vrijstelling voor een groot deel van de “overig” beschermde soorten. Het betreft: aardmuis, bastaardkikker/middelste groene kikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos en woelrat. Dit betreft de meest algemene soorten amfibieën en zoogdieren. Voor de Europees beschermde soorten (Vogel- en Habitatrichtlijn) is er geen beleidsruimte en is de bescherming onveranderd. Toetsing Quickscan flora en fauna Door Buijs Eco Consult B.V. is op 21 februari een ‘Quickscan Wet natuurbescherming Rijksweg 19/21 Nieuwerkerk’’ uitgevoerd. In de onderstaande tekst is een samenvatting van de rapportage weergeven. In bijlage 5 is het gehele onderzoek opgenomen. Gebiedsbescherming, Stikstofdepositie De realisatie van dit plan zorgt voor de emissie van stikstof doordat de bouwactiviteiten verkeersbewegingen genereren en er (mobiele) werktuigen voorzien van verbrandingsmotoren op de bouwplaats in werking zijn.

Na realisatie van dit plan zijn als emissiebronnen relevant: - de verkeersbewegingen die als gevolg van dit plan worden gegenereerd; en - eventuele verbrandingsinstallaties die worden gebruikt om het pand te verwarmen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied is gelegen op ongeveer 6 kilometer afstand en betreft het gebied Oosterschelde. Gezien de afstand van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natura 2000 gebied en de lokale aard van de geplande maatregelen kan er van uit worden gegaan dat deze geen directe invloed hebben op het Natura 2000 gebied. Bij ontwikkelingen nabij Natura 2000 gebieden dient er echter ook gekeken te worden naar externe effecten. Met behulp van de Aerius Calculator, welke als bijlage 6 aan deze onderbouwing is gehecht, is er berekend wat de

29

Ruimtelijke onderbouwing ‘Rijksweg 19 en 21 Nieuwerkerk’

stikstofdepositie van de beoogde toekomstige situatie is. Uit het resultaat van de berekening en de rapportage (bijlage 1) blijkt, dat geen sprake is van een overschrijding van de kritische depositiewaarde (KDW) van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied. Hieruit wordt geconcludeerd, dat de beoogde ontwikkeling wordt uitgezonderd van vergunningplicht. De onderzoekslocatie ligt voorts niet binnen de begrenzing van het Natuur Netwerk Zeeland (NNZ). Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich op circa 600 meter ten westen van het projectgebied. Gezien de afstand en de zeer lokale invloed van de maatregelen kan worden gesteld, dat de voorgenomen ontwikkeling geen invloed heeft op het functioneren van het NNZ, omdat wezenlijke kenmerken niet worden aangetast of veranderd. Tussen het natuur- en project liggen immers weilanden/akkers waar verder geen bomen en/of hoge begroeiing aanwezig is. Het projectgebied is verder rondom voorzien van een landschappelijke inpassing waardoor deze in beperkte mate zichtbaar is vanuit de omgeving. Het projectvoornemen heeft daarmee geen effect op de natuurwaarden van het NNZ. Soortenbescherming De geplande ruimtelijke ontwikkelingen hebben mogelijk een negatief effect op grondgeboden zoogdieren zoals de egel, veldmuis, mol en bruine rat, vleermuizen, huismussen en gierzwaluwen.

Omdat de aanwezigheid van deze soorten niet kon worden uitgesloten is geadviseerd om vooruitlopend mitigerende maatregelen te treffen en voor deze soorten vervolgonderzoeken uit te voeren om zo een overtreding van de Wet Natuurbescherming te voorkomen. Deze vervolgonderzoeken zijn reeds uitgevoerd. Het nadere onderzoek is als bijlage 7 aan deze onderbouwing gehecht. Kort samengevat luiden de conclusies als volgt: - Gewone dwergvleermuis, Laatvlieger en grootoorvleermuis: In de bebouwing aan de Rijksweg 21 is een kraamkolonie van gewone dwergvleermuis op twee verschillende locaties binnen het pand aangetroffen evenals 2 zomer-/paarverblijven voor deze soort. Het overwinteren van deze soort kan niet worden uitgesloten. Daarnaast maakt minimaal 1 laatvlieger gebruik van het gebouw als zomerverblijf. Naast gewone dwergvleermuis en laatvlieger maken minimaal 3 tot maximaal 10 grootoorvleermuizen gebruik van het pand om te baltsen, paren en mogelijk overwinteren. Het aanwezige groen is essentieel voor o.a. de gewone dwergvleermuis om tijdens het vleermuisactief seizoen te foerageren. - Huismus: Er broeden onder het pannendak acht paar huismussen, de hagenstructuur en het aanwezige groen is essentieel voor de populatie huismussen. Concreet betekent dit dat voor het slopen van de opstallen een ontheffing in kader van de Wet natuurbescherming dient te worden afgegeven.

