CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

2023 408 Bijlage 3 Toelichting bestemmingsplan Wegensteunpunt Scharendijke

Gemeenteraad 21 december 2023, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: Ingekomen stukken14.310 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan Wegensteunpunt Scharendijke Gemeente Schouwen-Duiveland

NL.IMRO.1676.WegensteunpuntScha-CO01 CONCEPT 21 november 2023

Contactpersoon T M E

Arcadis Nederland B.V.

bestemmingsplan Wegensteunpunt Scharendijke (concept)

Inhoudsopgave

Toelichting Hoofdstuk 1

5 Inleiding

5

1.1

Aanleiding

5

1.2

Planlocatie

5

1.3

Vigerende bestemmingsplan

6

1.4

Planopzet en leeswijzer

7

Hoofdstuk 2

Beschrijving van het plangebied

9

2.1

Huidige situatie

9

2.2

Toekomstige situatie

10

Hoofdstuk 3

Beleidskader

13

3.1

Rijksbeleid

13

3.2

Provinciaal beleid

17

3.3

Gemeentelijk beleid

19

Hoofdstuk 4

Milieu- en omgevingsaspecten

22

4.1

Archeologie

22

4.2

Ecologie

23

4.3

Stikstof

29

3

bestemmingsplan Wegensteunpunt Scharendijke (concept)

4.4

Bodem

31

4.5

Luchtkwaliteit

32

4.6

Geluid

34

4.7

Water

35

4.8

Verkeer en parkeren

36

4.9

Externe veiligheid

39

4.10 Niet Gesprongen Explosieven

39

4.11 Kabels en leidingen

40

4.12 Asbest

40

4.13 Milieuzonering

41

4.14 M.e.r-plichtig

42

Hoofdstuk 5

Juridische planbeschrijving

43

5.1

Inleiding

43

5.2

Opzet regels en verbeelding

43

5.3

Toelichting op de bestemmingsregeling

43

Hoofdstuk 6

Uitvoerbaarheid

45

6.1

Economische uitvoerbaarheid

45

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

45

4

bestemmingsplan Wegensteunpunt Scharendijke (concept)

Toelichting

Hoofdstuk 1

1.1

Inleiding

Aanleiding

Rijkswaterstaat, als beheerder van het nationale rijkswegennetwerk, is verantwoordelijk voor de vlotte en veilige doorstroming van het verkeer. Om de veiligheid van de weggebruikers te kunnen waarborgen, is Rijkswaterstaat op rijkswegen onder andere verantwoordelijk voor de gladheidbestrijding en incidentmanagement. Om dit proces uit te kunnen voeren en te ondersteunen, heeft Rijkswaterstaat complexen ontwikkeld waar zout opgeslagen ligt, materieel gestald staat en waar het personeel kan samenkomen. Deze complexen, wegensteunpunten, zijn op meerdere locaties door heel Nederland ontwikkeld. Ieder wegensteunpunt is verantwoordelijk voor een afgebakend deel van de rijkswegen, ook wel wegareaal genoemd. Veel wegensteunpunten zijn tientallen jaren geleden gerealiseerd. Tegenwoordig voldoen veel wegensteunpunten door technische verouderingen en veranderende wetgeving niet meer aan de huidige eisen. Daarnaast is gebleken dat door de uitbreiding van het wegareaal veel wegensteunpunten een te geringe capaciteit hebben voor zowel het opstallen van materieel als opslaan van zout. Deze veranderingen dragen eraan bij dat wegensteunpunten zowel kwalitatief als kwantitatief niet meer voldoende toereikend zijn.

Met het wegensteunpunten vernieuwingsprogramma is Rijkswaterstaat voornemens om bij verschillende wegensteunpunten de technische en functionele kwaliteit te verbeteren, om alsnog aan de huidige eisen te voldoen. Binnen het vernieuwingsprogramma gaat Rijkswaterstaat het bestaande wegensteunpunt Scharendijke aanpassen.

1.2

Planlocatie

De planlocatie is gelegen in Scharendijke in de gemeente Schouwen-Duiveland. De kadastrale aanduiding van het perceel is gemeente Middenschouwen, sectie F, nummer 765. De planlocatie is omgeven door een groene omgeving en wordt daarnaast omringd door enkele wegen. De planlocatie ligt aan de noordzijde direct aan de Rampweg, die tevens de toegangsweg naar de planlocatie is. Aan de west- en zuidzijde wordt de planlocatie geheel ontsloten door de Brouwersdam. Daarnaast ligt de planlocatie naast twee N-wegen, de N57 en de N652. De N57 bevindt zich aan de oostzijde van de planlocatie. Ten oosten en ten westen van de planlocatie zijn op enige afstand voorts recreatieterreinen gelegen. De dichtsbijzijnde woningen zijn op ruimte afstand van het plangebied gelegen. Een impressie van de huidige situatie van het plangebied is weergegeven in figuur 1.

5

bestemmingsplan Wegensteunpunt Scharendijke (concept)

Figuur 1: planlocatie

1.3

Vigerende bestemmingsplan

In de huidige situatie geldt voor het gehele plangebied een aantal bestemmingsplannen: Bestemmingsplan Buitengebied, vastgesteld op 26 maart 2009. Parapluplan Wonen, vastgesteld op 9 juli 2020 Parapluplan parkeernormen Schouwen-Duiveland, vastgesteld op 27 september 2018

6

bestemmingsplan Wegensteunpunt Scharendijke (concept)

Figuur 2: vigerend bestemmingsplan Buitengebied

1.4

Planopzet en leeswijzer

1.4.1

Planopzet

Het voorliggende bestemmingsplan bestaat formeel uit twee delen: een verbeelding, waarop de bestemming van het plangebied is weergegeven. Deze bestemming is gerelateerd aan de planregels. De planregels waarin het gebruik van de binnen het plangebied aangegeven gronden en bouwwerken juridisch is geregeld. Deze regels zijn conform de 'Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012' (SVBP2021) zoveel mogelijk gestandaardiseerd (o.a. volgorde, indeling, benaming, begripsbepalingen, overdrachtsbepalingen en de slotbepaling). Deze twee onderdelen dienen in samenhang te worden bekeken en zijn juridisch bindend. Het bestemmingsplan gaat vergezeld met een toelichting waarin de aan het plan ten grondslag liggende gedachten en de verantwoording als bedoeld in artikel 3.1.6 Bro zijn opgenomen.

7

bestemmingsplan Wegensteunpunt Scharendijke (concept)

1.4.2

Leeswijzer

Hoofdstuk 2 bedrijft het plangebied van het wegensteunpunt Scharendijke en geeft daarbij een beschrijving van de toekomstige situatie. Hoofdstuk 3 beschrijft, voor zover relevant, in hoofdlijnen de beleidsdocumenten die door de te onderscheiden overheden zijn gepubliceerd. Deze documenten vormen het planologisch kader van zowel rijks-, provinciaal, regionaal als gemeentelijk niveau voor onderhavig bestemmingsplan. In hoofdstuk 4 wordt op diverse milieu- en omgevingsaspecten ingegaan. Hoofdstuk 5 gaat in op de juridische regeling van het bestemmingsplan en in hoofdstuk 6 worden zowel de economische als maatschappelijke uitvoerbaarheid beschreven.

8

bestemmingsplan Wegensteunpunt Scharendijke (concept)

Hoofdstuk 2

2.1

Beschrijving van het plangebied

Huidige situatie

Het terrein is al sinds 1975 in gebruik als wegensteunpunt. Het wegensteunpunt heeft een totale oppervlakte van 28.000 m2. In de huidige situatie bestaat het wegensteunpunt voor het grootste gedeelte uit asfaltverharding (ca. 4700 m2) en gebakken klinkers (ca. 800 m2). Daarnaast zijn er nog betonverhardingen en betonstraatstenen aanwezig. Het terrein is omheind door middel van een rasterhekwerk en enkele lichtmasten. Het terrein is te bereiken via de toegangspoort aan de Rampweg. Achter het hekwerk is zowel een groenzone als een watergang aanwezig.

