CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

2024 54 Bijlage 6 Bijlage 2 zienswijzen NPLG rapport Zoetwaterbehoefte Schouwen Duiveland Delphy

Gemeenteraad 28 maart 2024, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: Ingekomen stukken20.016 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Postbus 7001 6700 CA Wageningen Agro Business Park 65

DORSD

6708 PV Wageningen

Telefoon 0317 49 15 78 Fax 0317 46 04 00

Droogte Oplossingen Regio Schouwen Duiveland

In opdracht van

Datum

Agrarisch Schouwen Duiveland

20 mei 2023

Turelureweg 1A, 4321 TM Kerkwerve

Projectnummer

555946 Gefinancierd door

Agrarisch Schouwen Duiveland

Versie

Turelureweg 1A

2

4321 TM Kerkwerve Uitgevoerd door

Delphy Team Akkerbouw ZW Groeneweg 5 3273 LP Westmaas

© Delphy, 20 mei 2023.

www.delphy.nl

Inhoudsopgave Samenvatting. 1

Achtergrond.

1.1

Achtergrond Schouwen-Duiveland - algemeen

1.2

Achtergrond: mondiale ontwikkelingen

1.2.1

Groei mondiale bevolking en landbouwkundige productie.

1.2.2

Transitie naar een circulaire en biobased economy.

1.2.3

Klimaatverandering.

2

Vraagstelling.

3

Ontwikkelingen.

3.1

Huidig grondgebruik Schouwen-Duiveland – algemeen

3.2

Ontwikkeling aantallen bedrijven op Schouwen Duiveland

3.3

Wat is de bouwplan ontwikkeling en welke trend(s) zien we hier?

3.3.1

Bouwplanontwikkeling

3.3.2

Schaalvergroting

3.3.3

Kostprijsontwikkeling

3.3.4

Invloed nieuwe Gemeenschappelijk Landbouw Beleid (GLB).

3.3.5

Invloed 7e actie programma nitraat

3.4

Effect van wel of geen water in de Zeeuwse akkerbouw.

3.4.1

Water en zaaiuien.

3.4.2

Water en aardappelen.

3.4.3

Peilgestuurde drainage.

3.4.4

Peilverhoging.

3.4.5

Water en een weerbare plant en bodemgezondheid.

3.4.6

Water en mineralen efficiency.

3.5

Nieuwe landbouwsystemen, wat kunnen zij betekenen?

3.5.1

Goede zorg voor de bodem.

3.6

Weersvoorspelling voor de komende jaren

3.7

Wat is de waterbehoefte van het huidige bouwplan

3.8

Wat is de aanvullende waterbehoefte van andere sectoren.

3.8.1

Veiligheidsregio Zeeland: de brandweer.

3.8.2

Recreatie.

3.8.3

Natuurverenigingen: Natuurmonumenten

3.8.4

Gemeente Schouwen Duiveland: sportvelden en plantsoenen.

3.8.5

Waterschap Scheldestromen.

3.9

Hoeveel zoet water is er beschikbaar?

3.9.1

Levering vanuit bodem en capillaire opstijging i.c.m. te verwachten hoeveelheid neerslag.

3.9.2

Wat dragen innovatieve maatregelen bij aan waterbeschikbaarheid?

3.9.3

Wat wordt totale water behoefte van Schouwen Duiveland?

© Delphy, 20 mei 2023.

2

4

Scenario’s en analyse

4.1

Bouwplan

4.2

Scenario’s

4.2.1

Scenario 1: bouwplan 2022

4.2.2

Scenario 2, doorkijk naar 2030 in ongewijzigde situatie

4.2.3

Scenario 3: doorkijk naar 2030 nu met zoet water beschikbaar

4.2.4

Scenario 4: Doorkijk naar 2030 met voldoende zoet water met kansen voor nieuwe teelten.

4.2.5

Vaste kosten

4.2.6

Bedrijfsresultaten scenario’s

4.2.7

Alternatieve gewassen

4.2.8

Zilte teelt

4.3

Oplijsting van potentiële zoetwaterbronnen om eventueel tekort aan te kunnen vullen.

5

Conclusies en aanbevelingen

Dit rapport is mede tot stand gekomen door financiering van: Gemeente Schouwen-Duiveland en Zuidwestelijke Delta

DISCLAIMER Dit rapport is zorgvuldig opgesteld door Delphy BV. We gingen hierbij zoveel mogelijk uit van betrouwbaar onderzoek echter daar waar nodig zijn ook extrapolaties en aannames gebruikt. Dit rapport is uitsluitend bedoeld voor gebruik van opdrachtgever. Er kunnen aan de inhoud op wat voor manier dan ook geen rechten worden ontleend. DELPHY BV

© Delphy, 20 mei 2023.

3

Samenvatting. Op Schouwen Duiveland komen verschillende uitdagingen voor de toekomst bij elkaar voor de agrarische sector. De belangrijkste is daarbij hoe om te gaan met het veranderende klimaat en de beperkte beschikbaarheid aan zoet water. Dit heeft ertoe geleid dat vanuit Agrarisch Schouwen Duiveland aan Delphy BV, team akkerbouw ZW is gevraagd om een korte studie op te leveren met als centrale vraag: ‘Wat is de waterbehoefte van Schouwen Duiveland?’ met een doorkijk naar de toekomst. Vanuit Delphy is er een team samengesteld die met deze vraag aan de slag is gegaan. De medewerkers van Delphy mochten hierbij rekenen op de medewerking van de mensen van Agrarische Schouwen Duiveland en ZLTO. Tevens hebben we dankbaar gebruik gemaakt van data van onderzoek geleverd onder andere door Delphy en Proefboerderij Rusthoeve specifiek uitgevoerd in Zeeland. Daarnaast zijn er ook verschillende mensen geïnterviewd. Tevens zijn de tussentijdse vorderingen en resultaten aan de leden van Agrarisch Schouwen Duiveland gepresenteerd. Allereerst hebben we gekeken (H1) naar de verschillende achtergronden en trends in een groter perspectief. Hier is gekeken naar klimaatverandering, de groei van de wereldbevolking en de wens om de transitie door te voeren van een fossiele economie naar een meer bio- of plant gebaseerde economie.

In hoofdstuk 2 is de vraagstelling zoals die aangereikt is door Agrarisch Schouwen Duiveland verder uitgewerkt in meerdere deelvragen. Vervolgens is er in hoofdstuk 3 vanuit verschillende onderzoeken maar ook vanuit cijfers van o.a. CBS en KMNI een onderbouwing gegeven op antwoorden van deze deelvragen. Als eerste hebben we op een rij gezet hoe het cultuurgrondgebruik er momenteel uitziet op Schouwen Duiveland. Daarna is gekeken welke gewassen worden er geteeld, om zo het ‘gemiddelde’ bouwplan te kunnen vaststellen. Hier is daarna gekeken wat de invloed is van trends op het grondgebruik (o.a. schaalvergroting, kostprijsontwikkeling, invloed van het GLB en van het 7e actie programma nitraat. Vanuit verschillend onderzoek is er gekeken naar het effect van de aanwezigheid van water op de groei van verschillende gewassen. Hier is vooral gekeken naar aardappelen en uien, omdat deze hoog salderend zijn en een beperkt wortelstelsel hebben. Hierbij is gekeken naar irrigatie, druppelirrigatie, peilgestuurde drainage en peilsturing. Tevens zijn hier aspecten als het verband tussen gezonde groei en mineralenverliezen en afhankelijkheid van gewasbeschermingsmiddelen bekeken. Ook is er een analyse gemaakt van alternatieve landbouwsystemen. Vanuit de bepaling van het huidige bouwplan is de berekening gemaakt (volgens Makkink) wat de waterbehoefte is van dit bouwplan.

Om op deze manier de totale waterbehoefte van het eiland Schouwen Duiveland in kaart te brengen is er ook informatie opgehaald bij andere sectoren zoals de veiligheidsregio, recreatie, natuur, de gemeente en het waterschap. Dat levert uiteindelijk de totale watervraag op. Dan is er gekeken hoeveel water is er beschikbaar, vanuit neerslag of bodem en tevens met andere onderzoeksbedrijven hoeveel kunnen we verwachten van innovatieve systemen zoals dubbele drainage, opslag in de ondergrond e.d.

© Delphy, 20 mei 2023.

