CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

2025.436 Bijlage 1 Investeringsplan 2026 Tennet (1633412)

Gemeenteraad 11 december 2025, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: Ingekomen stukken48.312 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 6

Realisatiefase

Initiatie

Alternatieven studie

G0

Basisontwerp

G1

Vergunningen, detailontwerp, constructie en inbedrijfname G2

redispatch – zeker wanneer een knelpunt naar verwachting gering of van tijdelijke aard is. Soms kan een knelpunt worden weggenomen met extra onderhoudsactiviteiten. In alle gevallen zijn dit specifieke afwegingen die per knelpunt worden gemaakt. Meer informatie over de knelpunten en het assetrisicoregister staat in de bijlagen van dit IP. Voor knelpunten die slechts in één van de flankerende scenario’s van het Koersvaste Middenweg scenario (Eigen Vermogen of Gezamenlijke Balans) voorkomen, wordt vooralsnog niet een project gestart vanwege grotere onzekerheid in prognoses; deze knelpunten worden gemonitord tot het volgende IP.

Projectsluiting en overdracht beheerorganisatie G4

G5

In het geval van een investering wordt het geselecteerde alternatief na het Gate 1 besluit uitgewerkt tot een basisontwerp, waarna een Gate 2 document (Final Investment Decision) wordt ingediend. In deze aanvraag zijn scope, projectrisico's, budget en planning in detail bepaald. Tijdens de looptijd van het project kan de op dat moment beschikbare informatie aanleiding zijn om een Project Exception Report (ER-document) in te dienen om het projectmandaat te wijzigen. Een ER kan betrekking hebben op een technische scopewijziging, een overschrijding van het budgetmandaat of een vertraging (meer dan twee kwartalen) in de realisatie van het betreffende project. Daarnaast is een ER nodig om een project op te schorten (On hold). In figuur 5.8 is het investeringsproces schematisch weergegeven.

De afronding van de studiefase resulteert in een Gate 1 document (Selection of Alternatives), waarin diverse alternatieven om het betreffende knelpunt te mitigeren worden uiteengezet en een voorkeursalternatief wordt aangedragen. Dit kan een investering in fysieke infrastructuur zijn, maar ook een andersoortige oplossing.

Ontwerp investeringsplan 2026 Net op land – Consultatiedocument TenneT TSO B.V.

37

1. Inleiding

2. Strategie

3. Totaaloverzicht

4. Terugblik

5. Methodiek

6. Scenario’s en marktsimulaties

7. Investeringen

8. Projecten Rijksprojectprocedure

9. Congestie

Bijlagen

Methodiek

Projecttypen in investeringsportfolio Dit IP omvat verschillende typen projecten. In hoofdstuk 7 zijn deze projecten per deelnet weergegeven en geordend naar type van de investering (capaciteit, klantaansluiting, vervanging, functionaliteit, reconstructie, etc.). In dit hoofdstuk kijken we naar de aard van de investeringen: risico-gedreven of extern gedreven. • Risico-gedreven investeringen: dit zijn projecten die voortkomen uit de noodzaak om risico’s in het net te beperken. Hieronder vallen: ◦ Capaciteitsprojecten (risico-gedreven uitbreidingsinvesteringen): investeringen die de transportcapaciteit van het net vergroten en voortkomen uit de analyse van capaciteitsknelpunten. ◦ Vervangingsprojecten (risicogedreven overige investeringen): vervanging van componenten die verouderd, minder betrouwbaar of technisch niet meer toereikend zijn. ◦ Functionaliteitsprojecten (risicogedreven overige investeringen): toevoeging van functionaliteit aan het net zonder capaciteitsuitbreiding, zoals verbeterde fysieke beveiliging of telecommunicatievoorzieningen. • Extern gedreven investeringen: dit zijn projecten die worden geïnitieerd door externe partijen en waaraan TenneT uitvoering geeft. Hieronder vallen: ◦ Klantaansluitingen (extern gedreven overige investeringen): projecten om klanten aan te sluiten op het hoogspanningsnet.

Deze liggen buiten de beslissingsbevoegdheid van TenneT en hebben geen directe risicoscore. ◦ Reconstructies (extern gedreven overige investeringen): projecten die noodzakelijk zijn vanwege aanpassingen in andere infrastructuren, zoals weg- of spoorprojecten, of vanwege wettelijke verplichtingen (zoals verkabeling op grond van de Wet VET). ◦ Klantgedreven projecten (Extern gedreven uitbreidingsinvesteringen): omvatten investeringen zoals de bouw van nieuwe stations of uitbreidingen van bestaande stations om voorziene klantaansluitingen te kunnen faciliteren.

1

Portfolio governance proces: klantaansluitingen en reconstructies Klantaansluitingen en reconstructies volgen vergelijkbare processtappen. Een klantaansluitingsproject start met een door de klant getekende offerte voor het maken van een basisontwerp voor de klantaansluiting en wordt daarmee opgenomen in het IP. Het project start dus in de basisontwerpfase. Dit proces is gewijzigd ten opzichte van voorgaande IP's waarin klantaansluitingen startten in de studiefase op het moment dat de offerte voor een basisontwerp werd aangevraagd1. Aangezien een aanzienlijk deel van de uitgegeven offertes niet heeft geresulteerd in een getekende offerte, zou voortzetting van deze werkwijze leiden tot een vervuiling van het investeringsportfolio. Na het tekenen van een realisatieovereenkomst of voorloopovereenkomst gaat het project naar de realisatiefase. Reconstructies worden gestart bij aanvraag van een haalbaarheidsstudie of reconstructieverzoek en worden daarmee opgenomen in het IP. Vanwege de doorlooptijd van verwerking van getekende offertes is het mogelijk dat voor enkele projecten de offerte basisontwerp al door de klant getekend is, maar dit project nog niet in het IP is opgenomen. Projectfases Investeringen doorlopen verschillende fases, met zogenaamde ‘Gatemomenten’.

In het IP worden drie fases gehanteerd die hieronder worden toegelicht, waarbij ook wordt aangegeven hoe deze fases zich verhouden tot de projectfases van de regionale netbeheerders. Voor kleinere projecten geldt een simpeler proces met gelijktijdige goedkeuring van meerdere gates. Studiefase Als er voldoende aanleiding is om een project te starten, wordt er een Study Initiation Form (SIF) of – voor omvangrijke projecten – een Gate 0-document ingediend, waarmee budget en tijd wordt aangevraagd voor onderzoek naar mogelijke oplossingsalternatieven. Het project komt na goedkeuring in de studiefase. Deze fase komt overeen met de

“Initiatiefase” van de regionale netbeheerders. In deze fase worden de oplossingsalternatieven verder uitgewerkt en onderzocht op haalbaarheid en worden vaak ook al de eerste contacten gelegd met het bevoegd gezag. Het doel van de studiefase is om de voorkeursoplossing te bepalen en daarvoor worden verschillende alternatieven onderzocht. Op basis van de uitkomsten van de haalbaarheidsstudie en (eventueel) voortschrijdend inzicht kan de scope van deze projecten nog wijzigen. Voor de kostenraming en planning wordt het meest waarschijnlijke alternatief gebruikt. In deze fase wordt er dus nog geen rekening gehouden met projectspecifieke risico’s. Doordat de haalbaarheidsstudies nog niet zijn opgestart of afgerond, is de planning van projecten in deze fase gebaseerd op standaard doorlooptijden van de verwachte werkzaamheden van het meest waarschijnlijke alternatief. Deze standaard doorlooptijden zijn gebaseerd op de verwachte of gerealiseerde doorlooptijden van vergelijkbare werkzaamheden in verder gevorderde of reeds afgeronde projecten. Om deze standaard doorlooptijden actueel te houden worden deze periodiek geëvalueerd en – indien nodig – bijgesteld. De meest gebruikte standaard doorlooptijden zijn hieronder weergegeven. Tabel 5.3: Standaard doorlooptijden voor nieuwbouw Werkzaamheden

110/150 kV kabelverbinding 110/150 kV station 220/380 kV lijnverbinding 220/380 kV station

Doorlooptijd in jaren Studiefase

Basisontwerpfase

Realisatiefase

Totaal

1 1,5 1 1,5

2 2 4 4

4 4 10 8

7 7,5 15 13,5

De studiefase eindigt met het vaststellen van het voorkeursalternatief in het Gate 1 document (Selection of Alternatives).

Werkzaamheden op gedeelde stations met Liander worden meestal door de gezamenlijke serviceprovider Reddyn uitgevoerd. Deze projecten volgen een ander proces, waardoor klantaansluitingen in dit gebied wel in de studiefase kunnen starten.

Ontwerp investeringsplan 2026 Net op land – Consultatiedocument TenneT TSO B.V.

