2025.253 Bijlage 2 Zeeuwse Haltenorm
Tekst van het document
Bij het ter perse gaan van dit addendum zijn de oplaadpunten niet toegankelijk voor mensen met een visuele beperking.
2.3
Geleidelijnen en markeringen
2.3.1 Algemeen Halteplaatsen dienen toegankelijk gemaakt te worden voor mensen met een motorische beperking en mensen met een visuele beperking, zoals blinden of slechtzienden. De afgelopen jaren is al veel geïnvesteerd door vervoerders en concessieverleners om het rijdend materieel (bus, tram, trein en metro’s) toegankelijker en dus aantrekkelijker e te maken voor mensen met een visuele beperking. De meest voorkomende aanpassingen betreffen het werken met contrasterende kleuren, gebruik van tactiele informatie of geleiding en auditieve informatie. Om te voorkomen dat een blinde of slechtziende reiziger niet naar of van de halteplaats of uit of in de bus kan komen dient aandacht besteedt worden aan de ‘visuele’ toegankelijkheid. Er zijn al jaren praktische oplossingen voorhanden die vrij eenvoudig toepasbaar zijn, maar grote voordelen opleveren voor mensen met een visuele beperking. Het toepassen van geleidelijnen is hier een goed voorbeeld van. Zie tevens paragraaf 2.3 in publicatie 233 “Handboek halteplaatsen” van CROW. De hieronder genoemde normen en richtlijnen zijn opgesteld in samenspraak met Viziris (Netwerkorganisatie van mensen met een visuele beperking).
2.3.2 Waarom geleidelijnen? Geleidelijnen en aanverwante markeringen bieden tastbare en visuele ondersteuning bij verplaatsen in openbare ruimten en in gebouwen . Geleidelijnen zijn niet alleen voelbaar en volgbaar door een ribbelprofiel maar ook zichtbaar en volgbaar door toepassing van een (kleur)contrast. Bij goed gebruik staat de geleidelijn garant voor een veilige en obstakelvrije route. Het verduidelijkt bovendien zowel de route als de instapplaats voor alle reizigers. Geleidelijnen worden gebruikt daar waar natuurlijke gidslijnen deze functie onvoldoende kunnen vervullen of bijzondere of gevaarlijke situaties. Een natuurlijke gidslijn is een natuurlijk element in de openbare ruimte en voor slechtziende en blinde mensen bruikbaar als geleiding bij het lopen; bijvoorbeeld een gevelwand of grasrand.
Geleidelijnen zorgen ervoor dat een blinde of slechtziende reiziger zich kan bewegen op of van en naar de halteplaats. Een attentievlak geeft aan dat de route van de geleiding van richting verandert. Waarschuwingsmarkeringen – uitgevoerd in een noppenprofiel - attenderen op eventueel gevaar of vragen om extra oplettendheid van de visueel beperkte reiziger. Een Informatiemarkering geeft aan dat er zich een infopunt of opstapplaats bevindt. Als onderdeel van de informatiemarkering kennen we tenslotte de instapmarkering die aangeeft waar de bus betreden kan worden. Al deze markeringen vormen tezamen de looproute en geven de visueel beperkte reiziger de mogelijkheid om zich op een veilige en vertrouwde manier te begeven binnen in de openbare ruimte, mits deze codering uniform en adequaat wordt toegepast.
2.3.3 Praktische toepassing Zoals in de vorige paragraaf aangegeven bestaat de looproute uit verschillende onderdelen. Deze onderdelen zullen in deze paragraaf toegelicht worden evenals de praktische toepassing hiervan. Naast de toepassing van geleidelijnen en markeringen spreekt het voor zich dat een halteplaats zoveel mogelijk ontdaan moet zijn van obstakels en potentiële “struikel” objecten, zoals bijvoorbeeld opstaande randen en scheef liggende tegels. Voor wat betreft de algemene inrichting van een halteplaats wordt verwezen naar paragraaf 2.2 van dit addendum en hoofdstuk 3 van publicatie 233 van CROW. Overigens dient bij het toepassen van de geleidelijnen rekening gehouden te worden met het feit dat de reiziger niet alleen moet kunnen verplaatsen van en naar de bus. Tevens dient aandacht besteed te worden aan de route van en naar de halteplaats. Dit addendum voorziet echter alleen in de beschrijving van toepassing van de looproute op halteplaatsen.
