CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

20220222 Raadsbrief Raadsbrief munitiestort Oosterschelde bijlage 2

Gemeenteraad 29 maart 2022, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: Ingekomen stukken23.756 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Cr

Ni

Cu

Zn

Mo

Sn

Pb

Co

Cd

L1

9,1·103

27

6,8

4,9

33

1,1

1,4

12,5

3,2

0,17

L2

5,6·103

20

4,5

3,2

23

0,7

0,9

8,7

2,2

0,12

L3

7,7·10

3

28

6,1

4,3

30

0,6

1,2

10,6

2,8

0,12

L4

10,0·103

20

5.0

5,2

26

0,5

1,3

9,3

2,5

0,07

L6

16,0·103

13

4,1

7,3

82

0,6

1,8

10,9

3,2

0,03

L7

9,9·10

3

12

3,9

3,7

215

0,5

0,9

7,1

2,3

0,05

L10

7,9·103

22

5,0

71,6

33

0,4

1,9

12,2

2,5

0,11

L11

3

25

6,6

9,5

40

0,5

3,7

15,6

3,1

0,25

L12

3

20,6·10

19

4,7

5,0

33

1,4

1,3

12,7

2,3

0,11

L14

5,3·103

9

2,5

19,9

25

0,2

1,6

14,6

1,7

0,03

L15

3

6,0·10

16

4,1

18,9

51

0,3

0,8

10,7

2,1

0,06

A

*

55

35

40

140

1,5

6,5

50

15

0,6

Max

*

120

45

60

365

*

*

110

*

4

81

36

27

122

*

*

38

7-23

0,31

OSPAR

9,7·10

0,6 - 6,3 3

1999

0,7·10 – 1,07·103

n.a.

< 10

n.a.

< 10 37

n.a.

n.a.

< 10 29

< 10

n.a.

2001

2,8·103 – 21·103

< 50

< 25

< 25

< 25225

< 25

< 25

< 25

n.a.

n.a.

De concentraties van de geanalyseerde metalen zijn soortgelijk voor de meeste geanalyseerde waterbodemmonsters. In de op de locaties L6 en L7 genomen monsters waren de zinkconcentraties tot een factor 10 hoger dan in de monsters die op de overige locaties genomen zijn. Hetzelfde geldt voor de koperconcentraties in

TNO PUBLIEK

TNO PUBLIEK | TNO-rapport | TNO 2020 R12211

55 / 67

de monsters die genomen zijn op de locaties L10, L14 en L15. Er is geen duidelijk verband gevonden tussen de condities op deze locatie en de verhoging van deze concentraties. Wel werden in het op locatie L6 genomen waterbodemmonster ook verhoogde concentraties 2,4,6-TNT en zijn vervalproducten aangetroffen, zie ook paragraaf 5.2.3. Dit kan er op duiden dat op deze locatie munitie aanwezig is waaruit munitiegerelateerde componenten vrijkomen. Het blijkt niet eenvoudig recente wet- en regelgeving of richtlijnen te vinden voor de metaalconcentraties in met name de waterbodem. Ter referentie zijn daarom in Tabel 13 de normwaarden voor toepassen van grond en baggerspecie in oppervlaktewater en voor de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam waarop grond of baggerspecie wordt toegepast (waarden voor een standaardbodem, in mg/kg droge stof) uit de Regeling bodemkwaliteit opgenomen [28]. Daarnaast zijn de door de OsloParis conventie (OSPAR) voor de Noordzee vastgestelde achtergrondconcentraties opgenomen [27]. Afgezien van de hierboven genoemde lokale verhogingen van de concentraties zijn de gemeten concentraties alleen voor ijzer hoger dan de in deze bronnen genoemde achtergrondconcentraties. In de in 1999 en 2001 door TNO uitgevoerde meetcampagne lagen de detectielimieten hoger dan tijdens de in 2020 uitgevoerde meetcampagne.

Afgezien van de hierboven genoemde lokale maxima in de zink- en koperconcentraties lagen de in 2020 gemeten concentraties onder de in 1999 en 2001 behaalde detectielimieten of maximaal gemeten concentraties. In het genoemde Rijkswaterstaat-onderzoek [7] zijn geen waterbodemmonsters geanalyseerd.

TNO PUBLIEK

TNO PUBLIEK | TNO-rapport | TNO 2020 R12211

6

56 / 67

Alternatieve monitoringsmethoden De primaire doelen van de uitgevoerde meetcampagne waren het bestuderen van de staat van gestorte munitieartikelen en het bepalen van de concentraties munitiegerelateerde componenten in het water en in de waterbodem. Hiervoor zijn tijdens deze meetcampagne munitieartikelen geborgen en water- en waterbodemmonsters genomen door duikers. Alternatieve methoden voor het monitoren van de munitie, voor het bepalen van de wanddikteafname, en voor het bepalen van deze concentraties in water en waterbodem worden in dit hoofdstuk beschreven.

