20210713 Raadsbrief Ontwerpbestemmingsplan Schouwse Valleien - Bijlagen toelichting Bijlage 8 Voortoets
Tekst van het document
Schouwen-Duiveland De Schouwse Valleien
Voortoets in het kader van de Wet natuurbescherming
identificatie
Planstatus
projectnummer:
datum:
44002091.20190845
7 juli 2021, actualisatie
projectleider:
opdrachtgever:
ir. H.G. van der Aa
Fiorinvest B.V.
auteur(s):
ir. H.G. van der Aa
Inhoud 1.
2.
3.
4. 5.
6.
Inleiding
3
1.1. 1.2.
Aanleiding Leeswijzer
3 3
Toetsingskader
5
2.1. 2.2. 2.3. 2.4.
5 5 7 8
Vogel- en Habitatrichtlijn Wet natuurbescherming Spoedwet aanpak stikstof Wet stikstofreductie en natuurverbetering
Referentiesituatie
11
3.1. 3.2.
11 12
Plangebied Natura 2000
De ingreep
15
4.1.
15
Algemeen
Effectbeschrijving
17
5.1. 5.2. 5.3. 5.4. 5.5. 5.6.
17 19 20 23 24 25
Afbakening effecten Verdroging Verstoring door geluid Verstoring door licht Optische verstoring Vermesting en verzuring
Bronnen
33
Bijlagen: 1
Berekening stikstofdepositie
2
De Schouwse Valleien Burgh-Haamstede, Deelrapport hydrologie, Arcadis
Rho Adviseurs B.V. vestiging Middelburg
0845.201908.00
2
Inhoud
44002091.20190845
Rho Adviseurs B.V. vestiging Middelburg
3
1. Inleiding
1.1.
Aanleiding
Het bestaande vakantiepark in Burgh-Haamstede Duinrand (bestaande uit de deelgebieden DuinrandOost en -West) wordt vernieuwd en getransformeerd tot het vakantiepark De Schouwse Valleien. Wat betreft de stikstofdepositieberekeningen zijn de volgende kenmerken van het project en de bestaande situatie van belang. Het bestaande park biedt planologisch ruimte aan 629 eenheden, waaronder stacaravans, recreatiewoningen, een logeergebouw en kampeerplaatsen en de daarbij behorende centrale voorzieningen. Op dit moment (2021) resteren er daarvan nog 473 recreatieve eenheden die alle met propaangas worden gestookt. Na de beoogde transformatie zal De Schouwse Valleien bestaan uit 246 luxe vakantiewoningen (100 kampeerhuizen en 146 recreatiewoningen ) en één logeergebouw met een aantal centrale voorzieningen, waaronder een nieuw zwembad. Net als in de huidige situatie zal sprake zijn van jaarrond gebruik. In de nieuwe situatie worden zowel de verblijfsrecreatieve voorzieningen als de centrale voorzieningen stikstofemissieloos verwarmd door middel van een warmtepompsysteem. Er wordt verder een glooiend duinlandschap gecreëerd. Het park grenst direct aan het Natura 2000-gebied Kop van Schouwen. Op grotere afstand ligt het Natura 2000-gebied Oosterschelde. In de voorliggende voortoets worden de effecten van de beoogde transformatie op Natura 2000 beschreven en beoordeeld.
Dit wordt gedaan voor de totale ontwikkeling van De Schouwse Valleien omdat sprake is van één project, dat ook in één bestemmingsplan planologisch mogelijk wordt gemaakt.
1.2.
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 is het ecologische toetsingskader opgenomen. In hoofdstuk 3 is de referentiesituatie beschreven ten aanzien van de betreffende gebieden. Hoofdstuk 4 beschrijft het plan op hoofdlijnen. In hoofdstuk 5 wordt de effectbeoordeling ten aanzien van de beschermde gebieden uiteengezet.
Rho Adviseurs B.V. vestiging Middelburg
44002091.201908450845.201908.00
4
Inleiding
44002091.20190845
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Middelburg
5
2. Toetsingskader
2.1.
Vogel- en Habitatrichtlijn
Op Europees niveau bestaan twee richtlijnen die bepalend zijn voor het natuurbeleid in de verschillende lidstaten: de Vogelrichtlijn1) en de Habitatrichtlijn2). De Vogelrichtlijn is opgesteld in 1979 en heeft als doelstellingen: beschermen van alle in het wild levende vogels en hun leefgebieden; extra bescherming trekvogels en bedreigde vogelsoorten door aanwijzing Speciale Beschermingszones (SBZ's); opstellen beheersmaatregelen om de SBZ's in gunstige staat van instandhouding te houden of te brengen (instandhoudingsdoelen); passende beoordeling van gevolgen van plannen of projecten, rekening houdend met de instandhoudingsdoelen. De Habitatrichtlijn is in 1992 opgesteld ter bevordering van de biodiversiteit in Europa. De doelstellingen van de Habitatrichtlijn luiden: bescherming biodiversiteit door Speciale Beschermingszones (SBZ's) aan te wijzen voor bedreigde planten en dieren (behalve vogels) en hun leefgebieden; opstellen beheersmaatregelen om de SBZ's in gunstige staat van instandhouding te houden of te brengen (instandhoudingsdoelen); passende beoordeling van gevolgen van plannen of projecten, rekening houdend met de instandhoudingsdoelen.
2.2.
Wet natuurbescherming
In Nederland hebben diverse natuurgebieden een beschermde status onder de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb). Daarbij zijn twee soorten beschermingen te onderscheiden: Natura 2000-gebieden; Bijzondere nationale natuurgebieden. Natura 2000-gebieden Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Voor Nederland gaat het om ruim 160 gebieden. Alle Natura 2000-gebieden liggen binnen het Nationaal Natuurnetwerk. In het aanwijzingsbesluit staat welke doelen Nederland nastreeft voor een bepaald gebied, bijvoorbeeld welke planten en dieren bescherming verdienen. Vervolgens komt er in nauw overleg met betrokken partijen
1) Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand. 2) Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna.
Rho Adviseurs B.V. vestiging Middelburg
44002091.201908450845.201908.00
6
Toetsingskader
een beheerplan, waarin onder andere staat beschreven welke maatregelen nodig zijn om de doelen te behalen. Wettelijk kader De Wnb: verankert de Europese gebiedsbescherming van Natura 2000, bestaande uit Speciale Beschermingszones (SBZ's) op grond van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, in de Nederlandse wetgeving; vormt de wettelijke basis voor de aanwijzingsbesluiten met instandhoudingsdoelstellingen; legt de rol van bevoegd gezag voor verlening van vergunningen meestal bij de provincies. Voor Natura 2000-gebieden gelden onder meer de volgende verplichtingen. De overheid dient ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert. Tevens mag er geen verstoring optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen. Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied. Bevoegde nationale instanties geven slechts toestemming voor het plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast.
Als een plan of project om dwingende reden van groot openbaar belang toch moet worden gerealiseerd, terwijl significant negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, moeten alle nodige compenserende maatregelen worden genomen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Europees ecologisch netwerk (Natura 2000) bewaard blijft. In artikel 2.7, eerste lid, van de Wnb is de habitattoets voor het vaststellen van een bestemmingsplan neergelegd. Artikel 2.7, eerste lid, van de Wnb luidt als volgt: Een bestuursorgaan stelt een plan dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, uitsluitend vast indien is voldaan aan artikel 2.8, met uitzondering van het negende lid. Artikel 2.8 van de Wnb luidt als volgt: 1.
2.
3.
4.
Voor een plan als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, of een project als bedoeld in artikel 2.7, derde lid, onderdeel a, maakt het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning, een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied. In afwijking van het eerste lid hoeft geen passende beoordeling te worden gemaakt, ingeval het plan of het project een herhaling of voortzetting is van een ander plan, onderscheidenlijk project, of deel uitmaakt van een ander plan, voor zover voor dat andere plan of project een passende beoordeling is gemaakt en een nieuwe passende beoordeling redelijkerwijs geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren over de significante gevolgen van dat plan of project. Het bestuursorgaan stelt het plan uitsluitend vast, en gedeputeerde staten verlenen voor het project, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend een vergunning, indien uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. In afwijking van het derde lid kan, ondanks het feit dat uit de passende beoordeling de vereiste zekerheid niet is verkregen, het plan worden vastgesteld, onderscheidenlijk de vergunning worden verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a.
er zijn geen alternatieve oplossingen; b. het plan, onderscheidenlijk het project, bedoeld in het eerste lid, is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en
44002091.20190845
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Middelburg
Toetsingskader
7
c. 5.
