20210420 voorontwerp bpl Duinrand Oost Bijlagen toelichting Bijlage 3 Archeologie inventariserend veldonderzoek
Tekst van het document
ARTEFACT! RAPPORT 582
Burgh‐Haamstede Hogeweg 88‐98A Gemeente Schouwen‐Duiveland Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen
J.E.M. Wattenberghe L. van der Valk
Colofon Titel
Burgh‐Haamstede Hogeweg 88‐98A. Gemeente Schouwen‐Duiveland. Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen
Auteur(s)
drs. J.E.M. Wattenberghe en dr. L. van der Valk (Deltares)
Artefact rapport
582
Status rapport
Concept 1
Datum
6 november 2020
Projectcode
2020ART51
Rapportage
drs. J.E.M. Wattenberghe en dr. B. van der Valk (hfdst. 3.2, 3.3.1, 3.3.2 en aanvullende onderzoeksvraag)
Projectmedewerker(s) veldwerk
drs. F.G.R. D’hondt, drs. F.M.J. Delporte, dr. L. van der Valk, drs. J.E.M. Wattenberghe
ISSN
2213 7424
Autorisatie
Naam
drs. F.M.J. Delporte (Senior KNA Prospector)
Paraaf
Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed! Riemensstraat 9 4543 BW Zaamslag T 0115 851614 E info@artefact‐info.nl W www.artefact‐info.nl
© Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed, 2020 Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van het hierin verwoorde advies.
ARTEFACT RAPPORT 582
BURGH‐HAAMSTEDE HOGEWEG 88‐98A
Inhoud Samenvatting ............................................................................................................................................................. 6 Administratieve Gegevens ........................................................................................................................................... 7
1
Inleiding ........................................................................................................................... 9 1.1 Aanleiding van het onderzoek ..................................................................................................................... 9 1.2 Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen........................................................................................... 10 1.3 Beleidskader .............................................................................................................................................. 11 1.4 Plangebied: afbakening en (toekomstig) grondgebruik ............................................................................. 13
2
Archeologische verwachting............................................................................................. 16 2.1 Inleiding .................................................................................................................................................... 16 2.2 Archeologisch verwachtingsmodel ............................................................................................................ 16
3
Inventariserend veldonderzoek ........................................................................................ 20 3.1 Methoden .................................................................................................................................................. 20 3.2 Toelichting op de geologie van de duinrand bij Burgh ................................................................................ 23 3.3 Geologie en bodem ................................................................................................................................... 24 3.3.1
Mechanische boringen: beschrijving en interpretatie ................................................................... 24
3.3.2
Mechanische boringen: schatting ouderdom van de verschillende pakketten ...............................25
3.3.3
Handmatige boringen: beschrijving en interpretatie .................................................................... 29
3.4 Archeologie ...............................................................................................................................................29
4
Conclusie en Advies ......................................................................................................... 32 4.1 Conclusie: beantwoording onderzoeksvragen ........................................................................................... 32 4.2 Advies ....................................................................................................................................................... 36
Lijst met figuren ........................................................................................................................................................ 38 Bronnen..................................................................................................................................................................... 39
Bijlage 1
Verklarende woordenlijst en afkortingen............................................................................................. 40
Bijlage 2
Tijdstabel ............................................................................................................................................. 41
Bijlage 3
Boorpuntenkaart .................................................................................................................................. 43
Bijlage 4
Determinatietabel vondsten ............................................................................................................... 44
Bijlage 5
Advieskaart ..........................................................................................................................................45
Bijlage 6
Boorstaten .......................................................................................................................................... 46
5
ARTEFACT RAPPORT 582
BURGH‐HAAMSTEDE HOGEWEG 88‐98A
Samenvatting Fiorinvest B.V. heeft het voornemen om twee bestaande verblijfsrecreatieterreinen aan de Hogeweg 88‐98A te Burgh‐Haamstede opnieuw te ontwikkelen. In het kader van het hiertoe nieuw op te stellen bestemmingsplan heeft Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed in 2018 een Archeologisch Bureauonderzoek uitgevoerd, in 2020 gevolgd door voorliggend Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen. Daarbij werd het tijdens het bureauonderzoek opgestelde specifieke archeologisch verwachtingsmodel getoetst. Om inzicht te verkrijgen in de diepere bodemopbouw en de landschapgenese werden twee raaien met mechanische boringen uitgevoerd (tot maximaal circa 10 m‐mv). De archeologische verwachting van de bovengrond werd, gezien de geplande beperkte verstoringsdiepte, getoetst door het uitvoeren van handmatige boringen (tot maximaal circa 2 m‐mv). Op basis van de resultaten dit onderzoek kan gesteld worden dat: Binnen het gehele plangebied een lage tot middelhoge verwachting geldt op het voorkomen van vindplaatsen uit het Neolithicum op het Laagpakket van Wormer.
