2025.203 Bijlage 1. Rapportage - Toegang tot MOVO in Zeeland - AEF - 23 januari 2025 (1481715)
Tekst van het document
Uitwerking van bevindingen MO per criterium
Betaalbaarheid – vervolg
Een andere toegang leidt niet automatisch tot een lagere subsidie ▹ Inzet aanbieders. Ook bij een andere inrichting van de toegang blijft inzet Doel van dit traject was om scenario’s voor de toegang te onderzoeken vanuit de van aanbieders nodig bij het plaatsen van cliënten in de juiste voorzieningen. behoefte in de regio om meer zicht en grip te krijgen op MO/VO. Er ligt dus geen Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het afstemmen met de lokale teams en het concrete besparingsbehoefte aan dit onderzoek ten grondslag. Wanneer het voeren van intakes of doorgeven van wachtlijsten. echter over betaalbaarheid gaat, dan is een bijkomende vraag wel of een ▹ Doorontwikkeling. Los van de scenario’s zal er extra inzet nodig zijn vanuit eventuele verplaatsing van de toegang van aanbieders naar bijvoorbeeld de de aanbieders (en gemeenten en het CZW bureau) voor het verbeteren van lokale teams zou kunnen leiden tot een besparing op de subsidie. Op basis van zicht en grip in de regio. Het maken van afspraken, registreren van in-, doorde in dit traject gevoerde gesprekken is onze conclusie dat het aannemelijk is dat en uitstroom en het voeren van gesprekken met de regio over ontwikkelingen bij een nieuwe inrichting van de toegang, er bovenop de subsidie aan in de MO kosten tijd en inzet.
De regio zal daarom bij het vaststellen van de aanbieders extra (structurele) kosten zullen zijn voor de uitvoering van de subsidie ook moeten kijken in hoeverre de huidige tarieven waarop de toegang. Dit heeft drie redenen: subsidie is gebaseerd ook deze inzet van aanbieders dekken. ▹ Lumpsumbekostiging. Op dit moment krijgen de aanbieders een subsidie voor de organisatie van MO inclusief de toegang daartoe. Er is daarin geen geoormerkt geld voor de toegang en er zijn vanuit de subsidie geen duidelijke voorwaarden gesteld aan hoe de toegang eruit moet zien. Daardoor is niet in beeld hoeveel aanbieders op dit moment aan de toegang besteden, wat het ingewikkeld maakt om bij het verplaatsen van de toegang vast te stellen welk deel van de subsidie daarmee komt te vervallen. 32
Uitwerking van bevindingen MO per criterium
Congruentie – hoe verhouden de scenario’s zich tot de bredere context van opvang/ondersteuning in de regio? We benoemen hoe congruent de scenario’s zijn met de Zeeuwse context Een aanpassing van de toegang tot MO vindt plaats in een bredere context van opvang en ondersteuning in Zeeland, waarin ook de andere Wmo-voorzieningen, landelijke afspraken over toegankelijkheid en regionale ambities een rol spelen. De beoordeling hoe (goed) een scenario aansluit bij de Zeeuwse context is afhankelijk van welk van bovenstaande aspecten het zwaarst wordt gewogen. Daar zullen verschillende bestuurders verschillende visies op hebben. We koppelen daarom geen beoordeling aan congruentie, maar benoemen hoe de scenario’s zich tot de drie aspecten in de context verhouden.
De keuze voor één lokaal team (scenario 4) daarentegen past qua uitvoerende partij wel in de wijze waarop de overige toegangen zijn ingericht, maar past minder bij het achterliggende doel: de aansluiting met het lokale Wmo- en overige aanbod. Ook de keuze voor één centrale partij als toegang lijkt een beweging weg van de overige voorzieningen te zijn: van de meer lokale afweging via aanbieders naar een centrale beoordeling. In de context van overige voorzieningen lijken scenario’s 3 en 4 dan ook minder passend.
