2025.471 Bijlage 1 001652 TAM ON01 Verseputseweg 34-36 Kerkwerve (1644348)
Tekst van het document
TAM-OMGEVINGSPLAN HOOFDSTUK 22F VERSEPUTSEWEG 34-36 KERKWERVE bestemmingsplan, ontwerp
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Verseputseweg 34-36 Kerkwerve
2
Inhoudsopgave
Motivering Hoofdstuk 1 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6
Conclusie
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties Belangenafweging
Hoofdstuk 6 6.1 6.2
Kwaliteit van de leefomgeving
Inleiding Archeologie en cultuurhistorie Milieuzonering Bodemkwaliteit Duurzaamheid Omgevingsveiligheid Geluid Licht en duisternis Luchtkwaliteit Natuur Niet gesprongen explosieven Weging van het waterbelang Milieueffectrapportage
Hoofdstuk 5 5.1 5.2
Beleidskader
Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid
Hoofdstuk 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13
Planbeschrijving
Bestaande situatie Toekomstige situatie
Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3
Inleiding
Aanleiding Doel Ligging en plangrenzen Toetsing aan omgevingsplan Evenwichtige toedeling van functies aan locaties Leeswijzer
Hoofdstuk 2 2.1 2.2
5 6 6 6 6 7 8 8
9 9 10
11 11 12 13
16 16 16 17 17 17 19 20 21 21 21 22 23 24
26 26 27
Uitvoerbaarheid
28
Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid
28 28
Hoofdstuk 7
Juridische planbeschrijving
29
3
7.1 7.2 7.3 7.4 7.5 7.6
Algemeen Inleidende bepalingen Gebruiksactiviteiten Bouwactiviteiten Aanlegactiviteiten Overgangsregels
Bijlagen Bijlage 1
31 Stikstofberekening
Regels Hoofdstuk 1 Hoofdstuk 2 Artikel 1 Artikel 2 Artikel 3 Artikel 4
Hoofdstuk 3 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7
Hoofdstuk 4 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11
Hoofdstuk 5
29 29 30 30 30 30
32
47 Overgangs- en slotregels
48
Inleidende regels
49
Begripsbepalingen Aanvullende begripsbepalingen Toepassingsbereik Meet- en rekenbepalingen
Algemene regels Normadressaat Anti-dubbeltelregel Parkeren
Gebruiksactiviteiten Gebruiksactiviteiten anders dan toegestaan Agrarisch Recreatie - Verblijfsrecreatie Wonen
Bouwactiviteiten
49 50 55 56
57 57 58 59
60 60 61 62 63
64
Artikel 12 Algemene bouwregels Artikel 13 Bouwen van een hoofdgebouw - vergunningplicht Artikel 14 Bouwen van een gebouw - vergunningplicht Artikel 15 Bouwen van een bijbehorend bouwwerk en overkapping vergunningplicht Artikel 16 Bouwen van een ander bouwwerk - vergunningplicht Artikel 17 Bouwen van een specifiek bouwwerk - vergunningplicht Artikel 18 Bouwen in archeologisch waardevol gebied - vergunningplicht
64 65 66
Hoofdstuk 6
71
Artikel 19
Hoofdstuk 7 Artikel 20
4
Aanlegactiviteiten Werkzaamheden in archeologisch waardevol gebied
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht
67 68 69 70 71
73 73
Motiv ering
5
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Op 24 januari 2023 heeft de gemeente Schouwen-Duiveland een omgevingsvergunning verleend voor een termijn van 10 jaar voor het aanleggen van een minicamping en het toestaan van gebruik als wonen op het adres Verseputseweg 34 in Kerkwerve. Het verlenen van deze tijdelijke vergunning was noodzakelijk aangezien binnen de huidige bedrijfsfunctie een mini-camping niet mogelijk is. Daarnaast ligt er een juridisch planologische beperking voor het vestigen van een woonfunctie met mini-camping als gevolg van een aanduiding op het aangrenzende perceel. Voor het aangrenzende perceel, Verseputseweg 36, geldt momenteel namelijk een agrarische bestemming met de aanduiding 'intensieve veehouderij'. Een deel van de agrarische activiteiten, intensieve veehouderij, is inmiddels verplaatst naar een andere locatie binnen de gemeente. Hierdoor was het mogelijk om medewerking te verlenen aan het initiatief. Het is onontbeerlijk om de planologische mogelijkheden voor intensieve veehouderij op Verseputseweg 36 te verwijderen en de bedrijfsfunctie op Verseputseweg 34 aan te passen om de minicamping blijvend te kunnen huisvesten op het beoogde perceel. Om het bovenstaande planologisch mogelijk te maken en de feitelijke situatie vast te leggen, heeft de gemeente aangegeven dat een TAM-IMRO-plan moet worden opgesteld, in dit geval een TAM-omgevingsplan.
Dit plan biedt een alternatieve mogelijkheid om het omgevingsplan te wijzigen. Een onderdeel van het TAM-omgevingsplan is het opstellen van een onderbouwing voor de fysieke leefomgeving, gericht op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het voorliggende document voorziet in deze onderbouwing.
1.2
Doel
Het doel is om de minicamping en het wonen in de bedrijfswoning op Verseputseweg 34 permanent planologisch vast te leggen. Daarnaast wordt beoogd te waarborgen dat op het adres Verseputseweg 36 geen intensieve veehouderij meer kan worden gevestigd.
1.3
Ligging en plangrenzen
Het plangebied is gelegen langs de Verseputseweg, ten westen van de kern Kerkwerve. Het omvat de adressen Verseputseweg 34 en 36, evenals de volgende kadastrale percelen: gemeente Middenschouwen, sectie H, nummer 801 (8.700 m²); gemeente Middenschouwen, sectie H, nummer 802 (1.395 m²); gemeente Middenschouwen, sectie H, nummer 803 (4.070 m²).
6
Afbeelding 1 | Luchtfoto plangebied (bron: PDOK, bewerking Juust B.V.)
1.4
Toetsing aan omgevingsplan
Ter plaatse van het plangebied geldt het omgevingsplan van de gemeente Schouwen-Duiveland. Het bestemmingsplan 'Buitengebied', dat op 26 maart 2009 is vastgesteld, maakt met de inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege deel uit van het omgevingsplan. Ter plaatse van het plangebied gelden de bestemmingen 'Bedrijf' met de aanduiding 'hoveniersbedrijf' en 'Agrarisch' met de aanduiding 'intensieve veehouderij' (zie afbeelding 3). Binnen de bedrijfsbestemming met aanduiding 'hoveniersbedrijf' is een hoveniersbedrijf behorende tot categorie 2.0 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten toegestaan. Buiten het bouwvlak zijn geen gebouwen toegestaand (aanduiding 'zg'). Ter plaatse van de bestemming 'Agrarisch' met aanduiding 'intensieve veehouderij' is een grondgebonden agrarisch bedrijf en een agrarisch bedrijf met intensieve veehouderij als hoofdtak, met dien verstande dat het bedrijfsvloeroppervlak intensieve veehouderij niet meer bedraagt dan in bijlage 3, in de kolom huidig bedrijfsvloeroppervlak intensieve veehouderij. Daarnaast gelden ook de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologisch onderzoeksgebied A' en 'Waarde - Archeologisch onderzoeksgebied B'. Zie voor de toetsing van het aspect archeologie paragraaf 4.2 Archeologie en cultuurhistorie. Het realiseren van een minicamping op deze locatie past niet binnen het de bouw- en gebruiksregels van het omgevingsplan.