Binnen het gehele plangebied een lage tot middelhoge verwachting geldt op het voorkomen van vindplaatsen uit de Bronstijd en of IJzertijd in, of op, de top van het Hollandveen Laagpakket Binnen het gehele plangebied een lage tot middelhoge verwachting geldt op het voorkomen van vindplaatsen uit de IJzertijd en/of de Romeinse tijd in, of op, de top van het Laagpakket van Walcheren Binnen het gehele plangebied een lage verwachting geldt op het voorkomen van vindplaatsen uit de IJzertijd tot en met de Romeinse tijd in de Oude Duinen Binnen het grootste deel van het plangebied een lage verwachting geldt op het voorkomen van vindplaatsen uit de Middeleeuwen tot en met de Nieuwe Tijd in de top van de Oude Duinen (Laagpakket van Schoorl) Binnen drie kleinere delen van het plangebied een verwachting op het voorkomen van vindplaatsen behouden blijft omwille van het voorkomen van archeologische indicatoren en cartografische referenties: o
Zone A: middelhoge verwachting op het voorkomen van een vindplaatsen uit de Volle Middeleeuwen
o
Zone B en C: hoge verwachting op het voorkomen van vindplaatsen uit de Nieuwe Tijd
Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt geadviseerd binnen het volledige plangebied een dubbelbestemming waarde archeologie met aangepaste dieptevrijstellingsgrenzen op te nemen in het nieuwe bestemmingsplan (zie bijlage 5). Indien binnen deze gebieden (grootschalige) graafwerkzaamheden plaatsvinden die dieper reiken dan de vermelde dieptevrijstellingsgrens wordt archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk geacht in de vorm van een Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven.
6
ARTEFACT RAPPORT 582
BURGH‐HAAMSTEDE HOGEWEG 88‐98A
Administratieve Gegevens Projectnaam
Burgh‐Haamstede Hogeweg 88‐98A
Onderzoeksvorm
Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen
LOCATIE Provincie
Zeeland
Gemeente
Schouwen‐Duiveland
Plaats
Burgh‐Haamstede
Adres / Locatie Kadastraal Perceel
Hogeweg Gemeente Westenschouwen, Sectie E, Perceel 109, 459, 473, 474, 475, 476, 477, 478, 479, 480, 481, 482, 485, 532, 533, 534, 578, 625, 626, 627, 780, 1897, 1898, 2113, 2287, 2330, 2563, 2993, 2994, 2995, 2996
Hoekpunten coördinaten RD Centrum coördinaat RD
N 39.473 / 411.879 Z 39.248 / 411.229 39.339 / 411.531
Oppervlakte plangebied
131.950 m² (deelgebied West: 79.402 m², deelgebied Oost: 52.548 m²)
Vigerende bestemmingsplan
1e herziening Kop van Schouwen (2019): WA‐6 (2.500 m², 0,50 m‐mv)
O 39.636 / 411.624 W 39.051 /411.465
BEKENDE WAARDEN Gemeentelijke vindplaats
Geen
AMK status
Geen
Archis vondstlocatie
1104238
Zeeuws Archeologisch Depot
Geen
OPDRACHTGEVER Naam
Fiorinvest B.V.
Contactpersoon
Dhr. M. Blom
Adres
Hogeweg 96A 4328 PL Burgh‐Haamstede
Telefoon
‐
blom@leisure2b.com
BEVOEGDE OVERHEID Naam
Gemeente Schouwen‐Duiveland
Contactpersoon
Dhr. G.P.A. Besuijen
Adres
Postbus 5555, 4300 JA Zierikzee
Telefoon
0111 452000
Guus.Besuijen@schouwen‐duiveland.nl
7
ARTEFACT RAPPORT 582
BURGH‐HAAMSTEDE HOGEWEG 88‐98A
BEHEER EN PLAATS DOCUMENTATIE EN VONDSTEN Naam
Zeeuws Archeologisch Depot
Contactpersoon
dhr. J.J. H. van den Berg
Adres Telefoon
Looierssingel 2, 4331 NK Middelburg Postbus 49, 4330 AA Middelburg 0118 670618
jjh.vanden.berg@erfgoedzeeland.nl
E‐depot
EDNA (E‐Depot Nederlandse archeologie via www.easy.dans.knaw.nl)
UITVOERDER Naam
Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed.
Contactpersoon
dhr. J.E.M. Wattenberghe
Adres
Riemensstraat 9, 4543 BW Zaamslag
Telefoon
0115 851614
janwattenberghe@artefact‐info.nl
ONDERZOEKSGEGEVENS Planologische aanleiding
Bestemmingsplan
Projectnummer Artefact
2020ART99
Begin/einddatum veldwerk
24 september – 1 oktober 2020
Archis onderzoeksmelding
4889529100
Vindplaatsen
‐
8
ARTEFACT RAPPORT 582
1
Inleiding
1.1
Aanleiding van het onderzoek
BURGH‐HAAMSTEDE HOGEWEG 88‐98A
In opdracht van Fiorinvest B.V. heeft Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed een Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd aan de Hogeweg 88‐98A te Burgh‐Haamstede. De aanleiding tot het onderzoek is het voornemen om twee bestaande verblijfsrecreatieterreinen opnieuw te ontwikkelen. Het plangebied bestaat uit twee deelgebieden die samen een oppervlakte van 132.000 vierkante meter beslaan (Figuur 1).
Figuur 1 Plangebied op de Topografische Kaart. Bron: ESRI Nederland, Jan Willem van Aalst, www.imergis.nl.