2.3.3.1 Geleidelijnen Een geleidelijn bepaalt de plaats en richting van een blinde of slechtziende reiziger. Een geleidelijn is een lijn in structuur (bijvoorbeeld ribbels) in de looprichting die in structuur en kleur contrasteert met de omgeving. Geleidelijnen zijn daardoor voor blinden voelbaar en voor ernstig slechtziende mensen ook zichtbaar. Een geleidelijn kan dan op het oog, met de taststok en met de voeten worden gevolgd. Een geleidelijn bestaat vaak uit zogenaamde ribbeltegels, maar kan ook bestaan uit met epoxyhars aangebrachte ribbels op bijvoorbeeld beton of asfaltlagen.
Karakteristieken van een geleidelijn
Mogelijke ribbel doorsnede
Bovenaanzicht ribbels Infoblok 1 Karakteristieken van een geleidelijn
Een geleidelijn is 0,60 m breed, de opliggende ribbellijnen hebben een hoogte van 2,5 (binnensituatie) tot maximaal 5 mm (buitensituatie) en een onderlinge afstand van 43 mm tot 60 mm hoh (hart op hart). Bij 0,60 m brede geleidelijnen (ofwel twee standaard betontegels) wordt voorkomen dat mensen de lijnen missen bij het dwars naderen van zo’n lijn. Zoals in infoblok 2 te zien is hoeft een geleidelijn niet per definitie met een waarschuwingsmarkering te beginnen of eindigen. Een geleidelijn start bijvoorbeeld na een natuurlijke gidslijn, als er geen direct gevaar (obstakel of oversteekvoorziening) is. Specificaties geleidelijnen Zichtbaarheid: contrasterend met de directe omgeving; Voelbaarheid: profiel van opstaande ribbels in de looprichting; de ribbels hebben 2,5 (binnensituatie) tot 5 mm (buitensituatie) profiel en een onderlinge afstand van 45 tot 60 mm; Stroefheid: het loopoppervlak van de geleidelijnen moet voldoende stroef zijn, zodat onder alle weersomstandigheden voldoende grip geboden kan worden aan de reiziger; Hoorbaarheid: geen klankcontrast; Afmetingen: 0,60 m breed over de gehele lengte van het perron om visueel gehandicapten tussen de inen uitstapplaats naar de omgeving te leiden. > 0,60 meter vanaf de perronrand. Aan weerszijden obstakelvrije zone aanwezig van 0,60 m.
De geleidelijn wordt niet alleen toegepast voor blinde mensen, maar ook voor mensen die slecht zien. Hiervoor is het belangrijk dat de geleidelijnen voldoende contrasterend zijn met de directe omgeving. Technisch gesproken houdt dit in dat het verschil tussen de reflectiefactor van geleidelijn en ondergrond minimaal 0,3 moet zijn. Overigens is voor een bepaalde groep mensen met een
visuele beperking een lijn met een hogere reflectiewaarde dan de ondergrond het beste waarneembaar. Bij de meeste bushalteverhardingen passen daarom bijvoorbeeld witte geleidelijnen. Alleen op en in zeer lichte vloeren kunnen geleidelijnen in een donkere kleur worden toegepast Op de bushalte ligt de geleidelijn op 0,60 m van de kant van de perronband, direct naast de blokmarkering. Als er voldoende ruimte is mag de geleidelijn nog 0,30 m verder van de kant van de perronband af liggen.
Start en einde van geleidelijnen
Infoblok 2 Start en einde van geleidelijnen
(Natuurlijke) Gidslijnen Naast geleidelijnen kennen we ook zogenaamde (natuurlijke) gidslijnen. Een gidslijn is een natuurlijk element in de openbare ruimte en voor slechtziende en blinde mensen bruikbaar als geleiding bij het lopen; bijvoorbeeld een gevelwand of grasrand. In openbaar vervoeromstandigheden kunnen gidslijnen alleen de geleidelijn vervangen als deze over tenminste 50 meter ononderbroken en obstakelvrij zijn. Dit zal slechts bij uitzondering het geval zijn. Indien een hekwerk als gidslijn gebruikt wordt, dient de onderste 0,10 m dicht te zijn (in verband met taststokgebruikers) en obstakelvrij.