4

Om vervolgens dit te projecteren naar de landbouw is er in hoofdstuk 4 verder gewerkt met een denkbeeldig gemiddeld ‘Schouws’ bedrijf van 100 hectare. Binnen dit hoofdstuk zijn verschillende scenario’s landbouw-economisch uitgewerkt. Scenario 1 is hierbij de huidige situatie, het jaar 2022. In scenario 2 kijken we wat er gebeurt wanneer er niets verandert in een doorkijk naar 2030. Waarbij we nog optimistisch zijn want we gaan uit van de data van 2018-2022 terwijl de klimaatverandering doorzet naar 2030 toe. Vervolgens is er in scenario 3 en 4 gekeken naar een situatie waar er wel zoet water aanwezig is en wat dit betekent voor het bouwplan maar vooral voor het bedrijfsresultaat. Ook is er gekeken naar eventuele alternatieve gewassen zoals, zilte gewassen, wat kunnen die bijdragen. Deze totaal analyse zorgt ervoor dat we in hoofdstuk 5 een aantal conclusies kunnen trekken en aanbevelingen kunnen doen.

Delphy BV C. van Oers MBA

ing. N.E. van der Bok; ing. J.J. Willemse; N. Suurland. Postbus 7001 6700 CA Wageningen

© Delphy, 20 mei 2023.

5

1 Achtergrond. 1.1 Achtergrond Schouwen-Duiveland - algemeen Schouwen Duiveland is het meest noordelijke eiland van de provincie Zeeland en heeft een plattelandseconomie die vooral afhankelijk is van een vitale landbouw en een vitale recreatiesector. Hierbij spelen ook natuur en landschap een belangrijke rol. Zonder water geen leven. Zonder water ook geen plantengroei en is er zeker geen akkerbouw, tuinbouw of wat dan ook mogelijk in Nederland en specifiek op Schouwen Duiveland. De laatste jaren, waarbij 2018 misschien voor velen de ‘wake-up call’ was worden we direct geconfronteerd met de veranderingen van het klimaat. Dat betekent grotere extremen, zware neerslagbuien maar ook droge voorjaren en langere perioden met (zeer) hoge temperaturen. In de afgelopen periode is er in Zeeland en specifiek op Schouwen Duiveland veel werk verzet. Gedeeltelijk ligt dat werk ten grondslag aan deze rapportage. Ook is gebruik gemaakt van eerdere rapportages van o.a. Witteveen en Bos en Accon-avm (momenteel bekend als: Flynth). Tevens is rekening gehouden met een enquête welke is uitgevoerd onder agrariërs op Schouwen Duiveland. Zoet water is overal in Nederland aanwezig, alleen in Zeeland en zeker op Schouwen Duiveland is dat niet zo evident. De beschikbaarheid van zoet water voor de land- en tuinbouw is van groot belang.

Door de veranderende weersomstandigheden zien we dat er niet alleen (kunstmatig) water nodig is gedurende het groeiseizoen maar dat deze behoefte toeneemt. Watergiften zijn niet alleen nodig voor de groei in de warmste periode maar ook voor een goede start, bij de kieming of bij het planten. In sommige jaren (b.v. in 2020) zagen we zelfs dat vóór het zaaien en poten al nodig was om te beregenen. Door de klimaatverandering zijn er ook vaker winters zonder vorst, hierdoor ‘verweert’ de (klei)grond slechter en is de structuur in het voorjaar erg slecht dat zonder water te geven het niet mogelijk om het land zaaiklaar te leggen of klaar te maken om b.v. aardappelen te planten. Ook ver na de zomer kan het nodig zijn om water te gebruiken om te kunnen rooien. Onvoldoende zoet water betekent slechte gewasgroei met geen of slechte opbrengt en mindere kwaliteit van producten. Was 2018 misschien nog de ‘wake up call’ inmiddels zijn we in 2023 met vanaf 2018 4 keer een droog jaar waarbij 2022 weer een extreem droog jaar was. Klimaatverandering met te droog, te nat, te zout zijn reële bedreigingen voor het toekomstperspectief van de agrarische sector. Economische achteruitgang en het verliezen van de concurrentie positie brengen de sector in een neerwaartse spiraal. Opbrengsten, productkwaliteit, rentabiliteit maar ook de bedrijfsopvolging komen verder onder druk te staan.

Verschraling van het bouwplan maar ook van de biodiversiteit in breedste zin liggen levensgroot op de loer. De bedrijfsrisico’ s worden groter wat innovatie afremt terwijl juist een duurzaam gerichte transitie, aan de sector het tegendeel vraagt. Voor deze duurzame transitie en een weerbare teelt is het beschikken over zoetwater essentieel. Het is belangrijk om duidelijkheid te krijgen over welke hoeveelheid water er nodig is voor een vitale landbouw en een vitaal platteland en zodoende een vitaal Schouwen Duiveland. Momenteel zien we, in het huidige klimaat op Schouwen Duiveland, dat een aantal teelten (bv zaaiuien en pootaardappelen) simpelweg niet meer mogelijk zijn. Dat is nu al het geval (voor zaaiuien) . Als we de trend doortrekken (KNMI) naar 2030 en 2050 dan wordt de situatie nog

© Delphy, 20 mei 2023.

6

ernstiger, zeer zorgwekkend. Ook het opnemen van andere hoger salderende gewassen is dan niet mogelijk. De verschillen tussen wel en geen zoet waterbeschikbaarheid is dan op bedrijfsrendement enorm. Dat kan een domino reactie betekenen, waar met name niet alleen de agrarische sector maar ook de natuur en de gehele leefbaarheid van het eiland de dupe van kan worden. Wanneer economische opbrengsten afnemen en intensieve (waterbehoeftige)gewassen niet meer geteeld kunnen worden dan is om te blijven bestaan, schaalvergroting de enige optie. Dat betekent grotere bedrijven met een extensiever bouwplan waarbij grotere (zwaardere en duurdere) machines nodig zijn om alles te kunnen organiseren. Dit zorgt ervoor dat het perspectief voor jongere opvolgers nog minder aantrekkelijk wordt en er minder agrariërs over blijven. Hierdoor komt ook de leefbaarheid van het platteland ter discussie, denk bv ook aan onderhoud van het landschap (akkerranden, hagen, bomen etc.). Wanneer het verdienmodel onder druk staat dan zal ook de mogelijkheid om te investeren in het bedrijf afnemen. Hierdoor is het ook lastiger b.v. nieuwe activiteiten zoals eigen verkoop, zelf verpakken of een alternatieve tak te ontwikkelen.

Tevens valt er een deel van de werkgelegenheid weg in de plattelandsdorpen; toeleverende handel, loonwerkers, machinefabrikanten maar zeker ook bij de verwerkende handel zoals de uien sector en de aardappelverwerkende industrie die nu (nog) in Zeeland gevestigd zijn. Omgekeerd: Met beschikbaarheid van zoet water is ook meer kans op nieuwe teelten of andere gewassen die per hectare ook een hoger rendement opleveren. Hierdoor kan de negatieve spiraal van de schaalvergroting juist worden doorbroken. Denk hierbij aan bv ook groenteteelten (uien, zoete aardappelen), de teelt van boomkwekerij gewassen (een groeiende sector in Nederland) of (zoete) kersen en ander zacht fruit. Door deze potentiële ‘nieuwe’ ontwikkelingen kan de vitaliteit van het gehele eiland toenemen. Over bovenstaande is reeds al veel gezegd en geschreven. Ten aanzien van zoet water in relatie met bodem wordt er in Living Lab veel kennis en kunde ontwikkeld en toegepast in diverse uitvoering pilots, waar boeren bij zijn betrokken. Wat er de afgelopen jaren is gedaan op dit gebied en nu nog gebeurd, is buitengewoon zinvol. De gezamenlijke inspanning is groot en de betrokken partijen zijn ondersteunend en complementair aan elkaar. De fase van onderzoeken kantelt zich nu steeds meer naar uitvoerende praktijk.

Desalniettemin vraagt het eiland ook om een toekomst bestendige robuuste aanpak waarbij met een open mind gekeken moet worden naar de totale waterbehoefte van het eiland en hoe we dit het beste kunnen realiseren.

1.2 Achtergrond: mondiale ontwikkelingen Naast de klimaatverandering die we de laatste jaren aan den lijven ondervinden zijn er nog een aantal andere trends waarneembaar die invloed hebben op onze situatie. Hier wordt dan specifiek mondiale of Europese trends bedoeld, ontwikkelingen voor Schouwen Duiveland is beschreven aan de hand van CBS data in hoofdstuk 3. 1.2.1

Groei mondiale bevolking en landbouwkundige productie.

Momenteel zijn er volgens de VN 8 miljard mensen op aarde. Deze groei zet voorlopig nog door maar zal daarna gaan afvlakken. Volgens berekeningen is de 8 miljardste inwoner geboren ergens rond 15 november 2022, dat is 11 jaar na de geboorte van de 7 miljardste inwoner. In het VN

© Delphy, 20 mei 2023.