6.1

Bepaling locaties munitieartikelen Het door duikers laten opsporen en bergen van munitieartikelen uit de Oosterschelde is een kostbare operatie die niet zonder veiligheidsrisico’s is. Dit laatste wordt versterkt door het zicht en de stroming ter plaatse en de bedekking en staat van de munitieartikelen. Nu bekend is geworden dat de munitie voor een deel zo ver aangetast is, dat een open verbinding ontstaan is tussen het water en de energetische inhoud, is de toegevoegde waarde van het bergen van munitieartikelen tijdens vervolgonderzoek beperkt. Meer toegevoegde waarde heeft het beter in kaart brengen en monitoren van de locaties van de munitieartikelen. Onderzoek naar detectie en identificatie wordt onder andere gedaan binnen het door de Europese Unie gefinancierde Boost Applied munition detection through Smart data inTegration and AI workflows (BASTA) project [29]. In de hier gerapporteerde meetcampagne werd steekproefsgewijs op een aantal locaties gedoken. Ook in 1999 is slechts in een deel van het oppervlak van het munitiestortgebied de munitie in kaart gebracht, te weten langs een aantal raailijnen. Wanneer beter bekend is op welke locaties grote hoeveelheden munitie aanwezig zijn, kan monitoring van water en waterbodem gerichter plaatsvinden.

Het verdient daarom de aanbeveling om te onderzoeken of inmiddels technieken beschikbaar zijn waarmee op efficiënte wijze de aanwezigheid van munitieartikelen in het gehele munitiestortgebied in kaart gebracht kan worden. Te denken valt hierbij aan met sonar werkende onderwaterrobots, zoals de bij de Koninklijke Marine beschikbare Remus-systemen [30]. Hiermee kunnen objecten op of vlak onder de waterbodem zeer nauwkeurig in kaart worden gebracht. Wanneer deze metingen periodiek worden verricht kan ook een beeld worden verkregen of en waar munitie in de waterbodem verdwijnt of juist vrij komt te liggen.

6.2

Niet-destructieve analyse munitieartikelen Voor een eventuele volgende meetcampagne zou het interessant zijn om de bewerkelijke methode voor de bepaling van wanddikteafname met waterstraalsnijden en optische microscopie te vervangen door een non-destructieve meetmethode. Hiertoe is tijdens het huidige project een inventarisatie gemaakt van mogelijke nietdestructieve technieken. Een van de doelen van dit deelonderzoek was om te bepalen of met voldoende nauwkeurigheid de wanddikte-afname non-destructief bepaald kan worden.

TNO PUBLIEK

TNO PUBLIEK | TNO-rapport | TNO 2020 R12211

57 / 67

De inventarisatie van niet-destructieve analysetechnieken die toegepast zouden kunnen worden op intacte munitieartikelen leverde de volgende mogelijkheden op: Röntgen, ultrasoon en op inductie gebaseerde technieken.  Voor Röntgenanalyse dient bij voorkeur het gehele munitieartikel in één keer geanalyseerd te worden. Er zijn mobiele units beschikbaar, waardoor deze techniek waarschijnlijk wel geschikt is om wanddiktes te bepalen van een nog intact munitieartikel [14]. Nadeel van deze methode is dat het gehele, nog intacte munitieartikel, gemanipuleerd moet worden door medewerkers van een extern in te huren bedrijf om deze Röntgenbeelden te maken. Vanuit veiligheidsoogpunt is hiervan afgezien, maar dat neemt niet weg dat deze techniek na het opstellen van een risicoanalyse en het treffen van de juiste risico-mitigerende maatregelen, wel een alternatieve, niet-destructieve methode kan zijn.  Ultrasone meettechnieken worden met name toegepast voor de inspectie van bijvoorbeeld pijpleidingen of andere constructies. Het meetprincipe is gebaseerd op het meten van de tijd die nodig is voor een geluidsgolf om door een bepaald materiaal te bewegen. Hierbij is een volledig schoon oppervlak vereist om goede metingen te kunnen doen, hetgeen betekent dat eventuele aangroei eerst verwijderd dient te worden.