De ontheffing is na en in overleg met de provincie reeds aangevraagd en er is een activiteitenplan, welke deel uitmaakt van de ontheffing, opgesteld. De ontheffingsaanvraag is als bijlage 8 aan deze onderbouwing gehecht. In dat kader zoals in het activiteitenplan beschreven – worden in relatie tot het beoogde bouwvoornemen mitigerende maatregelen getroffen (vleermuisvriendelijk en huismusvriendelijk), zowel bij het slopen, als aanbieden van tijdelijke alternatieve verblijfplaatsen en vaste verblijfplaatsen in de nieuwbouw. Daarnaast kunnen door behoud van het essentiële groen de populaties behouden blijven. Verder geldt voor de eventuele verwijdering van nestelementen, dat deze werkzaamheden buiten het broedseizoen voor vogels uitgevoerd dienen te worden. Dit is geen vaste periode, maar voor

30

Ruimtelijke onderbouwing ‘Rijksweg 19 en 21 te Nieuwerkerk’

de meeste soorten kan hier globaal 15 maart tot en met 15 augustus aangehouden worden. Daarnaast dient men tijdens de werkzaamheden te allen tijde de zorgplicht in acht te nemen. Indien werkzaamheden in het broedseizoen plaatsvinden dient voor aanvang van de werkzaamheden een broedvogelinspectie plaats te vinden. Dit houdt in dat er volgens normaal gebruik zorgvuldig gewerkt moet worden, waarbij indien mogelijk verstoring van fauna wordt voorkomen. Het actief doden van dieren is altijd verboden. Betekenis voor het projectgebied Geconcludeerd kan worden, dat het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming, indien de juiste adequate maatregelen en vervolgstappen worden genomen, geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. Voldoende aannemelijk is, dat voor onderhavige bestemmingsplanwijziging aan de Wet natuurbescherming kan worden voldaan. Bij de werkzaamheden zal te allen tijde de zorgplicht in acht worden genomen. 4.8

Milieuhinder Zowel in het kader van een goede ruimtelijke ordening als vanuit milieuwet- en regelgeving wordt gestreefd naar het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten, met als doel het handhaven en waar mogelijk bevorderen van een goede kwaliteit van het leefmilieu. Dit gebeurt onder andere door het fysiek scheiden van milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige objecten (zoals woningen) door het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding daartussen. Deze ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand, hetgeen ook wel wordt aangeduid als milieuzonering. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: 1. het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; 2. het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt in de praktijk gebruik gemaakt van VNGuitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009. Deze uitgave bevat een lijst waarin voor veelvoorkomende milieubelastende activiteiten richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies, uitgaande van een gemiddeld modern bedrijf.

Deze lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. Gelet op de aanduiding en bestemming mag het perceel Rijksweg 19 reeds voor een reparatiewerkplaats en een opslagbedrijf voor caravans en boten, beide behorende tot categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, worden aangewend. Dergelijke functies hebben volgens de VNG een richtafstand van 30 meter bij een rustig gebied en 10 meter ingeval van een gemengd gebied. De omgeving kan met name gelet op de ligging direct aan de rijksweg N59 als gemengd gebied worden gekwalificeerd. Het aspect geluid is daarbij bepalend. Door het verruimen van de functie naar showroom, opslag en werkplaats voor het bewerken en verhandelen van haardhout en pizza ovens waarbij op het voorterrein het laden en lossen zal plaatsvinden, is sprake van een ruimtelijke ontwikkeling waarvoor slechts een marginale beoordeling op het aspect bedrijven en milieuzonering nodig is. Immers, de afstand van de bedrijfsbestemming tot de bestaande woning wijzigt niet. Voor de bestaande bedrijfsbestemming is daarom geen sprake van een grotere belemme-

31

Ruimtelijke onderbouwing ‘Rijksweg 19 en 21 Nieuwerkerk’

ring dan in de bestaande situatie al het geval is en vice versa. Wanneer verder gekeken wordt naar de aard, omvang, bedrijfsvloeroppervlak en intensiteit van de nieuwe bedrijfsactiviteiten betreft dit een relatief klein bedrijf, dat niet te vergelijken is met een 3.1 bedrijf. De nieuwe functie kan als een milieucategorie 2 bedrijf worden ingeschaald en zal daarmee geen onaanvaardbare extra hinder ten opzichte van de reeds toegestane planologische situatie voor de nabije omgeving opleveren. Bedrijfsactiviteiten tot en met categorie 2 zijn doorgaans direct naast woningen toegestaan vanwege de geringe kans op milieuhinder. Daarnaast zullen de hinder gevende activiteiten (geluid, stof) in hoofdzaak binnen de inrichting, het bedrijfsgebouw plaatsvinden. Het betreft dan met name het zagen, verwerken van het hout en aan- en afvoer van ovens (transport, laden en lossen). Ook worden ter plaatse van de laadkuil afschermende maatregelen in de vorm van het oprichten van groene erfafscheiding getroffen, hetgeen voldoende bescherming tegen mogelijke geluidsoverlast zal geven. Tot slot is een nieuwe ontsluiting ten behoeve van het vrachtverkeer, parallel en evenwijdig aan de N59 en voorzijde van Rijksweg 21 voorzien.