Daarnaast is de intensieve veehouderij inmiddels geruime tijd niet meer aanwezig binnen het plangebied. Verder zijn ook de paraplubestemmingsplannen 'Parkeernormen Schouwen-Duiveland' en 'Parapluplan Wonen' van toepassing. Het eerstgenoemde bestemmingsplan bevat een regeling die vereist dat bij ontwikkelingen voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Het tweede plan biedt een uniforme regeling voor het gebruik van alle woningen binnen de gemeente.
7
Afbeelding 2 | Uitsnede omgevingsplan 'Buitengebied' (bron: ruimtelijkeplannen.nl, bewerking: Juust)
1.5
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
Om het omgevingsplan te wijzigen, moet gemotiveerd worden dat de ontwikkeling met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) aanvaardbaar wordt geacht, volgens artikel 8.0a, tweede lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl). Daarnaast moet ook voldaan worden aan de instructieregels en instructies van zowel de provincie als het Rijk (artikel 8.0b Bkl). De instructieregels hebben betrekking op verschillende aspecten, waaronder bijvoorbeeld het beschermen van waterbelangen, beschermen van gezondheid, beschermen van het milieu, het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed of het waarborgen van de veiligheid. Deze aspecten worden afzonderlijk behandeld in hoofdstuk 4.
1.6
Leeswijzer
Deze toelichting bestaat, naast het inleidende hoofdstuk, uit vier hoofdstukken. In hoofdstuk 2 wordt de huidige situatie beschreven en het voorgenomen plan toegelicht. Hoofdstuk 3 behandelt het geldende beleidskader. In hoofdstuk 4 worden de verschillende milieu- en omgevingsaspecten beoordeeld. Hoofdstuk 5 bevat de ETFAL en de belangenafweging. In hoofdstuk 6 wordt de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid besproken. Ten slotte wordt in hoofdstuk 7 de juridische planbeschrijving behandeld.
8
Hoofdstuk 2 2.1
Planbeschrijving
Bestaande situatie
Aan de Verseputseweg 34 in Kerkwerve is Camping Casita gevestigd, een minicamping met in totaal 18 standplaatsen, waarvan 3 permanente. Het aantal standplaatsen is niet expliciet vastgelegd in de omgevingsvergunning van 24 januari 2023. De voormalige bedrijfswoning op het perceel wordt gebruikt als reguliere woning, wat in overeenstemming is met de bepalingen uit genoemde omgevingsvergunning.
Afbeelding 3 | Schematische weergave Camping Casita (bron: Camping Casita)
Aan de Verseputseweg 36 is een agrarisch bedrijf gevestigd. In het verleden werd hier een intensieve veehouderij geëxploiteerd, maar deze activiteiten zijn al geruime tijd beëindigd. Het perceel omvat momenteel een bedrijfswoning en een loods die wordt gebruikt voor de opslag van agrarische werktuigen.
9
Afbeelding 4 | Huidige situatie Verseputseweg 36 (bron: Google Streetview)
2.2
Toekomstige situatie
In de toekomstige situatie vervalt de bedrijfsbestemming voor het perceel aan de Verseputseweg 34. In plaats daarvan krijgt dit perceel een ‘woon’ functie en ‘recreatie - minicamping’ functie. De uitgangspunten uit de tijdelijke ontheffing worden op deze manier structureel vastgelegd. Dit houdt in: 18 standplaatsen, waarvan 3 permanent. Voor het aangrenzende perceel aan de Verseputseweg 36 komt de aanduiding ‘intensieve veehouderij’ te vervallen. Het huidige agrarisch bedrijf blijft daarbij behouden.
10
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Rijksbeleid
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan grote opgaven waardoor Nederland de komende 30 jaar verandert. In de NOVI wordt aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 de langetermijnvisie in beeld gebracht. Het Rijk wil sturen op de nationale belangen. De inzet van het Rijk is samengevat in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie. Duurzaam economisch groeipotentieel. Sterke en gezonde steden en regio's. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dit houdt in dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. De NOVI maakt bij het maken van keuzes gebruik van drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies, 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal, en 3. Afwentelen wordt voorkomen. De beleidsdoorwerking van de NOVI vindt plaats door middel van wet- en regelgeving, NOVI-gebieden, Gebiedsagenda's Grote Wateren en de Omgevingsagenda's. Het beleid heeft derhalve geen directe doorwerking voor dit TAM-omgevingsplan.
Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in artikel 5.129g Bkl, en stelt hierdoor inhoudelijke eisen aan het omgevingsplan, én de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De ladder is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten waardoor de ruimte in stedelijke gebieden optimaal benut wordt en leegstand voorkomen wordt. De ladder voor duurzame verstedelijking is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. Voor zover een omgevingsplan of omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand, in het omgevingsplan rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het bestaand stedelijk gebied wordt aanvullend op de beschrijving van de behoefte en het resultaat van het benodigde overleg, gemotiveerd waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien.
11
Onder stedelijk gebied wordt verstaan: een op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit toegelaten stedenbouwkundig samenstel van bebouwing voor wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel en horeca, en de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen en infrastructuur, met uitzondering van stedelijk groen aan de rand van die bebouwing en lintbebouwing langs wegen, waterwegen of waterkeringen. In welke gevallen er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling is niet concreet vastgelegd. De jurisprudentie geeft op het gebied van woningbouw wel een constante lijn aan. Bouwplannen met minder dan 12 woningen zijn geen stedelijke ontwikkeling. In dit geval gaat het om het planologisch vastleggen van een bestaande situatie: een minicamping die al in gebruik is en past binnen de functie ‘wonen’. De beperkte uitbreiding van de minicamping vindt plaats binnen het huidige terrein. Daarnaast wordt de aanduiding 'intensieve veehouderij' verwijderd, waarmee een niet langer bestaande functie formeel wordt beëindigd. Omdat er geen sprake is van nieuwe stedelijke ontwikkeling of uitbreiding van het ruimtebeslag, is toetsing aan de Ladder voor Duurzame Verstedelijking niet vereist. Het plan leidt immers niet tot extra verstedelijking, maar draagt juist bij aan het zorgvuldig gebruik van de bestaande ruimte.
3.2
Provinciaal beleid
Omgevingsvisie Zeeland De Provincie Zeeland heeft de Zeeuwse Omgevingsvisie op 21 november 2021 vastgesteld. Deze visie benoemd de vier Zeeuwse ambities voor 2050 voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in de provincie Zeeland. Deze sluiten aan bij de prioriteiten van de NOVI en geven daar een Zeeuwse invulling aan. De Zeeuwse ambities geven richting aan het provinciale beleid en de uitvoering daarvan. Deze ambities zijn: Uitstekend wonen, werken en leven in Zeeland. Balans in de grote wateren en het landelijk gebied. Een duurzame en innovatieve economie. Klimaatbestendig en CO2-neutraal Zeeland. Deze vier Zeeuwse ambities vragen om een goede afweging van keuzes, zowel op regionaal als op lokaal niveau. De drie afwegingsprincipes die het Rijk daarvoor heeft bedacht -zoals aangegeven in de NOVI- zijn in de Omgevingsvisie vertaald naar vier afwegingsfactoren. Deze zijn nodig om een zorgvuldige afweging te kunnen maken bij concrete initiatieven en activiteiten in Zeeland. Deze afwegingsfactoren zijn: Doe meer met minder grond. Werk samen en deel kosten en baten. Maak gebruik van de Zeeuwse kernkwaliteiten. Denk aan de toekomst en aan de rest van de wereld. De vier ambities zijn algemene strategische ambities met 2050 als horizon. Deze moeten ook richting geven aan beleidsdoelstellingen voor de kortere termijn (2030).
