CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

20230228 Raadsbrief Concept Ruimtelijk Beleid Duurzame Energie Bijlage 1

Gemeenteraad 23 maart 2023, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: Ingekomen stukken19.274 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Windschoepen Windschoepen zijn relatief nieuw en worden binnen de gemeente nog weinig toegepast. De gemeente wil windschoepen toestaan in verblijfsrecreatie, bedrijventerrein, sport, dagrecreatie en cultuur, landelijk gebied en maatwerk bij bedrijven en verenigingen in woongebied. Algemene toe- en inpassingseisen: • In het geval dat windschoepen worden toegepast bij nieuwbouw dienen deze integraal onderdeel te zijn van de architectuur van het gebouw. • Windschoepen dienen zich in maat en schaal te verhouden tot het gebouw en de omgeving waar zij deel van uitmaken. Welstand beoordeelt de toepassing van windschoepen. • Windschoepen worden geplaatst op het achtererf. • Windschoepen hebben een grijze neutrale kleur zonder reclame uitingen. • Bij woningen in het buitengebied worden windschoepen niet op het dak geplaatst. • Maximale hoogte is 12 meter.

Voorbeelden van windschoepen Ruimtelijk beleid Duurzame Energievoorziening Schouwen-Duiveland - 35

4.3 Zon Trede 1: Zon-op-dak Zonnepanelen op daken (mits voor eigen gebruik) die geen monumentale status hebben of zich niet bevinden in het beschermd dorps- en stadsgezicht kunnen vergunningsvrij worden aangelegd. Hiervoor geldt de landelijke regelgeving. Om te stimuleren dat de ruimtelijke kwaliteit behouden blijft, geven we ter inspiratie richtlijnen mee voor het plaatsen van zonnepanelen op bestaande daken. Voor monumenten, beschermd dorps- en stadsgezicht en nieuwbouw worden wel specifieke eisen gesteld. Algemene toe- en inpassingseisen (indien vergunningsplichtig, anders ter inspiratie): • De kleur van de panelen zijn donker (all black). • De panelen hebben geen opvallende randen en zijn niet afwijkend in kleur. • De richting van de panelen is uniform: ofwel allemaal liggend ofwel allemaal staand. • De afstand tot de dakrand is minimaal 0,5m. • Dakramen wordt op een logische wijze mee genomen in het plaatsen van de panelen.

Specifieke eisen voor monumenten en beschermd dorps- en stadsgezicht: Voor monumenten en beschermd dorps- en stadsgezicht geldt maatwerk dat in samenspraak met de welstandscommissie moet worden uitgewerkt en goedgekeurd. De commissie beoordeeld op de mate waarin het beeld wordt verstoord. In lijn met de regels vanuit de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed wordt positief meegedacht over zonnepanelen die uit het zicht liggen, geen aantasting vormen en zorgvuldig op het dak worden aangebracht. • Voorwaarde voor een positief advies voor zonnepanelen die wel zichtbaar zijn vanuit de openbare ruimte is onder meer een zorgvuldig afgewogen ontwerp. Onevenredige visuele verstoringen zijn daarbij niet acceptabel. • Op maaiveld speelt de hoogte waarvan je waarneemt en de afstand tot de zonnepanelen mee (breedte van de straat). • Ook de beleving vanuit het landschap op het stads- of dorpsgezicht wordt meegewogen.

Specifieke eisen voor nieuwbouw: Ook bij nieuwbouw gelden specifieke voorwaarden voor zonnepanelen. • Pas in geval van nieuwbouw zonnepanelen toe op daken, waarbij zij worden geïntegreerd in het ontwerp en/of als vanzelfsprekend deel uitmaken van het dakvlak. Daarbij is onderscheid tussen platte daken en schuine daken. • Op schuine daken geldt dat zonnepanelen integraal worden opgenomen in het dakontwerp. • Op platte daken zichtbaar vanaf de openbare weg is de minimale afstand tot de dakrand gelijk aan de hoogte van de panelen. • Op platte daken geldt dat zonnepanelen bij voorkeur in combinatie met een groen dak (sedumdak) worden uitgevoerd.

All black zonder randen (bron: zaanzon.nl)

Voorbeeld waarbij zonnepanelen en daklichten integraal

Zon-op-dak bij nieuwbouw (bron: zonnegilde.nl)

zijn ontworpen (bron: velux.nl) 36 - BoschSlabbers

Trede 2: Zon-in-tuin Bij particuliere woningen zowel binnen als buiten de bebouwde kom is het mogelijk zonnepanelen te plaatsen in de tuin als het dak aantoonbaar ongeschikt is qua constructie of dat panelen onevenredige afbreuk doen aan de beeldkwaliteit van de woning. Voorwaarde is dat de bebouwde oppervlakte ter plaatse daarmee de maximaal toegestane maat niet overschrijdt en de opgewekte energie altijd voor eigen gebruik is. Algemene toe- en inpassingseisen: • Maximale hoogte op het maaiveld is 1,5 meter. • Zonnepanelen zijn niet zichtbaar vanuit de openbare ruimte (alleen plaatsing op achtererf.) • Zonnepanelen worden geplaatst op een waterdoorlatende ondergrond. • De totale oppervlakte van constructies ten behoeve van zonnepanelen en bouwwerken (zoals schuurtjes) mogen het maximaal bebouwd oppervlak niet overschrijden.

max 1,5 meter

Maximale hoogte en afstand tot maaiveld

Zonnepanelen achter meidoornhaag (bron: Jack de Vos)

Specifieke eisen voor zon-in-tuin binnen de bebouwde kom: • Zonnepanelen worden minimaal 1 meter van de erfgrens geplaatst. Specifieke eisen voor zon-in-tuin buiten de bebouwde kom: • Zonnepanelen worden landschappelijk ingepast (zie hoofdstuk 3).

Panelen niet zichtbaar vanuit het landschap (bron: Jack de Vos)

Trede 3: Zon-energieneutraal Indien voor eigenaren van een bedrijf binnen of buiten de bebouwde kom optie 1 (daken) aantoonbaar onvoldoende mogelijkheden bieden om voor eigen gebruik energieneutraal te zijn, is realisatie van zonnepanelen op maaiveld mogelijk. Daar waar een zonnepark vanuit ruimtelijk oogpunt een grotere impact heeft op het landschap, dient zwaarder ingezet te worden op de landschappelijke inpassing. Algemene toe- en inpassingseisen: • Maximale hoogte op het maaiveld is 1,5 meter. • De kleur van de panelen zijn donker (all black). • De panelen hebben geen opvallende randen en de randen zijn niet afwijkend in kleur. • Zonnepanelen voegen zich naar het bestaande verkavelingspatroon. • Zonnepanelen mogen binnen een opstelling onderling niet in hoogte en diepte verspringen, dit ten behoeve van een rustig landschapsbeeld. • Zonnepanelen worden landschappelijk ingepast (zie hoofdstuk 3). • Zonnepanelen dienen bij voorkeur binnen het bouwvlak geplaatst te worden, indien aantoonbaar niet geschikt, dan pas plaatsing buiten het bouwvlak. • Bij agrarische bedrijven grenzen de zonnepanelen aan de bouwkavel. • Zonnepanelen zijn niet zichtbaar vanaf de openbare weg. Afstand tot de openbare weg is minstens 10 meter daarna begint de landschappelijke inpassing waarachter de panelen zich bevinden. • Verlichting is niet toegestaan.

Ruimtelijk beleid Duurzame Energievoorziening Schouwen-Duiveland - 37

Minimaal 10% van het perceel dient gereserveerd te worden voor landschappelijke inpassing.

wel zo

niet zo

vrij zicht op de 15% van de totale oppervlakte van Voorkom zonnepanelen

Pas het zonnepark in denaar bestaande zonnepanelen voegen zich het

dient te worden ingezet voor vrije bodem

bestaande verkavelingspatroon

verkavelingsstructuur in.

achterkanten van zonnepanelen.