Het behouden van de toegang bij de aanbieders is een tussenweg: hiermee ligt de toegangsfunctie zelf niet bij de lokale teams, maar kan er wel op het niveau Toegangsproces in overeenstemming met andere Wmo-voorzieningen van de MO-voorziening (per aanbieder) een verbinding worden gelegd met de Toegang tot Wmo-ondersteuning, zoals ambulante begeleiding, verloopt in de lokale teams in de omgeving. Dit gebeurt nu deels: er zijn afspraken met lokale regio Zeeland al langere tijd via de acht lokale teams. Hierbinnen wordt de teams over het inzetten van aanvullende ambulante ondersteuning binnen de hulpvraag van inwoners integraal onderzocht en vervolgens een passende MO, maar dit leidt volgens verschillende betrokkenen nog niet altijd tot een voorziening gezocht. Sinds enkele jaren is ook de toegang tot Beschermd Wonen goede afstemming tussen Wmo- en MO-voorzieningen. Het vraagt dan ook om bij de lokale teams belegd. Het scenario dat het meest aansluit bij deze context extra afspraken, onder andere over beslistermijnen en bereikbaarheid. van Wmo-toegangen bij de lokale teams is het verplaatsen van de toegang tot MO naar de acht individuele lokale teams (scenario 2).
33
Uitwerking van bevindingen MO per criterium
Congruentie – vervolg
Aansluiten bij regionale uitgangspunt: lokaal wat kan, regionaal wat moet In de regiovisie Beschermd Wonen Maatschappelijke opvang Zeeland 2022-2025 zijn verschillende uitgangspunten geformuleerd over hoe Beschermd Wonen, Beschermd Thuis en maatschappelijke opvang de komende jaren worden versterkt en doorontwikkeld. Onderdeel hiervan is het uitgangspunt: lokaal wat kan, regionaal wat moet. Dit roept de vraag op: kan de toegang tot MO, net als die van BW, bij de lokale teams worden belegd?
34
op te bouwen. De volgende vraag is dan ook: tonen deze voordelen van een regionale (centrale) toegang dat deze taak beter op regionaal dan op lokaal niveau kan worden uitgevoerd? Dat is een (politieke) afweging voor bestuurders.
Technisch gezien: ja, het is mogelijk om de toegang tot regionaal ingekochte voorzieningen bij de lokale teams te beleggen. Dat blijkt ook uit de ervaring vanuit BW in Zeeland, inclusief de ervaring met het opschalen van de capaciteit en het opbouwen van expertise. Dit betekent echter niet automatisch dat zo een verandering gemakkelijk gaat of een optimale toegang oplevert.
Aansluiten bij de landelijke toegankelijkheid Het derde aspect van de context, is die van de afspraken rondom landelijke toegankelijkheid zoals die gelden voor de maatschappelijke opvang. Zo is de regel dat ingezetenen van Nederland zich tot elke gemeente kunnen wenden voor een MO-voorziening, dat de gemeente waartoe iemand zich wendt verantwoordelijk is voor eerste opvang en dat wordt onderzocht in welke voorziening (en waar) de grootste kans is op duurzaam herstel. Alle vier de scenario’s zijn in principe te verenigen met de landelijke toegankelijkheid; het voorgaande gaat immers meer om hoe in de praktijk de toegang wordt uitgevoerd.
Het regionaal organiseren (scenario’s 3 en 4) van de toegang, heeft voordelen ten opzichte van een lokale toegang, waaronder: meer zicht op de instroom, regionale ontwikkelingen en wachtlijsten, eenduidige afspraken over toegangscriteria en de inzet van ondersteuning, en voldoende omvang van de organisatie om de benodigde expertise voor een relatief kleine cliëntpopulatie
Voor een toegang via de lokale teams betekent dit echter wel, anders dan bij de Wmo-voorzieningen, dat ook inwoners vanuit andere (Zeeuwse) gemeenten zich kunnen melden voor opvang. Deze inwoner kan dan niet zonder meer verwezen worden naar een ander lokaal team. Regionaal vraagt dit mogelijk om een onderlinge verrekening en/of solidariteitsafspraken.
