CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

20210713 Raadsbrief Ontwerpbestemmingsplan Schouwse Valleien - De Schouwse Valleien ontwerp toelichting en regels

Gemeenteraad 30 september 2021, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: Ingekomen stukken20.453 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Rho adviseurs voor leefruimte

20200621

33

Hoofdstuk 4

4.1

Omgevingsaspecten

Inleiding

Ten behoeve van de vormvrije m.e.r.-beoordeling voor de gehele ontwikkeling van De Schouwse Valleien heeft Arcadis onderzoeken uitgevoerd naar de aspecten Verkeer en parkeren, industrielawaai, wegverkeerslawaai, luchtkwaliteit en geohydrologie. Daarnaast is een voortoets inclusief stikstofberekening voor de gebruiksfase uitgevoerd. Deze onderzoeken zijn, hoewel onderdeel van de vormvrije m.e.r.-beoordeling, separaat als bijlage aan dit bestemmingsplan toegevoegd. In de door Arcadis opgesteld onderzoeksrapporten Verkeer en parkeren, Akoestisch onderzoek Industrielawaai, Akoestisch onderzoek Wegverkeerslawaai en Luchtkwaliteit is uitgegaan van de destijds door de gemeente Schouwen-Duiveland gehanteerde normering op grond van de destijds geldende Agenda Toerisme voor het aantal parkeerplaatsen en het aantal verkeersbewegingen per verblijfsrecreatieve eenheid. Na het opstellen van de Arcadisrapporten in februari 2020 zijn de gemeentelijke kengetallen voor parkeren en verkeersgeneratie in juni 2020 gewijzigd, zie paragraaf 3.4.5 en paragraaf 4.9. Het gaat daarbij om een verlaging van het kengetal voor de verkeersgeneratie van 4 naar 2,2 verkeersbewegingen per parkeerplaats, waarbij per 3 bedden één parkeerplaats moet worden gerealiseerd.

Als de verkeersgeneratie van Duinrand met de nieuwe gemeentelijke kengetallen zou zijn berekend, zou zowel voor de bestaande situatie als voor de nieuwe situatie sprake zijn van substantieel minder verkeer (grofweg een halvering). Dat betekent dat de onderzoeken van Arcadis een overschatting geven van de verkeersintensiteiten en de geluidbelasting op de omgeving als gevolg van het verkeer van en naar de parken, zowel in de bestaande als in de nieuwe situatie. In dat licht kunnen de uitkomsten van de onderzoeken verkeer en parkeren, wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtkwaliteit door Arcadis worden gezien als een "worst-case benadering". De conclusie uit de onderzoeken van Arcadis dat in de toekomstige situatie per saldo een verbetering optreedt van de geluidsbelasting en luchtkwaliteit in de omgeving, als gevolg van de afname van de verkeersstromen, geldt onverminderd. Het enige – gunstige – verschil is, dat deze verbetering op basis van de nieuwe, thans geldende gemeentelijke kengetallen groter is dan op basis van de door Arcadis gebruikte kengetallen. Ook zijn de conclusies van de door Arcadis uitgevoerde akoestische onderzoeken wegverkeers- en industrielawaai (dat de aspecten verkeer en parkeren, industrielawaai en wegverkeerslawaai zich niet verzetten tegen de beoogde ontwikkeling) onverkort actueel, ongeacht de gewijzigde kengetallen.

Rho adviseurs voor leefruimte

20200621

34

4.2

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Beleid en normstelling Per 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Deze wijziging geldt voor alle aanvragen na 16 mei 2017, omdat er een directe werking van het Europese recht geldt. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvormíng omtrent en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen, waaronder partiële herzieningen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is:  Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten;  Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Onder de grenzen uit de C- en D-lijst van het Besluit m.e.r. geldt nog wel de plicht om een 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' uitvoeren.

Dit houdt in dat er bekeken moet worden of bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten er toch een MER moet worden opgesteld. In artikel 7.16, tweede tot en met vierde lid van de Wet milieubeheer, staat welke informatie over de voorgenomen activiteit in de mededeling van de initiatiefnemer moet zijn opgenomen. Bij het opstellen van deze informatie moet ook rekening worden gehouden met de relevante criteria van bijlage III bij de Europese mer-richtlijn. Toetsing en conclusie De ontwikkeling is op basis van aard en omvang niet (rechtstreeks) mer-plichting. Ook is geen passende beoordeling nodig in het kader van de Wet natuurbescherming. De beoogde ontwikkeling betreft een wijziging van een vakantiedorp (Lijst D10.C) waarvoor dit bestemmingsplan wordt opgesteld. Aangezien de drempelwaarde niet wordt overschreden kan worden volstaan met een vormvrije mer-beoordeling. Een aanmeldnotitie voor de ontwikkeling van De Schouwse Valleien is opgesteld, zie bijlage 3. Aangetoond wordt dat de ontwikkeling geen significant negatieve effecten op de omgeving heeft. Conclusie (p.m. datum besluit op mer-beoordeling)

4.3

Bodemkwaliteit

Beleid en normstelling Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur te worden gerealiseerd op bodem die geschikt is voor het beoogde gebruik.

Rho adviseurs voor leefruimte

20200621

35

Onderzoek Het feitelijke gebruik als verblijfrecreatieterrein verandert niet. Middels dit bestemmingsplan vindt enkel een omzetting plaats van stacaravanplaatsen en recreatiewoningen op standplaatsen naar uitsluitend recreatiewoningen. Onderzoek naar de kwaliteit van de bodem is dan ook niet noodzakelijk. Voorafgaand aan de herinrichting dient de kwaliteit van de bodem echter wel te worden vastgesteld en dient de aanwezigheid van asbest uitgesloten te worden. Nader bodemonderzoek is dan ook noodzakelijk voor de aanvraag omgevingsvergunning. Met dit onderzoek is gestart in het voorjaar van 2021. De afronding vindt sowieso plaats voorafgaand aan de aanvraag aanleg- en bouwvergunning. Conclusie Met het uitvoeren van het bodemonderzoek vormt de bodemkwaliteit geen belemmering voor de geplande ontwikkeling.