 Eddy-current testing maakt gebruik van inductie en is alleen toepasbaar voor elektrische geleidende oppervlakken. Aangezien het omhulselmateriaal doorgaans (sterk) gecorrodeerd is (vorming van metaaloxides), leek deze techniek minder geschikt. Voor het huidige onderzoek is besloten om een aantal inleidende testen te doen om de toepasbaarheid van een ultrasone meettechniek te kunnen beoordelen om de dikte van een omhulsel te meten [15]. De inleidende testen zijn uitgevoerd aan een aantal doorgezaagde omhulsels: een 40 mm HE-brisantgranaat (M3-2), een M28A2 HEAT raket (M2) en een kogelpunt. Voor de metingen is een 10 MHz ultrasone transducer gebruikt met een gefocusseerde bundel. Ter illustratie is in Figuur 73 een profielmeting te zien van één van de helften van het omhulsel van de 40 mm HE-brisantgranaat (M3-2). De meting is zowel in transmissie als in puls-echo uitgevoerd, steeds met een interval van 1 mm in de lengterichting. Hierbij is het omhulsel ondergedompeld in water om een goede koppeling te krijgen van de geluidsgolven in het materiaal van het omhulsel. De meting in transmissie is als “true profile” aangemerkt omdat deze meting minder gevoelig is voor nietloodrechte inval van de geluidsgolven; loodrechte inval van de geluidsgolven is wel kritisch voor de puls-echo metingen.

De transmissie en puls-echo metingen liggen binnen 0,2 mm van elkaar op de stukken waar de pulse-echo loodrecht op de omhulselwand staat. Bij de inleidende testen was de meetfout minder dan 0,5 mm.

TNO PUBLIEK

TNO PUBLIEK | TNO-rapport | TNO 2020 R12211

Figuur 73

58 / 67

Eén van de helften van het doorgezaagde omhulsel van de 40mm HE-brisantgranaat (M3-2, bovenste foto); dikteprofielmeting gemeten in de lengterichting van het omhulsel (onder).

De ultrasoon-metingen zijn vergeleken met een handmatige diktemeting. Hiertoe is het omhulsel nogmaals doorgezaagd over dezelfde lijn waarlangs het profiel met de ultrasone techniek is opgemeten. Daarna is de dikte opgemeten in de lengterichting. De metingen laten een zeer goede overeenkomst zien, zie Figuur 74.

Figuur 74

TNO PUBLIEK

Handmatig opgemeten wanddikteprofiel van de 40mm HE-brisantgranaat (M3-2) langs dezelfde lijn als waarlangs de ultrasone meting is gedaan.

TNO PUBLIEK | TNO-rapport | TNO 2020 R12211

59 / 67

Ultrasoon-metingen lijken dus een geschikte methode voor het ter plaatse, nondestructief meten van de wanddikte van munitieartikelen. Echter, alvorens deze techniek in de praktijk kan worden toegepast, zal eerst een meer uitgebreide validatie gedaan moeten worden. Daarbij zijn de volgende aandachtspunten van belang:  Vaststellen van eisen die aan het ultrasoon meetsysteem gesteld worden, met name gerelateerd aan het te meten diktebereik en het oppervlakteprofiel;  Voor een intact munitieartikel komt waarschijnlijk alleen een pulse-echo meting in aanmerking; daarbij is het van belang dat de transducer loodrecht op de te meten wand staat; dit zou met een relatief simpele opstelling te realiseren moeten zijn. Verder is het essentieel dat eventuele losse corrosieproducten eerst worden verwijderd, bijvoorbeeld met een borstel of hogedrukreiniger.  Het effect van de aanwezigheid van een explosieve lading op de wanddiktemeting moet onderzocht worden. De verwachting is dat dit geen nadelige invloed op de meting zal hebben, aangezien er een groot verschil is in akoestische eigenschappen van de lading ten opzichte van het metalen omhulsel.  De nauwkeurigheid die te halen is hangt af van het oppervlak en de nauwkeurigheid waarmee de geluidsnelheid in het omhulselmateriaal bekend is. Bij de inleidende testen was de meetfout beter dan 0,5 mm.

Voor het monitoren van het corrosieproces van gestorte munitieartikelen lijkt dit vooralsnog een acceptabele meetfout.  Inventariseren welk typen omhulselmaterialen er gebruikt zijn in geval van de gestorte munitie; dat kan per munitiesoort verschillen. Als de samenstelling van het omhulselmateriaal niet bekend is, kan een geschatte geluidsnelheid gebruikt worden. Dit zal leiden tot een grotere onnauwkeurigheid in de gemeten diktes.  De ultrasoon meettechniek kan, na aanpassingen, geschikt gemaakt worden als mobiele opstelling, waardoor deze direct inzetbaar is op het schip waar vanaf de duikers naar beneden gaan om gestorte munitieartikelen omhoog te halen. De profielmetingen zouden dus vrijwel direct nadat een gestort munitieartikel gelicht is uitgevoerd kunnen worden. Het munitieartikel dient in een waterbad ondergedompeld te worden om de ultrasoonmeting te kunnen uitvoeren. Een adequate training van personeel in het gebruik van de meetapparatuur is vereist. 6.3