Figuur 3: huidige situatie

Op het terrein van het wegensteunpunt zijn in de huidige situatie enkele gebouwen gelegen. Er is sprake van een dienstgebouw met een werkplaats, een zoutloods inclusief overdekte stallingen aan beide zijdes en enkele losstaande stalen overkappingen, waaronder materiaal is gestald. Tevens staat er in het noordoosten van het terrein een wifi-mast, inclusief een bijbehorend gebouw (waarnaast momenteel figuren 4 en 5.

9

bestemmingsplan Wegensteunpunt Scharendijke (concept)

Afbeelding 4: huidig terrein met aan de rechterkant de stalen overkappingen

Afbeelding 5: huidige zoutloods met overkapping

2.2

Toekomstige situatie

In de toekomstige situatie worden op deze locatie een nieuwe zoutloods, stallingsgebouw en dienstgebouw gerealiseerd. Alle nieuwe te bouwen gebouwen zullen uit één bouwlaag staan en vrijwel geheel aan elkaar geprojecteerd. Het totale grondvlak van de nieuwe gebouwen valt binnen een footprint, met de grootste afmetingen van ca. 100 x 35 m2. Het begane grondpeil van de nieuwbouw bedraagt ca. 1,15 m+ NAP. Voordat deze nieuwe gebouwen worden gebouwd, zullen eerst de huidige gebouwen geheel gesloopt worden. Waar mogelijk zullen enkele elementen worden hergebruikt. De voorgenomen terreininrichting is tot stand gekomen door middel van een variantenstudie, waarbij verschillende varianten ontwikkeld zijn op basis van onderstaande uitgangspunten: De huidige toegangsweg is 5 meter breed en deze wordt middels het aanbrengen van grasbetontegels verbreed naar 6 meter; De rijbanen op het terrein zijn minimaal 5 meter breed; Alle rijbanen hebben een vrije ruimte van 6 meter; De manoeuvreerruimte naast het stallingsbouw is 17 meter breed; De manoeuvreerruimte voor de zoutloodsen is 15 meter breed; Laad- en losruimte voor de zoutloodsen is 15 meter breed; Nabij het dienstgebouw dienen minimaal 5 parkeerplaatsen gerealiseerd te worden, met een afmeting van 3 x 6 meter per parkeerplaats.

10

bestemmingsplan Wegensteunpunt Scharendijke (concept)

Op basis van deze uitgangspunten is er uiteindelijk voor gekozen om de nieuwe gebouwen in het midden van het terrein te ontwikkelen, om op deze manier het terrein zo optimaal mogelijk te benutten. Bij deze indeling is de mogelijkheid gecreëerd om de logistieke afwikkeling aan de buitenzijde van het terrein plaats te laten vinden. Tevens zal aan de zuidzijde van het wegensteunpunt een calamiteitenuitgang aangelegd worden, waarbij het verkeer in oostelijke richting wordt gestuurd. De calamiteitenuitgang wordt voorzien van een afgesloten hekwerk met poort. Overige verhardingen worden op het wegensteunpunt aangebracht en/of hergebruikt. Op dit moment is het nog niet duidelijk wat de kwaliteit is van de huidige verharding en fundering en welke mogelijkheden er zijn om de huidige constructie te hergebruiken. De definitieve opbouw van de toekomstige wegconstructie wordt in de vervolgfase beoordeeld en verder uitgewerkt. In figuur 6 is de gehele toekomstige terreininrichting weergegeven. Als onderdeel van het plan wordt er een vleermuizenbouwwerk ten noorden van de gebouwen gerealiseerd, direct naast de toegangsweg. Op het moment van schrijven is de definitieve inpassing nog niet bekend.

11

bestemmingsplan Wegensteunpunt Scharendijke (concept)

Figuur 6: toekomstige terreininrichting

12

bestemmingsplan Wegensteunpunt Scharendijke (concept)

Hoofdstuk 3

Beleidskader

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie (2020)

Op 11 september 2020 is, als opvolger van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De Nationale Omgevingsvisie brengt middels een toekomstperspectief op 2050 de langetermijnvisie van het Rijk op de inrichting en ontwikkeling van de Nederlandse leefomgeving in beeld. Met de NOVI kan het Rijk inspelen op de grote uitdagingen die er voor Nederland liggen. Steden die groeien en veranderen, het aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering en de overgang naar een duurzame en circulaire economie; diverse trends en ontwikkelingen hebben invloed op onze leefomgeving. Deze trends en ontwikkelingen bieden kansen, maar vragen ook zorgvuldig te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden, want zowel de boven- als ondergrondse ruimte is een schaars goed. De NOVI geeft richting en helpt om deze keuzes te maken. In Nederland zijn er een aantal dringende maatschappelijke opgaven, die niet apart van elkaar kunnen worden opgelost, maar in samenhang bekeken moeten worden. Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving van Nederland. De Nationale Omgevingsvisie richt zich daarbij op vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.

Ruimte maken voor klimaatverandering en energietransitie. De economie van Nederland verduurzamen en het groeipotentieel behouden. Steden en regio's sterker en leefbaarder maken. Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen.

ad 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland is in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust. Het land moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering, zoals zeespiegelstijging, wateroverlast, hogere rivierafvoeren en langere perioden van droogte. Om in te spelen op deze gevolgen van klimaatverandering, is er vraag naar maatregelen in de leefomgeving, bijvoorbeeld voldoende ruimte en groen voor wateropslag in onze steden. Door hierop in te zetten, biedt het kansen voor de natuur, maar verbeterd het ook tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit. Daarnaast heeft Nederland in 2050 een duurzame energievoorziening. Deze energievoorziening vraagt ruimte, voor onder andere zonnepanelen en windturbines. Het Rijk zet zich ook in voor het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. ad 2. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een circulaire, duurzame, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050, waarmee het zijn positie kan handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Hiervoor is een goede verbinding via weg, lucht, spoor, water, digitale netwerken en een nauwe samenwerking met internationale partners nodig.

Het Rijk zet in op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life: een leefomgeving die de inwoners volop voorzieningen biedt op het gebied van bewegen, wonen, recreëren, ontspannen en ontmoeten. Hierbij is het belangrijk dat de Nederlandse economie, duurzaam, concurrerend en circulair wordt, oftewel toekomstbestendig. Het Rijk zet daarbij in op het gebruik van duurzame energiebronnen en op de verandering van productieprocessen, zodat Nederland niet langer afhankelijk is van eindige, fossiele bronnen. ad 3. Onze steden en regio's leefbaarder maken Nederland versterkt het Stedelijk Netwerk Nederland en is deze verder aan het uitbreiden, waarbij de richting van verstedelijking wordt gekoppeld aan die van de ontwikkeling van (OV-) infrastructuur. Wonen en werken worden zoveel mogelijk in elkaars nabijheid ontwikkeld in de regio's waar de vraag is. Goede

13

bestemmingsplan Wegensteunpunt Scharendijke (concept)

verbindingen tussen de stedelijke regio's zijn nodig om het netwerk als geheel te benutten. Door het Rijk wordt een integrale verstedelijkingsstrategie voor duurzame stedelijke ontwikkeling gehanteerd, waarbij verstedelijking geconcentreerd plaatsvindt in de regio. Bij de invulling van integrale verstedelijkingsstrategieën op regionale schaal wordt ingezet op een voorkeursvolgorde voor de ontwikkeling van nieuwe woon- en werklocaties. Deze volgorde wordt ook gehanteerd als groei in niet stedelijk gebied moet plaatvinden. Het Rijk richt de leefomgeving zo in dat deze een actieve, gezonde leefstijl en maatschappelijke participatie bevordert en het aanbod en de kwaliteit van groen in de stad versterkt. Daarbij worden regio's en steden klimaatbestendig ingericht. ad 4. Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen Nederland zet in op het verbeteren van de balans tussen de kwaliteit van landschap en landgebruik, water, lucht en bodem. Dit betekent dat ontwikkelingen in het landelijk gebied niet ten koste gaan van landschappelijke kwaliteiten en dat landgebruik in balans wordt gebracht met natuurlijke systemen. Het landgebruik dient meer afgestemd te worden op zoetwatergebruik- en beschikbaarheid. Door een voorkeursvolgorde regionaal waterbeheer wordt ingezet op het voorkomen van tekorten en wateroverlast.