4.4

Niet gesprongen explosieven

Op een onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen nog bommen, granaten en andere munitie uit de Tweede Wereldoorlog. Wanneer deze explosieven bij werkzaamheden worden aangetroffen, kunnen deze gevaar opleveren voor de publieke veiligheid. Daarnaast kunnen deze vondsten een zware belasting voor het milieu vormen. Onderzoek Op basis van het Bodemvenster (bron: provincie Zeeland) ligt de beoogde ontwikkeling in een gebied waar niet-gesprongen explosieven kunnen voorkomen. De gemeente Schouwen-Duiveland beschikt over een inventarisatie van niet-gesprongen explosieven, op basis van historisch onderzoek, ooggetuigenverklaringen en eerdere vondsten. Op grond van deze informatie is een onderzoek naar niet-gesprongen explosieven noodzakelijk. Dit onderzoek is medio 2020 uitgevoerd door Bodac, zie bijlage 4. Uit dit onderzoek blijkt dat het plangebied onverdacht is op het voorkomen van conventionele niet gesprongen explosieven. Bij graafwerkzaamheden dient men alert te zijn en het in bijlage 3 van dat onderzoek opgenomen protocol te hanteren. Conclusie Het aspect niet gesprongen explosieven vormt geen belemmering voor de uitvoer van de beoogde ontwikkeling.

4.5

Archeologie

Beleid en normstelling Het cultureel erfgoed van Nederland wordt beschermt met de Erfgoedwet. Om te voorkomen dat de archeologische informatie ongezien verloren gaat, is het noodzakelijk dat gemeenten in het ruimtelijk beleid waarborgen voor de omgang met dit bodemarchief. Dit is een uitvloeisel van het Verdrag van Malta dan in 1992 door Nederland werd ondertekend. Archeologiebeleid Op basis van de huidige wetgeving zijn de gemeenten in Nederland verantwoordelijk voor het behoud van het archeologisch bodemarchief. Omdat ruimtelijke ingrepen gevolgen kunnen hebben voor dit bodemarchief, moeten gemeenten bij de besluitvorming archeologie als volwaardige factor meenemen in de belangenafweging. Om dit op een verantwoorde en transparante wijze te kunnen doen is gemeentelijk archeologiebeleid wenselijk.

Rho adviseurs voor leefruimte

20200621

36

De gemeente beschikt over een vastgestelde beleidsplan archeologie. In 2008 is een archeologische beleidsnota opgesteld op basis van de door RAAP daartoe opgestelde Archeologische beleidskaart van Schouwen-Duiveland - Buitengebied. In de beleidsnota is het buitengebied opgedeeld in gebieden met een vastgestelde of verwachte archeologische waarde waaraan verschillende vrijstellingsgrenzen gekoppeld werden. Het plangebied is op de beleidskaart gesitueerd in Onderzoeksgebied A: gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachting. Het gemeentelijk beleid is planologisch vertaald in de meeste bestemmingsplannen, zo ook in het bestemmingsplan 'Kop van Schouwen'. Onderzoek Voor het plangebied geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 6'. Indien tijdens werkzaamheden bodemingrepen plaatsvinden groter dan 2.500 m 2 en dieper dan 50 cm, is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Vanwege de herstructurering van het terrein worden deze maatvoeringen op delen van het plangebied overschreden.

Door Artefact is archeologisch onderzoek uitgevoerd voor de gehele ontwikkeling van de Schouwse Valleien, zie bijlage 5.Uit het onderzoek blijkt dat voor vrijwel het volledige plangebied, met uitzondering van één gebiedje bij de entree van deelgebied Oost en twee gebiedjes in deelgebied West, de oppervlaktedrempel voor het uitvoeren van onderzoek een oppervlakte van 2.500 m2 behoud en de dieptevrijstelling wordt bijgesteld naar 0 m NAP. Voor deze gronden wordt de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie - 6' opgenomen. Voor de drie aandachtsgebieden gelden lagere drempelwaarden: 250 m 2 en 0,50 m -NAP. Voor deze gronden wordt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 5' opgenomen, zie figuur 4.1. Indien de drempelwaarden in deze zones wordt overschreden, zal aanvullend archeologisch onderzoek door middel van proefsleuven plaatsvinden. Is dat vanwege aanwezige bebouwing niet mogelijk, dan zullen werkzaamheden in de bodem archeologisch worden begeleid. Bij een aanvraag omgevingsvergunning voor bouwen of voor grondwerkzaamheden dient aan deze dubbelbestemmingen getoetst te worden.

Figuur 4.1 Uitsnede advieskaart (bron: Artefact, inventariserend veldonderzoek)

Rho adviseurs voor leefruimte

20200621

37

Ondanks dat er bij het vooronderzoek geen behoudenswaardige archeologische waarden werden aangetroffen, is niettemin de kans aanwezig dat archeologische sporen en vondsten in de bodem aanwezig zijn en dat deze in de uitvoeringsfase van de graaf- en inrichtingswerkzaamheden aan het licht komen. Voor dergelijke vondsten bestaat een wettelijke meldingsplicht ex. artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit 2016. Bij graafwerkzaamheden dient men dan ook attent te zijn op eventuele vondsten. Opdrachtgever verplicht de aannemers om attent te zijn op eventuele vondsten en/of sporen tijdens de werkzaamheden en verplicht hen archeologische vondsten direct te melden bij de bevoegde overheid. Conclusie Het aspect archeologie vormt voor het overgrote deel van het plangebied geen belemmering. Voor het deel aan de zijde van de Hogeweg wordt bij toetsing aan de omgevingsvergunning voor bouwen onderzocht of vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven noodzakelijk is. Tot die wordt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 5' ter plaatse van kracht. Voor de overige delen blijft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 6' vooralsnog behouden.

4.6

Cultuurhistorie

Beleid en normstelling Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Hiertoe dient middels bestudering van kaarten bepaald te worden of binnen (de invloedsfeer van het plangebied) Rijksmonumenten (historische gebouwen, sluizen, tuinbeelden en grafstenen), Archeologische Rijksmonumenten, Werelderfgoederen en beschermde stads- en dorpsgezichten aanwezig zijn. Ook het voorkomen van gebieden met landschappelijke waarden en beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden, Wetlands, Beschermde Natuurmonumenten, Nationale Parken, Nationale Landschappen en de Ecologische Hoofdstructuur dient bepaald te worden. Onderzoek Op de uitsnede van de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Zeeland, zie figuur 4.4.1, is te zien dat de schuur is aangemerkt als historische boerderij en dat het plangebied is gelegen in de zone van de Lintbebouwing Burgh-Haamstede. In de nabije omgeving van het plangebied zijn verder een aantal historische objecten (boerderijen) gelegen.

Het beleid van de provincie Zeeland is erop gericht dat deze karakteristieke bebouwing en het karakteristiek bebouwingslint behouden blijven, omdat ze een belangrijk onderdeel vormen van de Zeeuwse geschiedenis en daarmee de identiteit van Zeeland. De beoogde functiewijziging vormt geen belemmering voor cultuurhistorische waarden, omdat de wijziging op het vakantiepark zelf plaatsvindt en geen invloed heeft op de nabij gelegen cultuurhistorische objecten. De relatie met zijn omgeving is vanwege de ligging tussen vakantieparken reeds verstoord. Daarnaast is de schuur reeds verbouwd tot vakantieappartementen. De status als boerderij is dan ook vervallen. Het eindoordeel van de schuur is door de provincie beoordeeld als waarde C en daarmee niet meer beschermingswaardig. De Zeeuwse schuur binnen het plangebied blijft behouden. Bij eventuele verbouwingen en renovaties van het logeergebouw wordt rekening gehouden met de Zeeuwse bouwstijl.

