20220712 Raadsbrief Voorontwerpbestemmingsplan Jannewekken 11 Zierikzee bijlage 2
Tekst van het document
Bestemmingsplan | Toelichting
Jannewekken 11 te Zierikzee
Gemeente Schouwen-Duiveland
Datum: 4 juli 2022 Projectnummer: 200286 ID: NL.IMRO.XXX
INHOUD TOELICHTING
1
Inleiding
4
1.1 1.2 1.3 1.4
Aanleiding Ligging en begrenzing plangebied Geldende bestemmingsplannen Leeswijzer
4 4 5 6
2
Planbeschrijving
7
2.1 2.2
Huidige situatie plangebied Toekomstige situatie plangebied
7 9
3
Beleid en regelgeving
11
3.1 3.2 3.3
Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid
11 12 14
4
Milieu- en omgevingsaspecten
16
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11
Milieueffectrapportage Bodem Geluid Luchtkwaliteit Bedrijven en milieuzonering Externe veiligheid Water Natuur Archeologie Cultuurhistorie Verkeer en parkeren
16 17 18 19 20 21 24 27 29 30 31
5
Wijze van bestemmen
33
5.1 5.2
Algemeen Dit bestemmingsplan
33 34
6
Uitvoerbaarheid
37
6.1 6.2
Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid
37 37
Bijlagen − − − − − − − − − −
Bijlage 1: Toets Ladder voor duurzame verstedelijking Bijlage 2: Vormvrije m.e.r.-beoordeling Bijlage 3: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 4: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 5: Onderzoek externe veiligheid Bijlage 6: Digitale watertoets Bijlage 7: Quick scan natuur Bijlage 8: Onderzoek stikstofdepositie Bijlage 9: Nader onderzoek vleermuizen Bijlage 10: Archeologisch onderzoek
3
1
Inleiding
1.1
Aanleiding In het centrum van Zierikzee is het perceel van Jannewekken 11 gelegen. De huidige drukkerij op het perceel zal binnenkort haar deuren sluiten. Het voornemen bestaat om de huidige bebouwing te slopen en hier 12 levensloopbestendige patiowoningen te realiseren. Het gaat hier om vier patiowoningen direct gelegen aan de Jannewekken en acht woningen rondom een groen hofje achter de beoogde woningen direct aan de weg. Deze ontwikkeling is echter niet mogelijk binnen de kaders van het huidige bestemmingsplan, aangezien de geldende bedrijfsbestemming geen woningbouw mogelijk maakt. Het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan is noodzakelijk om het plan mogelijk te maken. Voorliggend document voorziet hierin.
1.2
Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied ligt in het noordoosten van de kern Zierikzee behorende bij de gemeente Schouwen-Duiveland. Op de navolgende afbeeldingen zijn de globale ligging in Zierikzee en de globale begrenzing van het plangebied zelf weergegeven. Voor de exacte begrenzing wordt verwezen naar de verbeelding, behorende bij dit bestemmingsplan.
Ligging plangebied (gele cirkel) in relatie tot de kern Zierikzee (Bron: PDOK viewer).
4
Het plangebied bij benadering globaal geel omlijnd (Bron: PDOK viewer).
1.3
Geldende bestemmingsplannen Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan ‘Bebouwde kom Zierikzee’ en heeft het perceel grotendeels de bestemming ‘Bedrijf’. Binnen de bestemming ‘Bedrijf’ zijn alleen categorie 1 bedrijven toelaatbaar. Als gevolg van de aanduiding ‘drk’ is tevens een drukkerij ter plaatse toegestaan. Gebouwen moet daarbij binnen een bouwvlak worden opgericht. Een klein deel van het plangebied is voorzien van de bestemming ‘Wonen’. Ook hier geldt dat gebouwen binnen het bouwvlak moeten worden gebouwd. Verder heeft het plangebied de dubbelbestemming ‘Archeologisch waardevol gebied B’. Als gevolg van deze dubbelbestemming moet ter plaatse onderzoek uitgevoerd worden in geval van bodemingrepen die dieper gaan dan 50 centimeter beneden het maaiveld en een groter oppervlak omvatten dan 150 m2 (in geval van een bouwwerk) of 250 m2 (in geval van werkzaamheden). Daarnaast heeft het plangebied te maken met de dubbelbestemming ‘Beschermd stadsgezicht’. Deze dubbelbestemming heeft als doel het historisch en ruimtelijke karakter van het beschermd stadsgezicht te beschermen. Om die reden zijn er aanvullende regels voor het bouwen en uitvoeren van werkzaamheden van kracht. Tenslotte geldt dat voor een klein deel van het perceel de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone - molenbiotoop 400m’ is toegekend.
Binnen deze vrijwaringszone is het van belang dat de vrije windvang van de molen gewaarborgd kan worden. Concreet
5
betekent dit dat de bouwhoogte niet hoger dan het laagste punt van de verticaal staande wieken mag zijn.
Uitsnede bestemmingsplan ‘Bebouwde kom Zierikzee’ met daarop het plangebied rood omlijnd (Bron: Gemeente Schouwen-Duiveland).
Naast het bestemmingsplan ‘Bebouwde kom Zierikzee’ is ook een aantal andere plannen geldig in het plangebied. In de ‘1e herziening bebouwde kom Zierikzee’ worden voornamelijk de regels voor horecaterrassen aangepast. Verder zijn de parapluplannen ‘Wonen’ en ‘Parkeernormen’ van toepassing. In het parapluplan ‘Wonen’ wordt de regel opgenomen dat woningen die in het plangebied vallen alleen gebruikt mogen worden voor de huisvesting van één huishouden. Het parapluplan ‘Parkeernormen’ legt het gemeentelijk parkeerbeleid juridisch-planologisch vast.
1.4
Leeswijzer Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en deze toelichting. De toelichting is opgebouwd uit 6 hoofdstukken. Na het inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en komt de planbeschrijving aan de orde. In hoofdstuk 3 wordt de toets aan het beleidskader weergegeven, waarna in hoofdstuk 4 de haalbaarheid van het plan aangetoond wordt voor wat betreft milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de juridische planopzet. Het laatste hoofdstuk behandelt de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.