Het Rijk maakt een vitaal en duurzaam voedsel- en landbouwsysteem mogelijk, dat zich baseert op natuurinclusiviteit en kringlopen. De biodiversiteit wordt versterkt en beschermd en het natuurlijke kapitaal wordt op een duurzame wijze benut. Het Rijk zet hierbij in op het beschermen en versterken van de unieke landschappelijke kwaliteiten. Nieuwe ontwikkelingen in het landelijk gebieden voegen kwaliteiten toe aan het landschap, waarbij het omgevingsbeleid landschapsinclusief wordt. Om beleidskeuzes op een voorspelbare en heldere wijze te maken, worden er door de NOVI drie afwegingsprincipes gehanteerd, die helpen bij het prioriteren van de diverse opgaven en belangen: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Afwentelen wordt voorkomen.

Figuur 7: afwegen met de NOVI

De uitvoering van de NOVI vraagt om nieuwe manieren van samenwerken met blijvende, brede, maatschappelijke betrokkenheid en inzet van overheden. Hierbij hanteert het NOVI vier uitgangspunten: We werken als één overheid, samen met de samenleving. We stellen de opgave(n) centraal. We werken gebiedsgericht. We werken permanent en adaptief aan de opgaven. Relatie met het voorliggend plan Het Rijk richt zich op het verbeteren van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker centraal staat. Om dit te bewerkstellen dient er geïnvesteerd te worden in de ontwikkeling van netwerken, waarbij onderhoud essentieel is. Het wegensteunpunt in Scharendijke heeft op dit moment door technische veroudering een te geringe capaciteit om bereikbaarheid en verkeersveiligheid voldoende te bieden.

14

bestemmingsplan Wegensteunpunt Scharendijke (concept)

Specifieke uitspraken over het wegensteunpunt in Scharendijke zijn niet in de NOVI opgenomen. Het wegensteunpunt is eigendom van Rijkswaterstaat, waardoor er zowel een provinciaal als lokaal belang is. Een vernieuwing van het wegensteunpunt in Scharendijke leidt tot een verbetering van de bereikbaarheid en verkeersveiligheid en past daarmee binnen de gestelde doelen van de NOVI. Het bepaalde in dit bestemmingsplan is daarmee in lijn met het gestelde in de structuurvisie.

3.1.2

Duurzaam Veilig Wegverkeer 2018 - 2030 (DV3)

In de Visie Duurzaam Veilig Wegverkeer wordt door vele verkeersveiligheidsprofessionals gedeeld wat de optimale aanpak zou zijn om de verkeersveiligheid in Nederland te verbeteren. De Visie Duurzaam Veilig Wegverkeer schetst hoe er naar een veilige toekomst op de weg toegewerkt kan worden. Door veranderingen in zowel de maatschappij als de verkeerssystemen is een optimale aanpak belangrijker dan ooit. DV3 maakt gebruik van nieuwe kansen en spoort tegelijkertijd aan om, waar relevant, te kijken hoe reeds ingezette, effectieve maar nog onvoltooide maatregelen verder kunnen worden afgemaakt. Het uiteindelijke doel van DV3 is om uiteindelijk tot een verkeersslachtoffervrij verkeerssysteem te komen. Dit doel zal bereikt worden aan de hand van vijf verkeersveiligheidsprincipes. 1. Functionaliteit van wegen; 2. (Bio)mechanica: afstemming van snelheid, richting, massa, afmetingen en bescherming van de verkeersdeelnemer; 3. Psychologica: afstemming van de verkeersomgeving en competenties van verkeersdeelnemers; 4. Effectief belegde verantwoordelijkheid; 5. Leren en innoveren in het verkeerssysteem.

Om naar deze verkeersveiligheidsprincipes toe te werken, wordt er een gefaseerde benadering gevolgd: Elimineren: idealiter worden gevaarlijke situaties fysiek onmogelijk gemaakt zodat mensen niet met deze situatie in aanraking komen; Minimaliseren: keuzen voor gevaarlijke situaties of vervoerswijzen worden onaantrekkelijk gemaakt, zodat mensen zo min mogelijk aan de risico's worden blootgesteld; Mitigeren: daar waar mensen zich blootstellen aan risico's, worden de consequenties hiervan zo klein mogelijk gemaakt door gerichte maatregelen. Relatie met het voorliggend plan Bij voorliggend bestemmingsplan is rekening gehouden met de verkeersveiligheidsprincipes zoals deze centraal staan in het DV3.

3.1.3

Strategisch Plan Verkeersveiligheid 2030 - veilig van deur tot deur

Het Rijk, de provincies, de gemeenten en de vervoersregio's hebben samen met maatschappelijke partijen een nieuwe aanpak bedacht en beschreven om de verkeersveiligheid structureel te kunnen verbeteren. Het aantal verkeersslachtoffers neemt de laatste jaren toe en een daling van het aantal verkeersdoden is niet meer vanzelfsprekend. Beleid en maatregelen uit het verleden hebben tot vele successen geleid en het aantal verkeersslachtoffers sterk verlaagd. Maar in die toekomst heeft het Strategisch Plan Verkeersveiligheid (hierna: SPV) de ambitie om dit aantal terug te dringen naar nul verkeersslachtoffers. Om de bestaande risico's te verkleinen dient verkeersveiligheidsbeleid een impuls te krijgen waar het gaat om structurele aandacht, een proactief beleid en een brede samenwerking met partijen. De opkomst van nieuwe manieren waarop mensen zich verplaatsen, de opkomst van sociale media in het verkeer en de toenemende technologie brengen nieuwe vraagstukken met zich mee. Enerzijds kan dit leiden tot nieuwe verkeersveiligheidsrisico's, anderzijds ook tot nieuwe kansen om de veiligheid te verbeteren. Het SPV heeft aan de hand van negen thema's onderzocht hoe deze verkeersveiligheid verbeterd kan worden. Hierin bevat ieder thema oplossingsrichtingen voor de verschillende risico's voor de verkeersveiligheid.

15

bestemmingsplan Wegensteunpunt Scharendijke (concept)

Hoewel het SPV 2030 geen concrete afspraken maakt, worden er in samenwerking met overheden wel vijf hoofddoeleinden opgesteld: 1. Meer structurele aandacht voor verkeersveiligheid. 2. Meer verbondenheid en samenwerking. 3. Risicogestuurd beleid door analyse van de grootste risico's. 4. Risicogestuurd werken bevordert integraliteit in verkeersveiligheidsbeleid. 5. Monitoren en bijsturen van de uitvoering door nieuwe governancestructuur. Concrete maatregelen zullen worden opgenomen in landelijke en regionale uitvoeringsplannen. Relatie met het voorliggend plan Het voorliggende bestemmingsplan voor de vernieuwing van het wegensteunpunt kan als uitwerking gezien worden van onder andere dit SPV. 3.1.4 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) /Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) De nationale belangen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte die juridische borging vragen, zijn opgenomen in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). De AMvB is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en provinciale inpassingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf. Met het Barro geeft het Rijk aan dat ingezet wordt op zuinig ruimtegebruik, bescherming van kwetsbare gebieden en bescherming van het land tegen overstroming en wateroverlast.

In het Barro staat aan welke regels (rijksbelangen) de gemeenten en provincies zich moeten houden, bijvoorbeeld bij het opstellen van een bestemmingsplan. In het verlengde van het Barro is ook de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) van kracht. In het Rarro valt het terrein van het wegensteunpunt binnen de aanduiding 'zend- en ontvangstinstallaties buiten militair luchtvaartterrein' (kaart 5 van het Rarro). Hiervoor geldt volgens artikel 2.6.8, tweede lid van het Rarro het volgende: "De eerstvolgende herziening van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een bouwbeperkingengebied rondom een zend- en ontvangstinstallatie buiten een militair luchtvaartterrein, worden geen bestemmingen opgenomen die een wijziging bewerkstelligen die het oprichten van bouwwerken hoger dan 22 meter gemeten vanaf het maaiveld mogelijk maken."

