2023 408 Bijlage 3 Toelichting bestemmingsplan Wegensteunpunt Scharendijke
Tekst van het document
Instandhoudings- en passende maatregelen die de knelpunten wegnemen; Beschrijving van de bepalende procesfactoren (abiotiek) Uit de gehele beoordeling voor het gebied Duinen Goerree & Kwade Hoek en Kop van Schouwen blijkt dat de depositie mogelijk een negatief effect kan hebben en (kleine) significante gevolgen zijn niet geheel uit te sluiten. Daarom is er voor beide gebieden een cumulatietoets uitgevoerd. In de cumulatietoets is onderzocht in hoe het voorgenomen plan gecombineerd wordt met de effecten van overige plannen in het gebied. Voor deze plannen zijn de werkzaamheden nog niet uitgevoerd, maar is wel een vergunning uitgegeven. Het totaal overzicht is weergegeven in tabel 4, waar de verleende vergunning wergegeven zijn.
Tabel 4: totaal overzicht verleende vergunning
Uit de cumulatietoets is gebleken dat het project, in combinatie met andere projecten, niet tot significante negatieve gevolgen leidt voor de Natura2000-gebieden Duinen Goeree & Kwade Hoop en Kop van Schouwen. Er is geen sprake van een aantasting van de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden. Verder vervolgstappen, in de vorm van een ADC-tets, zijn niet noodzakelijk.
4.4
Bodem
4.4.1
Verkennend bodemonderzoek
Aan de hand van het verkennend bodemonderzoek dient te worden nagegaan of op de locatie redelijkerwijs geen verontreinigende stoffen in de grond of het freatisch grondwater boven de (lokale) streef- en/of achtergrondwaarden aanwezig zijn. Het onderzoek betreft een (water)bodemonderzoek conform NEN 5740 en 5720, zie Bijlage 8. In 2021 is er reeds een vooronderzoek door Movares uitgevoerd, waaruit geconcludeerd is dat het gehele terrein verdacht gebied betreft. Tevens is er onderzoek verricht naar de teerhoudendheid van het asfalt om na te gaan of het asfalt herbruikbaar is, op basis van het gehalte aan PAK. Dit onderzoek is uitgevoerd conform de CROW publicatie 210 'omgaan met vrijkomend asfalt'. Bodem Voor het verkennend bodemonderzoek is een totale oppervlakte van ca. 18.000 m2 onderzocht. In het bodemonderzoek zijn de activiteiten van de zoutopslag en de werkplaats met smeerput onderzocht op kansrijke stoffen. Bij de terreinverkenning is tussen de zoutloods en werkplaats nog een ondergrondse olie-afscheider aangetroffen, die ook onderzocht is. In totaal zijn er 37 boringen gemaakt. Uit de resultaten is geconstateerd dat er afwijkingen zijn ten opzichte van een 'natuurlijke' samenstelling van de bodem. Dit betekent dus ook dat onder de asfaltlaag geen funderingsmateriaal aanwezig is.
De opgeboorde grond is door de veldmedewerker globaal zintuiglijk onderzocht op de aanwezigheid van asbestverdachte bijmengingen. Hierbij zijn geen verdachte materialen waargenomen. Waterbodem Ten behoeve van het waterbodemonderzoek zijn in totaal 10 boringen, tot 0,5 meter in de waterbodem,
31
bestemmingsplan Wegensteunpunt Scharendijke (concept)
uitgevoerd. Het onderzoek heeft zich gericht tot de slootdemping. In het grondwater is enkel in de peilbuis B001, zoutloods, een lichte (marginale) verhoging aan molybdeen gemeten. Verder is het gehalte aan chloride in dit watermonster verhoogd ten opzichte van streefwaarde en, hoewel geen referentiemeting in de omgeving is verricht, waarschijnlijk ook ten opzichte van de omgevingskwaliteit. Tekenend hiervoor is ook dat de geleidbaarheid in deze peilbuis significant hoger is. Teneinde meer inzicht hierin te verkrijgen kunnen referentiemetingen zinvol zijn. In de waterbodem zijn geen verhoogde gehalten aan PFAS vastgesteld. Het gaat hier dus om waterbodem in de klasse ‘altijd toepasbaar’, ‘verspreidbaar’ en ‘toepasbaar in GBT’. Asfalt Het geasfalteerde oppervlak bedraagt op het plangebied ca. 4.500 m2. Bij de locatie-inspectie (op 21 december 2022 en 5 januari 2023) zijn geen duidelijke risicovolle vakken waargenomen, waarna boringen evenreding verdeeld zijn. In totaal zijn er 20 asfaltkernen genomen en onderzocht in het laboratorium met behulp van een PAK-marker. Middels de PAK-marker is voor alle asfaltkernen een negatief resultaat verkregen. Dat betekent dat er een PAK-gehalte < 250 mg/kg is geconstateerd. Daarnaast is ook het gehalte fluorescentie onderzocht, waarbij gekeken is naar de hoeveelheid teerverdachte monsters (PAK10-gehalte > 50 ppm).