Praktische toepassingen geleidelijnen
Geleidelijn in een rechte route
Geleidelijn in een afslaande route
Geleidelijn in een afslaande route
Infoblok 3 Praktische toepassingen geleidelijnen
2.3.3.2 Attentievlakken Een attentievlak is vlak van structuur en bestaat uit hetzelfde materiaal als de omgeving. Het attentievlak sluit aan op een geleidelijn en dient ervoor om de gebruiker van de geleidelijn te attenderen op een richtingverandering of object. Een attentiemarkering is altijd vierkant (0,60 x 0,60 m).
Figuur 4 Attentiemarkering
Attentievlakken worden toegepast bij: Richtingveranderingen van de geleidelijn, mits groter dan 15°; bij kleinere hoeken wordt de geleidelijn zonder onderbreking onder een hoek of flauwe curve gelegd. (zie infoblok 2) Bij splitsingen van de geleidelijn. Ter hoogte van een informatiepunt (bijv. reisinformatie). Het attentievlak van 0,60 x 0,60 m wordt in dit geval gecombineerd met een informatiemarkering van 0,60 x 0,60 m (zie paragraaf 2.3.3.4) naast de lijn. Praktische toepassing attentievlakken bij richtingveranderingen
Bij meer dan 15 graden
Bij een splitsing Infoblok 4 Attentievlakken bij richtingveranderingen
Bij haakse richting veranderingen
Bij een kruising
Specificaties attentievlakken Zichtbaarheid: niet zichtbaar, kleur en materiaal gelijk aan aangrenzende bestrating; Voelbaarheid: niet voelbaar; Stroefheid: dezelfde stroefheid als de omgeving; Hoorbaarheid: geen klankcontrast; Afmetingen: 0,60 m breed; Aan weerszijden obstakelvrije zone aanwezig van 0,60 m. (bij puntvernauwingen 0,30 m).
2.3.3.3 Waarschuwingsmarkeringen Een waarschuwingsmarkering wijkt qua structuur en kleur af van de geleidelijn en is daarom geschikt om gevaarlijke situaties te markeren. Een waarschuwingsmarkering waarschuwt vooral voor onveilige situaties. Een waarschuwingsmarkering wordt gekenmerkt door een noppenprofiel. De onderlinge afstand van de opliggende noppen is 60 mm hoh (hart op hart). Deze noppen zijn in buitensituaties 5 mm hoog. Karakteristieken van een waarschuwingsmarkering
Mogelijke ribbel doorsneden
Bovenaanzicht noppenpatronen (voorkeur is diagonaal patroon)
Infoblok 5 Karakteristieken van een waarschuwingsmarkering
Naast een diagonaal patroon, kan hierbij ook gekozen worden voor een recht patroon. De eerste heeft het voordeel dat men bij het lopen met de stok, de noppen beter herkent. Een waarschuwingsmarkering is altijd 0,60 m diep, de breedte hangt af van de toepassing. Waarschuwingsmarkeringen worden toegepast bij: Beëindiging van de geleidelijn indien doorlopen niet meer mogelijk is of risico’s met zich meebrengt. Zo’n eindmarkering is altijd 0,60 x 0,60 m.
Specificaties waarschuwingsmarkering Zichtbaarheid: contrasterend met de geleidelijn en de directe omgeving; Voelbaarheid: noppenpatroon (voorkeur diagonaal) met taps toelopende, aan de bovenkant afgevlakte noppen; Stroefheid: het loopoppervlak van de geleidelijnen moet voldoende stroef zijn, zodat onder alle weersomstandigheden voldoende grip geboden kan worden aan de reizigers. De vlakke ruimte tussen de noppen moet goed afwateren en heeft een ruwe, antislipstructuur, en is 35 mm (afstand "hart op hart": 60 mm); Hoorbaarheid: klankcontrast aan te bevelen; Afmetingen: Minimale lengte in de looprichting van 0,60 m met taps toelopende, aan de bovenkant afgevlakte noppen (25 stuks op een tegel van 0,30 x 0,30 m.) zijn 2,5 mm hoog en hebben aan de basis een doorsnee van 25 mm. Het diagonaal patroon heeft daarbij de voorkeur.