Water- en waterbodemmonstername vanaf de oppervlakte Tijdens de hier gerapporteerde meetcampagne is gebruik gemaakt van monstername door duikers. Dit is een tijd- en kostenintensieve methode omdat er maar een beperkt gedeelte van de dag gedoken kan worden in verband met getijden en de daardoor veroorzaakte stroming. Het voordeel van deze methode is dat de locatie van monstername gekozen kan worden ten opzichte van door de duiker waargenomen artikelen. Hierdoor kunnen verwachte lokale worst-case scenario’s worden onderzocht. In de door TNO uitgevoerde meetcampagne in 2001 werden de water- en waterbodemmonsters genomen vanaf een vaartuig zonder tussenkomst van duikers [4]. Dit leverde een aanzienlijk kleinere afhankelijkheid van het weer en getijden op. Verder heeft Rijkswaterstaat ruime ervaring met het bemonsteren vanaf meetschepen, waarbij een meetvis vanaf een exacte afstand vanaf de bodem water oppompt, waarna aan boord een monster wordt veiliggesteld. In verband met de stroming en de daarmee samenhangende verdunning is het bij het nemen van watermonsters wel belangrijk dat deze voldoende dicht bij de waterbodem genomen

TNO PUBLIEK

TNO PUBLIEK | TNO-rapport | TNO 2020 R12211

60 / 67

worden. Zowel de methode met duikers als de monstername vanaf een vaartuig leveren een momentopname op van de concentraties munitiegerelateerde stoffen aanwezig in het water vlak boven en in het sediment op de stortlocatie. 6.4

Passieve cumulerende monstername Om een meer realistisch beeld te krijgen van de gemiddelde concentraties, zou het beter zijn om de munitiegerelateerde stoffen over een langere periode te monitoren om zo tot tijd gewogen gemiddelde concentraties te komen. Studies in de VS [31] [32] en in de EU [33] hebben laten zien dat deze monitoring kan worden uitgevoerd met behulp van passieve samplers. Dit zijn houders met daarin een speciaal substraat (bv. membraan of siliconenrubber) waaraan in het water aanwezige verontreinigingen adsorberen. Voorbeelden van passieve samplers zijn polar organic chemical integrative samplers (POCIS) [31] [32] [34], siliconenrubber samplers [34], Chemcatcher® [35] of Speedisk samplers. Er moeten verschillende typen membranen of siliconenrubbers gebruikt worden, afhankelijk van de aard van de te adsorberen stoffen, bv. (a)polaire organische stoffen of metaalionen. Deze passieve samplers worden in het te onderzoeken watergebied gehangen/verankerd en meestal na enkele weken weer omhoog gehaald, waarna de aan het membraan of siliconenrubber geadsorbeerde stoffen geanalyseerd worden. In het geval van siliconenrubber samplers komen de te adsorberen stoffen uiteindelijk in evenwicht met het omgevende water. Afhankelijk van de stof kan dit één dag tot vele maanden duren. Voor apolaire stoffen duurt het over het algemeen lang voordat evenwicht is bereikt.

Deze periode wordt meestal korter naarmate de stof meer polair wordt. Na het bereiken van evenwicht staat de sampler de stoffen ook weer af. Speedisks zijn samplers waaraan stoffen zo vast in of op de sampler zitten dat ze niet meer worden afgegeven aan het water. Gedurende de gehele periode vindt opname plaats, waardoor over de gehele periode een gemiddelde concentratie wordt gemeten. Na analyse worden de substraten geregenereerd waardoor deze vaak opnieuw gebruikt kunnen worden. Deze manier van bemonsteren heeft een aantal voordelen: de samplers kunnen gedurende langere tijd in het water worden geplaatst en geven een tijdgewogen gehalte, ze kunnen ingezet worden bij relatief lage concentraties, ze zijn eenvoudig te plaatsen (bv. in een kooi) en op een vast punt in het water worden verankerd, en de kosten zijn relatief laag. Er zijn soortgelijke passieve sampling technieken beschikbaar om concentraties van verontreinigingen aanwezig in sediment te monitoren [36]. Dit laatste kan met name voor de munitiestort in de Oosterschelde interessant zijn, aangezien ca. 99% van de gestorte munitie bedekt is door sediment. Eventueel vrijkomende munitiegerelateerde deeltjes en opgeloste stoffen zullen dan met name eerst in het sediment terecht komen en via diffusie en transport door het sediment pas in het watermilieu vrijkomen.