Uit de analyse blijkt ook dat er geen fluorescentie is vastgesteld. Conclusie In algemene zin wordt geconcludeerd dat het uitgevoerde onderzoek voldoende aanleiding geeft om het plangebied aan te merken als 'onverdacht' gebied, waarmee nader bodemonderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. Het criterium voor nader onderzoek wordt voor de onderzochte parameters niet overschreden. Resumerend kan bij beoordeling van het geheel aan onderzoeksresultaten gesteld worden dat de aangetroffen bodemkwaliteit aanvaardbaar wordt geacht en zodoende geen belemmering vormt voor de geplande herinrichting en daarmee voor het bestemmingsplan.
4.5
Luchtkwaliteit
Het wegensteunpunt Scharendijke van Rijkswaterstaat is een bestaand wegensteunpunt dat wordt gebruikt voor gladheidbestrijding. Dit betekent dat de verkeersbewegingen van en naar het steunpunt bestaan uit verkeer dat ingezet wordt voor de strooi-acties en/of het aanvullen van de voorraad. Voor dit steunpunt is getoetst of er relevante effecten optreden op de concentraties luchtkwaliteit. In de Wet milieubeheer zijn grenswaarden opgenomen voor de concentraties in de buitenlucht van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb), benzeen (C6H6), koolmonoxide (CO) en benzo(a)pyreen (C20H12). Bestuursorganen dienen rekening te houden met deze grenswaarden bij de uitoefening van bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10), omdat de achtergrondconcentraties van deze stoffen het dichtst bij de grenswaarden liggen. Fijnstof en stikstofdioxide zullen dus in belangrijke mate bepalen of er rond de planontwikkeling een luchtkwaliteitsprobleem is. Om die reden heeft dit hoofdstuk voornamelijk betrekking op deze beide stoffen. Daarnaast wordt, gezien de sterke relatie met gezondheid, ook een kleine fractie van fijnstof (PM2,5) onderzocht.
Toetsingskader stikstofdioxide en fijnstof Voor NO2 en fijnstof (PM10) geldt een grenswaarde van 40 µg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. Voor fijnstof met een kleinere fractie (PM2,5) geldt als grenswaarde een jaargemiddelde concentratie van 25 µg/m3. Daarnaast geldt voor NO2 dat een uurgemiddelde concentratie van 200 µg/m3 maximaal 18 keer per jaar
32
bestemmingsplan Wegensteunpunt Scharendijke (concept)
overschreden mag worden. Voor PM10 geldt dat de 24-uurgemiddelde concentratie van 50 µg/m3 maximaal 35 dagen per jaar overschreden mag worden. In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof. Tabel 5: Overzicht grenswaarden stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5)
Toetsingseenheid Jaargemiddelde concentratie NO2 Uurgemiddelde concentratie NO2 Jaargemiddelde concentratie PM10 24-uurgemiddelde concentratie PM10 Jaargemiddelde concentratie PM2,5
Maximale concentratie Opmerking 40 µg/m3 200 µg/m3 Overschrijding maximaal 18 keer per kalenderjaar toegestaan 40 µg/m3 50 µg/m3 Overschrijding maximaal 35 dagen per kalenderjaar toegestaan 25 µg/m3
Besluit en Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) Gelijktijdig met de Wet milieubeheer is het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. Een project draagt 'niet in betekenende mate bij' (NIBM) aan de concentratie fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) in de buitenlucht als de 3% grens niet wordt overschreden. Hiermee wordt bedoeld 3% van de grenswaarde (40 µg/m3) voor de jaargemiddelde concentratie fijnstof of stikstofdioxide. Dit betekent dat feitelijk een toename van 1,2 µg/m3 toelaatbaar wordt geacht. In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn situaties beschreven waarvoor vaststaat dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Voor deze situaties hoeft dan ook geen berekening te worden uitgevoerd om aan te tonen dat sprake is van een NIBM situatie. Dit geldt bijvoorbeeld voor woningbouwprojecten van maximaal 1.500 woningen bij minimaal één ontsluitingsweg en maximaal 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Voor kleine plannen die niet zijn beschreven in de Regeling niet in betekenende mate bijdragen, moet aan de hand van een berekening aannemelijk worden gemaakt dat de bijdrage NIBM is. Voor deze kleinere plannen is de rekentool genaamd 'NIBM-tool' ontwikkeld.
Hiermee kan met een beperkt aantal invoergegevens vastgesteld worden of een plan NIBM bijdraagt of dat nader onderzoek nodig is. De berekeningen met de NIBM-tool berusten op een worst case situatie. Voor de berekening van de concentratietoename zijn de kenmerken van het verkeer, de straat en de omgeving zo gekozen dat een situatie ontstaat met een maximale luchtverontreiniging. Hiermee wordt er voor gezorgd dat een situatie die als NIBM uit de NIBM-tool komt, ook met zekerheid echt NIBM is. De NIBM-tool hoeft niet te worden gebruikt wanneer op een andere wijze kan worden aangetoond dat er geen effecten optreden ten aanzien van luchtkwaliteit. 4.5.1
Toets op effecten
Het wegensteunpunt Scharendijke is een bestaand wegensteunpunt dat vervangen wordt. Er verandert dus niets aan de werkzaamheden op deze locatie, te weten het gebruik ten behoeve van gladheidsbestrijding. Hierdoor vindt er geen toename of afname van de hoeveelheid verkeer plaats. Daarmee zijn er geen effecten ten aanzien van luchtkwaliteit. Een berekening met de NIBM-tool behoeft dan ook niet te worden uitgevoerd. Conclusie Het wegensteunpunt Scharendijke draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Daarmee is het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de realisatie van het plan.