In de Omgevingsvisie Zeeland is dan ook het beleid voor de periode tot 2030 vormgegeven. Dit beleid is onderverdeeld in doelen voor 2030, de huidige situatie, acties voor de periode tot 2030 én afwegingsfactoren voor de uitvoering. Er zijn 27 thema's (bouwstenen) uitgewerkt waarbij het beleid voor de komende 10 jaar is weergegeven en waarvoor instrumenten, waaronder de Zeeuwse Omgevingsverordening, kunnen worden ingezet. In de Omgevingsverordening Zeeland is het beleid uit de Omgevingsvisie Zeeland verankerd.
12
Motivering Het initiatief betreft het planologisch vastleggen van een bestaande minicamping, zonder uitbreiding van het ruimtebeslag of toevoeging van nieuwe stedelijke functies. In de Zeeuwse Omgevingsvisie wordt ingezet op zorgvuldig ruimtegebruik en het behouden en versterken van de kwaliteiten van het landelijk gebied. Kleinschalige, recreatieve functies zoals minicampings worden in dit kader als passend beschouwd, mits deze aansluiten bij de bestaande ruimtelijke structuur en landschappelijke inpassing mogelijk is. Omdat het hier gaat om een bestaande situatie die wordt geformaliseerd, en er geen sprake is van nieuwe verstedelijking of aantasting van provinciale belangen, is er geen directe doorwerking van het provinciaal beleid. Het plan sluit aan bij het beleid van de provincie Zeeland om ruimte te bieden aan lokaal gedragen, passende initiatieven in het landelijk gebied.
Conclusie De Omgevingsvisie Zeeland is geen belemmering voor de vaststelling van dit TAM-omgevingsplan.
Omgevingsverordening Zeeland De Omgevingsverordening Zeeland gaat over de fysieke leefomgeving van de provincie. Bij de beoordeling van ruimtelijke plannen is vooral hoofdstuk 2 welke gaat over activiteiten in de fysieke leefomgeving van belang. Daarnaast moet getoetst worden aan de instructieregels zoals opgenomen in hoofdstuk 5. In artikel 5.27 Kleinschalig kamperen zijn de regels opgenomen voor minicampings: 1. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een kleinschalig kampeerterrein laat niet meer dan 35 kampeermiddelen toe, waarvan ten hoogste 20% permanent met een maximum van 5. 2. Het eerste lid geldt niet voor bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit is vereist. 3. In afwijking van het eerste lid mag de op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening bestaande situatie, voor zover die niet in overeenstemming is met het eerste lid, worden gecontinueerd. Motivering Dit TAM-omgevingsplan voor de minicamping laat in totaal 18 standplaatsen toe, waarvan 3 permanent. Dit voldoet aan de eis van maximaal 35 kampeermiddelen, zoals aangegeven in artikel 5.27 van de Omgevingsverordening Zeeland. Het aantal standplaatsen ligt dus onder de toegestane limiet van 35. Van de 18 standplaatsen zijn er 3 permanent, wat overeenkomt met ongeveer 17% van het totaal aantal standplaatsen.
Dit voldoet aan de eis dat niet meer dan 20% van de kampeermiddelen permanent mag zijn, met een maximum van 5 permanente standplaatsen.
Conclusie De Omgevingsverordening Zeeland staat het verlenen van de omgevingsvergunning niet in de weg.
3.3
Gemeentelijk beleid
Strategische visie 'Het tij van de toekomst' De Strategische visie Schouwen-Duiveland 2011-2040 'Tij van de Toekomst' is op 3 oktober 2011 door de
13
gemeenteraad vastgesteld. In de visie is opgenomen hoe de gemeente Schouwen-Duiveland er in 2040 uit zou moeten zien: Schouwen-Duiveland heeft zich in 2040 verder ontwikkeld als de ideale plaats om te genieten van natuur, recreatie en cultuur. In de visie zijn de drie strategische doelen 'werken', 'wonen' en 'verblijven' uitgewerkt. De gewenste ontwikkeling past binnen het doel 'verblijven'.
Nota verblijfsrecreatie 2024 In deze vastgestelde beleidsnota,op 30 januari 2025, wordt toegelicht wat onder kamperen en minicamping wordt verstaan en aan welke voorwaarden moet worden voldaan. Een minicamping of kleinschalig kampeerterrein, wordt in de nota verblijfsrecreatie gezien als een “niet-regulier kampeerterrein” en is mogelijk bij o.a. een permanent bewoonde woning in het buitengebied. De vorm van verblijfsrecreatie betreft een neventak, er wordt minder intensief op het terrein gerecreëerd en er mogen maximaal 25 standplaatsen worden geëxploiteerd op basis van een vergunning. Dit Tam-IMRO plan is gebaseerd op de vergunde 18 standplaatsen. In hoofdstuk 3 worden randvoorwaarden beschreven welke ook van toepassing zijn op Verseputseweg 34. Zo wordt in beschreven dat: een niet-permanente standplaats is minimaal 100 vierkante meter groot; het aantal standplaatsen op een niet-regulier kampeerterrein bedraagt ten hoogste 15.
Uitbreiding naar 25 standplaatsen is onder voorwaarden mogelijk; een permanente standplaats minimaal 150 vierkante meter groot is; het aantal permanente standplaatsen op een niet-regulier kampeerterrein maximaal 20 % van het totaal aantal standplaatsen bedraagt met een maximum van 5; alleen op permanente standplaatsen mogen alternatieve kampeermiddelen (zoals een yurt) jaarrond worden geplaatst; bij het realiseren van een niet-regulier kampeerterrein wordt een inrichtingsplan aangeleverd waaruit blijkt dat er sprake is van een goede landschappelijke inpassing. Dit inrichtingsplan wordt als voorwaardelijke verplichting opgenomen in de omgevingsvergunning of het omgevingsplan. Deze voorwaarden zijn ook opgenomen in de verleende vergunning aan de Verseputseweg 34. Het bijbehorende inrichtingsplan wordt momenteel opnieuw opgesteld en zal voldoen aan de gestelde randvoorwaarden zoals beschreven in de tijdelijke vergunning en daarmee aan de “nota verblijfrecreatie”. Het inrichtingsplan wordt voor vaststelling van deze wijziging omgevingsplan, ter goedkeuring aangeboden en maakt daarna onderdeel uit van dit gewijzigde omgevingsplan.