38

1. Inleiding

2. Strategie

3. Totaaloverzicht

4. Terugblik

5. Methodiek

6. Scenario’s en marktsimulaties

7. Investeringen

8. Projecten Rijksprojectprocedure

9. Congestie

Bijlagen

Methodiek

Basisontwerpfase Na de studiefase komt het project in de basisontwerpfase. Deze fase komt overeen met het begin van de “Definitie- en ontwerpfase” van de regionale netbeheerders. Het doel van de basisontwerpfase is om het voorkeursalternatief uit de studiefase verder uit te werken, zowel op technisch als op ruimtelijke gebied. De planning uit de studiefase wordt verder verfijnd op basis van deze aanvullende en meer gedetailleerde inzichten, maar kent nog altijd een onzekerheid, bijvoorbeeld omdat planologische procedures nog niet volledig doorlopen hoeven zijn. De basisontwerpfase eindigt met een Gate 2 document. Bij goedkeuring van het Gate 2 document is er sprake van een Final Investment Decision; hiermee gaat het project naar de realisatiefase. Realisatiefase Na de basisontwerpfase komt het project in de realisatiefase. Deze fase komt overeen met het einde van “Definitie- en ontwerpfase” en de “Uitvoeringsfase” van de regionale netbeheerders. In deze fase wordt het basisontwerp verder uitgewerkt tot een detailontwerp (niveau wat nodig is om het project daadwerkelijk te bouwen) en worden het nieuwe station en/of verbindingen gebouwd en in bedrijf genomen. Voordat de bouw kan beginnen moeten de planologische procedures volledig afgerond zijn en moet het basisontwerp uitgewerkt worden tot het detailontwerp.

Daarnaast is het noodzakelijk om contracten met betrekking tot grondaankoop en zakelijk recht overeenkomsten te hebben afgesloten. In deze fase wordt ook het project aanbesteed en wordt de aannemer geselecteerd. De geplande inbedrijfname van het project is in deze fase zekerder dan in de studie- en basisontwerpfase. De planning wordt gebaseerd op basis van het risicodossier uit het basisontwerp, planningen van de aannemers en aangevuld met informatie over de voortgang van de realisatie en de verwachte projectrisico's.

Deze projectfase eindigt met de inbedrijfname van het project. Dit betekent dat de nieuwe assets (stations, verbindingen) gebruikt kunnen worden om elektriciteit te transporteren. Toekomstbestendig investeren Nadat de capaciteitsknelpunten zijn bepaald, worden er oplossingen voor deze knelpunten in beeld gebracht. TenneT wil borgen dat de investeringen die gedaan worden voldoende toekomstbestendig zijn. Mede daarom heeft TenneT, vooruitlopend op de nieuwe Energiewet, er nu al voor gekozen om voor dit IP een zichttermijn van 15 jaar te hanteren. De in 2040 geconstateerde knelpunten en verkregen inzichten zijn leidend voor het bepalen van de oplossingsrichting van nieuwe projecten. Daarnaast voert TenneT ook studies uit naar mogelijke scenario’s na 2040, bijvoorbeeld de samen met de regionale netbeheerders opgestelde 110/150 kV-netvisies als onderdeel van Target Grid. Bij het bepalen van de oplossingsrichting is het Koersvaste Middenweg scenario in 2040 het leidende scenario, aangezien dit scenario – met de huidige inzichten – het meest waarschijnlijke is en gebaseerd is op (verwacht) overheidsbeleid (meer informatie over de scenario’s is te vinden in hoofdstuk 6). Inzichten vanuit het Gezamenlijke Balans en het Eigen Vermogen scenario worden wel meegenomen in het uitwerken van de oplossingsrichtingen om rekening te houden met de onzekerheid, maar zijn niet doorslaggevend.

Daarnaast worden er inzichten uit andere beschikbare studies gebruikt zoals Target Grid. In het ontwerp en bij de grondaankoop wordt rekening gehouden met toekomstige uitbreidingen van stations waarbij naar alle toekomstscenario’s gekeken wordt. Hiervoor wordt niet alleen naar het betreffende station zelf gekeken, maar ook naar naburige stations in verband met de afhankelijkheden tussen die stations. Daarnaast wordt rekening gehouden met verwachte toekomstige klantvragen en worden er standaard reservevelden gerealiseerd. Hierbij wordt ook naar de mogelijkheden van andere stations binnen het gebied gekeken. Dit alles zorgt voor de realisatie van een toekomstbestendig hoogspanningsnet.

Bij het bepalen van de oplossingsrichting wordt gebruik gemaakt van standaard stationsconfiguraties; nieuwe 380 kV-stations worden dusdanig ontworpen dat deze altijd uitgebreid kunnen worden naar de maximale standaard van vier koppeltransformatoren van 500 MVA (150 kV) of 370 MVA (110 kV). Indien er 110/150 kV-kabels aangelegd worden, wordt de gevraagde capaciteit van de nieuw te realiseren assets omhoog afgerond om een marge richting de toekomst te hebben. Daar waar mogelijk en opportuun, wordt de scope van de oplossing verdeeld over meerdere projecten en gefaseerd gerealiseerd. Projectafhankelijk zal er op basis van de prognoses besloten worden om de maximale omvang direct of gefaseerd te realiseren. Door wel de maximale ontwerpgrootte in het ontwerp aan te houden kan er later altijd ingespeeld worden op onzekerheden om dan alsnog de transportcapaciteit te vergroten. Het voorspellen van energieontwikkelingen en –beleid voor de komende vijftien jaar blijft onzeker. Om rekening te houden met de betaalbaarheid van de energietransitie, investeert TenneT daarom niet op de onzekere knelpunten die slechts in één van de flankerende scenario’s (EV of GB) voorkomen. Daarnaast houdt TenneT rekening met die onzekerheid door in elk IP opnieuw te kijken naar nut en noodzaak van projecten.

De nieuwe inzichten die daaruit naar voren komen, worden meegenomen in de projecten die zich in de studiefase bevinden. Voor projecten die voorbij de studiefase zijn, is het belangrijk om scope-vast te blijven, omdat het toevoegen van extra werkzaamheden tot vertraging in de realisatie kan leiden. Dit kan betekenen dat er een aanvullend project gestart wordt om in een vervolgfase extra transportcapaciteit te realiseren. Indien uit de berekeningen blijkt dat nut en noodzaak van een eerder geïnitieerd project, dat zich nog niet in de realisatiefase bevindt, niet meer vaststaat, wordt het project on hold gezet. Als er aanleiding toe is, kan de scope van projecten ook worden verkleind.

Ontwerp investeringsplan 2026 Net op land – Consultatiedocument TenneT TSO B.V.

39

1. Inleiding

2. Strategie

3. Totaaloverzicht

4. Terugblik

5. Methodiek

6. Scenario’s en marktsimulaties

7. Investeringen

8. Projecten Rijksprojectprocedure

9. Congestie

Bijlagen

Methodiek

5.7 Prioritering en optimalisatie portfolio

Figuur 5.9: Stappen binnen prioritering en optimalisatie van het portfolio

Door de snelheid van de energietransitie is de omvang van het investeringsportfolio van TenneT aanzienlijk toegenomen. Aangezien niet alle investeringsprojecten tegelijkertijd in voorbereiding dan wel in uitvoering kunnen worden genomen, is TenneT genoodzaakt om een ‘maakbaar’ portfolio te creëren via prioritering en optimalisatie. Figuur 5.9 geeft de stappen om tot een geoptimaliseerd portfolio te komen op hoofdlijnen weer. Input Het portfolio van bestaande projecten aangevuld met de nieuwe projecten is het startpunt om te komen tot een vernieuwd geoptimaliseerd portfolio. Per project is informatie benodigd over het type project, de verwachte doorlooptijd per fase, de inbedrijfnamedatum en benodigde resources per fase van het project. Als op basis van nieuwe inzichten de planning van een al bestaand project wijzigt (bijvoorbeeld doordat de aankoop van grond niet tijdig lukt), dan wordt deze informatie meegenomen bij de daaropvolgende prioritering en optimalisatieronde van het portfolio welke vier keer per jaar plaatsvindt. Voor dit IP is de projectinformatie zoals bekend op 1 september 2025 gebruikt. Prioriteren TenneT gebruikt voor de prioritering van projecten haar gebalanceerde afwegingskader ‘Deliver together for customers’.

Ten opzichte van het voorgaande ‘Safeguard the grid-kader’ stelt het kader RNB- en klantgedreven werkzaamheden meer centraal zoals dat ook het geval is binnen de aanscherpte strategie van TenneT. Ook geeft het nieuwe kader meer duidelijkheid over de onderlinge prioriteit tussen de verschillende projectsoorten. Tot slot plaatst het kader de N-0 congestie-oplossende projecten in het net met hoge prioriteit in het portfolio.