•

•

•

•

Ten behoeve van een gezonde bodem dient een minimale ruimte te zijn tussen de onderzijde van de panelen en het maaiveld van 0,3 m zodat voldoende licht en lucht de bodem kunnen bereiken. Voor een goede bodemkwaliteit en vegetatiestructuur mag de bodem niet maximaal bedekt worden door zonnepanelen. Minimaal 15% van de totale oppervlakte van zonnepanelen dient te worden ingezet voor extra vrije bodem. De ruimte wordt gelijkmatig verdeeld tussen de rijen met panelen. Toegangswegen, beveiliging, hekwerken en transformator zijn mee ontworpen in de totale inpassing. Indien de toepassing van hekwerken onvermijdelijk is, dienen deze zo laag mogelijk en transparant te zijn, landschappelijk te zijn ingepast en nooit zichtlijnen te doorkruisen. Bomenkap ten behoeve van de zonnepanelen is niet mogelijk, tenzij aantoonbaar noodzakelijk en driedubbel gecompenseerd. Nieuwe aanplant dient duurzaam in stand te worden gehouden en bestuursrechterlijk en/of privaatrechtelijk geborgd te worden.

38 - BoschSlabbers

Zonnepanelen mogen onderling in hoogte niet verspringen ten behoeve van een rustig landschapsbeeld.

•

•

Voor recreatiebedrijven wordt dubbel ruimtegebruik van centrale parkeerplaatsen met zonnepanelen aangemoedigd. Dit is maatwerk. Een plan moet ter beoordeling voorgelegd worden aan het kwaliteitsteam buitengebied en welstand indien gelegen aan de rand van een recreatieterrein en dus zichtbaar vanaf de bij het Hekwerken horen duidelijk park en worden waar mogelijk openbare ruimte. landschappelijk ingepast. 26

Specifieke eisen voor overkappingen: Ook bij overkappingen ten behoeve van zonnepanelen gelden specifieke centrale voorwaarden voor zonnepanelen, namelijk: • De constructie is uitsluitend ten behoeve van de zonnepanelen. • De zonnepanelen zijn uitsluitend voor eigen gebruik. • De constructie heeft een natuurlijke uitstraling, uitgevoerd in hout of in houtlook. • De zonoverkapping moet ingepast worden met lage onderbegroeiing (inheems en streekeigen). Dit punt geldt voor overkappingen van min. 5 parkeerplaatsen.

• • •

• • •

De maximale hoogte is 4,5 meter. De constructie moet open zijn (geen achter- en zijwanden). De constructie moet zodanig worden geplaatst dat de zonnepanelen vlak op het dak gelegd kunnen worden. De overkapping mag geen belangrijke zichtlijnenInitiatiefnemer belemmeren. is verantwoordelijk voor het in de oorspronkelijke staat van het Het planterugbrengen moet passend zijn in het straat- en perceel m.u.v. investeringen in het landschap. bebouwingsbeeld. Een positief advies van stedenbouw, welstandscommissie en indien van toepassing kwaliteitsteam buitengebied.

Energielandschap Krammer

Trede 4: Energielandschap Er zijn mogelijkheden voor zon bij bestaande ‘energielandschappen’. Concreet betekent dit dat de aanleg van zonneparken mogelijk is bij de bestaande windparken Krammer en Roggenplaat die aangesloten zijn op een externe kabel voor de afvoer van energie. Algemene toe- en inpassingseisen • Omdat de zonnepanelen hier zichtbaar zijn wordt door de gemeente meegekeken met de verschijningsvorm. • Zonnepanelen liggen in een duidelijk herkenbaar patroon en vormen een samenhangend cluster (voorkomen van een versnipperd landschapsbeeld). • De verschijningsvorm wordt ter beoordeling voorgelegd worden aan de Welstandscommissie en het kwaliteitsteam buitengebied. • Beveiligingsmaatregelen worden zoveel als mogelijk uit het zicht gehouden. Hekken zijn transparant of water wordt ingezet als fysieke barrière. • Verlichting is niet toegestaan.

Energielandschap Roggenplaat-West

Specifieke eisen voor energielandschap Krammer • Binnen de bekkens wordt nooit meer dan 50% van het open water bedekt met zonnepanelen, om de waterkwaliteit te behouden. • Aangetoond moet worden dat er geen significant negatieve gevolgen zijn voor de ecologische waarden van water en omgeving. • Bij zon op water is het ook van belang de nodige aandacht te besteden aan de draagconstructie. Doelstelling is de zichtbaarheid van de constructie zoveel als mogelijk te beperken.

Zon op watergang (bron: de Gelderlander.nl

Trede 5: Zon-op-water Samen met het waterschap Scheldestromen wil de gemeente onderzoeken of het mogelijk is om zonnepanelen aan te leggen op bestaande watergangen die niet gelegen zijn langs wegen (watergangen tussen de akkers). Hier mogen de panelen te zien zijn. Er zijn mogelijkheden om op kleine schaal zonnepanelen aan te leggen op bestaande waterbassins. Algemene toe- en inpassingseisen • Voor zonnepanelen op water is landschappelijke inpassing enkel nodig wanneer deze in het zicht liggen vanaf de openbare weg. • Zonnepanelen mogen hierbij niet boven het maaiveld uitkomen van het omliggende terrein. • Zonnepanelen mogen de waterkwaliteit niet negatief beïnvloeden. Specifieke eisen voor zonnepanelen op waterbassins • Zonnepanelen zijn goed te combineren met - tijdelijke - waterberging. Om beide functies optimaal tot stand te brengen worden voor deze locaties maatwerk oplossingen gezocht. Zonnepanelen mogen hierbij niet boven de waterbassins uitkomen. Ruimtelijk beleid Duurzame Energievoorziening Schouwen-Duiveland - 39

Trede 6: Zon-nabij-bebouwingsconcentraties Grootschalige zonneparken voor duurzame energieopwekking voor derden is binnen het bestaande energienetwerk niet mogelijk. Aangrenzend aan bebouwd gebied, zoals de kernen, bedrijventerreinen en recreatieparken zijn kleinschalige projecten onder voorwaarden toegestaan. Het gaat hierbij om kleine coöperatieve zonne-energie-initiatieven ten behoeve van het energieneutraal worden van dorpen en wijken. Dit gebeurt altijd in overleg met de netbeheerder. Inwoners die geen mogelijkheden hebben om zelf zonnepanelen op het dak te plaatsen kunnen zich dan verenigen en samen zoeken naar een oplossing door bijvoorbeeld gebruik te maken van de Subsidieregeling Coöperatieve Energieopwekking (SCE) - voorheen postcoderegeling. Ook hier dient eerst gezocht te worden naar een groot geschikt dak voordat de zonnepanelen op het maaiveld worden toegepast. Per kern is maximaal één initiatief op het maaiveld toegestaan. Landschappelijke inpassing is voor deze initiatieven van groot belang. Daar waar sprake is van een fraaie verweving tussen bebouwing en het omliggende landschap dient dit karakter behouden te blijven en zo mogelijk verder te worden versterkt. Hier ligt de toepassing van zonnepanelen niet voor de hand.

Waar een betere afronding van de dorpsrand of een dorpsuitbreiding op stapel staat, is een zorgvuldige groene inpassing tussen de bebouwing en het landschap vereist. Waar deze opgave gecombineerd kan worden met zonnepanelen behoort dit tot de mogelijkheden. In geen geval mag daarbij het zicht op de cultuurhistorisch waardevolle objecten verminderen. 40 - BoschSlabbers

Per kern zal het gaan om maatwerk. De gemeente geeft daarom voor deze trede een stappenplan aan die gebruikt dient te worden om te komen tot de meest passende locaties: Stap 1: landschappelijke context Beoordeel de landschappelijke context van de kern. Het gaat om de visuele relatie vanuit het dorp naar de omgeving, maar ook omgekeerd. Denk aan vergezichten en open zichtlijnen. Zonneparken zijn altijd op ooghoogte (max. 1.50m). Waardevolle visuele relaties worden aangegeven op een kaart. Openheid op zich is niet voldoende, het moet voor de beleving in het dorp en de beleving van het dorp belangrijk zijn. Benoem per zichtlijn wat de visuele waarde is. Stap 2: bepalen locaties Kijk in stap 2 praktisch naar de locaties die geen belemmeringen vormen voor vergezichten en waardevolle open ruimtes. De locaties moeten aansluiten aan het bestaande bebouwd gebied, niet doorsneden worden door een weg (m.u.v. recreatieve routes) en een begrenzing hebben die in bestaande verkavelingspatronen past. Daarnaast moet er ook een buffer zijn tussen de locatie en de aangrenzende bebouwing. Als deze niet aanwezig is, moet deze in het ontwerp worden meegenomen. Stap 3: Landschappelijke inpassing Maak een lijstje van landschapselementen die in dat gebied gebruikt worden. Waarom en hoe kunnen ze worden ingezet om de locatie in te passen. En hoe zou dat voor de verschillende locaties kunnen? We

Zonneveld bij het dorp ‘t Zandt (bron: Eemskrant.nl)

willen het middel ‘dijk’ alleen inzetten als dit een oude dijklocatie is (dus reconstructie van dijken). Als het middel ‘dijk’ te kust en te keur wordt ingezet dan wordt het landschap van Schouwen-Duiveland onbegrijpelijk. Toepassing van een lage grondwal is maatwerk. Stap 4: integraal overzicht Over de mogelijke locaties moet in deze stap meer uitgezocht worden. Er moet een overzicht gemaakt worden van de kansen, mogelijkheden, bedreigingen en problemen van de verschillende locaties. na een stakeholderanalyse dienen alle betrokken partijen met elkaar in gesprek te gaan over de onderwerpen en zo tot meningsvorming komen. Bij het doorlopen van deze stap wordt duidelijk of een locatie geschikt is. Stap 5: definitieve locatiekeuze De verschillende stappen hebben inzicht gegeven in de mogelijkheden van de locatie. De definitieve locatie kan gekozen en onderbouwd worden.

