2025.203 Bijlage 1. Rapportage - Toegang tot MOVO in Zeeland - AEF - 23 januari 2025 (1481715)
Tekst van het document
Toegang tot MO/VO in de regio Zeeland Onderzoek naar scenario’s 23-01-2025
Inhoudsopgave
nleiding aanpak
Inleiding & aanpak
Voorafgaand aan de scenario’s
Voorafgaand aan de scenario’s
Scenario’s afwegingskader
Scenario’s & afwegingskader
Onderscheid tussen MO en VO
Onderscheid tussen MO en VO
Uitwerking van bevindingen MO per criterium
Uitwerking van bevindingen MO per criterium
Conclusies advies
Conclusies & advies
2
Inleiding & aanpak
Zeeuwse gemeenten werken samen aan het versterken van de maatschappelijke opvang en veilige opvang De gemeenten in Zeeland hebben behoefte aan zicht en grip op MO/VO In de regio Zeeland organiseren de 13 Zeeuwse gemeenten in gezamenlijkheid de Maatschappelijke Opvang (MO) en Veilige Opvang (of vrouwenopvang; VO). Drie aanbieders ontvangen vanuit het CZW bureau subsidies om opvangplekken en ondersteuning te organiseren in heel de regio Zeeland. De toegang tot deze MO- en VO-voorzieningen loopt op dit moment via de aanbieders zelf. Inwoners met een hulpvraag melden zich daarvoor bij een opvanglocatie. De aanbieders beoordelen de hulpvragen, verzorgen de toeleiding naar opvangplekken en leggen waar nodig verbindingen met andere gemeentelijke voorzieningen, zoals het lokale Wmo-aanbod.
Hoewel deze structuur in de basis functioneert, ervaren de Zeeuwse gemeenten ook een behoefte aan meer zicht op de cliëntpopulatie en de ontwikkelingen daarbinnen, en aan grip op de kosten. De gemeenten werken daarom in een regionale aanpak samen aan het versterken van de MO en VO, onder andere door het bevorderen van de uitstroom van cliënten, het optimaliseren van de samenwerking tussen gemeenten en aanbieders, en het inrichten van een halfjaarlijkse monitoring voor de MO. Voorliggende rapportage is voeding voor en onderdeel van deze bredere doorontwikkeling van MO/VO in Zeeland.
3
De inrichting van de toegang kan bijdragen aan het zicht van gemeenten op het doorlopen van de klantreis en (regionale) ontwikkelingen Bij het monitoren en sturen op MO/VO hebben gemeenten en regio’s verschillende knoppen om aan te draaien. Eén van deze knoppen is de inrichting van de toegang. Door de toegang slim in te richten, krijgen gemeenten zicht op wie zich aanmelden voor voorzieningen, welke hulpvragen zij hebben, wat hieraan vooraf is gegaan en waar mensen uiteindelijk terecht komen. Ook in Zeeland kan de toegang een rol spelen in het vergroten van het zicht in en (uiteindelijk) grip op de ontwikkelingen in de MO/VO. Om te verkennen welke mogelijkheden de regio Zeeland hiervoor heeft, hebben de Zeeuwse gemeenten aan AEF gevraagd verschillende scenario’s voor de toegang te onderzoeken. Hierbij rekening houdend met de context van de regionale behoefte aan meer zicht en grip op de cliëntpopulatie en de kosten van MO en VO. Inspiratie uit andere gemeenten en regio’s diende daarbij als input voor de scenario’s en de criteria in het opgestelde afwegingskader. Het resultaat is een inzichtelijke afweging van vier verschillende inrichtingen van de toegang en de bijbehorende voor- en nadelen en aandachtspunten.
Inleiding & aanpak
AEF onderzocht vier scenario’s voor de toegang tot MO/VO Met behulp van een startfoto brachten we de stand van zaken en behoeften in beeld De globale aanpak van dit onderzoek lichten we hier rechts op de pagina toe. Een aanvullend onderdeel van de aanpak was het opstellen van een startfoto. Dit is een globaal beeld van de stand van zaken en de huidige inrichting van de toegang tot MO/VO in de regio Zeeland. We gebruikten de startfoto om scherp te krijgen hoe de toegang op dit moment werkt, welke behoefte er op dit vlak precies leeft in de regio en wat volgens betrokkenen in de regio Zeeland de belangrijkste criteria zijn waar een goede toegang aan voldoet. De startfoto diende daarmee als input voor zowel het opgestelde afwegingskader als voor het opstellen van de vier scenario’s.
Dit onderzoek dient als input voor regionale besluitvorming over de toegang Een volgende stap voor de gemeenten in de regio Zeeland is te besluiten op welke manier zij de toegang tot MO en VO zullen doorontwikkelen. De uitkomsten van dit onderzoek dienen als input voor de regionale besluitvorming over de toekomstige inrichting van de toegang tot MO/VO in Zeeland. Naar verwachting wordt hierover eind Q1 van 2025 een besluit genomen door de Zeeuwse bestuurders. Na het besluit van de bestuurders vullen we de rapportage aan met de voor het gekozen scenario relevante aandachtspunten voor monitoring en implementatie die we gedurende dit onderzoek hebben opgehaald.
4
Aanpak We spraken met verschillende betrokken professionals in de regio, waaronder van het CZW bureau, verschillende Zeeuwse gemeenten, het ambtelijk kernteam en de aanbieders om het huidige proces en de behoeften voor de toegang tot MO/VO in kaart te brengen en daarna de verschillende scenario’s te toetsen. We stelden vier scenario’s op voor de toegang tot MO/VO. Dit deden we door de knelpunten en wensen van verschillende betrokkenen in kaart te brengen en te kijken naar hoe de toegang in andere regio’s geregeld is. We werkten een afwegingskader uit om te beoordelen welk scenario het beste bij de behoeften en de wensen van de regio past. Aan de hand van verkennende gespreken met de Zeeuwse gemeenten en beleidstukken uit de regio stelden we de criteria waar nodig nog bij. We beoordeelden de scenario's aan de hand van de criteria in het afwegingskader en gesprekken met alle betrokkenen. Hierbij hielden we rekening met de verschillende voorzieningen binnen de MO in Zeeland. We noemen ook expliciet de voor- en nadelen per scenario.
Inhoudsopgave
nleiding aanpak
Inleiding & aanpak
Voorafgaand aan de scenario’s
Voorafgaand aan de scenario’s
Scenario’s afwegingskader
Scenario’s & afwegingskader
Onderscheid tussen MO en VO
Onderscheid tussen MO en VO
Uitwerking van bevindingen MO per criterium
Uitwerking van bevindingen MO per criterium
Conclusies advies
Conclusies & advies
5
Voorafgaand aan de scenario’s
Enkele punten rond de toegang vragen de komende jaren doorontwikkeling, ongeacht het gekozen scenario Zicht is op dit moment te afhankelijk van de subsidieverantwoording Tijdens de verkennende gesprekken bleek al snel dat momenteel het zicht op MO/VO afhangt van de jaarlijkse subsidieverantwoording van aanbieders. Deze frequentie is te laag voor gemeenten om een actueel beeld op te halen van de MO-/VO-populatie en van eventuele ontwikkelingen daarbinnen. Daarnaast is de verantwoording niet gestandaardiseerd, met verschillende soorten documenten en informatie als gevolg. Dit maakt het lastig een eenduidig beeld op te stellen. Ongeacht of de regio kiest voor een andere inrichting van de toegang, moet zij op het gebied van zicht in ieder geval de volgende stappen zetten: ▹ Het invoeren van de MO-monitor die op dit moment in ontwikkeling is door het CZW-bureau. Hiervoor met aanbieders afspraken maken over het minimaal halfjaarlijks aanleveren van data, mogelijk zelfs per kwartaal.
▹ Onderdeel van het traject rondom de MO-monitor zou moeten zijn de jaarlijkse subsidieverantwoording te standaardiseren. Een deel van de gevraagde informatie in de monitor komt immers ook terug in de verantwoording. De jaarlijkse verantwoording moet zich dan beperken tot aanvullende informatie over bijvoorbeeld de besteding van middelen. 6
▹ Overwegen voor meer langdurige opvang te werken met het berichtenverkeer iWmo voor het eenduidig(er) registreren van start/stop van toegekende hulp. Voor de acute nachtopvang lijkt het gezien de korte doorlooptijden en grotere aantallen minder realistisch het berichtenverkeer in te zetten. Meer grip kan maar beperkt verwacht worden van inzet op de instroom Bij het gesprek over grip op kosten gaat het snel over de instroom van cliënten. Hierbij is het te verwachte effect echter beperkt: veel van de geïnterviewden delen het beeld dat de mensen die zich bij de MO-voorzieningen melden daar doorgaans ook passen: ‘je meldt je niet voor de lol bij de nachtopvang’. Het is dan de vraag of je met strengere instroomcriteria ook meer grip krijgt op de kosten of dat hiermee slechts mensen met problematiek worden verplaatst. Voor VO geldt dat de relatief strikte afspraken rondom landelijke toegankelijkheid ervoor zorgen dat de instroomcriteria helder zijn en dat die voor zover bekend goed gehandhaafd worden. Dat betekent ook dat sterker sturen op de instroom in VO maar tot weinig extra grip zal leiden.