Prioriteren Input Portfolio bestaande en nieuwe projecten

Stap 5.1 Verdelen projecten over categorieën

Optimaliseren Stap 5.2 Bepalen volgorde per categorie

Stap 5.3 Controleren op beperkingen

Stap 5.4 Bepalen binnen welke categorieën te besparen

Stap 5.5 Selecteren door te schuiven projecten

Stap 5.6 Doorschuiven geselecteerde projecten

Resultaat Geoptimaliseerd portfolio

Iteraties

Afwegingskader ‘Deliver together for customers’ Het ‘Deliver together for customers’ afwegingskader maakt duidelijk welk investeringsproject thuishoort in welke prioriteringscategorie. Binnen die prioriteringscategorie wordt vervolgens een prioriteringsvolgorde aangebracht op basis van First-come-first-serve (voor klantgedreven projecten) of op basis van asset risico mitigatie (voor risicodreven projecten). Tabel 5.4: Afwegingskader Deliver together for customers Investeringscategorie

Type projecten

0

•

1

Must do

Connecting customers

• • • •

2

Risk-based grid expansions

• • •

3

Risk-based replacements and functionality

• • •

Interconnectoren en offshore (aanlandings)projecten N-0 congestie-oplossende projecten Reconstructies & verkabelingen Nieuwe stations om klantaansluitingen mogelijk te maken Klantaansluitingen incl. direct noodzakelijke diepere netinvesteringen Aanpassingen van bestaande klantaansluitingen Capaciteitsprojecten zonder direct gerelateerde klantaansluiting Kortsluitvastheid, railknelpunten en 100MW/6u criterium Vervangingen primaire en secundaire componenten Digitale en fysieke veiligheid programma’s, Netkwaliteit en stabiliteitsprojecten

Het afwegingskader schrijft aanvullend op de categorieën het volgende voor: • Projecten die reeds in de realisatiefase zijn, worden afgemaakt en dus niet meer gedeprioriteerd. • Voor de categorieën connecting customers, risk-based expansions en replacements and functionality zijn minimale vereisten bepaald die gewaarborgd moeten worden door de belangrijkste activiteiten ervan uit te voeren. Daarmee wordt de balans behouden tussen netuitbreiding en instandhouding van het net. Toepassing wettelijk prioriteringskader KGG Het afwegingskader van TenneT houdt rekening met het wettelijke prioriteringskader van KGG. Het doel van dat wettelijk prioriteringskader is om extra prioriteit te geven aan investeringen in projecten die zijn gericht op het transporteren van elektriciteit van windparken op zee naar het landelijk hoogspanningsnet, investeringen uit het Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (nMIEK) en uit de provinciale Meerjarenprogramma’s Infrastructuur Energie en Klimaat (pMIEK). Van de projecten in het portfolio van TenneT is bepaald of zij een nMIEK of pMIEK status toegewezen hebben gekregen. De nMIEK en pMIEK (2.0) documentatie die op de bevriesdatum van het portfolio beschikbaar was, is in de prioritering en optimalisatie meegenomen. Er zijn ook pMIEK projecten die niet in het portfolio van TenneT

Ontwerp investeringsplan 2026 Net op land – Consultatiedocument TenneT TSO B.V.

40

1. Inleiding

2. Strategie

3. Totaaloverzicht

4. Terugblik

5. Methodiek

6. Scenario’s en marktsimulaties

7. Investeringen

8. Projecten Rijksprojectprocedure

9. Congestie

Bijlagen

Methodiek

opgenomen zijn1. In hoofdstuk 7 staan projecten met een MIEK-status als zodanig gemarkeerd: • Het merendeel is vanwege het type project gelabeld als categorie must-do of connecting customers. Projecten in de must-do categorie hebben absolute prioriteit op voortgang en zitten dus in de hoogste investeringscategorie (categorie 0). Projecten in de categorie connecting customers (categorie 1) zijn gekoppeld aan de First-comefirst-serve data van de onderliggende klantvraag. • Enkele projecten zijn vanwege het type project opgenomen in de investeringscategorie risk-based grid expansions (categorie 2). Projecten in deze categorie zijn geprioriteerd op basis van risicopunten. Hier geldt dat MIEK-projecten extra risicopunten krijgen, wat leidt tot ee hogere prioriteit. Een nMIEK of pMIEK project wordt op basis van de bedrijfswaarde ‘Belanghebbenden’ ingeschaald als ‘Kritiek’ respectievelijk ‘Zeer hoog’ wat tot een verhoogde risicoscore leidt.

uitvoering en andere beperkingen zoals het vrij kunnen schakelen van het net een rol. Dit zorgt ervoor dat na de prioritering nog een optimalisatie van het portfolio plaatsvindt.

De impact van het extra meewegen van maatschappelijke prioriteit (pMIEK/nMIEK) leidt in veel gevallen tot een stijging in de ‘ranking’ van deze projecten. Echter, vanwege het hoge aantal n/pMIEK projecten (ruim 250 op moment bevriezen portfolio) met extra prioriteit zijn er ook projecten die ‘netto dalen’ omdat andere projecten sterker stijgen.

Verschillende projectcategorieën hebben verschillende resourcevragen. Zo vragen capaciteitsuitbreidingen in de regel veel resources voor het verzorgen van recht & ruimte (o.a. vergunningsprocedures en grondaankoop) terwijl vervangingsinvesteringen hier maar zeer beperkt mee te maken hebben. Voor technische rollen in de uitvoering is dit juist andersom, omdat bij vervangingswerk op bestaande locaties meer toezicht nodig is. Deze verschillen maken dat het uiteindelijke geoptimaliseerde portfolio niet 1‑op-1 de prioriteringsvolgorde representeert, maar juist een mix van activiteiten is die maximaal gebruik maakt van alle verscheidene beschikbare resources.

Een hogere prioriteit leidt niet direct tot een snellere ingebruiknamedatum (deze is gebaseerd op de verwachte doorlooptijd van een project). Echter, bij het toepassen van de prioriteringssystematiek door resourceknelpunten, zorgt een hogere prioriteit (bijvoorbeeld als gevolg van een MIEK-status) wel voor een hogere plek in de ‘ranking’, en dus een kleinere kans op vertraging door prioriteringskeuzes. Optimaliseren (Stap 5.3-5.6) Als er geen beperkingen worden geconstateerd in de maakbaarheid van het portfolio, dan zijn de verwachte doorlooptijden om de werkzaamheden uit te voeren leidend in de totstandkoming van de verwachte ingebruiknamedatum. Bij het feitelijk inplannen van projecten om te komen tot een geoptimaliseerde maakbare planning, spelen naast (wettelijke) prioriteitsvolgorde ook projectafhankelijkheden, synergie in de 1

De belangrijkste beperkingen in de maakbaarheid van het portfolio worden veroorzaakt door de beperkte beschikbaarheid van resources (beschikbare uren) ten aanzien van kritieke functies voor specifieke werkzaamheden in de voorbereidingsfase en in de uitvoeringsfase van een project. Aangezien beide fases van een project andere werkzaamheden bevatten, zijn er verschillende kritieke rollen in voorbereiding en uitvoering waarvoor de beschikbaarheid wordt getoetst, zoals toezichthouders, technici, beveiligingsspecialisten, netstrategen en planologen. TenneT hanteert de aanname dat wanneer het portfolio maakbaar is op de kritieke rollen, de andere functies die een rol spelen in de realisatie van een project geen aanvullende beperkingen kennen.

Op hoofdlijnen bestaat de optimalisatie uit de volgende stappen: • Stap 5.3 - Controleren op beperkingen: Aan hand van de gewenste uitvoeringsperiode van projecten worden de gevraagde en beschikbare resources op bepaalde locaties en tijdperiodes op elkaar gelegd en wordt vastgesteld waar er beperkingen zijn. • Stap 5.4 - Bepalen binnen welke categorieën te reduceren: Gebruik makend van het afwegingskader en voorgaande stap wordt bepaald binnen welke categorie een besparing gerealiseerd moet worden.

• Stap 5.5 - Selecteren door te schuiven projecten: Op basis van het prioriteringsmechanisme van de categorie waar de besparing gerealiseerd dient te worden (risicomitigatie dan wel First-come-firstserve), wordt bepaald welke projecten doorgeschoven worden, waarbij rekening gehouden wordt met projectafhankelijkheden. • Stap 5.6 - Doorschuiven geselecteerde projecten: In principe worden gehele projecten inclusief resourcebehoeftes een jaar doorgeschoven. • Iteraties: Getoetst wordt of na het doorvoeren van de voorgestelde aanpassingen het portfolio maakbaar is of dat er alsnog beperkingen zijn, bijvoorbeeld doordat het doorschuiven van een project naar een andere periode leidt tot knelpunten bij andere resources of VNB’s. Indien dit het geval is, wordt de cyclus herhaald om uiteindelijk tot een maakbaar portfolio te komen. • Resultaat: De uitkomst is een geoptimaliseerd portfolio dat rekening houdt met de relevante beperkingen en het afwegingskader. Resultaat portfolio-optimalisatie Het resultaat van het prioriteren en optimaliseren, dat vanwege de dynamiek rondom projectplanning viermaal per jaar plaatsvindt, is een geoptimaliseerd, maakbaar portfolio. De optimalisatie van september 2025 heeft geleid tot overvraging van resources in 2026 en 2027.