4.4 Innovatie Stap 6: het plan Voor de locatie kan op basis van de voorgaande stappen een plan met wijze van inpassing voor het zonnepark worden opgesteld. Algemene toe- en inpassingseisen: • Zonnepanelen worden landschappelijk ingepast (zie hoofdstuk 3). • Draag zorg voor afronding / landschappelijke inpassing dorpsranden, ‘’ínbedding in het groen’’ onder meer door versterking van de landschapsstructuur met beplantingstypen die karakteristiek zijn voor het aanwezige landschap; • Na de levensduur van de zonnepanelen moet de landschappelijke inpassing bijdragen aan een aantrekkelijk landschap. • De ontwikkeling verhoudt zich vanzelfsprekend met dorpsrandfuncties: bijvoorbeeld aansluiten op de afwisselende open en besloten bebouwings- en beplantingsbeeld. • Maak zonneparken (deels) toegankelijk en zorg waar mogelijk voor aanvullingen op het routenetwerk voor wandelen en fietsen om vanuit de kern het buitengebied in te kunnen en andersom. Zandwegen, waterlopen en oude routes zoals kerkepaden zijn daarbij interessante aanknopingspunten. • Een plan moet ter beoordeling voorgelegd worden aan het kwaliteitsteam buitengebied en welstandscommissie. Trede 7: Zon-in-open-landschap Dit is niet toegestaan.

De energietransitie kent nog veel onzekerheden wat betreft de technieken die kunnen worden ingezet voor de verduurzaming. Ontwikkelingen gaan snel. Om deze reden is in de Energie-Agenda van Schouwen-Duiveland gekozen om in stappen van 5 jaar aan te geven wat we gaan doen om de doelstelling van energieneutraal in 2040 te behalen. Dit om in ieder geval tussentijds rekening te kunnen houden met nieuwe ontwikkelingen op het gebied van verduurzaming van de energievraag. Met name voor wat betreft de alternatieven voor aardgas (warmtetransitie) en energie-opslag is nog veel onzekerheid. De gemeente Schouwen-Duiveland wil bijdragen aan de verdere ontwikkelingen van alternatieve technieken door middel van pilots. Op dit moment worden twee pilots uitgevoerd namelijk: een pilot op het gebied van getijdenenergie en een pilot op het gebied van energie uit oppervlaktewater (aquathermie). Voor beide pilots is een subsidie toegekend. Belangrijke aandachtspunten binnen de pilots is de monitoring en evaluatie. Opslag is nog in ontwikkeling en zou een oplossing kunnen zijn voor het ontlasten van het elektriciteitsnetwerk. Ook voor innovatieve technieken geldt dat deze qua ruimtelijke inpassing moeten voldoen aan de doelen zoals deze genoemd zijn in hoofdstuk 1 in het ruimtelijk spoor zoals behoud van duisternis, behoud van groene randen, etc.

Door de energietransitie zal het Nederlandse landschap er de komende jaren anders uit gaan zien. Met de komst van lokale, schone energiebronnen als zon en wind wordt onze Nederlandse energievoorziening steeds zichtbaarder, ook in de fysieke omgeving. Draagvlak en acceptatie onder omwonenden en andere

inwoners en ondernemers uit de omgeving van projecten zijn daarbij van cruciaal belang. Voor wat betreft (kleinschalige) warmtepompen dienen deze te voldoen aan de wettelijke eisen. Hinder naar omwonenden dient ten alle tijden voorkomen te worden. Specifieke eisen voor biovergisters Biovergisters worden vaak geplaatst in aansluiting op bestaande boerenerven. Daarnaast zien we ook steeds vaker kleine installaties. Daarbij dient rekening gehouden te worden met de volgende specifieke eisen: • De biovergister mag geen geuroverlast veroorzaken. • Er dient een erfinrichtingsplan opgesteld te worden bij plaatsing van een biovergister. • Het plan moet ter beoordeling voorgelegd worden aan de Welstandscommissie en het kwaliteitsteam buitengebied. Specifieke eisen voor grootschalige energieopslag Het moment dat elektriciteit uit duurzame bronnen wordt opgewekt komt vaak niet overeen met het moment van verbruik. Om dit te overbruggen wordt grootschalige energieopslag steeds interessanter. Deze grote batterijen vragen wel ruimte en zien er niet altijd even fraai uit. De volgende eisen worden daarom gesteld aan toepassing van grootschalige energieopslag: • Grootschalige energieopslag wordt ingepast in een bebouwde voorziening of geplaatst op terrein buiten het zicht van de openbare weg.

• Indien dit niet mogelijk dient grootschalige energieopslag te worden voorzien van landschappelijke inpassing (zie hoofdstuk 3).

Ruimtelijk beleid Duurzame Energievoorziening Schouwen-Duiveland - 41

42 - BoschSlabbers

5.

PARTICIPATIE Met wie?

Ruimtelijk beleid Duurzame Energievoorziening Schouwen-Duiveland - 43

44 - BoschSlabbers

5. Participatie

5.1 Participatie gedefinieerd Het klimaatakkoord maakt een onderscheid tussen participatie in de beleidsfase en projectparticipatie. Participatie in de beleidsfase In de beleidsvormende fase besluit de lokale overheid of er duurzame energieprojecten komen en zo ja, waar en hoe. Participatie is hier van belang om te verzekeren dat de ambities in overleg met de omgeving opgesteld worden. De wijze waarop belanghebbenden betrokken worden in het beleidsproces wordt vaak weergegeven in de participatieladder waar een onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende niveaus van participatie als: informeren, raadplegen, adviseren, coproduceren en meebeslissen. Bij het opstellen van het beleid duurzame energievoorziening zijn belanghebbenden geïnformeerd en geraadpleegd door middel van bijeenkomsten en konden zij meedenken via de interactieve website Denk Mee Schouwen-Duiveland.

Projectparticipatie Projectparticipatie is aan de orde als er een concreet duurzaam energieproject in beeld komt. Het vormgeven van de participatie ligt op dat moment grotendeels bij de initiatiefnemer. Projectparticipatie is alle vormen van participatie in de ontwikkeling, bouw en exploitatie van een project, zowel procesparticipatie als financiële participatie. Procesparticipatie is de inhoudelijke betrokkenheid van belanghebbenden bij het ontwikkelen van beleid, strategie, visie of een project, gericht op besluitvorming, randvoorwaarden etc. Financiële participatie is het investeren in en/of voordeel ervaren van de opbrengsten van een initiatief of project. Bij financiële participatie wordt onderscheid gemaakt tussen actieve en passieve financiële participatie. Bij passieve financiële participatie wordt een deel van de opbrengsten van een hernieuwbaar energieproject gebruikt om de omgeving tegemoet te komen. Bij actieve financiële participatie is een ondernemend element aan de orde. Deze vorm is risicodragend voor de deelnemers. In de participatiewaaier van het Klimaatakkoord (figuur 9) zijn de opties voor projectparticipatie bij zon- en windprojecten weergegeven. De participatiewaaier is weergegeven op de volgende pagina.