Rho adviseurs voor leefruimte

20200621

38

Figuur 4.4.1

Fragment cultuurhistorische waardenkaart (bron: Provincie Zeeland)

Conclusie Ten aanzien van het aspect cultuurhistorie zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.7

Waterhuishouding

Toetsingskader Het is wettelijk verplicht een watertoets uit te voeren. Dit is een procedure waarbij de initiatiefnemer in een vroeg stadium overleg voert met de waterbeheerder over de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. De watertoets heeft als doel het voorkomen van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen die negatieve effecten hebben op het duurzame waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Waterschap Scheldestromen en het beheersgebied van Rijkswaterstaat. Onderzoek Om na te gaan of het voorliggend plan in strijd is met duurzaam waterbeheer en voldoet aan de waterdoelstellingen c.q. noodzaakt tot waterhuishoudkundige maatregelen, is gebruik gemaakt van het aanmeldformulier Watertoets van het waterschap. Daarin is de beoogde ontwikkeling getoetst aan de criteria uit de Zeeuwse Handreiking Watertoets. Het aanmeldformulier is zowel opgenomen in bijlage 6. Daarnaast is door Arcadis in februari 2020 hydrologisch onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 7. Uit de watertoets blijkt dat uit toetsing aan de criteria dat het aspect water geen belemmering vormt voor de beoogde functiewijziging. Ten opzichte van de huidige situatie neemt het aantal verblijfseenheden met het planvoornemen fors af. Daarmee neemt ook het bebouwd en verhard oppervlakte fors af. Hierdoor ontstaat meer ruimte voor een groene natuurlijke inrichting van het terrein.

Rho adviseurs voor leefruimte

20200621

39

Ten aanzien van de totale transformatie wordt het terrein als een licht glooiend landschap ingericht, zie paragraaf 2.4.2. Het hemelwater kan direct infiltreren in de bodem en op de lagere delen afwateren waar het wordt vastgehouden en geborgen. Deze ontwikkeling zorgt in de toekomst voor een verbetering van de waterhuishouding ter plaatse. In het in februari 2020 uitgevoerde hydrologisch onderzoek, zie bijlage 7, is de infiltratiegeschiktheid van de bodem onderzocht. Uit het onderzoek blijkt dat laagtes in het glooiend landschap met een beperkte diepte (tot 2,5 m beneden maaiveld) geen negatieve effecten geven voor de waterhuishouding van het aangrenzende natuurgebied. In het beoogd glooiend landschap worden geen waterpartijen gerealiseerd. De laagtes in het landschap hebben een beperkte diepte van minder dan 2,5 m beneden maaiveld. Conclusie Het aspect waterhuishouding vormt geen belemmering voor de geplande ontwikkeling.

4.8

Ecologie

Beleid en normstelling Met de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten:  Natura-2000 gebieden;  Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de voor de natuurlijke habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:  alternatieve oplossingen zijn niet voor handen;  het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en;  de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:  soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;

Rho adviseurs voor leefruimte

20200621

40

 

soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten.

De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden.

De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Onderzoek Gebiedsbescherming Vanwege de ligging van het plangebied naast Natura 2000-gebied zouden effecten op dit Natura 2000-gebied als gevolg van de ontwikkeling van De Schouwse Valleien kunnen optreden. Voor de transformatie van De Schouwse Valleien is dan ook een voortoets uitgevoerd, die als bijlage in de aanmeldnotitie vormvrije mer-beroordeling is opgenomen. Hieruit blijkt dat met de transformatie zowel tijdens de aanlegfase als in de gebruiksfase, significant negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. In de gebruiksfase worden geen verbodsbepalingen overtreden. Door de ruimere opzet van het nieuwe park kan vanwege de natuurvriendelijke inrichting en het beheer de ecologische kwaliteit van het gebied zelfs worden verbeterd ten opzichte van de referentiesituatie. Tevens blijkt uit de voortoets dat de Wnb voor de aanlegfase de ontwikkeling niet in de weg staat. Stikstof De Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) regelt een vrijstelling van de vergunningplicht in artikel 2.7 lid 2 Wnb voor de aanlegfase van bouwwerkzaamheden. Deze vrijstelling geldt alleen voor de effecten als gevolg van stikstofdepositie en niet voor eventuele andere effecten als gevolg van het project op Natura-2000 gebieden.

De vrijstelling is verder uitgewerkt in het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (Bsn). De Wsn en Bsn zijn per 1 juli 2021 in werking getreden. Omdat de Wsn alleen ziet op projecten en niet alleen op plannen is de aanlegfase toch beoordeeld. Voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase is voor de ontwikkeling van De Schouwse Valleien een verschilberekening voor de stikstofdepositie gemaakt ten opzichte van de referentiesituatie. De voortoets is opgenomen in bijlage 8 bij de toelichting. Deze voortoets is inclusief AERIUS-berekeningen van de gebruiksfase en van de aanlegfase voor De Schouwse Valleien. Tijdens de aanlegfase vervallen de emissies van het huidige gebruik. Gedurende de aanlegfase wordt het huidige gebruik, de emissies van recreatieverblijven en de bijbehorende emissies van de verkeersgeneratie van de verblijven, vergeleken met de emissie als gevolg van de werkzaamheden tijdens de aanlegfase. Uit de uitgevoerde stikstofdepositieberekeningen blijkt dat de stikstofdepositie in de aanlegfase lager is dan de stikstofdepositie als gevolg van het huidige gebruik van Duinrand (deelgebied Oost en West). In de gebruiksfase worden de huidige emissies vergelijken met het toekomstige emissies. In de

Rho adviseurs voor leefruimte

20200621

41

toekomstige situatie is sprake van emissievrije verblijfseenheden. Daarnaast is sprake van een lagere verkeersgeneratie dan in de huidige gebruikssituatie. In de gebruiksfase van De Schouwse Valleien is sprake van een lagere stikstofdepositie dan in de huidige gebruikssituatie van Duinrand. Met de verschilberekening is aangetoond dat geen sprake is van extra stikstofdepositie als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Er is zelfs sprake van een afname van stikstofdepositie in de gebruiksfase en daarmee van een positief effect op stikstofgevoelige habitats in de omgeving. Soortenbescherming In de zomer en het najaar van 2020 is onderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van beschermde diersoorten. Dat onderzoek wordt in 2021 voortgezet. Daarbij is voor alle relevante soortgroepen geïnventariseerd in hoeverre beschermde soorten in het plangebied voorkomen en waarvoor deze soorten het plangebied gebruiken (fourageergebied, leefgebied, voortplantingsbiotoop). Het onderzoek naar soortenbescherming dat onderdeel uitmaakt van de vormvrije mer-beoordeling is separaat aan deze toelichting toegevoegd, zie bijlage 9. Op basis van de beschikbare informatie komt de instandhouding van de voorkomende soorten door de beoogde ontwikkeling niet in het geding. Voor zover verblijf- of rustplaatsen worden vernietigd, zal een ontheffing van de Wnb worden aangevraagd.