7

rapport1 staat verder dat India volgend jaar China voorbijstreeft als land met de meeste inwoners. Een paar jaar geleden was de prognose dat dat pas in 2027 zou gebeuren. In beide landen wonen nu ruim 1,4 miljard mensen. Volgens de VN-onderzoekers groeit de wereldbevolking in het hoogste tempo sinds 1950. In 2030 zijn er volgens berekeningen van de VN 8,5 miljard mensen en in 2050 9,7 miljard. Daarna vlakt de groei nog verder af: in 2080 bestaat de wereldbevolking naar verwachting uit 10,4 miljard mensen en dat blijft zo tot 2100. Twee jaar geleden dacht de VN nog dat er aan het eind van deze eeuw een kleine 11 miljard mensen zouden zijn. Een andere trend die we hier zien is vergrijzing, de mensen blijven langer leven. Dit is niet overal hetzelfde. De bevolkingsgroei is niet evenredig over de wereld verdeeld. Vooral in Afrika en Azië gaat het hard. Meer dan de helft van de toename van het aantal mensen komt voor rekening van acht landen: Congo, Egypte, Ethiopië, India, Nigeria, Pakistan, Filipijnen en Tanzania. Aan de andere kant zijn er tientallen landen waar de bevolking de komende decennia zal krimpen, als gevolg van lage geboortecijfers en emigratie. De VN verwacht dat de bevolking met minimaal een vijfde krimpt in Bulgarije, Letland, Litouwen, Servië en Oekraïne.

Al met al zal door deze toename de vraag naar voedsel maar ook grondstoffen sterk toenemen. Als we ook nog in ogenschouw nemen dat we een transitie willen maken van fossiele grondstoffen naar juist meer biobased grondstoffen en een circulaire economie dan is er juist meer (biomassa) productie nodig. Hier staat tegenover dat de beschikbare hoeveelheid geschikte landbouwgrond juist daalt. Deze actoren werken dus niet samen maar versterken elkaar. De ketens zijn strak georganiseerd en we hebben in 2022 gezien dat verstoringen meteen leiden tot reacties op de wereldmarkt met prijsstijgingen, zowel voor voedsel als voor energie.

1 United Nations, Department of Economic and Social Affairs: world population prospects 2022.

© Delphy, 20 mei 2023.

8

1.2.2

Transitie naar een circulaire en biobased economy.

De EU heeft als doelstelling geformuleerd dat het in 2050 CO2 neutraal wil zijn met een tussendoelstelling van 55% reductie van CO2 in 2030. Dit is een forse opgave want komend vanuit een situatie (2020) waarbij een groot deel nog afkomstig is vanuit fossiele bronnen zal dit omgebogen moeten worden naar meer recycling (55%) en hierbij een inzet van 20% van de grondstoffen vanuit biomassa. (Bron: Nova Instituut). Hiervoor is de ‘nationale routekaart biogrondstoffen opgesteld’. Behalve dat er wordt ingezet op meer vierkantsverwaarding (alles gebruiken van de plantaardige productie, zonder reststromen) zal het ook nodig zijn te investeren in teelt voor bio-grondstoffen. Op proefboerderij Rusthoeve is sinds 2014 uitgebreid geëxperimenteerd met verschillende gewassen. Grofweg kan men een indeling maken in enerzijds inhoudsstoffen die via raffinage tot waarde kunnen worden gemaakt (bv suiker, zetmeel, inuline met vervolgstappen in chemische industrie of voedingsstoffenindustrie maar men kan ook denken aan plantaardige latex voor rubber, bioplastics, kleurstoffen etc. Deze mogelijkheden zijn zeer groot maar staan nog in de kinderschoenen. Het andere spoor wat hier kansen biedt zijn vezeltoepassingen. Bij vezeltoepassingen wordt niet een molecuul uit de plant geraffineerd maar wordt een groot deel van de plant, als vezel gebruikt.

Voor vezeltoepassingen kunnen we grofweg drie markten onderscheiden: de bouw, verpakkingen (papier en karton) en textiel. Met name de bouw en de papierindustrie lijken het stadium van pionieren af te schudden en hier worden stappen gezet naar grootschaliger toepassing. Ook in het huidige regeerakkoord zijn biobased bouwmaterialen opgenomen als speerpunt. Met de uitdaging die er is rondom de woningbouw zou dit een enorme kans kunnen zijn om te verduurzamen. Niet alleen gebruikt dit minder fossiele input maar tevens wordt door deze gewassen in de

© Delphy, 20 mei 2023.

9

bouwproducten ook CO2 vastgelegd. Middels een interdepartementaal programma (Building Balance) is een ambitieus programma opgesteld waarbij verspreid over Nederland 50.000 ha aan vezelgewassen nodig zou zijn.

Vezelgewassen die hiervoor in aanmerking komen zijn o.a. hennep, miscanthus, vlas maar eventueel ook lisdodde, zonnekroon en sorghum. Het zijn voor een deel bekende namen (onder andere vlas, hennep) waar de teelt niet ingewikkeld van is en zij ook een plaats kunnen krijgen in het bouwplan. Hoe zij in het bouwplan passen is verder uitgewerkt in de scenario’s in hoofdstuk 4. Wanneer we de uitdagingen omschreven in paragraaf 1.2.1. en 1.2.2. in ogenschouw nemen dan is het op zijn plaats om te zeggen dat de productie aan biomassa over de hele breedte fors omhoog moet om aan al de uitdagingen het hoofd te kunnen bieden. De laatste jaren zien we, dat de graanprijs, wat vaak als spil wordt gezien voor de voedselprijzen, weer omhoog gaat. De verwachting is dan ook dat de voedselprijzen komende jaren niet zullen dalen2.

Alles op een rij zettend kunnen we concluderen over dit deel dat het belang van plantaardige eiwitten toeneemt, we hebben sterk fluctuerende prijzen. Maar bovenal de voedselproductie moet de komende 30 jaar met 70% stijgen. De biomassa productie moet omhoog.

1.2.3

Klimaatverandering3.

Klimaatverandering is een sterke externe trend die bepalend is voor veel ontwikkelingen. Hierbij zijn verschillende aspecten te benoemen. Een stijgende zeespiegel, een toename van droge lentes en zomers en meer extreme zomerse buien vormen de klimaatrisico’s voor Nederland. Het KNMI rapporteert hoe het klimaat in Nederland steeds sneller verandert. De nieuwste inzichten over het veranderende Nederlandse klimaat zijn 25 oktober 2021 gepubliceerd in het KNMI

2 Bron: Wereldbank, Commodity Markets Outlook-rapport 2023 3 Bron: KNMI

© Delphy, 20 mei 2023.

10

Klimaatsignaal’21. Het is gebaseerd op het laatste IPCC-rapport - dat in augustus 2021 is verschenen - en eigen onderzoek van het KNMI. Zeespiegelstijging De toekomstscenario’s laten een grotere zeespiegelstijging zien dan voorheen. Als we de uitstoot van broeikasgassen niet verminderen kan de zeespiegel voor de Nederlandse kust rond 2100 met 1,2 meter stijgen ten opzichte van begin deze eeuw. Als het smelten van de Antarctische IJskap op de Zuidpool versnelt, komt zelfs de 2 meter zeespiegelstijging in 2100 in zicht. In 2014 berekende het KNMI dat in 2100 de grens 1 meter zou zijn. De berekende zeespiegelstijging is nu dus naar boven bijgesteld. Op de lange termijn wordt het verschil in zeespiegelstijging tussen niets doen aan de uitstoot van broeikasgassen en het voldoen aan het Klimaatakkoord van Parijs zeer groot. In 2300 kan dit verschil al oplopen tot vele meters. Ook dit heeft effect op de landbouw vanwege door b.v. kweldruk. Extremere zomerbuien Daarnaast blijkt uit het nieuwe onderzoek dat de zwaarste zomerbuien extremer worden, waarbij ook de kans op valwinden toeneemt. Naast de extreme buien kent de Nederlandse zomer ook een ander gezicht: dat van droogte. De kans op droge lentes en zomers is groter geworden. Ons klimaat schuift steeds meer richting het klimaat van Zuid-Europa op.

Langdurige droogte of hitte De sterkere opwarming van het noordpoolgebied speelt mogelijk een rol in de grotere kans op langdurige droogte of hitte. We kunnen namelijk langer met hetzelfde weertype te maken krijgen doordat de straalstroom (baan met hoge windsnelheden op circa 10 kilometer hoogte) mogelijk zwakker wordt door een afname van het temperatuurverschil tussen pool en tropen. Hoe trager de straalstroom meandert, hoe groter de kans dat hetzelfde weerbeeld langer blijft bestaan. Rivieren. ’s Zomers neemt de kans op laagwater in de rivieren toe, terwijl in de winter juist de kans op hoogwater toeneemt. Orkanen en stormen. Orkanen die bij Bonaire, St Eustatius en Saba, de zogeheten BES-eilanden, voorkomen, nemen in kracht toe met gemiddeld meer neerslag. Orkanen hebben niet alleen invloed op Caribisch Nederland, maar kunnen dat ook hebben op Europa. Dit is al een keer gebeurd met orkaan Ophelia in 2017. Restanten van tropische orkanen kunnen ook de Noordzee bereiken en gaan gepaard met veel wind en neerslag. Het aantal stormen op de Noordzee neemt niet toe. Het nieuwe onderzoek laat geen toename zien van de windsterkte op de Noordzee en de daarmee gepaard gaande stormvloeden. Stedelijk klimaat. Steden zijn meestal warmer dan de landelijke omgeving. Door de opwarming van de aarde wordt het ook in steden nog warmer.