De verkeersintensiteit van deze weg is echter zeer beperkt van aard (maximaal 6 bewegingen per dag), waarbij de eventueel daaraan verbonden extra geluidsoverlast volledig zal wegvallen tegen het overheersende wegverkeerslawaai inherent aan de Rijksweg. Gezien de aard van de bedrijvigheid, de ligging en toegestane functies, is er vanuit het oogpunt van milieuzonering sprake van een goede ruimtelijke ordening. Het aspect bedrijven en milieuhinder staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg. 4.9

Geluidhinder Wegverkeerslawaai Sinds 1 januari 2007 geldt de Wet geluidhinder (Wgh). Ingevolge artikel 74 Wgh zijn in principe alle wegen gezoneerd. Uitzondering op deze regel zijn wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km per uur geldt en woonerven. Voor gezoneerde wegen geldt een grenswaarde van 48 dB. Deze waarde wordt berekend op basis van Lden. Als een geluidzone geheel of gedeeltelijk binnen het projectgebied valt, moet bij de voorbereiding van een bestemmingsplan akoestisch onderzoek worden verricht naar de geluidsbelasting op nieuwe woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen die geluidszone (artikel 77 Wgh). Dit heeft echter slechts betrekking op nieuwe ontwikkelingen die binnen 10 jaar worden voorzien. Voor de rijksweg N59 geldt ter plaatse van de projectlocatie een maximumsnelheid van 80 km/uur. Derhalve heeft de weg een onderzoekszone van 250 meter conform de Wet geluidhinder en ligt de projectlocatie in deze zone. Bedrijven, partijken, kantoren zijn echter niet geluidsgevoelig in het kader van de Wet geluidhinder, zodat een nader akoestisch onderzoek niet is vereist. Daarnaast leidt de beoogde ontwikkeling binnen het projectgebied niet tot de oprichting van nieuwe geluidsgevoelige objecten of van een zogenaamde ‘grote lawaaimaker’. Toetsing aan de normen uit de Wet geluidhinder is daardoor niet aan de orde.

Wel leidt de beoogde ontwikkeling tot de oprichting van een activiteit, waaraan op grond van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ een hindercontour gekoppeld kan worden. Uit paragraaf 4.8 blijkt het woon- en leefklimaat ter plaatse van de omliggende woningen niet in het geding is. Gesteld wordt, dat het aspect ‘geluid’ de beoogde herontwikkeling niet in de weg staat.

32

Ruimtelijke onderbouwing ‘Rijksweg 19 en 21 te Nieuwerkerk’

4.10

Luchtkwaliteit Op 15 november 2007 is een nieuw wettelijk stelsel voor luchtkwaliteitseisen van kracht geworden. Eén van de elementen daarvan is dat projecten die ‘niet in betekenende mate bijdragen’ aan de concentraties, niet meer afzonderlijk getoetst hoeven te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van één woning. Hierbij kan de ‘regeling niet in betekenende mate bijdragen’ worden toegepast. Deze Ministeriële Regeling, verder aan te duiden als de Regeling NIBM, geeft voor een aantal categorieën van projecten een (getalsmatige) invulling aan de NIBM-grens. Het gaat onder meer om woningbouw- en kantoorprojecten en enkele soorten van inrichtingen (bijv. emplacementen, kassen en andere landbouwinrichtingen). bijlage 3A en 3B van de Regeling NIBM geven aan, in welke gevallen een nieuwe woningbouwlocatie in ieder geval NIBM is: 3% criterium (vanaf inwerkingtreding NSL): - 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg; - 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling (voorschrift 3A.2). Met voorliggend planvoornemen wordt de bestaande bedrijfsvoering verplaatst en een praktijk aan de bestaande woning toegevoegd. De genoemde ontwikkelingen veroorzaken zelf geen relevante directe emissies naar de lucht.

De enige effecten op de luchtkwaliteit worden dan ook bepaald door de verkeersaantrekkende werking vanwege de bedrijfsactiviteiten en de praktijk. Op basis van de maximale verkeersaantrekkende werking is de beperkte uitbreiding ten opzichte van hetgeen planologisch reeds is toegestaan aan te duiden als 'niet in betekenende mate'. Het aantal verkeersbewegingen zal ter plaatse maar in zeer beperkt mate toenemen. Dit betekent dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.