2.3.3.4 Informatiemarkering Een informatiemarkering wordt gebruikt om langs de looproute een informatiepunt (bijv. CiCo, reisinformatie/DRIS, automaat, ov-chipkaartoplaadpunt) aan te geven. Een informatiemarkering kenmerkt zich door zich tactiel, akoestisch en visueel te onderscheiden van het omgevingsmateriaal. Een informatiemarkering ligt in de meeste gevallen langs de lijn en maakt geen deel uit van de doorgaande looproute, dit met uitzondering van de instapmarkering op een halteplaats. In de lijn wordt ter hoogte van de informatiemarkering een attentievlak aangebracht. Indien het informatiepunt zich verder dan 1,20 m van de geleidelijn bevindt wordt er een geleidelijn aangebracht tussen de informatiemarkering en het informatiepunt. De geleidelijn wordt niet beëindigd met een waarschuwingsmarkering, er dreigt immers geen gevaar. Praktische toepassing informatiemarkeringen
Informatiemarkering bij bijv. een informatiezuil Infoblok 6 Praktische toepassing informatiemarkering
Specificaties informatiemarkering Zichtbaarheid: contrasterend met de directe omgeving; Voelbaarheid: voelbaar met de stok en de voet; Stroefheid: Het loopoppervlak van de geleidelijnen moet voldoende stroef zijn, zodat onder alle weersomstandigheden voldoende grip geboden kan worden aan de reizigers. (richtlijnen antislip); Hoorbaarheid: klankcontrast aan te bevelen; Afmetingen: 0,60 bij 0,60 m.
2.3.3.5 Instapmarkering Als bijzondere uitvoering van de informatiemarkering kennen we de zogenaamde instapmarkering. Deze wordt toegepast op bushaltes, ter hoogte van de instapplaats van het voertuig (voordeur). Dit is een specifieke vorm van de informatiemarkering, waarbij behalve de afmeting de karakteristieken gelijk zijn. Net als de informatiemarkering is deze tactiel, akoestisch en visueel afwijkend van de directe omgeving en de geleidelijn. De afmeting is 0,90 x 0,60 m in de richting van de geleidelijn. De instapmarkering is een onderdeel van de belijning op de halteplaats.
Figuur 5 Instapmarkering
Specificaties instapmarkering Zichtbaarheid: contrasterend met de directe omgeving; Voelbaarheid: voelbaar met de stok en de voet; Stroefheid: het loopoppervlak van de geleidelijnen moet voldoende stroef zijn, zodat onder alle weersomstandigheden voldoende grip geboden kan worden aan de reizigers; (richtlijnen antislip) Hoorbaarheid: klankcontrast aan te bevelen; Afmetingen 0,90 bij 0,60 m.
Praktische toepassing instapmarkering
Instapmarkering bij een bushalte Infoblok 7 Praktische toepassing instapmarkering
3 Informeren en communiceren 3.1
Algemeen
Het openbaar vervoer en aanverwante infrastructuur wordt in de periode 2000-2030 geschikt gemaakt voor gebruik door personen met en zonder een (al dan niet tijdelijke) motorische, auditieve of visuele beperking. Naast de infrastructuur wordt met veel zorg aandacht besteedt aan de communicatie hieromtrent. De reiziger heeft belang bij een uniforme en gestandaardiseerde manier van communiceren, waar mogelijk aansluitend op de Europese standaarden. Op deze manier wordt getracht duidelijkheid richting de gebruikers te garanderen en wordt een lappendeken van verschillende categorieën en symbolen voorkomen.
3.2
Nut en noodzaak van goede communicatie
In de voorgaande hoofdstukken van dit addendum is vooral de infrastructuur en inrichting van de halteplaats besproken. Nadat een halte is aangelegd volgens deze richtlijnen, kunnen de haltes in gebruik worden genomen. De vaste reizigers die van deze haltes gebruik maken, zullen de verandering natuurlijk merken. Het is dus vooral belangrijk om de potentiële gebruikers van een toegankelijke reis te bereiken. Het ministerie van Verkeer en Waterstaat heeft onderzoek gedaan naar de wensen en behoeften van reizigers met een mobiliteitsbeperking. De uitkomsten van dit onderzoek zijn als volgt: Informatie zelf moet toegankelijk zijn (voldoende groot, contrasten etc.); Informatie in heel Nederland gelijk en ‘herkenbaar’; Extra informatie beschikbaar voor mensen die daar behoefte aan hebben; Informatie over zowel het voertuig als de halte èn over faciliteiten rondom de halte; De informatie moet op meerdere manieren bereikbaar zijn (internet, telefoon, screenreaders etc.). De reiziger wil tijdens de reis niet voor verassingen komen te staan. Daarom wil een reiziger (met een beperking) vooral weten of onderweg hindernissen aanwezig zijn waardoor de bestemming niet bereikt kan worden. De reiziger gaat bij het plannen van zijn reis op zoek naar bevestiging dat de route toegankelijk is.