16

bestemmingsplan Wegensteunpunt Scharendijke (concept)

Figuur 8: Uitsnede kaart 5 Rarro, aanduiding zend- en ontvangstinstallaties buiten militair luchtvaartterrein (grijs gekleurde cirkel)

Relatie met het voorliggend plan Onderhavig plan maakt geen nieuwe ontwikkeling mogelijk waarbij nationale belangen, waaronder het belang van de aanwezige zend-/ontvangstinstallatie, gemoeid zijn. Het Barro en Rarro hebben dan ook geen invloed op dit bestemmingsplan.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Zeeuwse Omgevingsvisie 2021

De Zeeuwse Omgevingsvisie fungeert als de leidraard voor de opgestelde ambities van de provincie Zeeland om de kwaliteiten van Zeeland in de toekomst te versterken. De Zeeuwse Omgevingsvisie is vastgesteld op 12 november 2021 en bevat de belangrijkste ambities voor zowel 2030 als 2050. In de Omgevingsvisie staat een viertal ambities centraal. Uitstekend wonen en leven in Zeeland De bevolkingssamenstelling begint steeds meer te veranderen, waarbij naar verwachting het bevolkingsaantal zal toenemen. Om de bevolkingsgroei aan te kunnen, heeft de provincie Zeeland aangegeven dat er in 2050 voor iedereen een passende woning beschikbaar moet zijn. Dit vraagt niet alleen om een vergroting van de woningvoorraad, maar ook om een opwaardering van het huidige aanbod. Daarbij dient aandacht besteed te worden aan een gezonde leefomgeving (zoals meer groene openbare ruimte en voldoende aanbod van voorzieningen) en de bereikbaarheid en toegankelijkheid van voorzieningen.

17

bestemmingsplan Wegensteunpunt Scharendijke (concept)

Balans in de grote wateren en het landelijk gebied De provincie Zeeland streeft ernaar om in 2050 de bodem- en waterkwaliteit zo robuust en hoogwaardig mogelijk te maken. Gelet op de bodem dient er meer aandacht besteedt te worden aan de verbetering van de bodemstructuur en bodemvruchtbaarheid, en de betere mogelijkheden voor onderzoek Tevens dient ook de biodiversiteit, in zowel grote wateren als landelijke gebieden, hersteld te worden. De provincie Zeeland hecht veel waarde aan de instandhouding van soorten en habitats in het waardevolle landschap. Dit betekent dat er meer een vervlechting van natuur moet plaatsvinden, waarbij 'donkergroene' natuur binnen het natuurnetwerk geleidelijk overgaat in 'lichtgroene natuur'. Daarnaast wordt de kwaliteit van oppervlakte- en grondwater stapsgewijs verbeterd om te voldoen aan de Europese KRW-normen. Een duurzame en innovatieve economie In 2050 wil de provincie Zeeland een zo circulair mogelijke economie hebben. Grondstoffen dienen zoveel mogelijk van groene herkomst te zijn en daarnaast zoveel mogelijk herbruikt te worden. Het is belangrijk dat er ingegaan wordt op de specifieke kansen die er voor deze verduurzaming ontstaan. De provincie Zeeland wil in ieder geval het vestigingsklimaat zo aantrekkelijk mogelijk maken, door bijvoorbeeld regionale samenwerkingen aan te gaan.

Hierbij is het ook belangrijk dat de bereikbaarheid geoptimaliseerd wordt, in zowel de inrichtings als de verkeersveiligheid. De provincie Zeeland streeft ernaar om de infrastructuur zo robuust en betrouwbaar mogelijk te ontwikkelen. Verstoringen dienen zoveel mogelijk beperkt te blijven. Klimaatbestendigen CO2-neutraalZeeland Tot slot heeft de provincie de ambitie uitgesproken om Zeeland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust te ontwikkelen, om zo aan te sluiten op het ondertekende convenant Klimaatadaptatie Zeeland. Om dit te bereiken is er een transitie in de energievoorziening nodig. Er is meer opwekking van hernieuwbare energie nodig, vastgoed dient aangepast te worden en er dienen afspraken gemaakt te worden over mogelijke CO2-reductie van sectoren als landbouw en industrie. Relatie met het voorliggend plan De voorgenomen ontwikkeling heeft voornamelijk een raakvlak met de derde ambitie, een duurzame en innovatieve economie. Om dit doel te bereiken dient de bereikbaarheid en de daarbij behorende verkeersveiligheid gewaarborgd te worden. De herontwikkeling van het wegensteunpunt zorgt ervoor dat de verkeersveiligheid van de aansluitende Rijkswegen verbeterd wordt. Hiermee sluit de voorgenomen ontwikkeling aan op de Zeeuwse Omgevingsvisie. 3.2.2

Omgevingsverordening Zeeland 2018

De Omgevingsverordening wordt door de provincie Zeeland ingezet voor onderwerpen waarvoor de provincie waarde hecht aan de doorwerking van het beleid van het Omgevingsplan juridisch gewaarborgd wordt. De Omgevingsverordening ziet toe op onderwerpen op het gebied van mobiliteit, milieu, natuur, water en bodem. De Omgevingsverordening is vastgesteld op 21 september 2018, als opvolger van het Omgevingsplan Zeeland 2012 - 2018. De verordening blijft gelden tot het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet. In de Omgevingsverordening heeft de provincie regels opgesteld die betrekking hebben op de openbare wegen, betreffende het onderhoud en beheer van wegen. In artikel 5.3 wordt aangegeven dat de provincie een onderhoudsplicht kent, wettelijk geregeld in de Wetenwet, de Wet herverdeling wegenbeheer en de Wet inrichting landelijk gebied. Relatie met het voorliggend plan Met de voorgenomen herontwikkeling van het huidige wegensteunpunt is er sprake van een verbetering van onderhoudsmogelijkheden op openbare wegen. De voorgenomen ontwikkeling past vanuit dat inzicht binnen de Omgevingsverordening Zeeland 2018.

18

bestemmingsplan Wegensteunpunt Scharendijke (concept)

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Structuurvisie Brouwersdam-Zuid

De structuurvisie Brouwersdam-Zuid is vastgesteld op 16 april 2016. Het plangebied van de structuurvisie betreft het gebied rondom de Brouwersdam (voor zover gelegen binnen de gemeente Schouwen - Duiveland). De structuurvisie heeft betrekking op (fysieke) ontwikkelingen op de Brouwersdam voor de komende 20 jaar. De gemeente legt in de Structuurvisie haar ruimtelijke voornemens vast en maakt daarbij bekend hoe zij om wil gaan met ruimteclaims, ruimtelijke ontwikkelingen en welke ontwikkelingen niet gewenst zijn. De Structuurvisie is voor de gemeente het beleids- en beoordelingskader en inzetbaar als bestuurlijk uitvoeringsinstrument. In de Structuurvisie zijn vijf leidende ambities uiteengezet, op basis van de langebenadering. In de lagenbenadering is het centrale uitgangspunt dat diverse ontwikkelingen een plek moeten krijgen binnen Brouwesdam-Zuid.

Figuur 9: schematische weergave van de lagenbenadering

Natuurontwikkeling en water De gemeente is van mening dat natuurontwikkeling, zoals beoogd met de natuurdoeltypen Natura 2000, een positieve bijdrage geeft aan de kwaliteit van het gebied. Er dient ten alle tijden een balans te zijn tussen nieuwe ontwikkelingen en het behoud van bestaande ecosystemen. Mitigerende maatregelen dienen ervoor te zorgen dat natuurontwikkeling goed in samenhang plaatsvindt met de ontwikkeling van voorzieningen. Door duurzaam met natuur en water om te gaan en dit ook zichtbaar te maken, stijgt de belevingswaarde voor de bezoekers van het gebied. Het gebied Brouwersdam-Zuid kan zich hiermee verder profileren en het gebied kan hiermee ook op langere termijn aantrekkelijk blijven voor bezoekers. Herkenbare landschapsstructurenen ruimtelijke kwaliteit De aantrekkelijkheid van het gebied moet in de toekomst behouden en waar mogelijk versterkt worden. De gemeente wil enerzijds de kwaliteit van landschapsstructuren zelf versterken en anderzijds de diversiteit in het gebied Brouwersdam-Zuid behouden en waar mogelijk verder aanzetten. Hierbij gaat de aandacht met name uit naar de historische geleding van het landschap. Om de kwaliteit van het landschap te versterken, stelt de gemeente (landschappelijke) inpassingsvoorwaarden aan nieuwe ontwikkelingen.