6
2 2.1
Planbeschrijving Huidige situatie plangebied Zierikzee Het plangebied bevindt zich aan de noordoostzijde van de kern Zierikzee. Met meer dan 10.000 inwoners is Zierikzee de grootste kern van de gemeente Schouwen-Duiveland. De bebouwing van Zierikzee is veelal ontstaan binnen de stadsmuren. Ondanks dat de stadsmuren vrijwel volledig weg zijn, wordt de kern nog wel omringd door grachten. Als gevolg van uitbreidingen heeft er ook veel bebouwing buiten de historische kern plaatsgevonden. Het plangebied maakt deel uit van de historische binnenstad en heeft lange tijd gefunctioneerd als ‘tuin’ binnen de stadswallen van de stad. Dit is nog goed zichtbaar door het groene, lommerrijke achtergebied ten noorden van het plangebied. De historische kern van Zierikzee kenmerkt zich door haar kleinschalige bebouwing, door de aanwezigheid van een hoog percentage aan historisch waardevolle panden en de bijzondere stadsplattegrond.
Zierikzee in 1747 met het plangebied globaal rood omcirkeld (Bron: atlasenkaart.nl).
De meeste panden in de binnenstad van Zierikzee hebben één bouwlaag met een kap. De bebouwingsdichtheid is relatief hoog en er bestaat een mix van functies. De meeste straten zijn vrij smal en veel bebouwing staat met de rooilijn direct aan de straat. Nabij het plangebied staat de 19de-eeuwse molen ‘De Hoop’ en is tevens de karakteristieke Nobelpoort te vinden. Het centrumgebied beschikt over de belangrijkste dagelijkse voorzieningen. Dit maakt dat de binnenstad van Zierikzee zich kenmerkt door haar historische en kleinschalige karakter en er ook sprake is van een beschermd stadsgezicht. De navolgende afbeelding geeft de ruimtelijke situatie in en rondom het plangebied weer.
7
Topografische kaart ruimtelijke situatie rondom het plangebied (globaal rood omlijnd) (Bron: PDOK viewer).
Plangebied Het plangebied betreft het perceel gelegen aan de Jannewekken 11. Het perceel heeft een oppervlakte van ongeveer 3.400 m2 en kent een vrij stenig karakter. Deze perceelgrootte sluit niet aan bij de relatief kleine percelen die in de omgeving de boventoon voeren. De huidige bebouwing grenzend aan de Jannewekken betreft een drukkerij bestaande uit één laag met een kap. Aan de achterzijde van het perceel zijn in de loop der jaren een aantal bedrijfsloodsen gerealiseerd. Deze schaalvergroting van de drukkerij sluit niet aan op de schaal en maat van de historische kern van Zierikzee. Aan de overkant van de Jannewekken is een aantal kantoren gevestigd. Aan de oostelijke zijde van het gebouw is een (leegstaande) praktijkschool gesitueerd. Verder zijn er voornamelijk woningen rondom de drukkerij terug te vinden.
De drukkerij gelegen op het perceel Jannewekken 11 (Bron: SAB).
8
Luchtfoto met daarop de drukkerij en de bijbehorende bedrijfsloodsen rood omcirkeld (Bron: PDOK viewer).
2.2
Toekomstige situatie plangebied Aangezien de drukkerij binnenkort stopt met haar werkzaamheden is gezocht naar nieuwe passende invulling van het plangebied en bestaat het voornemen om maximaal 12 patiowoningen te realiseren. Op deze manier wordt leegstand en verloedering voorkomen en wordt een toekomstbestendige invulling gerealiseerd die beter aansluit bij de functies, schaal en maatvoering van de omgeving. Met voorliggend plan wordt getracht om meer aansluiting te zoeken met de historische kern van Zierikzee door middel van schaalverkleining en het creëren van een groen hofje, waarbij de beoogde woningen zich voegen naar de historische context. De patiowoningen zijn levensloopbestendig. Dit houdt in dat de woningen tenminste één slaap-, bad- en woonkamer op de begane grond hebben. Deze woningen spelen in op de vraag naar seniorenwoningen op de woningmarkt. Aan de Jannewekken worden vier van deze patiowoningen gebouwd met de voorgevel richting de weg. Deze woningen passen binnen het huidige karakter van de straat en de rest van het omliggende gebied. De maximale goothoogte bedraagt 4 meter en de maximale bouwhoogte bedraagt 10 meter. De hoogtes passen bij woningen met één bouwlaag met een kapconstructie. Dit sluit aan bij de huidige bebouwing in het plangebied en de directe omgeving, zoals Jannewekken 15 en 17.
De overige acht woningen zullen gerealiseerd worden rondom een groen hofje aan de noordzijde van het perceel. Tussen de woningen direct aan Jannewekken en het hofje is ruimte gemaakt voor parkeervoorzieningen. Zo blijft parkeren zoveel mogelijk uit het zicht.
9
Stedenbouwkundig plan Jannewekken 11 (Bron: EVE architecten).
Impressie beoogde situatie Jannewekken 11 (Bron: EVE architecten).
10
3
Beleid en regelgeving
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
De Nationale Omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving met ambities. In deze NOVI worden de nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Er worden vier prioriteiten voor Nederland geformuleerd: − ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; − duurzaam economisch groeipotentieel; − sterke en gezonde steden en regio's; − toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Om beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren en afwegen van de verschillende belangen en opgaven; 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Er wordt weer gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van ruimte. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: er moet altijd gekeken worden naar de context van het gebied. Keuzes in verschillende gebieden kunnen daarom verschillen. 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.
Toetsing Gelet op het feit dat er met voorliggend plan wordt voorzien in een duurzame en toekomstbestendige invulling van een binnenkort leegstaand bedrijfsperceel in de historische binnenstad van Zierikzee, waarbij de bestaande kwaliteiten en identiteit van de omgeving van het plangebied centraal staan, is dit plan in lijn met het gedachtegoed van de NOVI.
3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin kaderstellende uitspraken. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, Natuurnetwerk Nederland (NNN), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en Primaire waterkeringen. Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, bij het NNN en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Ten aanzien van de begrenzing van het NNN is bepaald dat niet het rijk, maar de provincies die grenzen (nader) bepalen. 11
Door de nationale belangen vooraf in juridisch-planologische procedures te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte Toetsing Het voorgenomen plan raakt geen van de nationale belangen en is niet in strijd met het bepaalde in het Barro. 3.1.3
Ladder voor duurzame verstedelijking (Bro 3.1.6 tweede lid) Vanuit het rijk wordt een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte bevorderd. Hiervoor is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd en als procesvereiste opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Toetsing Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bro opgenomen.