Kaders voor participatie zijn te vinden in het Klimaatakkoord, de Omgevingswet (Ow) die naar verwachting in januari 2024 in werking zal treden en in de verschillende gedragscodes als de gedragscode wind op land en de gedragscode zon op land. Klimaatakkoord. In het Klimaatakkoord is vastgelegd dat de participatiewaaier wordt gehanteerd gedurende het proces om te komen tot een wenselijke en haalbare vormgeving van omgevingsparticipatie in een project. Afspraken met de omgeving worden vastgelegd in een omgevingsovereenkomst. Op basis hiervan wordt een projectplan en participatieplan gemaakt, waarin wordt beschreven hoe participatie binnen het project optimaal wordt ingericht. Het bevoegd gezag controleert dat initiatiefnemers en omgeving hierover het gesprek aangaan en aan de voorwaarden voor participatie wordt voldaan. Het bevoegd gezag kan bovendien ook nadere eisen stellen. Voor wat betreft lokaal eigendom is in het Klimaatakkoord afgesproken dat er sprake moet zijn van “een evenwichtige eigendomsverdeling in een gebied waarbij gestreefd wordt naar 50 % lokaal eigendom van de productie (burgers en bedrijven).

Ruimtelijk beleid Duurzame Energievoorziening Schouwen-Duiveland - 45

Figuur 9: Participatiewaaier (www.Klimaatakkoord.nl)

46 - BoschSlabbers

Regionale Energie Strategie Zeeland (RES-Zeeland) In de RES- Zeeland zijn uitgangspunten opgenomen voor participatie. De energietransitie is niet alleen een technisch en economisch vraagstuk, maar ook een maatschappelijke beweging. Om die beweging te kunnen maken is het belangrijk inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties te betrekken bij de energietransitie. Daarin maken we onderscheid tussen procesparticipatie en financiële participatie. In de Regionale Energie Strategie Zeeland is afgesproken dat Zeeuwse partners zich inspannen om, in de helft van alle wind- en zonprojecten, een vorm van burgerparticipatie te realiseren. Hierbij wordt een belangrijk onderscheid gemaakt in de soort participatie. We onderscheiden participatie in de volgende 5 onderdelen/ mogelijkheden: 1. Procesparticipatie in het project 2. Mede-eigenaarschap 3. Financiële deelneming 4. Omgevingsfonds 5. Omwonendenregeling. Omgevingswet De Omgevingswet gaat uit van minder regels en meer betrokkenheid van burgers bij de ruimtelijke inrichting van de omgeving. Het beschermen en benutten van de leefomgeving wordt daarmee een

gezamenlijke verantwoordelijkheid van overheid, bedrijven en burgers. De wet biedt ruimte voor de samenleving om initiatieven te ontplooien en voor het bevoegd gezag om daarbij burgerparticipatie te eisen. Dat wil zeggen “het in een vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden bij het proces van de besluitvorming over een project of activiteit”. De nieuwe wet is relevant voor duurzame energieprojecten. Omgevingsplan Het omgevingsplan vertaalt de doelen en het beleid uit de gemeentelijke omgevingsvisie en de programma’s naar juridische regels. Denk hierbij aan het toewijzen van functies aan locaties, het toestaan of niet toestaan van bepaalde activiteiten in bepaalde gebieden, algemene regels en meldingsplichten bij activiteiten, vergunningplichten en beoordelingsregels en regels over omgevingswaarden. Bij het opstellen van een omgevingsplan is participatie heel belangrijk. Als een gemeente een omgevingsplan gaat maken dan moet ze daarvan een kennisgeving doen. In die kennisgeving staat hoe de gemeente participatie zal gaan vormgeven.

Stelt een gemeente een omgevingsplan vast? Dan moet daar in staan hoe zij burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen bij de voorbereiding betrokken heeft. En ook wat de gemeenten met de resultaten heeft gedaan. Wie de gemeente bij de vroegtijdige participatie betrekt, hangt af van het type omgevingsplan, de aard, de omvang en invloed op de fysieke leefomgeving. De verplichtingen voor participatie bij het omgevingsplan staan in artikel 10.2 lid 1 en 2 van het Omgevingsbesluit In de Denkwijze(r) voor goede participatie staan deze aandachtspunten bij het inrichten van participatie bij een omgevingsplan: - Betrek participanten bij de vraag of het toekennen van functies aan bepaalde locaties nodig is om ongewenste activiteiten te voorkomen. - Betrek participanten bij de vraag of er regels nodig zijn voor bepaalde activiteiten en, zo ja, welk type regel het meest geschikt is. - Betrek participanten bij de vraag of bij

Ruimtelijk beleid Duurzame Energievoorziening Schouwen-Duiveland - 47

vergunningplichten voldoende beoordelingsregels zijn geformuleerd. - Ga met participanten na of voldaan wordt aan evenwichtige toedeling van functies aan locaties. - Stem het proces voor een eventuele planmilieueffectrapportage (mer) af met het participatieproces van een omgevingsplan. Gebruik informatie uit de mer om participanten inzicht te geven in effecten van regels. En omgekeerd: gebruik participatie als bron voor de mer. Omgevingsvergunning De initiatiefnemer moet bij het aanvragen van een vergunning aangeven of -en zo ja, hoe- aan participatie is gedaan en wat de resultaten daarvan zijn. Het bevoegd gezag betrekt deze informatie bij de integrale belangenafweging. Bij het aanvragen van een omgevingsvergunning is de initiatiefnemer verantwoordelijk voor het organiseren van participatie.

48 - BoschSlabbers

Gedragscode Wind op Land Deze gedragscode biedt projectontwikkelaars handvatten voor het in een zo vroeg mogelijk stadium betrekken van de omgeving bij windprojecten. Projectontwikkelaars die lid zijn van Nederlandse Windenergie Associatie (NWEA) en Energie Samen zijn via deze twee brancheorganisaties automatisch gebonden aan de code. Naast voorwaarden voor een gebiedsgerichte aanpak, aandacht voor innovatie en natuur en landschap bevat de gedragscode voorwaarden voor procesparticipatie en financiële participatie. Procesparticipatie: In een zo vroeg mogelijk stadium en uiterlijk voorafgaand aan het ruimtelijke ordeningsproces wordt door de initiatiefnemers of het bevoegd gezag een participatieplan opgesteld. Uitgangspunt is dat alle belanghebbenden op gelijkwaardige wijze meewerken aan het opstellen hiervan. De gesprekken met en tussen hen leveren informatie op voor keuzes ten aanzien van participatieniveau, betrokkenheid en financiële participatie. In het participatieplan wordt concreet beschreven hoe

deze procesparticipatie vorm krijgt. Het participatieplan behandelt in ieder geval de volgende punten: • Reguliere afstemming en overleg met (direct) omwonenden, buurtverenigingen en dorpsraden, energiecoöperaties, natuur- en landschapsorganisaties; bijvoorbeeld door het (mede-)opzetten van een klankbord- of adviesgroep van belanghebbenden; • Het organiseren en faciliteren van discussie- en informatiebijeenkomsten met en voor de omgeving; • Duidelijke communicatie over op welke momenten de omgeving betrokken wordt en met welke frequentie. De initiatiefnemer geeft in overleg met de vergunningverlenende overheid - in het participatieplan én gedurende het proces - steeds duidelijk aan welke mogelijkheden er (nog) zijn voor aanpassingen in de planvorming; • Het inrichten van een goed en transparant systeem voor het behandelen van vragen en klachten, zowel tijdens de bouw als tijdens de exploitatie.

Financiële participatie Concrete afspraken in de gedragscode voor financiële participatie zijn: • Richtbedrag van 0,40 tot 0,50 euro / MWh voor omgevingsfonds of omwonenden regeling. • Volgens afspraak uit het Klimaatakkoord streven naar 50% lokaal eigendom.

Gedragscode Zon op land. De zonnesector heeft een eigen gedragscode vergelijkbaar met die van Wind op Land. Deze kan ook in acht worden genomen bij de beoordeling van een initiatiefnemer van een project. De drie principes uit de leidraad die leidend zijn voor initiatiefnemers en ondertekenaars van de gedragscode zijn: 1. Samen met stakeholders: Op het project afgestemde vorm van procesparticipatie waarbij stakeholders inclusief bewoners uit de omgeving vanaf het begin meedenken over de locatie, vormgeving en ontwikkeling van het beoogde zonneveld. 2. Meerwaarde omgeving: Naast economische motieven voor ontwikkelaar en grondeigenaar spelen er voor de omgeving andere belangen zoals landschap, biodiversiteit en financiële waarde voor de omgeving. De sector neemt het principe op zich dat, in overleg met stakeholders, het zonneveld per saldo een verbetering voor de landschappelijke en natuurwaarde van het gebied betekent. 3. Oorspronkelijk grondgebruik mogelijk: Zonneparken worden zo ingericht dat er geen

onomkeerbare ontwikkeling plaats vindt. Het oorspronkelijke of een ander grondgebruik moet, indien gewenst door grondeigenaar en bevoegd gezag, na het zonneveld weer mogelijk zijn; zowel beleidsmatig als fysiek. Daarbij hoort ook dat de sector zorgt dat er geen vervuiling optreedt of dat er spullen achter blijven. De initiatiefnemer doorloopt een proces om te komen tot een wenselijke en haalbare vormgeving van participatie. Het gaat hierbij om de participatiewaaier; dit kan zijn procesparticipatie, financiële participatie, financiële obligaties, eigendomsparticipatie, een omgevingsfonds of een combinatie hiervan. Het bevoegd gezag controleert dat initiatiefnemers en omgeving hierover het gesprek aangaan. Afspraken met de omgeving worden bij voorkeur vastgelegd in een omgevingsovereenkomst.