De mate van overvraging is echter zodanig dat dit overeenkomt met de gewenste mate van flexibiliteit in de werkvoorraad: bij vertraging op een project kunnen de beschikbaar komende resources elders ingezet worden. Zonder deze overplanning zou er in deze situaties leegloop van resources ontstaan. Overplanning zorgt er voor dat TenneT het maximale kan realiseren met de beschikbare resources. In dit IP zijn de resultaten van de portfolio-optimalisatie, die begin september heeft plaatsgevonden, verwerkt met een portfolio freeze op 1 september 2025. Projecten die na 1 september 2025 aan het portfolio zijn toegevoegd zijn niet in dit IP opgenomen. Daarmee is dit, en elk ander IP, een momentopname. Ook na de publicatie van dit IP vindt het reguliere

Projecten worden alleen in het investeringsplan van TenneT opgenomen indien op basis van klantvragen of knelpunten er nut en noodzaak voor is.

Ontwerp investeringsplan 2026 Net op land – Consultatiedocument TenneT TSO B.V.

41

1. Inleiding

2. Strategie

3. Totaaloverzicht

4. Terugblik

5. Methodiek

6. Scenario’s en marktsimulaties

7. Investeringen

8. Projecten Rijksprojectprocedure

9. Congestie

Bijlagen

Methodiek

proces plaats om elk kwartaal het portfolio te herijken en te optimaliseren op basis van de meest recente projectinformatie.

Daarnaast worden de planningen tussentijds besproken en aangepast indien daar aanleiding toe is, zodat de verwachte IBN actueel blijft.

5.8 Inbedrijfname data in IP2026

Planning op de langere termijn is complex vanwege de toenemende onzekerheid. Dit betreft interne factoren, zoals de beschikbare resources en voorziene niet-beschikbaarheid (VNB), maar ook externe factoren waarop TenneT een beperkte of geen invloed heeft, zoals de voortgang van vergunnings- en inspraakprocedures en andere planologische processen. Voor deze projecten geeft TenneT daarom de IBN data met een bandbreedte op; het begin van de bandbreedte is de meest realistische opleverdatum. De bandbreedte geeft een realistische inschatting van de periode waarbinnen een project wordt gerealiseerd en gaat ervan uit dat risico’s dus niet allemaal gemitigeerd zullen worden. Daarmee zijn we voorspelbaar voor de klant. Tegelijk stuurt TenneT erop dat projecten zo snel als mogelijk gerealiseerd worden en dat risico’s waar dat kan worden gemitigeerd. Indien zeer weinig risico’s optreden is een versnelling ten opzichte van de bandbreedtes uit het IP mogelijk.

De inbedrijfname (IBN) datum wordt per project bepaald als het moment waarop alle nieuwe assets gebruikt kunnen worden om elektriciteit te transporteren. Na IBN kunnen nog werkzaamheden plaatsvinden zoals het verwijderen van overbodige assets, herstel van werkterreinen en het bijwerken van assetdata. Bij grote projecten hebben individuele fases, of deelprojecten, ook een eigen IBN-datum. In de tabellen van dit IP wordt de IBN-datum van het gehele project weergegeven. Bij een aantal projecten leidt een IBN van een deelproject al tot een toename van de transportcapaciteit. Bij projecten waar dit het geval is en relevant is voor de congestie, zal dit worden toegelicht in de begeleidende teksten. De planning van projecten kent een mate van nauwkeurigheid die toeneemt gedurende de looptijd van een project. Bij iedere volgende fase (studiefase, basisontwerpfase en realisatiefase) wordt de planning en daarmee de IBN opnieuw beschouwd en indien nodig aangepast.

Voor projecten in de studiefase is de verwachte IBN gebaseerd op de standaard doorlooptijden. Deze standaard doorlooptijden zijn alleen afhankelijk van de verwachte werkzaamheden; een volledig nieuw 380

kV-station kost meer tijd dan de vervanging van enkele componenten op een bestaand station. Bij de planning van projecten in deze fase wordt er daarom geen, of slechts beperkt, rekening gehouden met de projectspecifieke risico’s, omdat de haalbaarheidsstudies nog afgerond moeten worden en de scope nog niet definitief vastgesteld is. Indien op basis van nieuwe inzichten blijkt dat bijstelling van de scope noodzakelijk is, dan heeft dat ook impact op de planning van het project. Vanwege deze onzekerheid krijgen projecten in de studiefase een grotere bandbreedte in de weergave van IBN’s in dit investeringsplan vergeleken met verder gevorderde projecten. Het bepalen van de geplande IBN in latere fases wordt door de projectteams gedaan, waarbij rekening gehouden wordt met projectspecifieke risico’s van het project. Indien er meer risico’s optreden dan verwacht, dan kan de IBN later gerealiseerd worden. Grote en complexere projecten hebben met meer grondeigenaren en bevoegde gezagen te maken. Daarnaast hebben deze projecten meer verschillende soorten werkzaamheden (kabels, lijnen, stations) op verschillende locaties en daardoor meer afhankelijkheden met andere projecten op gebied van het vrijschakelen van het net (VNB's). Deze grote, complexe projecten hebben daardoor meer risico’s. Vanwege deze risico’s krijgen deze projecten een grotere bandbreedte in de weergave van dit IP.

Voor het bepalen van de complexiteit worden onder meer de financiële omvang en de (te verwachten) ruimtelijke procedures meegenomen.

Bouw hoogspanningsstation Tilburg

Ontwerp investeringsplan 2026 Net op land – Consultatiedocument TenneT TSO B.V.

42

1. Inleiding

2. Strategie

3. Totaaloverzicht

4. Terugblik

5. Methodiek

6. Scenario’s en marktsimulaties

7. Investeringen

8. Projecten Rijksprojectprocedure

9. Congestie

Bijlagen

Methodiek

Om rekenschap te geven aan de inherente onzekerheid in de planning, krijgen IBN-data verder in de tijd daarom een bandbreedte in het investeringsplan. Deze methode is op twee punten aangepast ten opzichte van voorgaande investeringsplannen. IBN-data in de laatste twee kwartalen van het jaar worden niet meer omhoog afgerond naar het volgende jaar. Daarnaast zijn de weergegeven bandbreedtes aangepast om beter aan te laten sluiten bij de verwachte onzekerheid van projecten. De eerste datum van de bandbreedte is hierbij het jaar van de geplande IBN van TenneT en de tweede datum geeft de onzekerheid weer, waarbij generieke aannames voor de onzekerheid gedaan zijn.

De IBN-data worden daarom op de volgende wijze in dit IP weergegeven: • IBN-data van projecten in de eerste drie jaar van de zichtperiode (voor 2029) worden in hele jaren weergegeven. • IBN-data van projecten in jaar vier en vijf van de zichtperiode (2029 en 2030) worden met een bandbreedte weergegeven die loopt vanaf het geplande jaar van IBN tot het eerste jaar erna. • IBN-data van projecten van jaar zes tot en met vijftien van de zichtperiode (2031 t/m 2040) worden met een bandbreedte weergegeven. Deze bandbreedte is afhankelijk van de projectfase en de complexiteit van een project en kan variëren van twee tot vier jaar. • IBN-data van projecten na de zichtperiode van dit IP worden weergegeven als ‘na 2040’. Dit leidt tot de volgende bandbreedtes voor projecten:

Tabel 5.5: Bepaling bandbreedtes inbedrijfname data Studiefase

Geplande Inbedrijfname datum

Voor 2029 2029 en 2030 2031 t/m 2040 Na 2040

Regulier

Basisontwerp of Realisatiefase Complex

Geen bandbreedte IBN +1 jaar IBN +3 jaar IBN +4 jaar Na 2040

Regulier

Complex

Geen bandbreedte IBN +1 jaar IBN +2 jaar IBN +3 jaar Na 2040

Ontwerp investeringsplan 2026 Net op land – Consultatiedocument TenneT TSO B.V.