Inhoudsopgave
nleiding aanpak
Inleiding & aanpak
Voorafgaand aan de scenario’s
Voorafgaand aan de scenario’s
Scenario’s afwegingskader
Scenario’s & afwegingskader
Onderscheid tussen MO en VO
Onderscheid tussen MO en VO
Uitwerking van bevindingen MO per criterium
Uitwerking van bevindingen MO per criterium
Conclusies advies
Conclusies & advies
35
Conclusies & advies
Samenvattende bevindingen – Voor VO achten we de toegang bij de huidige aanbieder passend We onderzochten de opties voor herinrichting van de toegang tot MO/VO We onderzochten in dit traject de mogelijkheden voor de Zeeuwse gemeenten voor een eventuele herinrichting van de toegang tot MO en VO. Dit vanuit de wens van de gemeenten om meer zicht en grip te krijgen op de populatie die zich voor deze voorzieningen meldt, de ontwikkelingen daarin en uiteindelijk de kosten. Hiervoor spraken we met de verschillende betrokkenen in de regio en haalden we inspiratie uit hoe de toegang elders is georganiseerd. Voor MO werkten we de bevindingen per criterium nader uit In deze rapportage hebben we voor de MO gekozen voor een uitwerking per criterium (hoofdstuk 4). Het eindoordeel voor MO is afhankelijk van de weging van de criteria in het afwegingskader; hoe belangrijk is bijvoorbeeld meer zicht op de cliëntpopulatie ten opzichte van de snelheid van beoordelingen? Die afweging is uiteindelijk aan de Zeeuwse bestuurders. Op de volgende pagina vatten we de bevindingen voor MO beknopt samen en geven ons advies.
36
Voor VO achten we de toegang bij de huidige aanbieder passend In dit onderzoek is ook de toegang tot VO meegenomen. Hierbij zijn grotendeels dezelfde partijen betrokken en is hetzelfde afwegingskader van toepassing. Wel werd gedurende de gesprekken duidelijk dat er enkele aanvullende afwegingen en aandachtspunten zijn: veiligheid & privacy, noodzaak voor 24-uurs bereikbaarheid, een kleinere doelgroep en relatief goed zicht op de populatie. Ook bleek in de gesprekken dat betrokkenen de huidige toegang bij Emergis als relatief passend ervaren voor VO. Deze aanvullende afwegingen leidde tot de conclusie dat voor VO op dit moment het behouden van de toegang bij de aanbieder de meest passende optie is. Het verplaatsen van de toegang brengt risico’s met zich mee en vergt een grote inspanning die niet in verhouding staat tot het aantal VO-cliënten in de regio.
Conclusies & advies
Samenvattende bevindingen MO per scenario – Voor MO is de beoordeling afhankelijk van de weging Scenario 1: Aanbieders Plus
Scenario 2: Lokale teams
• Slechts kleine verandering nodig in de inrichting dus ook relatief weinig (extra) kosten
• Sluit aan bij de toegang tot Wmoaanbod en BW. Beschikt dus over ervaring met toegang
Goed zicht op de wachtlijsten, (on)veiligheid in het eigen aanbod en uitstroom.