33
bestemmingsplan Wegensteunpunt Scharendijke (concept)
4.6
Geluid
Als onderdeel van onderhaving document is er een akoestische beoordeling opgesteld (zie Bijlage 9). In de beoordeling is de verkeersaantrekkende werking, vanwege de herontwikkeling van het wegensteunpunt en het gebruik van de nieuwe zuidelijk ontsluiting, onderzocht en beoordeeld. Wettelijk kader De akoestische effecten worden getoets aan de normen uit de Wet geluidhinder (reconstructie). Volgens de Wet geluidhinder dient bekeken te worden in hoeverre wegen, die een geluidszone hebben en/of (fysiek) gewijzigd worden, akoestische gevolgen hebben in de toekomstige situatie. Er is sprake van reconstructie waneeer er een toename van 1,5 dB (afgrond 2 dB) of meer geconstateerd wordt vanwege het wegverkeer van en naar het wegensteunpunt. In dat geval dienen mitigerende maatregelen getroffen te worden. Onderzoek In het onderzoek is de route van het wegverkeer van en naar het wegensteunpunt onderzocht, in zowel de huidige als toekomstige situatie. De nieuw te realiseren zuidelijke uitrit wordt alleen gebruikt bij calamiteiten. Dat wil zeggen dat deze in principe niet wordt gebruikt tenzij de noordelijke ontsluiting onmogelijk is door bijvoorbeeld een ongeval of een obstakel. Het verkeer kan dan alleen linksaf richting de rotonde rijden. Een schematische weergave is weergegeven in figuur 10.
Figuur 10: route van voertuigen van en naar het wegensteunpunt
Uit de resultaten is gebleken dat er op de Rampweg sprake is van een afname van het wegverkeer van 2110 motorvoertuigen per etmaal in 2022 naar 1660 motorvoertuigen per etmaal in 2034 (10 jaren na opening van het nieuwe wegensteunpunt. Op de Brouwersdam west (weg naar de rotonde) is sprake van een kleine toename van het wegverkeer van 3130 motorvoertuigen per etmaal in 2022 naar 3400 motorvoertuigen per etmaal in 2034.
Tabel 6: verkeersintensiteiten op de Rampweg en Brouwersdam-West in 2022 en 2034 (mvt/etmaal en het aantal motorvoertuigen per periode
34
bestemmingsplan Wegensteunpunt Scharendijke (concept) dag/avond/nacht)
De gevolgen voor geluid zijn als volgt: op de Rampweg is sprake van een geringe afname van ca. 0,1 dB op de Brouwersdam west is er sprake van een lichte toename van circa 0,4 dB. Conclusie Vanwege deze geringe wijzigingen is er geen sprake van een toename van de geluidbelastingen na de opening van het wegensteunpunt Scharendijke.
4.7
Water
Om de vernieuwing van het wegensteunpunt bij Scharendijke mogelijk te maken, is door Arcadis in februari 2023 een Watertoets uitgevoerd. Het doel van de Watertoets is in een vroeg stadium waterhuishoudkundige doelstellingen zichtbaar te maken en evenwichtig mee te nemen bij ruimtelijke plannen. Er wordt met name ingegaan op de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding en de beschrijving van de maatregelen die worden getroffen. Waterbeheerders worden in een vroeg stadium betrokken bij de planvorming om zo een duurzame omgang met hemel-, grond- en oppervlaktewater te waarborgen en het aspect water mee te laten wegen in het planproces. Hieronder worden de onderzoeksresulaten voor de toekomstige situatie van het wegensteunpunt besproken. Voor de huidige situatie van het watersysteem wordt verwezen naar Bijlage 10. Verhard oppervlak De planlocatie heeft een totale oppervlakte van circa 30.000 m2, waarbij 6.385 m2 verhard terrein is. Dit zal in de toekomst gaan toenemen naar 10.165 m2. Dit is een toename van 3.780 m2. Uit de watertoets blijkt dat er 910 m2 aan verhard oppervlak gecompenseerd dient te worden. De terreinverharding en de grasbetontegels zullen in de toekomstige situatie afwateren naar de bermen. Dit wordt gezien als vertraagde afvoer waardoor deze toename niet meegenomen is in de te compenseren verharding.
Bergingsopgave Om de bergingsopgave te bepalen, wordt er rekening gehouden met een worst-case scenario waarbij het volledige dakoppervlak direct aangesloten blijft met het oppervlaktewater. In deze situatie is er een bergingsopgave van 68m3 bij een bergingseis van 75 mm. De bergingsopgave dient opgelost te worden binnen de grenzen van het plangebied. Hier zijn enkele mogelijkheden voor aangereikt: 1. vertraagd afvoeren middels opstroomputten. Het hemelwater (dakwater) stroomt via de riolering naar de opslagtank (inhoud van 49 m³). Indien deze tank volledig gevuld is, zal het hemelwater uitstromen via een opstroomput, deze putten zullen aan de zijkant van het verharde terrein geplaatst worden. Vanuit de opstroomputten zal het water via de berm (circa 20 m breed) naar de sloot stromen. Vanwege deze vertraagde afvoer zal compensatie niet meer van toepassing zijn. Het is daarbij ook mogelijk om overtollig regenwater via de regenpijpen over het terrein naar de berm te laten stromen. 2. Dakoppervlak afkoppelen en daarmee de bergingsopgave verkleinen. Dit is echter een minder duurzame optie, aangezien de tank niet gevuld raakt met deze optie. Het water in de tank is nodig voor het productieproces en daardoor noodzakelijk. 3. Verlaging in de bermen. De bermen zouden verlaagd kunnen worden om hier meer water in te bergen.