De verwachting is daarom dat eventuele accumulatie van vrijgekomen munitiegerelateerde stoffen met name in het sediment zal plaatsvinden. De sterke stroming in de Oosterschelde zorgt voor een zodanige verdunning, dat de concentraties van munitiegerelateerde stoffen zeer snel omlaag gaan zodra deze stoffen in het watermilieu terecht komen. Het gebruik van samplers op basis van siliconenrubbers waarbij er een evenwicht ontstaat tussen de verontreinigingen in het water en die op het rubber adsorberen

TNO PUBLIEK

TNO PUBLIEK | TNO-rapport | TNO 2020 R12211

61 / 67

levert uiteindelijk een zelfde momentopname op als het nemen van een watermonster. Met de Speedisk komen stoffen zo vast in of op de sampler te zitten dat ze niet meer worden afgegeven aan het water. Op die manier kunnen de geaccumuleerde stoffen na een bepaalde blootstellingsperiode tot veel lagere concentratieniveaus teruggerekend worden. Het nadeel van het gebruik van passieve samplers is dat er, in tegenstelling tot de monstername vanaf een vaartuig, wel duikers nodig zijn om de passieve samplers na een bepaalde meettijd weer naar de oppervlakte te halen (en tegelijkertijd een nieuwe sampler te plaatsen), waarna de op de membranen of siliconenrubbers geadsorbeerde stoffen in een laboratorium geanalyseerd kunnen worden.

TNO PUBLIEK

TNO PUBLIEK | TNO-rapport | TNO 2020 R12211

7

62 / 67

Conclusies en aanbevelingen Tijdens de meetcampagne van 2020 zijn er verschillende munitieartikelen geborgen waaronder antitankmijnen, antitankraketten, 40 mm brisantgranaten, mortiergranaten, rookgranaten en rookpotten. Bij het merendeel van de geborgen artikelen was het omhulsel dusdanig aangetast dat een lekpad aanwezig was waardoor de energetische inhoud in contact stond met het zeewater. De energetische inhoud van de onderzochte munitie, bestaande uit explosieven en voortdrijvende lading, was nog grotendeels intact. De laag slib, de slechts deels permeabele roestlaag en de lage oplosbaarheid van de energetische inhoud zijn hierin factoren die het uitspoelen vertragen. Deze factoren bemoeilijken ook het doen van voorspellingen over de snelheid van vrijkomen. De op basis van de waarnemingen geschatte wanddikteafname als gevolg van uniforme corrosie onder invloed van zeewater is 0,01 tot 0,03 mm/jaar. Dit is in lijn met de in 2001 gerapporteerde wanddikteafname van ongeveer 0,02 mm/jaar. Galvanische corrosie is echter een sneller proces en heeft in de gevonden artikelen geregeld geleid tot het weg corroderen van de ontstekers en van de omhulsels ter plaatse van de geleideband. Op basis van de wanddikteafname door corrosie is eerder berekend dat het 250 tot 500 jaar duurt voor de volledige wanden van dikwandige munitieartikelen zijn opgelost.

Bij dunwandige artikelen en op plaatsen waar galvanische corrosie optreedt is minder tijd nodig voordat de energetische inhoud aan het water blootgesteld wordt. De meeste geanalyseerde munitieartikelen werden aangetroffen op of vlak onder de waterbodem en in een verpakking. De waargenomen aantasting en wanddikteafname van de munitie is dan ook gebaseerd op analyse van deze artikelen. Het overgrote deel van de gestorte munitie is echter bedekt door een laag sediment. Omdat bedekking door sediment naar verwachting invloed heeft op de snelheid van aantasting, bijvoorbeeld door minder schurende werking door langsstromend water of door een lagere beschikbaarheid van zuurstof is het onmogelijk om op basis van het huidige onderzoek uitspraken te doen over de aantasting van de volledige hoeveelheid gestorte munitie. Uit bovenstaande wordt wel duidelijk dat de volledige hoeveelheid munitiegerelateerde stoffen uit omhulsels en van de energetische inhoud over een lange periode verspreid vrijkomt, hetgeen een gunstig effect heeft op de concentraties van deze stoffen. Er zijn verschillende artikelen met witte fosfor gevonden, waaronder een 3” mortier granaat, een 4.2” mortiergranaat en (mogelijk, witte fosfor niet vastgesteld) verschillende rookpotten. Deze artikelen konden niet gedemonteerd worden omdat hierdoor het witte fosfor aan de lucht zou worden blootgesteld en zou ontbranden.