Daarnaast vormen extreme neerslag en droogte een steeds grotere uitdaging voor de stad. IPCC en KNMI-klimaatscenario’s Het KNMI brengt om de circa zeven jaar nieuwe klimaatscenario’s uit. De volgende publicatie wordt medio 2023 verwacht. Met het Klimaatsignaal’21 heeft het KNMI een tussentijdse stand van zaken afgegeven. Het Klimaatsignaal’21 is gebaseerd op het zesde rapport van het IPCC, het klimaatpanel van de Verenigde Naties, dat in augustus is verschenen. In het rapport is deze kennis aangevuld met waarnemingen en onderzoek van het KNMI.

© Delphy, 20 mei 2023.

11

Het IPCC heeft deze zomer vastgesteld dat de opwarming van de aarde door de mens is veroorzaakt. Ook concludeerde het klimaatpanel dat met de huidige uitstoot van broeikasgassen de atmosfeer over 10 jaar al zoveel broeikassen bevat dat de 1,5 °C grens waarschijnlijk permanent overschreden wordt.

© Delphy, 20 mei 2023.

12

2 Vraagstelling. De droge zomers en droge voorjaren die we de laatste jaren gekend hebben zijn geen uitzondering maar een gevolg van de klimaatsverandering en zullen dus steeds meer ‘normaal’ worden. Als we de doorkijk nemen naar 2030 dan wordt dit nog extremer. De beschikbaarheid van zoet water op Schouwen Duiveland bepaalt welke mogelijkheden er zijn voor landbouw, maar ook andere activiteiten op Schouwen Duiveland. Daarom is het nodig gedetailleerd in kaart brengen wat de de behoefte aan zoet water is, waarbij gekeken wordt naar het huidige en toekomstig verwachte bouwplan maar ook naar andere zoetwatervragers in het buitengebied zoals natuurverenigingen, recreatie, brandweer en waterschap. Hierbij wordt tevens ingezoomd op trends die we op dit moment waarnemen en die van invloed zijn op de toekomstige zoetwaterbehoefte en plattelandsontwikkeling op Schouwen Duiveland. De centrale vraag is ‘wat is de watervraag van Schouwen Duiveland nu en in 2030?’ Om tot een systematische analyse te komen is de bovenstaande vraagstelling opgedeeld in een aantal deelvragen. Vanuit de antwoorden op die deelvragen is dan gewerkt met verschillende scenario’s waar rekening gehouden wordt met de huidige ontwikkelingen waar we antwoord op willen geven: 1.

Wat is het huidige grondgebruik op Schouwen Duiveland.

2.

Wat is de ontwikkeling aan agrarische bedrijven.

3.

Wat is het limiterende effect van het gebrek aan water bij verschillende gewassen.

4.

Wat is de bouwplan ontwikkeling en welke trend(s) zien we hier a) Bouwplanontwikkeling b) Schaalvergroting. c)

Kostprijsontwikkeling.

d) Invloed nieuwe GLB e) Invloed 7e AP Nitraatrichtlijn. 5.

Nieuwe landbouwsystemen, wat kan dit betekenen?

6.

Wat is de weersvoorspelling voor de komende jaren.

7.

Wat is de waterbehoefte van dit bouwplan

8.

Wat is behoefte aan zoet water vanuit: natuurverenigingen, openbare diensten (o.a. natuurgebieden, sportvelden, plantsoenen, campings, brandweer).

9.

Hoeveel zoet water is er beschikbaar: a) Levering vanuit bodem, sloten en door regenwateropvang over geheel jaar gezien. b) Bepaling te verwachten hoeveel neerslag in de komende jaren. c)

Wat dragen innovatieve maatregelen bij aan waterbeschikbaarheid.

Hierbij in acht nemen dat de landbouw bezig is met een transitie naar een meer volhoudbaar systeem. Maar ook een meer weerbaar systeem zal behoefte hebben aan zoet water. Teelten worden kostbaarder hierdoor neemt ook het risico voor de agrarische ondernemers toe. Het risico voor telers wordt zo groot dat deze dure teelten niet mogen mislukken. 10. Wat wordt de totale zoetwaterbehoefte van Schouwen Duiveland. 11. Oplijsting van potentiële zoetwaterbronnen om eventueel tekort aan te kunnen vullen. Met hierbij kosten/ baten analyse.

© Delphy, 20 mei 2023.

13

3 Ontwikkelingen. In dit hoofdstuk zijn de antwoorden geformuleerd op de vragen welke opgesteld zijn in hoofdstuk 2. Onderstaande cijfers komen veelal uit Statline van CBS4. Soms lijken er tegenstrijdigheden in te zitten, vaak heeft dit te maken met definities. Het gaat vooral om de trend die we waarnemen, minder om de absolute getallen.

3.1 Huidig grondgebruik Schouwen-Duiveland – algemeen

Functie Totale oppervlakte Bebouwd terrein Recreatieterrein Agrarisch terrein Bos en open natuurlijk terrein Binnenwater Buitenwater

oppervlakte (in ha's) 48821 1098 1197 15397 4095 7211 18645

Bron CBS We zien in bovenstaande tabel dat het agrarisch terrein ruim 15000 hectares beslaat. Wanneer we hierop inzoomen is het getal iets lager vanwege de erven die niet meegerekend worden als cultuurgrond. Wanneer we inzoomen op het agrarisch grondgebruik dan komen we op onderstaande tabel. Status van de cijfers: de cijfers van 2022 zijn voorlopig, de overige cijfers zijn definitief. Hier valt het volgende op: 

Vanaf 2000 is in 22 jaar de oppervlakte cultuur grond met 7% afgenomen. Hierbinnen is de oppervlakte akkerbouw met 21% afgenomen (2395 ha). Hier staat tegenover dat de oppervlakte grasland en groenvoedergewassen is toegenomen 52% (1390 ha). Onder deze categorie valt naast snijmais ook voederbieten en luzerne.

De ‘grote’ akkerbouwgewassen zijn: aardappelen, granen en graszaad, suikerbieten. Daarna volgt een verzamelterm ‘akkerbouwgroenten’.

Tot de akkerbouwgroenten worden gerekend: boerenkool, erwten (groen te oogsten), knolselderij, kroten/rode bieten, koolraap, schorseneren, spinazie, stamsperziebonen, suikermaïs, tuinbonen (groen te oogsten), uien, waspeen, winterpeen en witlofwortel.

De zaaiuien zijn apart vermeld. Het areaal uien is apart berekend vanuit andere data (via BoerenBusiness) omdat deze data niet apart op CBS als areaal per gemeente te vinden zijn. In onderstaande tabel zijn uien vanwege apart gezet, qua areaal zitten zij ook onder akkerbouwgroenten.

Handelsgewassen zijn planten die gewoonlijk niet direct voor consumptie worden verkocht omdat ze voor hun eindgebruik industrieel moeten worden verwerkt. Omvat onder andere

4 CBS, Centraal Bureau voor de statistiek, openbare data.

© Delphy, 20 mei 2023.

14

blauwmaanzaad, cichorei, hennep, karwijzaad, kool- en raapzaad, lijnzaad, sojabonen, vlas en zonnebloemen. 

Een andere grote post is nog gras en groenvoeder (inclusief mais, voederbieten maar ook luzerne).

Daaronder staan nog vermeldt de arealen vanuit ‘tuinbouw open grond’ (of in de vollegrond) Dit is geen groot areaal en neemt ook gestaag af.

Grondgebruik in hectares

jaren: 2000

2005

2010

2015

2020

2021

2022*

Totaal cultuurgrond

14658

14781

14187

13575

13593

13561

13598

Akkerbouw

11395

11249

10165

9399

9044

8853

9002

Aardappelen totaal Consumptieaardappelen Pootaardappelen Zaaiuien Suikerbieten Granen Graszaden Akkerbouwgroenten Handelsgewassen Peulvruchten Overige akkerbouwgewassen

2787 2573 212

2297 1994 303

2418 2009 409

1970 3566 619 1536 383 51 195

1570 3623 1222 1434 481 80 82

1178 3594 525 1797 318 104 137

2389 1675 710 1214 954 3158 580 1653 429 116 47

2335 1605 720 1180 1353 2389 680 1461 494 228 47

2238 1520 712 886 1298 2566 636 1399 382 214 56

2308 1599 688 791 1348 2822 685 1240 304 169 74

Tuinbouw open grond totaal Bloembollen en -knollen Bloemkwekerijgewassen Boomkwekerijgewassen en vaste planten Fruit open grond Tuinbouwgroenten

612 44 78 20 161 309

590 50 81 20 135 304

600 30 70 27 155 317

557 24 61 54 115 304

575 13 72 39 145 307

570 8 82 38 144 298

525 19 73 41 142 249

Grasland en groenvoedergewassen, totaal

2634

2912

3383

3572

3920

4084

4025

Binnen de akkerbouw valt op de terugval van het areaal zaaiuien vanaf 2020 en de afvlakking (na groei tot 2015) van het areaal pootaardappelen. Het areaal aardappelen neemt ook gestaag af. Zie verdere analyse in 3.3.