De gemeente stelt dat de ruimtelijke inpassing van de initiatieven moet aansluiten bij de landschappelijke karakteristieken in de omgeving. De gemeente heeft enkele landschapsstructuren opgenomen die belangrijk zijn in deze ambitie, zoals strandopgangen, verbindingen tussen deelgebieden en toegangswegen tot de eilanden. Passendeontsluiting op (inter)regionaal en lokaal niveau Een (recreatief) aantrekkelijke Brouwersdam-Zuid kan alleen tot stand komen, indien de verkeersverbindingen tussen de toeristisch-recreatieve producten en publieke voorzieningen voldoende aanwezig, aantrekkelijk en veilig zijn. Er dient zorg gedragen te worden aan de kwaliteit van goede en verkeersveilige ontsluitingen, zoals bijvoorbeeld de N57. De gemeente heeft aangegeven dat er geen knelpunten mogen ontstaan ten aanzien van de bereikbaarheid van het gebied, zowel op de wegen als

19

bestemmingsplan Wegensteunpunt Scharendijke (concept)

in de vaarverbindingen. Op deze manier probeert de gemeente een aantrekkelijk toeristisch-recreatief aanbod te realiseren en behouden, met infrastructuur op niveau. Toeristischehotspot Aansluitend op bovenstaande ambities, is de ambitie gesteld om het gebied rondom de Brouwersdam te ontwikkelen tot een hoogwaardig toeristische trekpleister. De Structuurvisie geeft richting aan de ontwikkeling van Brouwersdam-Zuid tot een jaarrond en klokrond toeristische hotspot, door verbreding in functies en met behoud van de omgevingskwaliteiten. Nieuwe recreatieve ontwikkelingen moeten bijdragen aan kwaliteitsverbetering en productdifferentiatie van het recreatieve product en aan de ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit. Duurzaamheid De gemeente wil niet alleen de omgevingskwaliteiten van Brouwersdam-Zuid behouden en versterken, maar stelt een hoge duurzaamheidsambitie. Het Gebied van Schouwen- Duiveland biedt verschillende mogelijkheden voor duurzame energie-opwekking. De gemeente draagt met verschillende projecten op het gebied van grootschalige windenergieparken bij aan de Zeeuwse taakstelling. Ook de beleving van toegepaste duurzaamheidsconcepten heeft een belangrijke toegevoegde waarde in het gebied. Daarbij wordt gedacht aan bijvoorbeeld beleving en informatievoorziening over innovatieve concepten die betrekking hebben op duurzaamheid.

Relatie met het voorliggend plan De voorgenomen ontwikkeling sluit aan op de derde ambitie die gesteld wordt in de Omgevingsvisie; een passende onsluiting op (inter)regionaal en lokaal niveau. Het plan sluit aan bij de doelstelling van de gemeente om betere verbindingen te realiseren. Met de herontwikkeling van het wegensteunpunt wordt de vlotte en veilige doorstroming van het verkeer bevorderd. Het wegensteunpunt dat gegeld wordt met dit nieuwe bestemmingsplan sluit aan bij dit beleid.

3.3.2

Coalitieakkoord Schouwen-Duiveland

In het coalititeakkoord "Samen koers houden" van coalitiepartijen SGP, CDA, Leefbaar Schouwen-Duiveland en Groenlinks zijn aan de hand vier thema's op hoofdlijnen geformuleerd. Ten aanzien van verkeer is bereikbaarheid voor inwoners en bedrijven cruciaal. De coalitie wil inzetten op een betere bereikbaarheid van de gemeente en een betere doorstroming binnen de gemeentegrenzen. Parallel daaraan wordt er aandacht besteed aan onderhoudsplanningen en verkeersveiligheid. Relatie met voorliggend plan De voorgenomen ontwikkeling is in lijn met deze ambitie uit het coalitieakkoord. Het wegensteunpunt fungeert ter bestrijding van gladheid op de wegen om de veiligheid en doorstroming van het verkeer te bevorderen. Daarin draagt het voornemen bij aan goede, betrouwbare en met name veilige wegen.

3.3.3

Programmabegroting Schouwen-Duiveland 2020 - 2023

De gemeente Schouwen-Duiveland heeft in 2020, aan de hand van verschillende programma's, een uitwerking ontwikkeld voor de toekomstige ambities van de gemeente. De programmabegroting creëert een evenwicht in de begroting, waarbij tevens gekeken is naar planningen en capaciteiten. De gemeente heeft als belangrijke ambitie gesteld om een verbetering door te voeren op de eilandelijke wegen N57 en N59. De gemeente wil inzetten op een beter en veiliger netwerk voor alle weggebruikers, waaronder zowel landbouw- als goederenverkeer. Om dit te kunnen bewerkstelligen zijn er, volgens de programmabegroting, aanpassingen nodig aan de wegen N57 en N59. Relatie met voorliggend plan

20

bestemmingsplan Wegensteunpunt Scharendijke (concept)

Voorliggend bestemmingsplan ten behoeve van de ontwikkelingen van het wegensteunpunt verhoogt de verkeersveiligheid en bereikbaarheid, waarmee de voorgenomen ontwikkeling bijdraagt aan de betrouwbaarheid van het verkeerssysteem en daarmee niet strijdig is met de programmabegroting 2020 - 2023. 3.3.4

Integraal verkeer- en vervoerplan Schouwen-Duiveland (IVVP 2017)

In het verkeer- en vervoerplan (IVVP) heeft de gemeente Schouwen-Duiveland, samen met andere overheden en diverse stakeholders, de eerste stap gezet om de ambities wat betreft verkeer te concretiseren. Tevens worden landelijke en regionale afspraken op het gebied van verkeer en vervoer doorvertaald naar het schaalniveau van de gemeente. Op hoofdlijnen is vastgelegd welke doelen er met het verkeer- en vervoerbeleid bereikt worden, waarbij enkele deelstudies nog een vervolg moeten krijgen. Het IVVP kent geen einddatum, aangezien het een dynamisch plan is dat wordt bijgesteld op basis van monitoring. Zonder tussentijdse bijstelling kan aangenomen worden dat de maximale bruikbaarheidsperiode 10 jaar omvat. Relatie met voorliggend plan De wegbeheerders in Zeeland hebben in algemene zin gezamenlijk afspraken gemaakt over de verkeersveiligheid en optimale bereikbaarheid. De veiligheid en bereikbaarheid moeten centraal staan in de inrichting van de wegen en de verkeerskundige voorzieningen.

21

bestemmingsplan Wegensteunpunt Scharendijke (concept)

Hoofdstuk 4

4.1

Milieu- en omgevingsaspecten

Archeologie

Om te bepalen of er archeologische waarden aanwezig zijn binnen het plangebied van Wegensteunpunt Scharendijke en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast is er archeologisch onderzoek uitgevoerd conform de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), zie Bijlage 1. Door middel van bureauonderzoek is een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Op basis van deze inventarisatie is het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. Het plangebied is momenteel grotendeels verhard en bebouwd met enkele bedrijfsgebouwen van Rijkswaterstaat, namelijk een zoutloods en een steunpunt (zie figuur 3). De huidige bebouwing is gefundeerd op palen, waarbij in het kader van de funderingsbalken vermoedelijk tot maximaal 1,25 m -mv gegraven is. Wettelijk kader Het uitgangspunt voor archeologisch onderzoek wordt gevormd door het wettelijke en beleidsmatige kader van de Erfgoedwet, vastgesteld op 1 juli 2016. Volgens het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied', vastgesteld op 26 maar 2009, is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan 5.000 m2 en dieper dan 50 cm -mv. De voorgenomen bodemingrepen zullen een diepte van 100 cm -mv bereiken.