Voorafgaand aan de scenario’s
Los van de toegang biedt de subsidierelatie tussen regio en aanbieder nog ruimte voor sturing en grip Er is ruimte voor meer grip door te sturen op door- en uitstroom ▹ Afspraken over casusregie. Het bespreken van wat aanbieders inzetten om Voor meer grip kan mogelijk wel gekeken worden naar maatregelen die zicht cliënten voor te bereiden op uitstroom of het afbouwen van ondersteuning. richten op de door- en uitstroom van cliënten binnen de MO (en in mindere Wie voert casusregie uit? Als dat de aanbieder is, wat verwacht de regio hier mate de VO). Hierbij gaat het zowel om de duur van het verblijf bij een dan minimaal van aanbieders? Wanneer een aanbieder aangeeft niet uit te voorziening als het type voorzieningen dat wordt ingezet. Een belangrijk middel komen met de subsidie, dan kan de regio bijvoorbeeld kiezen voor een dat de regio Zeeland hiervoor nog kan inzetten is het voeren van (meer) steekproefsgewijze check op het cliëntenbestand. Wanneer blijkt dat er contract-/subsidiegesprekken met aanbieders. Hierin kunnen de volgende zaken cliënten in de MO verblijven die qua problematiek klaar zijn uit te stromen aan bod komen: en/of casusregie vanuit de aanbieder ruimte voor verbetering kent, dan kan de regio dit meewegen in het besluit wel of niet de subsidie te verhogen. ▹ Vergelijking van doorlooptijden.
Het vergelijken van doorlooptijden in de regio Zeeland tussen de aanbieders onderling en met aanbieders in andere ▹ Ophalen wat aanbieders nodig hebben. De gesprekken zijn ook een (landelijke) regio’s. Er zullen verschillen zijn tussen aanbieders en regio’s. moment om bij aanbieders op te halen wat zij nog nodig hebben van de regio Hierbij is het vooral de vraag: is het uitlegbaar en aannemelijk dat deze om te sturen op door- en uitstroom. Ontbreken er bijvoorbeeld specifieke aanbieder een langere verblijfsduur heeft dan andere aanbieders? Wanneer voorzieningen? Zijn er gemeenten waarin het aantal uitstroomplekken het antwoord hierop negatief is, dan past het ook binnen de subsidierelatie achterblijf? Zien ze een piek in het aantal cliënten dat niet goed plaatsbaar is? tussen regio en aanbieder om hier aanvullende afspraken over te maken en Tijdens dit onderzoek is al gesproken over dergelijke gesprekken met op bij te sturen. aanbieders om meer zicht te krijgen op ontwikkelingen en het gezamenlijk werken naar een sterke MO. Wij zien dit als een positieve ontwikkeling.
7
Inhoudsopgave
nleiding aanpak
Inleiding & aanpak
Voorafgaand aan de scenario’s
Voorafgaand aan de scenario’s
Scenario’s afwegingskader
Scenario’s & afwegingskader
Onderscheid tussen MO en VO
Onderscheid tussen MO en VO
Uitwerking van bevindingen MO per criterium
Uitwerking van bevindingen MO per criterium
Conclusies advies
Conclusies & advies
8
Scenario’s & afwegingskader
We stelden vier scenario’s op voor de inrichting van de toegang tot MO- en VO-voorzieningen We verdelen de vier scenario’s over twee assen: schaal & organisatie In samenspraak met de regio formuleerden we vier scenario’s In aanvulling op de algemene benodigde stappen van de vorige pagina, kan de In overleg met het Kernteam BW/MO vanuit de regio Zeeland, kwamen we tot regio overwegen de toegang tot MO/VO anders in te richten. Om te verkennen vier scenario’s die we in dit traject uitwerkten en onderzochten. Dat zijn: welke mogelijkheden de regio hiervoor heeft, verzochten de Zeeuwse 1. Aanbieders Plus: het behouden van de huidige toegang door aanbieders gemeenten ons om verschillende scenario's tegen elkaar af te wegen. Hiervoor is met aanvullende afspraken over gegevensdeling en monitoring; het allereerst nodig vast te stellen welke scenario’s worden onderzocht. Dit deden we aan de hand van gesprekken, inspiratie vanuit andere regio’s en op 2. Lokale teams: de toegang verplaatsen naar de individuele lokale teams basis van eerdere onderzoeken. Om de scenario’s vervolgens te formuleren, van de Zeeuwse gemeenten; hanteerden we twee assen: 3. Centrale toegang (extern): de toegang verplaatsen naar één regionale ▹ Schaal: hoe lokaal of regionaal wordt de toegang ingericht? partij buiten de gemeenten (extern); ▹ Organisatie: welk type organisatie voert de toegang uit?
4. Centrale toegang (intern): de toegang verplaatsen naar het lokale team van één van de Zeeuwse gemeente (intern).
9
1: Aanbieders Plus
2: Lokale teams
3: Centrale toegang (extern)
4: Centrale toegang (intern)
Regionaal
Gemeente
Aanbieders / externe partij
Lokaal
Op de volgende pagina’s geven we voor elk scenario een overzicht van de beoogde werkwijze en benodigde wijzigingen.
Scenario 1 – AanbiedersPlus
01
Hoe werkt dit scenario?
02
Hoe loopt het toegangsproces?
03
Wat is er aan verandering nodig?
De toegang blijft bij dit scenario bij dezelfde partijen
De inrichting van de toegang blijft in dit scenario
belegd: de drie aanbieders. Dit scenario sluit aan bij de
ongewijzigd. Wel zijn aanvullende afspraken over
huidige inricht. Wel worden er ter bevordering van zicht en grip op regioniveau aanvullende afspraken gemaakt over het delen van de gegevens en het duiden van
Stap 1 Inwoner meldt zich ergens
Stap 2 Inwoner wordt verwezen naar een van de aanbieders MO/VO
ontwikkelingen. Dit zijn afspraken als: •
Inrichting: •
data aan het CZW-bureau. Zoals: aantal hulpvragen,
Zicht:
herkomstgemeente, type problematiek en het type ingezette ondersteuning/producten; Het werken met een door het CZW-bureau
Stap 4 Aanbieder neemt indien nodig contact op met lokale team van gemeente voor toegang Wmo
gestandaardiseerde subsidieverantwoording voor alle •
subsidieverantwoording noodzakelijk.
Het periodiek (minimaal halfjaarlijks) aanleveren van aantal unieke cliënten uitgesplitst naar
•
gegevensuitwisseling, contractmanagement en
Stap 3 Aanbieder doet onderzoek naar de hulpvraag en stelt noodzaak MO/VO vast*
•
Geen veranderingen nodig in de inrichting Vanuit het contractmanagement (momenteel door CZW-bureau) aanvullende afspraken maken over gegevensuitwisseling en verantwoording
•
Duidingsgesprekken tussen ten minste aanbieders en het CZW-bureau (maar bij voorkeur ook gemeenten)
drie de aanbieders;
voor het vaststellen van ontwikkelingen in de
Vastleggen en afstemmen van de manier waarop
populatie, inzet van ondersteuning en problematiek
aanbieders het onderzoek naar de hulpvraag van cliënten uitvoeren. Bijvoorbeeld: welke medewerkers voeren dit onderzoek uit, wanneer betrekken zij een gedragswetenschapper en welke termijnen hanteren
Stap 5 Aanbieder kiest uit eigen aanbod passende voorziening of verwijst door (MO/VO of Wmo-aanbod)
Stap 6 Inwoner gaat naar de voorziening toe
ze?
*) Er kunnen duidelijkere afspraken gemaakt worden over hóe aanbieders het onderzoek uitvoeren. In de huidige inrichting hebben gemeenten geen zicht op hoe aanbieders de toegang uitvoeren en zijn er regionaal geen afspraken over gemaakt.