In geen van de gevallen waren deze granaten in dusdanig slechte staat dat witte fosfor kon weglekken. Op een aantal munitieartikelen zijn ontstekers aangetroffen. Er kan niet worden uitgesloten dat deze ontstekers nog kunnen functioneren, echter de kans op initiatie is nihil bij afwezigheid van externe druk op de ontstekers. In het munitiestortgebied werden watermonsters genomen op ongeveer 20 centimeter boven de waterbodem. De concentraties explosieven en hun vervalproducten waren op enkele plaatsen hoger dan op andere plaatsen en dan in de referentiemonsters. Voor TNT werden lokaal concentraties tot 57 ng/L water

TNO PUBLIEK

TNO PUBLIEK | TNO-rapport | TNO 2020 R12211

63 / 67

gemeten. Voor de maximaal aanvaardbare concentraties explosieven en hun vervalproducten zijn geen normen of richtlijnen die direct van toepassing zijn. De hoogste in het water aangetroffen concentraties liggen echter een factor 20 tot 2000 lager dan internationale richtlijnen voor drinkwater en een factor 10 lager dan het MTR voor grondwater. In de waterbodemmonsters waren de concentraties van deze stoffen op de meeste locaties onder de detectielimiet. Op enkele plaatsen werden TNT concentraties tot 7 ng/g waterbodem gedetecteerd. De hoogste in de waterbodemmonsters gemeten concentraties liggen meer dan een factor 1000 lager dan internationale grenswaarden en de hoogste voor TNT gemeten waarde lag een factor 100 lager dan het MTR voor bodem. Voor 2,4-DNT werd op één bemonsterde locatie het MTR met een factor 6 overschreden. In de geanalyseerde waterbodemmonsters werd geen witte fosfor aangetroffen. In de watermonsters werden op enkele locaties metaalconcentraties aangetroffen die hoger waren dan in de overige monsters en dan in de referentiemonsters. Voor koper en zink lagen de gemeten concentraties lokaal een factor 5 tot 10 boven de indicatoren voor de goede ecologische kwaliteit oppervlaktewaterlichamen.

Hierbij dient te worden opgemerkt dat de watermonsters op 20 centimeter boven de waterbodem genomen zijn en dat de concentraties hoger in de waterkolom lager zullen zijn door verdunning. Dit wordt bevestigd door het in 2014 door Rijkswaterstaat uitgevoerde onderzoek waarbij hoger in de waterkolom lagere concentraties metalen werden aangetroffen dan tijdens het huidige onderzoek. De concentraties metalen die gemeten werden in de waterbodemmonsters waren lager dan de gerapporteerde achtergrondconcentraties. Alleen voor ijzer waren de concentraties hoger en op enkele locaties werden ook voor koper en zink concentraties tot een factor 10 boven de achtergrondconcentraties gevonden. Al met al zijn er geen redenen om aan te nemen dat er hogere concentraties munitiegerelateerde componenten in het water en de waterbodem aanwezig zijn dan tijdens de onderzoeken in 1999 tot 2003. Ondanks de verregaande aantasting van de munitieartikelen werden alleen lokaal verhoogde concentraties munitiegerelateerde componenten aangetroffen. Het langzaam vrijkomen van deze stoffen kan worden verklaard door de aanwezigheid van aangroei op de geborgen munitie, door de aanwezigheid van de restanten van de omhulsels en door de beperkte oplosbaarheid van de energetische verbindingen.

Daarnaast zorgen de afbraak van de energetische inhoud in het water en de snelle verdunning door de getijdewerking er vervolgens voor dat geen ophoping van deze componenten in het water plaatsvindt. Nu bekend is dat de munitie voor een deel zo ver aangetast is, dat een open verbinding bestaat tussen het water en de energetische inhoud, is de toegevoegde waarde van het bergen van munitieartikelen tijdens vervolgonderzoek beperkt. Meer toegevoegde waarde heeft het om te onderzoeken of de locaties van de munitieartikelen in de Oosterschelde beter in kaart gebracht kunnen worden, in aanvulling op de steekproefsgewijze inventarisaties van de op de waterbodem aanwezige munitieartikelen zoals deze tot nu toe zijn uitgevoerd. Wanneer deze metingen periodiek worden verricht kan ook een beeld worden verkregen of en waar munitie in de waterbodem verdwijnt of juist vrij komt te liggen.