Verwacht wordt dat deze ontheffingen verleend zullen worden. Er is geen grond voor het oordeel dat de Wnb aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg staat. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot significante effecten op beschermde natuurgebieden of effecten op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Het aspect ecologie vormt dan ook geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling.

4.9

Verkeersaspecten

Toetsingskader Bij een ruimtelijk plan dat nieuwe activiteiten mogelijk maakt, dient onder meer voldoende parkeergelegenheid aanwezig te zijn en mag de eventuele verkeerstoename niet leiden tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. Onderzoek In de door Arcadis opgesteld onderzoeksrapport Verkeer en parkeren in februari 2020 als onderdeel van de vormvrije mer-beoordeling, zie bijlage 10, is uitgegaan van de destijds door de gemeente Schouwen-Duiveland op grond van de Agenda Toerisme gehanteerde normering voor het aantal parkeerplaatsen en het aantal verkeersbewegingen per verblijfsrecreatieve eenheid. Uit dit onderzoek blijkt dat de toekomstige situatie een verbetering van de verkeersgeneratie oplevert ten opzichte van de huidige situatie. Het planvoornemen levert dan ook geen belemmeringen op voor de verkeerssituatie ter plaatse. Met de vaststelling van de memo 'kengetallen parkeren en verkeer Agenda Toerisme' in juni 2020, zie 3.4.5, na de uitvoering van het onderzoek Verkeer en parkeren, zijn de kengetallen voor parkeren en verkeersgeneratie gewijzigd. De wijziging betekent een substantiële vermindering van de verkeersgeneratie (grofweg een halvering) ten opzichte van de uitgangspunten uit het onderzoek van februari 2020. Het onderzoek van Arcadis kan dan ook worden beschouwd als een worst-case benadering voor de verkeersgeneratie van de huidige en toekomstige situatie.

Hierna is de situatie getoetst aan de actueel geldende kengetallen.

Rho adviseurs voor leefruimte

20200621

42

Parkeren Op basis van de memo 'kengetallen parkeren en verkeer Agenda Toerisme' hanteert de gemeente Schouwen-Duiveland een kengetal van 1 parkeerplaats per 3 slaapplaatsen voor de parkeerbehoefte. Het kengetal voor het aantal verkeersbewegingen bedraagt 2,2 mvt/etmaal per parkeerplaats. Het aantal parkeerplaatsen is afhankelijk van het aantal slaapplaatsen. Het totaal beoogd aantal slaapplaatsen bedraagt 1.472 zie paragraaf 2.3. Omdat de insteek is om per deelgebied te voldoen aan de parkeernormen, wordt hierna de parkeeropgave voor de deelgebieden Oost en West afzonderlijk getoetst. De parkeerbehoefte voor deelgebied Oost bedraagt op basis van de actuele gemeentelijke kengetallen 1 per 3 slaapplaatsen (520/3) = 174 parkeerplaatsen. Wat betreft parkeren kan geconcludeerd worden dat het terrein voldoende omvang heeft voor de opvang van de eigen parkeerbehoefte van 174 plaatsen voor 78 recreatieve verblijfseenheden 77 recreatiewoningen en 1 logeerhuis). Nabij elke verblijf wordt verspreid over het park 1 tot 2 parkeerplaatsen gerealiseerd aan de paden of op centrale parkeerplaatsen. De parkeerbehoefte voor deelgebied West bedraagt op basis van de actuele gemeentelijke kengetallen 1 per 3 slaapplaatsen (400/3) = 134 parkeerplaatsen voor de 100 kampeerhuisjes en (552/3) = 184 parkeerplaatsen voor de 69 recreatiewoningen.

De gezamenlijke parkeerbehoefte op deelgebied West bedraagt 318 parkeerplaatsen. De parkeerplaatsen worden centraal bij de entree en de voorzieningen gesitueerd en deels op parkeerstroken langs de ontsluitingslus op het terrein. Hiervoor is voldoende ruimte aanwezig. De totale parkeerbehoefte voor de deelgebieden Oost en West bedraagt 492 parkeerplaatsen en zal op eigen terrein worden gerealiseerd. Hiervoor is voldoende ruimte aanwezig. Verkeersgeneratie De verkeersgeneratie wordt op basis van de memo 'kengetallen parkeren en verkeer Agenda Toerisme' berekend op basis van 2,2 mvt/etmaal per parkeerplaats. De verkeersgeneratie in de toekomstige situatie bedraagt op Duinrand Oost 174 * 2,2 = 383 mvt/etmaal. De verkeersgeneratie in de toekomstige situatie bedraagt op Duinrand West 318 * 2,2 = 700 mvt/etmaal. De totale verkeersgeneratie bedraagt in de toekomstige situatie 1.083 mvt/etmaal, zie tabel 4.7.2. Tabel 4.7.1: Verkeersgeneratie toekomstige situatie Slaapplaatsen parkeerplaatsen Deelgebied Oost 520 174 Deelgebied West 952 318 Totaal 492

norm 2,2 p/p 2,2 p/p

verkeersgeneratie 383 mvt/etmaal 700 mvt/etmaal 1.083 mvt/etmaal

In de huidige situatie (medio 2021) zijn op Duinrand Oost 816 slaapplaatsen aanwezig en zijn op Duinrand West 1.480 slaapplaatsen aanwezig, zie paragraaf 2.2. De huidige totale parkeerbehoefte bedraagt zodoende 766 parkeerplaatsen. De totale verkeersgeneratie van het huidige gebruik van het plangebied bedraagt 1.686 mvt/etmaal, zie tabel 4.7.2. Tabel 4.7.2: Verkeersgeneratie huidige situatie (medio 2021) Slaapplaatsen parkeerplaatsen Deelgebied Oost 816 272 Deelgebied West 1.480 494 Totaal 766