Grip: •
Impuls contractmanagement & subsidieverantwoording. O.a. naleving van de instroomcriteria, verantwoording van de inzet en het sturen op door- en uitstroom.
Scenario 2 – Lokale toegang
01
Hoe werkt dit scenario?
02
Hoe loopt het toegangsproces?
03
Wat is er aan verandering nodig?
De toegang wordt belegd bij de lokale toegangsteams
Dit scenario betekent een grote wijziging voor de
voor Wmo en beschermd wonen. Aanvullend worden er
inrichting van de toegang. Hierbij gaat het in ieder geval
regionale instroomcriteria en data-uitwisseling ingericht. Dit scenario sluit aan bij de toegang voor andere Wmo-voorzieningen in de regio.
Stap 1 Inwoner meldt zich ergens
Stap 2 Inwoner wordt verwezen naar lokale toegang van diens gemeente
om de volgende veranderingen: Organisatie: •
uit te voeren. Hiervoor is extra capaciteit nodig, zeker
Organisatie: •
Professional: •
als er 24/7 bereikbaarheid moet worden ingericht.
De lokale toegangsteams van de 13 individuele Zeeuwse gemeenten. Dit zijn in Zeeland 8 teams. Toegangsmedewerkers Wmo of BW, of nieuw aan te trekken medewerkers met expertise op MO/VO.
Stap 4 Lokale toegang zoekt in overleg met aanbieder geschikte en beschikbare plaats
Samenwerking: •
De lokale teams krijgen de opdracht om de toegang
Stap 3 Lokale toegang doet onderzoek naar hulpvraag en stelt noodzaak MO/VO vast.
•
De lokale teams moeten expertise MO/VO opbouwen.
Dit kan ondersteund worden door het regionaal expertiseteam of door onafhankelijke deskundigen. Zicht: •
Naast de monitor die het CZW-bureau op dit moment
Nauw contact nodig met aanbieders voor zicht op
inricht moet er ook tussen lokale teams en
wachtlijsten, type ondersteuning en eventueel
aanbieders worden uitgewisseld over wachtlijsten/
expertise op ingewikkelde casuïstiek. .
Stap 5 Aanbieder bevestigt plek voor inwoners in de voorziening.
Stap 6 Inwoner gaat naar de voorziening toe.
beschikbaarheid van opvangplekken.
Grip: •
Regionale afspraken over instroom(criteria), beoordeling, onderlinge solidariteit en de bekostiging van de toegang.
Scenario 3 – Centraal, extern
01
Hoe werkt dit scenario?
02
03
Hoe loopt het toegangsproces?
Wat is er aan verandering nodig?
De toegang wordt belegd bij een organisatie
In dit scenario is de grootste verandering het
buiten de gemeenten die één centrale toegang
inrichten van een externe partij of het selecteren
inricht. In de uitwerking van het scenario is opgenomen waar deze organisatie aan moet voldoen. Dit scenario sluit aan bij het regionale
Stap 1 Inwoner meldt zich ergens
Stap 2 Inwoner wordt verwezen naar de centrale toegangsorganisatie
niveau waarop MO/VO in Zeeland wordt
van een geschikte regionale partij. Verder moeten er afspraken worden gemaakt over het verbeteren van het inzicht in de toegang. Organisatie:
gecontracteerd.
• Organisatie: •
Een externe organisatie organiseert een loket voor toegang tot MO/VO
•
Dit kan bv. het CZW bureau zijn of een externe partij die nog geen opdracht heeft op MO/VO
Stap 4 Centrale toegang neemt indien nodig contact op met lokale teams van gemeenten voor toegang Wmo
Stap 3 Centrale toegang doet onderzoek naar hulpvraag en stelt evt. noodzaak MO/VO vast .
•
Samenwerking: Voor zicht op aanbod Wmo in contact met de lokale teams van de gemeenten. •
•
Afspraken maken over onder andere de bekostiging, werkwijze (waaronder 24-uurs beschikbaarheid) en verantwoording
Zicht: Opnemen van informatie over toegang in verantwoording/ rapportage naar de regio
Nieuw aan te trekken medewerkers met expertise op MO/VO
•
externe partij vanuit de regio oprichten;
•
Professional:
Selecteren van geschikte partij of zo een
Stap 5 Centrale toegang zoekt in overleg met aanbieder geschikte en beschikbare plaats
Stap 6 Aanbieder bevestigt plek voor inwoner in de voorziening
• Stap 7 Inwoner gaat naar de voorziening toe
Voor alle gemeenten herkomstgemeenten van
cliënten inzichtelijk maken Grip: •
Regionale afspraken over instroom(criteria),
Voor zicht op wachtlijsten/expertise in contact
beoordeling, doorverwijzen naar centrale
met aanbieders.
toegang en onderlinge solidariteit. •
Gesprekken over naleving opdracht
Scenario 4 – Centraal, intern
01
Hoe werkt dit scenario?
02
03
Hoe loopt het toegangsproces?
Wat is er aan verandering nodig?
De toegang wordt belegd bij een van de
In dit scenario wordt één lokaal team aangewezen als de
gemeenten die één centrale toegang inricht,
centrale toegang. Dat vraagt bij dit lokale team om grote
eventueel in samenwerking met aanbieders. In de uitwerking van het scenario is opgenomen waar deze organisatie aan moet voldoen. Dit scenario
Stap 1 Inwoner meldt zich ergens
Stap 2 Inwoner wordt verwezen naar de centrale toegang van gemeente X
sluit aan bij de wens meer grip te organiseren
wijzigingen. Organisatie: •
Een van de lokale teams aanwijzen als centrale
zonder de noodzaak dat elke gemeente expertise
toegang. Hier is extra capaciteit nodig, zeker als er
moet bouwen.
24/7 bereikbaarheid moet worden ingericht.
Organisatie: •
Loket of toegangsteam van één van de gemeenten in de regio als centrale toegang tot MO/VO.
Professional: •
Stap 3 Centrale toegang doet onderzoek naar hulpvraag en stelt evt. noodzaak MO/VO vast.
•
Dit lokale team moet expertise MO/VO opbouwen. Dit team kan mogelijk ondersteund worden door onafhankelijke deskundigen.
Zicht: •
Voor regiogemeenten (zoveel mogelijk) herkomst-
Toegangsmedewerkers Wmo of BW, of nieuw
gemeenten van cliënten inzichtelijk maken, bv. d.m.v.
aan te trekken medewerkers met expertise op
dashboard.
MO/VO van gemeente X. Samenwerking: •
Stap 4 Central toegang neemt indien nodig contact op met lokale team van gemeente voor toegang Wmo
Voor zicht op overig aanbod Wmo in contact met de lokale teams van de overige
Stap 5 Centrale toegang zoekt in overleg met aanbieder geschikte en beschikbare plaats
Stap 6 Aanbieder bevestigt plek voor inwoner in de voorziening
Stap 7 Inwoner gaat naar de voorziening toe
Grip: •
Regionale afspraken over instroom(criteria), beoordeling, doorverwijzen naar centrale toegang en onderlinge (financiële) solidariteit.
gemeenten. •
Voor zicht op wachtlijsten/expertise in contact met aanbieders.
``
Scenario’s & afwegingskader
We beoordelen de scenario’s op gestructureerde wijze aan de hand van een afwegingskader met vijf criteria Het afwegingskader helpt bij het kiezen van een inrichting twee scenario’s hangt af van hoe zij zich verhouden tot het beste en slechtste Dit rapport dient ter ondersteuning van de regionale besluitvorming over het al scenario. Deze manier van scoren heeft voor- en nadelen: dan niet anders inrichten van de toegang tot MO en VO. Elk scenario heeft voor- + Het wordt hiermee heel inzichtelijk op welke vlakken de scenario’s van elkaar en nadelen die tegen elkaar én tegen het beoogde doel dienen te worden verschillen. Dat helpt bij de keuze tussen verschillende scenario’s. Ook maakt dit afgewogen. Dit vraagt een gestructureerde aanpak. duidelijk waar de belangrijkste aandachtspunten van een scenario liggen. Een afwegingskader is een hulpmiddel en een kader om de scenario’s op gestructureerde wijze te vergelijken. Voor dit onderzoek stelden we een kader op aan de hand van gesprekken met de verschillende betrokkenen uit de regio. We stemden het kader af met het Kernteam BW/MO. Het kader bevat de belangrijkste criteria waarop de scenario’s worden getoetst. Zo wordt het voor de regio snel inzichtelijk hoe de scenario’s op de meest relevante punten van elkaar verschillen. Op de volgende pagina lichten we de vijf criteria toe.