Daarnaast willen de meeste reizigers op dit moment ook weten wanneer en waarom een reis niet toegankelijk is. Enerzijds heeft dit te maken met het feit dat toegankelijkheid van bushaltes nieuw is en nog niet alle haltes zijn aangepast. Anderzijds komt dit door het feit dat een reiziger zelf graag de keuze maakt of een halte voor hem al dan niet toegankelijk is. Door het geven van meer gedetailleerde informatie kan worden voorzien in deze behoefte. Zolang er nog veel haltes aangepast moeten worden, bestaat de belangrijkste informatie voor reizigers uit de bevestiging dat een reis al toegankelijk is. Wanneer de meeste haltes toegankelijk zijn zal informatie over de uitzonderingen (beperkt of slecht toegankelijke haltes) het belangrijkste zijn.
De informatie die verspreidt wordt moet in ieder geval publiceerbaar zijn: op haltevertrekstaten (en dus passen in de systemen van de vervoerder); via busboekjes; op al dan niet dynamisch kaartmateriaal; via internet en daarmee voldoen aan de W3C normen; via telefoon (kort en bondige info); via technieken als sms en smartphones.
3.3
Praktische richtlijnen
Met de informatie uit paragraaf 3.2 is bekend wat er gecommuniceerd moet worden naar de reiziger. Hoe de informatie in de praktijk overzichtelijk en toegankelijk gecommuniceerd wordt, zal in deze paragraaf verduidelijkt worden. De toegankelijkheidsinformatie moet voor een zo groot mogelijke doelgroep benaderbaar zijn. Eenvoud en bondigheid van de informatie moeten ervoor zorgen dat dit mogelijk is. Er moet een optimum gevonden worden tussen de bruikbaarheid van de gegevens en de wens om te streven naar de (inhoudelijke) volledigheid van de informatie. Om de eenvoud en bondigheid van de informatie te waarborgen, wordt de mate van toegankelijkheid ingedeeld in drie categorieën: Toegankelijke halte, Beperkt toegankelijke halte en Slecht toegankelijke halte. De mate van beperkte toegankelijkheid uit de tweede categorie wordt uitgedrukt in haltes die alleen toegankelijk zijn voor mensen met een visuele beperking en haltes die alleen toegankelijk zijn voor mensen met een motorische beperking. Om de uniformiteit te waarborgen is er geen tussenweg mogelijk. Wel is het bijvoorbeeld via internet mogelijk dat mensen detailinformatie opvragen over de halteplaats. Een toegankelijke halte is herkenbaar aan twee symbolen die gelijktijdig gebruikt worden. De rolstoel en “de man met de geleidestok”.
Een beperkt toegankelijke wordt, afhankelijk van het soort toegankelijkheid, aangeduid met één van beide symbolen. Een slecht toegankelijke halte krijgt in eerste instantie geen symbolen, omdat er zeker de eerste jaren meer ontoegankelijke, dan toegankelijke haltes zijn. Reizigers met een beperking kunnen dan snel te weten komen welke haltes ze kunnen gebruiken voor een toegankelijke reis. Daarnaast is het belangrijk om positieve informatie te geven.
Haltecategorie Toegankelijke halte
Symbool
Omschrijving categorie Dit is een Toegankelijke Halte, geschikt voor reizigers met een motorische en reizigers met visuele beperking.
De aanwezigheid van beide symbolen geeft aan dat de halte volledig toegankelijk is. Beperkt Toegankelijke halte
A
B
Het hoogteverschil tussen de bus en de halte is +/- 5 centimeter; Het perron is breder dan 1.50 m op de in en uitstapplaats; Er is een geleidelijn op de halte aanwezig. Dit is een Beperkt Toegankelijke Halte, geschikt voor reizigers met een: A) Motorische beperking Het perron is breder dan 1.50 m op de in en uitstapplaats en is op hoogte. B) Visuele beperking Er is een geleidelijn op aanwezig
Slecht Toegankelijke halte
Eén van bovenstaande symbolen is aanwezig Er is geen symbool aanwezig
Dit is een Slecht Toegankelijke Halte, minder goed geschikt voor reizigers met een motorische en reizigers met visuele beperking Hoogteverschil bij instap (perron / bus) is meer dan 0,05m. Het perron is smaller dan 1m Geleidelijn op perron ontbreekt
Toelichting categorisering Belangrijk is dat bij de categorisering altijd voldoende informatie beschikbaar is over de ‘definitie’ van de termen in combinatie van daadwerkelijke maatvoering (hoogte / breedte) van de halte. Met andere woorden moet elke categorie inclusief symbool een bepaald verwachtingspatroon bij de reiziger oproepen dat in alle gevallen hetzelfde beeld oproept. Wanneer twijfel bestaat bij de reiziger over de bruikbaarheid van een halte moet hij of zij terug kunnen vallen op meer detailinformatie. Deze informatie wordt verkregen door het zogenaamde doorklikken op het symbool of het doorvragen aan de telefoniste bij een telefonisch reisadvies.