4.11

Licht en duisternis De gemeentelijke Module Licht en Duisternis (2009) schrijft voor dat aandacht dient te worden besteed aan kunstmatige verlichting, teneinde te voorkomen dat negatieve effecten van lichthinder optreden. Kunstmatige verlichting komt voor bij (autosnel)wegen, (fiets)paden, woonkernen, industrie- en bedrijventerreinen, recreatieterreinen, glastuinbouwbedrijven, sportterreinen (maneges, golfbanen, tennisbanen, voetbalvelden, e.d.). Mogelijk negatieve effecten van lichthinder worden bepaald door enerzijds de aard, intensiteit en duur en plaats van de verlichting en anderzijds door de kans op blootstelling, die gerelateerd is aan de omgeving en de leefwijze van mens en dier. De gemeente Schouwen-Duiveland wil haar duisternis zo goed mogelijk borgen zodat deze kwaliteit behouden kan blijven. Ze heeft daarvoor een prioriteringsvolgorde bepaalt die daarbij gehanteerd moet worden: - Alleen licht plaatsen als het echt noodzakelijk is. - Alleen dan verlichten als het licht noodzakelijk is. - Alleen die plaats verlichten waar licht nodig is. - Daarbij geen onnodig fel licht gebruiken. De locatie waar de nieuwe bedrijfsbebouwing wordt gesitueerd grenst aan de rijksweg. Het projectgebied wordt omringd door agrarische (landbouw) gronden en heeft dus veel uitstraling naar buiten.

Door bestaande landschappelijke inpassing, gevormd door opgaand groen, worden de directe zichtlijnen van buiten op het projectgebied worden weggenomen. De landschappelijke

33

Ruimtelijke onderbouwing ‘Rijksweg 19 en 21 Nieuwerkerk’

inpassing vormt daarmee een 'natuurlijke' afscherming naar de omgeving. Eventuele verlichting aan de gevel dient ter plaatse dynamisch, naar beneden gericht te zijn en enkel die locatie verlichten die verlicht moet worden. De verlichting zal niet buiten het perceel stralen en daar waar natuurlijke afscherming is, niet in deze natuurlijke afscherming, om natuurwaarden niet te verstoren en de kans op uitstraling buiten het perceel verder te verkleinen. De locatie Rijksweg 21 blijft ongewijzigd, waardoor het aspect licht hier niet van toepassing is. 4.12

Externe veiligheid Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: - activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; - transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; - transport van gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water. Het uitgangspunt van wet- en regelgeving en beleid ten aanzien van externe veiligheid is scheiding van kwetsbare functies en risicobronnen, waarmee men het volgende wil bereiken: - bescherming van personen die zich bevinden in de nabijheid van een risicobron tegen de kans op overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen of ten gevolge van een ongeval met een vliegtuig op of nabij een luchthaven; - bescherming van de samenleving tegen het ontwrichtende effect van een dergelijk ongeval met een groot aantal slachtoffers. Voor de eerste doelstelling is het begrip plaatsgebonden risico (PR) van belang.

De norm voor het plaatsgebonden risico is 10-6, die als een contour om een risicovolle inrichting en aan weerszijden langs een transportroute of buisleiding ligt. Binnen die contour zijn ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen milieubeheer (BEVI) geen nieuwe kwetsbare objecten toegestaan. Voor beperkt kwetsbare objecten als bedoeld in het BEVI geldt die norm als richtwaarde. Een soortgelijke normstelling en systematiek geldt voor transport van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen en binnenwateren en via buisleidingen. Bij de realisatie van de tweede doelstelling staat het begrip groepsrisico (GR) centraal. Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar wel een oriënterende waarde, die als ijkpunt geldt bij het zoeken naar maatschappelijk aanvaardbare grenzen.

Op grond van artikel 13 BEVI dient het bevoegd gezag bij nieuwe ruimtelijke plannen die nieuwe (kwetsbare) objecten mogelijk maken een verantwoording van het groepsrisico uit te voeren. Een soortgelijke regeling geldt voor transport van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen en

34

Ruimtelijke onderbouwing ‘Rijksweg 19 en 21 te Nieuwerkerk’

binnenwateren en via buisleidingen op basis van respectievelijk het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (BEVB). Met behulp van de risicokaart is een inventarisatie gemaakt van de in de omgeving van het projectgebied aanwezige bronnen. Inrichtingen Uit de provinciale risicokaart blijkt dat er in de nabijheid van het wijzigingsgebied één inrichting (van Langeraad) is gelegen. Bij deze inrichting wordt propaan gebruikt. De installatie betreft een bovengrondse propaantank met een inhoud van 3 m³. Voor propaantanks met een inhoud groter dan 13 m² is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het uitgangspunt. Omdat de inhoud van de tank niet groter is dan 13 m³ dient aan de veiligheidafstandentabel van het Activiteitenbesluit getoetst te worden. Voor propaantanks kleiner dan 5 m³ geldt (afhankelijk of de tank meer of minder dan 5 keer per jaar wordt bijgevuld) een afstand van minimaal 20 meter. Het projectgebied is op ruime afstand van deze inrichting gesitueerd. In de directe omgeving van het projectgebied zijn verder geen BEVI-inrichtingen gelegen. Er reiken dus geen invloedsgebieden van Bevi-inrichtingen over het projectgebied. Andersom zorgt de ontwikkeling van het projectgebied niet tot een beperking van de Bevi-inrichtingen.