We gebruiken het afwegingskader om scenario’s te beoordelen Het afwegingskader wordt gebruikt om scenario’s te beoordelen op basis van input van cliënten, aanbieders, gemeenten en de regio. Elk scenario krijgt een score per criterium: ++, +, +/-, - of - -. Deze scores worden bepaald door de scenario’s met elkaar te vergelijken. Het best beoordeelde scenario krijgt in principe ++ en het slechtst beoordeelde scenario - - .* De score van de andere
14
*) Wanneer ook het best scorende scenario een duidelijk aandachtspunt kent, dan wordt de beste beoordeling een + in plaats van ++.
- Het betekent echter ook dat een scenario een relatief slechte score kan krijgen, terwijl het in de praktijk geen onoverkomelijk probleem hoeft te vormen. Een lage score betekent alleen dat het een groter aandachtspunt is ten opzichte van de andere scenario’s. De weging van de criteria bepaalt het uiteindelijke besluit van bestuurders Hoewel elk criterium op dezelfde manier wordt gescoord, hebben ze niet allemaal hetzelfde gewicht in de uiteindelijke besluitvorming. Bestuurders zullen sommige criteria of belangen immers zwaarwegender vinden dan andere. Het is daarom van belang om, naast het bespreken van de criteria zelf, regionaal vast te stellen hoe zwaar elk criterium weegt. Hoe belangrijk is bijvoorbeeld meer zicht op de cliëntpopulatie ten opzichte van de snelheid van beoordelingen?
Scenario’s & afwegingskader
Afwegingskader: scenario’s voor toegang tot MO/VO Effectiviteit voor zicht en grip: • Gegevensdeling & inzicht krijgen: het effectief uitwisselen van gegevens tussen alle relevante partijen. Een goede gegevensdeling is cruciaal voor het verkrijgen van inzicht in de toegang tot, en de clientpopulatie van, MO/VO. We houden in de beoordeling rekening met 3 aspecten: 1. Is het aannemelijk dat de variant leidt tot meer inzicht dan de huidige situatie? 2. Zijn aanvullende afspraken nodig tussen de regio, zorgaanbieder en eventuele toegangsorganisatie? 3. Zijn er risico’s voor de privacy van cliënten? • Sturingsmogelijkheden: hoe snel en effectief de regio kan ingrijpenn en bijsturen op basis van de informatie vanuit de toegang. Dit gaat bijvoorbeeld om het aanpassen van (instroom)beleid, het herverdelen van de middelen tussen aanbieders of optimaliseren van processen. De beoordeling richt zich hier op de tijd en afstemming die het de regio kost om bij te sturen.
15
Kwaliteit van toeleiding: • Accuraatheid: of de toegangsmedewerker/persoon die beoordeelt ook de juiste expertise heeft om deze beoordeling te doen. Belangrijk hierbij is de vraag of hiermee het toegangsproces voor de inwoner meer belastend is dan in andere scenario's. • Snelheid: de snelheid waarmee cliënten toegang krijgen tot de juiste opvang voorzieningen. • (On)veiligheid: wat ervoor nodig is om tijdens de beoordeling en match met een voorziening zicht te krijgen op de mate van eventuele veiligheidsvraagstukken. • Signaleringsfunctie: of de toegang erin slaagt relatief lichte hulpvragen te signaleren en naar lichter aanbod te verwijzen. Daar hoort ook zicht vanuit de toegang bij op eerdere ondersteuning die een inwoner heeft ontvangen.
Uitvoerbaarheid: • Eenmalige extra inzet: het opzetten van nieuwe werkprocessen, aanstellen van extra mensen, uitbreiden of vrijmaken van capaciteit en het inrichten van de faciliteiten. • Structurele extra inzet: uitvoeren van de werkzaamheden passend bij de toegang en eventuele coördinatie tussen betrokken partijen.
Betaalbaarheid: • Eenmalige kosten: eenmalige kosten die gepaard gaan met de implementatie van een variant. • Structurele kosten: structurele of terugkerende kosten die nodig zijn om de gekozen variant te onderhouden.
Congruentie: • Toegang tot Wmo-voorzieningen: de link tussen MO/VO voorzieningen en andere voorzieningen die de inwoner kunnen helpen. • Regionale ambitie zo lokaal mogelijk: aansluiten bij de regiovisie van Zeeland op MO/BW en het afwegen wat zo lokaal mogelijk in deze context is. • Landelijke toegankelijkheid MO: waarbij inwoners zonder regiobinding moeten ook toegang kunnen krijgen tot MOvoorzieningen wanneer de hulpvraag daar reden toe geeft.
Inhoudsopgave
nleiding aanpak
Inleiding & aanpak
Voorafgaand aan de scenario’s
Voorafgaand aan de scenario’s
Scenario’s afwegingskader
Scenario’s & afwegingskader
Onderscheid tussen MO en VO
Onderscheid tussen MO en VO
Uitwerking van bevindingen MO per criterium
Uitwerking van bevindingen MO per criterium
Conclusies advies
Conclusies & advies
16
Onderscheid MO en VO
Voor de VO-doelgroep gelden aanvullende afwegingen die leiden tot een andere conclusie dan bij MO Dit onderzoek had betrekking op zowel de toegang tot MO als VO bereikbaarheid als een nagenoeg onmisbare voorwaarde. Het is onzeker of In dit traject onderzochten we de toegang tot de maatschappelijke opvang en die het lukt dit binnen een partij anders dan een zorgaanbieder te organiseren. van de veilige opvang. De reden hiervoor is dat er een grote overlap is in de 3) Zicht op de VO-populatie. Het zicht op deze voorziening is relatief goed in betrokken partijen en personen: gemeenten, het CZW bureau en de aanbieders. vergelijking tot de MO. Er is in de regio Zeeland maar één aanbieder die VOOok een deel van de afwegingen is hetzelfde. Zo moet zowel bij VO als bij MO voorzieningen uitvoert: Emergis. Dat maakt het ophalen van informatie over voldoende expertise in huis zijn om de hulpvraag te beoordelen en snel toe te de VO-populatie en het bespreken van eventuele ontwikkelingen relatief leiden naar een voorziening. Er zijn echter ook verschillen tussen MO en VO in gemakkelijk. De informatie is immers al centraal opgeslagen. De toegang wat nodig is in de toegang en wat past qua problematiek en populatie. De verplaatsen naar de 8 lokale teams zou het beeld van de VO juist meer belangrijkste afwegingen met betrekking tot de toegang tot VO zijn: versnipperen.
Daar komt bij dat betrokkenen uit de regio positief zijn over de 1) Privacy & veiligheid. De privacy van inwoners die een beroep doen op VOwijze waarop VO op dit moment wordt gemonitord door de aanbieder. voorzieningen vraagt extra aandacht vanwege het veiligheidscomponent van Voor VO achten we de toegang bij de huidige aanbieder passend hun hulpvraag. Met name in kleinere gemeenten waar meer inwoners elkaar In het licht van deze aanvullende afwegingen rondom de toegang tot VO werd al kennen, roept dit de vraag op of de privacy van inwoners voldoende kan relatief vroeg in het onderzoek duidelijk dat de huidige toegang bij aanbieders worden geborgd op het moment dat zij een VO-aanvraag doen. Juist bij deze voor VO als passend wordt ervaren. Ook werd duidelijk dat de mogelijkheden inwoners kan de toegang bij aanbieders, of anders bij een partij buiten de voor een andere toegang tot VO beperkt zijn. Het verplaatsen van de toegang gemeente, bijdragen aan een veilige stap naar opvang. brengt daarnaast privacy- en veiligheidsrisico’s met zich mee en vergt een grote 2) 24-uurs bereikbaarheid. Voor de VO-doelgroep geldt de 24-uurs inspanning die niet in verhouding staat tot het aantal VO-cliënten in de regio. 17
Inhoudsopgave
nleiding aanpak
Inleiding & aanpak
Voorafgaand aan de scenario’s
Voorafgaand aan de scenario’s
Scenario’s afwegingskader
Scenario’s & afwegingskader
Onderscheid tussen MO en VO
Onderscheid tussen MO en VO
Uitwerking van bevindingen MO per criterium
Uitwerking van bevindingen MO per criterium
Conclusies advies
Conclusies & advies
18
Uitwerking van bevindingen MO per criterium
In dit hoofdstuk werken we de bevindingen per criterium uit We starten steeds met een algemenere toelichting op de beoordeling We lopen op de volgende pagina’s alle criteria van het afwegingskader langs. Hierbij geven we per scenario onze beoordeling weer met een korte toelichting op de belangrijkste punten waarop deze score (van ++ tot - -) is gebaseerd. Voordat we naar de beoordelingen gaan, lichten we eerst op één pagina toe op basis waarvan we het criterium scoren en welke afwegingen daarbij horen. We noemen die pagina ‘wat bepaalt de beoordeling’. Hiermee geven we meer context aan de scores mee. Zo kan het bijvoorbeeld zijn dat alle scenario’s een vergelijkbaar aandachtspunt kennen. Door dit voorafgaand aan het criterium te benoemen, kunnen we dit aandachtspunt in de beoordeling van de scenarío’s weglaten. In de beoordeling geven we dus alleen (aandachts)punten weer die de score van dit scenario ten opzichte van de andere scenario’s bepalen.