Ruimtelijk beleid Duurzame Energievoorziening Schouwen-Duiveland - 49

Gedragscode acceptatie en participatie Geothermie De geothermiesector heeft een eigen gedragscode namelijk de gedragscode omgevingsbetrokkenheid bij aardwarmteprojecten. In deze gedragscode zijn voorwaarden opgenomen voor: 1. Communicatie en dialoog; 2. Omgevingseffecten; 3. Kwaliteit van de leefomgeving. Handleiding participatieplan De handleiding participatieplan geeft een uitgebreid overzicht van de stappen bij beleidsvorming en mogelijke instrumenten om participatie toe te passen bij windprojecten. Veel van de informatie geldt ook voor projecten met andere vormen van duurzame energie, het document kan daarom ook handvatten bieden voor andere duurzame energieprojecten. Het participatieplan gaat uit van vijf projectfases namelijk: 1. Beleidsvorming; 2. Vergunningverlening; 3. Contractering; 4. Bouw; 5. Exploitatie.

50 - BoschSlabbers

Voor alle fase geeft de handleiding participatieinstrumenten die in de betreffende fase kunnen worden ingezet.

5.2 Participatie in Ruimtelijk Beleid Duurzame Energievoorziening In deze paragraaf stellen we de voorwaarden waar initiatiefnemers bij duurzame energieprojecten aan moeten voldoen. Hierbij maken we onderscheidt in kleinschalige projecten voor opwek voor eigen gebruik (trede 1, 2 en 3) en grootschalige projecten voor opwek derden (trede 4, 5 en 6). Algemene voorwaarden Grootschalige projecten voor opwek derden moeten voldoen aan de voorwaarden die zijn neergelegd in de gedragscodes Wind-op-Land, Zon-op-Land en Acceptatie en participatie Geothermie. Concreet betekent dit dat: bij grootschalige windprojecten voldaan moet worden aan de voorwaarden die in de gedragscodes zijn gesteld voor een gebiedsgerichte aanpak, innovatie en natuur en landschap. bij grootschalige zonprojecten moet voldaan worden aan de drie principes: 1. Samen met

stakeholders; 2. Meerwaarde omgeving en 3. Oorspronkelijk grondgebruik mogelijk. Bij geothermieprojecten moet voldaan worden aan de voorwaarden uit de gedragscode van 1. Communicatie en dialoog; 2. Omgevingseffecten en 3. Kwaliteit van de leefomgeving. Voorwaarden voor procesparticipatie. Bij alle duurzame energieprojecten, zowel kleinschalig als grootschalig, moet de omgeving in een vroegtijdig stadium worden meegenomen. Vooruitlopend op de Omgevingswet zijn de vereisten als volgt: • Bij kleinschalige projecten voor opwek voor eigen gebruik moet de initiatiefnemer bij de omgevingsvergunning aangeven op welke wijze participatie met de omgeving heeft plaats gevonden en wat de resultaten daarvan zijn. De overheid neemt dit mee in de integrale belangenafweging. • Bij grootschalige projecten moet een participatieplan worden opgesteld met daarin voor alle fasen (beleidsvorming, vergunningverlening, contractering, bouw en exploitatie) informatie over:

•

•

•

•

Afstemming en overleg met (direct) omwonenden, buurtverenigingen en dorpsraden, energiecoöperaties, natuuren landschapsorganisaties; Het organiseren en faciliteren van discussie- en informatiebijeenkomsten met en voor de omgeving; Duidelijke communicatie over op welke momenten de omgeving betrokken wordt en met welke frequentie. Het inrichten van een goed en transparant systeem voor het behandelen van vragen en klachten, zowel tijdens de bouw als tijdens de exploitatie.

Voorwaarden voor financiële participatie Bij financiële participatie wordt onderscheid gemaakt tussen actieve en passieve financiële participatie. Bij passieve financiële participatie wordt een deel van de opbrengsten van een hernieuwbaar energieproject gebruikt om de omgeving tegemoet te komen. Bij actieve financiële participatie is een ondernemend element aan de orde. In de participatiewaaier wordt onderscheid

gemaakt tussen vier vormen van financiële participatie namelijk: mede-eigenaarschap, financiële deelneming, omgevingsfonds en omwonendenregeling. De eerste twee vormen zijn een vorm van actieve participatie en de laatste twee vormen zijn passieve participatie. Voorwaarden voor financiële participatie voor duurzame energieprojecten in SchouwenDuiveland zijn: • Financiële participatie in welke vorm dan ook is alleen van toepassing op grootschalige duurzame energieprojecten voor opwek voor derden. • Voor wat betreft actieve participatie (medeeigenaarschap en financiële deelneming) wordt, in navolging van het Klimaatakkoord en de RES-Zeeland, gestreefd dat 50 % van de productie van duurzame energie in eigendom is van de lokale omgeving (burgers en bedrijven). • Voor wat betreft passieve participatie (omgevingsfonds of omwonendenregeling) is

•

•

er een richtbedrag van 0,40 tot 0,50 euro / MWh om bij te dragen aan een omgevingsfonds of omwonenden regeling. Van het richtbedrag kan gemotiveerd worden afgeweken bijvoorbeeld wanneer het gaat om innovatieve projecten waarbij de opbrengsten lager liggen dan in al bewezen duurzame energieprojecten. Afspraken met de omgeving over financiële participatie worden vastgelegd in een omgevingsovereenkomst.

Ruimtelijk beleid Duurzame Energievoorziening Schouwen-Duiveland - 51

52 - BoschSlabbers

BIJLAGEN

Ruimtelijk beleid Duurzame Energievoorziening Schouwen-Duiveland - 53

54 - BoschSlabbers

BIJLAGE 1. Factsheet energiebalans 2021

ENERGIEBALANS VAN SCHOUWEN-DUIVELAND De ambitie van de gemeente is energieneutraal in 2040. Er zijn twee factoren van invloed: enerzijds het totale energieverbruik, anderzijds het opwekken van duurzame energie. Deze infographic geeft een beeld van hoever Schouwen-Duiveland is.

HUIDIGE ENERGIEVERBRUIK

1.000 TJ =

30 windmolens à 3 MW

1.000 TJ =

100.000 woningen met zonnedaken

De doelstelling voor 2023 is 3 % (ten opzichte van 2017) van het energieverbruik terug te dringen. Voor 2040 is dit 20 %. Het huidige energieverbruik is 3.774 TJ (op basis van de laatste cijfers van de klimaatmonitor van 2020). De doelstelling 2023, voor het terugdringen van het energieverbruik, is gehaald.

1.446 TJ 39 %

1.447 TJ 39 %

109 TJ 3 %

Woningen, commerciële- en publieke dienstverlening.

Wegverkeer, mobiele werktuigen, binnenen recreatievaart en zeescheepvaart.

Industrie, bouwnijverheid, energieproductie en afvalverwerking.

Gebouwde omgeving

Industrie

Mobiliteit

470 TJ 13 %

272 TJ 7 % Landbouw, bosbouw en visserij.

ENERGIEVERBRUIK

Totaal

Warmte en energie opgewekt achter de meter.

Landbouw

2017

Doel 2023

4.000 TJ

3.880 TJ

3.744 TJ Doel 2040

Gerealiseerd

3.200 TJ

3.744 TJ

Bron: https://klimaatmonitor.databank.nl/dashboard/dashboard/

HOEVEEL ENERGIE WEKKEN WE AL DUURZAAM OP? In 2021 was het aandeel duurzame energie 1.664 TJ, 44 % van ons energieverbruik. Dat betekent dat er nog 1.536 TJ extra per jaar duurzame energie nodig is om ons einddoel in 2040 te halen. Met nog 29 TJ extra per jaar halen we ons tussendoel 2023.