© Delphy, 20 mei 2023.

15

3.2 Ontwikkeling aantallen bedrijven op Schouwen Duiveland

Trend: Het aantal bedrijven neemt door de jaren heen steeds verder af. Er is een daling te zien van ongeveer 400 akkerbouwbedrijven in 2000 naar ruim 180 in 2020. Wanneer we deze trend doorzetten dan hebben we uiteindelijk te maken met ca 100 (grotere) akkerbouwbedrijven in 2030.

3.3 Wat is de bouwplan ontwikkeling en welke trend(s) zien we hier? 3.3.1

Bouwplanontwikkeling

De bron van deze cijfers is het CBS, zie de tabel in 3.1. Helaas was er voor uien bij het CBS geen cijfer per gemeente te vinden. Deze cijfers komen van BoerenBusiness voor Zeeland en zijn voor 2021 geëxtrapoleerd om zo een betrouwbaar cijfer te krijgen. Cijfers voor 2022 zijn nog voorlopig. Uitgangspunt voor scenario ontwikkelingen (Hoofdstuk 4) zijn de bouwplannen van 2021. De meeste gewassen blijven gelijk qua areaal. Er lijkt iets afname van granen maar dat zal in 2022 wel weer veranderen gezien de huidige graanprijzen. Binnen aardappelen zien we vanaf 2010 een toename van pootaardappelen ten koste van consumptieaardappelen. Vanaf 2020 zien we in pootaardappelareaal een stabilisatie en een lichte daling. De belangrijkste gewassen zijn: granen/ graszaden, aardappelen, suikerbieten en uien. Daarnaast zien we veel andere maar kleinere gewassen, zoals al verklaard is in hoofdstuk 3.1. 

Graanteelt: gerst, haver, maïs (exclusief snijmaïs), rogge, tarwe, triticale

Peulvruchten: bruine bonen, kapucijners, grauwe erwten, niet-bittere lupinen, tuinbonen(droog te oogsten), veldbonen en voedererwten.

© Delphy, 20 mei 2023.

16

3.3.2

Schaalvergroting

De combinatie van het totaal grondgebruik en de afname van het aantal bedrijven laten zien dat de schaalvergroting als autonome trend ook op Schouwen Duiveland zeer waarneembaar is. De hoeveelheid beschikbare cultuurgrond neemt wel licht af maar de daling van bedrijven is veel drastischer wat leidt tot een grotere bedrijfsomvang. Was nog niet zo lang geleden een bedrijf van 100 ha een groot bedrijf, nu wordt dit meer de standaard en zien we zelfs bedrijven ontstaan van 200 of meer hectares. In de scenario ontwikkeling zijn we uitgegaan van een beschouwing van een (fictief) bedrijf van 100 ha.

3.3.3

Kostprijsontwikkeling

Sinds vorig jaar zijn de prijzen voor een aantal grondstoffen sterk aan het stijgen. Hout, maar ook staal zijn sinds 2021 met ruim 25% gestegen. Sinds de inval van Rusland in Oekraïne is ook olie en gas sterk gestegen. Dit zorgt ook voor een prijsstijging van andere middelen welke nodig zijn voor de teelt. Hierdoor staat het saldo onder druk. Zowel gewasbeschermingsmiddelen maar vooral ook kunstmest zijn sterk gestegen (prijs kg N is van € 1,- gestegen naar € 2,5/kg N in 2022) Door de stijging van brandstofkosten zijn ook de bewerkingskosten (trekkers en machines) maar ook bewaarkosten gestegen. Twee nieuwsartikelen op basis van berekeningen van Delphy: https://www.boerderij.nl/kostprijs-akkerbouwgewassen-in-2022-fors-hoger https://www.boerenbusiness.nl/akkerbouw/artikel/10895136/60000-euro-meerkosten-bijgemiddelde-akkerbouwer

Een verkenning van de gevolgen van de oorlog in Oekraïne voor de akkerbouw (en andere sectoren) door WUR. https://www.wur.nl/nl/onderzoek-resultaten/onderzoeksinstituten/economic-research/showwecr/gestegen-kosten-zorgen-in-algemeen-niet-voor-inkomstendaling.htm In de scenario ontwikkeling in hoofdstuk 4 is rekening gehouden met deze stijging.

© Delphy, 20 mei 2023.

17

3.3.4

Invloed nieuwe Gemeenschappelijk Landbouw Beleid (GLB).

Het nieuwe GLB heeft en forse impact. De regelgeving en de uitvoerbaarheid wordt momenteel als erg complex ervaren. Naast de basispremie zijn er mogelijkheden om brons, zilver of goud te halen wat uiteraard weer andere voorschriften met zich mee brengt. Het voert te ver om het gehele GLB hier uit te leggen. Mogelijk gaat er wel een verschuiving plaats vinden richting meer peulvruchten of andere vlinderbloemigen zoals luzerne. De ‘watervraag’ van het ‘Schouwse’ bouwplan zal hier niet veel door worden beïnvloed. In feite heeft ieder gewas vocht nodig voor groei. We krijgen steeds vaker droge voorjaren en met name gewassen die het voorhaar gezaaid worden zijn voor een goede start en doorgroei zeer afhankelijk van voldoende vocht. 3.3.5

Invloed 7e actie programma nitraat

Het nieuwe actieprogramma heeft een grote invloed op de akkerbouw. Eén van de pijlers uit het 7e APN is ‘duurzaam bouwplan’, dat zich richt op de transitie naar duurzamere bouwplannen. Daarbij moet je denken aan bouwplannen waarvan (blijvend) grasland, rustgewassen en vanggewassen een substantieel deel uitmaken. Dit draagt namelijk bij aan het verbeteren van de bodem- en waterkwaliteit, biodiversiteit en de klimaatbestendigheid. Vanggewassen zorgen voor een bedekking in de winter en voorkomen uit- en afspoeling van nutriënten van het perceel. Het zijn veel nieuwe regels waar een akkerbouwer rekening mee moet houden per 2023:

Rotatie gewassen op bouwland (GLMC 7): op minimaal 1/3 van oppervlakte bouwland elk jaar een ander gewas als hoofdteelt of 1 of meer volgteelten na de hoofdteelt, op perceel niveau 1 x per 4 jaar een ander gewas als hoofdteelt.

De voordelen van organische mest d.w.z. strorijke organische mest mag je onder voorwaarden gereduceerd toepassen (bijv. 75% P ipv 100% mee laten tellen).

Nieuwe eerste uitrijdatums organische mest

 

Vaste mest vanaf 1 januari Drijfmest vanaf 15 maart (aanvulling 16 februari voor vroege teelten?) de lijst vroege teelten is zo lang dat de praktische consequentie voor de kleigrond nihil is (o.a. graan, grasland, graszaad en aardappelen).

Het nieuwe rVDM (met een overgangsperiode tot 1 maart 2023): dit heeft geen relatie met watergift. Is slechts een administratieve afhandeling.

(Bij deelname aan het nieuwe GLB:) verplichte bufferstroken sowieso verplicht vanwege 7e AP (per 1 maart 2023)

Rustgewas voor zand- en lössgrond vanaf begin 2023. Dus uiterlijk in 2026 een rustgewas. Vanaf 2027 is dit 1 x per 3 jaar (extra voorwaarde uit 7e AP). Geldt niet voor de klei- (en veen)gronden.

   

Vanggewassen vóór 1 oktober op zand- en lössgrond Vanggewas na mais op klei en veengrond Vernieuwde bodemkaarten (met name zand-/veengebieden) Verplichte bufferstroken langs sloten/watergangen is al verplicht.

Veel regels maar beïnvloed dit het bouwplan en dus de waterbehoefte? Het antwoord is nee of zeer marginaal.

© Delphy, 20 mei 2023.