Een stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. SAB heeft een toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking1 opgesteld. Uit deze toets wordt geconcludeerd dat sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Bro. Tevens is aangetoond dat deze ontwikkeling voorziet in een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte voor het verzorgingsgebied. Deze behoefte kan worden gerealiseerd binnen bestaand stedelijk gebied. Daarmee wordt geconcludeerd dat het plan de toetsing aan de Ladder positief heeft doorlopen. Conclusie Voorliggend plan is niet in strijd met het rijksbeleid.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsplan Zeeland 2018 Het Omgevingsplan Zeeland 2018, vastgesteld op 21 september 2018 door Provinciale Staten van Zeeland, bevat de hoofdlijnen uit alle provinciale beleidsplannen voor
1
SAB (2022). Toets Ladder voor duurzame verstedelijking. Jannewekken 11, Zierikzee. Projectnummer: 200286. 6 april 2022. 12
de fysieke leefomgeving. Het Omgevingsplan gaat uit van vier grote strategische opgaven, namelijk: − Duurzame en concurrerende economie. − Klimaatbestendige en neutrale samenleving. − Waardevolle leefomgeving. Toekomstbestendige bereikbare woon-, werk- en verblijfsomgeving. Toetsing Voorliggend plan raakt voornamelijk de opgave ten aanzien van het realiseren van een toekomstbestendige bereikbare woonomgeving. Het Omgevingsplan stelt op het gebied van wonen dat gestreefd moet worden naar een woningvoorraad, die qua omvang, locatie en type is afgestemd op de woonwensen van de Zeeuwse huishoudens. Bij woningbouwontwikkelingen staan de ruimtelijke doelen van bundeling en zorgvuldig ruimtegebruik bij de provincie hoog op de agenda. Aangezien voorliggend plan voorziet in een behoefte voor het marktgebied (zie paragraaf 3.1.3), de ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd en met de herontwikkeling een potentieel leegstandsprobleem wordt opgelost, wordt gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling in lijn is met de provinciale ambities op het gebied van wonen. 3.2.2
Provinciale omgevingsverordening 2018 De Provinciale Omgevingsverordening 2018 geeft aan welke onderdelen van het provinciale beleid (de provinciale belangen, zoals die in het Omgevingsplan zijn beschreven) bindende betekenis hebben voor gemeentelijke plannen. Zo worden er regels gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. Toetsing In de Provinciale Omgevingsverordening 2018 zijn regels opgenomen over de molenbiotoop (artikel 2.29), die een klein deel van het plangebied beslaat. Een molenbiotoop waarborgt de windvang en de belevingswaarde van een molen. De desbetreffende molen is korenmolen ‘De Hoop’, gelegen aan de Lange Nobelstraat 43. In de omgevingsverordening is vastgelegd dat binnen 100 meter van de molen, de bebouwing niet hoger dan het laagste punt van de verticaal staande wieken mag zijn. Van 100 tot 400 meter dient een zekere mate van vrije windvang gewaarborgd te kunnen worden. Omdat de stelling van molen De Hoop circa 12,30 meter hoog is en de bouwhoogte van de woningen maximaal 10 meter is, kan worden voldaan aan de regels rondom de molenbiotoop. Voorliggende ontwikkeling zal daarom niet leiden tot het aantasten van de windvang en de belevingswaarde van de molen. Conclusie Het provinciaal beleid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
13
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Structuurvisie Zierikzee 2030 De structuurvisie Zierikzee 2030 is een strategische visie voor de lange termijn voor Zierikzee en haar omgeving. In de visie worden integrale belangen afgewogen en wordt een globale koers bepaald voor Zierikzee richting 2030. Een speerpunt is het intact houden van het unieke historische centrum. Verder wordt wonen in de flanken van de kern aangemoedigd om zo de woondruk op het historische centrum te verlagen. Wat betreft nieuwbouw wordt aandacht besteed aan welke type woningen nodig zijn om aan de specifieke vraag van enkele doelgroepen te kunnen voldoen. Hieruit blijkt dat de komende jaren vooral de vraag naar levensloopbestendige seniorenwoningen zal stijgen. Mede voor het realiseren van nieuwbouw zijn een aantal structuurversterkende locaties aangewezen. Omdat het aantal nieuwe woningbouwtitels dat nog aan de markt kan worden toegevoegd beperkt is, is het belangrijk dat de juiste type woningen op de juiste locaties worden gebouwd.. Ten slotte wordt ook veel waarde gehecht aan de overgang van de stad naar het buitengebied. Dit gebeurt veelal door groenstructuren aan te leggen die zorgen voor een vloeiende overgang tussen de kern en het buitengebied. Toetsing Omdat de drukkerij binnenkort haar deuren zal sluiten, bestaat de kans dat het plangebied met leegstand te maken krijgt.
Voorliggend plan voorziet in het behouden van de leefbaarheid en de uitstraling van de binnenstad door de bestaande bebouwing te slopen en hier woningen voor terug te realiseren. Hiermee speelt het in op de, in de structuurvisie, verkregen status als structuurversterkende locatie door de meer grootschalige bebouwing van de drukkerij in te wisselen voor het meer kleinschalige woonhofje. De woningen worden zorgvuldig in de omgeving ingepast, waarbij wordt ingezet op de woningbehoefte aan seniorenwoningen. Het plan sluit goed aan op de lange termijnvisie van Zierikzee.