43

1. Inleiding

2. Strategie

3. Totaaloverzicht

4. Terugblik

5. Methodiek

6. Scenario’s en marktsimulaties

7. Investeringen

8. Projecten Rijksprojectprocedure

9. Congestie

Bijlagen

Scenario’s en marktsimulaties 6.1 Introductie 6.2 Samenvatting scenariorapportage 6.3 Regionalisatie 6.4 Scenario's voor de rest van Europa 6.5 Ontwikkeling vraag en opwek 6.6 Resultaten marktberekeningen 6.7 Europese uitwisseling

45 45 45 50 53 55 56 59

1. Inleiding

2. Strategie

3. Totaaloverzicht

4. Terugblik

5. Methodiek

6. Scenario’s en marktsimulaties

7. Investeringen

8. Projecten Rijksprojectprocedure

9. Congestie

Bijlagen

Scenario’s en marktsimulaties De netbeheerders brengen periodiek met gezamenlijke toekomstscenario's in beeld hoe het energiesysteem zich, op weg naar 2050, kan ontwikkelen in Nederland. De Netbeheer Nederland Scenario’s Editie 2025 geven inzicht in de relevante veranderingen en daarmee in de omvang en richting van de opgave voor de infrastructuur. Door scenario’s op te stellen en deze met stakeholders te bespreken en te toetsen, kan rekening worden gehouden met belangrijke onzekerheden en wordt het risico op over- of onderinvesteringen in de toekomst beperkt. Een periodieke update van deze scenario’s is noodzakelijk, omdat vraag en aanbod van energie de komende decennia sterk veranderen. In dit hoofdstuk van het Investeringsplan (IP) worden de scenario's nader toegelicht. 6.1 Introductie De scenario's die gebruikt zijn voor het IP2026 zijn een doorontwikkeling van de scenario’s die zijn gebruikt voor het IP2024 met een uitgebreide update op basis van de meest recente inzichten op het vlak van energie- en klimaatbeleid en verder geconcretiseerde sectorale plannen. Sinds publicatie van de scenario’s voor het IP2024 zijn belangrijke veranderingen de publicatie van het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) , toegenomen geopolitieke onzekerheid en wijzigingen van het tempo van verduurzaming.

Daarnaast is feedback op de vorige scenario’s verwerkt en zijn relevante cijfers geüpdatet op basis van recente markt- en technologiestudies, sectorale energietrajecten, politieke beleidsdocumenten en andere bronnen. Gedurende het scenariotraject is met een brede groep stakeholders gesproken over de verhaallijnen van de scenario’s, de (concept)resultaten en de belangrijkste onzekerheden. Met deze inbreng zijn de scenarioverhaallijnen en transitiepaden aangescherpt.

De uitwerking van de gezamenlijke scenario’s onder de vlag van Netbeheer Nederland heeft geleid tot een uitgebreide rapportage, die op 13 mei 2025 is gepubliceerd op de website van Netbeheer Nederland: “Netbeheer Nederland Scenario’s Editie 2025”2. Dit rapport betreft een integraal onderdeel binnen het investeringsplanproces. Het proces om tot scenario’s te komen en de gebruikte bronnen, parameters, aannames en de wijze waarop deze tot stand zijn gekomen zijn in dit rapport opgenomen. Eisen aan de scenario’s Voor het doel van investeringsplanning moeten de scenario’s actueel, relevant en realistisch voorstelbaar zijn. Voor de ontwikkeling van realistische en relevante toekomstscenario’s worden de relatief zekere ontwikkelingen meegenomen in alle scenario’s en de minder zekere ontwikkelingen in minimaal één van de scenario’s. Omdat het tempo van deze ontwikkelingen van belang is, wordt in de scenario’s gekeken tot 2050, wanneer het energiesysteem klimaatneutraal is. Voor het IP2026 worden de scenario’s gebruikt tot 2040 (15 jaar vooruit).

6.2 Samenvatting scenariorapportage Hieronder volgt een samenvatting van het proces en de inhoud van de scenariorapportage van Netbeheer Nederland. Meer informatie is in de scenariorapportage te vinden.

1

1 2

Totstandkoming van de scenario’s Vraag en aanbod van energie veranderen de komende jaren ingrijpend in elke sector, gedreven door de energietransitie, veranderende geopolitieke verhoudingen en maatschappelijke opgaven. Om te komen tot de Netbeheer Nederland Scenario’s Editie 2025 is gewerkt met een PESTEL-analyse: een methodologie die politieke, economische, sociale,

technische, ecologische en wettelijke trends, risico’s, dilemma’s en onzekerheden in kaart brengt. Uit de PESTEL-analyse volgt dat de volgende onzekerheden grote invloed hebben op hoe de energietransitie zich kan ontwikkelen: • Het politieke klimaat op het wereldtoneel, in de Europese Unie en in Nederland. Internationale verhoudingen staan onder druk. Tegelijkertijd verandert de Europese koers en maakt de nationale politiek haar eigen concrete keuzes. Voor de energietransitie moet nog veel beleid gevormd worden. Belangrijke vragen daarbij: welk deel van de overheid heeft de regie en hoe komt de sturing tot stand? • Economische factoren, zoals energieprijzen, subsidies, belastingheffingen en de handel in (beschikbare) grondstoffen, bepalen de economische haalbaarheid van de transitie en het toekomstig verdienvermogen van Nederland. • De energietransitie is een sociale transitie en vraagt om een breed maatschappelijk draagvlak. De mate van gedragsverandering, eerlijke kostenverdeling en in hoeverre burgers, bedrijven en overheden samen verantwoordelijkheid nemen, zijn zeer bepalend voor het succes van de transitie. Bij beperkt draagvlak voor duurzame energieprojecten in Nederland blijft er mogelijk een grotere afhankelijkheid van import.

• Technologische ontwikkelingen spelen een cruciale rol: de snelheid en schaalbaarheid van innovaties zoals waterstofelektrolyse, batterijopslag en CO2-afvang zijn onzeker, net als de toekomstige rol van energieopslag en digitalisering. Voor leveringszekerheid is een nauwkeurige afstemming van vraag en aanbod op internationaal, nationaal en regionaal niveau noodzakelijk, waarbij CO2-vrij regelbaar vermogen een grote rol speelt. • Grote onzekerheden rondom klimaat en milieu zijn de mate van het gebruik van fossiele energie en grondstoffen en de impact op de leefomgeving die wij als samenleving accepteren. Bijvoorbeeld bij

Nationaal Plan Energiesysteem, te vinden via de website van de Rijksoverheid Netbeheer Nederland Scenario's Editie 2025, het rapport is te vinden op de website van NBNL

Ontwerp investeringsplan 2026 Net op land – Consultatiedocument TenneT TSO B.V.

45

1. Inleiding

2. Strategie

3. Totaaloverzicht

4. Terugblik

5. Methodiek

6. Scenario’s en marktsimulaties

7. Investeringen

8. Projecten Rijksprojectprocedure

9. Congestie

Bijlagen

Scenario’s en marktsimulaties

de maatschappelijke acceptatie van wind-op-land of opslag van CO2 onder de grond en het perspectief voor het gebruik van fossiele energie en grondstoffen. • De mate van consistentie van beleid en regelgeving hebben invloed op de slagingskans van grote transities en projecten. Daarnaast heeft onzekerheid rondom vergunningsverlening invloed op de mate waarin grote projecten doorgang kunnen vinden. Naast deze uitgangspunten staan de belangrijke onzekerheden die in alle scenario’s gelijkwaardig zijn opgenomen: • De doelstellingen voor emissiereductie worden in de gepresenteerde scenario’s gehaald. De scenario’s laten daarmee zien welke keuzes daarin nog gemaakt kunnen worden en welke infrastructuur daarvoor nodig is. • De huidige netcapaciteit is zonder aanvullende maatregelen ontoereikend voor de grootschalige elektrificatie die nodig is in de komende jaren. Dit vraagt om aanzienlijke investeringen in de elektriciteitsnetten. De scenario’s nemen aan dat energie-infrastructuur op tijd beschikbaar is. De onzekerheid in de ontwikkeling van de energie-infrastructuur volgt uit de netimpactanalyses voor de IP's.

• De thema’s klimaat en milieu spelen ook een belangrijke rol in de transitie, waarbij veranderingen in het weer – zoals warmer weer en variabele windcondities een rol spelen, maar ook extreem weer en investeringen voor klimaatadaptatie een effect hebben op de ontwikkeling van het energiesysteem. De scenario’s variëren onderling niet in de mate van weersverandering. • De scenario’s hanteren een gemiddelde demografische ontwikkeling, bevolkingsgroei en samenstelling van huishoudens. • De scenario’s dienen om de ongelimiteerde klantvraag te voorspellen. De scenario's houden niet op voorhand rekening met congestie en/of beperkingen van de infrastructuur.