Om snel navigeren tussen de verschillende criteria kun je gebruik maken van de icoontjes die hier rechts op de pagina staan. Op de volgende pagina’s staan ze links van de tabellen. Door op het icoon te klikken, springt de rapportage direct naar de juiste pagina.
Navigeren tussen de criteria Effectiviteit voor zicht en grip
Effectiviteit voor zicht en grip Kwaliteit van toeleiding
Kwaliteit van toeleiding
| p.23
Uitvoerbaarheid
| p.28
Betaalbaarheid
| p.31
Congruentie
| p.33
Uitvoerbaarheid
Betaalbaarheid
Congruentie
Klik op de titel om direct naar het gewenst criteria te gaan. 19
| p.20
Uitwerking van bevindingen MO per criterium
Effectiviteit voor zicht en grip – wat bepaalt de beoordeling? Zicht: onderscheid lokaal en regionaal Bij het criterium zicht speelt de vraag op: ‘zicht voor wie?’. De scenario’s verschillen onderling in voor welke partij zij meer zicht faciliteren. We onderscheiden zicht voor de individuele gemeenten van regionaal zicht: ▹ Voor de individuele gemeenten geldt dat het in eigen handen hebben van de toegang het meeste zicht oplevert. Daarmee krijgen gemeenten immers direct zicht op de meldingen, besluiten en ontwikkelingen rondom MO/VO in hun eigen gemeente. Met deze informatie kan de gemeente de eigen raad en bestuurder informeren. ▹ Op regionaal niveau geldt echter dat het meeste zicht ontstaat wanneer de informatie op één centrale plek geregistreerd en gemonitord wordt. Dit voorkomt dat verschillen in de werkwijze en/of beoordeling tussen aanbieders of lokale teams leiden tot onzuiverheden in de data. Het schaalniveau van de regio biedt daarnaast voordelen voor het onderzoeken van de ontwikkelingen. Tot slot biedt de grotere omvang van de populatie op Zeeuws niveau voor een stabieler beeld van de populatie. We geven in de beoordeling prioriteit aan regionaal zicht op ontwikkelingen. 20
Op de volgende pagina’s werken we de bevindingen per scenario uit.
Grip: beperkingen in grip door individuele gemeenten in regionaal veld Voor de beoordeling van grip geldt dat we ons beperken tot de rol die de toegang daarin speelt. Over het algemeen geldt dat een individuele gemeente meer grip heeft op de uitvoering van de toegang wanneer deze door hun lokale team wordt uitgevoerd dan wanneer een externe partij de opdracht daartoe krijgt. We houden rekening met drie beperkingen van grip op MO/VO: 1) Blijvende instroom. Een deel van de instroom in de MO/VO is onvermijdelijk: deze mensen hebben dit vangnet nodig. Een andere toegang verandert die behoefte niet en levert dan ook niet meer grip op de instroom. 2) Gezamenlijkheid in de regio. Ook wanneer de toegang bij de lokale teams ligt, is het gezien de regionale samenwerking en opdracht aan aanbieders wenselijk dat de regio in gezamenlijkheid de werkwijze en instroomcriteria vastlegt. Dit vraagt altijd regionale afstemming en daarmee tot op zekere hoogte een verschuiving van lokale naar regionale sturing. 3) Rol aanbieders. Ook wanneer aanbieders niet de toegang uitvoeren, blijven zij een belangrijke partij in MO/VO. Zo blijft de regio afhankelijk van informatie vanuit aanbieders over wachttijden en beschikbare plekken.
Uitwerking van bevindingen MO per criterium
Effectiviteit voor zicht – per scenario 1: Aanbieders Plus
3: Centraal, één partij
4: Centraal, één lokaal team
-
-
++
+
• Wanneer de drie aanbieders de toegang uitvoeren, dan zijn de gemeenten voor zicht grotendeels afhankelijk van de gegevensuitwisseling tussen het CZW bureau en de aanbieders.
• Met name voor de kleinere gemeenten zijn de aantallen in MO/VO zo laag dat ze sterk zullen fluctueren. Op basis hiervan is het vaststellen van ontwikkelingen ingewikkeld. Ook het krijgen van een regionaal beeld is met lokale teams ingewikkelder. Het risico is dat lokale teams data op verschillende wijze registreren.
• Voor de regio levert een centrale toegang meer zicht op dan wanneer aanbieders of de lokale teams monitoren. Zo worden bij een centrale toegang alle aanmeldingen en besluiten op één plek op gelijke wijze geregistreerd en ontwikkelingen daarin gemonitord.
• Voor de regio levert een centrale toegang meer zicht op dan wanneer aanbieders of de lokale teams monitoren. Zo worden bij een centrale toegang alle aanmeldingen en besluiten op één plek op gelijke wijze geregistreerd en ontwikkelingen daarin gemonitord.
• Voor de individuele gemeenten is het vervolgens nodig om informatie gemakkelijk op te kunnen vragen. De halfjaarlijkse monitoring die wordt opgezet vanuit het CZW bureau biedt hier meer mogelijkheden toe dan wanneer de toegang eerst via een lokaal team verloopt.
• Voor de individuele gemeenten is het vervolgens nodig om informatie gemakkelijk op te kunnen vragen. Hiervoor zou het lokale team de data kunnen leveren aan het CZW bureau voor de halfjaarlijkse monitoring. Dit vraagt dan wel een extra tussenstap ten opzichte van scenario 3.
• Aanbieders voeren MO/VO uit. Zij hebben veel informatie over in-, door- en uitstroom. Er is daarom alsnog een koppeling nodig tussen de data van de aanbieders en de centrale toegang.
• Aanbieders voeren MO/VO uit. Zij hebben veel informatie over in-, door- en uitstroom. Er is daarom alsnog een koppeling nodig tussen de data van de aanbieders en de centrale toegang.
• Er is een risico dat aanbieders data ook verschillend registreren en aanleveren. De algemene maatregelen zoals de MO-monitor, berichtenverkeer iWmo en de gestandaardiseerde uitvraag verkleinen dit risico sterk.
21
2: lokale teams
• Aanbieders beschikken over veel meer informatie dan de regio rond beschikbare plaatsen, het aantal aanmeldingen en de uitkomsten van toegangsonderzoeken. Dit kan leiden tot vragen bij gemeenten over wachttijden en het mogelijk bestaan van ‘grijze lijsten’ met mensen die moeilijker plaatsbaar zijn.
• Voor de individuele gemeenten levert een lokale toegang meer zicht op. Hiermee heeft de gemeente immers direct toegang tot de meldingen en besluiten rondom MO/VO. De gemeenten kunnen hiermee hun raad en bestuurder vrijwel real-time informeren over de instroom in de MO/VO. • Aanbieders voeren MO/VO uit. Zij hebben veel informatie over in-, door- en uitstroom. Er is dus alsnog een koppeling nodig tussen data van de lokale teams en aanbieders.
Uitwerking van bevindingen MO per criterium
Effectiviteit voor grip – per scenario 1: Aanbieders Plus
3: Centraal, één partij
4: Centraal, één lokaal team
--
+/-
+
+
• Aanbieders ontvangen een subsidie vanuit het CZW bureau. Met deze subsidie zijn er regionaal wel sturingsmogelijkheden, ook meer dan dat er nu worden ingezet. Bijvoorbeeld door het maken van aanvullende afspraken over de wijze van beoordelen, gegevensdeling en de inrichting van monitoring.
• Op regionaal niveau wordt de sturing ingewikkelder dan in de andere scenario’s omdat dit leidt tot 8 verschillende toegangsorganisaties in de regio. Zij hebben elk een eigen beeld en gaandeweg kunnen eigen werkwijzen ontstaan. Dit kan leiden tot onwenselijke verschillen in de toegang tussen de Zeeuwse inwoners. Hiervoor is goede en regelmatige regionale (bij)sturing nodig.