6.
7.
8.
de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. Ingeval het plan, onderscheidenlijk het project, bedoeld in het eerste lid, significante gevolgen kan hebben voor een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort in een Natura 2000-gebied, geldt, in afwijking van het vierde lid, onderdeel b, de voorwaarde dat het plan, onderscheidenlijk het project nodig is vanwege: a. argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijk gunstige effecten, of b. andere dwingende redenen van openbaar belang, na advies van de Europese Commissie. Een advies van de Europese Commissie als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel b, wordt door de Minister gevraagd. Het bestuursorgaan, onderscheidenlijk gedeputeerde staten doen daartoe een verzoek aan de Minister. Compenserende maatregelen als bedoeld in het vierde lid, onderdeel c, maken onderdeel uit van het plan, onderscheidenlijk de verplichting om deze maatregelen te treffen maakt onderdeel uit van de vergunning voor het project, bedoeld in het eerste lid. Het bestuursorgaan dat het plan vaststelt meldt, onderscheidenlijk gedeputeerde staten melden de compenserende maatregelen aan Onze Minister, die de Europese Commissie van de maatregelen op de hoogte stelt.
Ingeval een compenserende maatregel voorziet in de ontwikkeling of verbetering van leefgebieden voor vogels, natuurlijke habitats of habitats voor soorten buiten een Natura 2000-gebied, draagt Onze Minister ervoor zorg dat deze leefgebieden of habitats een Natura 2000-gebied, of een onderdeel van een Natura 2000-gebied worden.
Een passende beoordeling is verplicht als een plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor de betrokken Natura 2000-gebieden.1) Voor de inschatting van de effecten die een plan kan hebben, moet de significantie worden beoordeeld in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied, die voor kwalificerende soorten en habitats zijn geformuleerd. Als niet op grond van objectieve gegevens op voorhand significante gevolgen op een Natura 2000-gebied zijn uitgesloten, moet een passende beoordeling worden gemaakt. 2) In de passende beoordeling worden de effecten op Natura 2000-gebieden nader onderzocht. Vervolgens kan een bestemmingsplan slechts worden vastgesteld indien is verzekerd dat ook bij een maximale invulling van het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet worden aangetast.
2.3.
Spoedwet aanpak stikstof
Op 1 januari 2020 is de Spoedwet aanpak stikstof in werking getreden. De Spoedwet bevat instrumenten om vergunningverlening voor (specifieke) projecten makkelijker te maken. Momenteel geldt het volgende kader: op basis van de Wet natuurbescherming is een vergunning vereist voor projecten die mogelijk een significant negatief effect kunnen hebben op een Natura 2000-gebied. Uitzondering hierop zijn projecten waarbij kan worden uitgesloten dat significante negatieve effecten optreden: hiervoor vervalt als gevolg van de spoedwet de vergunningsplicht. Indien een hoogste bijdrage van niet meer dan 0,0049 mol/ha/jaar berekend wordt kan worden uitgesloten dat er significant negatieve effecten optreden; indien een vergunning is vereist omdat niet kan worden uitgesloten dat mogelijke significante effecten optreden, dient tevens een passende beoordeling te worden opgesteld om in beeld te brengen of er daadwerkelijk significante negatieve effecten aan de orde zijn. In een passende beoordeling mogen tevens mitigerende maatregelen betrokken worden. Indien geen significante effecten aanwezig zijn, dan kan een vergunning verkregen worden; indien uit de passende beoordeling blijkt dat significante effecten niet zijn uit te sluiten, dan is een vergunning enkel mogelijk met het doorlopen van een ADC-toets. Hier moet worden aangetoond 1) Art. 2.8, tweede lid, van de Wnb.
2) ABRvS 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421.
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Middelburg
0845.201908.00
8
Toetsingskader
dat er geen (A)lternatieven zijn, het project in het kader van een (D)wingende reden van groot openbaar belang is en dient (C)ompensatie plaats te vinden.
2.4.
Wet stikstofreductie en natuurverbetering
De Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) regelt een vrijstelling van de vergunningplicht in artikel 2.7 lid 2 Wnb voor de aanlegfase van bouwwerkzaamheden. Deze vrijstelling geldt alleen voor de effecten als gevolg van stikstofdepositie en niet voor eventuele andere effecten als gevolg van het project op Natura-2000 gebieden. De vrijstelling is verder uitgewerkt in het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (Bsn). De Wsn en Bsn zijn per 1 juli 2021 in werking getreden . Wat valt onder de vrijstelling: • het bouwen en slopen van een bouwwerk; • het aanleggen, wijzigen en opruimen van een werk (bijvoorbeeld voor duurzame energieopwekking en grond-, weg- en waterbouw zoals pleinen, straten, het verplaatsen van grond in het kader van bouwrijp maken van een terrein, spoorwegen, waterstaatswerken, waterwegen, waterkeringen, energie-infrastructuur, telecommunicatie-infrastructuur, openbare hemelwater- en ontwateringsstelsels en vuilwaterriolen); • de vervoersbewegingen die samenhangen met de werkzaamheden (o.a. het aan- en afvoeren van bouwmaterialen en emissies van werktuigen op de bouwplaats). De toelichting bij het Bsn geeft verder aan: “Deze partiële vrijstelling kan ook helpen bij het vaststellen van bestemmingsplannen door gemeenten.
Als het bestemmingsplan dient om bepaalde bouwactiviteiten of de aanleg of wijziging van werken mogelijk te maken, zal voor dit onderdeel van het plan kunnen worden verwezen naar het feit dat al een beoordeling door de wetgever heeft plaatsgevonden die een partiële vrijstelling voor de bouwfase van het project heeft vastgesteld. Als gevolg daarvan kan bij de beschouwing van de stikstofemissies wat betreft de bouwfase gebruik worden gemaakt van de onderbouwing in de toelichting van het besluit.” (citaat uit paragraaf 5.4 Nota van Toelichting Bsn). Deze vrijstelling geldt strikt genomen alleen voor projecten en niet voor plannen. Omdat er nog inhoudelijk discussie is over de onderbouwing van de vrijstelling wordt ten behoeve van het bestemmingsplan aandacht besteed aan de stikstofdepositie in van de aanlegfase. Wat is significant? Het begrip significant speelt een sleutelrol bij het beoordelen van de vergunbaarheid van een ingreep in het kader van de Wet natuurbescherming. In de factsheet nr. 25: “‘Significantie’ bij beoordeling van gevolgen voor Natura 2000-gebieden” geeft de Commissie voor de Milieueffectrapportage aan op welke wijze het begrip significantie moet worden geïnterpreteerd bij een dergelijke toetsing. De beoordeling of een effect al dan niet significant is, wordt benaderd vanuit de instandhoudingsdoelstellingen.
Deze zijn vastgelegd in de aanwijzingsbesluiten voor de Natura 2000-gebieden. Er zijn instandhoudingsdoelstellingen voor habitattypen en voor soorten. Voor habitattypen gaat het om behoud of uitbreiding van de oppervlakte en/of behoud of verbetering van de kwaliteit. Voor soorten gaat het om behoud of uitbreiding van de oppervlakte van het leefgebied, behoud of verbetering van de kwaliteit van het leefgebied en behoud of uitbreiding van de populatieomvang. Als uit de Passende beoordeling blijkt dat een instandhoudingsdoel door het project of plan (mogelijk) niet gehaald wordt, wordt het effect als significant beschouwd.
44002091.20190845
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Middelburg
Toetsingskader
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Middelburg
9
0845.201908.00
3. Referentiesituatie
3.1.