De beoogde percelen hebben in het vigerende bestemmingsplan 1e herziening Kop van Schouwen (2019) een enkelbestemming Recreatie ‐ Kampeerterrein. In het bestemmingsplan worden mogelijk aanwezige archeologische vindplaatsen planologisch beschermd door een dubbelbestemming waarde archeologie 6. Binnen dergelijk gebied geldt een verbod op het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden die groter zijn dan 2.500 vierkante meter én dieper reiken dan 0,50 meter beneden maaiveld. De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen het bestaande bestemmingsplan. In het kader van het nieuw op te stellen bestemmingsplan moet een archeologisch vooronderzoek worden uitgevoerd. Dit dient conform de provinciale richtlijnen te bestaan uit een Archeologisch Bureauonderzoek, aangevuld met een Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen. Het Archeologisch Bureauonderzoek werd in 2018 uitgevoerd door Artefact. Dit dient te worden aangevuld met een Inventariserend Veldonderzoek door middel van boringen.
9
ARTEFACT RAPPORT 582
1.2
BURGH‐HAAMSTEDE HOGEWEG 88‐98A
Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen
Het doel van een inventariserend veldonderzoek is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het bureauonderzoek en/of in het Programma van Eisen. Het gaat om gebieds‐ of vindplaatsgericht onderzoek. Inventariserend veldonderzoek gebeurt door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en/of verwachte archeologische waarden in een onderzoeksgebied. Dit omvat de aan‐ of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Het inventariserend veldonderzoek kan uitgevoerd worden als een IVO‐proefsleuvenonderzoek (IVO‐P waarbij veldwerk bestaat uit het aanleggen van proefsleuven en/of proefputten) of als een IVO‐overig (IVO‐O waarbij het veldwerk kan bestaan uit oppervlaktekartering, boringen, profielputjes of geofysisch onderzoek). Een inventariserend veldonderzoek kent drie mogelijke fasen: een verkennende, een karterende en een waarderende fase. Het is vanzelfsprekend niet steeds noodzakelijk al deze fasen te doorlopen. De verkennende fase heeft als doel om inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap die van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Dit kan met een eenvoudige terreininspectie, maar ook door geo‐archeologisch booronderzoek en het graven van profielputjes.
Doel daarbij is het uitsluiten van kansarme zones en het selecteren van kansrijke zones voor de volgende vormen van onderzoek. Tijdens de karterende fase wordt het terrein systematisch onderzocht op de aanwezigheid van vondsten en/of sporen. Tijdens de waarderende fase kan het waarnemingsnet verdicht worden om de aard, omvang, datering, gaafheid, conservering en inhoudelijke kwaliteit van de archeologische resten vast te stellen Het resultaat van dit onderzoek is een standaardrapport met een waardering en een inhoudelijk selectieadvies (buiten normen van tijd en geld), op basis waarvan een beleidsbeslissing (meestal een selectiebesluit) kan worden genomen. Om te komen tot het resultaat moeten de veldactiviteiten uitgevoerd worden tot het niveau waarop de beleidsbeslissing gefundeerd genomen kan worden, d.w.z. dat de archeologische waarden van het terrein/vindplaats in voldoende mate zijn vastgesteld. Indien er onvoldoende data voor waardering en selectie‐advies zijn, kunnen deze niet opgesteld worden.1 Het advies kan dan zijn: vrijgeven, vervolgonderzoek en/of planologische bescherming. Het voorliggend onderzoek betreft een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen (IVO‐O, verkennende fase). Daarbij dienen volgende vragen te worden beantwoord: Wat is de geo(morfo)logische situatie binnen het plangebied? En meer specifiek: o
Zijn er binnen het plangebied daadwerkelijk Oude Duinen aanwezig?
o
In welke mate is het plangebied afgedekt is met Jong Duinzand (verloop van het pakket)?
o
Op welke diepte bevindt zich de grens tussen het Jonge en het Oude Duinzand?
o
Zijn er in het Jonge Duinzand paleosols of begraven horizonten aanwezig? Zo ja, op welke diepte?
o
Wat is de horizontale en verticale verspreiding van het Laagpakket van Walcheren en het Hollandveen Laagpakket? In welke mate zijn deze intact?
o
Op welke diepte bevindt het Laagpakket van Wormer zich en hoe kunnen deze gekarakteriseerd worden?
Is de bodem intact of werden verstoringen vastgesteld? Werden binnen het plangebied (aanwijzingen voor de aanwezigheid van) vindplaatsen vastgesteld? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte?
1 SIKB, Protocol 4003, Versie 4.1, d.d. 19 februari 2018:p.4‐5
10
ARTEFACT RAPPORT 582
BURGH‐HAAMSTEDE HOGEWEG 88‐98A
Bestaat binnen het plangebied een verwachting op het voorkomen van vindplaatsen? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? Met andere woorden: kan het verwachtingsmodel uit het bureauonderzoek worden bijgesteld? Worden de (vastgestelde of verwachte) archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen planontwikkeling? Is het plangebied in voldoende mate onderzocht? Zo nee, welke vorm van vervolgonderzoek wordt geadviseerd?
Figuur 2 Deelgebieden op de Topografische Kaart. Bron: ESRI Nederland, Jan Willem van Aalst, www.imergis.nl.
1.3
Beleidskader
De zorg voor het (archeologisch) erfgoed werd in Nederland gereguleerd in de Monumentenwet 1988. In 1992 werd het Europese Verdrag van Malta door de lidstaten ondertekend. Het verdrag beoogt het cultureel erfgoed, dat zich in de bodem bevindt, beter te beschermen. De drie belangrijkste bepalingen daarbij zijn het behoud in situ, een goede en vroegtijdige inpassing in het ruimtelijke ordening(proces) en het verstoorder betaalt principe. Dit verdrag werd binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd met de Wet op de archeologische monumentenzorg uit 2007. Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht die samen met de (in 2021 in werking tredende) Omgevingswet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk maken.