3.3.2
Woonvisie 2018-2027 In februari 2018 heeft de gemeenteraad van Schouwen-Duiveland de nieuwe woonvisie 2018-2027 vastgesteld. De woonvisie bevat de ambities op het gebied van wonen voor de gemeente voor de komende jaren. Tevens zijn in de woonvisie de ambities verder geconcretiseerd in een actieprogramma en is een woningmarktanalyse uitgevoerd. In de woningmarktanalyse komt naar voren dat er een huishoudensgroei wordt verwacht in de groeikernen van de gemeente. Deze groeikernen zijn Zierikzee, BurghHaamstede en Bruinisse. Daarnaast wordt ingezet op het stimuleren van levensloopbestendige woningen om zo aan de toenemende vraag van ouderen te kunnen voldoen. Daarnaast wordt prioriteit gegeven aan inbreiding op structuurversterkende locaties. Dit zijn locaties die door middel van woningbouw een ruimtelijk knelpunt oplossen. Verder heeft de gemeente een sterke voorkeur uitgesproken voor herstructurering om niet onnodig ruimte in het buitengebied aan te hoeven tasten. Toetsing Het voorliggende plan sluit in meerdere opzichten aan op de woonvisie van de gemeente Schouwen-Duiveland. Zo speelt het in op de verwachte toename van de vraag naar woningen binnen de groeikernen. Ook wordt voorzien in 14
levensloopbestendige woningen dichtbij voorzieningen, welke aansluiten bij de demografie van de lokale woningmarkt en de woonwens van de senioren. In de toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking is gemotiveerd dat dit plan aansluit op de woningmarktafspraken tussen de gemeente Schouwen-Duiveland en de provincie Zeeland meegenomen. Ten slotte sluit dit plan ook aan bij de voorkeur voor inbreiding boven uitbreiding. 3.3.3
Strategische visie Tij van de Toekomst De strategische visie Tij van de Toekomst is op 3 oktober 2011 vastgesteld door de gemeenteraad en betreft een lange termijnvisie tot 2040 voor de gemeente Schouwen-Duiveland. De hoofdonderwerpen in de visie zijn werken, wonen en verblijven. Uit de strategische visie komt voornamelijk naar voren dat woningen moeten aansluiten op de wens en behoefte van de inwoners. Toetsing De komende jaren zal in Schouwen-Duivenland voornamelijk vraag naar seniorenwoningen zijn (zie paragraaf 3.1.3). Omdat voorliggend plan voorliggend voorziet in levensloopbestendige woningen wordt daarmee aangesloten op de lange termijnvisie van Schouwen-Duiveland, zoals beschreven in de strategische visie. Conclusie Het gemeentelijk beleid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
15
4 4.1
Milieu- en omgevingsaspecten Milieueffectrapportage Algemeen De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In de bijlage van het Besluit m.e.r zijn twee onderdelen (C en D) opgenomen. In onderdeel C zijn activiteiten genoemd waarbij direct sprake is van een m.e.r.-plicht als bij besluiten de genoemde drempelwaarden worden overschreden. Voor de activiteiten die zijn genoemd in onderdeel D geldt dat als de drempelwaarden worden overschreden een m.e.r.-beoordeling dient plaats te vinden. Voor besluiten met een omvang onder de drempelwaarden moet een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling worden gedaan. Het bevoegd gezag (het college van burgemeester en wethouders of de gemeenteraad) moet voorafgaande aan het besluit inzake het plan formeel de beslissing nemen of, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit mogelijk voor het milieu kan hebben, een m.e.r. moet worden doorlopen. Het bevoegd gezag kan dit besluit nemen aan de hand van een ‘aanmeldingsnotitie’.
Het uiteindelijke besluit dient als bijlage bij de stukken van het ruimtelijke plan worden gevoegd. Toetsing Onderhavig plan betreft de herontwikkeling van het adres Jannewekken 11 in Zierikzee ten behoeve van woningbouw. Het plan voorziet in totaal in maximaal 12 te realiseren woningen. Het plan kan worden gekwalificeerd als de wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen als genoemd in onderdeel D.11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r.. Bij de uitleg van de Europese m.e.r.-richtlijn wordt immers aangegeven dat 'stedelijke ontwikkelingsprojecten' breed moet worden geïnterpreteerd en een herontwikkeling wordt als wijziging in de zin van het Besluit m.e.r. beschouwd. Bij de activiteit zijn drie relevante indicatieve drempelwaarden opgenomen, namelijk: − een oppervlakte van 100 hectare of meer; − een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen; − een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Het totale plangebied is circa 3.400 m2 groot. Hiermee blijft het plan ver onder de indicatieve drempelwaarden kan in eerste instantie met een vormvrije m.e.r.-beoordeling worden volstaan. In de vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt beoordeeld of de activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben.
Hierbij moet in het bijzonder worden nagegaan of er sprake is van de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de
16
Europese Richtlijn betreffende de milieueffectbeoordeling. Daarbij dient te worden ingegaan op de volgende onderdelen: − de kenmerken van het project; − de plaats waar de activiteit plaatsvindt; − de kenmerken van het potentiële effect. Conclusie Er is een vormvrije m.e.r.-beoordeling2 uitgevoerd. Hieruit volgt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het plan, die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Voor de meeste beoordeelde milieuaspecten geldt dat er geen effect optreedt. Uitsluitend voor wat betreft natuur (soortenbescherming) zijn er mogelijk negatieve milieueffecten, maar die zijn zeer gering en niet als een belangrijk negatief milieueffect te kwalificeren. De conclusie is dan ook dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het volgen van een m.e.r.-(beoordelings-) procedure is daarom niet nodig.
4.2
Bodem Algemeen In het kader van het bestemmingsplan moet zijn aangetoond dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Hiertoe is het uitvoeren van een verkennend milieukundig bodem- en grondwateronderzoek noodzakelijk. Toetsing Ter plaatse van het plangebied is een verkennend bodemonderzoek 3 uitgevoerd. Uit het onderzoek is gebleken dat de bodem op de onderzoekslocatie tot 2,7 m-mv (maximale boordiepte) is opgebouwd uit een zandige bovengrond met daaronder klei en veen. Plaatselijk worden in de ondergrond ook zandlagen aangetroffen. Grondwater is waargenomen vanaf een diepte van circa 1,0 m-mv. In de bodem zijn diverse bijmengingen met bodemvreemde materialen aangetroffen in de vorm van bijmengingen met (metsel)puin en/of baksteen. De mate van bijmengingen varieert van zwakke tot plaatselijk sterke of uiterste bijmenging. Op enkele plaatsen zijn in de bodem volledige puinlagen, asfalt-, beton- en repaclagen aangetroffen. Deze puinlagen betreffen geen bodem (grond). Bijmengingen met dergelijke bodemvreemde materialen zijn in binnenstedelijke gebieden geen onbekend verschijnsel. Ter plaatse van boorlocatie 02 is een ruim 1 meter dikke laag puin aangetroffen op een slibhoudende bodemlaag van 2,3 tot 2,6 m-mv. Vermoedelijk betreft het een gedempte sloot. Visueel en analytisch is in de bodem (grond) en in de puinlagen geen asbest aangetoond.