• Op regionaal niveau is sturing goed mogelijk. De regio, al dan niet via een mandaatgemeente, formuleert een opdracht aan de partij die de toegang uitvoert. De opdrachtgever kan (bij)sturen op de uitvoering van de toegangsonderzoeken, de gehanteerde criteria en de monitoring.
• De regio formuleert een opdracht aan een van de lokale teams om de toegang voor heel de regio uit te voeren. De gemeente waaronder het lokale team valt kan (bij)sturen op de uitvoering van de toegang, de gehanteerde criteria en de monitoring. Hiervoor moet wel regionaal worden afgestemd.
• De individuele gemeenten hebben in dit scenario relatief weinig grip op het functioneren van de toegang. Sturing verloopt uitsluitend via de gemeente die de opdracht namens de regio heeft uitgezet. Voor het bijsturen op de toegang is waarschijnlijke regionale afstemming nodig.
• De individuele gemeenten hebben in dit scenario relatief weinig grip. De sturing op de centrale toegang bij één lokaal team verloopt via de gemeente waarin het lokale team zich bevindt. Dit zal echter wel regionaal moeten worden afgestemd. Een aandachtspunt ten opzichte van scenario 3 is dat het risico ontstaat dat zowel de eigen gemeente als de regio op het lokale team gaat sturen.
• Het blijft echter een subsidie aan een aanbieder. De individuele gemeenten hebben hier relatief weinig grip op. Regionaal verloopt de sturing via het CZW bureau. Dit vraagt om regionale afstemming. Daar komt bij dat de regio voor de uitvoering van MO/VO afhankelijk is van dezelfde aanbieders, onder andere waar het gaat om het krijgen van inzicht in de ontwikkeling en in het daadwerkelijk organiseren van opvangplekken. 22
2: lokale teams
• Daar staat tegenover dat een individuele gemeente wel kan sturen op de eigen toegang en dit af kan stemmen op de lokale context en behoeften. Bijvoorbeeld door extra Wmo-ondersteuning in te zetten of sneller in te grijpen bij het lokale team als instroomcriteria niet worden nageleefd. Daarmee levert dit scenario relatief goede sturingsmogelijkheden voor de individuele gemeenten.
Uitwerking van bevindingen MO per criterium
Kwaliteit van toeleiding – wat bepaalt de beoordeling?
Kwaliteit: het opbouwen van expertise en aanpassingen werkwijzen Op basis van gesprekken met aanbieders en de gemeenten is duidelijk dat voor de doelgroepen van MO en VO de belangrijkste eisen zijn dat er laagdrempelig kan worden aangemeld, dat na aanmelding de beoordeling snel plaatsvindt en dat er een passende toeleiding naar voorzieningen volgt. Dat betekent in de praktijk: bereikbaarheid buiten kantoortijden, mogelijkheid om outreachend te werken en beschikken over voldoende expertise om de hulpvraag te matchen aan een passende voorziening.
(financiële) problemen in een vroeg stadium op te sporen en mensen naar de best passende hulp te begeleiden. Wanneer mensen zich melden bij de toegang tot de MO, is het echter vaak al te laat om de opvang nog te voorkomen. De signaleringsfunctie voor problemen die mogelijk leiden tot dakloosheid is in die zin bij de toegang tot MO maar beperkt mogelijk. Toch kan de toegang tot MO een rol spelen bij vroegsignalering, bijvoorbeeld:
1) Met zicht op het zorgpad van inwoners voordat zij bij MO komen. Op casusniveau hebben de lokale teams meer zicht op bijvoorbeeld de WmoIn de onderzochte scenario’s zijn er grote verschillen in de mate waarin de ondersteuning die iemand al heeft gehad. Wanneer iemand zich uiteindelijk benodigde werkwijze aansluit bij de partij die de toegang uit zou gaan voeren. Bij toch meldt, kan het lokale team nagaan of iets ontbreek in het voorliggende de lokale teams is het de vraag hoe ver de gemeenten bereid zijn om de aanbod waarmee kan worden voorkomen dat iemand MO nodig heeft. werkwijze aan te passen aan de behoeften van de MO/VO-doelgroepen. Bij de toegang via een externe partij is dit criterium sterk afhankelijk van de 2) Met zicht op risicofactoren en ontwikkelingen in de MO-populatie. Ook beschikbare expertise en hun huidige manier van werken van de gekozen partij. op meer geaggregeerd niveau kan de toegang bijdragen aan signalering door Signaleringsfunctie valt (groten)deels buiten de toegang tot MO De ambitie in de regio Zeeland is om dakloosheid en de noodzaak voor maatschappelijke opvang zoveel mogelijk te voorkomen. Bijvoorbeeld door 23
Op de volgende pagina’s werken we de bevindingen per scenario uit.
meer zicht te krijgen op welke problematiek ten grondslag ligt aan het ontstaan van een MO-hulpvraag. Dit relateert sterk aan het criterium ‘Zicht’ waarbij we zien dat een centrale monitoring helpt bij het krijgen van zicht op de populatie. Hier kan een andere inrichting van de toegang aan bijdragen.
Uitwerking van bevindingen MO per criterium
Kwaliteit van toeleiding op accuraatheid – per scenario
1: Aanbieders Plus
3: Centraal, één partij
4: Centraal, één lokaal team
+
+
--
-
• Aanbieders hebben gezien hun huidige rol bij de toegang en gegeven dat zij de MO/VOvoorzieningen ook zelf uitvoeren de expertise in huis om tot een accurate beoordeling te komen.
• Lokale teams hebben ervaring met het uitvoeren van de toegang tot voorzieningen. Ook hebben zij het beste zicht op het eigen Wmoaanbod. Bij het beoordelen van een hulpvraag kunnen lokale teams naar verwachting een meer integraal onderzoek doen dan de aanbieders naar welke Wmo-, MO-, VO- of BWvoorziening bij de inwoner past.
• Er is op dit moment in Zeeland nog geen centrale partij met expertise beschikt om de toegang tot MO/VO te beoordelen. Dat betekent dat bij elke gekozen partij de werkwijzen voor de toegang nog moeten worden ingericht en de expertise moet worden opgebouwd.
• Het lokale team heeft ervaring met het uitvoeren van de toegang tot voorzieningen. Vanuit hun rol kan het lokale teams naar verwachting een meer integraal onderzoek doen naar de hulpvraag.
• Een blijvend aandachtspunt is de verbinding met overige Wmovoorzieningen waarvoor aanbieders de verbinding moeten leggen naar de lokale teams in de gemeenten. Uit de gesprekken blijkt dat het per gemeente verschilt hoe goed deze verbinding met de lokale teams wordt gelegd.
24
2: Lokale teams
• De lokale teams hebben op dit moment nog geen expertise op het gebied van toegang tot MO. Medewerkers moeten worden bijgeschoold of nieuwe worden aangetrokken. Bijkomend risico is dat professionals met expertise MO bij aanbieders schaarser worden. • Het is mogelijk een onafhankelijk deskundige in te zetten ter ondersteuning van de beoordeling.
• Dit vraagt vaak ook het aantrekken van een ander type medewerker. Bijkomend risico is dat professionals met expertise MO bij aanbieders schaarser worden. • Er zijn wel centrale partijen die op een andere manier betrokken zijn bij MO/VO in de regio. Bijvoorbeeld de subsidieverlening. De ervaring uit deze rollen kan wellicht helpen bij het inrichten van de toegang.
• Wanneer er wordt gekozen voor één lokaal team, dan betekent dit dat er goed zicht is op het eigen Wmoaanbod van deze gemeente, maar niet automatisch zicht op de Wmovoorzieningen in andere gemeenten. Voor een accurate toeleiding in de andere gemeenten is het nodig kennis op te bouwen van het lokale aanbod elders in de regio. • De lokale teams beschikken op dit moment nog niet over de expertise die nodig is voor het beoordelen van MO/VO-hulpvragen. Dit vraagt bijscholing of nieuwe medewerkers.
Uitwerking van bevindingen MO per criterium
Kwaliteit van toeleiding op snelheid – per scenario
1: Aanbieders Plus
3: Centraal, één partij
4: Centraal, één lokaal team
++
--
-
-
• Als zorgaanbieder en uitvoerder van de MO/VO-voorzieningen zijn aanbieders relatief goed bereikbaar buiten kantoortijden. Dit wordt door verschillende betrokkenen als een van de meest belangrijke voorwaarden voor de MO-/VOdoelgroepen gezien.