Transportroutes Buisleidingen Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Deze AMvB sluit aan bij de risiconormering uit het Bevi en geldt vooralsnog enkel voor de transportleidingen voor aardgas en aardolieproducten. De transportleidingen voor chemische stoffen (anders dan aardgas en aardolieproducten) vallen onder de werking van de circulaire Risiconormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen. Op de risicokaart zijn geen buisleidingen waar te nemen in de nabijheid van het projectgebied die van invloed zijn op de externe veiligheid. Verkeersroutes gevaarlijke stoffen De Rijkswegen N59 is aangewezen als transportroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. De N57 en N256 liggen op een zodanig grote afstand dat de invloedsgebieden niet over het projectgebied reiken. De projectlocatie grenst wel aan de N59. De transportaantallen op het deel van de N59 ter hoogte van het projectgebied zijn echter zodanig laag dat geen sprake is van een 10-6 plaatsgebonden risicocontour en/of plasbrandaandachtsgebied. Op grond van artikel 8, lid 1 Bevt is in principe een groepsrisicoberekening noodzakelijk, als de beoogde ontwikkeling op minder dan 200 meter van de transportroute ligt.

Gesteld kan echter worden, dat de realisatie van het nieuwe bedrijfsgebouw en aanwenden van de begane grond van de bestaande woning voor een beroep aan huis geen significant rekenkundig effect heeft op de hoogte van het groepsrisico, mede daar bedrijfsbebouwing en daarmee activiteiten alsmede een vrijstaande woning met beroep aan huis op deze gronden reeds zijn toegestaan. Omdat het invloedgebied groepsrisico zich uitstrekt tot over projectlocatie, dient op grond van artikel 7 Bevt wel een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden, waarbij ingegaan moet worden op de aspecten ‘zelfredzaamheid’ en ‘bestrijdbaarheid’. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid van personen bij rampen en zware ongevallen heeft betrekking op de mogelijkheid van personen zichzelf en anderen in veiligheid te brengen. De mate van zelfredzaamheid van een persoon hangt af van zijn eigen fysieke en psychische mogelijkheden en daarnaast van de omgeving. Een goede ontsluiting, beperking van hoogbouw, de ligging van kwetsbare objecten ten opzichte van de bron en aanvullende maatregelen aan gebouwen kan eraan bijdragen dat de

35

Ruimtelijke onderbouwing ‘Rijksweg 19 en 21 Nieuwerkerk’

effecten van de ramp beperkt blijven. De maatgevende scenario’s bij een eventuele ramp op de rijksweg N59 betreffen een BLEVE en het vrijkomen van een toxische gaswolk. Een BLEVE is een afkorting voor "Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion" (kokende vloeistofgasexpansieexplosie). Een koude BLEVE ontstaat bij het bezwijken van de tank door een mechanische inwerking op de tank. De tank botst bijvoorbeeld tegen een massief voorwerp. Een warme BLEVE ontstaat bij het bezwijken van de tank door een thermische inwerking op de tank. De tank staat in de vlammen van een brand. De directe effecten van een 'koude' BLEVE zijn niet te bestrijden, omdat bij een calamiteit met enkel brandbare gassen de wagon meteen expandeert. De effecten van een warme BLEVE (secundaire branden) dienen wel bestreden te worden. Binnen het projectgebied is bebouwing aanwezig. Daarvoor is het zaak een veilige plek binnen deze gebouwen op te zoeken buiten het bereik van rondvliegend glas (zoals een toilet of badkamer). Na afloop van de BLEVE dient het gebied ontvlucht te worden om effecten door de secundaire branden te vermijden. Om het aantal slachtoffers bij een toxische gaswolk te minimaliseren, is het van belang dat aanwezige personen kunnen schuilen in bebouwing, waarvan ramen, deuren en ventilatie zijn gesloten/uitgeschakeld.

Aangezien het nieuwbouw betreft wordt op grond van het Bouwbesluit voldoende aandacht geschonken aan de luchtdichtheid. Mogelijk dat mechanische ventilatie wordt toegepast; in dat geval zal het een variant betreffen die met één druk op de knop uit te schakelen is. Bij ongevallen met toxische stoffen is het van belang, dat de alarmering snel verloopt en dat de bevolking snel wordt gewaarschuwd met het advies ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. Daarbij is het tevens van belang dat de brandweer snel ter plaatse van het ongeval is om een inschatting te maken van de situatie. Bereikbaarheid Bij een ongeval met toxische stoffen kunnen de hulpdiensten, afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water. Hiertoe dienen voldoende bluswatervoorzieningen nabij de risicobron aanwezig te zijn. De aanwezigheid van bluswatervoorzieningen binnen het projectgebied is met het oog op een toxisch scenario niet relevant. Daarnaast heeft het beoogde bouwplan geen negatieve invloed op de bereikbaarheid van de bluswatervoorzieningen ter plaatse van de risicobron.