Eén aangetroffen verdacht stukje plaatmateriaal uit de bovengrond ter plaatse van boorlocatie 10 bleek analytisch niet-asbesthoudend te zijn. Geconcludeerd wordt dat het puin in de bodem historisch, niet-asbesthoudend puin betreft. De bodem op de onderzoekslocatie is niet verontreinigd met asbest. Het analytisch onderzoek heeft in
2
SAB (2021). Vormvrije m.e.r.-beoordeling. Zierikzee, Jannewekken 11. Projectnummer: 200286. 1 december 2021.
3
RSK Netherlands (2022). Verkennen bodemonderzoek Jannewekken 11 te Zierikzee. Rapportnummer: 517029.001(00). 10 maart 2022. 17
de bovengrond en in de ondergrond lichte verontreinigingen met minerale olie, PAK, PCB en zware metalen aangetoond, met plaatselijk uitschieters met sterke loodverontreiniging met lood. De verontreinigingen worden gerelateerd aan de aanwezige bijmengingen met (metsel)puin en baksteen in de bodem. Voor wat betreft de aangetroffen verontreinigingen met lood wordt geconcludeerd wordt dat er sprake is van een heterogene diffuse verontreinigingssituatie. Een dergelijke heterogene verontreinigingssituatie met zware metalen. In de slibhoudende bodemlaag van 2,3 tot 2,6 m-mv zijn maximaal lichte verontreinigingen met zware metalen aangetoond. In de zandige bovengrond van onderzoeklocatie is een sterke verontreiniging met DDT (bestrijdingsmiddelen) aangetoond. Deze sterke verontreiniging is zeer waarschijnlijk het gevolg van de voormalige boomgaard op de onderzoekslocatie. In de grond op de onderzoekslocatie zijn geen verhoogde gehaltes PFAS aangetoond. In het grondwater op de onderzoekslocatie (peilbuis 07, grondwaterstand 0,99 m-mv) zijn licht verhoogde concentraties molybdeen, barium en xylenen aangetoond. Met het verkennend bodemonderzoek is de exacte omvang van de sterke verontreinigingen niet vastgesteld.
Evenwel zijn over het gehele terrein heterogeen verdeeld lichte tot sterke verontreinigingen met lood aanwezig en zijn duidelijke contouren met sterke loodverontreiniging niet te definiëren. Ook de aan de voormalige boomgaard gerelateerde sterke verontreiniging met OCB, is zeer waarschijnlijk aanwezig in de bovengrond van de gehele locatie. In dat geval is er sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging in de zin van de Wet bodembescherming en is een milieuprocedure (bodemsanerende maatregelen) van toepassing bij herontwikkeling van de locatie. Conclusie Voor voorliggend plan zal een saneringsplan/BUS-melding worden ingediend bij de RUD Zeeland. Voorafgaand aan de daadwerkelijke werkzaamheden zullen de benodigde acties uit het saneringsplan tot uitvoering zijn gebracht. Met inachtneming van het voorgaande vormt het aspect bodem geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.3
Geluid Algemeen De mate waarin het geluid onder andere het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In het bestemmingsplan moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals een woning, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Toetsing Voorliggend plan voorziet in de ontwikkeling van twaalf nieuwe patiowoningen. Conform de Wet geluidhinder worden deze als geluidsgevoelige functie gezien. Daarom is
18
een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai4 uitgevoerd naar meerdere omliggende straten. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat uitsluitend als gevolg van de Jannewekken sprake is van een geluidsbelasting hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De overschrijding treedt alleen op ter plaatse van de voorgevellijn van het zuidelijke bouwvlak. De Jannewekken betreft een niet-gezoneerde 30 km/uur-weg. Een besluit hogere grenswaarde is daarmee niet aan de orde. In het akoestisch onderzoek heeft in het kader van een goede ruimtelijke ordening daarentegen wel maatregelenonderzoek plaatsgevonden. Uit dit onderzoek blijkt dat bron- en overdrachtsmaatregelen niet voldoende soelaas bieden, stedenbouwkundig onwenselijk zijn en landschappelijk niet acceptabel zijn. Een passende oplossing is om maatregelen aan de ontvanger zijde te treffen. Door het treffen van maatregelen bij de ontvanger zal de binnenwaarde van 33 dB worden gewaarborgd. Dit dient in een bouwakoestisch onderzoek aangetoond te worden in het kader van de omgevingsvergunning voor het bouwen. Conclusie Met inachtneming van het voorgaande vormt het aspect geluid geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.4
Luchtkwaliteit Algemeen Eisen met betrekking tot luchtkwaliteit zijn verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2 en vormen een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM 10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen.
Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden
4
SAB (2021). Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai. Jannewekken, Zierikzee. Projectnummer: 200286.4 november 2021. 19
aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het project op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming.
Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico’s optreden. Toetsing Onderliggend plan voorziet in de realisatie van maximaal 12 woningen. Het plan draagt daarom ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Raadpleging van de NSL-monitoringstool heeft aangetoond dat er geen sprake is van (dreigende) grenswaarde-overschrijdingen. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. Op basis van zowel de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening vormt het plan op het gebied van luchtkwaliteit geen belemmering. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
4.5
Bedrijven en milieuzonering Algemeen Indien door middel van een ruimtelijke ontwikkeling nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu mogelijk kan worden gemaakt. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en
20
gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningenhoreca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies gelegen buiten betreffend perceel. Toetsing In onderhavige situatie is sprake van de realisatie van nieuwe, gevoelige functies in de zin van het aspect bedrijven en milieuzonering. Het plangebied maakt onderdeel uit van de binnenstad van Zierikzee, waar sprake is van een afwisseling tussen woningen, voorzieningen en werkfuncties.