11
Plangebied
De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 3.1. Op dit moment (2021) bevinden zich op de twee recreatieterreinen 473 recreatieve eenheden, in de vorm van vaste standplaatsen met stacaravans, recreatiewoningen en één logeergebouw, met in totaal 2.296 slaapplaatsen. Deze eenheden zijn planologisch legaal aanwezig; dit aantal wordt beschouwd als de referentiesituatie voor de toetsing van de ontwikkeling aan de Wnb. De recreatieterreinen zijn jaarrond open maar hebben in de winterperiode 15 oktober-1 maart een relatief lage bezettingsgraad (van slechts 30%). Op het terrein van het westelijk deel is ook circa 1.500 m² ondersteunende horeca, ruimte voor dienstverlening en beheer, een zendmast en een dienstwoning aanwezig. In het oostelijk deel is naast de recreatiewoningen en standplaatsen ook een traditionele Zeeuwse schuur aanwezig die dienst doet als logiesgebouw.
Figuur 3.1 Ligging plangebied
Rho Adviseurs B.V. vestiging Middelburg
44002091.201908450845.201908.00
12
3.2.
Referentiesituatie
Natura 2000
Het plangebied ligt naast het Natura 2000-gebied Kop van Schouwen (zie figuur 3.2). Andere Natura 2000gebieden liggen op minimaal 800 m afstand (Voordelta, Oosterschelde) en worden alleen mogelijk beïnvloed door stikstofdepositie. Dit wordt nader onderbouwd en onderzocht in hoofdstuk 5.
Figuur 3.2 Ligging plangebied (rood) ten opzichte van Natura 2000-gebied Kop van Schouwen (geel) De instandhoudingdoelen voor het aangrenzende Natura 2000-gebied luiden op basis van het aanwijzingsbesluit als volgt. Tabel 3.1 Instandhoudingsdoelen Kop van Schouwen (bron: www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase)
Habitats H1330A - Schorren en zilte graslanden (buitendijks) H2110 - Embryonale duinen H2120 - Witte duinen H2130A - *Grijze duinen (kalkrijk) H2130B - *Grijze duinen (kalkarm) H2130C - *Grijze duinen (heischraal) H2150 - *Duinheiden met struikhei H2160 - Duindoornstruwelen H2170 - Kruipwilgstruwelen H2180A - Duinbossen (droog) H2180B - Duinbossen (vochtig) H2180C - Duinbossen (binnenduinrand) H2190A - Vochtige duinvalleien (open water) H2190B - Vochtige duinvalleien (kalkrijk)
44002091.20190845
doelst. opp.vl.
doelst. kwal.
= = = > > > = = (<) = (<) = (<) = (<) = (<) > >
= = > > > > = = = = > = > >
doelst. pop.
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Middelburg
Referentiesituatie
H2190C - Vochtige duinvalleien (ontkalkt) H2190D - Vochtige duinvalleien (hoge moerasplanten) H6410 - Blauwgraslanden Habitatsoorten H1014 - Nauwe korfslak H1340 - *Noordse woelmuis H1903 - Groenknolorchis
doelst. opp.vl.
doelst. kwal.
> = =
> = =
= = >
= > >
13
doelst. pop.
= = >
Legenda =
Behoudsdoelstelling
>
Verbeter- of uitbreidingsdoelstelling
= (<)
achteruitgang ten gunste van ander habitattype toegestaan
Habitattypen Figuur 3.3 geeft de ligging van de habitattypen weer binnen dit Natura 2000-gebied. Grenzend aan het plangebied ligt het habitattype Grijze duinen (heischraal) [H2130C] en Duinbossen (binnenduinrand) [H2180C.] Op enige afstand liggen verder de habitattypen Grijze duinen (kalkarm) [H2130B], Duinbossen (droog) [H2180A] en Duinbossen (vochtig) [H2180B]. Habitatrichtlijnsoorten De nauwe korfslak komt voor in het habitattype H2160 Duindoornstruwelen, H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk) en zomen, mantels en droge struwelen van de duinen. De soort is op twee locaties waargenomen: langs de infiltratieplas bij boswachterij Westerschouwen en in de zeereep nabij woongemeenschap De Haard, tussen Renesse en Scharendijke (provincie Zeeland, 2017). De soort is niet waargenomen nabij het plangebied. Uit NDFF-gegevens blijkt dat de noordse woelmuis is waargenomen in de duinvallei ten noorden van het plangebied. Het leefgebied van de Noordse woelmuis komt met name voor op natte ruigere delen van de Vochtige duinvalleien (bron: Gebiedsanalyse kop van Schouwen, provincie Zeeland, 2017). De groenknolorchis komt alleen voor in de Buiten Verklikker (Provincie Zeeland, 2017). Aanwezigheid nabij het plangebied is uitgesloten.
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Middelburg
0845.201908.00
14
Referentiesituatie
Figuur 3.3 Habitattypenkaart van het Natura 2000-gebied Kop van Schouwen (bron: https://zldgwb.zeeland.nl/geoloket/?Viewer=Natura2000)
3.3.
Natuurnetwerk Nederland
Begrenzing en wezenlijke waarden en kenmerken Fout! Verwijzingsbron niet gevonden. laat zien dat het NNN grenst aan het plangebied. De duinen zijn tevens aangewezen als Natura 2000-gebied. Ten zuidwesten van het plangebied ligt een klein oppervlak dat ook is aangewezen als NNN als N17.06 Vochtig en hellinghakhout en dat niet overlapt met het Natura 2000-gebied Kop van Schouwen. Figuur 3.5. geeft een beeld van de natuurdoeltypen zoals de provincie die in het Natuurbeheerplan heeft vastgelegd. Vochtig en hellinghakhout zijn loofbossen die bestaan uit houtgewas dat men niet hoog laat opschieten, maar dicht bij de grond afzet om de stronken weer te laten ontspruiten en de gevormde opslag te kunnen oogsten. Middenbos bestaat uit hakhout met overstaanders (doorgegroeide hakhouttelgen) of bovenstaanders (aangeplante bomen). Kenmerkend voor het beheertype is de aanwezigheid van hakhoutstoven. Bij dit vochtige type kan gedacht worden aan boomsoorten van rijke groeiplaatsen als els, es, hazelaar, haagbeuk maar ook eiken op rabatten. De cyclus verschilt per vorm en boomsoort, maar meestal dient om de 5 tot 20 jaar afgezet te worden. Kenmerkende plantensoorten zijn o.a.
aardbeiganzerik, bleke zegge, bosaardbei, bosanemoon, bosroos, boszegge, christoffelkruid, gevlekte aronskelk, grote keverorchis, gulden boterbloem, haagbeuk, heelkruid, slanke sleutelbloem, welriekende agrimonie en wilde marjolein. Als karakteristieke broedvogels worden genoemd; blauwborst, boompieper, gekraagde roodstaart, havik, matkop, nachtegaal, putter, spotvogel, wielewaal en appelvink.
44002091.20190845
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Middelburg
4. De ingreep
4.1.
15
Algemeen
Het recreatiepark zal bestaan uit maximaal 246 vakantieverblijven1 en één logeergebouw met enkele voorzieningen, die ten dienste staan van het totale park (en geen openbare functie hebben): ondergeschikte dienstverlening, receptie met kantoor, horeca en zwembad. Het totaal aantal slaapplaatsen in de toekomstige situatie bedraagt 1.472. Het karakter van het park wordt in belangrijke mate bepaald door de ligging grenzend aan het natuurgebied Kop van Schouwen. Het gehele park wordt ingebed in een glooiend duinlandschap, dat volledig aansluit op de omgeving. Figuur 4.1 geeft de voorgenomen inrichting weer. In de nieuwe situatie is het park – net als in de bestaande situatie – jaarrond geopend.
Figuur 4.1 Globale Inrichting van het nieuwe park
1
100 kampeerhuizen (max 51 m2) ,146 recreatiewoningen (70 - 130 m2)
Rho Adviseurs B.V. vestiging Middelburg
44002091.201908450845.201908.00
5. Effectbeschrijving
5.1.