Windenergie

Zonne-energie

Biomassa Sirjansland

221 TJ 13,5 %

157 TJ 9,5 %

213 TJ 12,5 %

zonder windpark Krammer

1.073 TJ 64,5 %

Totaal

1.664 TJ

windpark Krammer

OPWEK DUURZAME ENERGIE

2017

250 TJ

Gerealiseerd

Doel 2023 Gerealiseerd

591 TJ zonder windpark Krammer 620 TJ

1.664 TJ met windpark Krammer

Doel 2040 3.200 TJ

Voor de opgewekte duurzame energie worden de gegevens opgevraagd bij de exploitanten.

Ruimtelijk beleid Duurzame Energievoorziening Schouwen-Duiveland - 55

56 - BoschSlabbers

BIJLAGE 2. Historische ontwikkeling

Het landschap van Zeeland is het resultaat van de combinatie van omvangrijke natuurlijke gebeurtenissen en het ingrijpen van de mens. Eeuwenlang bouwden de bewoners van SchouwenDuiveland aan hun eiland. Het was een voortdurende interactie met de zee. Naast doorbraken en afkalvingen vonden ook aanslibbing, landaanwinning en zandinblazing plaats. Tussen 1000 en 1300 werd vanuit de zee veel zand aangevoerd en ontstond het duingebied ‘De Kop van Schouwen’. Dit is het breedste duingebied van Zeeland, met duinen tot 35 meter hoog. De dynamiek waarmee dit gebied gevormd is, is nog steeds goed af te lezen uit de verschillende verschijningsvormen van duinen in het gebied.

ca. 1600

De stormvloed van 1134 was directe aanleiding om het oudland van Schouwen te gaan bedijken. In de dertiende eeuw vormden Dreischor en Sirjansland samen één eiland. Door een dijkdoorbraak werd Sirjansland gescheiden van Dreischor. Hierbij ontstond de geul het Dijkwater. In 1374 werd het noordelijke deel van de Gouwe afgedamd. De Noordgouwe polder ontstond en het ca. 1920 Ruimtelijk beleid Duurzame Energievoorziening Schouwen-Duiveland - 57

Het dijkenlandschap van de polders van Duiveland

Duinlandschap van Kop van Schouwen

Het open polderlandschap van Schouwen

eiland van Dreischor werd verbonden met Schouwen. Er volgde een reeks nieuwlandpolders die een minder roerige geschiedenis kennen dan vele andere delen van het eiland. Het gebied is alleen in 1953 weer door zeewater overspoeld.

Na de ramp van 1953 was een groot deel van het oude landschap verdwenen. Oude sloten lagen vol zand en bijna alle beplanting was dood. Het was sowieso de tijd van de ruilverkavelingen in Nederland, overal werd het landschap gemoderniseerd. Op Schouwen-Duiveland was de moderniseringsslag (grote landbouwkavels en rechte sloten) door de combinatie van de ramp en de tijdsgeest ingrijpend. Echter de dijken, ook de binnendijken, bleven nagenoeg ongewijzigd.

Oudland en Nieuwland Allereerst kenmerkt de gemeente zich van oorsprong door een tweedeling in wat we noemen oudland en nieuwland. Het oudland zijn gebieden die natuurlijk zijn ontstaan door ophoping van zand in de kreken en gebieden waar klei op veengrond is afgezet. In het oudland vestigden mensen zich voornamelijk op de kreekruggen die hoger en droger waren dan de aangrenzende poelgronden. De verkaveling is van oorsprong door natuurlijke patronen gevormd en daardoor onregelmatig. De ramp van ’53 heeft echter gezorgd voor herverkaveling waardoor de verkaveling hier regelmatiger is. De ´nieuwe´ verkaveling is nagenoeg overal blokvormig. In tegenstelling tot wat men zou verwachten, kent op SchouwenDuiveland het oudland de grootste vergezichten. Het nieuwland is door mensenhanden ontstaan. Dit kon gebeuren door opwas of aanwas. Opwas is het aanleggen van een dijk rond een kwelder die inmiddels hoog genoeg was opgeslibd. Aanwas is het laten opslibben van een al bestaande dijk. Het nieuwland heeft een regelmatige verkaveling. De kreekruggen als onderdeel van het nieuwland worden gekenmerkt door verspreid liggende boomgaarden en beplante kavelgrenzen in de vorm van singels en landschapshagen.

Typisch voor Schouwen-Duiveland zijn de vele inlagen. We vinden deze zowel aan de noord- als aan de zuidkust van het eiland. Inlagen en inlaagdijken werden aangelegd op plekken waar de bestaande zeedijk wegens oever- en dijkvallen dreigde in te storten. Om dit te voorkomen werd achter de instabiele zeedijk een ‘reservedijk’ aangelegd, de zogenaamde inlaagdijk met daartussen de inlaag. Naast de inlagen en dijken herinneren ook de wielen of welen (doorbraakkolken) en de kreken aan de strijd tegen het water. Een zeer tastbare en sprekende herinnering aan deze roerige geschiedenis van land en zee, is de Plompetoren. De gevreesde dijkval vond inderdaad plaats in 1581, en de inlaagdijk werd zeedijk. Sinds toen is deze zeedijk gehandhaafd. Een deel van het dorp ging echter verloren bij de dijkval. De kerktoren werd niet afgebroken, hij bleef dienen als baken voor de scheepvaart.

58 - BoschSlabbers

Landschappelijke structuur Door de historische ontwikkelingen kenmerkt Schouwen-Duiveland zich door een grote verscheidenheid aan landschappen. Het gaat daarbij om zaken als maat en schaal, aanwezigheid van kenmerkende elementen en structuren, zichtlijnen, leesbaarheid van de geschiedenis, aanwezigheid van (micro)reliëf etc. De landschappelijke structuur bestaat uit het onderscheid in oudland en nieuwland, de kenmerkende buitenrand, de binnendijken, de wegen, de waterlopen, de compacte kernen de groene erven. Tezamen dragen zij bij aan de kernkwaliteiten groen, weidsheid en diepte.

Buitenrand De huidige waterkering is het resultaat van een groot aantal deelstappen die over een periode van honderden jaren zijn uitgevoerd. Daarom is de ‘buitendijk’ een uiterst waardevol verhaal, een archief van gebeurtenissen. De zichtbaarheid en de beleving van de dijken zijn van grote kwaliteit. De dijken zijn bepalend voor de landschapsstructuur, de historische context en de beleving van omgevingskwaliteiten die je op de rand ervaart. Binnendijken De dijken maken het eiland. Er zijn twee grote verhalen die samenhangen met de dijken. Het eerste verhaal is het ‘groei’ verhaal van SchouwenDuiveland dat door de dijken verteld wordt. De meeste opeenvolgende landaanwinningen hebben een eigen dijk die op veel pekken ook nog aanwezig is. Er is een aantal ‘driedijkenpunten’ waar dit verhaal het sterkste zichtbaar is. Alle dijken die deel uitmaken van het ‘wordingsverhaal’ zijn waardevol. Een belangrijke gebiedskwaliteit is de beleving van het landschap vanaf de dijk. De diepte van het beeld is daar het beste te ervaren. Omdat de dijken bijna de enige gebogen lijnen in dit landschap zijn is dit extra goed waarneembaar. De vorm van de dijk is dan ook waardevol. Een bijzonder punt van de dijken, met uitzondering van de Oosterscheldedijk is dat ze overgedimensioneerd zijn. Ze zijn nog wel opgenomen in het waterkeringssyteem maar niet verhoogd of aangepast.

Door de overmaat van de dijken is er ruimte voor bomen en verwildering van beplanting. Hier en daar gebeurt dat ook. De overmaat is een waardevolle kwaliteit van de dijken.

Wegen Het bestaande stelsel van beplante wegen geeft uitdrukking aan het agrarische landschap dat na 1953 is aangelegd. Hierin komen de verschillen tussen de diverse polders van Schouwen-Duiveland het beste tot uiting. Nu we gaan inzetten op bomen op de dijken willen we de wegbeplanting daarmee in samenhang ontwikkelen. Nabij dijken willen we vooral de wegen die naar de dijken toelopen meer aandacht gaan geven. Daarmee ontstaat het hoofdpatroon. Waar beplante wegen beplante dijken kruisen ontstaan bijzondere punten. Ook het netwerk van wegbeplantingen heeft invloed op het diepe landschap. Daar waar deze beplanting dichter is, ontstaat een coulissenlandschap. Omdat er niet overal bomenrijen staan is hier en daar het landschap in de volle diepte waarneembaar. Hele stuk onder wegen even goed bekijken.