Scenario’s en verhaallijnen Uit deze inventarisatie van trends en onzekerheden is een veelvoud aan mogelijke scenario’s opgesteld. Middels een cross-impactanalyse is hieraan een score toegekend en zijn deze teruggebracht tot een viertal scenario's die relevant zijn voor de energie-infrastructuur. Door de verschillende mogelijke ontwikkelingen op deze thema’s te vatten in logisch samenhangende verhalen en deze te kwantificeren ontstaan de volgende vier scenario’s: Koersvaste Middenweg (KM), Eigen Vermogen (EV), Gezamenlijke Balans (GB) en Horizon Aanvoer (HA) zoals in figuur 6.1 weergegeven. • Koersvaste Middenweg (KM) schetst de verwachte koers van de energietransitie op basis van actuele trends, aangevuld met beleidsambities uit onder meer het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE), beleidsnota’s en provinciale energievisies. Deze bronnen zijn samengebracht tot een consistent scenario, dat voortbouwt op het scenario Klimaatambitie uit IP2024. Het scenario kenmerkt zich door een sterke en snelle elektrificatie van het eindverbruik, waarbij het totale energieverbruik in balans wordt gehouden door aanvullend gebruik van andere energiedragers.

• Eigen Vermogen (EV) beschrijft een toekomst waarin Nederland qua politiek, beleid en markt sterk inzet op energie-autonomie en een hoge mate van zelfvoorzienendheid. Het scenario combineert elementen uit de scenario’s Nationale Drijfveren uit IP2024 en Nationaal Leiderschap uit II3050-2e editie, aangevuld met kenmerken uit Decentrale Initiatieven uit II3050-2e editie. De opwek van duurzame elektriciteit groeit sterk, met een nadruk op zon- en windenergie. Er wordt maximaal ingezet op flexibiliteit, grootschalige warmtenetten en de inzet van groene waterstof. Er is sprake van een snelle elektrificatie van de industrie, mobiliteit en gebouwde omgeving, wat leidt tot een grote impact op de elektriciteitsinfrastructuur. • Gezamenlijke Balans (GB) schetst een toekomst waarin samenwerking en afstemming binnen Europa centraal staan, en is mede gebaseerd op de uitgangspunten van de scenario’s Internationale Ambitie uit IP2024 en Europese Integratie uit II3050-2e editie. De verduurzaming van vraagsectoren gebeurt via een hybride aanpak, met een belangrijke rol voor zowel elektrificatie als gas. De gasinfrastructuur blijft daarbij van groot belang, mede door de inzet van aardgas, groen gas, biobrandstoffen en blauwe waterstof. Het scenario kent daarnaast een hoge energiedoorvoer naar het buitenland,

Figuur 6.1: De vier scenario's van Netbeheer Nederland Scenario's Editie 2025 Eigen vermogen

Koersvaste middenweg Horizon aanvoer Gezamenlijke balans

2025

2030

2035

2040

-55%

-70%

-90%

2050

-100% CO2-daling

Ontwerp investeringsplan 2026 Net op land – Consultatiedocument TenneT TSO B.V.

46

1. Inleiding

2. Strategie

3. Totaaloverzicht

4. Terugblik

5. Methodiek

6. Scenario’s en marktsimulaties

7. Investeringen

8. Projecten Rijksprojectprocedure

9. Congestie

Bijlagen

Scenario’s en marktsimulaties

zodat ook buurlanden kunnen profiteren van de duurzame energie die via Nederlandse import beschikbaar komt. • Horizon Aanvoer (HA) bouwt voort op de scenario’s Internationale Ambitie uit IP2024 en Internationale Handel uit II3050-2e editie en gaat uit van een wereld waarin duurzame energie op grote schaal internationaal beschikbaar is. Nederland richt zich sterk op de import van energie en industriële halffabricaten, waardoor de energieintensieve industrie deels verplaatst naar het buitenland en het finaal energieverbruik in Nederland laag blijft. Door deze importoriëntatie is de eigen productie van duurzame elektriciteit beperkt, en ligt de nadruk op internationale energieketens.

Kwantitatieve uitwerking van de scenario’s Op basis van de verhaallijnen zijn vervolgens kwantitatieve scenario’s uitgewerkt, waaruit de energievraag per energiedrager (figuur 6.2), per sector (figuur 6.3) en het energieaanbod (figuur 6.4) volgen.

Figuur 6.2: Finale energievraag, in TWh per energiebron

Figuur 6.3: Finale energievraag, in TWh per sector

Figuur 6.4: P  rimair energieaanbod voor binnenlandse vraag (exclusief doorvoer en export)

900

900

900

800

800

800

700

700

700

600

600

600

500

500

500

400

400

400

300

300

300

200

200

200

100

100

100

0

In het IP van TenneT zijn drie van de vier scenario’s doorgerekend tot en met 2040: Koersvaste Middenweg (KM), Eigen Vermogen (EV) en Gezamenlijke Balans (GB). Het scenario Horizon Aanvoer (HA) is niet doorgerekend, omdat dit scenario hoofdzakelijk op een variatie aan de gaskant (waterstof in plaats van methaan) focust en vanuit perspectief van elektrische infrastructuur geen aanvullende inzichten biedt.

0 REF KM 2019 2025 Elektriciteit Waterstof

KM

EV 2030 Methaan Warmte

GB

KM

EV 2035

GB

Biobrandstoffen Kolen

KM

EV 2040

Olie Overig

GB

0 REF KM 2019 2025

KM

EV 2030

Gebouwde omgeving Industrie

GB

KM

EV 2035

GB

Transport (nationaal) Datacenters & ICT

KM

EV 2040

GB

Landbouw Energiesector

REF KM 2019 2025

KM

EV 2030

GB

Wind Uranium Zon Kolen Biomassa Olie Hernieuwbare warmte

KM

EV 2035

GB

KM

EV 2040

GB

Methaan Import elektriciteit Import waterstof(dragers)

Ontwerp investeringsplan 2026 Net op land – Consultatiedocument TenneT TSO B.V.

47

1. Inleiding

2. Strategie

3. Totaaloverzicht

4. Terugblik

5. Methodiek

6. Scenario’s en marktsimulaties

7. Investeringen

8. Projecten Rijksprojectprocedure

9. Congestie

Bijlagen

Scenario’s en marktsimulaties

Meer achtergrond en de verdere kwantificatie is terug te vinden in het scenariorapport Netbeheer Nederland Scenario’s Editie 2025. De scenariokwantificatie is verder beschikbaar gesteld via het Energy Transition Model (ETM), zie weblinks in tabel 6.1. Tabel 6.1: Kwantificatie scenario's in ETM Scenario

Koersvaste Middenweg (KM) Eigen Vermogen (EV) Gezamenlijke Balans (GB) Horizon Aanvoer (HA)

ETM scenario links

2025

2030

2035

2040

2050

2030

2035

2040

2050

2030

2035

2040

2050

2030

2035

2040

2050

Tabel 6.2 bevat de meest relevante kengetallen van de scenario’s voor het investeringsplan van TenneT. De inhoud van deze tabel is gelijk aan die in de gezamenlijke Netbeheer Nederland scenariorapportage, maar focust op de relevante cijfers voor het IP van TenneT voor betere leesbaarheid. Voor zonnepanelen is hier het GWp paneelvermogen opgegeven. De daadwerkelijke invoeding is lager doordat omvormers ondergedimensioneerd zijn ten opzichte van de panelen, vanwege de effecten van paneeloriëntatie en door marktgebaseerd curtailment. TenneT heeft op basis van het Koersvaste Middenweg scenario voor 2025 een 2026 scenario afgeleid voor de doorrekeningen van het eerste steekjaar van dit IP. Hierbij zijn ook gegevens van de regionale netbeheerders voor steekjaar 2026 gebruikt.

Tabel 6.2: Kerncijfers van de scenario's gebruikt in dit investeringsplan Jaar

2026

Scenario

KM

KM

2030 EV

GB

KM

2035 EV

GB

KM

2040 EV

GB

Totaal hernieuwbaar vermogen

GW

51,5

74,2

90,1

68,9

108,2

140,0

96,7

142,5

187,7

121,5

Wind op zee Wind op land Zonnepanelen waarvan zonneweides waarvan bij gebouwen waarvan bij huishoudens Biomassa Overig hernieuwbaar

GW GW GWp GW GW GW GW GW

6,3 7,4 37,3 8,8 11,8 16,7 0,5 0,0

12,2 8,1 53,5 13,6 17,4 22,5 0,4 0,0

12,2 9,5 68,0 17,7 23,7 26,5 0,4 0,0

12,1 7,6 48,7 13,6 16,5 18,6 0,4 0,0

27,5 9,3 70,9 19,3 24,3 27,4 0,3 0,0

29,5 12,0 96,8 27,8 35,1 33,9 0,3 0,0

25,5 8,2 62,6 19,3 22,6 20,7 0,3 0,0

44,6 10,6 87,1 25,0 31,0 31,0 0,2 0,0

50,6 13,7 123,2 37,9 45,9 39,4 0,2 0,0

36,6 8,8 75,8 25,0 28,6 22,2 0,2 0,0

Totaal conventioneel vermogen

GW

23,0

19,8

19,5

19,8

21,6

20,7

19,6

23,3

21,7

21,6

Nucleair waarvan grootschalig waarvan SMR Kolen Kolen (biobrandstof) Kolen (gas) Methaan Waterstof Afval