11
ARTEFACT RAPPORT 582
BURGH‐HAAMSTEDE HOGEWEG 88‐98A
Op landelijk niveau is een Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA2) opgesteld waarin het Zeeuws kleigebied als archeoregio een afzonderlijk hoofdstuk vormt en de regiogebonden onderzoeksthema’s en ‐vragen toegelicht worden. Daarnaast worden in deze NOaA2 ook per periode en complextype specifieke onderzoeksthema’s en –vragen geformuleerd die richtinggevend kunnen zijn bij onderzoek. Het beleid van de provincie Zeeland ten aanzien van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) is vastgelegd in de CultuurNota 2017‐2020. In februari 2017 heeft het College van Gedeputeerde Staten van Zeeland het ‘Toetsingskader archeologie Provincie Zeeland 2017’ vastgesteld2. In het toetsingskader is vastgesteld wanneer archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk is indien de provincie als bevoegde overheid optreedt.
Daarnaast werd in 2016 de Provinciale Onderzoeksagenda Archeologie Zeeland 2017‐2020 gepubliceerd waarin de kernthema’s en zwaartepunten voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland worden gepresenteerd: Basale harde gegevens en diachrone datasets Archeologisch onderzoek in diepere bodemontsluitingen Uitwerking oud archeologisch onderzoek Verdronken land en dorpen Onderzoek naar infrastructuur Verdedigingswerken in Zeeland Boerderijen en rurale nederzettingen Voedseleconomie van stad en platteland Religieuze en rituele verschijningsvormen Scheeps‐ en onderwaterarcheologie Publiekswerking van archeologisch onderzoek Tot slot heeft de provincie een Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019.3 De Gedeputeerde Staten van de Provincie Zeeland zijn bevoegde overheid in het kader van de Ontgrondingenwet. Met de komst van de (herziene) Wet op de archeologische Monumentenzorg (Wamz) in 2007 is de verantwoordelijkheid voor het cultureel erfgoed in grote mate gedecentraliseerd en verschoven van Rijk en provincie naar de gemeenten. Gemeenten worden verantwoordelijk gehouden voor de omgang met archeologische waarden. Daartoe dienen gemeenten een eigen archeologiebeleid te voeren.
In 2008 werd door een Past2Present een archeologische beleidsnota opgesteld op basis van de door RAAP daartoe opgestelde Archeologische Beleidskaart van Schouwen‐Duiveland – buitengebied.4 Datzelfde jaar werd deze ook door de gemeenteraad vastgesteld. In de beleidsnota is het buitengebied opgedeeld in gebieden met een vastgestelde of verwachte archeologische waarde waaraan verschillende vrijstellingsgrenzen gekoppeld werden. Het plangebied is op de beleidskaart gesitueerd in Onderzoeksgebied A: gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachting. Het gemeentelijk beleid is planologisch vertaald in de meeste bestemmingsplannen, zo ook in 1e herziening Kop van Schouwen (2019).
2 Toetsingskader archeologie Provincie Zeeland 2017, Provinciaal blad 2017 nr. 605, 15 februari 2017.
3 4
Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019. de Boer 2008
12
ARTEFACT RAPPORT 582
1.4
BURGH‐HAAMSTEDE HOGEWEG 88‐98A
Plangebied: afbakening en (toekomstig) grondgebruik
Het plangebied is gesitueerd ten noorden van de Hogeweg die de dorpskern van Burgh verbindt met Westenschouwen (Figuur 3). Het plangebied, dat zich grofweg uitstrekt achter huisnummers 88 tot en met 98A, is in gebruik als recreatieterrein, meer specifiek Camping Duinrand West en Duinrand Oost met grotendeels vaste staanplaatsen. De campings liggen ingeklemd tussen het poldergebied en de (zuid)oostelijke uitlopers van het duingebied op de Kop van Schouwen. Het projectgebied beslaat een oppervlakte van circa 13 hectare en bestaat uit twee delen gescheiden door een recreatieterrein van een andere eigenaar. Het westelijke deel was ten tijde van het onderzoek reeds deels ontruimd en ontmanteld, het oostelijke deelgebied is nog volledig in gebruik. Beide delen kenmerken zich door smalle noord‐zuid georiënteerde geasfalteerde paden waarlangs grotendeels vaste staanplaatsen voor stacaravans zijn ingericht. De bebouwing in het oostelijke deelgebied wordt in hogere mate, maar niet uitsluitend, gekarakteriseerd door vaste grondgebonden vakantiehuisjes/chalets. In beide delen zijn de meeste plaatsen omheind en ingericht met siertuinen, verhardingen, tuinhuisjes en overige opstallen (Figuur 3). Aan de ingang van beide parken staan facilitaire gebouwen.
Figuur 3 Projectgebied op een luchtfoto (2017). Bron: ESRI Nederland, Beeldmateriaal.nl.
In het kader van de reconversie werd door Rho Adviseurs voor Leefruimte inrichtingsplan Recreatiepark De Schouwse Valleien opgesteld. Onderstaande beschrijving en de afbeeldingen zijn hieraan ontleend. De karakteristieke elementen van de vroongronden worden op het park doorgetrokken: een golvend duinlandschap met natte valleien, duinbeken en duinstruweel (Figuur 4). De omgeving van de receptie en de overige centrale voorzieningen krijgen het karakter van een duinboerderij met hagen en fruitbomen.