Een archeologische onderbouwing met betrekking tot mogelijke gevolgen op de aanwezige archeologische waarden is daarom verplicht conform het vigerend beleid. Onderzoek Uit de resultaten is gebleken dat het plangebied verschillende verwachtingen kent, uit verschillende archeologische perioden. Zo is gebleken dat het al sinds de tijd van de jagers en verzamelaars in gebruik is, aangezien er in het plangebied dekzand op circa 20 m -mv verwacht wordt. Op basis van het geologische ondergrondmodel GeoTOP v1.4 en een DINO (Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond)-boring ter plaatse van het plangebied kan vastgesteld worden dat de top van het dekzand in het plangebied (vrijwel) geheel door latere zee-activiteit geërodeerd is. Hiermee zijn ook resten van de aanwezigheid van jagers en verzamelaars verloren gegaan waardoor er geen verwachting is dat deze resten aangetroffen zullen worden. Daarnaast is de verwachting laag dat er resten uit het Neolithicum en de Vroege-Bronstijd worden aangetroffen omdat enerzijds weinig bewoning plaatsvond in het plangebied en daarnaast zullen resten uit deze periode ook door erosie verloren zijn gegaan. Hetzelfde geldt voor resten uit de Late-IJzertijd, de Romeinse tijd en de Vroege-Middeleeuwen. Het plangebied bevindt zich op de signaleringskaart aardkundige waarden op een kreekrug.

Volgens het omgevingsplan van de provincie bevindt het zich in een zone met archeologische verwachtingswaarde hoog/middelhoog. Toch bevond het plangebied zich ook in de Vroege-Middeleeuwen in een gebied dat ongeschikt was voor bewoning. Het lag niet langs een oude doorgaande weg en bevond zich in vermoedelijk akkergebied. Er zijn dus geen aanwijzingen aangetroffen voor het bestaan van een voormalig historisch erf. Voor alle perioden geldt dat bovenin het archeologisch relevante niveau het vondstniveau verwacht wordt, bestaande uit een vondststrooiing van overwegend vuursteen (Paleoliticum - Bronstijd) of keramiek (Neolithicum – Nieuwe tijd). Archeologische sporen zullen zich direct onder deze laag bevinden. Het complextype en de omvang kunnen niet nader worden gespecificeerd door de beperkte gegevens.

22

bestemmingsplan Wegensteunpunt Scharendijke (concept)

Conclusie Op basis van het uitgevoerde archeologisch bureauonderzoek geldt een (zeer) lage verwachting voor alle archeologische perioden tot en met de Nieuwe tijd. Bovendien is de kans zeer groot dat eventuele resten uit de perioden tot aan de Late Middeleeuwen door latere zee-erosie verdwenen zijn. Op basis van deze verwachting wordt geadviseerd om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).

4.2

Ecologie

4.2.1

Vooronderzoek

In het kader van de voorgenomen ingrepen die komen kijken bij de ontwikkeling van het Wegensteunpunt Scharendijke is het belang om na te gaan of deze ontwikkeling negatief effect heeft op beschermde soorten of kwalificerende waarden van Natura 2000-gebieden in het kader van de Wet natuurbescherming (hierna Wnb). In dit kader is door Tauw onderzoek gedaan naar de consequenties van de Wet natuurbescherming voor het Wegensteunpunt Scharendijke, zie Bijlage 2. In dit onderzoek zijn de effecten van de voorgenomen ontwikkeling op beschermde houtopstanden, gebiedsbescherming en soortbescherming meegenomen. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet binnen beschermde natuurgebieden zoals het NNN of Natura 2000. Wel ligt het ontwikkelingsgebied op korte afstand van meerdere Natura 2000 gebieden, waaronder Kop van Schouwen, dat een stikstofgevoelig gebied is. In dat kader zijn Aeriusberekeningen uitgevoerd naar zowel de aanleg-/bouwfase als gebruiksfase; zie paragraaf 4.3. Andere (directe) effecten, zoals bijvoorbeeld door licht, geluid, trillingen en optische storingen worden niet verwacht omdat de afstand tot omliggende Natura 2000-gebieden groot genoeg is om last te hebben van deze effecten. Soortenbescherming Voor enkele soorten bevat het plangebied mogelijk beschermde groei- en verblijfplaatsen.

Op basis van verspreidingsgegevens is gebleken dat onderstaande soorten niet uitgesloten kunnen worden in of in de nabijheid van het plangebied. De soorten zijn weergegeven in tabel 1.

23

bestemmingsplan Wegensteunpunt Scharendijke (concept)

Tabel 1: Soorten in de omgeving van het plangebied

24

bestemmingsplan Wegensteunpunt Scharendijke (concept)

In de Wnb zijn een aantal soorten amfibieën en zoogdieren beschermd onder de categorie 'nationale soorten', zoals de gewone pad en konijn. De provincie Zeeland heeft deze soorten vrijgesteld in de ontheffingsplicht en deze zijn daarom niet meegenomen in de toetsing. Daarnaast geldt voor alle soorten de zorgplicht (artikel 1.11 van de Wnb). Flora Uit het onderzoek is gebleken dat glad biggenkruid uitgesloten wordt binnen het plangebied. Het plangebied is een mogelijk groeiplaats voor grote leeuwenklauw en/of knolspirea. Om de aan- of afwezigheid van deze soorten vast te stellen is er onderzoek nodig in het broedseizoen van beide soorten. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied bestaat uit een halfopen omgeving, waardoor het wegensteunpunt als leefgebied mogelijk geschikt is voor de wezel, hermelijn en bunzing. In 2016 is er reeds een waarneming gedaan van de wezel aan de rand van het plangebied. Voor de hermelijn en bunzing geldt dat zij in diverse habitats voorkomen, waardoor het plangebied niet uitgesloten kan worden als mogelijke verblijfplaats. Noordse woelmuis is gevoelig voor concurrentie met andere woelmuizen. Hij kan goed overleven op eilandjes, waar hij vaak als enige woelmuis voorkomt. De aanwezigheid van noordse woelmuis kan op basis van habitat en verspreiding niet worden uitgesloten.

Om een effect op bunzing, wezel, hermelijn en noordse woelmuis uit te kunnen sluiten is nader onderzoek nodig. Het effect van de ingreep op deze soorten kan verlies van (essentieel) leefgebied of verblijfplaatsen zijn. Ook kunnen exemplaren worden gedood of verwond. Een effect op overige soorten is uitgesloten. Vleermuizen Hoewel vleermuizen zoogdieren zijn, worden deze vanwege hun afwijkende eigenschappen als afzonderlijke groep behandeld. Er zijn drie typen leefgebied van vleermuizen te onderscheiden: verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes. Verblijfplaatsen van vleermuizen bevinden zich mogelijk in het kantoorgebouw, de zoutloods en de bomen buiten de omheining. De gevel van het kantoorgebouw bevat ventilatievoegen die toegang geven tot de spouw. In de spouwmuur vinden vleermuizen mogelijk een zomer-, kraam-, paar- of winterverblijf. Het kantoor heeft slechts twee muren die spouwgaten bevatten. Door de beperkte omvang van het gebouw is een massawinterverblijf uitgesloten. De zoutloods biedt vleermuizen een geschikte zomerverblijfplaats of paarverblijfplaats tussen de kieren van het houtwerk en/of hangplekken onder het dak. Deze verblijfplaatsen bieden onvoldoende ruimte om weg te kruipen en hangplekken bieden te weinig bescherming tegen predatoren om geschikt te zijn als kraamverblijfplaats.