Groene erven De ruime groene erven in het landelijk gebied geven veel mogelijkheden voor ontwikkeling van groen. Met ‘groen’ wordt bedoeld dat de algehele indruk van het erf een groene oase is en dat de gebouwen zich daar in voegen. Gebouwen mogen best zichtbaar zijn maar, zeker vanuit het landschap, niet overheersen. Groene erven dragen bij aan de kwaliteit van weidsheid en diepte van het landschap die uniek is voor Schouwen-Duiveland.

Compacte kernen Op Schouwen-Duiveland zijn twee steden (Zierikzee en Brouwershaven), 15 dorpen en 12 gehuchten. Daarvan liggen twee dorpen en twee gehuchten op de Kop van Schouwen. Daarnaast zijn er een groot aantal woon- en werkplekken in het landelijk gebied. De meeste dorpen nemen een beperkt deel van de horizon in beslag en kennen een zekere compactheid. De kernen hebben in de meeste gevallen een groene uitstraling. Gebouwen mogen zichtbaar zijn en voegen dan vaak wat toe aan het beeld maar wel als onderdeel van een groene setting. Waar de groene uitstraling ontbreekt wordt de kernkwaliteit aangetast. Groene overgangen van stad naar land zijn een belangrijke kwaliteit.

Ruimtelijk beleid Duurzame Energievoorziening Schouwen-Duiveland - 59

60 - BoschSlabbers

BIJLAGE 3. Landschappelijke inpassing per landschapseenheid Landschapseenheid

Kenmerken

Voorwaarden voor landschappelijke inpassing

Deltalandschap

Een weids zeelandschap, bestaande uit de Oosterschelde en Grevelingen. De ervaring van het grote water is de grootste kwaliteit van het eiland Naast het water zijn er grote infrastructurele werken zoals de Grevelingendam, Brouwersdam, Zeelandbrug en Oosterschelde kering. Het vrije zicht op het water met daarbij de beleefbaarheid van de werken is van grote waarde.

• • • • • • •

Kop van Schouwen

De kop van Schouwen bestaat voornamelijk uit duinlandschap. De vroongronden, oude en jonge duinen, de boswachterij (Domeinen) en het zoomgebied zijn hierin gelegen. Dit gebied is grotendeels aangewezen als Natura 2000 gebied en Natuur Netwerk Nederland (NNN). Het oostelijke gedeelte van de Kop van Schouwen sluit qua landschap meer aan op de polder Schouwen. Een gebied met veel landschappelijke en bijzondere natuurwaarden. Door de bijzondere natuurwaarden is dit gebied kwetsbaar voor duurzame energie.

• • • •

Duurzame energie mag in dit landschap zichtbaar zijn. Orde en ritmiek zijn belangrijk. Maximaal 50% van het wateroppervlak mag met zonnepanelen bedekt zijn. De draagconstructie van de zonnepanelen mag niet zichtbaar zijn. Aanvullende voorzieningen zoals hekwerken moeten zo transparant mogelijk zijn. Toets door kwaliteitsteam buitengebied is verplicht. Koppelkansen in verbetering biodiversiteit en recreatie.

Zonnepanelen op erf/maaiveld mogen niet zichtbaar zijn vanaf het openbare gebied. Er moet rekening gehouden worden met de beleving vanaf dijk of duin. Landschappelijke inpassing vindt plaats door gebiedseigen landschapselementen. Hier kan bosaanleg kan hierbij een middel zijn. Koppelkansen in versterking landschappelijke structuur, biodiversiteit en recreatie.

Ruimtelijk beleid Duurzame Energievoorziening Schouwen-Duiveland - 61

Polder Schouwen

Polders van Zonnemaire en Bommenede

Noordgouwe

De polder Schouwen is het meest open gebied van het eiland. Dit gebied kenmerkt zich door laaggelegen polders en langs de zuidrand gelegen natte natuurgebieden en inlagen. In de natuurgebieden en inlagen komt vrijwel geen opgaande beplanting voor. De erven daarentegen liggen als groene eilandjes in de vrijwel lege polder en zijn hierdoor sterk beeldbepalend. Door deze openheid zijn er veel belangrijke zichtlijnen op de historische kernen. De openheid van het gebied is de belangrijkste landschappelijke kwaliteit.

•

Deze polder is een halfopen landschap, de beplanting is vooral te vinden in de dorpen, op de dijken en langs de erven. Het meest opvallende kenmerk van deze polders is de bebouwing aan en op de dijken en het grote aantal rechte dijken die direct in het (her)verkavelingspatroon passen. De bebouwde dijken zijn een belangrijke landschappelijke kwaliteit.

•

Deze polder kenmerkt zich door enerzijds het bosrijke landgoederenkarakter van Schuddebeurs en anderzijds het open agrarisch gebied. De polder Noordgouwe heeft een cultuurhistorisch waardevolle kern, met fraaie zichtlijnen en herkenbare dorpssilhouetten. De landgoedkarakteristiek is een belangrijke landschappelijke kwaliteit.

•

• • •

•

• •

•

• •

•

62 - BoschSlabbers

Zonnepanelen op erf/maaiveld mogen niet zichtbaar zijn vanaf het openbare gebied. Er moet rekening gehouden worden met beleving vanaf de dijken. Openheid/leegte is hier een kernwaarde; beplanting mag de ervaring van de openheid niet aantasten. Landschappelijke inpassing vindt plaats door gebiedseigen landschapselementen. Hier kunnen (geschoren) Zeeuwse hagen of houtsingels met boomvormers een passend middel zijn. Koppelkansen in versterking van met name erfbeplantingen, biodiversiteit en landbouw.

Zonnepanelen op erf/maaiveld mogen niet zichtbaar zijn vanaf het openbare gebied. Er moet rekening gehouden worden met beleving vanaf de dijken. Landschappelijke inpassing vindt plaats door gebiedseigen landschapselementen. Hier kunnen houtsingels met boomvormers of kleinschalige bosjes een passend middel zijn. Koppelkansen in versterking van de landschappelijke structuur, erfbeplantingen en biodiversiteit.

Zonnepanelen op erf/maaiveld mogen niet zichtbaar zijn vanaf het openbare gebied. Er moet rekening gehouden worden met beleving vanaf de dijken. Landschappelijke inpassing vindt plaats door gebiedseigen landschapselementen. Versterking van het landgoedkarakter rond Schuddebeurs biedt hier kansen. Hagen in combinatie met boomvormers kunnen hier een passend middel zijn. Koppelkansen in versterking van de landschappelijke structuur, erfbeplantingen en biodiversiteit.

Gouwepolders

De Gouwepolders hebben een meer besloten karakter dan de overige polders op het eiland. Ze zijn klein en smal met weinig bebouwing. De dijken vormen een heldere begrenzing. Hierdoor is de leesbaarheid van het landschap relatief groot. De openheid van het gebied is een belangrijke landschappelijke kwaliteit. Al is de schaalbeleving van Gouwepolders een andere beleving dan bijvoorbeeld de Polder Schouwen.

• • •

• •

Dreischor

In dit gebied draait alles om het dorp Dreischor. Het ligt dan wel niet in het midden van de polder, maar het is toch vanuit bijna ieder punt in de polder het centrum. Daarnaast is het natuurlijk één van de kenmerkende ringdorpen van Schouwen-Duiveland. Het zicht op het dorpssilhouet en de Langeweg zijn belangrijke landschapskarakteristieken.

• • •

•

Polders van Duiveland

In de polders van Duiveland komt relatief veel beplanting voor. Dit komt met name door boomgaarden met hagen, wegbeplantingen en wisselende erfbeplanting. Met name rond de kreken van Ouwerkerk komt veel opgaande beplanting voor. Daarentegen zijn de agrarische polders en de polders van Bruinisse open en grootschalig. Rond Sirjansland en Oosterland is sprake van grootschalige glastuinbouw. De groene sfeer en de landschappelijke variatie zijn belangrijke landschapskarakteristieken.

• • •

•

Zonnepanelen op erf/maaiveld mogen niet zichtbaar zijn vanaf het openbare gebied. Er moet rekening gehouden worden met beleving vanaf de dijken. Landschappelijke inpassing vindt plaats door gebiedseigen landschapselementen. Hier kunnen (geschoren) Zeeuwse hagen of houtsingels met boomvormers een passend middel zijn. Beplanting mag de ervaring van dijken vanuit de polder niet aantasten. Koppelkansen in versterking van de landschappelijke structuur, erfbeplantingen en biodiversiteit.