Er is vooral informatie over de volgende aspecten gewenst: hoogte van de instap bij het voertuig (gelijkvloers of niet); breedte van het perron; aanwezigheid geleidelijnen; aanwezigheid zitgelegenheid; aansluiting perron met de omgeving, aanwezigheid van hoogteverschillen.
Een ov-autoriteit of vervoerder kan er zelf voor kiezen om extra additionele informatie te verspreiden over toegankelijkheid indien deze voorradig is. Zolang de bovengenoemde basisinformatie maar minimaal aanwezig is.
3.4
Publicatie 219f
CROW heeft in februari 2006 de publicatiereeks “Toegankelijkheid collectief personenvervoer (publicatie 219 a t/m g) uitgebracht. In deel 219f staat reis- en route-informatie centraal. In dit deel wordt aandacht geschonken aan de informatievoorziening voor mensen met een visuele, auditieve, motorische of cognitieve functiebeperking. Daarnaast worden de volgende onderwerpen behandeld: informatieverwerking, toegankelijkheid van informatie, de systeemopzet van informatie, het ontwerp van de informatiedragers, de te gebruiken pictogrammen, de hoeveelheid aan te bieden informatie, het letterontwerp en overige ontwerpelementen als de te gebruiken taal en begrippen. Als laatste worden enkele uitvoeringsaspecten als opvallendheid, actoren, fasering, financiën, tijdsplanning en beheer en onderhoud besproken.
4 Do’s & Don’ts In dit hoofdstuk staan een aantal tips ter voorkoming van ontoegankelijke en bevordering van toegankelijke halteplaatsen. Voor de inrichting van halteplaatsen geldt dat de werking van dergelijke infrastructuur alleen maar werkt als vooraf goed is nagedacht over de juiste toepassing. Maatvoering: Een barrièrevrije doorgang van 1,20 m, waarbij een puntvernauwing van 0,90 m plaatselijk is toegestaan, betekent NIET dat de halte maar maximaal 1,20 m breed hoeft te zijn. De richtlijnen in dit addendum geven aan dat een de lengte van de halteerplaats (B2) minimaal 12 m zou moeten zijn. Echter, wanneer een halteplaats alleen door korter/kleiner materieel wordt aangedaan, kan deze lengte B2 aangepast worden op de lengte van dit materieel. Geleidelijnen: Het aanleggen van een ‘waarschuwingsmarkering’ door middel van een geleidelijn dwars op de looprichting is onjuist, omdat er dan verwarring met een geleidelijn als onderdeel van de looproute ontstaat. Waar in combinatie met een geleidelijn waarschuwingsmarkeringen worden toegepast, wordt de overgang tussen de geleidelijn en de waarschuwingsmarkering onderbroken met een attentievlak van 0,30 m bij 0,60 m. De functie hiervan is het verhogen van de herkenbaarheid van de waarschuwingsmarkering.
Dit moet dus toegepast worden vóór de waarschuwingsmarkering bovenaan trappen, voor de waarschuwingsmarkering op perrons (einde geleidelijn) en voor een oversteek. Geleidelijnen zijn in principe aan weerszijden 0,60 m vrij zijn van obstakels. Voor aanleggen van geleidelijnen op busperron is een breedte van minimaal 1,50 m noodzakelijk (CROW-norm). De geleidelijn wordt in dat geval tegen de blokmarkering gelegd zodat aan de andere kant van de geleidelijn nog 0,30 m vrije ruimte overblijft. De instapmarkering maakt dan gebruik van deze vrije ruimte en ligt dus tegen de rand of hekwerk. Bedieningselementen die via een geleidelijn bereikt moeten kunnen worden, hebben een voorkeurafstand van 0,60 tot 0,90 m tot de rand van de geleidelijn. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om Check-in, Check-out palen (CiCo’s), toegankelijke automaten, balies, OVchipkaartoplaadpunten etc. De haltepaal staat op zeker 0,60 m. van de instapmarkering en geleidelijn. Bij voorkeur wordt het haltebord op de abri geplaatst. Indien toch een haltepaal wordt gebruikt dan mag de haltepaal (en de daaraan bevestigde borden) geen gevaar opleveren voor slechtziende en blinde reizigers. Voor haltemeubilair zoals bankjes, borden, prullenbakken, verlichting e.d. geldt dat ze op minimaal 0,60 m. van de geleidelijn staan en niet lager dan 2,60 m boven de geleidelijn mogen uitsteken.