Milieubeleidsplan Het milieubeleid van de gemeente Schouwen-Duiveland is vastgelegd in het milieubeleidsplan. Dit plan is opgedeeld in een aantal modules die elke een apart milieuthema behandelen. Hierna volgen de belangrijkste aandachtspunten uit de diverse modules. Module Bodem/Nota bodembeheer In een Nota bodembeheer is beleidsmatig vastgelegd binnen en tussen welke zones vrij grondverzet mogelijk is en welke voorwaarden hierbij gelden: in welke delen van het bodembeheergebied wordt het generieke kader uit het Besluit bodemkwaliteit aangehouden en voor welke gebieden wordt een gebiedsspecifeke invulling van het lokale bodembeleid gekozen. De Nota bodembeheer beschrijft de regels voor het toepassen van grond en bagger op de landbodem in de gemeente Schouwen-Duiveland, gebaseerd op de in deze nota geactualiseerde bodemfunctieklassenkaart en de in 2018 geactualiseerde bodemkwaliteitskaart van de gemeente. Voor het toepassen van grond en bagger hanteert de gemeente Schouwen-Duiveland in een deel van de
14
gemeente gebiedsspecifek beleid. De gemeente Schouwen-Duiveland erkent een aantal bodemkwaliteitskaarten van buiten haar eigen bodembeheergebied als milieuhygiënische verklaring. Ook dit geldt als een vorm van gebiedsspecifek beleid. Daarnaast erkent de gemeente Schouwen-Duiveland de waterbodemkwaliteitskaart van Schouwen-Duiveland en overige door waterschap Scheldestromen vastgestelde waterbodemkwaliteitskaarten als bewijsmiddel voor het toepassen van bagger. Voor de toetsing aan het aspect 'bodem' zie paragraaf 4.4 Bodemkwaliteit. Module Energie en Klimaat De Gemeente Schouwen-Duiveland streeft naar een ruimtelijke inrichting waarmee we ons kunnen aanpassen aan de klimaatverandering. Anders gezegd: het is de bedoeling dat de gemeente Schouwen-Duiveland klimaatbestendig wordt. Bovendien wil de gemeente dat de uitstoot van broeikasgassen vermindert, zodat Schouwen-Duiveland op den duur ook energieneutraal wordt. Voor de toetsing zie paragraaf 4.5 Duurzaamheid. Module Geluid en Stilte Voor de module Geluid & Stilte is een langetermijnbeleid omschreven voor de periode tot 2030. Op die manier wordt duidelijk waar de gemeente naartoe wil op het gebied van geluid en stilte. Schouwen-Duiveland is een gemeente met weinig geluidhinder en dat willen ze zo houden. Voor de toetsing zie paragraaf 4.3 Milieuzonering en paragraaf 4.7 Geluid.
Module Licht en Duisternis In de gemeente Schouwen-Duiveland kan de kwaliteit duisternis nog volop worden ervaren. Vergeleken met andere gemeenten neemt Schouwen-Duiveland daarmee een bijzondere plaats in. De gemeenteraad van Schouwen-Duiveland wil de duisternis beschermen door nieuwe ontwikkelingen te toetsen op hun lichtverspreiding. Zo nodig kan de gemeente aanvullende eisen stellen aan de verlichting en de hoeveelheid licht die deze verspreidt. Voor de toetsing zie paragraaf 4.8 Licht en duisternis. Module Luchtkwaliteit De luchtkwaliteit op Schouwen-Duiveland is, zeker vergeleken met andere gebieden in Nederland, goed. Die bijzondere positie wil de gemeente zien te behouden. Waar mogelijk willen ze de luchtkwaliteit zelfs nog verbeteren. Het verminderen van autoverkeer kan daarbij helpen. Autoverkeer is namelijk een belangrijke vervuilingsbron. Uit paragraaf 4.9 Luchtkwaliteit blijkt dat de bijdrage van het (extra) verkeer niet in betekende mate is. Derhalve hoeft voor het planvoornemen geen onderzoek inzake luchtkwaliteit te worden uitgevoerd. Conclusie Op basis van het bovenstaande vormt het gemeentelijk beleid geen belemmering voor deze ontwikkeling.
15
Hoofdstuk 4 Kw aliteit van de leefomgeving 4.1
Inleiding
Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid en ruimtelijke ordening. De laatste decennia groeien deze beleidsvelden dan ook naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling wordt dan ook onderzocht welke omgevingsaspecten daarbij een rol (kunnen) spelen. Het is van belang om milieubelastende functies (zoals bepaalde bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies zoals woningen. Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende situaties moeten voorkomen worden.
4.2
Archeologie en cultuurhistorie
Archeologie De gemeente moet bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Dit staat in artikel 5.130 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels stellen in het omgevingsplan over archeologisch onderzoek. Voor het plangebied zijn de dubbelbestemmingen 'Waarde-Archeologisch Onderzoeksgebied A' en 'Waarde-Archeologisch Onderzoeksgebied B' van toepassing. Aangezien er geen sloop-, graaf- of bouwwerkzaamheden worden uitgevoerd, is archeologisch onderzoek op dit moment niet vereist. De dubbelbestemmingen worden in dit TAM-omgevingsplan overgenomen, maar op een andere wijze geformuleerd.
Cultuurhistorie De omgang met het cultureel erfgoed in onze leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet. Het gaat om zaken als de omgevingsvergunning voor rijksmonumenten, het aanstellen van een monumentencommissie, of rekening houden met cultureel erfgoed in omgevingsplannen. Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. De gemeente moet voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt daarnaast een toereikend beschermingsregime opnemen in het omgevingsplan. Bij cultureel erfgoed kan het gaan om monumenten zoals (bouw)werken, tuinen en parken, bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten, stadsen dorpsgezichten en (delen van) cultuurlandschappen. In en in de directe omgeving van het plangebied zijn enkele MIP-objecten en historische boerderijen gelegen. Op het adres Verseputseweg 28 is een MIP object aanwezig. Het betreft een woonhuis uit de overgang 19e/20e eeuw. Binnen het plangebied op de adressen Verseputseweg 34 en 36 zijn beide historische boerderijen aanwezig. Er vinden geen bouwwerkzaamheden plaats ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling. De cultuurhistorische waarden van de Verseputseweg 28, 34 en 36 worden niet aangetast.
16
4.3
Milieuzonering
Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet ervoor zorgen dat voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten voorkomen wordt. Sommige activiteiten die vanuit een planologisch perspectief mogelijk worden gemaakt, veroorzaken milieubelasting voor de omgeving. Andere (gevoelige) functies moeten juist beschermd worden tegen milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Het doel van milieuzonering is om te komen tot een optimale kwaliteit van de leefomgeving. Er is sprake van een reeds (tijdelijk) vergunde minicamping aan de Verseputseweg 34 die ongewijzigd blijft. De voormalige bedrijfswoning op dit perceel is net zo goed beschermd als een reguliere woning ten opzichte van andere bedrijfsmatige activiteiten in de omgeving. De situatie is zodanig dat deze woning al op korte afstand van het naastgelegen agrarische bedrijf aan de Verseputseweg 36 is gelegen. De aanwezigheid van de woning belemmerd het agrarische bedrijf dan ook niet meer dan in de huidige situatie.
Door de aanduiding 'intensieve veehouderij' te verwijderen, wordt voorkomen dat in de toekomst een milieubelastende functie opnieuw op dit perceel kan worden gevestigd. Dit draagt bij aan een betere afstemming van de functies in de omgeving. Bovendien heeft de realisatie van de minicamping ten noorden van Verseputseweg 34 een beperkter effect, ten opzichte van een hoveniersbedrijf, op het woonen leefklimaat van de agrarische bedrijfswoning aan de Verseputseweg 36.