13
ARTEFACT RAPPORT 582
BURGH‐HAAMSTEDE HOGEWEG 88‐98A
Figuur 4 Inrichtingsplan. Bron: Rho.
Dwars door het park komen drie duinruggen, waardoor er een geleding van het park komt. In deze duinen staan ook recreatiewoningen. De duinvalleien zijn haaks op de ruggen gesitueerd. Door afgraven en ophogen ontstaat er een hoogteverschil van circa 3 meter. Het laagste punt van de duinvallei ligt 0,6 m tot 1,0 m onder maaiveld, het hoogste punt van de duinen circa 2,0 m boven het huidige maaiveld. De wegen en de parkeerterreinen worden verlaagd uitgevoerd (0,3m onder huidig maaiveld). Bij het kruisen van de duinruggen golven ze mee met de duinruggen. De voorziene ophogingen en ontgravingsdiepten zijn aangegeven op Figuur 5. In de wintermaanden staan de duinvalleien onder water en zal er geregeld sprake zijn van afvoer van regenwater uit het gebied. Hiertoe worden onder meer 4 vijvers aangelegd verbonden door beken. De aanlegdiepte van de vijvers varieert tussen 3,35 en 4,40 m+NAP (Figuur 6).
14
ARTEFACT RAPPORT 582
BURGH‐HAAMSTEDE HOGEWEG 88‐98A
Figuur 5 Hoogteligging duinen en valleien. Bron: Rho.
Figuur 6 Aanlegdiepte vijvers in m+NAP. Bron: Rho.
15
ARTEFACT RAPPORT 582
2
Archeologische verwachting
2.1
Inleiding
BURGH‐HAAMSTEDE HOGEWEG 88‐98A
Een archeologisch vooronderzoek dient, conform de provinciale richtlijnen, te bestaan uit een Archeologisch Bureauonderzoek en een Inventariserend Veldonderzoek door middel van boringen. In het Archeologisch Bureauonderzoek wordt een inventarisatie gemaakt van de verwachte en bekende archeologische waarden binnen het plangebied. Het resultaat van dit onderzoek is een archeologisch verwachtingsmodel dat vervolgens wordt getoetst door een Inventariserend Veldonderzoek. Het Archeologisch Bureauonderzoek werd in 2018 uitgevoerd door Artefact5. Het archeologisch verwachtingsmodel is hieronder integraal overgenomen uit het bovengenoemde rapport.
2.2
Archeologisch verwachtingsmodel
Op basis van de geologische kaart en de boorgegevens uit het DINO‐loket bevinden zich in het plangebied dagzomende Jonge Duinzanden (Laagpakketten van Schoorl). Dit betreft verstoven zanden, afkomstig van de nabijgelegen duinen. Deze dekken oudere afzettingen af. Door de ligging van het plangebied op de overgang van het duingebied naar het ten oosten daarvan gelegen polderlandschap is echter de samenstelling van de onderliggende bodem naar verwachting variabel. Op basis van de beschikbare gegevens is het mogelijk dat de Jonge Duinzanden in het noordwesten van het plangebied een pakket Oude Strand‐ en of Duinzanden afdekken. Naar het zuidoosten toe zal naar verwachting dit pakket Oud Duinzand gedeeltelijk tot volledig uit het profiel verdwijnen. In het zuidoosten komen er, volgens de gegevens uit de geologische kaart en het DINO‐loket, onder het Jong Duinzand afzettingen van het Laagpakket van Walcheren en/of Hollandveen voor. Plaatselijk kunnen deze ook ontwikkeld zijn tussen het Jong en Oud Duinzand. In het zuidoosten van het plangebied komt onder het Hollandveen volgens de gegevens uit het DINO‐loket een smalle band klei van de afzettingen van het Laagpakket van Wormer voor. Deze liggen op de strandafzettingen van het Laagpakket van Zandvoort. De dikte van het pakket Jong Duinzand loopt binnen het plangebied van zuidoost naar noordwest op.
De diepteligging van de bovenzijde van de verschillende lagen zal dan ook binnen het plangebied sterk variëren. In het uiterste noordoosten van het plangebied komen mogelijk geen Jonge Duinzanden voor. Het variabel profiel binnen het plangebied heeft ook een invloed op de archeologische verwachting en de te verwachten ligging van de betreffende potentiële archeologische niveaus. In het onderstaande archeologisch verwachtingsmodel wordt hiermee dan ook rekening gehouden. Doordat echter niet gekend is waar de scheiding tussen beide profieltypen zich bevindt kunnen de beide zones niet exact begrensd worden. Vroege Prehistorie (Finaal Paleolithicum tot Mesolithicum) Vindplaatsen uit de Vroege Prehistorie kunnen verwacht worden op het niveau van het Laagpakket van Wierden (Formatie van Boxtel). Echter, gezien de geologische gesteldheid van het plangebied, er vanuit gaande dat deze juist is vastgesteld, is het Laagpakket van Wierden in het plangebied niet langer aanwezig. Hier is sprake van afzettingen van het Laagpakket van Zandvoort die door lopen tot in/op de afzettingen van de Eem formatie. Hierdoor is er geen archeologische verwachting vastgesteld voor het betreffende pakket en de daarin mogelijk aan te treffen perioden uit de Vroege Prehistorie (Finaal Paleolithicum tot Mesolithicum).