Er sprake is van een diversiteit aan functies, waardoor de locatie van het plangebied op basis van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering (2009)’ worden beschreven als ‘gemengd gebied’. De dichtstbijzijnde bedrijvigheid is in de navolgende tabel opgenomen inclusief de bijbehorende omschrijving uit de VNG-publicatie en de daaruit volgende grootste richtafstanden. Bedrijfssoort
Adres
Omschrijving VNG
Kantoor
Jannewekken 2
Maatschappelijk Maatschappelijk
Jannewekken 10 Jannewekken 19
Horeca
Lange Nobelstraat 51-53 Driekoningenlaan 7
Verzekeringsbedrijven (kantoren) Verpleeghuizen Scholen voor algemeen voortgezet onderwijs Cafés, bars
Horeca
Cafés, bars
Grootste richtafstand (m) 0 (geluid)
Gemeten afstand (m) ± 15
10 (geluid) 10 (geluid)
± 13 ± 33
0 (geluid)
± 70
0 (geluid)
±0
Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoering van onderhevig plan.
4.6
Externe veiligheid Algemeen Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen (chemische fabriek, lpg-vulpunt) en de mobiele bronnen (route gevaarlijke stoffen). Er wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en
21
het aantal mogelijke slachtoffers. Er wordt bij externe veiligheid onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico van 10-6 als grenswaarde. Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp. Toetsing De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de toevoeging van kwetsbare objecten. Daarom is een onderzoek externe veiligheid 5 uitgevoerd. Hieruit blijkt dat binnen de afkapgrens van 1,5 km negen potentiële risicobronnen aanwezig zijn.
Na onderzoek blijkt enkel het invloedsgebied van de Nieuwe Koolweg (N59), waarover vervoer met gevaarlijke stoffen plaatsvindt, binnen het plangebied te vallen. In het onderzoek naar de Nieuwe Koolweg (N59) is geconstateerd dat de normen voor het plaatsgebonden risico en plasbrandaandachtsgebieden geen belemmering vormen voor de beoogde woningbouwontwikkeling in het plangebied. Daarnaast is in het onderzoek het groepsrisico met RBM II berekend voor de bestaande en nieuwe omgevingssituatie bij de maximale gebruikruimte voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de N59. De ontwikkeling van het plangebied heeft een effect op de hoogte van het groepsrisico. Het berekende groepsrisico bedraagt in de bestaande situatie 0,166 maal de oriëntatiewaarde en in de nieuwe omgevingssituatie maximaal 0,167 maal de oriëntatiewaarde. Omdat er in de nieuwe situatie geen sprake is van een significant groepsrisico (> 1 x OW) kan in het kader van het te nemen ruimtelijke besluit op grond van het Besluit externe veiligheid transportroutes worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. De Veiligheidsregio moet in de gelegenheid worden gesteld advies uit te brengen ten aanzien van de aspecten rampbestrijding en zelfredzaamheid.
Beperkte verantwoording groepsrisico Als gevolg van een ongeluk met een tankwagen kan zich een warme of koude BLEVE voordoen, of er kan een toxische wolk ontstaan door het lekken van toxisch gas of vloeistof.
5
SAB (2021). Onderrzoek externe veiligheid Jannewekken 11 te Zierikzee. Kenmerk: 200286. 4 oktober 2021. 22
Bestrijdbaarheid Voor de hulpverleningsdiensten is het van belang dat ze snel naar de incidentlocaties kunnen. In de Handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid zijn normen voor maximale opkomsttijden gesteld. Vanuit de brandweerkazerne Zierikzee is de locatie binnen 6 minuten te bereiken, vanuit de brandweerkazerne Kerkwerve binnen 8 minuten en Oosterland binnen 11 minuten. Geconcludeerd wordt dat het plangebied en diens directe omgeving goed bereikbaar zijn voor de brandweer. Bij een ongeval met toxische gassen en vloeistoffen kan de brandweer optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met een waterscherm. Een tijdige waarschuwing van de bevolking om te schuilen (ramen en deuren sluiten en ventilatie uitschakelen) en evacuatie naar locaties buiten het invloedsgebied zijn de belangrijkste taken van de brandweer en het bevoegd gezag bij een ongeval met giftige gassen en vloeistoffen. Ten aanzien van het brandbare scenario, zet de brandweer eveneens in op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. Wel is het van belang dat zich in het plangebied voldoende bluswatervoorzieningen bevinden.
Het is te veronderstellen dat gezien het gegeven dat de locatie is gelegen in het centrum van Zierikzee, voldoende voorzieningen hiervoor aanwezig zijn. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. Schuilen in een gebouw of woning in beginsel de beste manier om de calamiteit te overleven. In het geval van schuilen is het zaak een veilige plek binnen een gebouw op te zoeken buiten het bereik van rondvliegend glas (zoals een toilet of badkamer). Na afloop van de calamiteit dient het gebied ontvlucht te worden om effecten door de secundaire branden te vermijden. Mensen op grotere afstand van de risicobron kunnen bij een tijdige waarschuwing het gebied op tijd ontvluchten. Bij een calamiteit met toxische gassen zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. Snel reageren, naar binnen gaan en ramen en deuren sluiten is bij dit scenario dus van belang.
Bij de inrichting van het plangebied is het van belang dat de locatie goed te ontvluchten is om personen na afloop van een calamiteit hiervan weg te kunnen leiden. Vluchtroutes dienen zo veel mogelijk personen direct van de calamiteit weg te leiden. De mensen binnen het plangebied kunnen worden verondersteld goed zelfredzaam te zijn. Binnen het plangebied zal sprake zijn van mensen met een normale mobiliteitsfactor. Het plangebied wordt goed ontsloten in geval van een calamiteit. Er zullen daarom voldoende vluchtwagens aanwezig zijn voor het ontvluchten van het plangebied.