Op basis van de huidige bergingsopgave zal er 68 m³ geborgen moeten worden.
Tabel 7: indicatie benodigd oppervlak bij huidige bergingsopgave
35
bestemmingsplan Wegensteunpunt Scharendijke (concept)
Waterkwaliteit Om de waterkwaliteit op peil te houden, dient het water dat van de daken zal stromen bij voorkeur geïnfilitreerd te worden. Daarbij zal gebruik gemaakt worden van milieuvriendelijke bouwmaterialen en het achterwege laten van uitlogende bouwmaterialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Vlakken waarbij zout of andere vervuiling mogelijk tot afspoeling komt, stromen af via de riolering en een OBAS. Deze OBAS zal de olie- en benzineresten afvangen, het zout is echter opgelost in het water, daardoor kan de OBAS geen zout afvangen. In de toekomstige situatie stroomt het water via de OBAS naar een opslagtank voor zout hemelwater. Deze opslagtank beschikt over een noodoverstort bij extreme neerslag op de aangrenzende watergang. Riolering In de toekomstige situatie wordt het (afval)water op vergelijkbare manier verzameld, geborgen en afgevoerd als in de huidige situatie. In het plangebied zal een gescheiden rioolstelsel worden aangelegd. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling van het wegensteunpunt Scharendijke.
4.8
Verkeer en parkeren
In het belang van goede ruimtelijke ordening moet er sprake zijn van een aanvaardbare afwikkeling van alle soorten verkeer. Daarbij worden alle verkeerskundige aspecten afgewogen en verkeerseffecten worden in beeld gebracht. Arcadis heeft deze verkeersintensiteiten in kaart gebracht doormiddel van een verkeerstoets, zie Bijlage 11. Huidige verkeerssituatie De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit het wegensteunpunt, inclusief een nooduitrit aan de zuidzijde van het perceel (in de richting van de buitenzijde van de Brouwersdam). De nooduitrit zal enkel fungeren als uitrit in de oostelijke richting. De realisatie van de nooduitrit aan de zuidzijde maakt dat het terrein beter bereikbaar wordt voor hulpdiensten. Indien een stremming zich voordoet op de Rampweg blijft het wegensteunpunt toegankelijk. Bij een stremming op de Brouwersdam buitenzijde is het wegensteunpunt bereikbaar via de Rampweg en de Kuijerdamseweg. De nooduitrit wordt voorzien van een toegangspoort welke oneigenlijk gebruik voorkomt. Het wegensteunpunt wordt ontsloten via de Rampweg en de Brouwersdam buitenzijde richting de Recreatieverdeelweg (N652) en de Brouwersdam (N57). De Rampweg is een erftoegangsweg (ETW) buiten de bebouwde kom waar een maximum snelheid van 60km/u geldt. De Brouwersdam buitenzijde is een gebiedsontsluitingsweg buiten de bebouwde kom, waar een maximumsnelheid van 80km/u geldt.
Op deze weg zijn (brom-)fietsers niet toegestaan. In de huidige situatie vinden naar inschatting 4.080 externe voertuigbewegingen per jaar (gemiddeld circa 11 motorvoertuigbewegingen per etmaal) plaats van en naar het wegensteunpunt. Een schematische weergave van de verkeerssituatie is weergegeven in figuur 11.
36
bestemmingsplan Wegensteunpunt Scharendijke (concept)
Figuur 11: toekomstige verkeerssituatie wegensteunpunt Scharendijke
Onderzoek verkeersstructuur Het onderzoek is uitgevoerd met behulp van modelplots van het Verkeersmodel Stromenkaart Zeeland 2015, inclusief de ontwikkeling van de Recreatieverdeelweg 3e fase en flankerende maatregelen Scharendijke en Kloosterweg 60km/u. Deze gegevens zijn aangepast naar de jaartallen 2022 en 2034. Rondom het onderzoeksgebied zijn er een achttal meetpunten aangemerkt. De verkeersintensiteiten voor alle meetlocaties zijn weergegeven in onderstaand tabel.
37
bestemmingsplan Wegensteunpunt Scharendijke (concept)
Tabel 8: verkeersintensiteiten
Onderzoek parkeren Voor het onderzoek naar de parkeerbehoefte is een aantal uitgangspunten gehanteerd, conform het parkeerbeleid van de gemeente Schouwen-Duiveland: Al het parkeren dient plaats te vinden op eigen terrein; De gemeente Schouwen-Duiveland is weinig stedelijk; Het wegensteunpunt ligt in het buitengebied; Voor de berekening van het benodigd aantal parkeerplekken is uitgegaan van het gemiddelde van de bandbreedten als aangegeven in CROW-publicatie 317; De aanlandplekken kennen een totaaloppervlakte van 16 m2. Op basis van deze uitgangspunten is een berekening uitgevoerd naar de benodigd aantal parkeerplekken, zie tabel 9. Uit de tabel blijkt dat er minimaal een parkeerplek gerealiseerd dient te worden om te voldoen aan het parkeerbeleid van de gemeente Schouwen-Duiveland. Rijkswaterstaat is voornemens om op het terrein 5 parkeerplekken te realiseren. Hiermee wordt ruim voldaan aan de gemeentelijke parkeernorm.