17
Afbakening effecten
In deze paragraaf vindt een afbakening plaats van de effecten door de transformatie van de recreatieparken op Natura 2000, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen de effecten die zeker niet tot significante gevolgen zullen leiden en effecten waarbij dit nog niet op voorhand is uit te sluiten. De typen effecten waarbij dat laatste het geval is, worden verderop in deze paragraaf nader onderzocht. Als gevolg van de voorgenomen activiteit zijn verschillende effecten op de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden mogelijk. Aan de hand van de Effectenindicator (website van het Ministerie van EZ) wordt aangegeven welke effecten al dan niet kunnen optreden als gevolg van het voornemen. In onderstaande tabellen is aangegeven welke effecten volgens de Effectenindicator potentieel aan de orde zijn voor de Kop van Schouwen bij de activiteiten landrecreatie respectievelijk woningbouw. Het betreft de effecten oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, licht, en trilling, optische verstoring en verstoring door mechanische effecten. Deze effecten worden hieronder nader beschreven. In aanvulling daarop worden ook de effecten vermesting en verzuring nader beschreven; de Effectenindicator geeft deze om onduidelijke redenen niet weer. Tabel 5.1 Effectenindicator voor landrecreatie resp. woningbouw
Rho Adviseurs B.V. vestiging Middelburg
44002091.201908450845.201908.00
18
Effectbeschrijving
Oppervlakteverlies: De transformatie vindt plaats buiten de begrenzing van het Natura 2000-gebied; areaalverlies treedt hier dus niet op. Versnippering: De beoogde ontwikkeling vormt geen nieuwe barrière binnen of tussen Natura 2000-gebieden. Het aspect versnippering wordt daarom niet nader onderzocht. Verzuring en vermesting: In de aanlegfase zal de bestaande stikstofemissie vervallen, doordat het gebruik als recreatieterrein gedurende de bouw wordt beëindigd; zowel het gebruiksverkeer uit de referentiesituatie als het gebruik van stookinstallaties zijn vervallen voor de aanlegfase. Tijdens de aanleg wordt zwaar materieel ingezet (shovels, kranen, graafmachine etc., zie ook tabel 5.3). Bij het bepalen van de inzet van het materieel ten behoeve van het berekenen van de stikstofemissie, is ervan uitgegaan dat de recreatieverblijven ter plaatse worden gebouwd. In de praktijk worden de recreatieverblijven prefab aangeleverd, waardoor de inzet van materieel en vrachtautobewegingen door de aanvoer van bouwmaterialen sterk wordt beperkt, De berekeningen van de stikstofemissie en –depositie zijn dan ook een worst-casebenadering. In de gebruiksfase zal er sprake zijn van gasloze recreatie-eenheden en van minder verkeersbewegingen naar en van het plangebied dan in de referentiesituatie.
Deze veranderingen zullen leiden tot veranderingen in de stikstofdepositie op daarvoor gevoelige habitats en leefgebieden van soorten binnen Natura 2000-gebieden. Dit effect wordt nader beschreven in paragraaf 5.1.6. Verontreiniging: Er is sprake van verontreiniging als er verhoogde concentraties van stoffen in een gebied voorkomen, die onder natuurlijke omstandigheden niet of in zeer lage concentraties aanwezig zijn. In het plangebied is dit niet aan de orde en ook de nieuwe verblijfsrecreatie creëert geen nieuwe verontreinigingen die schadelijk zijn voor Natura 2000. Verdroging/vernatting: De beoogde ontwikkeling leidt tot ingrepen in de waterhuishouding door afname van het areaal verharding en het creëren van een glooiend duinlandschap met (vochtige) duinvalleien. De effecten hiervan op het naastgelegen duingebied worden beschreven in paragraaf 5.1.2. Verstoring door geluid: In de aanlegfase zal mogelijk verstoring door bouwwerkzaamheden en het gebruik van zwaar materieel plaatsvinden. In de gebruiksfase worden de verstoringseffecten bepaald door geluid uit het recreatiegebied en door het daaraan gerelateerde verkeer op de omliggende wegen.
Hoewel geen van de kwalificerende habitats of soorten van dit Natura 2000-gebied gevoelig is voor verstoring door geluid (uitsluitend voor de noordse woelmuis is dit als ‘onbekend’ opgenomen; zie ook Tabel 5.1 Effectenindicator) kan een dergelijke verstoring wel gevolgen hebben voor karakteristieke vogels van de aangrenzende duinbossen. Het habitatprofiel duinbossen (Alterra 2008) noemt in dit verband de grote bonte specht en houtsnip. Voor het habitattype grijze duinen noemt Alterra de tapuit en velduil als karakteristieke vogelsoorten. Verstoring door geluid is derhalve een relevant thema bij de beoordeling van de effecten van het plan op dit Natura 2000-gebied. Dit aspect wordt nader beschreven in paragraaf 5.1.3. Verstoring door licht: Het huidige recreatiegebied is reeds verlicht en wordt reeds gebruikt door verkeer dat 's avonds en 's nachts licht voert. De aanlegwerkzaamheden zullen deels plaatsvinden zonder daglicht. De aannemer maakt gebruik van speciale armaturen, waardoor de lichtuitstraling beperkt zal blijven tot de werkplek en niet zal uitstralen naar het Natura 2000-gebied. Dit zal contractueel worden geborgd in de overeenkomsten met de in te schakelen aannemers. Hoewel geen van de kwalificerende habitats of soorten van dit Natura 2000-gebied gevoelig is voor verstoring door licht (uitsluitend voor de noordse woelmuis is dit als
44002091.20190845
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Middelburg
Effectbeschrijving
19
‘onbekend’ opgenomen; zie ook Tabel 5.1 Effectenindicator) kan een dergelijke verstoring wel gevolgen hebben voor karakteristieke vogels van de aangrenzende duinbossen. Verstoring door geluid is derhalve een relevant thema bij de beoordeling van de effecten van het plan op dit Natura 2000-gebied. In toekomstige gebruiksfase wordt geen relevante lichtverstoring toegevoegd; in de huidige en toekomstige situatie is sprake van jaarrondgebruik. Dit aspect wordt nader beschreven in paragraaf 5.1.4. Verstoring door trillingen: Trillingen kunnen een bron van verstoring zijn voor diersoorten. De enige trillingsgevoelige Natura 2000soort in dit gebied is de nauwe korfslak (zie ook Tabel 5.1 Effectenindicator). Deze soort is niet nabij het plangebied aanwezig. Dosis-effectrelaties m.b.t. trillingen zijn niet bekend. Eventuele trillingen worden verwacht als gevolg van bouwwerkzaamheden en zullen qua intensiteit zeer gering zijn. Ter vergelijking; trillingen van hei- of trilwerkzaamheden zijn waarneembaar tot circa 100 m van de bron (bron: funderingsbranche NVAF (Nederlandse Vereniging Aannemers Funderingswerken)). Bij de bouwwerkzaamheden in het kader van onderhavig project zal geen sprake zijn heiwerkzaamheden. Bij het aanleggen van bestrating zal wel tijdelijk sprake zijn van beperkte trillingen doch deze zijn gering en bereiken niet het leefgebied van de noordse woelmuis.
Eventuele trillingen als gevolg van vrachtwagens en graafmachnies zijn geringer van omvang. Gezien het hoogteverschil van enkele meters zal de inzet van zwaar materieel in het plangebied bovendien zeer beperkt leiden tot trillingen op het maaiveld van het hoger gelegen duingebied. Eventuele trillingseffecten zijn daarom verwaarloosbaar klein, tijdelijk van aard en bereiken niet het leefgebied van de noordse woelmuis. Derhalve is het uitgesloten dat eventuele trillingen de Natura 2000-doelen van dit gebied beïnvloeden. Optische verstoring: Vanuit het plangebied is reeds sprake van enige optische verstoring door bewegende mensen en verkeer die recreëren in het aangrenzende duingebied. Deze aantallen zullen ten opzichte van de referentiesituatie in de zomer afnemen door een afname van het aantal eenheden. Het aantal personen, dat op De Schouwse Valleien verblijft, zal als gevolg van de afname van het aantal eenheden, ook afnemen, ook als rekening wordt gehouden met een hogere bezettingsgraad. Het mogelijke verstoringseffect als gevolg van recreatieve uitloop in het natuurgebied wordt nader beschreven in paragraaf 5.1.5. Verstoring door mechanische effecten: Het betreft hier verstoring door betreding, golfslag, luchtwervelingen etc. die optreden ten gevolge van menselijke activiteiten. Er is sprake van een bestaand padennetwerk dat reeds wordt gebruikt door recreanten.