GW GW GW GW GW GW GW GW GW

0,5 0,5 0,0 2,8 1,2 0,8 16,9 0,0 0,8

0,5 0,5 0,0 0,0 2,2 0,0 15,7 0,9 0,4

0,5 0,5 0,0 0,0 2,2 0,0 16,3 0,0 0,4

0,5 0,5 0,0 0,0 2,2 0,0 16,7 0,0 0,5

0,5 0,5 0,0 0,0 2,2 0,0 15,2 3,2 0,4

0,5 0,5 0,0 0,0 2,2 0,0 15,8 1,9 0,4

0,5 0,5 0,0 0,0 2,2 0,0 15,6 0,9 0,4

3,7 3,7 0,0 0,0 2,2 0,0 2,2 15,1 0,1

3,0 2,1 0,9 0,0 0,0 0,0 1,0 17,6 0,1

1,6 1,6 0,0 0,0 2,2 0,0 14,2 3,3 0,3

Totaal flex vermogen

GW

13,7

27,1

34,7

28,4

60,9

85,5

62,6

114,8

148,0

91,3

Power-to-gas waarvan op land waarvan op zee Power-to-heat (warmtenetten) Power-to-heat (industrie) Power-to-heat (landbouw) Batterijen (wind op land) Batterijen (solar PV) Batterijen (grootschalig) Batterijen (huishoudens) Batterijen (EV V2G) Intraday opslag Multi-day opslag Marktinterconnectie

GW GW GW GW GW GW GW GW GW GW GW GW GW GW

0,3 0,3 0,0 0,3 0,5 0,2 0,2 0,6 1,7 0,2 0,0 0,0 0,0 9,2

1,5 1,5 0,0 0,7 1,4 0,2 0,3 1,9 5,8 0,7 0,1 0,0 0,3 9,8

3,0 3,0 0,0 0,9 1,6 0,3 0,4 2,6 5,8 1,2 0,2 0,5 1,0 9,8

2,0 2,0 0,0 0,5 1,3 0,2 0,2 1,8 4,8 1,7 0,2 0,0 0,3 9,8

6,0 5,0 1,0 1,0 1,7 0,2 0,6 3,2 12,3 2,5 0,5 1,5 1,3 12,6

12,0 10,0 2,0 1,4 1,8 0,4 0,6 4,4 10,5 3,9 0,9 2,5 1,9 13,6

7,5 6,0 1,5 0,7 1,7 0,2 0,4 2,6 7,5 4,4 0,9 1,0 1,0 13,6

16,0 12,0 4,0 1,2 1,9 0,2 0,9 5,1 18,5 5,0 1,5 3,0 2,6 13,6

22,0 12,0 10,0 2,7 2,0 0,4 1,0 6,5 16,0 7,5 2,7 4,0 3,8 17,6

12,0 10,0 2,0 0,8 2,0 0,1 0,5 3,5 10,5 9,4 3,1 2,5 1,9 17,6

Elektriciteitsproductie

Flexibiliteit

Ontwerp investeringsplan 2026 Net op land – Consultatiedocument TenneT TSO B.V.

48

1. Inleiding

2. Strategie

3. Totaaloverzicht

4. Terugblik

5. Methodiek

6. Scenario’s en marktsimulaties

7. Investeringen

8. Projecten Rijksprojectprocedure

9. Congestie

Bijlagen

Scenario’s en marktsimulaties

Tabel 6.2: Kerncijfers van de scenario's gebruikt in dit investeringsplan (vervolg) Jaar

2026

Scenario

KM

KM

2030 EV

GB

KM

2035 EV

GB

KM

2040 EV

GB

Elektriciteitsvraag

Finale elektriciteitsvraag

TWh

140,3

179,5

195,5

173,1

240,7

273,6

224,6

304,8

355,7

277,2

Gebouwde omgeving Industrie Datacenters Mobiliteit Landbouw Overige

TWh TWh TWh TWh TWh TWh

50,6 48,8 11,9 8,2 10,4 10,5

54,1 57,4 25,4 17,3 10,1 15,2

54,2 59,8 29,1 22,8 13,5 16,1

53,7 56,1 23,9 13,3 11,0 15,0

65,0 69,0 38,2 34,7 11,1 22,7

62,4 80,8 48,8 43,7 14,4 23,4

64,2 68,0 34,0 24,9 10,8 22,8

73,7 90,5 47,1 54,5 12,1 27,0

70,8 111,3 63,7 64,8 14,8 30,2

73,9 85,3 40,4 38,9 11,0 27,7

Groot onderhoud en renovatie aan hoogspanningsstation Diemen

Ontwerp investeringsplan 2026 Net op land – Consultatiedocument TenneT TSO B.V.

49

1. Inleiding

2. Strategie

3. Totaaloverzicht

4. Terugblik

5. Methodiek

6. Scenario’s en marktsimulaties

7. Investeringen

8. Projecten Rijksprojectprocedure

9. Congestie

Bijlagen

Scenario’s en marktsimulaties

6.3 Regionalisatie

Tabel 6.3: Toelichting aannames regionalisatie

De scenario’s zoals die in het voorgaande deel van dit hoofdstuk zijn gepresenteerd, bevatten de kwantificering voor het totaal van Nederland. Om de doorwerking hiervan op de energie-infrastructuur in kaart te brengen, wordt de nationale kwantificatie geregionaliseerd. Dit betekent dat de locaties van energiebronnen, -vraag en flexibiliteit bepaald worden. De uitgevoerde regionalisatie bestaat uit twee stappen.

Categorie

De eerste stap is een doorvertaling van de nationale kwantificatie naar de verzorgingsgebieden van de verschillende regionale netbeheerders en TenneT. Hiermee wordt duidelijk met welke informatie de verschillende netbeheerders rekening dienen te houden over het totaal van het werkpakket voor hun verzorgingsgebied. Zo zien we bijvoorbeeld relatief veel datacenters direct aangesloten bij TenneT als ook in het Liander verzorgingsgebied; relatief veel zonnepaneel-projecten in het Enexis verzorgingsgebied; en veel industrie in het Stedin verzorgingsgebied. De tweede stap is de regionalisatie binnen de verzorgingsgebieden van de netbeheerders tot een fijnmaziger niveau. Het detailniveau hangt hierbij af van de brondata die gebruikt is ten behoeve van de regionalisering en het type net dat moet worden geanalyseerd. Voor de hogere netvlakken en drukniveaus volstaat een regionalisering op buurtniveau. Voor de lagere netvlakken en drukniveaus wordt de regionalisering op buurtniveau verder uitgesplitst tot kabel- en leidingniveau, deze verdeling vindt plaats op basis van de achterliggende aansluitingen. Tabel 6.3 geeft een beknopt overzicht van de methodes en bronnen welke voor de detailregionalisering van de verschillende hoofdsegmenten zijn gebruikt. Een deel van de toekomstige flexibele middelen is direct gekoppeld aan een specifieke toepassing (“procesflex”).

Voor procesflex wordt daarom een inschatting gemaakt bij welke locaties dit aanwezig is. Een voorbeeld is flexibele vraag (demand side response) van industrie, die bij de industrie geregionaliseerd wordt. Hiertegenover staan flexibele assets die een systeemrol vervullen (“systeemflex”), waarvoor de locatie niet bij voorbaat vastgelegd en nu nog grotendeels onzeker is. Voorbeelden

Opwek Wind op zee

Wind op land Zon op land Zon op dak

Overig hernieuwbaar Kerncentrales

Conventionele centrales Vraag Industrievraag Datacenters Mobiliteit

Gebouwde omgeving Glastuinbouw

Toelichting regionalisatie

Gebaseerd op de aansluitlocaties van reeds bestaande windparken en geplande projecten uit de Routekaart wind op zee. Hierbij is rekening gehouden met het stopzetten van enkele oudere parken. Voor windparken die na de huidige routekaart (2034) in bedrijf zullen gaan, zijn inzichten uit het VAWOZ1 traject gebruikt. De locaties voor de netberekeningen zijn afgestemd met KGG. Locaties in eerste instantie bepaald op basis van bestaande installaties en concrete klantprojecten / aansluitaanvragen zowel bij de regionale netbeheerders als TenneT. Voor de lange termijn zijn onder andere inzichten uit de NPRES en informatie over beschikbare ruimte gebruikt. Locaties in eerste instantie bepaald op basis van bestaande installaties en concrete klantprojecten / aansluitaanvragen zowel bij de regionale netbeheerders als TenneT. Voor de lange termijn zijn onder andere inzichten uit de NPRES en informatie over beschikbare ruimte gebruikt. Locaties in eerste instantie bepaald op basis van bestaande installaties en concrete klantprojecten / aansluitaanvragen bij de regionale netbeheerders. Resterend vermogen per scenario verdeeld over bestaande gebouwen (op basis van dakpotentieel) en nieuwbouw (op basis van Primos-prognose). Verdeling op basis van bestaande installaties en concrete klantenprojecten / aansluitaanvragen.