• Lokale teams zijn doorgaans niet bereikbaar buiten kantoortijden. Daarmee duurt het maken van afspraken en komen tot beoordelingen bij deze doelgroep waarschijnlijk langer dan wanneer een aanbieder dit oppakt.
• Een partij die geen aanbieder is, zijn doorgaans niet bereikbaar buiten kantoortijden. Daarmee duurt het maken van afspraken en komen tot beoordelingen bij deze doelgroep waarschijnlijk langer dan wanneer een aanbieder dit oppakt.
• Lokale teams zijn doorgaans niet bereikbaar buiten kantoortijden. Daarmee duurt het maken van afspraken en komen tot beoordelingen bij deze doelgroep waarschijnlijk langer dan wanneer een aanbieder dit oppakt.
• Lokaal is er geen zicht op de wachttijden en beschikbare plekken van aanbieders. Vergeleken met scenario’s 3 en 4 kan het, met name voor de kleinere gemeenten, lastiger zijn om dit overzicht op te bouwen.
• Wanneer de toegang centraal uitgevoerd wordt, kan het (centraal) zicht op wachttijden en beschikbare plekken wel worden opgebouwd. Dit kan helpen bij een snelle toeleiding naar een passende plek.
• Wanneer de toegang centraal uitgevoerd wordt, kan het (centraal) zicht op wachttijden en beschikbare plekken wel worden opgebouwd. Dit kan helpen bij een snelle toeleiding naar een passende plek.
• De aanbieders hebben zicht op de eigen beschikbare plekken en wachttijden waardoor zij relatief snel weten of er plaats is. Een aandachtspunt is de snelheid waarmee geschakeld kan worden met de andere aanbieders en het overige Wmo-aanbod in de gemeenten.
25
2: Lokale teams
Uitwerking van bevindingen MO per criterium
Kwaliteit van toeleiding op (on)veiligheid – per scenario
1: Aanbieders Plus
26
2: Lokale teams
3: Centraal, één partij
4: Centraal, één lokaal team
++
--
+
+
• Aanbieders hebben gezien hun huidige rol bij de toegang en gegeven dat zij de MO/VOvoorzieningen ook zelf uitvoeren het beste zicht om te beoordelen of een plaatsing veilig kan. Hierbij kunnen zij rekening houden met de problematiek van de inwoner zelf maar ook de problematiek van de groep en/of groepsdynamiek op de beoogde locatie.
• Ook wanneer de toegang verplaatst, voeren aanbieders de MO-/VOvoorzieningen uit. Lokale teams hebben minder zicht dan de aanbieders op de situatie binnen de verschillende voorzieningen. Het is voor een lokaal team dan ook lastiger om te beoordelen of een plaatsing veilig kan.
• Ook wanneer de toegang verplaatst, voeren aanbieders de MO-/VOvoorzieningen uit. Een centrale partij heeft minder zicht dan de aanbieders op de situatie binnen de verschillende voorzieningen. Het is voor een centrale partij dan ook lastiger om te beoordelen of een plaatsing veilig kan.
• Ook wanneer de toegang verplaatst, voeren aanbieders de MO-/VOvoorzieningen uit. Een lokaal team heeft minder zicht dan de aanbieders op de situatie binnen de verschillende voorzieningen. Het is voor een lokaal team dan ook lastiger om te beoordelen of een plaatsing veilig kan.
• Voor met name kleinere gemeenten die minder vaak een MO-/VOhulpvraag ontvangen, zal het lastig zijn dit zicht op de locaties en groepen te onderhouden. Hiervoor is dan ook vanuit ieder lokaal team afstemming met aanbieders nodig.
• Hoewel er momenteel geen centrale partij is met dit zicht op (on)veiligheid binnen voorzieningen, kan een partij dit wel opbouwen. Het gaat immers om een beperkt aantal aanbieders en locaties.
• Het lokale team van een van de grote gemeenten kan wanneer zij de toegang voor heel de regio uitvoeren mogelijk wel zicht opbouwen. Het gaat immers om een beperkt aantal aanbieders en locaties.
• Er blijft wel afstemming nodig tussen de centrale partij en aanbieders. Dit gaat wel makkelijker wanneer de toegang centraal wordt georganiseerd dan door 8 afzonderlijke lokale teams.
• Er blijft wel afstemming nodig tussen de centrale partij en aanbieders. Dit gaat wel makkelijker wanneer de toegang centraal wordt georganiseerd dan door 8 afzonderlijke lokale teams.
Uitwerking van bevindingen MO per criterium
Kwaliteit van toeleiding op de signaleringsfunctie – per scenario 1: Aanbieders Plus
3: Centraal, één partij
4: Centraal, één lokaal team
-
+
--
+/-
• Aanbieders hebben maar beperkt zicht op de eerdere (Wmo)ondersteuning van een inwoner. Dit vraagt om uitwisseling tussen gemeenten en aanbieders maar roept daarmee ook vragen op met betrekking tot privacy en de AVG.
• Lokale teams hebben het beste zicht op het eigen Wmo-aanbod. Als iemand al eerder beroep heeft gedaan op het lokale aanbod, dan zou dat bij het lokale team bekend moeten zijn. Dit biedt ook de kans om te signaleren welke inwoners na hulp vanuit de Wmo alsnog MOondersteuning nodig hebben, welke risicofactoren daarbij spelen en/of welk aanbod nog ontbreekt.
• Een externe partij heeft geen zicht op het lokale Wmo-aanbod (scenario 2 en 4) en niet op de doorstroom binnen MO-voorzieningen (scenario 1). Voor zicht op zorgpaden is de externe partij daarmee afhankelijk van uitwisseling met aanbieders en de lokale teams. Dat vraagt relatief meer tijd en aandacht dan in de andere scenario’s.
• Een lokaal team heeft het beste zicht op het eigen Wmo-aanbod en de inwoners die daar een beroep op hebben gedaan. Dit biedt de kans om te signaleren welke inwoners na hulp vanuit de Wmo alsnog MOondersteuning nodig hebben, welke risicofactoren daarbij spelen en/of welk aanbod nog ontbreekt. Hiervoor geldt wel dat de centrale toegang moet schakelen met de lokale teams in de regio.
• Wel hebben aanbieders mogelijk relatief goed zicht op het zorgpad van de cliënt binnen de MO/VO. Zo zien zij als uitvoerder van de MO/VO niet alleen wanneer iemand in- of uitstroomt, maar hebben ze ook zicht op de doorstroom binnen MO. Dit helpt niet direct bij het vroegtijdig signaleren, maar biedt mogelijk wel meer zicht op problematiek.
27
2: Lokale teams
• Voor de doelgroep van MO geldt echter wel dat zij mogelijk niet strikt gebonden zijn aan één gemeente. Het is daardoor goed mogelijk dat een inwoner zich meldt in een gemeente waar zij niet eerder een beroep hebben gedaan op Wmoondersteuning. Voor echt zicht op het zorgpad van inwoners is afstemming nodig tussen de gemeenten.
• Voor de doelgroep van MO geldt daarnaast dat zij mogelijk niet strikt gebonden zijn aan één gemeente. Voor echt zicht op het zorgpad van inwoners is afstemming nodig tussen de gemeenten.
Uitwerking van bevindingen MO per criterium
Uitvoerbaarheid – wat bepaalt de beoordeling?
De scenario’s variëren in hoe ingrijpend de verandering in toegang is In dit traject onderzoeken we vier scenario’s die allemaal een verandering betekenen ten opzichte van hoe de toegang nu georganiseerd is. In de scenario 1 is die verandering beperkt tot aanvullende afspraken terwijl de andere drie scenario’s een verplaatsing van de toegang bevatten. Ongeacht de keuze is er in de regio dus werk te verzetten waar het gaat om de toegang en het creëren van meer zicht en grip op MO/VO. Hoe groot die uitdaging is, verschilt per scenario. Hoe ingrijpender een scenario de inrichting van de toegang verandert, hoe meer vragen dit oplevert voor de uitvoerbaarheid van het scenario. Dat hoeft echter niet te betekenen dat het scenario per definitie niet geschikt is. Het is aan de bestuurders om de afweging te maken hoeveel inzet en investeringen een scenario mag vragen om de beoogde opbrengsten te realiseren. Voor alle scenario’s waarbij de toegang verplaatst, geldt dat eenmalig capaciteit nodig is om de nieuwe toegang in te richten. Hiervoor moeten in ieder geval een werkwijze worden opgesteld en personeel worden vrijgemaakt of aangetrokken. In scenario 1 is capaciteit nodig voor het maken van aanvullende afspraken. 28
Op de volgende pagina’s werken we de bevindingen per scenario uit.