Neolithicum Op de strandafzettingen (Laagpakket van Zandvoort) die de basis vormen van het plangebied en op de in het zuidoosten van het plangebied hierop gelegen afzettingen van het Laagpakket van Wormer kunnen vindplaatsen uit het Neolithicum aangetroffen worden. Omdat de afzettingen van het Laagpakket van Wormer ontwikkeld zijn in 5
Delporte (in concept)
16
ARTEFACT RAPPORT 582
BURGH‐HAAMSTEDE HOGEWEG 88‐98A
natte omstandigheden, waarin de condities naar verwachting niet optimaal zullen zijn geweest voor bewoning en waarbinnen tot heden nog geen bewoning uit het Neolithicum is vastgesteld, is de archeologische verwachting voor dit deel van het plangebied (het zuidwesten) theoretisch gezien eerder beperkt. Dit wordt gebaseerd op de hoogteligging van het Laagpakket van Wormer dat binnen het plangebied aanzienlijk lager is dan bijvoorbeeld de nabijgelegen ‘strandwal‐ of overwash‐afzettingen bij Brabers. In het noordwesten van het plangebied, waar naar verwachting Oude Duinen ontwikkeld zijn op het strandafzettingen geldt geen verwachting voor vindplaatsen uit het Neolithicum in de oude duinen, maar potentieel wel in de hoger gelegen delen van de oude strandafzettingen (Laagpakket van Zandvoort). Door de verstuiving van het strandzand, dat geleidt heeft tot het ontstaan van de Oude Duinzanden, kunnen mogelijk aanwezige archeologische niveaus volledig weg geërodeerd zijn. Gezien de ligging van het plangebied aan de uiterst oostelijke rand van de duinenrij is dit vermoedelijk hier niet van toepassing. Eerder onderzoek in het duinengebied op de Kop Van Schouwen heeft aangetoond dat er tot op heden nog geen vondsten aangetroffen werden die ontegensprekelijk konden toegewezen worden aan het Neolithicum.
De enkele vondsten van vuursteen die hier werden gedaan zijn volgens van der Valk en Beekman toe te schrijven aan de Bronstijd. Gezien de beperkte beschikbare informatie en de kennis over dit niveau wordt de archeologische verwachting vooralsnog op middelhoog bepaald. Bronstijd Gelet op de late ontwikkeling van Hollandveen in het zuidoosten van het plangebied ‐veenontwikkeling heeft namelijk naar verwachting pas vanaf de Midden‐Bronstijd plaatsgevonden‐ moeten eventuele vindplaatsen uit de vroegste fasen van Bronstijd hier op het niveau van het Laagpakket van Wormer gezocht worden. Naar analogie met het Neolithicum wordt vooralsnog een middelhoge verwachting op het aantreffen van vindplaatsen uit de Vroege en Midden‐Bronstijd aangehouden. Resten uit de Late Bronstijd dienen hier dan weer in het opgaand Hollandveen verwacht te worden. Dit moerasgebied bood weinig mogelijkheden tot bewoning. De kans op resten uit de Late Bronstijd wordt voor het zuidoosten van het plangebied dan ook laag ingeschat. Ook voor het noordwesten van het plangebied is de verwachting op vindplaatsen uit de Vroege en Midden‐Bronstijd laag. De niveaus waarop deze aangetroffen kunnen worden zijn naar verwachting weg geërodeerd bij de verstuivingen die geleid hebben tot het ontstaan van de Oude Duinen.
Daarenboven werden er tot op heden op de Kop van Schouwen geen vondsten gedaan die duidelijk uit de Vroege en Midden‐Bronstijd dateren. Voor vindplaatsen uit de Late Bronstijd is de situatie anders. Vanaf de Late Bronstijd is de Kop van Schouwen door de aanwezigheid van de Oude Duinen uitermate geschikt en interessant geworden voor bewoning. Het betrof hier namelijk een relatief droog gebied gelegen op de rand van een uitgestrekt veengebied. Eerdere vondsten op de Kop tonen aan dat de Oud Duinen gedurende de Late Bronstijd bewoond werden. Er wordt dan ook een hoge archeologische verwachting vastgesteld voor de Late Bronstijd op het betreffende niveau. De verstuiving die omstreeks 500 v Chr. in dit gebied heeft plaatsgevonden kan mogelijk wel een deel van de aanwezige vindplaatsen verstoord hebben. Complexen uit de Bronstijd die aangetroffen kunnen worden zijn nederzettingsterreinen: gebouwen (houten palen/ paaltjes, greppelstructuren, afvalkuilen, waterputten, paalgaten), infrastructuur (bodembewerking in functie van landbouw), aardewerk, (bewerkt) botmateriaal en bewerkte natuursteen (vuursteen, maalstenen). IJzertijd Ook voor de Vroege en Midden‐IJzertijd is de verwachting voor het zuidoosten van het plangebied laag. De veengroei is hier vermoedelijk tot in de Midden‐IJzertijd doorgegaan. Pas vanaf de Late IJzertijd is het gebied mogelijk geschikt geworden voor bewoning.