4.4
Bodemkwaliteit
In het omgevingsplan staan de regels die voorkomen dat er onaanvaardbare gezondheidsrisico's ontstaan bij het toelaten van een bodemgevoelig gebouw (groter dan 50 m²) op een bodemgevoelige locatie. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor het bouwen. Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Gelet op het feit dat in het kader van de voorgenomen bestemmingswijziging geen grondroerende werkzaamheden plaatsvinden, is de kans op contact met eventuele verontreinigde grond minimaal. Bovendien is voor de huidige situatie reeds een omgevingsvergunning verleend, waarbij de beoogde activiteiten – een minicamping en regulier wonen – zijn toegestaan binnen het bestaande gebruikskader. Deze activiteiten zijn niet bodembedreigend van aard en vinden plaats binnen de bestaande ruimtelijke en functionele structuur. Daarnaast zijn er geen concrete aanwijzingen voor bodemverontreiniging, zoals historische meldingen, eerdere onderzoeksresultaten of bodembedreigende activiteiten die geregistreerd staan in openbare bronnen zoals het Bodemloket.
4.5
Duurzaamheid
Duurzaamheid is het waarborgen van de bestaansmogelijkheden van en het voorzien in de behoeften van de huidige generatie zonder daarmee de behoeften van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Duurzaam omgaan met de ruimte betekent onder meer rekening houden met de huidige gebruiksfuncties en de mogelijkheid voor toekomstige generaties om functies aan een gebied te geven. Bij duurzame gebiedsontwikkeling gaat het om duurzaam gebruik van materialen, energie, natuur en mobiliteit. Omdat duurzaamheid veel facetten heeft, is een integrale benadering noodzakelijk.
17
De Gemeente Schouwen-Duiveland streeft naar een ruimtelijke inrichting waarmee we ons kunnen aanpassen aan de klimaatverandering. Anders gezegd: het is de bedoeling dat de gemeente Schouwen-Duiveland klimaatbestendig wordt. Bovendien wil de gemeente dat de uitstoot van broeikasgassen vermindert, zodat Schouwen-Duiveland op den duur ook energieneutraal wordt. Op dit moment zijn er een aantal transities die onder het begrip duurzaamheid vallen. De energietransitie, (het terugbrengen van de CO2 uitstoot door van fossiele energie over te gaan op hernieuwbare en duurzame energie) de ruimtelijke adaptatie voor de klimaatverandering (het aanpassen van de openbare ruimte om de negatieve effecten van de klimaatverandering te verkleinen of zelfs weg te nemen) en de overgang naar circulaire economie (gericht op het hoogwaardig hergebruiken van producten en grondstoffen). Alle ruimtelijke ontwikkelingen worden aan deze ontwikkelingen getoetst en indien mogelijk zal op deze ontwikkelingen geanticipeerd moeten worden. Energiebesparing en het gebruik van duurzame energie is een belangrijk thema in het nationale klimaatbeleid. In het bestemmingsplan gaat het er bij het thema energie om dat rekening gehouden wordt met duurzaamheidsaspecten bij het ontwikkelen van een plangebied. Daarnaast moet er ook gekeken worden of de ontwikkeling klimaatbestendig is.
Daarvoor wordt gekeken naar de thema's waterveiligheid, wateroverlast, hitte en droogte. Klimaatverandering heeft ook voor deze thema's gevolgen. Door daar aan de voorkant hierop te anticiperen, kunnen de effecten hiervan worden verminderd. Energie en klimaat Als onderdeel van het Milieubeleidsplan Schouwen-Duiveland is voor het aspect 'energie en klimaat' een langetermijnbeleid omschreven voor de periode tot 2030 (vastgesteld 25 juni 2009). De gemeente Schouwen-Duiveland streeft naar een ruimtelijke inrichting waarmee we ons kunnen aanpassen aan de klimaatverandering. Anders gezegd: het is de bedoeling dat de gemeente Schouwen-Duiveland klimaatbestendig wordt. Bovendien wil de gemeente dat de uitstoot van broeikasgassen vermindert, zodat Schouwen-Duiveland op den duur ook energieneutraal wordt. Om klimaatbestendig te kunnen worden zijn bij de ruimtelijke inrichting de volgende punten van belang: 1. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen Nieuwe ontwikkelingen stellen de gemeente in de gelegenheid om al direct bij de start van een project de beste keuzes te maken die kunnen leiden tot klimaatbestendigheid. Bijvoorbeeld op het gebied van infrastructuur, multifunctioneel gebruik, waterberging en geschikte bouwlocaties. 2. Herstructureringen Bij bestaande situaties is het veel ingewikkelder om ruimtelijke ontwikkelingen klimaatbestendig te maken.
Er is namelijk sprake van een bestaand wegennetwerk, overige infrastructuur en verkaveling. Wel kan er gekeken worden bij de renovatie en herstructurering van bestaande situaties naar eventuele technische maatregelen die kunnen worden getroffen. Bijvoorbeeld naar de koelingsmethodes voor verzorgingstehuizen, met het oog op de warmere zomers. Of ervoor zorgen dat woonwijken niet te veel verstenen. Daardoor kan bij hevige regenbuien het water makkelijker wegsijpelen.
De gewenste ontwikkeling betreft uitsluitend het permanent planologisch vastleggen van de bestaande minicamping aan de Verseputseweg 34. Bij deze ontwikkeling is nadrukkelijk gekozen voor een duurzame insteek, waarmee actief wordt bijgedragen aan de bredere duurzaamheidsdoelstellingen zoals geformuleerd in onder andere het nationale Klimaatakkoord en regionale ambities op het gebied van circulaire economie en energiegebruik. De energievoorziening op de camping zal volledig energieneutraal worden ingericht. Dit houdt in dat uitsluitend gebruik wordt gemaakt van groene energiebronnen voor zowel de levering van elektriciteit als de verwarming van water. Voor de mobiliteit van gasten wordt ingezet op duurzaamheid: er is een oplaadvoorziening voor elektrische auto’s aanwezig en het gebruik van elektrische fietsen en scooters
18
wordt gefaciliteerd. Ook op het gebied van afval- en grondstoffenbeheer worden concrete stappen gezet. Er komt een speciaal depot voor GFT en groenafval (zoals gras- en snoeiresten), waar ook campinggasten hun eigen organische reststromen kunnen deponeren. Deze groenresten worden lokaal verwerkt via het bokashi-proces: een anaerobe fermentatiemethode waarmee het materiaal wordt omgezet in een hoogwaardige, voedzame bodemverbeteraar. Hiermee wordt het principe van kringlooplandbouw op kleine schaal toegepast. De beoogde ontwikkeling is kleinschalig, sluit aan bij het bestaande gebruik en draagt via concrete maatregelen bij aan meerdere duurzaamheidsdoelstellingen. De minicamping fungeert hiermee als voorbeeld van hoe recreatie en duurzaamheid hand in hand kunnen gaan binnen het landelijk gebied.
4.6
Omgevingsveiligheid
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.2 Bkl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Dit in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De doelstelling van omgevingsveiligheid is het realiseren van een veilige woon- en leefomgeving door het beheersen van risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Omgevingsveiligheid is erop gericht te voorkomen dat er dichtbij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Bij nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met risicobronnen in de omgeving. De instructieregels van paragraaf 5.1.2 zijn erop gericht gebouwen en locaties te beschermen waar personen gedurende een periode verblijven. In het plangebied en de directe omgeving bevinden zich geen risicovolle inrichtingen (zie onderstaande afbeelding). Ook zijn er geen planologisch relevante kabels en/of leidingen in of nabij het plangebied.