Mogelijke verblijfplaatsen bieden onvoldoende temperatuurbuffer om dienst te doen als winterverblijfplaats. De bomen binnen de omheining bevatten geen geschikte holtes voor vleermuizen. Dit is echter wel het geval voor de bomen buiten de omheining. Het merendeel van de bomen is geïnspecteerd, waarbij gebleken is dat deze holtes mogelijk geschikt zijn als zomer-, kraam-, paar- en winterverblijfplaats. Een nadere holte inspectie kan uitsluitsel geven. Met betrekking tot foerageergebied en vliegroutes zijn er enkele elementen aanwezig die mogelijk gebruikt worden. De oprijlaan naar het wegensteunpunt en het bosje aan de oost- en westrand kunnen mogelijke vliegroutes zijn in het plangebied. Door het aanbrengen of aanpassen van kunstmatige lichtbronnen en/of het kappen van bomen kunnen onderdelen van het leefgebied van vleermuizen worden aangetast. Als het voornemen en lichtplan bekend is, kan worden bekeken wat de effecten zijn op vliegroutes en foerageergebieden. Als er effecten zijn, kunnen er maatregelen worden genomen of is mogelijk een ontheffing vereist. Het voornemen heeft

25

bestemmingsplan Wegensteunpunt Scharendijke (concept)

mogelijk ook de vernietiging van verblijfplaatsen, vliegroutes of foerageergebieden tot gevolg. Ook kunnen exemplaren worden gedood of verwond. Nader onderzoek moet de aan- of afwezigheid van alle mogelijke functies aantonen. Broedvogels De nesten van deze soorten zijn het hele jaar beschermd, evenals de functionele leefomgeving rondom het nest. Tijdens het veldonderzoek zijn de bomen in de plangebied gecontroleerd. In de bomen ten noorden van het wegensteunpunt zijn drie nesten gevonden die gebruikt kunnen worden door boomvalk, ransuil, sperwer, buizerd en havik. Daarnaast zijn er in de zoutloods verschillende formaten braakballen gevonden, die de aanwezigheid van verschillende soorten uilen (zoals de kerkuil, steenuil en ransuil) aanduidt. Tevens zijn er meerdere nesten aangetroffen. Om de functie van het plangebied voor kerkuil, steenuil, ransuil, boomvalk, sperwer, buizerd en havik vast te stellen is nader onderzoek nodig. Vogels kunnen gedurende het gehele jaar tot broeden komen. Het is daarom zaak om hier voorafgaand aan het werk rekening mee te houden. De kans op een broedgeval is het grootst in de periode maart t/m juli. Een (periodieke) controle op nesten van broedvogels is voorafgaand aan de werkzaamheden noodzakelijk om overtreding van de wet te voorkomen.

Indien een broedgeval aanwezig is, dient een verstoringsvrije zone te worden aangehouden, waarbinnen gedurende de periode van broeden niet wordt gewerkt. De breedte van deze zone dient door een ter zake kundige te worden bepaald. Amfibieën en reptielen Binnen het plangebied ontbreekt het aan geschikt voortplantingswater voor amfibieën en reptielen. Voor amfibieën en reptielen kent de sloot te weinig structuur. Ook wordt de sloot gemaaid en is daarom te weinig natuurlijk. Een uitzondering hierop is de rugstreeppad. Specifiek voor de rugstreeppad is er in de ruimere omgeving van het plangebied, met name in het duingebied, wel voortplantingswater aanwezig. Daarom is het noodzakelijk om de aan- of afwezigheid van de rustreeppad vast te stellen. Aanwezigheid van overige soorten amfibieën en reptielen is geheel uitgesloten. Beschermde houtopstanden De houtopstand binnen het plangebied is onder de Wnb beschermd. Voor het kappen van (delen van) de houtopstand geldt een meldingsplicht bij het bevoegd gezag, in dit geval Provincie Zeeland. Bij deze melding is een boominventarisatie benodigd met algemene informatie van de bomen. Provincie Zeeland kan herplanting van gekapte bomen verplichten.

Conclusie Nader onderzoek naar de aanwezigheid van de groei- en verblijfplaatsen van bovengenoemde soorten zal uitgevoerd moeten worden om te blijken of deze ook daadwerkelijk in het ontwikkelgebied voorkomen. Uit dit onderzoek zal dan ook duidelijk worden of mitigerende maatregelen nodig zijn en een eventuele ontheffing. In de Wnb zijn een aantal algemene soorten amfibieën en zoogdieren beschermd. Daarnaast is voorafgaand aan de werkzaamheden noodzakelijk om (periodiek) te controleren op de aanwezigheid van nesten van broedvogels. Indien er een broedvogel aanwezig is, dient er een verstoringsvrije zone ingesteld te worden waarbinnen er binnen de gedurende periode van broeden niet gewerkt mag worden. 4.2.2

Nader onderzoek

In aanvulling op het vooronderzoek ecologie in het projectgebied van het Wegensteunpunt Scharendijke is eveneens door Tauw vervolgonderzoek uitgevoerd naar mogelijke negatieve effecten van de voorgenomen ontwikkeling op groei- of verblijfplaatsen van een aantal diersoorten, zie Bijlage 3. Soortgericht onderzoek naar de volgende diersoorten is uitgevoerd: grote leeuwenklauw knolspirea

26

bestemmingsplan Wegensteunpunt Scharendijke (concept)

bunzing wezel hermelijn noordse woelmuis vleermuizen kerkuil, steenuil en ransuil buizerd havik sperwer boomvalk huismus. Onderzoek Voor de volgende soorten is geen ontheffing in het kader van de Wnb benodigd en zijn geen verdere maatregelen nodig. Deze soorten en/of beschermde functies van deze soorten zijn niet aangetroffen in (de directe omgeving van) het plangebied: Grote leeuwenklauw en knolspirea Noordse woelmuis Huismus Buizerd, havik, boomvalk en sperwer Rugstreeppad Voor de soorten die wel in het plangebied zijn geconstateerd, wordt het volgende aangegeven: Bunzing, wezel en hermelijn Tijdens het nader ecologieonderzoek is op camerabeelden sporadisch een enkele wezel waargenomen. Andere marterachtigen zijn niet waargenomen in het onderzoeksgebied waardoor negatieve effecten als resultaat van voorgenomen werkzaamheden zijn uitgesloten. Toch wordt aanbevolen om bij verder verloop van de planvorming rekening te houden met aanwezigheid van de wezel, ondanks dat bij het uitgevoerde onderzoek slechts één wezel is aangetroffen.

Vleermuizen In het plangebied zijn een aantal functies voor vleermuizen aangetroffen, te weten: Drie zomerverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis Drie paar- en winterverblijfbplaatsen Eén kraamverblijfplaats Een massawinterverblijfplaats Het gehele plangebied dient als essentieel foerageergebied Het is te verwachten dat als gevolg van voorgenomen werkzaamheden vleermuizen worden gehinderd, verwond en/of gedood. Daarnaast is de kans aannemelijk dat essentiële functies voor vleermuizen worden vernietigd. Dit betekent dat de geplande werkzaamheden ontheffingsplichtig zijn. Deze ontheffing kan bij Provincie Zeeland (het bevoegde gezag) worden aangevraagd vóór de werkzaamheden starten. Deze ontheffing zal worden verleend op basis van een mitigatieplan waarin de juiste mitigerende maatregelen zullen worden beschreven. Ook het treffen van mitigerende maatregelen dient vóór aanvang van de werkzaamheden afgerond te zijn. Kerkuil, steenuil en ransuil Tijdens het uitgevoerde onderzoek is gebleken dat er een nestplaats van een kerkuil aanwezig is in loods 2. Het slopen van de loods is daarom in strijd met het Wnb en daarmee ontheffingsplichtig. Ook hiervoor dient een ontheffingsvergunning aan te worden gevraagd en mitigerende maatregelen te worden

27

bestemmingsplan Wegensteunpunt Scharendijke (concept)

getroffen. Net als de procedures beschreven in bovenstaande alinea, dienen beide activeiten afgerond te zijn vóór de start van de werkzaamheden. Conclusie Omdat aanwezigheid van de kerkuil en functies voor vleermuizen in het plangebied is aangetroffen zijn de voorgenomen werkzaamheden ontheffingsplichtig. Deze ontheffing wordt gebaseerd op een set van voorgenomen maatregelen om te voorkomen dat deze diersoorten worden verstoord, verwond en/of gedood als gevolg van de werkzaamheden. Deze mitigerende maatregelen dienen vastgelegd te zijn in een mitigatieplan. De ontheffingsprocedure én de maatregelen dienen afgerond te zijn alvorens de werkzaamheden starten. Om overige aanwezige fauna niet aan te tasten dienen volgende voorzorgmaatregelen genomen te worden: Uitstralende verlichting op de naastgelegen bomenrij voorkomen Lage vegetatie en takkenhopen dienen handmatig te worden verwijderd om slachtoffers onder grondgebonden zoogdieren en amfibieën te voorkomen. Een broedvogelcontrole indien de werkzaamheden in de periode maart tot en met juli worden gestart om te voorkomen dat in gebruik zijnde nesten worden verstoord of vernietigd. Als een in gebruik zijnde nest wordt aangetroffen moet een verstoringsvrije zone waarin niet mag worden gewerkt rondom het nest worden aangehouden tot deze is verlaten.