Bovenop bestaande kerncentrale in Borssele nieuwe grootschalige kerncentrales op het 380 kV-net van Zeeland gemodelleerd. Voor kleinere Small Modular Reactors (alleen in scenario EV 2040) wordt van een decentrale verdeling over verschillende locaties uitgegaan. Deze regionalisatie is afgestemd met KGG. Gebaseerd op de huidige locaties van centrales en opgaves van aangesloten klanten. Voor de langere termijn wordt aangenomen dat enkele bestaande centrales op dezelfde locaties vervangen worden door nieuwe gas/waterstof centrales. Regionalisatie op basis van huidige locatie van bedrijven. Bij een grote schaalsprong: aansluiting op landelijk net. Regionalisatie op basis van locaties van bestaande klanten, bekende aansluitaanvragen en groeiprognose bij netbeheerders. Regionalisatie elektriciteitsvraag op basis van regionale Elaad outlook datasets (personenauto’s, bestelauto’s, trucks, bussen, binnenvaart en mobiele werktuigen). Voor luchtvaart verdeling over luchthavenlocaties en historisch aantal vluchten per jaar. Voor spoorvervoer gebruik van openbare datasets van ProRail (treinen). Gebruik prognoses regionale netbeheerders. Plaatsing warmtepompen (elektrisch, hybride) op basis van analyse types en bouwjaar gebouwen. Gebruik prognoses regionale netbeheerders.

Flexibiliteit Batterijopslag

Intraday (IDES) & Multiday energy storage (MDES) Power-to-heat Power-to-gas Backup gascentrales

Thuisbatterijen (“achter de meter”) aangenomen bij huishoudens met zonnepanelen op dak. Locaties EV-batterijen (V2G) volgen de aangenomen verdeling van elektrische voertuigen. Colocatie batterijen op basis van locaties van windparken en zonnepanelen. Grootschalige batterijopslag volgt in eerste instantie bekende en voldoende concrete klantprojecten, en voor de langere termijn een modelgebaseerde aanpak (zie uitleg verder hieronder). IDES-locaties volgen uit modelgebaseerde aanpak (zie hieronder). MDES volgt uit een potentieelanalyse van TNO waarbij is gekeken naar geschikte locaties voor persluchtopslag in Nederland. Verdeling volgt de warmtevraag van subsectoren waarin flexibele power-to-heat installaties (bijvoorbeeld een elektrische boiler) toegepast worden. Locaties volgen uit modelgebaseerde aanpak (zie uitleg hieronder). Locaties volgen uit modelgebaseerde aanpak (zie uitleg hieronder). Hierbij is rekening gehouden met potentieel geschikte locaties (BARRO2).

1 Verkenning Aanlanding Wind op Zee (VAWOZ), zie de programmawebsite van RVO 2 In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (BARRO) zijn plangebieden aangewezen als locatie voor grootschalige elektriciteitsopwekking

Ontwerp investeringsplan 2026 Net op land – Consultatiedocument TenneT TSO B.V.

50

1. Inleiding

2. Strategie

3. Totaaloverzicht

4. Terugblik

5. Methodiek

6. Scenario’s en marktsimulaties

7. Investeringen

8. Projecten Rijksprojectprocedure

9. Congestie

Bijlagen

Scenario’s en marktsimulaties

Figuur 6.5: Proces voor de regionalisatie van systeemflexibiliteit Regionalisatie opwek & vraag

Uurlijkse onbalans per station

Profielen opwek & vraag

Concrete flex projecten per station

Verdeel resterende flex d.m.v. algoritme

Geplaatste flex blijft in latere steekjaren staan

Randvoorwaarden Per station Per flex type

Impact op uurlijkse onbalans

Sorteer impact op onbalans

Resterende flex Stop

Nee

Wijs flex toe aan station met grootste impact

Flex capaciteit resterend? Ja

hiervan zijn (batterij)opslagsystemen met directe aansluiting op het net, power-to-heat, power-to-gas maar ook de locaties van potentiële nieuwe backup-gascentrales. Voor een zo goed mogelijke inschatting worden in een eerste stap reeds bekende en voldoende concrete projecten op hun verwachte aansluitlocatie geplaatst. Het resterende vermogen per scenario wordt vervolgens met behulp van een algoritme iteratief toegewezen aan locaties in het net die vanuit systeemperspectief het meest gunstig zijn. Een locatie wordt als gunstig beschouwd wanneer de inzet van flexibiliteit leidt tot een afname van de transportbehoefte op dat station over het jaar heen. Figuur 6.5 geeft de stappen weer die worden doorlopen bij de regionalisatie van systeemflexibiliteit.

Een voorbeeld van de resultaten van de regionalisatie is te zien in figuur 6.6, waar voor het scenario Koersvaste Middenweg 2040 (KM) is gevisualiseerd op welke stations de verschillende typen opwek, vraag en flexibiliteit zijn aangesloten. De grootte van de cirkels toont per categorie de relatieve hoeveelheid op een locatie ten opzichte van alle andere locaties (en zegt dus niets over de verhoudingen tussen categorieën). Het gaat hierbij om een geaggregeerde weergave. In de eigenlijke netberekeningen wordt gedetailleerder onderscheid gemaakt tussen de locaties van de verschillende vraagsectoren, types opwek en flexibiliteit.

Ontwerp investeringsplan 2026 Net op land – Consultatiedocument TenneT TSO B.V.

51

1. Inleiding

2. Strategie

3. Totaaloverzicht

4. Terugblik

5. Methodiek

6. Scenario’s en marktsimulaties

7. Investeringen

8. Projecten Rijksprojectprocedure

9. Congestie

Bijlagen

Scenario’s en marktsimulaties

Figuur 6.6: Regionalisatie verschillende typen opwek, vraag en flexibiliteit (scenario KM 2040) Wind op zee

Wind op land

Zon PV

Kerncentrales

Gascentrales

Decentrale WKKs

Basisvraag

Power-to-X

Batterijen

IDES + MDES

Ontwerp investeringsplan 2026 Net op land – Consultatiedocument TenneT TSO B.V.

52

1. Inleiding

2. Strategie

3. Totaaloverzicht

4. Terugblik

5. Methodiek

6. Scenario’s en marktsimulaties

7. Investeringen

8. Projecten Rijksprojectprocedure

9. Congestie

Bijlagen

Scenario’s en marktsimulaties

6.4 Scenario's voor de rest van Europa Het scenario voor Nederland wordt gecombineerd met gekwantificeerde scenario’s voor de rest van het Europese elektriciteitssysteem. In dit investeringsplan wordt voor de steekjaren 2026 tot en met 2035 het scenario National Trends inclusief de Economic Viability Assessment (EVA1) uit de European Resource Adequacy Assessment 2024 (ERAA) als bron gebruikt. Voor het steekjaar 2040 wordt gebruik gemaakt van het scenario Distributed Energy uit het Ten-Year-Network Development Plan (TYNDP) 2024.

Figuur 6.7: Scope van de marktberekeningen met biedzones en marktinterconnectie

De gemodelleerde Europese marktbiedzones en hun onderlinge verbindingen worden grafisch weergegeven in figuur 6.7. De belangrijkste ontwikkelingen in de omringende landen van 2026 tot en met 2040 zijn als volgt: • Er is een forse toename van hernieuwbare opwek uit zonnepanelen, wind op land en wind op zee; • Vanaf 2038 zijn er geen steenkool- en bruinkoolcentrales meer actief in Duitsland, dat wordt gecompenseerd door een significant hoger gasvermogen vanaf 2035; • Voor met name Duitsland en Groot-Brittannië wordt uitgegaan van een forse groei van de elektriciteitsvraag en geïnstalleerd batterijvermogen; • Waterkracht en -opslag in Noorwegen blijft een belangrijke bron van flexibiliteit voor andere Europese landen, waaronder Nederland; • Vanaf steekjaar 2035 wordt de hybride interconnector LionLink meegenomen waardoor er meer uitwisselcapaciteit is tussen Nederland en Groot-Brittannië; • In 2035 en 2040, met uitzondering van het KM-scenario in 2035, is aangenomen dat de verbinding Maasbracht-Van Eyck met België opgewaardeerd is, waardoor er meer uitwisseling tussen Nederland en België mogelijk is. Voor deze opwaardering wordt een project opgestart;

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16288762/1