• Makkelijker verbinding te maken met het lokale Wmo-aanbod met integrale toets op de hulpvraag van inwoners
•
• Benut de expertise van aanbieders en uitvoerend professionals maximaal
• Verbinding met het Wmo-aanbod vraagt meer afstemming en afspraken met de lokale teams • Regio voor zicht afhankelijk van gegevensuitwisseling met aanbieders; moeten daar meer afspraken over maken • Grip op toegang verloopt via subsidie(gesprekken)
Scenario 3: Centrale toegang (extern)
• Eén centraal punt voor data over aanmeldingen, beoordelingen en instroom • De hoeveelheid aanmeldingen regionaal maken efficiënte inzet van capaciteit mogelijk
• Gemeenten kunnen bijsturen op de eigen toegang • Grootste verandering nodig (o.a. opbouw expertise) en dus relatief veel extra kosten • Structureel mogelijk duurder vanwege minder efficiënte inzet capaciteit en expertise • Regionale afstemming nodig om toegang tot regionaal ingekochte voorzieningen voor heel Zeeland gelijk te houden • Geen zicht op wachtlijsten en voorzieningen; ook lastig op te bouwen in 8 lokale teams
• Gemiddelde verandering nodig om externe partij in te richten voor toegang • Er is nog geen partij die al over de expertise beschikt • Aantrekken van meer capaciteit en een nieuw type medewerker • Geen zicht op wachtlijsten en voorzieningen; wel op te bouwen in 1 toegangsteam • Geen zicht op het Wmo-aanbod
Scenario 4: Centrale toegang (intern) • Eén centraal punt voor data over aanmeldingen, beoordelingen en instroom • De hoeveelheid aanmeldingen regionaal maken efficiënte inzet van capaciteit mogelijk • Beschikt over ervaring met uitvoering van toegang
• Gemiddelde verandering nodig bij één lokaal team. Hier is meer capaciteit en expertise nodig • Geen zicht op wachtlijsten en voorzieningen; wel op te bouwen in 1 toegangsteam
• Voor regionaal zicht op Wmoaanbod is afstemming nodig
Conclusies & advies
Wij zien minder ingrijpende maatregelen waarmee de regio kan voldoen in de behoeften aan zicht en grip In de huidige inrichting is de behoefte aan zicht en grip begrijpelijk De behoeften van gemeenten voor meer zicht en grip zijn begrijpelijk; het gaat bij MO om een relatief kwetsbare groep inwoners met opvang als laatste sociale vangnet. Bij de VO gaat het juist om veiligheidsproblematiek en hangt er veel af van snelle toegang tot veilige opvangplekken. Gemeenten zijn in de huidige inrichting voor zicht en grip echter in grote mate afhankelijk van de gegevensuitwisseling tussen de aanbieders en het CZW bureau als subsidieverlenende partij. Wanneer die gegevensuitwisseling (nog) te wensen overlaat, leidt dit bij gemeenten onvermijdelijk tot een gebrek aan zicht én de daaruit voortvloeiende behoefte om de toegang dichterbij te organiseren.
Benut de minder ingrijpende maatregelen om zicht en grip te verstevigen Aangezien uit dit onderzoek blijkt dat geen van de inrichtingsopties voor de toegang perfect is, het herinrichten van de toegang een grote inzet vraagt en er minder ingrijpende maatregelen zijn om zicht en grip te verbeteren, adviseren wij de toegang tot MO te behouden bij de aanbieders. Hierbij moeten wel aanvullende afspraken gemaakt worden over het uitwisselen van gegevens, het samen in kaart brengen van ontwikkelingen en de verbinding met Wmo.
Het doorontwikkelen van de toegang bij aanbieders vraagt van gemeenten (beleid en lokale teams), aanbieders en het CZW bureau actie. De bereidheid in de regio om de huidige toegang door te ontwikkelingen is echter groot: alle Gedurende het onderzoek naar de toegang tot MO en VO in Zeeland werd ook aanbieders gaven aan meer te kunnen en willen doen om zicht te verbeteren. steeds duidelijker hoe de toegang en gegevensuitwisseling op dit moment zijn Ook het merendeel van de gesproken betrokkenen vanuit gemeenten gaf aan in ingeregeld, welke behoeften de gemeenten in de regio daarbij hebben en wat de principe door te willen met de aanbieders, mits het lukt meer zicht te krijgen op opties zijn om hier wel aan te voldoen. Het verplaatsen van de toegang is één de MO en ontwikkelingen daarin. Het beter benutten van de subsidierelatie van de opties, maar ook direct een van de meest ingrijpende. Andere opties zijn tussen regio en aanbieders biedt hier voor nu nog genoeg perspectief in. (zoals op pagina 6 en 7 omschreven) het inrichten van een monitor, inzetten van gesprekken met aanbieders en het uniformeren van de verantwoording.
38
Meer weten?
Alec Geurts Andersson Elffers Felix (06) 51 01 41 95 A.geurts@aef.nl 23-01-2025