Ook daar waar het Hollandveen tot ontwikkeling is gekomen op de Oude Duinen zal vanaf de Late IJzertijd bewoning mogelijk zijn. Tot op heden werden echter geen aanwijzingen aangetroffen dat er tijdens de Late IJzertijd in de omgeving van het plangebied daadwerkelijk bewoning van het Hollandveen heeft plaatsgevonden. De verwachting voor de Late IJzertijd wordt dan ook als middelhoog ingeschat voor die gebieden met Hollandveen (het zuidoosten van het plangebied en de gebieden met door veen afgedekt Oud Duinzand).
17
ARTEFACT RAPPORT 582
BURGH‐HAAMSTEDE HOGEWEG 88‐98A
Ter plaatse van de (niet met Hollandveen afgedekte) Oude Duinen is bewoning gedurende de Vroege tot Late IJzertijd wel mogelijk geweest. De vele vondsten uit de IJzertijd die in het verleden op de Kop van Schouwen werden gedaan vormen hiervan het bewijs. Voor de delen van het plangebied met Oude Duinen geldt dan ook een hoge verwachting voor de IJzertijd. De verstuiving die omstreeks 500 v. Chr. in dit gebied heeft plaatsgevonden kan mogelijk wel een deel van de aanwezige vindplaatsen verstoord hebben. Complexen uit de IJzertijd die aangetroffen kunnen worden zijn nederzettingsterreinen: gebouwen (houten palen/ paaltjes, greppelstructuren, afvalkuilen, waterputten, paalgaten), infrastructuur (bodembewerking in functie van landbouw), aardewerk, (bewerkt) botmateriaal en bewerkte natuursteen (vuursteen, maalstenen). Romeinse Tijd Vondsten uit de Romeinse Tijd werden in het verleden veelvuldig aangetroffen zowel op het Oud Duinzand als op de overgangsgronden naar het veenlandschap. Zo werden naast vondsten op de Kop van Schouwen ook vondsten aangetroffen in en rondom Burgh. Ook op de ‘strandwal’ of overwash afzettingen bij Brabers zijn Romeinse vondsten aan het licht gekomen. Voor de Romeinse Tijd geldt dan ook een hoge verwachting voor het volledige plangebied.
Resten uit deze periode kunnen aangetroffen worden op de Oude Duinen (in het noordwesten) en/of het Hollandveen (in het zuidwesten). Waar het Hollandveen gedurende het midden van de 1e eeuw voor Chr. afgedekt is door opnieuw verstoven Oud Duinzand zullen de Romeinse resten aangetroffen worden bovenop dit verstoven Oud Duinzand. Complexen uit de Romeinse Tijd kunnen bestaan uit infrastructuur (wegen/paden, greppels) en kleine structuren (wacht‐/ seinposten), maar ook uit nederzettingsterreinen: gebouwen (houten palen/ paaltjes, greppelstructuren, afvalkuilen, waterputten, paalgaten), infrastructuur (bodembewerking in functie van landbouw), aardewerk, (bewerkt) botmateriaal, metaal, natuursteen en bouwkeramiek. Vroege Middeleeuwen Gedurende de Vroege Middeleeuwen bleven de Oude Duinen op de Kop van Schouwen geschikt voor bewoning. In de duinen werden in het verleden vondsten aangetroffen die terug gaan tot de 7e eeuw. Ten westen van de Kop van Schouwen lag in deze periode een nederzetting gekend als de Villa Scaltheim. Deze is omstreeks de 9e eeuw reeds verdwenen. Vanaf de 9e eeuw is dan weer bij Burgh, eveneens gelegen op de overgangszone tussen de Kop van Schouwen en het achterliggende komgebied, de ringwalburg aangelegd.
De verwachting op het aantreffen van vindplaatsen uit de Vroege Middeleeuwen wordt dan ook hoog ingeschat, zowel op de Oude Duinen als het Laagpakket van Walcheren. Complexen uit bestaan hier naar verwachting hoofdzakelijk uit nederzettingsterreinen. Onderzoek toont aan dat ongeveer vanaf de 10de eeuw het gebied onderhevig was aan hevige overstuivingen. Tijdens deze periode werd het landschap afgedekt met een (dik?) pakket Jonge duinzanden en was het gebied wellicht niet bewoonbaar. Late Middeleeuwen Na het afnemen van de overstuivingen (circa 1300) wordt het gebied wellicht weer geschikt voor gebruik. Vanaf de 15e eeuw is het plangebied gelegen langs de route tussen Burgh en Westenschouwen dat in de 15e eeuw een grote bloei kende. De kans bestaat dat binnen het plangebied, gelegen op de relatief droge gronden langs deze verkeersas, in deze periode boerderijen tot ontwikkeling zijn gekomen. Dergelijke erven kunnen verwacht worden in het Jonge Duinzand. De diepteligging is niet bekend maar het voorkomen van humeuze maaiveldniveaus kan wellicht een goede indicatie geven. Voor het volledige plangebied geldt een hoge verwachting voor de Late Middeleeuwen. Complexen uit bestaan hier naar verwachting hoofdzakelijk uitnederzettingsterreinen: huizen, boerderijen met schuren, stallingen, hooimijten, etc.
Materialen en resten die hierbij gevonden kunnen worden zijn dus: hout, afvalputten (beerputten), waterputten, ophooglagen met aardewerk, botmateriaal, glas, metaal, natuursteen en bouwkeramiek. Ook kunnen resten van infrastructuur worden teruggevonden: landinrichting, greppels en landwegen.