Tabel 9 berekening benodigde aantal parkeerplekken
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat door de voorgenomen ontwikkeling geen verandering plaatsvindt in de verkeersgeneraties. Daarnaast voldoet Rijkswaterstaat ruimschoots aan de parkeernormen van de gemeente Schouwen-Duiveland met de realisatie van vijf parkeerplaatsen. De voorgenomen ontwikkeling
38
bestemmingsplan Wegensteunpunt Scharendijke (concept)
draagt bij aan een goede ruimtelijke ordening met betrekking tot het thema verkeer.
4.9
Externe veiligheid
Ten behoeve van de vaststelling van het nieuwe bestemmingsplan is een quickscan externe veiligheid uitgevoerd (zie Bijlage 12). In deze quickscan zijn de risicobronnen in de omgeving van het wegensteunpunt Scharendijke in kaart gebracht en is de invloed van de toekomstige situatie op de externe veiligheidsrisico's ten opzichte van de invloed van de huidige situatie op de externe veiligheidsrisico's inzichtelijk gemaakt. Het beleid voor externe veiligheid betreft de risico's voor de directe omgeving van het wegensteunpunt Scharendijke in het geval er iets misgaat tijdens de productie, het behandelen of het vervoer van gevaarlijke stoffen. Deze risico's dienen beperkt te blijven. In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) is vastgelegd dat bij het vaststellen van een besluit, met betrekking op gronden in de omgeving van een basisnetroute ten aanzien van de nieuw te plaatsen kwetsbare objecten, de basisnetafstand in acht genomen dient te worden. Onderzoek Uit de quickscan blijkt dat de N57 de enige risicobron is wat betreft externe veiligheid in de omgeving van het wegensteunpunt Scharendijke. Specifiek worden over wegvak Ze11 (de N57 tussen de N215 en de N59) gevaarlijke stoffen vervoerd, waaronder brandbare gassen (stofcategorie CF3).
Volgens de handleiding risicoanalyse transport (HART) is Stofcategorie GF3 een groepsrisicobepalende stofcategorie met een invloedsgebied van 355 meter. WSP Scharendijke ligt in de toekomstige situatie binnen dit invloedsgebied. De basisnetroute en het WSP Scharendijke zijn bereikbaar voor hulpverleningsdiensten. Ook zijn vluchtroutes van wegvak Ze11 aanwezig en worden zelfs verbeterd met het herinrichten van WSP Scharendijke omdat er een nieuwe, tweede uitrit (calamiteitenontsluiting) wordt gerealiseerd. Voor wegvak Ze11 bestaat geen plasbrandaandachtsgebied (PAG) en hiermee dient dus geen rekening gehouden te worden. Daarnaast geldt dat in de toekomstige situatie de dichtheid van personen niet of nauwelijks gaat veranderen, zowel op het wegensteunpunt zelf als in de directe omgeving. Gelet op het groepsrisicio, gemeten in de te verwachten verandering in dichtheid van personen, zal conform artikel 8, lid 2 onder b van het Bevt de orientatiewaarde niet overschreden worden. De toename zal minder dan 10% bedragen. Conclusie Uit het onderzoek is gebleken dat de N57 de enige risicobron is in de directe omgeving van het wegensteunpunt. Op basis van de gegevens kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling niet of nauwelijks tot een toename van externe veiligheidsrisico's leidt. Daarmee is het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van het plan.
4.10
Niet Gesprongen Explosieven
Als onderdeel van onderhavig document is een vooronderzoek uitgevoerd naar de mogelijke aanwezigheid van niet gesprongen explosieven (hierna: NGE) op de locatie Scharendijke ten behoeve van het wegensteunpunt, zie Bijlage 13. Er is voor deze locatie reeds in 2015 een NGE onderzoek uitgevoerd, dit onderzoek is in 2021 aangevuld conform de aanvullende eisen van Rijkswaterstaat. Het onderzoek is opgesteld volgens het Werkveldspecifiek certificatieschema voor het Systeemcertificaat Opsporen Conventionele Explosieven (WSCS-OCE, versie 2016). Onderzoek Op basis van een analyse van de relevante bronnen wordt vastgesteld of binnen het onderzoeksgebied een aantoonbaar verhoogd risico bestaat op het aantreffen van NGE. Het onderzoek is uitgevoerd door een projectteam bestaande uit historici, een GIS-specialist en een senior OCE-deskundige. Door dit team is het historisch feitenmateriaal, onder andere literatuurstudie, archiefonderzoek en luchtfoto's gedetailleerd geanalyseerd. Op basis hiervan is vastgesteld of er sprake is van de vermoedelijke
39
bestemmingsplan Wegensteunpunt Scharendijke (concept)
aanwezigheid van explosieven. Conclusie en advisering Uit het onderzoek is gebleken dat er geen NGE worden verwacht binnen het plangebied. Er wordt geadviseerd om de werkzaamheden doorgang te laten vinden, zonder verdere maatregelen.