Bij de concrete invulling van de openbare ruimte binnen het projectgebied zal aansluiting worden gezocht bij de handleiding ‘Bluswatervoorzieningen en bereikbaarheid’ van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR.) Deze invulling wordt in overleg met de gemeentelijke brandweer/Veiligheidsregio Zeeland bepaald. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmeringen voor de voorliggende bouwontwikkeling. Bij de bouw (en exploitatie) moet rekening worden gehouden met de bereikbaarheid en bluswatervoorziening. 4.13

Duurzaamheid Duurzame ontwikkeling is te zien als een ontwikkelingsproces, waarbij gestreefd wordt naar het tot stand brengen van een duurzame samenleving. Dit gebeurt door in alle stadia van een planproces kansen en mogelijkheden te benutten voor het realiseren van een hoge ruimtelijke kwaliteit in combinatie met een zo laag mogelijke milieubelasting, en deze in de tijd weten te handhaven, zodat ook toekomstige generaties daarin delen. Ook de gemeente Schouwen-Duiveland heeft in haar beleidsdoelstellingen duurzaamheid opgenomen en wenst deze structureel in ontwikkelingsplannen op te nemen.

36

Ruimtelijke onderbouwing ‘Rijksweg 19 en 21 te Nieuwerkerk’

Bij voorliggend plan kan de duurzaamheid zich uiten in de bouwtechnische uitvoering door natuurlijke duurzame materialen her te gebruiken en door een goede isolatie. Een duurzaam gebouw creëren wat tevens een beperkte footprint heeft, begint met het zo goed mogelijk beperken van de energievraag van het gebouw. Daardoor is gekozen voor goede bouwkundige maatregelen met daar bijbehorende isolatiewaarde. Om de CO2 doelstellingen te halen is de productie van duurzame energie belangrijk. Het is daarom belangrijk om de kansen maximaal te benutten. De nieuwbouw zal door middel van een warmtepomp worden verwarmd en van elektra worden voorzien via zonnepanelen op de achterzijde van het dak. Daarnaast wordt bij de inrichting van het perceel rekening gehouden met het klimaat door het bestaande groen zoveel mogelijk te behouden en daarmee de nieuwbouw en aangrenzende gronden bestand te maken tegen te warm, te droog en te nat weer. Zo wordt ook verdroging van de bodem tegen gegaan én wordt wateroverlast voorkomen. Ook met een half verharde parkeerplaats geeft men het regenwater meer kans om in de bodem te infiltreren. Met bovenstaande maatregelen wordt bereikt dat tenminste wordt voldaan de Bijna Energie Neutrale Gebouwen (BENG)-eisen. In Nederland worden vanaf 1 januari 2021 de energieprestatie voor bijna energieneutrale gebouwen vastgelegd aan de hand van 3 eisen: 1.

de maximale energiebehoefte in kWh per m² gebruiksoppervlak per jaar; 2. het maximale primair fossiel energiegebruik, eveneens in kWh per m² gebruiksoppervlak per jaar; 3. het minimale aandeel hernieuwbare energie in procenten. Deze eisen vervangen de EPC, de huidige eis voor nieuwbouw. BENG is gebaseerd op de Trias Energetica, een driestappenstrategie om een energiezuinig ontwerp te maken. De EPC voldoet niet meer. Je kunt bijvoorbeeld een grote glaswand in een gebouw zetten en de EPC-eis halen door deze energieverliezen bij glas te compenseren met zonnepanelen; de huidige nieuwbouweis houdt geen rekening met het energieverlies van de woning door de gebouwvorm. Er is daardoor bij de huidige eis geen relatie met het energieverbruik per m². De BENG-eisen houden hier wel rekening mee. Er geldt een aparte eis voor de buitenkant van een gebouw, de zogenoemde schil, om de energiebehoefte te limiteren. Dit noemen we BENG 1. Ook moet de energievraag van een gebouw zo veel mogelijk uit hernieuwbare energie bestaan: de BENG 3eis. En tenslotte moet de resterende energiebehoefte zo efficiënt mogelijk worden opgewekt: BENG 2. Bij de uitwerking van het ontwerp wordt hiermee zoveel mogelijk rekening gehouden. Bij de vergunningaanvraag zal nader gemotiveerd worden welke specifieke maatregelen worden toegepast. 4.14

Overige belemmeringen Kabels en leidingen De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer¹. a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar;

37

Ruimtelijke onderbouwing ‘Rijksweg 19 en 21 Nieuwerkerk’

d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; e. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico’s met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken. Bij de bouwwerkzaamheden zal rekening worden gehouden met eventueel overige aanwezige kabels en leidingen. Verder liggen in of nabij het projectgebied geen kabels of leidingen, die ten behoeve van het gebruik en/of de veiligheid planologische bescherming behoeven, en daarmee een belemmering voor het planvoornemen betekenen. In het straatprofiel zijn wel de reguliere leidingen/kabels voor gas, water, elektra, telefonie/internet en het rioolsysteem gelegen. 4.15