De dichtstbijzijnde transportroute voor gevaarlijke stoffen is de N59, die op een aanzienlijke afstand van 1.800 meter van het plangebied ligt. Het plangebied valt daardoor buiten de aandachtsgebieden van deze weg. Het aspect 'omgevingsveiligheid' vormt dan ook geen belemmering voor het planologisch mogelijk maken van de voorgenomen ontwikkeling.
19
Afbeelding 5 | Omgevingsveiligheid (bron: Atlas Leefomgeving, bewerking Juust)
4.7
Geluid
Geluid kan hinderlijk en schadelijk voor de gezondheid zijn. Zo kunnen hoge geluidsniveaus het gehoor beschadigen. Maar ook verstoring van de slaap kan op de lange duur slecht zijn voor de gezondheid. In Nederland zijn afspraken gemaakt over wat acceptabele geluidsniveaus zijn en wat niet (de geluidsnormen). Bij ruimtelijke plannen kan akoestisch onderzoek nodig zijn om geluidhinder bij geluidgevoelige objecten (scholen, woningen, etc.) te voorkomen. De Omgevingswet bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. Een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd als een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een aandachtsgebied van een bestaande geluidbron of indien het plan een nieuwe geluidbron mogelijk maakt. Recreatieterreinen, zoals minicampings, worden op basis van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) niet aangemerkt als geluidgevoelige objecten. Ook binnen het gemeentelijk beleid voor ruimtelijke ordening en zoneringen gelden geen aanvullende geluidseisen voor kleinschalige kampeerterreinen zoals op de locatie Verseputseweg 34.
Het vervallen van de aanduiding ‘intensieve veehouderij’ betekent bovendien dat een potentieel geluidproducerende functie verdwijnt, wat eerder een positief dan een negatief effect heeft op het akoestisch klimaat in de omgeving. Gelet op het bovenstaande vormt het aspect geluid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling en is akoestisch onderzoek niet noodzakelijk.
20
4.8
Licht en duisternis
In de gemeente Schouwen-Duiveland kan de kwaliteit duisternis nog volop worden ervaren. Vergeleken met andere gemeenten neemt Schouwen-Duiveland daarmee een bijzondere plaats in. De gemeenteraad van Schouwen-Duiveland wil de duisternis beschermen door nieuwe ontwikkelingen te toetsen op hun lichtverspreiding. Zo nodig kan de gemeente aanvullende eisen stellen aan de verlichting en de hoeveelheid licht die deze verspreidt. Kunstmatige verlichting komt onder meer voor langs (auto)snelwegen, (fiets)paden, in woonkernen, op industrie- en bedrijventerreinen, recreatieterreinen, glastuinbouwbedrijven en sportlocaties zoals maneges, golfbanen en voetbalvelden. Mogelijke negatieve effecten van lichthinder hangen af van factoren zoals de aard, intensiteit, duur en locatie van de verlichting, evenals de mate van blootstelling, die wordt beïnvloed door de omgeving en het gedrag van mens en dier. Voor de minicamping en het agrarisch perceel aan de Verseputseweg 34 verandert de verlichting niet ten opzichte van de bestaande situatie. De voorgenomen ontwikkeling leidt daarom niet tot negatieve effecten op het aspect licht en duisternis.
4.9
Luchtkwaliteit
Bij het toelaten van activiteiten moeten, in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, de gevolgen voor de luchtkwaliteit worden beoordeeld. Als sprake is van een zeer beperkte bijdrage aan de concentratie van stikstofdioxide (NO2) en PM10 is geen beoordeling nodig of aan de omgevingswaarde wordt voldaan. Er is sprake van een 'niet in betekenende mate bijdrage' wanneer de toename van de concentratie NO2 en PM10 in de buitenlucht niet hoger is dan 1,2 µg/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van PM10 en NO2. Daarnaast is een aantal categorieën aangewezen die in elk geval als 'niet in betekenende mate' worden aangemerkt. Bij activiteiten en werken die binnen deze categorieën vallen hoeft verder niet door middel van berekeningen of op een andere manier aangetoond te worden dat de toename van de concentraties niet de van toepassing zijnde grens voor NIBM overschrijdt. Als een project tot een toename voor NO2 en PM10 leidt die lager is dan de NIBM grens van 1,2 ìg/m3 hoeft het project niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Vanzelfsprekend moet er wel sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening. In de regeling NIBM is aangegeven, dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen en één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
De voorgenomen ontwikkeling draagt niet in betekende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, gelet op het feit dat er geen toename is van het aantal verkeersbewegingen ten opzichte van de huidige situatie.
4.10
Natuur
Het aspect natuur omvat zowel soortenbescherming als gebiedsbescherming. Sommige activiteiten kunnen gevolgen hebben voor dieren en planten. Dat zijn flora- en fauna-activiteiten. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen. De beschermde flora en fauna mag niet worden verstoord, verjaagd of worden gedood. Voorafgaand aan een ontwikkeling moet, indien negatieve effecten op mogelijke beschermde soorten op voorhand niet uitgesloten kunnen worden, onderzocht worden of er beschermde dieren- of plantensoorten in het plangebied leven. Daarnaast is aandacht nodig voor de gebiedsbescherming, waarvoor het Rijk en de Provincie in de eerste plaats verantwoordelijk zijn. Toebedeelde functies moeten beoordeeld worden op mogelijk nadelige gevolgen voor Natura 2000-gebieden en getoetst moet worden aan de
21
instructieregels uit Nederland-gebieden.
de
omgevingsverordening
ten
aanzien
van
Natuurnetwerk
Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van een natuurgebied, natuurnetwerk en Natura-2000 gebieden. Het dichtstbijzijnde beschermde Natura 2000-gebied is 'Oosterschelde'. Dit natuurgebied ligt op circa 1,9 km van het plangebied. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling op enige afstand van de beschermde Natura 2000-gebieden plaatsvindt, worden geen negatieve effecten als gevolg van externe werking (middels visuele verstoring en verstoring door productie van geluid, trilling en licht) verwacht. In het kader van de reeds verleende omgevingsvergunning is een stikstofberekening uitgevoerd voor zowel de aanleg als het gebruik van de minicamping (zie Bijlage 1). Uit deze berekening blijkt dat de bijdrage aan stikstofdepositie niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar op voor stikstof gevoelige Natura 2000-gebieden. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling geen wijziging brengt in het gebruik of de omvang van de minicamping ten opzichte van de vergunde situatie, blijft de stikstofsituatie ongewijzigd. Op basis van de eerder uitgevoerde berekening geldt dat geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming, tegenwoordig de Omgevingswet, vereist is met betrekking tot stikstofdepositie.
Soortenbescherming Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kunnen gevolgen hebben voor wettelijk beschermde natuurwaarden, waaronder leefgebieden van beschermde dier- en plantensoorten. In dit geval betreft het echter een planologische regeling van een reeds bestaande situatie, namelijk het permanent maken van een bestaande minicamping. Er vinden geen fysieke ingrepen of veranderingen in het gebruik plaats die kunnen leiden tot aantasting van habitats of verstoring van beschermde soorten.mGelet op de aard en omvang van het plan kunnen nadelige effecten op beschermde soorten dan ook redelijkerwijs worden uitgesloten. Aangezien het gebruik niet wijzigt en er geen ingrepen plaatsvinden die effect kunnen hebben op aanwezige flora en fauna, is het aanvragen van een ontheffing op grond van de soortenbescherming niet aan de orde. Het aspect soortenbescherming vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen planologische ontwikkeling.