23
Het gebruik van een WAS (waarschuwing- en alarmeringssysteem) en NL-Alert moet personen waarschuwen voor de gevolgen van het incident. Daarbij is het van belang dat dit systeem voldoende dekkend is. De Veiligheidsregio draagt in samenwerking met overheden zorg voor een dergelijk systeem. Advies Veiligheidsregio Er dient advies te worden ingewonnen bij de Veiligheidsregio Zeeland en het advies dient aan de besluiten van het bevoegd gezag te worden toegevoegd. Conclusie p.m. advies veiligheidsregio
4.7
Water Rijksbeleid – Het Nationaal Waterplan 2016-2021 Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is op 10 december 2015 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: − Nederland blijft de veiligste delta in de wereld. − Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater. − Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht. − Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement. − Nederlanders leven waterbewust. Het kabinet zet de veranderingen in het waterveiligheidsbeleid voort en zal hiertoe een wetsvoorstel met nieuwe normen voor de primaire keringen voorbereiden. Nieuwe normen zijn nodig, omdat de huidige eisen aan primaire keringen grotendeels uit de jaren zestig van de vorige eeuw dateren. Sindsdien zijn het aantal mensen en de economische waarde achter de dijken toegenomen. Ook is nieuwe kennis beschikbaar gekomen over de werking van de keringen en de gevolgen van overstromingen. De doelen op het gebied van waterveiligheid zijn omgerekend naar normspecificaties voor de keringen.
Deze zijn niet meer gebaseerd op dijkringen, maar op dijktrajecten. Elk dijktraject krijgt een norm-specificatie die past bij de gevolgen in dat specifieke gebied. De normspecificaties zijn ingedeeld in zes klassen, waarbij de overstromingskans varieert van 1/300 per jaar tot 1/100.000 per jaar. Het Rijk onderkent het belang van verbinden van ruimte en water. Bij het aanpakken van wateropgaven en de uitvoering van watermaatregelen vindt daarom afstemming plaats met andere relevante ruimtelijke opgaven en maatregelen in het gebied, zodat scope, programmering en financiering zo veel mogelijk op elkaar aansluiten of, beter nog, elkaar versterken. Het kabinet streeft daarbij ook naar integrale combinaties, waarbij ruimtelijke inrichting een belangrijke rol speelt bij het oplossen van
24
wateropgaven. Omgekeerd is het van belang om bij ruimtelijke opgaven vroegtijdig rekening te houden met wateropgaven en de veerkracht van watersystemen. De gewenste betere verbinding tussen water en ruimte geldt voor alle opgaven op het gebied van waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Beleid Waterschap Scheldestromen – Waterbeheerplan 2016-2021 In het Waterbeheerplan 2016-2021 laat het waterschap de hoofdlijnen zien van het beleid op het gebied van watersystemen en afvalwaterketen. Het waterschap heeft daar namelijk een specifieke verantwoordelijkheid voor. Wettelijk vastgelegde taken zoals het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem en voor het doelmatig zuiveren van afvalwater. Ook heeft het waterschap de taak om het watersysteem en de afvalwaterketen robuust te maken voor de toekomst zodat we gevolgen van de klimaatverandering kunnen opvangen. Concreet betekent dat voor het watersysteem de volgende doelen: − Watersystemen zijn zo ontworpen dat ernstige en langdurige wateroverlast zoveel mogelijk wordt voorkomen: oppervlaktewater treedt niet vaak buiten zijn oevers. − De gehanteerde waterpeilen zijn afgestemd op het grondgebruik oftewel de functies landbouw, natuur en wonen: goed waterpeil onder normale omstandigheden. − Zorgen voor waterkwaliteit die nodig is voor mens, plant en dier: gezond oppervlaktewater.
− Faciliteren van een verantwoord gebruik van het beschikbare zoetwater. − In de afvalwaterketen van de toekomst wordt afvalwater op een duurzame en efficiente manier ingezameld en gezuiverd, zodat het geen bedreiging vormt voor volksgezondheid en omgevingskwaliteit. Het waterbeheerplan staat voor verbinding van het werk van het waterschap met het werk van andere overheden: Provincie Zeeland, gemeenten, Rijkswaterstaat, naburige Vlaamse waterbeheerders en het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. Het waterschap schept randvoorwaarden voor gebruikers, maar biedt ook mogelijkheden en meerwaarde voor maatschappelijke gebruikers zoals burgers, agrariërs, terreinbeheerders, ondernemers en bedrijven, recreanten. Toetsing Ten behoeve van een ruimtelijke ontwikkeling dient een watertoets met het waterschap overlegd te worden. Bij de watertoets gaat het om allerlei waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt. Voorliggend plan voorziet in de sloop van een bedrijfsgebouw en de nieuwbouw van levensloopbestendige woningen.
In de huidige situatie is het perceel reeds vrijwel volledig verhard. Met de komst van de beoogde woningbouwontwikkeling ontstaat er een groen hofje waardoor de hoeveelheid verharding richting de toekomst per saldo zal afnemen. De toekomstige verhardingssituatie ziet er als volgt uit: - Bebouwing: 1.151 m² - Bestrating (weg, paden en parkeren): 1.025 m² - Onverhard (tuinen en groen): 1.252 m²
25
Bij het doorlopen van de digitale watertoets 6 is gebleken dat het plan geen belangen van het Waterschap raakt. Ook is navolgend de watertoetstabel van Waterschap Scheldestromen ingevuld. In deze tabel zijn de hiervoor genoemde aspecten verwerkt. Deze tabel is ingevuld voor de beoogde ontwikkeling. Thema en water(beheer)doelstelling
Uitwerking
Waterveiligheid Het plangebied is niet gelegen binnen de Waarborgen van het veiligheidsniveau en kern- of beschermingszone van een waterrekening houden met de daarvoor beno- kering. digde ruimte. Wateroverlast (vanuit oppervlaktewater) De ontwikkeling voorziet in de realisatie van Het plan biedt voldoende ruimte voor het woningbouw. Op deze locatie is op dit movasthouden, bergen en afvoeren van wa- ment een drukkerij aanwezig. Met de beter. Waarborgen van voldoende hoog oogde herontwikkeling zal het totale verbouwpeil om inundatie vanuit oppervlak- harde oppervlak in het plangebied afnemen. tewater in maatgevende situaties te voorkomen. Rekening houden met de gevolgen van klimaatverandering en de kans op extreme weersituaties. Grondwaterkwantiteit en verdroging De ontwikkeling voorziet niet in het oppomTegengaan/verhelpen van grondwater- pen van grondwater. Het plangebied wordt overlast en -tekort. Rekening houden met zo groen mogelijk ingericht, zodat er zich de gevolgen van klimaatverandering. Be- mogelijkheden voorzien om het hemelwater schermen van infiltratiegebieden en be- via een natuurlijke weg in de bodem te infilnutten van infiltratiemogelijkheden. treren. Hemel- en afvalwater Het afvalwater ten gevolge van de ontwikke(inclusief water op straat/overlast) ling zal (gescheiden) afgevoerd worden op Waarborgen optimale werking van de de aanwezige gemeentelijke riolering.
zuiveringen/ RWZI's en van de (gemeentelijke) rioleringen. Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken in verband met de reductie van hydraulische belasting van de RWZI, het transportsysteem en het beperken van overstorten. Volksgezondheid (water gerelateerd) Minimaliseren risico water gerelateerde ziekten en plagen. Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-risico's via onder andere de daarvoor benodigde ruimte.