4.11
Kabels en leidingen
De bestaande kabels en leidingen worden ontkoppeld, opgegraven, verwijderd of verlegd. Voor de aanleg van kabels en leidingen wordt op het terrein een tracé ontworpen. De kabels en leidingen van Rijkswaterstaat worden zoals in de huidige situatie gehandhaafd, waarbij tijdens de uitvoering de verantwoordelijkheid bij de aannemer ligt. Daarnaast zijn er kabels en leidingen van derden waarover overleg is gevoerd met de netbeheerders: Het deel van de waterleiding van Evidens dat een raakvlak heeft met de voorgenomen bouwwerkzaamheden, wordt verder naar het zuiden geplaatst. Op de zuidzijde van het terrein wordt door Rijkswaterstaat een nieuwe meterput geplaatst, waarna de benodigde wateraansluitingen over het terrein worden aangesloten. Ten aanzien van Stedin hebben de werkzaamheden betrekking op laagspannings- en middenspanningskabels en gasleidingen. De bestaande laagspanningskabel komt te vervallen, aangezien er voor het wegensteunpunt een groter vermogen nodig is. In het zuiden van het terrein zal een netwerkstation geplaatst worden, waarna de benodigde aansluitingen verdeeld worden. De bestaande gasleiding van Stedin wordt verwijderd. Het vernieuwde wegensteunpunt zal volledig gasloos ontwikkeld worden. In opdracht van Rijkswaterstaat koppelt Delta de bestaande datakabel af bij het huidige kantoorgebouw en zal deze verlegd worden naar de nieuwe locatie.
In opdracht van Rijkswaterstaat koppelt KPN de bestaande datakabel af bij het huidige kantoorgebouw en zal deze verlegd worden naar de nieuwe locatie. Conclusie Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Ingeval van graafwerkzaamheden dient altijd een KLIC-melding te worden gedaan.
4.12
Asbest
4.12.1 Asbestonderzoek installaties Om de voorgenomen ontwikkeling van het Wegensteunpunt Scharendijke mogelijk te maken is het essentieel een inventarisatie rondom asbest uit te voeren. In 2016 is er voor de locatie van het wegensteunpunt Scharendijke een asbestonderzoek (type A, cofnorm SC-540) uitgevoerd door SGS Search Ingenieursbureau, zie Bijlage 14. Het asbestonderzoek heeft plaatsgevonden in het gebouw of gebouwonderdeel van het kantoor/werkplaats, ZL000364. Het doel van dit onderzoek is het inventariseren van alle direct waarneembare asbest, asbesthoudende producten, visueel verontreinigde materialen of visueel verontreinigde constructieonderdelen in een bouwwerk of object met gebruik van handgereedschap (met licht destructief onderzoek). In het onderzoek is een viertal installaties onderzocht. Het betreft twee CV-ketels, een boiler en een gasmeter. Derhalve is er geen destructief onderzoek verricht. Conclusie Uit het onderzoek blijkt dat er geen asbestverdachte toepassingen zijn aangetroffen. Op basis van deze constatering wordt een type B onderzoek niet noodzakelijk geacht.
40
bestemmingsplan Wegensteunpunt Scharendijke (concept)
4.12.2 Asbestonderzoek zoutloods In aanvulling op het eerdere asbestonderzoek is er in juli 2020 door SGS Search Ingenieursbureau een asbestinventarisatie uitgevoerd aan de zoutloods op de ontwikkelingslocatie in Scharendijke, zie Bijlage 15. Het doel van deze inventarisatie is het in kaart brengen van alle waarneembare asbestverdachte materialen. Tijdens de inventarisatie is het type en de hoedanigheid van het gevonden asbest bepaald, conform NEN 5896. De asbestinventarisatie is uitgevoerd voor de aanwezige bouwlaag van de zoutloods, inclusief het dak. Het asbest risico wordt uitgedrukt met behulp van de factoren die het risiconiveau zouden kunnen beïnvloeden. Bij analyse van de gevonden materialen wordt de detectiegrens van 0,1% w/w gehanteerd. Conclusie Bij de asbestinventarisatie zijn op drie locaties asbesthoudende en/of verdachte toepassingen aangetroffen. Op het dak zijn twee locaties aangetroffen waarbij er in de dakbedekking asbesthoudende bitumen kit geconstateerd is. De risicoklasse van het aangetroffen materiaal valt bij beide daklocaties in risicoklasse 2 met betrekking tot asbestsanering. Er wordt geadviseerd om het materiaal vóór de sloopof renovatiewerkzaamheden te saneren. Op dit moment is het materiaal niet beschadigd en de kans op emissie van asbestvezels is hierdoor gering.
Op de laatste locatie is er asbesthoudend materiaal geconstateerd tegen de betonnen wanden van de zoutloods. Na optische analyse blijkt dat het materiaal geen asbestvezels bevat in een percentage boven de eerder genoemde detectiegrens van 0,1% w/w. Er worden dus geen bijbehorende maatregelen aanbevolen.