Het is gebruikers niet toegestaan om zich buiten de paden te begeven. Hier wordt door de beheerder ook op gehandhaafd. Ten slotte zal de betreding in het kwetsbare groeiseizoen en broedseizoen afnemen door de afname van het aantal recreatie-eenheden. Extra verstoring door mechanische effecten zal daarom niet optreden; dit effect wordt niet nader onderzocht. Resumerend; nader te onderzoeken effecten op Natura 2000 betreffen verdroging, verstoring door geluid en licht, optische verstoring, vermesting en verzuring. Deze aspecten worden hierna getoetst.
5.2.
Verdroging
Onderstaande tekst is ontleend aan het rapport: 'De Schouwse Valleien Burgh-Haamstede, Deelrapport hydrologie' Arcadis (2020). Dit rapport is opgenomen als bijlage 3 bij deze voortoets. Uitgangspunten in het ontwerp zijn: • Gesloten grondbalans. • Ontgraven grond wordt gebruikt voor creëren terreinglooiing met hoogte van ongeveer 30 cm boven huidig maaiveld. • Grondwater aan maaiveld in de winter (geen afvoer). • Hemelwater stroomt af naar centrale laagtes/wadi’s (extra infiltratie). • Laagtes met overstortdrempel wanneer de berging vol is.
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Middelburg
0845.201908.00
20
Effectbeschrijving
•
Recreatiewoningen gelegen op maaiveld (geen verdiepte ligging vanwege hoge grondwaterstanden).
In het ontwerp is 30% verhard oppervlak in de vorm van gebouwen, wegen en parkeerplaatsen, en 70% aan groene ruimte opgenomen. In de huidige situatie is het totaal aan verhard oppervlak 70% en onverhard 30%. Het aandeel verhard oppervlak vermindert dus met meer dan de helft waarvoor groenvoorzieningen terugkomen. Omdat het aandeel verhard oppervlak afneemt zijn geen compenserende waterbergingsmaatregelen noodzakelijk. Hemelwater wordt in de plannen afgewaterd naar de wadi’s. Vanuit deze laagtes is een overloop naar het grijswaterriool voorzien. Om geen verdroging te veroorzaken worden de laagtes met voldoende hoogteverschillen aangelegd zodat natuurlijke drempels ontstaan. Zo wordt voorkomen dat (grond)water in reguliere situaties kan afstromen. Daarnaast wordt het doorgraven van weerstand biedende lagen voorkomen door rekening te houden met een maximale ontgravingsdiepte. Op basis van het uitgevoerde hydrologisch onderzoek zal niet dieper worden gegraven dan 2,5 m beneden het huidige maaiveld. Daarmee wordt een potentieel verdrogend effect voorkomen. Samenvattend zijn de hydrologische effecten als volgt; • Wateroverlast en tekort (++): Afname van verhard oppervlak en toename van groen en waterberging levert een bijdrage aan het verminderen van risico’s op wateroverlast en droogte. De oppervlakte verharding bedraagt maximaal 70% van de totale terreinoppervlakte.
Parkeerplaatsen worden halfverhard aanelegd. • Droogte (+); een licht positief effect zal optreden op aangrenzende natuurgebieden en de zoetwatervoorraad. De laagtes in het landschap hebben geen watervoerende functie, de grondwaterstanden blijven gelijk. Toename van infiltratie van hemelwater, door afname van de oppervlakte verharding. De ontgravingsdiepte blijft beperkt tot 2,5 m onder maaiveld zodat belangrijke weerstand biedende lagen (leem, klei veen) niet worden vergraven. • Ontwateringsdiepte (+): Verandering aan bebouwing en maaiveld hebben geen nadelige gevolgen op de grondwaterstanden, waterberging en waterkwaliteit. • Waterkwaliteit (+): Afname van verkeersintensiteit én het vermijden van het gebruik van uitlogende materialen zorgt voor verbetering van de waterkwaliteit van afstromend water. Afname van het aantal eenheden op het terrein verlaagt de belasting op de RWZI. Significante gevolgen als gevolg van verdroging kunnen worden uitgesloten.
5.3.
Verstoring door geluid
Hoewel geen van de kwalificerende habitats of soorten van dit Natura 2000-gebied gevoelig is voor verstoring door geluid (zie ook Tabel 5.1 Effectenindicator) kan een dergelijke verstoring wel gevolgen hebben van karakteristieke vogels van de aangrenzende duinbossen. Het habitatprofiel duinbossen (Alterra 2008) noemt in dit verband de grote bonte specht en houtsnip. Voor het habitattype grijze duinen noemt Alterra de tapuit en velduil als karakteristieke vogelsoorten. Verstoring door geluid is derhalve een relevant thema bij de beoordeling van de effecten van het plan op dit Natura 2000-gebied. Aanlegfase Bij de inrichting van het terrein en de bouw van de verblijfsrecreatieve eenheden en het zwembad wordt gebruik gemaakt van de apparatuur zoals weergegeven in onderstaande tabel. Daarbij wordt geluidarme apparatuur ingezet. De fundering ten behoeve van het zwembad gedurende een week zal door schroeven
44002091.20190845
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Middelburg
Effectbeschrijving
21
of boren plaatsvinden. In de laatste kolom is de ligging van de 42 dB(A)-contour van de verschillende machines weergegeven. Dit is de kritische verstoringscontour voor bosvogels (bron: Reijnen, 1992) die als karakteristiek kunnen worden beschouwd voor de aangrenzende boshabitats. Bij hogere geluidsniveaus neemt het aantal broedparen mogelijk af. Voor vogels van open landschappen geldt een kritische verstoringscontour van 47 dB(A). Er zijn geen verstoringscontouren bekend voor niet-broedvogels. Aangenomen wordt dat deze identiek zijn aan die van broedvogels. Tabel 5.2 Verstoringscontouren aanlegwerkzaamheden activiteit geluidarm aggregaat geluidarme pomp (elektrisch) compressor ontgraven met 1 graafmachine 12 vrachtwagens per etmaal
Lwr (dB(A) 42 dB(A)-con- 47 dB(A)-contour (m) tour (m) 93 122 70 90 84 48 100 221 128 107 291 171 106 25 14
(bron: www.AV-consulting.nl) De grootste geluidsproductie hangt samen met het gebruik van de graafmachine gedurende ongeveer 8 maanden. Figuur 5.1 laat de ligging zien van de bijbehorende 42 en 47 dB(A)-contour, er van uitgaande dat deze machine in het hele terrein wordt ingezet. In de praktijk zijn deze contouren waarschijnlijk kleiner vanwege het hoogteverschil van enkele meters tussen het plangebied en het hoger gelegen duingebied. Onderstaande contouren kunnen daarom als worst-case-situatie worden beschouwd.
Figuur 5.1 Tijdelijk verstoorde gebied in aanlegfase Binnen deze contouren zullen de vogels dus tijdelijk verstoord worden. Overigens kent dit Natura 2000gebeid geen kwalificerende vogelsoorten maar kennen de verschillende habitats wel verschillende karakteristieke soorten. Verstoring door geluid treedt vooral op wanneer dit de communicatie van vogels verstoort, hetgeen in het broedseizoen relevant is bij het afbakenen van een territorium1). Verstoring tijdens het broedseizoen zou daarom kunnen leiden tot mislukte broedgevallen. Derhalve zullen de werkzaamheden buiten het broedseizoen worden uitgevoerd, dus in de periode augustus tot half maart. De dan 1) Kleijn, D. (2008):'Effecten van geluid op wilde soorten – implicaties voor soorten betrokken bij de aanwijzing van Natura 2000gebieden' Alterra-rapport 1705.