De ontwikkeling heeft geen invloed op de water gerelateerde volksgezondheid.
Bodemdaling Het plangebied bevindt zich niet een gebied Voorkomen van maatregelen die (extra) dat gevoelig is voor bodemdaling. maaivelddalingen in zettinggevoelige gebieden kunnen veroorzaken.
6
Digitale Watertoets (2021). Vergunningencheck Digitale Watertoets Jannewekken 11, Zierikzee. Projectnummer 200286. 11-10-2021. 26
Oppervlaktewaterkwaliteit Behoud/realisatie van goede oppervlaktewaterkwaliteit. Vergroten van de veerkracht van het watersysteem. Toepassing van de trits schoonhouden, scheiden en zuiveren.
In de direct omgeving van het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Dit plan zal dan ook niet van invloed zijn op de kwaliteit van het oppervlaktewater.
Grondwaterkwaliteit De grondwaterkwaliteit wordt door het plan Behoud/realisatie van een goede grond- niet negatief beïnvloed. waterkwaliteit. Denk aan grondwaterbeschermingsgebieden. Natte natuur De ontwikkeling zorgt niet voor (negatieve) Ontwikkeling/bescherming van een rijke effecten op natte natuur. gevarieerde en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur. Onderhoud oppervlaktewater Binnen het plangebied is geen oppervlakteOppervlaktewater moet adequaat onder- water aanwezig. houden worden. Rekening houden met obstakelvrije onderhoudsstroken vrij van bebouwing en opgaande (hout)beplanting. Andere belangen waterbeheerder(s) Relatie met eigendom waterbeheerder De ontwikkeling vormt geen belemmering Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de voor eigendommen van de waterbeheerder. werking van objecten (terreinen, milieuzonering) van de waterbeheerder niet belemmeren. Scheepvaart en/of wegbeheer Niet van toepassing Goede bereikbaarheid en in stand houden van veilige vaarwegen en wegen in beheer en onderhoud bij Rijkswaterstaat, de provincie en/of het waterschap. Conclusie p.m. overleg waterschap
4.8
Natuur Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. Vanaf 1 januari 2017 geldt hiervoor de Wet natuurbescherming. Deze wet beschermt bepaalde plant- en diersoorten, natuurgebieden en bossen. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen.
27
Toetsing SAB heeft met een quick scan natuur 7 onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het plangebied. Ook is nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het plangebied. Navolgend worden kort de conclusies van de quick scan uiteengezet. Gebiedsbescherming Uit de quick scan volgt dat de Natura 2000-gebieden “Oosterschelde” en “Grevelingen” in de directe omgeving van het plangebied liggen. Deze liggen respectievelijk 1,8 en 5,6 kilometer van het plangebied verwijderd. In de voorgenoemde Natura 2000-gebieden zijn habitattypen aanwezig die gevoelig zijn voor de verzurende en vermestende werking van stikstofdepositie. Daarom heeft SAB een onderzoek stikstofdepositie8 opgesteld waarin de mogelijke effecten van de woningbouwontwikkeling op stikstofdepositie in Natura 2000 gebieden zijn onderzocht. Uit het onderzoek blijkt dat negatieve effecten door stikstofdepositie op deze gebieden als gevolg van stikstofemissie van dit plan zijn uit te sluiten. Omdat negatieve effecten zijn uit te sluiten is een nadere beoordeling, in de vorm van een passende beoordeling, niet nodig. Daarnaast ligt het plangebied niet in het Natuurnetwerk Nederland of andere provinciaal beschermde natuurzones.
De provinciale bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg. Soortenbescherming In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. In en nabij het plangebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Daarnaast zijn mogelijk nog enkele essentiële elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Zo blijkt uit de quick scan dat in en rondom het plangebied vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Verder blijkt uit de quick scan dat mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Met een nader onderzoek9 naar soorten is onderzocht of kan worden uitgesloten dat vleermuizen negatieve effecten ondervinden door de voorgenomen ontwikkeling.
Uit het onderzoek blijkt dat er een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd dient te worden, gezien de aanwezigheid van drie verblijfplaatsen van de gewone
7
SAB (2022). Quick scan natuur. Jannewekken 11 Projectnummer: 200286. 12 mei 2022.
8
SAB (2022). Stikstofonderzoek. Jannewekken 11 Projectnummer: 200286. 19 april 2022.
9
SAB (2022). Nader onderzoek Wet natuurbescherming Jannewekken 11 te Zierikzee. Projectnummer: 200286. 12 mei 2022. 28
dwergvleermuis en één zomerverblijfplaats van de laatvlieger. Tevens dienen mitigerende en compenserende maatregelen genomen te worden om negatieve effecten op soorten en individuen zoveel als mogelijk het voorkomen. Deze ontheffingsaanvraag met bijbehorende maatregelen zullen tijdig worden geregeld door de initiatiefnemer. Houtopstanden Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Conclusie Rekening houdend met voorgaande vormt het aspect natuur geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.9
Archeologie Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Toetsing Gelet op de ter plaatse aanwezige hoge archeologische verwachtingswaarde is in het kader van de voorgenomen ontwikkeling voorzien in een archeologisch bureau- en booronderzoek10. Op basis van het model van het Dinoloket zou het geologische profiel moeten bestaan uit afzettingen van het Laagpakket van Walcheren, op Hollandveen, op afzettingen van het Laagpakket van Wormer. Uit archeologische onderzoek bleek echter dat in dit deel van Zierikzee in de Vroege Middeleeuwen een kreekgeul actief is geweest, waardoor mogelijk de archeologische niveaus in de top van het Laagpakket van Wormer en het Hollandveen verloren zijn gegaan.