4.13
Milieuzonering
Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de leefkwaliteit. Bedrijven/inrichtingen kunnen niet zomaar naast een gevoelige functie, zoals een woning, gerealiseerd worden. Ook andersom moet er zorgvuldig gemotiveerd worden dat een nieuwe woning bij bestaande bedrijven gerealiseerd kan worden. De hantering van milieucategorieën is ontleend aan de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009) van de VNG, verder te noemen het 'Groene boekje'. In de jurisprudentie is het Groene boekje aanvaard als een hulpmiddel bij het ontwerpen van een bestemmingsplan (zie bijvoorbeeld de uitspraak van AbRvS van 17 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1408). In het Groene boekje zijn algemeen voorkomende bedrijfstypen ondergebracht volgens de SBI van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Elk type bedrijf is op deze wijze voorzien van een SBI-Code. In het Groene boekje worden de bedrijfsactiviteiten, al naar gelang de te verwachten belasting voor het milieu, ingedeeld in een aantal categorieën. Voor de indeling in de categorieën worden de volgende ruimtelijk relevante milieuaspecten gebruikt: geur, stof, geluid en gevaar (met name brand- en explosiegevaar).
Voor het bepalen van de richtafstanden is het het verder van belang om te bepalen van wat voor een type gebied sprake is: een rustige woonwijk of een gemengd gebied. De term gemengd gebied moet overigens niet worden verward met de term 'gebied met functiemenging'. Het begrip 'gebied met functiemenging' wordt gehanteerd om aan te geven welke functies binnen een gebied met functiemenging onder welke voorwaarden toelaatbaar zijn, terwijl de term 'gemengd gebied' wordt gebruikt om, zoals gezegd, tot richtafstanden te komen. In de jurisprudentie zijn de nodige uitspraken gedaan wanneer een gebied als 'gemengd gebied' mag worden getypeerd (uitspraak AbRvS d.d. 15 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1181; uitspraak AbRvS d.d. 3 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:251; uitspraak AbRvS d.d. 28 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:665 en uitspraak AbRvS d.d. 3 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2216). Uit deze jurisprudentie blijkt dat er al snel sprake is van een gemengd gebied wanneer er meerdere functies voorkomen die enige impact hebben op de omgeving. Daarbij kunnen ook functies worden meegenomen die op enige afstand gelegen zijn of functies die planologisch mogelijk zijn en waarvan het in de lijn der verwachtingen ligt dat deze ook gerealiseerd gaan worden. Het is ook niet onjuist om een groter gebied bij de beoordeling te betrekken. Het projectgebied ligt aan de Autoweg N57. Verder wordt de directe
41
bestemmingsplan Wegensteunpunt Scharendijke (concept)
omgeving gekenmerkt door buitengebied, diverse recreatiebedrijven en één burgerwoning. Daarmee kan het gebied worden aangemerkt als een gemengd gebied en kunnen de richtafstanden met 1 afstandsstap worden teruggebracht. Wegensteunpunten van Rijkswaterstaat hebben geen specifieke code binnen de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’. Verwacht wordt dat, mede op basis van uitspraak 201208016/1/T1/R1 (rechtsoverweging 7.2) van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 mei 2013, de milieucategorie maximaal 3.1 bedraagt. Hierbij hoort een richtafstand van 50 meter tot een rustige woonwijk. Omdat er sprake is van gemengd gebied kan deze afstand worden verkleind naar 30 meter. Het wegensteunpunt is gelegen op een afstand van meer dan 50 meter uit het meest nabijgelegen recreatieterrein (kampeerterrein) en meer dan 150 meter uit de meest nabijgelegen burgerwoning. Hiermee wordt ruim voldaan aan de richtafstand. Conclusie Er bevinden zich geen gevoelige bestemmingen binnen de invloedssfeer vanwege het wegensteunpunt. Daarmee is het aspect milieuzonering geen belemmering voor de realisatie van het plan.
4.14
M.e.r-plichtig
Voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen is het van belang dat beargumenteerd wordt in hoeverre de voorgenomen ontwikkeling m.e.r.-plichtig is. Met een m.e.r (milieueffectrapportage) worden mogelijke nadelige gevolgen voor het milieu inzichtelijk gemaakt. Door een toetsing aan het Besluit m.e.r. wordt er getoetst in hoeverre een voorgenomen ontwikkeling m.e.r.-plichtig is. Binnen deze toetsing dienen een aantal afwegingen doorlopen te worden: Er dient inzichtelijk gemaakt te worden wat de effecten worden op milieuaspecten. Er dient sprake te zijn van een nieuwe stedelijke ontwikkeling Analyse Voor de voorgenomen ontwikkeling om het wegensteunpunt te Scharendijke te herontwikkelen is er geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met het werkzaamheden zal er geen toename gerealiseerd worden in het huidige bouwvlak. Daarnaast tonen de uitgevoerde onderzoeken uit Hoofdstuk 4 aan dat de voorgenomen ontwikkeling niet leidt tot negatieve gevolgen voor het milieu. Conclusie De doorlopen toetsing wijst uit dat de voorgenomen ontwikkeling niet m.e.r-plichtig bevonden is.