Milieueffectrapportage In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan (in dit geval wijzigingsplan) plan m.e.r.-plichtig, project m.e.r.plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: - de kenmerken van de projecten; - de plaats van de projecten; - de kenmerken van de potentiële effecten. Op grond van onderdeel D11.2 uit de bijlage van het Besluit m.e.r. is het bestemmingsplan m.e.r.-beoordelingsplichtig wanneer: - het projectgebied 100 ha of meer beslaat; of - een aaneengesloten gebied van 2.000 of meer woningen omvat; of - bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. De mogelijkheden die dit wijzigingsplan biedt, liggen ruim onder deze drempels. Vorm en beoordelingscriteria vormvrije m.e.r.-beoordeling De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van nieuwe bedrijfsbebouwing, waarbij het bedrijfsvloeroppervlak ruim onder de genoemde grenswaarde van 200.000 m2 ligt.

Daarnaast vindt de in het projectgebied beoogde bedrijfsactiviteiten momenteel plaats op een andere locatie (hemelsbreed circa 165 meter westelijker). Op basis van jurisprudentie wordt een dergelijke verplaatsing niet aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject, waardoor het uitvoeren van een m.e.r.(-beoordeling) niet aan de orde is. Dit heeft eveneens voor het aanwenden van de begane grond van de bestaande woning voor een praktijk en aanleg van de nieuwe ontsluiting te gelden. Ook wordt opgemerkt, dat het projectgebied ligt en deel uitmaakt van een locatie waar reeds bedrijfsactiviteiten in vergelijkbare milieucategorie mogen plaatsvinden. Uit de voorgaande paragrafen blijkt, dat eventuele nadelige milieugevolgen zijn uit te sluiten. Hiermee is het opstellen van een vormvrije m.e.r.-aanmeldnotitie niet vereist.

38

Ruimtelijke onderbouwing ‘Rijksweg 19 en 21 te Nieuwerkerk’

5.

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID In de Wro is in afdeling 6.4 de regelgeving rondom grondexploitatie opgenomen. Centrale doelstelling van de wet is om in de situatie van particuliere grondexploitatie te komen tot een verbetering van het gemeentelijk kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijke regie bij locatieontwikkeling. In artikel 6.12 van de Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 Bro is vastgelegd wat onder een bouwplan wordt verstaan. De bouw van een of meerdere hoofdgebouwen is in het betreffende artikel van het Bro opgenomen. Een exploitatieplan dient tegelijkertijd met een bestemmingsplan te worden vastgesteld. In de Wro is tevens opgenomen, dat kan worden afgeweken van de verplichting tot het opstellen van een exploitatieplan indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is. Dit is onder andere het geval indien de gemeente en de initiatiefnemer en/of de ontwikkelende partij een privaatrechtelijke overeenkomst hebben gesloten over de verdeling van kosten bij de grondexploitatie. De beoogde ontwikkeling is een initiatief van een private partij. De gronden ter plaatse van de ontwikkelingslocatie zijn in het bezit van de initiatiefnemer en deze draagt ook de kosten van de ontwikkeling.

Daarbij wordt een anterieure overeenkomst tussen gemeente en de initiatiefnemer gesloten. Een exploitatieplan is derhalve niet noodzakelijk. De kosten voor de gemeente zijn hiermee afgedekt.

39

Ruimtelijke onderbouwing ‘Rijksweg 19 en 21 Nieuwerkerk’

6.

MAATSCHAPPELIJKE TOETSING EN OVERLEG

6.1

Inleiding Wettelijk kader In artikel 3.10 Wabo is bepaald dat op de voorbereiding van een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 3, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing is. In afdeling 3.4 Awb is bepaald dat het ontwerp van de omgevingsvergunning gedurende 6 weken ter visie zal liggen. Tijdens deze periode kan een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen kenbaar maken aan burgemeester en wethouders omtrent hun voornemen om medewerking te verlenen aan de onderhavige omgevingsvergunning. Ter voldoening aan het bepaalde in artikel 6.18 Bor (Besluit omgevingsrecht) dient bij de voorbereiding van een omgevingsvergunning, waar nodig, overleg gepleegd te worden conform artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

6.2

Procedure Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Bro geeft aan dat, voorafgaand aan het verlenen van een omgevingsvergunning, burgemeester en wethouders overleg plegen met de besturen van bij het plan betrokken waterschappen. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Vóór het opstarten van de procedure is deze ruimtelijke onderbouwing ter vooroverleg opgestuurd naar de provincie Zeeland, het Waterschap Scheldestromen en Rijkswaterstaat. Tervisielegging PM Vaststelling PM

40

Ruimtelijke onderbouwing ‘Rijksweg 19 en 21 te Nieuwerkerk’

7.