Krapte op de arbeidsmarkt maakt aantrekken personeel uitdagend De regio Zeeland kampt, net als veel andere regio’s in Nederland, met een krappe arbeidsmarkt. Dit geldt voor de zorgaanbieders die de MO/VO uitvoeren, voor de lokale teams die de Wmo-voorzieningen toekennen en voor regionale partijen die anderszins betrokken zijn bij MO/VO. Wanneer er wordt besloten om de toegang anders in te richten, dan vraagt dit ook om capaciteit om de toegang uit te voeren. Daarvoor is naar verwachting ten minste deels nieuw personeel nodig. Het aantrekken van nieuw personeel met de benodigde expertise en kwaliteit zal gezien de krapte op de arbeidsmarkt een uitdaging zijn. Ook in de huidige situatie en in scenario 1, waar de toegang bij dezelfde aanbieders blijft, is de krapte voelbaar. Zo vraagt het uitvoeren van een halfjaarlijkse monitor of extra contractmanagementgesprekken ook capaciteit van de aanbieders en het CZW bureau. Zolang dat binnen de huidige bezetting past levert dit geen problemen op, maar er zijn wel grenzen aan wat binnen de huidige inrichting en bezetting verwacht kan worden.
Uitwerking van bevindingen MO per criterium
Uitvoerbaarheid: eenmalige extra inzet – per scenario
1: Aanbieders Plus
3: Centraal, één partij
4: Centraal, één lokaal team
++
--
-
+
• Eenmalig capaciteit nodig voor het maken van aanvullende afspraken. Dit vraagt tijd en aandacht van zowel de aanbieders en de gemeenten als het CZW bureau voor de regionale monitoring en afspraken rondom de subsidies voor MO/VO.
• Eenmalig capaciteit nodig voor het inrichten van de toegang bij alle 8 de lokale teams. Hierbij kan wel worden voortgebouwd op de ervaringen van de lokale teams bij het onderzoeken van hulpvragen en de inrichting van de werkwijze voor de toegang tot BW.
• Eenmalig capaciteit nodig voor het inrichten van de toegang bij één externe partij.
• Eenmalig capaciteit nodig voor het inrichten van de toegang. Dit hoeft maar bij één van de 8 lokale teams. Wel moet de regionale afstemming en de afstemming tussen lokaal team en aanbieders mogelijk opnieuw ingericht worden.
• Deze inzet is beperkt in vergelijking tot de andere scenario’s.
29
2: Lokale teams
• Deze inzet is groot in vergelijking tot de andere scenario’s.
• Wanneer de centrale partij het CZW bureau is, dan kan de expertise van deze partij op het gebied van MO en eerder de toegang tot BW mogelijk wel benut worden bij het inrichten van de werkwijze.
• Ook zal vermoedelijk het lokale team dat de toegang uit gaat voeren het mandaat moeten krijgen van de gemeenten in de regio om de toegang voor alle inwoners uit te voeren.
Uitwerking van bevindingen MO per criterium
Uitvoerbaarheid: structurele extra inzet – per scenario
1: Aanbieders Plus
3: Centraal, één partij
4: Centraal, één lokaal team
++
--
+/-
+
• Structureel is er beperkte extra inzet nodig, omdat de toegang al bij de aanbieders belegd is.
• Voor kleine gemeenten zal de gevraagde capaciteit beperkt zijn en kan er in werkpakketten mogelijk gecombineerd worden met BW en/of Wmo. Het op peil houden van expertise vraagt wel nog steeds tijd.
• Bij een centrale toegang is structureel extra inzet nodig van een (waarschijnlijk) nieuw type medewerker. Op regionaal niveau gaat het om een aanzienlijk aantal meldingen per week. Ten opzichte van scenario 2 brengt dit als voordeel mee dat de inzet voor het op peil houden van de expertise meer in verhouding staat tot het aantal meldingen.
• Bij het lokale team dat centraal de toegang uit zal voeren is structureel extra inzet nodig om de MOhulpvragen te beoordelen. Op regionaal niveau gaat het om een aanzienlijk aantal meldingen per week. Ten opzichte van scenario 2 staat de inzet voor het op peil houden van de expertise meer in verhouding tot de meldingen. Ook is de inzet vermoedelijk efficiënter dan in scenario 3 vanwege het juiste type medewerker.
• Mogelijk vragen de nieuwe afspraken met het CZW bureau over o.a. monitoring en extra contractgesprekken wel meer capaciteit van zowel de aanbieders als het CZW bureau. In dat geval kan het zijn dat er structureel enigszins meer inzet nodig is.
30
2: Lokale teams
• Op regionaal niveau brengt het verspreiden van aanmeldingen voor MO/VO en de benodigde toegangsmedewerkers over 8 teams het risico met zich mee dat de toegang op regionaal niveau minder efficiënt is ingericht. Op het gebied van de aanbieders is het daarbij nog maar de vraag of de benodigde inzet evenveel afneemt als dat het bij de lokale teams toeneemt. • Dit samen leidt er vermoedelijk toe dat er gemiddeld per inwoner meer capaciteit en inzet nodig is dan in de andere scenario’s.
• Wel is het op het gebied van de aanbieders de vraag of de inzet evenveel afneemt als dat het bij deze centrale toegang toeneemt. • De inschatting is daarom dat dit scenario meer structurele inzet vraagt dan scenario 1 maar minder dan wanneer elk lokaal team de toegang afzonderlijk uitvoert.
• Wel is het op het gebied van de aanbieders de vraag of de inzet evenveel afneemt als dat het bij deze centrale toegang toeneemt. • De inschatting is daarom dat dit scenario meer structurele inzet vraagt dan scenario 1 maar minder dan wanneer elk lokaal team de toegang afzonderlijk uitvoert.
Uitwerking van bevindingen MO per criterium
Betaalbaarheid – wat zijn de mogelijke effecten op eenmalige en structurele kosten? Betaalbaarheid beslaat eenmalige inrichtingskosten en structurele meerkosten voor het inzetten van capaciteit en behouden van expertise In de gesprekken is verkend wat de besproken scenario’s betekenen voor de kosten voor toegang. Hierbij ging het over eenmalige kosten (voor het inrichten) en structurele kosten (voor het uitvoeren van de toegang). Eenmalige kosten De eenmalige kosten zijn afhankelijk van wat het vraagt om de nieuwe toegang in te richten. Bij de scenario’s 2-3 vindt er een relatief grote verandering plaats waarbij een nieuwe toegang wordt ingericht. Scenario 2 (8 lokale teams) vraagt de grootste investering. Hierbij zitten de eenmalige kosten met name in het werven van nieuwe medewerkers, het bijscholen voor de benodigde expertise en het afstemmen van nieuwe werkwijzen. Voor scenario 4, bij één van de lokale teams, hoeft dit slechts voor één team te worden ingeregeld en zijn er aanvullend afspraken nodig over regionale afstemming. Scenario 3 is qua inrichtingskosten een tussenvariant: er hoeft slechts eenmalig een nieuwe toegangsorganisatie ingericht te worden maar deze moet mogelijk wel een nieuw soort medewerker aantrekken en een nieuw soort taak uitvoeren.
31
Structurele kosten Benodigde capaciteit: de structurele kosten hangen grotendeels af van de vraag of een andere toegang netto meer of minder capaciteit vraagt. Hierbij gaat het om efficiënt en effectief kunnen werken. Doorgaans geldt dat een hoger schaalniveau en de bijkomende grotere teams tot op zekere hoogte leidt tot een efficiëntere inzet van capaciteit: het aantal te onderzoeken aanmeldingen is hoger en stabieler waardoor er naar verwachting minder loze tijd is waarin toegangsmedewerkers (te) weinig meldingen krijgen. Bijkomend voordeel is dat zij hun expertise daardoor snel opbouwen én goed onderhouden. Scenario 2 is in dit licht kwetsbaar: met name in kleine gemeenten zullen extra medewerkers met expertise nodig zijn terwijl zij mogelijk maar weinig aanmeldingen krijgen. Personeelskosten: hierbij is het de vraag of de kosten voor medewerkers van de lokale teams (gemeenten) hoger zijn dan de betrokken medewerkers bij aanbieders. Er niet met aanbieders gesproken over de salarissen, wel over opleidingsniveaus. Bij zowel aanbieders als lokale teams gaat het om hbogeschoolde professionals. Bij aanbieders wordt dit echter aangevuld met mbogeschoolde professionals in de uitvoering. De verwachting is daarom dat personeelskosten binnen lokale teams enigszins hoger zijn.