42
bestemmingsplan Wegensteunpunt Scharendijke (concept)
Hoofdstuk 5
5.1
Juridische planbeschrijving
Inleiding
Dit hoofdstuk behandelt de juridische planopzet van dit bestemmingsplan. Na een korte inleiding is in de volgende paragraaf de opzet van regels en verbeelding toegelicht. Paragraaf 5.3 bevat een korte toelichting per bestemming / regels. Het bestemmingsplan vindt zijn grondslag in de Wet ruimtelijke ordening. In artikel 3.1 van deze wet is bepaald dat de gemeenteraad het bestemmingsplan vaststelt. De uitvoering is een taak van burgemeester en wethouders. Ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening bestaat een bestemmingsplan uit (plan)regels en de verbeelding. Deze twee onderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden beschouwd. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting waarin de achtergronden en motivatie uiteen worden gezet. Het bestemmingsplan is een gemeentelijk instrument waarin regels zijn opgenomen voor het gebruik (in de ruime zin van het woord) van gronden en bouwwerken. Zowel de burger als de overheid moet zich houden aan het bestemmingsplan. Door middel van een bestemmingsplan kan een gemeente haar doelstellingen op ruimtelijk ordeningsgebied handen en voeten geven. Dit geschiedt door het leggen van bestemmingen en daarbij aan te geven wat wel en niet is toegestaan. Voorliggend bestemmingsplan is ontwikkelingsgericht: het maakt de realisatie van het nieuwe wegensteunpunt mogelijk.
5.2
Opzet regels en verbeelding
Op de verbeelding is de bestemming 'Verkeer - Wegensteunpunt' toegekend ten behoeve van de realisatie van het nieuwe wegensteunpunt. De bestemming is voorzien van bouwregels en gebruiksregels.
5.3
Toelichting op de bestemmingsregeling
In deze paragraaf is per artikel een korte toelichting / onderbouwing opgenomen over de essentie van het artikel. Hoofdstuk1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In dit artikel zijn de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd voor zover deze begrippen van het 'normale' spraakgebruik afwijken of een specifiek juridische betekenis hebben. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan zal moeten worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Artikel 2 Wijze van meten Het onderhavige artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden. Hoofdstuk2 Bestemmingsregels
43
bestemmingsplan Wegensteunpunt Scharendijke (concept)
Artikel 3 Verkeer - Wegensteunpunt Binnen deze bestemming zijn de gronden bestemd die de realisatie van het wegensteunpunt mogelijk maken. Ook de gebouwen ten behoeve van de vleermuizen zijn meegenomen. Voor al deze functies zijn maatvoeringsregels opgenomen. Hoofdstuk3 Algemene regels Artikel 4 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing. Artikel 5 Algemene gebruiksregels In de algemene gebruiksregels is aangegeven dat het verboden is om de gronden te gebruiken in strijd met het bestemmingsplan en welk gebruik in ieder geval strijdig is met het bestemmingsplan. Artikel 6 Overige regels Binnen dit artikel is aangegeven dat voor zover wordt verwezen naar wettelijke regels, bedoeld worden de regels zoals die luiden op het moment van vaststelling van het plan. Verder is in dit artikel de parkeerregeling opgenomen. Hoofdstuk4 Overgangs- en slotregels Artikel 7 Overgangsrecht Overgangsrecht bouwwerken Het overgangsrecht ten aanzien van bouwen is neergelegd in artikel 7.1. Uitbreiding van de bebouwing die onder het overgangsrecht valt is slechts mogelijk met een omgevingsvergunning voor afwijken van burgemeester en wethouders.
Overgangsrecht gebruik Artikel 7.2 betreft de overgangsbepaling met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken voor zover dat gebruik afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt. Artikel 8 Slotregel Dit artikel geeft aan onder welke naam dit plan kan worden aangehaald.
44
bestemmingsplan Wegensteunpunt Scharendijke (concept)
Hoofdstuk 6
6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
In het kader van de verhaalbaarheid door de gemeenteraad dient een exploitatieplan te worden vastgesteld als er gronden worden betrokken waarop een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is voorzien. In afwijking hierop kan de gemeenteraad bij een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd is. De gemeente Schouwen-Duiveland en Rijkswaterstaat sluiten voor vaststelling van het bestemmingsplan in de raad een anterieure overeenkomst. Hierin wordt overeengekomen dat verhaalbare kosten en eventuele planschade voor rekening zijn van Rijkswaterstaat. De ontwikkeling zal worden bekostigd en uitgevoerd door Rijkswaterstaat.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Om belanghebbenden actief te informeren zijn ten behoeve van het wegensteunpunt omwonenden en betrokkenen door middel van een informatiebrochure geïnformeerd over onderhavig voornemen. De informatiebrochure is toegestuurd naar alle adressen die zich binnen 500 meter van de voorgenomen ontwikkeling bevinden. Voortkomend uit dit informeren zijn er geen vragen binnengekomen. En ontwerp bestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 van de Awb gedurende zes weken ter inzage gelegd te worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het bestemmingsplan. Na vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad, wordt kennisgegeven van het vaststellingsbesluit. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking zes weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er voor belanghebbenden de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de terinzagelegging in werking. Indien er beroep wordt ingesteld, treedt het bestemmingsplan na afloop van de beroepstermijn in werking. Alleen indien er een verzoek om voorlopige voorziening is ingediend treedt het bestemmingsplan pas in werking indien het verzoek is afgewezen. De procedure eindigt (indien er beroep is ingesteld) met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
45
Arcadis Nederland B.V. www.arcadis.com