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Middelburg
0845.201908.00
22
Effectbeschrijving
aanwezige niet-broedvogels kunnen dan eenvoudig uitwijken naar een zeer groot aangrenzend areaal onverstoord gebied gedurende twee weken. Overigens is ook gewenning van deze vogels aan het geluid denkbaar. Vogels blijken snel te wennen aan hoge geluidsniveaus indien dit geluid ongevaarlijk blijkt, zoals op vliegvelden, militaire oefenterreinen en in havens (bron: o.a., Krijgsveld 2009). De tijdelijke verstoring heeft geen gevolg voor de Natura 2000-instandhoudingsdoelen, doch mogelijk worden karakteristieke soorten verstoord (hiervoor zijn geen instandhoudingsdoelen geformuleerd). De aanwezigheid van broedende grote bonte spechten en houtsnippen in de aangrenzende bossen is aannemelijk. De aanwezigheid van broedende tapuiten in het aangrenzende open duin is ook mogelijk. De aanwezigheid van broedende velduilen wordt uitgesloten op grond van de beschikbare informatie (o.a. www.waarneming.nl). Vanwege de tijdelijke verstoringsinvloed op een zeer klein deel van de betreffende habitats, die bovendien deels reeds door recreatief medegebruik zijn verstoord, wordt de tijdelijke verstoring in de aanlegfase als gering en niet-significant beoordeeld. Gebruiksfase In de gebruiksfase zijn er minder eenheden, mensen, huisdieren en verkeersbewegingen dan in de uitgangssituatie. De verstoring door verkeersbewegingen kan worden gekwantificeerd.
Figuur 5.2 geeft de verandering van de relevante verstoringscontouren weer (bron; Arcadis, 2019). De figuur laat zien dat de afname in gebruiksintensiteit te klein is voor relevante verschuivingen van de verkeersgeluidcontouren die sowieso vrijwel nergens overlappen met het Natura 2000-gebied (de tijdelijke verstoringscontouren door het vrachtverkeer in de aanlegfase vallen overigens ruim binnen de verstoringscontouren van de huidige situatie in figuur 5.2). Negatieve effecten op Natura 2000 zijn derhalve uitgesloten. Positieve effecten zullen wel optreden (minder mensen en huisdieren op het terrein), maar kunnen niet worden gekwantificeerd.
44002091.20190845
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Middelburg
Effectbeschrijving
23
Figuur 5.2 Verstoord gebied in gebruiksfase
5.4.
Verstoring door licht
Figuur 5.3 laat de huidige en nieuwe verlichtingssituatie zien. Uit de afbeelding blijkt dat in de huidige situatie sprake is van relatief weinig verlichting die verspreid ligt over het hele park. In de nieuwe situatie is sprake van meer intensievere verlichting, maar deze concentreert zich op bepaalde delen in het nieuwe park, zoals het nieuwe centrale plein in de zuidwestelijke hoek van De Schouwse Valleien west. Deze intensief verlichte delen liggen niet naast het Natura 2000-gebied. De lichtintensiteit in het duingebied neemt dus niet toe. Overigens is geen van de kwalificerende habitats of soorten van dit Natura 2000gebied gevoelig voor lichtverstoring (zie ook Tabel 5.1 Effectenindicator). Enig effect op de instandhoudingsdoelen van dit Natura 2000-gebied door licht wordt daarom geheel uitgesloten.
Figuur 5.3 Verlichtingssituatie in de huidige situatie (links) en plansituatie (rechts). Het Natura 2000-gebied ligt linksboven in de hoek van de afbeeldingen
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Middelburg
0845.201908.00
24
Effectbeschrijving
5.5.
Optische verstoring
Aanlegfase In de aanlegfase zal groot materieel worden ingezet, dat echter vanuit het duingebied vrijwel onzichtbaar zal zijn. Het plangebied is immers door een dichte groene rand afgescheiden van de duinen en ligt bovendien enkele meters lager. Optische verstoring in de aanlegfase wordt derhalve uitgesloten. Gebruiksfase Ten opzichte van de referentiesituatie is sprake van een afname van het aantal recreanten. Het voornemen brengt het aantal eenheden terug van 473 in de referentiesituatie naar 247. Dit betekent dat het aantal recreanten dat vanuit het park het Natura 2000-gebied Kop van Schouwen in beweegt, afneemt. Hetzelfde geldt voor het aantal verkeersbewegingen op het omliggende wegennet door recreanten en ten behoeve van de exploitatie van het park. Dit betekent dat in het voortplantingsseizoen, wanneer dieren relatief gevoelig zijn voor verstoring, want gebonden aan nestplaatsen en territoria, er sprake zal zijn van een afname van de verstoring. Daarentegen zal het recreatief gebruik vanuit het vakantiepark in de nieuwe situatie in de winterperiode kunnen toenemen. Buiten het broedseizoen zal het recreatief gebruik kunnen leiden tot verstoring van de dan aanwezige soorten. De meeste karakteristieke soorten van de kwalificerende duinhabitats zijn dan echter in winterrust (reptielen, insecten) of bevinden zich in warmere oorden (vele vogelsoorten).
In deze periode zijn de wel actieve, aanwezige dieren ook minder verstoringsgevoelig (want niet gebonden aan een specifieke locatie). Verder blijkt uit een onderzoek naar de verstoringsgevoeligheid van vogels in relatie tot recreatie (Bureau Waardenburg, 2009) dat in gebieden waar een bepaalde verstoringsbron geen werkelijke dreiging vormt en daarnaast ook voorspelbaar is, het mogelijk is dat vogels steeds minder reageren op de verstoringsbron. Het type verstoring is daarbij bepalend voor de verstoringsafstand: voorspelbaarheid: voorspelbare gebeurtenissen of gedrag leiden tot minder verstoring en kortere verstoringsafstanden; gedrag verstoorder: richting (langs versus naderend), gedrag (rustig doorgaand versus alternerend stilhoudend en roepen), vervoer (lopend met hond versus fiets, roeiboot versus motorboot) van verstoorder beïnvloeden de verstoringsafstand; duur en frequentie: continue verstoring heeft ernstiger gevolgen dan infrequente verstoring. Bij verstoring zijn onverstoorde perioden waarin de vogels kunnen compenseren voor verloren tijd essentieel. De toename in de winterperiode van het recreatief gebruik van bestaande paden is een voorspelbare en ongevaarlijke beweging waar vogels snel aan zullen wennen.
Ten opzichte van het bestaande gebruik zijn zowel de afname (zomer) als de toename (winter) van het recreatieve gebruik van de paden van relatief zeer geringe betekenis. De afname van de verstoring in het voortplantingsseizoen wordt hoe dan ook zwaarder gewogen dan de toename in het winterseizoen. Deze laatste factor heeft bovendien geen effect op de instandhoudingsdoelen van dit Natura 2000-gebied. Een bijzondere vorm van verstoring is die door honden. Het huidige recreatiepark staat bekend als huisdiervriendelijk en trekt mede om die reden veel hondenbezitters aan. Gemiddeld zijn er momenteel 188 honden op het park. Deze dieren worden voor een groot deel uitgelaten in het aangrenzende Natura 2000-gebied en kunnen daar met name in het broedseizoen zorgen voor verstoring van de fauna, waaronder de houtsnip, een karakteristieke op de grond broedende soort van de Natura 2000-duinboshabitats (drie typen). In de toekomstige situatie zal het aantal verblijfsrecreatieve eenheden ongeveer worden gehalveerd ten opzichte van de huidige situatie. Ten opzichte van de planologisch toegestane situatie is het toekomstig aantal eenheden slechts ongeveer 40%. De afname van (potentiële) verstoring door honden zal in de toekomstige situatie daardoor substantieel afnemen. Bovendien zal slechts bij 10% van de verblijfsrecreatieve eenheden een huisdier zijn toegestaan.
Het aantal honden daalt derhalve van 188 naar 24. Vooral de sterke afname van het aantal honden in het broedseizoen door het kleiner aantal accommodaties zal leiden tot een afname van de verstoring.
44002091.20190845
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Middelburg
Effectbeschrijving
5.6.