4.11
Niet gesprongen explosieven
Op sommige plaatsen in Nederland bevinden zich nog niet ontplofte explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in de bodem. Deze leveren een gevaar op, vooral als ze verplaatst of aangeraakt worden, bijvoorbeeld bij graaf- of baggerwerkzaamheden. Op het moment dat in de nabijheid van deze Niet Gesprongen Explosieven (NGE) trillingen worden veroorzaakt of grondwerkzaamheden in de bodem worden uitgevoerd, kunnen deze NGE alsnog afgaan. Onder grondwerkzaamheden worden verstaan activiteiten zoals grondverzet, graaf- en heiwerkzaamheden in de bodem. De gemeente Schouwen-Duiveland beschikt over een nota en beleidskaart met hierin de locaties waar mogelijk niet gesprongen explosieven (NGE’s) in de bodem kunnen voorkomen. De kaart is opgesteld op basis van historisch onderzoek en wordt regelmatig geactualiseerd. Het plangebied ligt, op basis van de gemeentelijke beleidskaart, niet binnen verdacht gebied voor niet gesprongen explosieven (zie onderstaande afbeelding).
22
Afbeelding 7 | Uitsnede Beleidskaart CE Schouwen-Duiveland (bron: gemeente Schouwen-Duiveland)
4.12
Weging van het waterbelang
Bij het toelaten van activiteiten moet rekening gehouden worden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen, ook wel 'weging van het waterbelang' genoemd. De weging van het waterbelang geldt, volgens artikel 5.37 Bkl, bij het vaststellen van het omgevingsplan. Bij de vaststelling van het omgevingsplan of het verlenen van de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt het advies van de waterbeheerder betrokken. Binnen het plangebied vinden geen fysieke wijzigingen of ingrepen plaats. De voorgenomen ontwikkeling betreft uitsluitend het planologisch vastleggen van een bestaande situatie, zonder uitbreiding van verhard oppervlak of aanpassing van de inrichting. Hierdoor verandert de hydrologische situatie niet. De aanwezige oppervlaktewaterlichamen (zie onderstaande afbeelding) binnen en nabij het plangebied ondervinden dan ook geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling. Er is geen sprake van werkzaamheden binnen de beschermingszones van deze waterlichamen en er worden geen handelingen verricht die invloed kunnen hebben op waterkwaliteit of -kwantiteit. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat het aspect water geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
23
Afbeelding 8 | Scheldestromen)
Uitsnede
Legger
Oppervlaktewaterlichamen
(bron:
gemeente
Waterschap
Op basis van het bovenstaande vormt het aspect 'water' geen belemmering voor het realiseren van de gewenste ontwikkeling.
4.13
Milieueffectrapportage
De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In bijlage V van het Omgevingsbesluit zijn diverse activiteiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Hierbij moet beoordeeld worden of er aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn. Bij de ontwikkeling van een recreatieterrein moet beoordeeld worden of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van permanente kampeer- of caravanterreinen als bedoeld in kolom 1 onder M4 uit bijlage V Omgevingsbesluit geldt een mer-beoordelingsplicht waarbij een zogenaamde 'mededeling' van het voornemen voor de planontwikkeling moet worden gedaan (voorheen de aanmeldnotitie). Er moet beoordeeld worden of er aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn. Deze motivering wordt gezien als de mededeling. In het onderhavige geval betreft het een beperkte ruimtelijke ontwikkeling: het planologisch permanent maken van een bestaande minicamping en het laten vervallen van de aanduiding ‘intensieve veehouderij’. Er worden geen nieuwe functies toegevoegd en het bestaande gebruik blijft feitelijk ongewijzigd. Gezien de aard van het plan en de beperkte ruimtelijke en milieutechnische impact zijn geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten.
Dit wordt onderbouwd in paragrafen 4.1 tot en met 4.12,
24
waarin afzonderlijke milieueffecten (zoals geluid, stikstof, bodem, natuur en water) zijn beoordeeld. Op basis hiervan is er geen aanleiding voor het opstellen van een milieueffectrapport (MER) of nadere m.e.r.-beoordeling.
25
Hoofdstuk 5 5.1
Conclusie
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
Om een TAM-IMRO omgevingsplan vast te laten stellen, moet gemotiveerd worden dat de ontwikkeling met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) aanvaardbaar wordt geacht, volgens artikel 8.0a, tweede lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl). Daarnaast moet ook voldaan worden aan de instructieregels en instructies van zowel de provincie als het Rijk (artikel 8.0b Bkl). In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het geldende beleid en zijn de relevante milieu- en omgevingsaspecten beschouwd. Hieronder is aangegeven of aan een aspect voldaan wordt, niet wordt voldaan of onder voorwaarden kan worden voldaan.
Bodem Archeologie Bodemkwaliteit Niet Gesprongen Explosieven
V V V
Natuur en water Weging van het waterbelang Natuur
V V
Omgevingskwaliteit Ladder voor duurzame verstedelijking Landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit Cultuurhistorische waarden Welstand
V V V V
Mobiliteit en bereikbaarheid Verkeersgeneratie Vervoersmodaliteit en ontsluiting Parkeren
V V V
Duurzaamheid Duurzame energie
V
Gezonde leefomgeving Groen Milieuzonering Omgevingsveiligheid Geluid Luchtkwaliteit
V V V V V
26
Milieueffectrapportage
5.2
V
Belangenafweging
Uit bovenstaande tabel blijkt dat aan alle aspecten wordt voldaan. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
27
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
In het omgevingsplan geeft de gemeente aan dat een bepaalde functie op een locatie 'kan' komen en zodra zich een concreet initiatief aandient moet onderzocht 'hoe' dat financieel uitvoerbaar is. Bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, die voldoende concreet is, moet de uitvoerbaarheid daarom worden aangetoond. Er is sprake van een ontwikkeling welke volledig op initiatief en voor eigen rekening van de grondeigenaar (tevens initiatiefnemer) plaatsvindt. De te verhalen kosten voor de gemeente betreffen eventuele nadeelcompensatie en proceskosten. Ten aanzien van deze aspecten is het mogelijk een privaatrechtelijke overeenkomst te sluiten tussen de gemeente en de initiatiefnemer zodat er geen publiekrechtelijk kostenverhaal in het kader van de buitenplanse omgevingsplanactiviteit nodig is. Deze overeenkomst zal voor het verlenen van de omgevingsvergunning worden gesloten. De ontwikkeling heeft voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1 Participatie Participatie is een belangrijk onderdeel van de Omgevingswet. Een initiatiefnemer moet bij het aanvragen van een omgevingsvergunning aangeven of hij aan participatie heeft gedaan en wat de resultaten zijn. Dit aanvraagvereiste omvat geen verplichting voor de aanvrager om aan participatie te doen. De gemeenteraad kan echter gevallen aanwijzen waarin participatie verplicht is. In voorliggend plan is er sprake van het planologisch vastleggen van een feitelijk bestaande situatie. Particpatie is niet benodigd voor de voorgenomen ontwikkeling.