Rho adviseurs voor leefruimte

norm 2,2 p/p 2,2 p/p

verkeersgeneratie 599 mvt/etmaal 1.087 mvt/etmaal 1.686 mvt/etmaal

20200621

43

In de toekomstige situatie is als gevolg van de afname van het aantal eenheden sprake van een totale afname van 1.686 - 1.083 = 603 mvt/etmaal. Aangezien sprake is van een afname van de verkeersgeneratie heeft de ontwikkeling geen nadelige effecten ten opzichte van de huidige situatie. Verkeersafwikkeling Deelgebied Oost Deelgebied Oost wordt ontsloten via de Hogeweg. De entree is gelegen nabij het huidige logeerhuis . Door middel van een hoofdweg en lus over het terrein zijn de recreatiewoningen bereikbaar. Ook de 15 particuliere percelen buiten het plangebied zijn bereikbaar via de nieuw te realiseren infrastructuur. Deelgebied West Deelgebied West wordt ontsloten via de Hogeweg ter hoogte van Hogeweg 96a. De ontsluiting op het terrein loopt via een grote lus met aan de noordzijde van het terrein een kleinere lus. Op het terrein geldt eenrichtingsverkeer. De afname van de verkeersgeneratie als gevolg van de ontwikkeling zorgt voor een verbetering van de verkeerssituatie op de Hogeweg en omliggende wegen. De ontwikkeling heeft geen nadelige gevolgen voor de verkeersafwikkeling over de Hogeweg. De conclusie uit het onderzoek van februari 2020, zie bijlage 10, dat geen sprake is van nadelige gevolgen voor de verkeersafwikkeling, blijft daarmee van kracht.

Vanwege de lagere verkeersgeneratie als gevolg van de aangepaste gemeentelijke kengetallen, is bovendien sprake van een afname van ruimtelijke en milieu-effecten dan onderzocht. Conclusie Ten aanzien van de verkeersaspecten zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.10

Wegverkeerslawaai

Beleid en normstelling Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/uur-wegen en woonerven - bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidzones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidzone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen- of buitenstedelijke ligging. De geluidbelasting wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day evening night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal. Nieuwe situaties Voor de geluidbelasting aan de buitengevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidzone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk. Deze hogere grenswaarde mag de maximaal toelaatbare hogere waarde niet te boven gaan. De maximale ontheffingswaarde in onderhavige situaties bedraagt 63 dB (binnenstedelijk gelegen woning). Recreatiewoningen en kampeerhuisjes worden op basis van de Wet geluidhinder niet aangemerkt als geluidgevoelige functie. Dat laat onverlet dat de ontwikkelaar een goed verblijfsklimaat wil verzekeren. Om die reden worden de recreatiewoningen en kampeerhuisjes getoetst als ware zij een geluidgevoelige functie.

Rho adviseurs voor leefruimte

20200621

44

Aftrek ex artikel 110g Wgh De in de Wgh genoemde grenswaarden aan de buitengevels ten aanzien van wegverkeerslawaai betreffen waarden inclusief aftrek op basis van artikel 110g Wgh. Dit artikel houdt in dat voor het wegverkeer een aftrek mag worden gehanteerd welke anticipeert op het stiller worden van het wegverkeer in de toekomst door innovatieve maatregelen aan de voertuigen. De toegestane aftrek bedraagt: 5 dB voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen minder dan 70 km/u bedraagt. Voor wegen met een representatief te achten snelheid van 70 km/u of meer is de hoogte van de aftrek afhankelijk van de geluidbelasting exclusief aftrek. Bij een geluidbelasting van 56 dB en 57 dB mag een aftrek toegepast worden van respectievelijk 3 dB en 4 dB. Bij overige geluidbelastingen wordt een aftrek van 2 dB toegepast. De aftrek mag alleen worden toegepast bij toetsing van de geluidbelastingen aan de normstellingen uit de Wgh. In voorliggend onderzoek is gebruik gemaakt van een aftrek van 5 dB. Onderzoek Door Arcadis is een onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd als onderdeel van de vormvrije mer-beoordeling. Deze bijlage is separaat aan dit bestemmingsplan toegevoegd, zie bijlage 11. De in dit onderzoek gehanteerde verkeersaantallen zijn inmiddels naar beneden bijgesteld (zie paragraaf 4.9).

Hierdoor is de onderzochte situatie aan te merken als een "worst-case benadering". De opgenomen conclusies blijven echter van toepassing, zie paragraaf 4.1. Aangezien sprake is van grofweg een halvering van de verkeersaantallen in de referentiesituatie en in de toekomstige situatie is sprake van een betere akoestische situatie dan in de onderzochte situatie. Het bestaande vakantiepark blijft gehandhaafd en zal volledig gebruikt worden voor recreatieve verblijven met op het westelijk deel algemene voorzieningen zoals receptie, horeca of zwembad. Zoals blijkt uit bijlage 11 is de geluidsbelasting op de gevels van recreatiewoningen en kampeerhuisjes in de nieuwe situatie niet hoger dan 48 dB(A) als gevolg van het verkeer op de Hogeweg. Daarmee wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder in de nieuwe situatie. Direct rond het vakantiepark is een aantal geluidgevoelige functies gelegen. De afname van het aantal eenheden en daarmee het aantal verkeersbewegingen op de omliggende wegen heeft een positief effect op nabij gelegen (recreatie)woningen. Ook het aantal verkeersbewegingen op het park zelf neemt af. Het toepassen van eenrichtingsverkeer op deelgebied West draagt bij aan een verbetering van de akoestische situatie.

Geconcludeerd kan worden dat het beoogde planvoornemen niet zal leiden tot een onaanvaardbaar akoestisch klimaat ter plaatse van het plangebied en zal leiden tot een verbetering van het akoestisch klimaat op omliggende (recreatie)woningen. Vanwege de lagere verkeersaantallen dan gehanteerd in het onderzoek is bovendien sprake van een gunstiger effect dan worst-case is onderzocht. Conclusie De geluidsbelasting op de gevel van de recreatiewoningen en kampeerhuisjes voldoet aan de voorkeursgrenswaarde voor nieuwe geluidgevoelige functies uit de Wet geluidhinder.

4.11

Milieuhinder en bedrijven

Beleid en normstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:  een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd ter plaatse van de woningen;  rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de eventueel in de omgeving aanwezige bedrijven/inrichtingen. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en woningen in voldoende

Rho adviseurs voor leefruimte

20200621

45

mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. Voor de beoordeling is het van belang om te weten of het gebied getypeerd kan worden als een rustige woonwijk of een gemengd gebied. Een gemengd gebied wordt als volgt getypeerd: “Een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven". Onderzoek In de nabije omgeving van het plangebied zijn geen agrarische of andere bedrijven gelegen. Onderlinge toetsing tussen recreatieve verblijven is niet noodzakelijk. Zodoende is geen sprake van een belemmering vanuit de omgeving. Omgekeerd heeft de recreatieve functie geen negatieve invloed op de ontwikkelingsmogelijkheden van woningen in de omgeving. Overigens maakt het voor de ontwikkelingsmogelijkheden van woningen in de omgeving niet uit of sprake is van een stacaravans of van recreatiewoningen of kampeerhuisjes.