25
Vermesting en verzuring
In deze paragraaf worden de aanlegfase en de gebruiksfase doorgerekend voor wat betreft het thema stikstofdepositie. Referentiesituatie inrichting In de huidige situatie (medio 2021) is sprake van in totaal 376 stacaravans, 96 recreatiewoningen en 1 logeergebouw (24 personen, vergelijkbaar met 4 recreatiewoningen). De gemiddelde bezettingsgraad bedraagt 60% (zomer 80%, winter 30%). Voor de stikstofemissies van een vrijstaande, gasgestookte (recreatie)woning rekent AERIUS met 3,59 kg NOx/jaar en 0,47 kg NH3 per jaar. Voor de stacaravans zijn genoemde emissies waarschijnlijk een overschatting. Hoewel slecht geïsoleerd zijn deze caravans ook kleiner dan een woning. Derhalve wordt uitgegaan van de helft van de genoemde emissies per woning. De totale jaarlijkse emissies zijn dan minimaal als volgt: Tabel 5.3 Emissies referentiesituatie deelgebied West Type Aantal Bezetting Recreatiewoningen 48 60% Stacaravans 274 x 0,5 60% Totaal
NOx (kg/jr) 103,4 295,1 398,5
NH3 (kg/jr) 13,5 38,6 52,1
Tabel 5.4 Emissies referentiesituatie deelgebied Oost Type Aantal Bezetting Recreatiewoningen 48 60% Stacaravans 102 x 0,5 60% Logeergebouw 1 60% Totaal
NOx (kg/jr) 103,4 109,9 8,6 221,9
NH3 (kg/jr) 13,5 14,4 1,2 29,1
Tabel 5.5 Emissies referentiesituatie totaal Type NOx (kg/jr) Deelgebied West 398,5 Deelgebied Oost 221,9 Totaal 620,4 Tabel 5.6 Zware verkeersbewegingen gebruiksfase Verkeersbewegingen/jr West bijvullen propaantank 24 wisselingen caravans 20 vuilniswagenbewegingen 52 Totaal 96
NH3 (kg/jr) 52,1 29,1 81,2
Oost 24 15 52 91
Totaal 48 35 104 187
Aanlegfase Voor de totale aanlegfase (4 jaar) wordt uitgegaan van de vervoersbewegingen en inzet van materieel zoals weergegeven in onderstaande tabellen. In de aanlegfase zal gebruik worden gemaakt van modern, zogenoemd Stage IV-materieel. Dat zal contractueel met de in te schakelen aannemer(s) worden bedongen en geborgd. In de laatste kolom is de inzet per jaar aangegeven, aangezien dit de waarde is die in AERIUS Calculator wordt ingevoerd. Al het verkeer wikkelt zich af naar de N57 waar het qua aantallen en rijgedrag niet meer te onderscheiden is van het overige verkeer. De verkeersmodellering is verder bepaald conform instructie gegevensinvoer van AERIUS Calculator.
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Middelburg
0845.201908.00
26
Effectbeschrijving
Tabel 5.7 Inzet machines en bouwverkeer aanlegfase (Stage IV, 130 – 300 kW) Activiteit
Sloop 96 recreatiewoningen Afvoer 376 stacaravans Bouw 147 recreatiewoningen
Inzet gedurende 4 jaar
96 x 6 = 576 uur kraan (20 ton)
Bouw zwembad
Graafwerk (reliëf, infrastructuur etc.)
woon-werkverkeer bouwvakkers
Totaal brandstofgebruik in liter 4 jaar Per jaar 8640 2160
2 x 376 = 752 vrachtwagenbewegingen 2 x 2 x 147 = 588 vrachtwagenbewegingen 32 x 147 = 4.704 uur kraan (20 ton) 8 x 147 = 1.176 uur graafmachine 4 x 147 = 588 uur betonmixer en pomp
Bouw 100 kampeerhuisjes
Brandstofgebruik (liter/uur) 15
15 20 10
70.560 23.520 5.880
17.640 5.880 1.470
24 x 100 = 2.400 uur kraan (20 ton) 8 x 100 = 800 uur graafmachine 4 x 100 = 400 uur betonmixer en pomp 2 x 200 = 400 vrachtwagenbewegingen
15 20 10
36.000 16.000 4.000
9.000 4.000 1.000
funderingsinstallatie 40 uur graafmachine 80 uur betonwagen 40 uur kleine kraan 80 uur verreiker 160 uur graafmachine 5.500 uur trilwals 1.000 uur shovel 2.000 uur vrachtwagen 20 ton 2.000 uur Tractor + kar 3.500 uur 20 x 2 = 40 autobewegingen/etmaal x 4 jaar (1000 werkdagen)
25 20 10 15 10 20 15 15 20 10
1.000 1.600 400 1.200 1.600 110.000 15.000 30.000 40.000 35.000 40.000
250 400 100 300 400 27.500 3.750 7.500 10.000 8.750 10.000
1,5 x 2 x 100 =300 vrachtwagenbewegingen
Tabel 5.8 Totaal inzet machines en bouwverkeer aanlegfase (Stage IV, 130 – 300 kW) per jaar Mobiele werktuigen brandstofgebruik 100.100 liter Verkeersbewegingen zwaar 510 Verkeersbewegingen licht 10.000
Gebruiksfase In de gebruiksfase zal het aantal eenheden sterk afnemen. De totale ontwikkeling zal geheel stikstofemissieloos worden. In tabellen 5.7 en 5.8 zijn de veranderingen in verkeersbewegingen samengevat. Tabel 5.7 Input gebruiksfase lichte verkeersbewegingen Deelgebied West Referentie Plansituatie Verkeersgeneratie 1.087 mvt/etm 700 mvt/etm Caravanstandplaatsen 274 0 Recreatiewoningen 48 69 Kampeerhuisjes 0 100 Logeergebouw 0 0 Slaapplaatsen 1.480 952
44002091.20190845
Deelgebied Oost Referentie Plansituatie 599 mvt/etm 383 mvt/etm 102 0 48 77 0 0 1 1 816 520
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Middelburg
Effectbeschrijving
Tabel 5.8 Input gebruiksfase zware verkeersbewegingen Referentiesituatie West bijvullen propaantank: 48 vrachtwagenbewegeen gingen/jaar 35 wisselingen caravans per jaar (met kraan) geen 104 vuilniswagenbewegingen per jaar 25
Nieuwe situatie Oost geen
Totaal geen
geen 25
geen 50
27
In de toekomstige situatie is sprake van in totaal 146 recreatiewoningen, 100 kampeerhuisjes en één logeergebouw met in totaal 1.472 slaapplaatsen. De verkeersgeneratie van de recreatieve eenheden is bepaald middels kentallen. Wanneer uitgegaan wordt van de gemeentelijke memo 'kengetallen parkeren en verkeer Agenda Toerisme', dan daalt de verkeersgeneratie van 1.686 mvt/etmaal in de referentiesituatie (1.087 + 599) naar 1.083 mvt/etmaal in de plansituatie (700 + 383) (bron: Bestemmingsplan De Schouwse Valleien). Ondanks de afname van 48% in het aantal eenheden, is de afname in het aantal motorvoertuigbewegingen slechts 36%. Dit is te verklaren door de hogere bezettingsgraad en de grootte van de eenheden met gemiddeld meer slaapplaatsen dan in de huidige situatie. Het verkeer wikkelt zich af naar de N57 waar het qua aantallen en aard niet meer te onderscheiden is van het overige verkeer. De verkeersmodellering is verder bepaald conform instructie gegevensinvoer AERIUS Calculator. Als rekenjaar voor de referentiesituatie is 2021 gehanteerd. Resultaten Voor zowel de aanlegfase als de nieuwe gebruiksfase is een verschilberekening gemaakt ten opzichte van de referentiesituatie. Tijdens de aanlegfase vervallen de emissies van de gebruiksfase en is op alle relevante habitats sprake van een afname van de stikstofdepositie.
In de gebruiksfase is eveneens overal sprake van een blijvende afname van de depositie. Gelet op het voorgaande heeft de beoogde ontwikkeling vanwege de afname van de stikstofdepositie een licht gunstig effect op de kwaliteit van de betreffende habitats. De AERIUS-berekeningen zijn opgenomen in bijlage 1.