28
Hoofdstuk 7 Juridische planbeschrijving 7.1
Algemeen
Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In de Bruidsschat zitten onder andere regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen. De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl. Het gebruik van TAM-IMRO is, vooralsnog, toegestaan tot en met 31 december 2025.
Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2025 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD). Met het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Verseputseweg 34-36 Kerkwerve wordt de bestaande situatie planologisch vastgelegd. Deze wijziging op het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Schouwen-Duiveland is technisch opgesteld conform het InformatieModel Ruimtelijke Ordening (IMRO), maar is inhoudelijk uitgewerkt op basis van de vereisten volgens de Omgevingswet.
7.2
Inleidende bepalingen
De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Verseputseweg 34 en 36 in Kerkwerve, waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1676.00409TAMopKW-ON01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. Hoofdstuk 1 bevat bepalingen die gelden voor het gehele plangebied en bestaat uit: Artikel 1 Begripsbepalingen: Begripsbepalingen en aanvraagvereisten in de bruidsschat zij niet automatisch van toepassing op een TAM-omgevingsplan. Met deze bepaling worden alle begrippen uit de bruidsschat van toepassing verklaard. Verder zijn aanvullende begrippen opgenomen (Artikel 2). Artikel 3 Toepassingsbereik: Dit artikel geeft aan voor welk werkingsgebied de regels van toepassing zijn. Tevens wordt aangegeven dat specifieke artikelen uit de Omgevingswet en het Omgevingsplan van rechtswege niet van toepassing zijn indien strijdigheid bestaat met de regels uit het TAM-omgevingsplan. Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen: Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden
29
gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.
7.3
Gebruiksactiviteiten
In hoofdstuk 4 is opgenomen welke functies en gebruiksactiviteiten binnen het plangebied zijn toegestaan. In dit geval is dat de functie 'Recreatie-Verblijfsrecreatie', 'Wonen' en 'Agrarisch'. Hierbinnen is aangegeven welke gebruiksactiviteiten ten behoeve van de functie is toegestaan.
7.4
Bouwactiviteiten
Hoofdstuk 5 bevat de bouwactiviteiten: Artikel 12: Algemene bouwregels Artikel 13: Bouwen van een hoofdgebouw - vergunningplicht Artikel 14: Bouwen van een gebouw - vergunningplicht Artikel 15: Bouwen van een bijbehorend bouwwerk en overkapping - vergunningplicht Artikel 16: Bouwen van een ander bouwwerk - vergunningplicht Artikel 17. Bouwen van een specifiek bouwwerk - vergunningplicht Artikel 18. Bouwen in archeologisch waardevol gebied - vergunningplicht
7.5
Aanlegactiviteiten
In hoofdstuk 6 zijn regels opgenomen ter bescherming van bepaalde archeologische waarden of bepaalde objecten.
7.6
Overgangsregels
In hoofdstuk 7 is het overgangsrecht van bouwwerken en het overgangsrecht van gebruik opgenomen.
30
Bijlagen
31
Bijlage 1
32
Stikstofberekening
STIKSTOFDEPOSITIE BEREKENING PROJECT MINICAMPING CASITA
Blankenstein 400 7943PH Meppel www.sterqteco.nl
Opdrachtgever:
Minicamping Casita Verseputseweg 34 4321 TD Kerkwerve
Notitie Contactpersoon
Kenmerk
Status
Datum
R. Gerritse
D959
Definitief
16 juni 2023
Betreft: Stikstofberekening (AERIUS-berekening) project mincamping
1. Aanleiding Opdrachtgever heeft het voornemen een mincamping te realiseren en exploiteren. Het project vereist voor deze ontwikkeling een stikstofberekening voor de omgevingsvergunning. Opdrachtgever heeft STERQT eco gevraagd de stikstofberekening voor deze ontwikkeling uit te voeren. Deze notitie gaat eerst in op de locatie en ontwikkeling (paragraaf 2). Vervolgens wordt de aanpak en het toetsingskader beschreven, evenals de methode voor de berekeningen en de resultaten (paragraaf 3 tot en met 5). Paragraaf 6 beschrijft de conclusie.
2. Locatie en schets van de ontwikkeling Het plangebied ligt buiten de bebouwde kom op locatie: Verseputseweg 34 te Kerkwerve (zie figuur 1 visualisatie plangebied).
Figuur 1: Het plangebied (aangegeven in locatie 1) ten opzichte van het Natura 2000 gebied paars/groen
In het natuurgebied Oosterschelde op 1,2 km afstand van het project zijn stikstofgevoelige Habitats onderdeel van het Natura2000 gebied. Het project betreft de aanleg en exploitatie van een minicamping. Het zijn de emissies die vrij komen vanuit de aanleg- en gebruikersfase welke zijn meegenomen in deze berekening.
Pagina 1 van 5
3. Aanpak en toetsingskader In deze notitie is beoordeeld of de omgevingsvergunning conflicteert met de Wet natuurbescherming (Wnb), voor het onderwerp stikstofdepositie, onderdeel van een toetsing aan de gebiedsbescherming (Natura 2000). Het model AERIUS wordt gebruikt om te bepalen of al dan niet sprake is van stikstofdepositie op Natura 2000 gebieden (0,00 mol/ha/jaar). Immers, wanneer berekend wordt dat er geen toename van stikstofdepositie plaats vindt, zijn vervolgstappen niet nodig.
4. Methode In het Natura 2000 gebied Oosterschelde zijn stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden aanwezig. De effecten ten aanzien van stikstofdepositie vanuit de aanleg- en gebruikersfase zijn daarom in beeld gebracht aan de hand van een modelberekening met de AERIUSCalculator en getoetst volgens de huidige kaders van de Wet natuurbescherming. Het rekenjaar voor de aanleg- en gebruikersfase (exploitatie) is worstcase in één jaar 2023 berekend. De basis voor deze berekening zijn de aanleg- en exploitatiegegevens aangegeven door de opdrachtgever. De A.U.B-methode (A- Adblue verbruik, U-draaiuren, B-Brandstofverbruik) is gebruikt voor de bouwfase berekening. De gehanteerde formule voor de AUB-methode :
Algemeen Het project betreft een realisatie en exploitatie van een natuurlijke ingerichte duurzame minicamping met ruime staplaatsen van ca. 150m² op een totaal 2700m² kampeerterrein oppervlakte. De verwarming en tapwatervoorzieningen zijn voorzien van elektrisch installatietechniek (middels duurzame energietechniek). Er worden elektrische fietsen en scooters aangeboden aan de gasten. Deze berekening gaat uit van maximale (continue) bezetting van de totaal 18 staplaatsen.
Pagina 2 van 5
Bouwfase 2023 In de onderstaande tabel zijn de invoergegevens van de mobiele werktuigen in de bouwfase op de minicamping terrein weergegeven. De cumulatieve emissie (NOx) als gevolg van belast en stationair draaien is 2,6 NOx kilogram/jaar. In hoofdlijn betreft dit machines voor: • Grondverzet • opperwerkzaamheden en overig Onderstaande tabel de samenvatting van het aantal draaiuren, het machinevermogen en bouwjaar/stageklasse welke afkomstig zijn van een referentieproject zijn gebaseerd op het materieel met bijbehorend gemiddelde brandstofverbruik 2-10ltr per draaiuur (*bron TNO) zonder toepassing van AdBlue % toevoeging. Tabel invoergegevens Aerius: Functie