TNO PUBLIEK

TNO PUBLIEK | TNO-rapport | TNO 2020 R12211

64 / 67

Meer gedetailleerde informatie over de locaties van de munitieartikelen geeft ook meer inzicht in wat de beste locaties zouden zijn om de concentraties munitiegerelateerde componenten in het water en de waterbodem te monitoren. Deze metingen blijven periodiek nodig om een beeld te krijgen of verdere en eventueel snellere aantasting van de munitieartikelen leidt tot hogere concentraties van deze stoffen. Tussen de door TNO uitgevoerde metingen in de periode 19992003 en de huidige meetcampagne lag een periode van ongeveer 20 jaar. In de tussenliggende periode zijn nog wel metingen aan het water uitgevoerd door Rijkswaterstaat, echter door de afwijkende methodologie zijn de resultaten daarvan niet zonder meer te vergelijken met de door TNO uitgevoerde onderzoeken. Omdat geen grote verschillen zijn waargenomen tussen resultaten van de onderzoeken in de periode 1999-2004 en het huidige onderzoek, is er geen aanleiding de monitoringsfrequentie te verhogen. Op basis van de inleidende testen met een ultrasone techniek om aan de hand van een profielmeting de dikte van een omhulsel te bepalen, kan geconcludeerd worden dat deze techniek goed overeenkomt met de handmatige meting van de dikte. Verdere validatie van deze techniek voor deze toepassing is echter wel vereist.

TNO PUBLIEK

TNO PUBLIEK | TNO-rapport | TNO 2020 R12211

8

65 / 67

Referenties [1] [2]

[3] [4]

[5] [6]

[7] [8]

[9]

[10] [11] [12]

[13] [14] [15]

[16] [17] [18] [19]

[20]

TNO PUBLIEK

N.H.A. van Ham, W. Duvalois, Onderzoek Munitiedump Oosterschelde, TNO rapport PML 1999-A59, juni 1999 N.H.A. van Ham, W. Duvalois, V.G. Blankendaal, Beoordeling van de milieurisico’s van gestorte munitie in de Oosterschelde – Bureaustudie op basis van metingen in 1999, TNO rapport PML 2000-A68, mei 2001 N.H.A. van Ham, W. Duvalois, H.W.R. Sabel, Onderzoek in zee gestorte munitie, TNO rapport 2001-A6, juni 2001 N.H.A. van Ham, W. Duvalois, V.G. Blankendaal, J.A. van Dalfsen, H.P. van Dokkum, Beoordeling van de milieurisico’s van gestorte munitie in de Oosterschelde – Vervolgonderzoek op basis van metingen in 2001, TNO rapport 2002-A9, juli 2002 N.H.A. van Ham, W. Duvalois, Onderzoek AT 26 ontstekers, TNO rapport PML 2003-A60, juli 2003 N.H.A. van Ham, W. Duvalois, J.A. van Dalfsen, A. Weber, Beoordeling van milieurisico’s van gestorte munitie in de Oosterschelde. – Vervolgonderzoek op basis van metingen in 2003, TNO rapport PML 2004-A40, januari 2005 R.P.M. Berbee, R. de Boer, Munitiestort Oosterschelde – metingen waterkwaliteit 2014, Rijkswaterstaat, april 2015 J.W.M. Wijsman, M.J.J. Kotterman, C.J.A.F. Kwadijk, Energetische stoffen en zware metalen in schelpdiervlees bij munitiestort Gat van Zierikzee, IMARES Wageningen UR, Rapport C040/15, maart 2015 W. Duvalois, A.

den Otter, Ammunition dump Oosterschelde - Release of substances, Appendix A of TNO Memorandum 19EM0733, 13 november 2019 R. Jentink, Kaarten munitiestort Zierikzee, Rijkswaterstaat, augustus 2019 E. Kroon, Corrosion effects on UXO fragmentation properties, TNO rapport TNO-DV 2010 A158, augustus 2010 Plan Van Aanpak Corrosieonderzoek Oosterschelde Week 35/36 UO 2020.1883.000, EODD – Maritieme EOD Compagnie, Versie 1.3, 15 juni 2020 Archieven EODD https://www.applus.com/global/en/about-us/our-brands/applus-rtd (geraadpleegd op 12 december 2020) A.W.F. Volker, Wall thickness measurements on dumped munition articles overview of experimental results, TNO interne powerpoint presentatie, november 2020 M. Aalbregt, W. Duvalois, N.H.A. van Ham, Risk of old detonators, TNO-DV 2008 C135, april 2008 M. Aalbregt, W. Duvalois, N.H.A. van Ham, Risk of old detonators, TNO-DV 2009 C018, februari 2009 W. Duvalois, N.H.A. van Ham, E.J. Kroon, Risk assessment of Old German Detonators, TNO-DV 2011 C233, oktober 2011 W. Duvalois, E.J. Kroon, N.H.A. van Ham, Chemical analysis of WWII percussion cap primer composition and yellow bloom, TNO-DV 2012 C036, februari 2012 E.J. Kroon, Risicoanalyse en beheersmaatregel met betrekking tot munitie voor de kust van Zoutelande, TNO 2019 R10016, september 2019