Bij CiCo-palen, automaten en balies wordt in de geleidelijn een attentievlak (0,60 x 0,60 m) aangebracht en direct naast deze markering een informatiemarkering (0,60 x 0,60 m). Als de voorziening verder dan 1,20 m. van de geleidelijn verwijderd ligt, wordt er vanaf de informatiemarkering naast de geleidelijn een geleidelijn aangebracht naar de voorziening (geen waarschuwingsmarkering aan het eind, 0,30 m voor informatiepunt de lijn beëindigen). Het is aan te raden om de geleidelijn op 0,60 tot 0,90 m van de voorziening te leggen en extra aftakkingen te vermijden. Geleidelijnen houden voldoende afstand tot de rand van perrons. Op bushaltes geldt een afstand van 0,60 m.
Geleidelijnen worden aangelegd over de volledige lengte van de perrons. Het einde van de geleidelijn wordt gemarkeerd door een eindmarkering (noppenmarkering). De geleidelijnen en markeringen op de perrons lopen vanaf een of meerdere stijgpunten, ook als er ter hoogte van het stijgpunt geen voertuigen stoppen. Als de reiziger aan het einde van de lijn (=perron) zijn route via een natuurlijke gidslijn wel kan (of moet) vervolgen dan wordt géén noppenmarkering aangebracht. Op perrons waar geen geleidelijnen in de langsrichting kunnen worden aangelegd (perron te smal), wordt wel een instapmarkering aangebracht mét routegeleiding naar het trottoir of natuurlijke gidslijn. Indien op deze smallere perrons het hekwerk naast het perron als natuurlijke gidslijn gebruikt wordt, dient dit hekwerk wel aan de volgende voorwaarden te voldoen: - Minimaal 1,0 m hoog - Tot 1,0 m hoogte bij voorkeur een kindvriendelijke dichte constructie Bij het ontwerpen van looproutes moet worden gestreefd naar zo min mogelijk attentievlakken; als door een schuine lijn enkele attentievlakken kunnen worden vermeden, heeft dit de voorkeur boven een route met meerdere haakse hoeken. De geleidelijn eindigt aan weerskanten bij het begin van het poortje, ter hoogte van het punt waar men kan inchecken dan wel uitchecken. De geleidelijn loopt naar het midden van het brede poortje.
Naar en op hellingbanen kunnen geleidelijnen worden aangebracht, als deze een functie hebben in een logische looproute. Uitgangspunt is dat de hellingbanen aan toegankelijkheidseisen voldoen (hellingpercentage etc.). Voor of op hellingbanen worden geen waarschuwingsmarkeringen gebruikt.
BIJLAGE 1 Onderdelen looproutes Looproutes voor blinden en slechtzienden Naam Figuur Natuurlijke gidslijn
Vorm - Met de voet voelbaar verschil in oppervlakte structuur (bijv. troittoir versus grasmat) - Hoogteverschil minder dan 50mm ribbels
Betekenis Reeds (natuurlijke) aanwezige structuur die kan dienen om plaats en richting te bepalen
Waarschuwingsmarkering en alternatief voor instapmarkering
Noppen (voorkeur diagonaal patroon)
Gevaar, opgelet
Informatie en instap markering
Materiaal dat in kleur, tast en/of klank afwijkt van de aangrenzende bestrating
Hier bevind zich een informatiepunt of opstapplaats
Attentievlak
Onbewerkt vlak, grenzend aan een gids of geleidelijn of waarschuwings of informatiemarkering
Afbuiging van de richting en/of Taansluiting en/of kruising
Geleidelijn
Bronvermelding: PBT Geleidelijnen 22-12-2008 Infoblok 8 Onderdelen looproutes
Bepaalt plaats en richting