CONCLUSIE Onderhavig project ziet toe op het mogelijk maken de oprichting van nieuwe bedrijfsbebouwing, het aanleggen van een nieuwe ontsluitingsweg en aanwenden van de begane grond van een bestaande woning voor een osteopathiepraktijk binnen het projectgebied. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken dient te worden afgeweken van het vigerende bestemmingsplan. Door middel van de onderhavige ruimtelijke onderbouwing is aangetoond dat de betreffende afwijking niet stuit op overwegende bezwaren van ruimtelijke, functionele, beleidsmatige of milieukundige aard. Er is sprake van een goede ruimtelijke ordening. Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat onderhavig project planologisch te verantwoorden is.

41

BIJLAGEN

ONDERZOEK STIKSTOFDEPOSITIE RIJKSWEG 19 EN 21 TE NIEUWERKERK

Onderzoek stikstofdepositie Rijksweg 19 en 21 te Nieuwerkerk Opdrachtgever

Rothuizen Architecten en Adviseurs Kleverskerkseweg 49 4330 AA Middelburg

Rapportnummer Versienummer Datum

18030.002 D1 11 februari 2022

Vestiging

Brabant Heinz Moormannstraat 1b 5831 AS Boxmeer 0485 - 581818 boxmeer@econsultancy.nl

Opsteller

S.D.F. Slange, MSc

Paraaf

Kwaliteitscontrole Paraaf

De heer N. Berends, BSc

INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING .................................................................................................................................. 1 1

INLEIDING .................................................................................................................................. 2

2

TOETSINGSKADER ................................................................................................................... 3 2.1

3

UITGANGSPUNTEN .................................................................................................................. 4 3.1

4

Geen significante toename ............................................................................................... 3

Gebruiksfase..................................................................................................................... 4 3.1.1 Verkeersbewegingen .......................................................................................... 4

BEREKENINGSRESULTATEN EN TOETSING ........................................................................ 6

18030.002

SAMENVATTING Aan de Rijksweg 19 en 21 te Nieuwerkerk is men voornemens de huidige bebouwing aan te passen zodat er een osteopathiepraktijk, een pizzahoutoven bedrijf en een informatiepaviljoen komen. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een onderzoek noodzakelijk naar de stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming. In zowel de Habitat- als de Vogelrichtlijn zijn de gebieden opgenomen welke als Natura 2000-gebied worden aangemerkt. Ten behoeve van de instandhouding van de natuurgebieden dienen negatieve effecten te worden uitgesloten, waardoor onder andere onderzoek plaats dient te vinden naar de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Voor het plan is uitsluitend het projecteffect van de uiteindelijke gebruiksfase inzichtelijk gemaakt. Voor de aanlegfase (sloop en bouwwerkzaamheden) wordt aangesloten bij de in de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) opgenomen partiële vrijstelling, welke per 1 juli 2021 in werking is getreden. De relevante emissies tijdens de gebruiksfase vinden plaats door de verkeersbewegingen van en naar het plan. De berekening van het projecteffect van de gebruiksfase met peiljaar 2023 is verricht met behulp van het programma AERIUS Calculator (versie 2021).

Het projecteffect op de Natura 2000-gebieden is kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijke projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Op basis van het onderzoek blijkt dat er geen vergunning benodigd is voor het aspect stikstof.

1

INLEIDING

Aan de Rijksweg 19 en 21 te Nieuwerkerk is men voornemens de huidige bebouwing aan te passen zodat er een osteopathiepraktijk, een pizzahoutoven bedrijf en een informatiepaviljoen komen. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een onderzoek noodzakelijk naar de stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden. In figuur 1.1 is de situering van het plan en de omliggende Natura 2000-gebieden weergegeven.

Figuur 1.1

Situering plan en omliggende Natura 2000-gebieden

Het plan is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000gebied. Het Natura 2000-gebied ‘Oosterschelde’ ligt op circa 2 kilometer afstand het meest nabij het plan. Op circa 4,5 km afstand ligt tevens het Natura 2000-gebied ‘Grevelingen’.

2

TOETSINGSKADER

De bescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming. In zowel de Habitat- als de Vogelrichtlijn zijn de gebieden opgenomen welke als Natura 2000-gebied worden aangemerkt. Ten behoeve van de instandhouding van de natuurgebieden dienen negatieve effecten te worden uitgesloten, waardoor onder andere onderzoek plaats dient te vinden naar de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. 2.1 Geen significante toename Het beoogde plan mag in beginsel geen negatieve effecten veroorzaken op de omliggende Natura 2000-gebieden. Met het voorgeschreven programma AERIUS Calculator wordt de depositie van stikstofverbindingen in de vorm van ammoniak (NH3) en stikstofoxiden (NO x) op het oppervlak van de omliggende Natura 2000-gebieden inzichtelijk gemaakt. Bij een projecteffect kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar zorgt het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Voor het plan is uitsluitend het projecteffect van de uiteindelijke gebruiksfase inzichtelijk gemaakt. Voor de aanlegfase (sloop en bouwwerkzaamheden) wordt aangesloten bij de in de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) opgenomen partiële vrijstelling, welke per 1 juli 2021 in werking is getreden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12302473/2