Zonnepanelen op erf/maaiveld mogen niet zichtbaar zijn vanaf het openbare gebied. Er moet rekening gehouden worden met beleving vanaf de dijken. Landschappelijke inpassing vindt plaats door gebiedseigen landschapselementen. Hier kunnen (geschoren) Zeeuwse hagen of houtsingels met boomvormers een passend middel zijn. Opgaande beplanting mag het zicht op het dorpssilhouet niet beperken. De Langeweg moet een herkenbare lijn in de polder blijven

Zonnepanelen op erf/maaiveld mogen niet zichtbaar zijn vanaf het openbare gebied. Er moet rekening gehouden worden met beleving vanaf de dijken. Landschappelijke inpassing vindt plaats door gebiedseigen landschapselementen. Hier kunnen windsingels, (geschoren) Zeeuwse hagen of kleinschalige bosopstanden een passend middel zijn. Koppelkansen in versterking van de landschappelijke structuur, erfbeplantingen en biodiversiteit. Koppelkansen met glastuinbouw en/of waterbassins.

Ruimtelijk beleid Duurzame Energievoorziening Schouwen-Duiveland - 63

BIJLAGE 4. Tabel ecologische inrichting zonneparken (bron: Literatuurstudie en formulering richtlijnen voor een ecologische inrichting van zonneparken in de provincies Groningen en Noord-Holland)

Tabel 1. Algemene aanbevelingen voor ecologische inrichting van zonneparken gebaseerd op de beschikbare literatuur. Aanbeveling Algemeen Planning locatie zonnepark Leg zonnepark niet aan in natuurgebied, aangrenzend aan natuurgebied enkel indien zorgvuldig ingepast

Verplicht insecten-vriendelijke panelen in het geval van bouw naij water (meren en plassen)

Planfase Laat meerdelige natuurtoets (0meting) uitvoeren volgens gestandaardiseerde (wetenschappelijke) methodes Laat biodiversiteitsbeheerplan opstellen, met input van ecoloog

Motivatie/Opmerking

Wetenschappelijke onderbouwing

Aanbeveling

Verlies aan leefgebied met hoge natuurwaarden. In specifieke gevallen biedt de aanleg van zonneparken direct naast natuurgebieden kansen om de kwaliteit van het natuurgebied te verbetren. Bijvoorbeeld, door de aanleg van een zonnepark naast een natuurgebied zou de grondwaterstand verhoogd kunnen worden, wat ook het natuurgebied ten goede zou kunnen komen. Ook zonneparken naast weidevogelkerngebieden zouden een positief effect op de lokale weidevogelpopulatie kunnen hebben als zo’n zonnepark goede en veilige opgroeimogelijkheden voor kuikens zou bieden. Panelen val voor waterinsecten, maar probleem kan verholpen worden door speciale panelen te gebruiken met witte strips.

Niet onderzocht maar in overeenstemming met ‘algemene kennis’

Leg zonneparken in principe niet in of direct naast natuurgebieden. Zonneparken naast natuurgebieden alleen toestaan als ze meerwaarde voor kwaliteit natuurgebied hebben.

Onderzocht, ten minste tendens voor effect gevonden. Een onbekende variabele is tot op welke afstand van het water waterinsecten beinvloed worden.

Verplicht insecten-vriendelijke panelen in het geval van bouw nabij water (meren en plassen).

Doel is om natuurwaarden voor de aanleg vast te stellen. Indien landelijk een protocol voor biodiversiteitsmetingen in zonneparken wordt afgesproken kan zo’n protocol ook gebruikt worden voor het uitvoeren van een nulmeting voorafgaand aan de bouw. Plan omvat ecologische inrichting en beheer, afgestemd op lokale doelsoorten. Plan omvat in ieder geval de volgende onderdelen: (1) plan voor ecologische inrichting en beheer van rand van het park, (2) plan voor ecologische inrichting en beheer van het park zelf (type vegetatie en beheer

64 - BoschSlabbers

18

Verplichten bij ieder park. Protocol nog te bepalen.

Verplichten bij ieder park

Laat plan voor behoud verbetering bodemstructuur en bodemkwaliteit opstellen, met input van bodemkundige Na de realisatie/bouw Monitor biodiversiteit, ten minste insecten en vogels, volgens gestandaardiseerde methoden

daarvan, eventuele gebiedsspecifieke bijzondere habitats, configuratie en ruimte tussen panelen) Plan omvat maatregelen om bodemverdichting en erosie tegen te gaan, voorkomen van verontreiniging door zink. Onderdeel van het plan is een beschrijving van de relatie tussen eigenschappen van de zonnetafels en de mate waarin licht en regenwater de bodem bereiken.

Verplichten bij ieder park

Monitoring afstemmen op specifieke lokale doelsoorten. Monitoren broedvogels en overwinterende vogels (jaarrond monitoren). Observeren ruimtelijk gebruik door vogels. Zorg dat de data verzameld worden in landelijke databases en beschikbaar komen voor analyses.

Tijdens bouw zonnepark Minimaliseer de grootte van de bouwplaats en toegangswegen

Minimaliseren verstoring

Minimaliseer gebruik verlichting

Minimaliseren verstoring

Houd rekening met broedseizoen vogels

Alle broedende vogels beschermd

Bescherm de bodem, neem maatregelen tegen bodemverdichting

Zware machines verdichten bodem wat tot bederf bodemstructuur leidt. Volg met constructies en grondwerkzaamheden zo veel mogelijk de hoogtelijnen zodat niet bij een stortbui versnelde afstroming wordt bevorderd.

Verplicht altijd een before-after control-impact benadering om impact te kwantificeren

Niet onderzocht maar in overeenstemming met ‘algemene kennis’ Niet onderzocht maar in overeenstemming met ‘algemene kennis’

Niet onderzocht maar in overeenstemming met ‘algemene kennis’

Check of minimaliseren impact onderdeel van planning bouw park is Check of minimaliseren impact onderdeel van planning bouw park is Check in het geval van bouw in zomermaanden (april-juli) of dat er conflict met broedende vogels zou kunnen zijn Laat in plan opnemen hoe er wordt omgegaan met bodem tijdens de bouw (bijvoorbeeld ´grondstrippen´)

Maatregelen en aandachtspunten binnen zonnepark Algemeen

19 Ruimtelijk beleid Duurzame Energievoorziening Schouwen-Duiveland - 65

Behoud waardevolle habitats en elementen, plaats daar geen zonnepanelen

Bedoeld worden poelen, bestaand veldstruweel, etc. Houdt aardkundig waardevolle hoogteverschillen zoals kreek- en dekzandruggen, of slenken en eeuwenoude sloten in stand.

Gebruik inheemse planten

Vermijdt gebruik exoten bij aanleg kruidenrijk grasland en andere natuurlijke habitats

Minimaliseer verlichting

Lichtvervuiling

Hoofdgewas (gewas tussen en onder panelen) Algemeen: Extensief beheerde vegetaties dragen bij aan biodiversiteit. Creëer kruidenrijk grasland en/of Belangrijk om af te stemmen op doelsoorten (volgens kruidenrijke braakvegetaties biodiversiteitsbeheerplan). (inzaaien, of spontaan laten Extensief beheerde vegetaties dragen ook bij aan ontstaan d.m.v. gebruik maaisel) ondergrondse biodiversiteit en daarmee bodemkwaliteit. Daarnaast is bodem robuuster tegen verstoringen (erosie). Voor zonneparken binnen het Luzerne is gewas waarvan positief effect op akkervogels leefgebied voor akkervogels: bekend is. Luzerne heeft bovendien een positief effect op Teelt extensief gewas zoals bodemstructuur (diepe doorworteling) en bodemkwaliteit Luzerne of leg vogelakker (vorm (organische stofgehalte, vastlegging stikstof). Luzerne kan van agrarisch natuurbeheer met echter niet langer dan 3-5 jaar geteeld worden, dus zal altijd afwisseling tussen stroken luzerne binnen een gewasrotatie geteeld moeten worden. en braakstroken) aan. Vogelakkers moeten tenminste elke twee a drie jaar bewerkt en of opnieuw ingezaaid worden. Bij de planning van het park zal rekening moeten worden gehouden met het feit dat allerlei bewerkingen noodzakelijk zijn (maaien, oogsten, ploegen, zaaien). Beheer habitats extensief (lange Extensief beheerde vegetaties dragen bij aan biodiversiteit.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12466788/1