18

3.4 Effect van wel of geen water in de Zeeuwse akkerbouw. In dit hoofdstuk is via verschillend onderzoek aangetoond wat de effecten zijn van wel of geen water ter beschikking aan de gewassen in het bouwplan op Schouwen Duiveland. De resultaten hiervan zijn gebruikt als uitgangspunten voor de scenario’s in hoofdstuk 4. Dit is op basis van verschillende onderzoeken uit de laatste jaren in Zeeland. Dit is nog niet gehele behoefte aan water (zie ook meer uitleg in 3.7). Binnen het bouwplan kennen we verschillende gewassen die vooral ook een verschillend rendement hebben. We kunnen die in drie ‘klasses’ verdelen: met een ‘hoog’ saldo (hoog rendement), laag saldo en een groep min of meer daar tussen in. De hogere saldi vinden we normaal gesproken bij uien en (poot)aardappelen, een lager saldo geven meestal de granen, voedergewassen en peulvruchten. Daartussen zitten b.v. de suikerbieten. Aardappelen en uien zijn ‘vrije’ producten, dat wil zeggen dat de prijs sterk volatiel is. Toch zijn dit de economische pilaren van het akkerbouwbedrijf. Vaak is hier voor geïnvesteerd denk aan machines om te kunnen zaaien, poten, gewasverzorging en oogsten. Maar denk ook aan het bouwen en inrichten van schuren ten behoeve van opslag van deze producten. We kunnen stellen dat deze teelten kapitaalintensief zijn.

Het areaal wat je op een bedrijf kan telen aan de hoogrenderende gewassen hangt van verschillende factoren af maar wordt ook vooral bepaald door vruchtwisselingseisen. Zie hiervoor verder in hoofdstuk 4. Een stukje in historisch perspectief. In het verleden (tot 2018) was de redenatie dat de Zeeuwse landbouwgrond, vaak aflopende profielen zo sterk waren dat irrigatie financieel niet uit kon. Op de meeste plaatsen was eenvoudig weg ook geen zoet water beschikbaar. Met uitzondering Tholen en delen van Zuid Beveland en kleine delen Zeeuws Vlaanderen. Na de zomer van 1976 (een extreem droog jaar) kwam er met name op de hogere droge zandgronden een ware rush op irrigatie. Met irrigatie bedoelen we dan traditionele manier van beregenen, destijds nog met buizen installaties later kwam steeds meer de haspel in opmars. De effectiviteit van beregenen is in de jaren ‘80 en ‘90 ook op kleigronden onderzocht. Vaak bleek dat effect gering te zijn. Moeder natuur kwam meestal nog te hulp en zomers waren over het algemeen ‘Hollands’, met regelmatig een regenbui. Dat betekende dat de noodzaak om sterk te investeren in een zoet water voorziening ontbrak. Sinds 2018 is duidelijk dat droge hete zomers vaker voor zullen gaan komen. Zie verdere uitleg in 3.6 met een doorkijk naar 2050.

In de afgelopen jaren na 2018 zijn er op Proefboerderij Rusthoeve verschillende onderzoeken aangelegd met irrigatie. Er zijn verschillende systemen om meer water bij de plant te krijgen, traditioneel beregenen, druppelirrigatie, peilsturing vanuit drainage en ook peilverhoging. Ook is er onderzoek gedaan naar irrigatie met water met een hogere zoutgehalte (EC) maar ook met het direct toedienen van mineralen via druppelslangen met de irrigatie mee: fertigatie. Dit laatste, fertigeren is in andere sectoren b.v. bij substraatteelten onder glas maar ook bij fruitteelt of bij boomteelt al veel langer praktijk. In onderstaande paragraven zijn een aantal recente en statistisch betrouwbare proeven ter illustratie uitgewerkt. Dit voor irrigatie (met druppelslangen) voor uien en aardappelen. Behalve dat zij horen bij de gewassen met een hoog saldo, hebben zij ook een ondiep wortelstelsel en zijn dankbaar voor water in de (ondiepe) wortelzone. Dit in tegenstelling tot granen maar ook suikerbieten die dan ook bij een sterk profiel veel dieper kunnen wortelen (> 90 cm) en het water ook van dieper kunnen halen.

© Delphy, 20 mei 2023.

19

Onderstaande paragraven zijn ter illustratie maar zijn statistisch betrouwbaar5 en geven erg goed aan wat het verschil is tussen wel of geen zoet water beschikbaar hebben voor de plant. Peilsturing en peilgestuurde drainage zijn wel aangestipt maar hoeveelheid onderzoek is hier beperkt. Daarnaast zorgt de aanwezigheid van zoet water ook een vlotte groei wat zorgt voor een gezond en robuust gewas die minder gevoelig is voor ziekten en plagen en derhalve is het minder noodzakelijk om gewasbeschermingsmiddelen in te zetten. Tevens zorgt een vlotte groei met een goede fysieke opbrengst ook voor minder verlies aan mineralen. Een robuuste teelt met weinig of geen emissie, zowel van mineralen als van gewasbeschermingsmiddelen is alleen mogelijk bij gezonde, sterke gewassen. 3.4.1

Water en zaaiuien.

Na 2018 was het voor veel akkerbouwers in Zeeland duidelijk dat de droogte een grote opbrengstdepressie tot gevolg had. Door stichting Uien Innovatie en Kennis Centrum6 is in 2019 een kleine oriënterende proef aangelegd met onderstaand resultaat. Dit was slechts een eenvoudig vergelijk, geen proef, hier is geen statische toetsing op uitgevoerd, echter het opbrengstverschil is enorm groot.

Wel of geen water geven in 2019 betekende in deze demonstratie een verschil van 20 ton zaaiuien. 2019 was een droog jaar maar nog niet te vergelijken met 2018. Ook de objecten zonder irrigatie haalden een ‘redelijke’ opbrengst.

5 Met statistisch betrouwbaar bedoelen we dat effecten of verschillen door onderzochte objecten veroorzaakt worden

en niet door andere factoren (bv de bodem). 6 Stichting Uien Innovatie en Kennis Centrum (UIKC) is een samenwerkingsverband tussen Proefboerderij Rusthoeve te

Colijnsplaat en Delphy BV. UIKC is een door RVO erkende kennisinstelling. Zie ook www.uikc.nl

© Delphy, 20 mei 2023.

20

Links een foto van een methode om druppelslangen te leggen en te zaaien in een werkgang. De druppelslangen liggen dan op ca 3 cm diepte. In 2020 is deze proef met meer objecten aangelegd binnen de PPS ‘Uireka7’. Hier is druppelirrigatie en boomberegening (zie foto rechts) met elkaar vergeleken. Ook deze proef is uitgevoerd door het UIKC. Onderstaand vindt u in een grafiek de resultaten van deze proef.

In 2020 zien we een meeropbrengst in deze proef van 25 ton zaaiuien. Deze proef is ook herhaald in 2021 (wat een vrij nat jaar was) en in 2022, wat weer een erg droog jaar was. In onderstaand figuur ziet u de situatie voor zaaiuien over 3 jaren te Colijnsplaat, dit zijn gemeten opbrengsten vanuit de praktijkpercelen van de Rusthoeve.

7 Uireka was een P(ubliek)P(rivate)S(amenwerking) waarbij de uiensector onderzoek samen uitvoerde met

kennisinstellingen. Zie ook www.uireka.nl

© Delphy, 20 mei 2023.

21

Droge jaren: slechte opbrengst. 2020

2021

2022

2020

2021

2022

38 ton/ha

52 ton/ha

21 ton/ha

Wanneer we hier ook fertigatie (d.w.z. ook mineralen meegeven aan het irrigatiewater) aan toevoegen zal het effect van wel of geen water nog groter zijn. Voor dit rapport hebben we dit even buitenbeschouwing gelaten.

3.4.2

Water en aardappelen.

In 2022 is er een proef aangelegd door Delphy met Proefboerderij Rusthoeve. In het ras Colombo (tafelaardappelen). Deze proef is aangelegd in het kader van een haalbaarheidsstudie binnen het programma ‘Zeeland in Stroomversnelling’. In deze proef werd ook samengewerkt met Meeuwse handelsonderneming uit Goes (leverancier van de techniek – o.a. slangen, pompen etc.).

© Delphy, 20 mei 2023.

22

Object

Omschrijving

Ton/ha

Aantal knollen

Watergift totaal

A

onbehandeld

34,35

28,3

0

B

Op eigen gevoel water geven

38,38

29,3

37,5

C

Om de dag 2 mm

49,69

32,9

62,5

D

Op basis van vochtsensor

62,44

36,9

116

E

Op basis van vochtsensor

55,47

30,5

120

Alle objecten (behalve A) kregen water via druppelslangen. Opvallend is, in tegenstelling tot wat we zien bij uien, dat bij relatief geringe hoeveelheden water een forse opbrengstverhoging oplevert. Wel is het zo dat dit tafelaardappelen zijn, maar een sprong van 27 ton (via 35 naar 62) is opvallend. Het jaar 2022 is een jaar met een neerslagtekort van > 250 mm. Op 19 juli 2022 met een temperatuur van 37,2 °C met een record gewasverdamping van 7,2 mm. We moeten hier wel een paar opmerkingen bij maken. We hebben het over tafelaardappelen deze zijn veelal vroeg van het land. Spreken we over late aardappelen voor de verwerkende industrie dan zal dit verschil kleiner zijn omdat ze een lange groeiperiode hebben. Doordat er later in het seizoen (zelfs september) nog regen valt kan de opbrengst toch nog mee vallen. Late aardappelen blijken in sommige gevallen goed te kunnen compenseren. Althans tot nu toe. Tenzij we naar het voorspellingsmodel kijken naar 2030 of 2050 en het ook in de late zomer droog blijft. Hier is echter nog geen onderzoek naar gedaan. Maar het is wel van belang om hier een kritische opmerking bij te maken. Nu lijkt het alsof de hoofdmoot van de aardappelen nog mee kan maar valt de droogte op een verkeerd moment dan kan b.v. de knolaanleg achter blijven. Bovendien als we het vergelijk maken tussen een regio met zoet water (b.v.