In beide situaties dient onder dezelfde voorwaarden rekening te worden gehouden met een woning van derden in de omgeving. Een recreatieterrein valt volgens de VNG brochure 'Bedrijven en milieuzonering' binnen milieucategorie 3.1. Het plangebied is gelegen in een gebied dat bestaat uit recreatieterreinen en woningen en valt zodoende aan te merken als 'rustige woonwijk'. De indicatieve richtafstand tussen de beoogde ontwikkeling en de woningen bedraagt 30 meter. Het aspect geluid is hierbij maatgevend. De afstand tussen de gevel van enkele woningen en de recreatieve bestemming is minder dan 30 meter. Binnen de zone van 30 meter van gevels van woningen staan enkele recreatieve verblijfseenheden. De woningen Hogeweg 82, 84 en 86 zijn in de huidige situatie op respectievelijk 18m, 18m en 25m van de huidige permanente standplaatsen van caravans op deelgebied Oost gelegen. De gevel van Hogeweg 92 ligt op circa 13m van het huidige logeergebouw. Op deelgebied West is in de huidige situatie de meest nabij gelegen gevel van woning, Hogeweg 110, gesitueerd op circa 10m van een permanente stallingsplaats. Daarnaast zijn enkele andere woningen gelegen binnen 30 meter van recreatieve verblijfseenheden. In de huidige situatie is sprake van een recreatieterrein. Dit is in de toekomstige situatie ook het geval.

In de toekomstige situatie blijft de ligging van de grens van de inrichting ongewijzigd. Wel is sprake van een volledig nieuwe inrichting met minder eenheden en minder verkeersbewegingen op het terrein. In de toekomstige situatie liggen, in de voorgenomen inrichting, de meest nabij gelegen recreatiewoningen en kampeerhuisjes op ongeveer dezelfde afstand als in de huidige situatie van de gevel van een reguliere woning. Het aantal verblijfseenheden neemt echter fors af. Tussen de woningen en deelgebied Oost wordt dichte opgaande beplanting gerealiseerd. Op deelgebied West is tussen woningen en het recreatieterrein gedeeltelijk (niet ter plaatse van Hogeweg 98 en 100) een strook van minimaal 5 meter landschappelijke inrichting opgenomen, bestaande uit een aarden wal van 2 meter hoog. Deze wal heeft een afschermende functie, niet alleen landschappelijk maar zorgt tevens voor een verbetering van de akoestische situatie. Hoewel niet wordt voldaan aan de richtafstanden is conform de Methode Miedema toch sprake van een goede ruimtelijke ordening, zie inzet hierna. Met de afname van het aantal eenheden treedt een verbetering op ten opzichte van de bestaande akoestische situatie.

Methode Miedema (bron: Arcadis, onderzoek industrielawaai 8 december 2020) Het bevoegde gezag beschikt over beoordelingsruimte en kan aansluiting zoeken bij de in de jurisprudentie van de Afdeling aanvaarde methode Miedema. Deze methode behelst een

Rho adviseurs voor leefruimte

20200621

46

kwalitatieve beoordeling van de optredende geluidbelasting. Een principe volgens deze methode is dat wat betreft geluid nog steeds sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, indien maatgevende woningen reeds in een matige woon- en leefsituatie verkeren terwijl als gevolg van een ontwikkelingen en of slechts een beperkte verslechtering van die woon- en leefsituatie aan de orde is. De etmaalwaarde in de huidige akoestische situatie ter plaatse van de woningen aan de Hogeweg 92, 96 en 98 bedraagt meer dan 50 dB(A). De methode Miedema is gebaseerd op de Lden-waarde voor het geluid, welke gemiddeld 3 dB(A) lager is dan de etmaalwaarde. Volgens de classificering van de methode Miedema, valt de huidige situatie voor de woning Hogeweg 98 binnen de klasse 'matig'. In de nieuwe situatie valt geluidbelasting voor de woningen Hogeweg 92, 96 en 98 'goed' tot 'redelijk' (er wordt niet aan de etmaalwaarde van 50 dB(A) voldaan, maar de LDEN waarden bedragen 51 dB, 48 dB en 48 dB respectievelijk). Daarmee is geen sprake van een relevante verslechtering. Sterker; de akoestische situatie in de bestaande situatie is bij twee van de drie genoemde woningen slechter dan in de toekomstige situatie.

Uitgaande van de etmaalwaarde bij de woning aan de Hogeweg 92 is er vanwege de toekomstige situatie een verslechtering van 1 dB(A) ten opzichte van de huidige situatie geen sprake van een relevante verslechtering. Uitgaande van de LAmax is er alleen bij de woning aan de Hogeweg 98 sprake van een (beperkte) verslechtering van de nu al slechte situatie. Nu er al met al geen wezenlijke verdere verslechtering optreedt van de milieukwaliteitsmaat (de omgevingskwaliteit van de oude en de nieuwe geluidbelasting, verschuift van slechtere klassen naar betere klassen) wordt de geluidbelasting in de nieuwe situatie volgens de methode Miedema als aanvaardbaar worden beschouwd. Door Arcadis is tevens een onderzoek naar inrichtingslawaai uitgevoerd als onderdeel van de vormvrije mer-beoordeling, zie bijlage 12. De gehanteerde aantallen verkeersbewegingen in dit onderzoek kunnen inmiddels naar beneden worden bijgesteld, als gevolg van de aanpassing van de gemeentelijke kengetallen voor parkeren en verkeersgeneratie, zie paragraaf 4.9. Hierdoor is in het onderzoek sprake van een "worst-case benadering". De opgenomen conclusies blijven echter van toepassing, zie paragraaf 4.1. In het onderzoek van Arcadis is de Methode Miedema toegepast. De hiervoor benoemde waarden betreffen dan ook een "worst-case benadering'.

Door middel van het akoestisch onderzoek is aangetoond dat de afname van het aantal eenheden en verkeersbewegingen op het terrein zorgt voor een verbetering van de akoestische situatie op omliggende geluidgevoelige functies. Het omzetten van de stacaravanplaatsen en recreatiewoningen op het vakantiepark naar een kleiner aantal verblijfseenheden (recreatiewoningen en kampeerhuisjes) heeft een positief effect op de omgeving. Conclusie Ter plaatse van het plangebied is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Er worden geen bedrijven beperkt in hun bedrijfsvoering.