TNO PUBLIEK | TNO-rapport | TNO 2020 R12211

[21]

[22]

[23]

[24]

[25] [26]

[27]

[28] [29] [30] [31]

[32]

[33]

[34]

[35] [36]

TNO PUBLIEK

66 / 67

T. Wenzl, J. Haedrich, A. Schaechtele, P. Robouch, J. Stroka, Guidance Document on the Estimation of LOD and LOQ for Measurements in the Field of Contaminants in Feed and Food, Publications Office of the European Union, 2016, JRC102946, EUR 28099 EN Practical Guide for Environmental Monitoring of Conventional Munitions in the Seas, Geomar Helmholtz Zentrum für Ozeanforschung Kiel, Version 1.1, December 2019 Technical Fact Sheet – 2,4,6-Trinitrotoluene (TNT) November 2017, United States Environmental Protection Agency, https://www.epa.gov/sites/production/files/201710/documents/ffrrofactsheet_contaminants_tnt_9-15-17_508.pdf 'J. Lijzen, J. Claessens, M.

Mesman, Beoordeling bodemverontreiniging als gevolg van verbrandingsproducten van munitie, RIVM rapport 60735002, 2010 Regeling monitoring kaderrichtlijn water, Bijlage, Geldend van 19-11-2015 t/m heden, https://wetten.overheid.nl/BWBR0027502/2015-11-19#Bijlage Besluit kwaliteitseisen en monitoring water 2009, Geldend van 01-01-2017 t/m heden, https://wetten.overheid.nl/BWBR0027061/2017-0101#Paragraaf2 OSPAR Convention for the Protection of the Marine Environment of the North-East Atlantic: Agreement on Background Concentrations for Contaminants in Seawater, Biota and Sediment (OSPAR Agreement 20056) Regeling bodemkwaliteit, Bijlage B, Geldend van 09-06-2020 t/m heden, https://wetten.overheid.nl/BWBR0023085/2020-06-09#BijlageB https://www.basta-munition.eu/ https://www.defensie.nl/actueel/nieuws/2018/09/12/3-nieuweonderwaterrobots-voor-mijnendienst J. Belden, P. Sims, G. Rosen, R. George and G. Lotufo, Optimization of integrative passive sampling approaches for use in the epibenthic environment, SERDP Project ER-2542, December 2016 G.R. Lotufo, R.D. George, J.B. Belden, C.M. Woodley, D.L. Smith and G. Rosen, Investigation of polar organic chemical integrative sampler (POCIS) flow rate dependence for munition constituents in underwater environments, Environ. Monit. Assess. 190 (2018) 171 K. Booij, C.D. Robinson, R.M. Burgess, Ph. Mayer, C.A. Roberts, L. Ahrens, I.J. Allan, J.

Brant, L. Jones, U.R. Kraus, M.M. Larsen, P. Lepom, J. Petersen, D. Pröfrock, P. Roose, S. Schäfer, F. Smedes, C. Tixier, K. Vorkamp and P. Whitehouse, Passive sampling in regulatory chemical monitoring of nonpolar organic compounds in the aquatic environment, Environ. Sci. Technol. 50 (2016) 3-17 R. van der Oost, M.T. Nguyen en F. de Haan, Slim monitoren van de waterkwaliteit met passieve monsternamemethoden, H2O: tijdschrift voor watervoorziening en afvalwaterbehandeling 45 (2012), 23-27 Chemcatcher®, https://chemcatcher.ie/#top W.J.G.M. Peijnenburg, P.R. Teasdale, D. Reible, J. Mondon, W.W. Bennett and P.G.C. Campbelly, Passive sampling methods for contaminated sediments: state of the science for metals, Integrated Environmental Assessment and Management 10 (2014) 179-196

TNO PUBLIEK | TNO-rapport | TNO 2020 R12211

9

Ondertekening (digitaal) Afdelingshoofd ValidSigned by Andrea Burik on 18-05-2021

Auteurs ValidSigned by Arjan den Otter on 18-05-2021

ValidSigned by Martin Olde on 17-05-2021

ValidSigned by Antoine van der Heijden on 17-05-2021

ValidSigned by Martijn Koolloos on 17-05-2021

TNO PUBLIEK

67 / 67

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11231904/1