Goeree Overflakkee) dan kan (moet!) de opbrengst juist hoger zijn. Wel is interessant om hier nog even te kijken naar knolaantallen, dit is geen pootaardappelteelt maar wel is dit een brug naar deze teelt die ook hoog salderend kan zijn. Zie over knolaantallen en het belang verder bij scenario ontwikkeling in hoofdstuk 4.

3.4.3

Peilgestuurde drainage.

Voor peilgestuurde drainage is er geen vergelijkend onderzoek om te kunnen illustreren. Bij peilgestuurde drainage willen we door het aanleggen van aangepaste drainage het afwateringssysteem waar drainage voor bedoeld is, ook gaan gebruiken om water in het diepe profiel in te brengen. Bij regelbare drainage wordt water niet meteen afgevoerd, maar deels vastgehouden in de bodem. T.o.v. “gewone” drainage is regelbare drainage verdiept (-1 tot 1,5 maaiveld) en intensiever.

© Delphy, 20 mei 2023.

23

De drains komen samen in een ontwateringsbassin, waar een peil ingesteld kan worden.

Door de peilhoogte te variëren kan de intensiteit van de drainage worden ingesteld. In droge perioden wordt water vastgehouden; bij een overschot aan water kan versneld worden ontwaterd. Regelbare drainage is daarmee een instrument om meer adequaat in te spelen op specifieke (te verwachten) weersomstandigheden om zo de voordelen van drainage te maximaliseren en de (eventuele) nadelige effecten ervan te minimaliseren. Peilgestuurde of regelbare drainage is daarmee een belangrijk instrument om zowel het waterbeheer als de landbouwkundige productieomstandigheden te verbeteren. Het biedt de mogelijkheid te anticiperen op veranderende omstandigheden. Echter de effectiviteit van dit systeem is niet overal hetzelfde. In Zeeland is op verschillende plaatsen dit systeem aangelegd. Ook op Proefboerderij Rusthoeve ligt er een testsysteem. Echter hier is van nature in de ondergrond, weinig zoet water aanwezig. Omdat Noord Beveland relatief lang aangeslibd is (na de St. Felixvloed, 1530), is er sprake van een dik kleipakket, hoog opgeslibd land, en dat in combinatie met diepe sloten. Dit betekent dat er zeer veel water ingebracht moet worden om hier effect van te sorteren. Door de hoge ligging en het profiel verdwijnt ook een groot deel van het water naar de (zoute) ondergrond. Er moet (kostbaar) water worden aangevoerd (of eerst worden ‘geoogst’) om dan in de drains te worden gebracht.

Op Schouwen Duiveland kan dit anders zijn maar ook hier bevinden we ons in de ‘zoute zee’ op diepte.

© Delphy, 20 mei 2023.

24

Afgelopen drie jaren (20-21-22) is dit systeem, wat langer geleden al was aangelegd, op Colijnsplaat bij de Rusthoeve weer in gebruik genomen en zijn er ook metingen geweest naar de opbrengst. Deze zijn dan vergeleken met een referentieperceel. Hier kwam het volgende naar voren: Jaar

Gewas

Resultaat

2020

Cichorei

7% opbrengstverhoging

2021 2022

Tarwe

2% opbrengstverhoging

Aardappelen

4% opbrengstverhoging

Uien

18% opbrengstverhoging

Hierbij moeten we opmerken dat waarschijnlijk in 2020 er (te) laat is gestart en 2021 een juist nat jaar was. Opvallend is dan de 18% opbrengststijging in 2022 (een droog jaar) in uien.

Bovenstaande grafiek, uienopbrengst Rusthoeve 2020 met regelbare drainage. Echter hier zijn de volgende kanttekeningen te maken: 

Er is veel water nodig. In 2022 is er omgerekend naar 1 hectare 1800 m3 water in gebracht. Dat is een watergift van 180 mm/ha.

De absolute uienopbrengst is nog steeds erg mager; we stijgen weliswaar van 25 ton naar 30 ton, echter met ‘gewoon’ beregenen of druppelirrigatie is met minder water een veel hogere opbrengst mogelijk is (zie ook 3.3.1.)

Men kan zich voorstellen als je weinig water ter beschikking hebt het beter is dit direct in de wortelzone te brengen (druppelirrigatie) dan via dit systeem met grote verliezen te werken. 3.4.4

Peilverhoging.

Bij peilverhoging is er meer sprake van aanpak over grotere gebieden. Hierbij wordt het waterpeil van een heel gebied, niet een perceel maar groter gebied, omhoog gebracht. Hoe dit een effect heeft op de opbrengst hangt van meerdere aspecten af. Denk hierbij aan met name de samenstelling van de ondergrond (het profiel), de stand van het grondwater (mits zoet) enzovoorts. Bij peilverhoging gaat het dus niet over een maatregel die een akkerbouwer kan

© Delphy, 20 mei 2023.

25

treffen maar over grotere gebieden, polders, afwateringsgebieden etc. Dit maakt implementatie en toepassing op bedrijfsniveau complexer. Een instrument om hier mee te werken is de waterwijzer landbouw van Wageningen Univeristeit & Research. De Waterwijzer Landbouw (WWL) is een instrument voor het bepalen van het effect van veranderingen in hydrologische condities op gewasopbrengsten. Deze veranderingen kunnen worden veroorzaakt door waterbeheer, herinrichtingsprojecten, (drink)waterwinningen, maar ook door het klimaat. Gewassen en de agrarische bedrijfsvoering stellen specifieke eisen aan de waterhuishouding. De WWL geeft een reproduceerbare inschatting van het effect, in termen van indirecte en directe effecten waarbij de directe effecten verder zijn uitgesplist naar aandeel in droogte- zuurstof- en/of zoutstress. Zie ook : https://waterwijzerlandbouw.wur.nl/

3.4.5

Water en een weerbare plant en bodemgezondheid.

Zoals ook te lezen in 3.5 is er een sterke beweging om de huidige landbouw meer te verduurzamen. We willen een landbouw die minder afhankelijk is van chemische input enerzijds van gewasbeschermingsmiddelen en anderzijds mineralen. Tevens of tegelijkertijd moet de emissie (lekkage) naar de omgeving omlaag, zowel van gewasbeschermingsmiddelen als ook van stikstof. Over mineralen efficiency meer in paragraaf 3.4.5. De wens is om te komen tot een robuuste teelt, een gezonde, weerbare plant die weinig vatbaar is voor ziekten en plagen. Een voorwaarde hiervoor is een ongestoorde groei. Uit diverse proeven is duidelijk gebleken dat slecht groeiende gewassen b.v. door droogte vatbaarder zijn voor insecten. Hierdoor wordt de noodzaak om chemisch in te grijpen groter. Op de foto links ziet u een uiengewas waar verschil in trips aantasting fors versterkt wordt door de afwezigheid van water.

3.4.6

Water en mineralen efficiency.

Dan komt de vraag boven of zoet water beschikbaarheid een rol kan spelen in de emissie van stikstof naar de omgeving. Omdat we bij de start van het groeiseizoen niet weten wat voor weer het wordt en hoe het gewas gaat groeien worden de mineralen toegediend uitgaande van optimale groei. Bij een gebrek aan water zal de opbrengst sterk achterblijven (zie in voorgaande paragraven). Dat betekent dat er minder product wordt afgevoerd en hierdoor ook minder stikstof afgevoerd wordt. Het verschil is dat er meer stikstof in de bodem achterblijft en grotere kans maakt om verloren te raken in het milieu (lekkage). In onderstaande tabel is dit verder uitgewerkt.

© Delphy, 20 mei 2023.