Ten slotte zijn er nog een aantal maatregelen die getroffen kunnen worden om bij te dragen aan de achteruitgang van de biodiversiteit. Deze maatregelingen zijn niet verplicht maar wel mogelijk op het terrein: Het plaatsen van alternatieve nestplaatsen voor boerenzwaluwen; Het ophangen van nestkasten voor de kerkuil en/of steenuil; Het toepassen van vleermuisvriendelijke verlichting; Het toegankelijk maken, dan wel houden, van de planlocatie voor zoogdieren zoals de vos; Het ecologisch beheren van de aanwezige groenstructuren; Gebruik maken van grasbetonstenen op delen van het terrein die extensief worden gebruikt 4.2.3

Addendum

Ten tijde van het uitvoeren van de quickscan in 2020 waren onder de Wet natuurbescherming een aantal algemene soorten amfibiën en zoogdieren vrijgesteld van de ontheffingsplicht. Sinds 8 december 2020 zijn de soorten konijn en haas niet meer vrijgesteld van de ontheffingsplicht, vastgesteld in de omgevingsverordening van de provincie Zeeland. Met betrekking tot de voorgenomen ontwikkeling zijn de effecten op de soorten konijn en haas nader inzichtelijk gemaakt, zie Bijlage 4. Voor het addendum heeft er in januari 2023 een veldbezoek plaatsgevonden en zijn er cameravallen geplaatst. Effect konijn Op basis van camerabeelden en het veldbezoek zijn er geen konijnen of sporen van deze soort aangetroffen. Echter kan er niet worden uitgesloten dat konijnen het plangebied sporadisch gebruiken als foerageergebied, het plangebied is namelijk voldoende geschikt geacht als leefgebied. Gelet op het feit dat de omgeving van het plangebied ook voldoende leefgebied biedt voor konijnen en de beoogde werkzaamheden buiten de voortplantingstijd worden uitgevoerd, zijn negatieve effecten op konijn uitgesloten. Effect haas Op camarabeelden is eenmalig een haas aangetroffen, waaruit geconcludeerd wordt dat het plangebied gebruikt wordt als foerageergebied voor een of enkele hazen. Met de voorgenomen ontwikkeling blijft er echter voldoende leefgebied over in de omgeving van het plangebied.

De werkzaamheden vinden buiten de voortplantingsperiode (eind januari en oktober) van de haas plaats. Daarom worden negatieve effecten op haas uitgesloten.

28

bestemmingsplan Wegensteunpunt Scharendijke (concept)

Conclusie Voor zowel haas als konijn geldt dat negatieve effecten op deze soorten uitgesloten zijn en geen verbodsbepalingen overtreden worden. De werkzaamheden worden buiten de kwetsbare periodes van deze soorten uitgevoerd, waarmee voldaan wordt aan de geldende zorgplicht. Er zijn geen maatregelen nodig ten behoeve in het kader van de konijn de haas. 4.2.4

Bomencompensatie

Met de voorgenomen realisatie van het wegensteunpunt Scharendijke is Rijkswaterstaat voornemens de houtopstand te rooien. Deze houtopstand dient gecompenseerd te worden. Om de bomencompensatie te waarborgen heeft Rijkswaterstaat een memo opgesteld, zie Bijlage 5. Deze memo bevat de randvoorwaarden en criteria die gesteld zijn aan de toekomstige bomencompensatie. Op basis van de Wet Natuurbescherming (Wnb) en de Omgevingsverordening Zeeland 2018 dient Rijkswaterstaat de compensatieregeling af te stemmen met de provincie Zeeland. Tevens geldt er ook een meldingsplicht bij de provincie Zeeland. Op het moment van schrijven zijn er met de provincie Zeeland nog geen concrete afspraken gemaakt. Rijkswaterstaat dient zich in de bomencompensatie in ieder geval aan de voorwaarden te houden die opgenomen zijn in de Omgevingsverordening Zeeland 2018. Rijkswaterstaat zal daarnaast uiterlijk een maand voor aanvang van de kap een melding doen bij de provincie Zeeland en op dat moment afspraken maken op welke wijze er voldaan gaat worden aan het gestelde artikel 4.3 van de Wnb, waarin compensatie binnen drie jaar geëist is.

4.3

Stikstof

4.3.1

Aerius-berekening

In het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) is er een berekening van de stikstofdepositie uitgevoerd. De stikstofdepositie is voor zowel de realisatie- als gebruiksfase berekend door middel van de AERIUS calculator, versie 2022. Aan de hand van gehanteerde uitgangspunten is de stikstofdepositieberekening uitgevoerd, zie Bijlage 6. In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de berekende depositie.

Realisatiefase Gebruiksfase

Stikstofdepositie (mol/ha/jaar) 0,03 0,00

Tabel 2: uitkomsten AERIUS Calculator, versie 2022

De berekening toont dat er in de realisatiefase depositie plaatsvindt in Natura 2000-gebieden 'Kop van Schouwen' en 'Duinen Goeree & Kwade Hoek'. Mogelijk significante negatieve effecten door stikstof zijn daarmee op voorhand niet uit te sluiten. Met een ecologische beoordeling dient te worden nagegaan of mogelijke significante negatieve effecten door de berekende stikstofdepositie alsnog zijn uit te sluiten, waarmee de vergunningsplicht in het kader van de Wet natuurbescherming vervalt. Indien uit de ecologische beoordeling blijkt dat mogelijke significante effecten niet zijn uit te sluiten, dienen een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd en een passende beoordeling te worden uitgevoerd. Tijdens de gebruiksfase vindt er geen stikstofdepositie plaats.

29

bestemmingsplan Wegensteunpunt Scharendijke (concept)

4.3.2

Ecologische beoordeling

Uit de aerius-berekening is gebleken dat er in de aanlegfase een tijdelijke depositie van 0,03 mol/ha/jaar. Deze tijdelijke depositie kan leiden tot significante negatieve effecten op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Met een passende ecologische beoordeling (zie Bijlage 7) dient onderzocht te worden in hoeverre de stikstofdepositie werkelijk een significant negatief effect heeft op de Natura 2000-gebieden. Het betreft de Natura 2000-gebieden Duinen Goeree & Kwade Hoek en Kop van Schouwen. De beoordeling is uitgevoerd conform de productbeschrijving voor passende beoordelingen uit de Definitielijst Netwerk Groene Bureaus 2020 en volgens de richtlijnen uit de Handreiking Voortoets Stikstof van BIJ12 (d.d. februari 2021). Tevens is er rekening gehouden met recente jurisprudentie op het gebied van effectanalyses stikstof. Onderzoek In het onderzoek van de beoordeling is de berekende depositie getoetst aan de instandhoudingsdoelen van Natura200-gebieden. Door de aanwezigheid van veel beschikbare gegevens heeft de toetsing plaatsgevonden in de vorm van een bureauonderzoek. In het onderzoek zijn alle habitattypen (waar een instandhoudingsdoel voor geldt) binnen de desbetreffende Natura2000-gebieden betrokken. Een overzicht van de beoordeelde natuurwaarden is weergegeven in tabel 3.

Tabel 3: overzicht van de Natura 2000-gebieden en de te beoordelen natuurwaarden

Per habitattype wordt in de beoordeling ingegaan op het effect van de projectdepositie per natuurwaarden, zie Bijlage 7. In de beoordeling wordt voor iedere natuurwaarden de volgende aspecten inzichtelijk gemaakt: De huidige over- of onderbelasting van de kritische depositiewaarde (hierna: KDW) door de achtergronddepositie; De huidige kwaliteit, omvang en trend van de habitattypen en leefgebieden van soorten; De huidige populatieomvang en verspreiding van aangewezen soorten; De huidige knelpunten voor het behalen van de instandhoudingsdoelen;

30

bestemmingsplan Wegensteunpunt Scharendijke (concept)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13580808/1