Huisdieren en stikstof Het huidige recreatiepark staat bekend als huisdiervriendelijk en trekt mede om die reden veel hondenbezitters aan. Gemiddeld zijn er momenteel 188 honden op het park. Deze dieren worden voor een groot deel uitgelaten in het aangrenzende Natura 2000-gebied. De bemestende invloed van hondenuitwerpselen op natuurgebieden wordt sterk onderschat. Vreemd genoeg is hier nog slechts zeer weinig onderzoek naar gedaan, ook al worden in verschillende gebiedendocumenten en beheerplannen voor Natura 2000-gebieden hondenuitwerpselen wel als probleem benoemd. Het meest recente wetenschappelijke onderzoek naar dit thema dateert uit 1993. In het rapport: 'De invloed van stikstof in de ontlasting van honden op de vegetatie in voedselarme bos- en natuurterreinen' (IBN-rapport 038, J.G. de Molenaar en D.A. Jonkers) wordt de vermestende invloed als volgt gekwantificeerd; Tabel 5.7. Nutriëntenproductie per gemiddelde hond per dag per jaar uitwerpselen 0,3 kg 110 kg urine 0,7 liter 255 liter stikstof totaal 14,4 gr 5,26 kg fosfor totaal 1,5 gr 0,55 kg In de toekomstige situatie zal slechts bij 10% van de verblijfsrecreatieve eenheden een huisdier zijn toegestaan, hetgeen zal worden geborgd in het parkreglement. Het aantal honden
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Middelburg
0845.201908.00
28
Effectbeschrijving
daalt derhalve van 188 naar 27 jaarrond. De stikstofproductie van deze honden daalt daarmee van 577 kg/jr naar 142 kg/jr. Er van uitgaande dat de helft van deze stikstof in het Natura 2000-gebied terecht komt en niet wordt opgeruimd door de hondenbezitter, dan daalt de stikstofinput in het Natura 2000-gebied van 288,5 naar 71 kg/jr, een afname van 217,5 kg/jaar. In de stikstofberekeningen is overigens (worst case) geen rekening gehouden met deze positieve effecten.
5.7.
Effecten op Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk overlapt hier vrijwel volledig met Natura 2000. Aard en omvang van de effecten in de aanleg- en de gebruikfase zijn daarom identiek aan de effecten zoals beschreven in de vorige paragraaf. Het provinciaal beleid stelt op dit punt geen nadere toetsingseisen. Aanvullend is er wel een klein NNN-areaal N17.06 Vochtig en hellinghakhout dat niet overlapt met het Natura 2000-gebied Kop van Schouwen. De provinciale Omgevingsverordening 2018 artikel 2.23. stelt: 'In een bestemmingsplan worden geen bestemmingen aangewezen of regels gesteld die, ten opzichte van het daaraan voorafgaande bestemmingsplan, mogelijk maken dat de wezenlijke kenmerken of waarden van de in bijlage 9 aangegeven gebieden met de aanduiding Bestaande natuur per saldo significant worden aangetast. Ook mag de bestemming niet leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte van de gronden of tot een significante aantasting van de samenhang tussen gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Zeeland. ' Vermindering van de oppervlakte van de gronden of aantasting van de samenhang tussen gebieden is voor het onderhavige plan niet aan de orde. Mogelijke effecten op de kenmerken en waarden van dit beheertype hebben betrekking op verstoring door geluid in de aanlegfase.
Dit boselement ligt binnen de 42 dB(A)-contour in de aanlegfase zodat in de theorie een tijdelijke verstoring van de karakteristieke bosvogels gedurende 1,5 jaar kan optreden. Dit bosgebied ligt in de huidige situatie echter al binnen de 42 dB(A)-verstoringscontour vanaf de Kraaijensteinweg (zie figuur 5.2). Eventuele extra verstoring door geluid vanuit het plangebied tijdens de aanlegfase zal daarom zeer gering en niet significant zijn. Andersoortige effecten zullen niet optreden op het NNN.
44002091.20190845
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Middelburg
Conclusie
29
6. Conclusie
In deze rapportage zijn de effecten van de ontwikkeling van De Schouwse Valleien op de beschermde natuurwaarden van Natura 2000 onderzocht. Op basis van dit onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken voor de verschillende relevante effecten: • Verdroging: o de beperking van de oppervlakte verharding ten opzichte van de huidige situatie door de afname van het aantal eenheden en de oppervlakte verharding tot maximaal 30% van de oppervlakte (per deelgebied) en gebruik van halfverharding op de parkeerplaatsen heeft een positief effect op de waterhuishouding; o door geen werkzaamheden uit te voeren beneden 2,5 m onder maaiveld, wordt verstoring van de waterhuishouding van het aangrenzende Natura-2000-gebied voorkomen; o per saldo heeft de beoogde ontwikkeling een positief hydrologisch effect/ • Verstoring door geluid: o Eventuele verstoring door geluid van broedende vogels in het aangrenzende Natura-2000gebied is tijdelijk en de kleine oppervlakte van beïnvloed areaal wordt de mogelijke verstoring door geluid in de aanlegfase als gering en niet-significant beschouwd; o In de gebruiksfase zal door de afname van het aantal eenheden, het aantal aanwezige mensen, huisdieren en verkeersbewegingen sprake zijn van een afname van mogelijke verstoring ten opzichte van de huidige situatie; • Verstoring door lichthinder: o De lichtintensiteit in het duingebied neemt niet toe als
gevolg van de ontwikkeling; o Bovendien is geen van de kwalificerende habitats of soorten van het Natura-2000-gebied gevoelig voor verstoring door licht; enig effect kan dus geheel worden uitgesloten. • Optische verstoring: o Optische verstoring in de aanlegfase wordt uitgesloten, omdat het plangebied vanuit het duingebied nagenoeg niet zichtbaar is; o Omdat sprake is van een afname van het aantal recreanten in de gebruiksfase ten opzichte van de referentiesituatie, neemt de potentiële optische verstoring af. • Vermesting en verzuring: o De beoogde ontwikkeling heeft vanwege de afname van de stikstofdepositie een licht gunstig effect op de kwaliteit van de stikstofgevoelige habitats in de omgeving. • NNN: o Er zijn geen andere effecten op het NNN dan hiervoor beschreven voor Natura-2000. Mede gelet op de hier benoemde effecten, zijn er geen relevante projecten in de omgeving, die cumulatief zouden moeten worden betrokken bij de toetsing van de effecten van de beoogde ontwikkeling van De Schouwse Valleien op Natura 2000. Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het plan geen significante gevolgen heeft voor Natura-2000-gebieden in de omgeving. Het plan kan gelet op artikel 2.7 lid 1 van de Wet natuurbescherming worden vastgesteld.
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Middelburg
0845.201908.00
Rho Adviseurs B.V. vestiging Middelburg
44002091.201908450845.201908.00
7. Bronnen
-
-
-
37
Arcadis (2020);'De Schouwse Valleien Burgh-Haamstede, Deelrapport hydrologie' Dobben, H.F. van (2012): 'Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en Natura 2000-gebieden' Alterra-rapport 2397 Gemeente Schouwen-Duiveland, 2009. Module Licht en Duisternis Onderdeel van het milieubeleidsplan Gemeente Schouwen-Duiveland. Vastgesteld tijdens de raadsvergadering van 25 juni 2009. Krijgsveld, K.L., (2009): 'Verstoringsgevoeligheid van vogels, update literatuurstudie naar de reactie van vogels op recreatie' Ministerie van Economische Zaken, 2013. Natura 2000-gebied Kop van Schouwen. Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-116 | 116 Kop van Schouwen. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2008. *Vastgelegde kustduinen met kruidvegetatie ('grijze duinen') (H2130) Verkorte naam: Grijze duinen. H2130 versie 1 sept 2008.doc. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. 2009a. Beboste duinen van het Atlantische, continentale en boreale gebied (H2180) Verkorte naam: Duinbossen. H2180 versie 18 dec 2008, met erratum 24 maart 2009.doc Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2009b. Vochtige duinvalleien (H2190) Verkorte naam: Vochtige duinvalleien. H2190 versie 1 sept 2008, met erratum 24 maart 2009.doc. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2018.