4.12

Luchtkwaliteit

Beleid en normstelling De gevolgen voor de luchtkwaliteit worden beoordeeld op basis van de Wet ruimtelijke ordening, de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk), de AMvB 'Niet in betekenende mate' (het Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM. Er dient, ook na realisatie van het planvoornemen, sprake te zijn van een goede ruimtelijke ordening. Daarbij moet voldaan worden aan de geldende grenswaarden en luchtkwaliteitseisen.

Rho adviseurs voor leefruimte

20200621

47

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.1. weergegeven. Tabel 4.1. Grenswaarden maatgevende stoffen Wm stof toetsing van ) stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie

grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³ 25 µg/m³

NIBM In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:  een project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);  een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m2 bvo bij één ontsluitingsweg. Onderzoek Door Arcadis is in februari 2020 het aspect luchtkwaliteit onderzocht als onderdeel van de vormvrije mer-beoordeling, zie bijlage 13. De gehanteerde aantallen verkeersbewegingen in dit onderzoek kunnen door het aanpassen van de gemeentelijke kengetallen voor parkeren en verkeersgeneratie, zie paragraaf 4.9, inmiddels worden verlaagd. Hierdoor is in de onderzochte situatie sprake van een "worst-case benadering". De opgenomen conclusies blijven echter van toepassing, zie paragraaf 4.1. Aangezien sprake is van grofweg een halvering van de verkeersaantallen in de referentiesituatie en in de toekomstige situatie is sprake van een gunstiger situatie voor de luchtkwaliteit dan in de onderzochte situatie.

Uit het onderzoek blijkt dat er vrijwel geen verschillen optreden tussen de referentiesituatie en de plansituatie. Omdat de verschillen vele malen kleiner zijn dan de NIBM-grenswaarde van 1,2 µg/m³, geldt dat de plansituatie aan te merken is als 'Niet in betekenende mate'. Voor zeer fijn stof (PM 2.5), zijn geen verschillen zichtbaar tussen de plansituatie en de autonome ontwikkelingssituatie. Voor PM 2.5 geldt het besluit NIBM echter niet. Nadere bestudering van de berekeningsresultaten wijst uit dat de maximaal berekende concentratie in zowel de referentiesituatie als plansituatie niet hoger is dan 10,7 µg/m3. Hiermee voldoet ook de jaargemiddelde concentratie PM2.5 ruim aan de grenswaarde van 25 µg/m3. De transformatie van het vakantiepark, heeft dan ook geen invloed op de fijnstofconcentraties in het studiegebied. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is daarnaast een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2020 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de N57; Kraaiensteinweg/ Cauersweg , ten oosten van het plangebied.

Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in de prognose voor 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in de prognose voor 2020 ten hoogste; 14,3 µg/m³ voor NO2, 17,4 µg/m³ voor PM10 en 9,5 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6,1 dagen. Omdat direct langs deze weg aan de

Rho adviseurs voor leefruimte

20200621

48

grenswaarden wordt voldaan, zal dit vanwege de grotere afstand ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Uit het onderzoek blijkt bovendien dat de het aspect luchtkwaliteit in de toekomstige situatie geen nadelige gevolgen heeft ten opzichte van de referentiesituatie. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een goed woon- en leefklimaat wat betreft luchtkwaliteit

Figuur 4.9.1 Uitsnede NSL tool (plangebied met rood aangegeven) Conclusie Er wordt geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet belemmert. Uit het oogpunt van luchtkwaliteit is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu ter plaatse.

4.13

Externe veiligheid

Beleid en normstelling Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken, namelijk:  bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt;  vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen. Ten aanzien van deze aspecten moeten de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld tot een aanvaardbaar minimum worden beperkt. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk

Rho adviseurs voor leefruimte

20200621

49

wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Buisleidingen Relevant is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In dat Besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het plaatsgebonden risico en de hoogte van het groepsrisico als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Onderzoek In de huidige en in de toekomstige situatie is sprake van een vakantiepark. Het aantal eenheden binnen het plangebied zal in de toekomstige situatie flink afnemen. Het plangebied moet worden aangemerkt als een risicovolle inrichting met twee propaantanks.

Binnen het plangebied liggen twee propaantanks met elk een risicocontour van 15 m. Met de transformatie van het vakantiepark worden deze propaantanks geamoveerd. Met het verwijderen van de propaantanks is de locatie niet meer aan te merken als risicovolle inrichting. De bijbehorende risicocontouren komt daarmee te vervallen. Op recreatieterrein de Wielewaal is een propaantank aanwezig. Deze is gelegen op circa 4 meter uit de plangrens van deelgebied Oost. Volgens de risicokaart heeft deze propaantank geen risicocontour. Volgens artikel 3.28 van het Activiteitenbesluit is er echter altijd een veiligheidscontour, afhankelijk van de inhoud en hoe vaak de tank gevuld wordt. De minimale afstand is 10 meter en loopt op tot 25 meter. Binnen de veiligheidscontour mogen geen recreatieverblijven geplaatst worden. De inhoud en frequentie waarmee de tank gevuld wordt is momenteel onbekend. Daarmee is ook de omvang van de veiligheidscontour nog onbekend. Tussen de perceelgrens en de 1e recreatiewoning op deelgebied Oost is sprake van enige afstand, zie figuur 2.3 in paragraaf 2.4.1. De propaantank vormt dan ook geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. De exacte contour wordt met de vaststelling van dit bestemmingsplan toegevoegd aan de verbeelding. Op ruimere afstand zijn ook propaantanks aanwezig op andere vakantieparken.

De risicocontouren van deze propaantanks reiken niet tot het plangebied. Uit de professionele risicokaart blijkt verder dat er in de nabije omgeving van het plangebied geen andere risicovolle inrichtingen aanwezig zijn, zie figuur 4.10.1. Daarnaast vindt er geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de weg, het spoor, het water of door buisleidingen dat van invloed is op de risicosituatie in het plangebied. De N57 maakt onderdeel uit van het Basisnet en heeft een groepsrisicocontour van 73 m, maar ligt op ruim 650 m van het plangebied. Het aspect externe veiligheid staat daarom de uitvoering van het plan niet in de weg.

Rho adviseurs voor leefruimte

20200621

50

Figuur 4.10.1 Uitsnede Risicokaart (plangebied met blauw aangegeven) Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.14

Kabels en leidingen

Beleid en normstelling Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: a. gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; b. aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; c. defensiebrandstoffen; d. warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. De Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION) verplicht gravers (ook wel grondroerders genoemd) tot het melden van elke ‘mechanische grondroering’ bij het Kadaster. Doel van de wet is gevaar of economische schade door beschadiging van ondergrondse kabels of leidingen (water-, elektriciteit- en gasleidingen, telefoonlijnen en olie- en gasleidingen) te voorkomen. De wet heeft de (vrijblijvende) zelfregulering zoals die bestond in de vorm van het Kabels en Leidingen Informatie Centrum (KLIC) vervangen. Onderzoek en conclusie In en nabij het plangebied zijn geen planologisch relevante hoogspanningslijnen, buisleidingen of telecomverbindingen aanwezig. De ontwikkeling vormt zodoende geen belemmering voor kabels en leidingen.