26

A

B

gewas zaaiuien plantuien pootaardappelen consumptieaardappelen suikerbieten winterpeen snijmaïs wintertarwe Totaal

N aanvoer 150 150 140 285 180 100 200 230

C

D E Bruto Bruto opbrengst opbrengst N aanvoer zonder zoet met zoet totaal water water 150 25000 60000 150 25000 60000 140 28000 50000 285 45000 60000 180 85000 100000 100 40000 65000 200 35000 45000 230 8500 9500

F

G

H

I

J

K verandering N gehalte in kg N afvoer via N afvoer via N verlies door per ton vers product (D product (E * N verlies (zonder (met water) waterbeschik product * F) F) water) (C-D) (C - H) baarheid (I-J) 2,2 55 132 95 18 77 2,2 55 132 95 18 77 2,5 70 125 70 15 55 3,3 148,5 198 136,5 87 49,5 1,1 93,5 110 86,5 70 16,5 1,2 48 78 52 22 30 4,3 150,5 193,5 49,5 6,5 43 5,8 49,3 55,1 180,7 174,9 5,8

situatie zonder zoet water situatie met zoet water

Uit bovenstaande tabel (bron rapportage Provincie Zeeland) blijkt dat de stikstof beter wordt opgenomen en na de oogst als meer geoogst product wordt afgevoerd. Deze stikstof kan niet in het milieu terecht komen.

3.5 Nieuwe landbouwsystemen, wat kunnen zij betekenen? Op Schouwen Duiveland heeft het traditionele gangbare bedrijf de overhand. Net zoals in geheel Zeeland en in feite in geheel Nederland. Vanuit verschillende hoeken wordt er ook gekeken naar andere systemen. Dat zijn geen gemakkelijke trajecten omdat je hier spreekt over een systeemverandering niet om een kleine aanpassing. We kunnen hier een drietal systemen benoemen: biologische landbouw, agroforestry en strokenteelt. Er is slechts een zeer beperkt deel biologisch. Dat aandeel ligt onder de 2%. Er loopt, gevoed vanuit de Farm2fork strategie van de EU, een discussie over het vergroten van het aandeel biologische landbouw. Momenteel heeft dit veel aandacht, belangrijkste aspect hierbij, is dat de marktvraag moet stijgen (wat momenteel (nog) niet gebeurd). Het lijkt niet evident gezien beperkte betekenis om deze ontwikkeling als grote kans te bestempelen voor de meeste bedrijven. Bovendien zal de watervraag hier niet wezenlijk verschillen, sterker nog juist, in biologische teelt is er juist een noodzaak naar goede groeiomstandigheden (mede omdat chemisch ingrijpen niet mogelijk is). Hiervoor is beschikbaarheid van zoet water van groot belang. Daarnaast zijn er nog andere systemen, zij zijn echter nog experimenteler en ver van implementatie van de praktijk weg zoals agroforestry of strokenteelt.

Deze systemen blijken erg ver van de praktijk weg te staan. De omschakeling is erg intensief en niet voor grote groep weggelegd. Op Rusthoeve is een proef aangelegd met strokenteelt. Even los van het gehele systeem bleek strokenteelt ook hier niet minder droogtegevoelig. Ook hier was water bij o.a. zaaiuien de belemmerende factor in 2020 en 2022. Strokenteelt in brede stroken is nu ook al aanwezig op Schouwen Duiveland, het gaat hierbij om brede stroken in spuitboombreedte (b.v. 35 m.). Het effect op biodiversiteit (met name vogels) is zeker aanwezig, een verschil in waterbehoefte door een dit systeem is er niet. Iets wat mogelijk wel iets dichterbij staat is het ontwikkelen van een rijpadensysteem. Dit betekent dat er niet gereden wordt met machines daar waar gewassen geteeld worden. Dit vraagt qua machines een forse aanpassing (via CTF=Controled Traffic Farming) maar kan wel renderen.

© Delphy, 20 mei 2023.

27

Methoden welke wel dichterbij staan, maar niet een echte ommekeer in systeem vormt, is nietkerende grondbewerking (NKG). Een goede zorg voor de bodem blijft heel erg belangrijk om ook niet alleen droogte maar ook zware buien te doorstaan. Zie ook volgende paragraaf. NKG: onderzoek WUR, Lelystad

3.5.1

Goede zorg voor de bodem.

Goede zorg voor de bodem is een must voor elke akkerbouwer ongeacht of hij op Schouwen Duiveland woont of niet. De aanvoer van organische stof en het op peil houden van organische stof is van groot belang voor bodemleven, bewerkbaarheid, het voorkomen van slemp en een goede opbrengst. Maar een goede zorg voor de bodem kan de afwezigheid van water nooit vervangen. Andersom, in de woestijn, mits er water naartoe wordt gebracht kunnen we tot zeer acceptabele opbrengsten komen. Organische stof zou een indrukwekkend effect hebben op de waterberging van een perceel. Een recente meta-analyse van Minasny & Mcbratney (2018) op basis van meer dan 50.000 bodemanalyses laat echter zien dat de hoeveelheid plant-beschikbaar water met maximaal 0,6 mm (per 10 cm) toeneemt bij een stijging van 1% organische stof. En dit effect is vooral waarneembaar op zandgronden met een OS-gehalte kleiner dan 2%. De maximale hoeveelheid extra waterberging neemt met maximaal 4 mm toe. In de praktijk blijkt dit effect veelal nog kleiner te zijn (Groenendijk et al., 2017). De toegevoegde waarde van organische stof voor de waterbeschikbaarheid en waterberging op Nederlandse landbouwpercelen is daarmee minimaal. Het is niet eenvoudig om het organische stofgehalte in de bodem te verhogen.

In de eerste plaats zit er al een grote hoeveelheid organische stof in de bodem en een verhoging van 1% vraagt om een enorme hoeveelheid aan te voeren organische mest (of compost of maaisel) en dat is binnen de huidige wetgeving onmogelijk. Terecht, omdat met de organische producten ook enorme hoeveelheden stikstof en fosfaat worden opgebracht. In het algemeen geldt dat hoe stabieler de organische stof is in het aangevoerde product, hoe meer het bijdraagt aan het gehalte in de bodem. Compost en oude stalmest bevatten per ton meer effectieve organische stof dan bermmaaisel, drijfmest of verse gewasresten. Verhogen van het organische stofgehalte (in kleine stapjes), gaat dan ook beter met compost en oude stalmest dan met gewasresten. Om het organische stofgehalte met 1% te verhogen moet je voor de meeste bouwplannen rekening houden met een periode van vijf tot 10 jaar, als het al niet langer duurt. De snelste manier om veel organische stof op te bouwen is het verbouwen van gras.

© Delphy, 20 mei 2023.

28

3.6 Weersvoorspelling voor de komende jaren Uit studies van het KNMI blijkt dat het klimaat aan het veranderen is. Het gevolg voor ons is enerzijds zwaardere neerslag in pieken. Maar ook langere perioden zonder neerslag en tevens hoge temperaturen. Vanaf 2010 zien we dat met name de maanden april en mei droger zijn geworden en de maanden juli augustus niet alleen droog maar ook aanhoudende hogere temperaturen. De totale hoeveelheid neerslag daalt niet, over het hele jaar is er nog steeds > 800 mm neerlag. Het valt alleen niet regelmatig verdeeld in de tijd, over het jaar. In onderstaande figuur staat de te verwachten neerslagtekort vanuit (KNMI) scenario voor 2050. Zie ook paragraaf 1.2.3. klimaatverandering.

Tabel Neerslagtekort in verleden en toekomst. (klimaateffectatlas.nl, 2022)

3.7 Wat is de waterbehoefte van het huidige bouwplan De waterbehoefte van het huidige akkerbouwbedrijf is ook duidelijk gewijzigd. Binnen deze paragraaf zijn we uitgegaan van de behoefte van de plant aan de hand van de verdamping van het gewas.

opbrengst

Potentiële gewasopbrengst 100

Er is een lineaire relatie tussen gewasverdamping en opbrengst. Dit kan per gewas verschillen, voor het ene gewas kan de curve wat vlakker lopen dan voor een

75

andere. Ook de relatieve luchtvochtigheid speelt hier een

50

rol. Wanneer de huidmondjes zich sluiten kan een plant

25

CO2opname plaats vindt en dus valt de fotosynthese stil.

0

niet meer verdampen. Dit betekent dat er geen

25 50 75 100 gewasverdamping

© Delphy, 20 mei 2023.

Wanneer de verdamping vermindert zijn er ook minder gewasgroeidagen wat uiteindelijk resulteert in een lagere gewasopbrengst. De berekeningen in deze paragraaf zijn

29

gebaseerd op de verdamping van de verschillende gewassen en welke hoeveelheid water hier dan bij hoort. De uitgewerkte berekeningen vindt u verderop in deze paragraaf. Deze berekeningen vormen de basis voor de calculatie van de totale behoefte van het gehele landbouwareaal. Echter zoals in hoofdstuk een is vermeld zijn er naast de verdamping meer momenten die water vragen. Dit is schematisch in onderstaande figuur uitgewerkt. Wanneer is er water nodig?

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13857573/1