Rho adviseurs voor leefruimte

20200621

51

4.15

Duurzaamheid, energie en klimaatadaptatie

Beleid en normstelling Het Bouwbesluit stelt eisen aan energiezuinigheid van nieuwe gebouwen. De maat voor energiezuinigheid heet Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Hierbij kan op verschillende manieren omgegaan worden met energie zuinigheid. Onderzoek en conclusie Voor alle nieuwbouw geldt dat aanvragen van de omgevingsvergunning vanaf 1 januari 2020 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energie neutrale gebouwen (BENG). Per 1 juli 2018 is het daarnaast verplicht gasloos te bouwen. De nieuwbouw zoals de recreatieverblijven en voorzieningen (inclusief zwembad) zullen hieraan voldoen. Mede met het oog op de gewenste kwaliteitsslag wordt in de nieuwe situatie duurzaam gebouwd. De te nemen duurzame maatregelen zijn een speerpunt van de ontwikkeling en zijn onder meer:       

de gebouwen worden gasloos verwarmd en voorzien van 'slimme' thermostaten; een lage EPC van recreatiewoningen en kampeerhuisjes; onderzoek naar inkopen van duurzame stroom; het waar mogelijk toepassen van recreatieverblijven met sedumdaken voor optimalisatie bouwfysica en buffer voor op te vangen regenwater; het opvangen regenwater in de lagere delen op park en gebruik voor irrigatie; een optimale situering recreatiewoningen en kampeerhuisjes en waar mogelijk voorzien van zonwering en overstekken op zuidgevels; natuurontwikkeling op de parken zelf.

Duurzaamheid wordt ook nagestreefd in het materialenpaspoort van de bebouwing en de wijze van bouwen (ten minste deels prefab, teneinde zware bouwactiviteiten op de parken zelf te voorkomen). Het uitgangspunt voor de civiele invulling van het vakantiepark, zoals wegen, verlichting etc., is ook duurzaam. Verlichting gebeurt door duurzame LED armaturen in relatie met een lichtplan, bewust verlichten, aanwezigheid detectie etc. Ook zal de mogelijkheid worden geboden om elektrische voertuigen op te laden op de centrale parkeervoorzieningen bij de parken.

Rho adviseurs voor leefruimte

20200621

52

Rho adviseurs voor leefruimte

20200621

53

Hoofdstuk 5

Financiële uitvoerbaarheid

Volgens artikel 6.12 van de Wro dient tegelijk met de vaststelling van een bestemmingsplan een exploitatieplan worden vastgesteld voor de gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen, tenzij het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins verzekerd is. Het plangebied is eigendom van de initiatiefnemer. De kosten van deze ontwikkeling zijn derhalve volledig voor rekening van de initiatiefnemer. Met de gemeente Schouwen-Duiveland is een anterieure overeenkomst gesloten waarin is vastgelegd dat de kosten van de gehele planontwikkeling, de voorbereiding en de uitvoering daarvan, door de initiatiefnemer worden gedragen. De raad heeft vastgesteld dat de initiatiefnemer een solvabele partij is, die over voldoende financiële draagkracht beschikt om de voorziene ontwikkeling uit te voeren. Op basis van een verrichte raming van de kosten en de financieringsopzet is vastgesteld dat sprake is van een sluitende exploitatie en dat er geen onvoorziene hoge kosten te verwachten zijn. Bovendien is gebleken van een behoefte aan de planontwikkeling. Daarmee is de financiële uitvoerbaarheid van de planontwikkeling die het onderhavig bestemmingsplan mogelijk maakt, afdoende gewaarborgd.

Rho adviseurs voor leefruimte

20200621

54

Rho adviseurs voor leefruimte

20200621

55

Hoofdstuk 6

6.1

Juridische uitvoerbaarheid

Wettelijk kader

In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is geregeld dat alle nieuwe ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen, digitaal moeten worden vervaardigd, met inachtneming van de daartoe wettelijk verplicht gestelde ruimtelijke ordeningsstandaarden (thans SVBP2012, IMRO2012, STRI2012). Op die wijze zijn bestemmingsplannen onderling vergelijkbaar en ook digitaal uitwisselbaar. Ook de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is van belang voor bestemmingsplannen.

6.2

Opzet van de bestemmingsregeling

Ten aanzien van de opzet van de bestemmingsregeling is het volgende van belang. Verbeelding Eisen aan de verbeelding Belangrijke eis is dat het bestemmingsplan dient te voldoen aan de eis van rechtszekerheid. Dit betekent dat een bestemmingsregeling duidelijk en voor één uitleg vatbaar dient te zijn. In aansluiting hierop en in relatie tot de digitale verplichting verdient het de voorkeur zoveel mogelijk onderdelen van de regeling op de verbeelding zichtbaar te maken en de regels zo transparant mogelijk te houden. Op de verbeelding wordt met bestemmingen en aanduidingen aangegeven welk gebruik is toegestaan en of er ten behoeve van die bestemmingen mag worden gebouwd. De bestemmingen worden door middel van hoofdletters aangeduid, zoals 'W' voor 'Wonen'. Met aanduidingen kan het gebruik nader worden gespecificeerd en het bouwen worden gereguleerd. Een veel voorkomende bouwaanduiding is die voor de maximum goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen; deze worden aangegeven door middel van een matrix. Naast enkelbestemmingen die met een kleur worden aangeduid, zijn er dubbelbestemmingen die op de verbeelding herkenbaar zijn aan arceringen. De gehanteerde bestemming Voor het plangebied is een recreatiebestemming voor recreatiewoningen en het kampeerterrein opgenomen.

Voor deze bestemmingsregelingen is aangesloten bij het bestemmingsplan 'Kop van Schouwen' en de '1e herziening Kop van Schouwen'. Naast deze enkelbestemmingen blijft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 6' behouden en wordt de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie - 5' op enkele delen toegevoegd. De randen van het plangebied worden waar nodig ten behoeve van landschappelijke inpassing voorzien van de bestemming 'Groen - Landschappelijk'. Regels Op grond van SVBP2012 hebben de hoofdstukken waarin de regels zijn opgenomen, de volgende vaste volgorde.  In Hoofdstuk 1 worden in de regels gehanteerde begrippen, voor zover nodig, gedefinieerd en wordt de wijze van meten bepaald.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10406734/1