18
ARTEFACT RAPPORT 582
BURGH‐HAAMSTEDE HOGEWEG 88‐98A
Nieuwe Tijd Op basis van historische bronnen is de aanwezigheid van bewoning binnen of in de onmiddellijke omgeving van het plangebied bekend gedurende de 17e eeuw. Dit betreft de aanwezigheid van een drietal duinhoeven met bijhorende grond die gedurende de 17e eeuw ten gevolge van overstuiving verloren zijn gegaan. Op historische kaarten vanaf de 18e eeuw wordt langs de oostelijke rand van het plangebied (langs de Hogeweg) bebouwing weergegeven. Gedurende de 19e eeuw zijn de niet bebouwde delen van het plangebied opnieuw in gebruik voor landbouw en is er een elzenmeet ontwikkeld. Het is onbekend of deze elzenmeet al eerder (in de 18e eeuw) ontwikkeld is of een 19e‐ eeuwse evolutie betreft. Voor het volledige plangebied geldt dan ook een hoge verwachting voor resten uit de Nieuwe Tijd. Complexen uit de Nieuwe Tijd die aangetroffen kunnen worden zijn activiteitenzones en nederzettingsterreinen: houten huizen, afvalputten (beerputten), waterputten, gebruiksmateriaal zoals dierlijk bot, glas, metaal en natuursteen. Daarnaast kunnen naar verwachting akkerlagen aangetroffen worden die toe te schrijven zijn aan de gedurende de 17e eeuw verdwenen duinhoeven.
Vanaf de 17e/18e eeuw geldt dat complexen die aangetroffen kunnen worden kunnen bestaan uit hofsteden en huizen (baksteenbouw), afvalputten (beerputten), waterputten, gebruiksmateriaal zoals dierlijk bot, glas, metaal en natuursteen. Verder kan het gebruik van het gebied als elzenmeet (vanaf de 18e of 19e eeuw) geresulteerd hebben in de aanwezigheid van een groot aantal greppels. Binnen het volledige plangebied is naar verwachting een pakket verstoven Jong Duinzand aanwezig dat van zuidoost naar noordwest steeds dikker wordt. Eventueel aanwezige vindplaatsen uit de Nieuwe Tijd kunnen aangetroffen worden op het Jong Duinzand. Echter, doordat de overstuivingen over een lange periode hebben plaatsgevonden (tussen 1600 en 1800 ) bestaat de kans dat ook in het pakket Jong Duinzand een zekere gelaagdheid opgetreden is waarbij ten minste een deel van de te verwachten archeologische resten uit de Nieuwe Tijd zich in en op een dergelijk niveau in het Jong Duinzand bevinden. Naar het zuidoosten wordt het pakket Jong Duinzand steeds minder dik. De schuur van de boerderij, die op de 18e ‐ eeuwse kaart van Hattinga en het kadastraal minuutplan (circa 1830) langs de Hogeweg afgebeeld wordt, is momenteel nog in het plangebied aanwezig. Deze wordt in het nieuwe plan ook behouden. Overige gebouwen of resten van het erf kunnen wellicht direct onder het maaiveld aangetroffen worden.
19
ARTEFACT RAPPORT 582
BURGH‐HAAMSTEDE HOGEWEG 88‐98A
3
Inventariserend veldonderzoek
3.1
Methoden
Het voorliggend onderzoek betreft een Inventariserend Veldonderzoek door middel van boringen (IVO‐O, verkennende fase). In de aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland staat immers beschreven dat het, op basis van het voorafgaand bureauonderzoek, opgestelde archeologisch verwachtingsmodel door een verkennend booronderzoek moet worden getoetst. Het onderzoek is uitgevoerd conform protocol 4003 (IVO‐O) van de KNA 4.1, de Aanvullende Richtlijnen van de Provincie Zeeland 2019 (met ondergenoemde afwijkingen) en het hiertoe opgestelde Plan van Aanpak6. Het verkennend booronderzoek is niet de meest geschikte methode voor het in kaart brengen van (de aan‐ of afwezigheid) van archeologische vindplaatsen; dit vormde evenwel ook niet het doel van het onderzoek, waarbij het bepalen van de landschappelijke vormeenheden en het toetsen van het archeologische verwachtingsmodel voorop stond. De strategie en werkwijze is afgestemd op de bovengenoemde richtlijnen en in onderstaande tabel opgenomen: Aantal boringen
100 voorzien, 93 uitgevoerd (boorpuntenkaart zie figuur 8 en bijlage 3)
Grid ‐ dichtheid
2 raaien mechanische boringen: NW‐ZO doorsnede (17 boringen) Handmatige boringen: 6 boringen per ha, basis driehoeksgrid maar sterk aangepast op terreinsituatie (76 boringen)
Plaats‐ en hoogtebepaling
RTK‐GNSS (GPS & GLONASS, max. afwijking horizontaal/verticaal= 2 cm)
Boorgegevens
Digitaal vastgelegd op iPad
Gebruikte codelijsten ‐ standaard
(afgeleide van) ASB (Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode) en ABR (Archeologisch Basis Register)
Boordiepte
Machinaal: maximaal 10,40 m‐mv / 4,78 m‐NAP Handmatig: maximaal 2 m‐mv
Gehanteerde boor
Sonic drill (Ø 7 cm), (Edelmanboor (Ø 12 cm), Zandgutsboor (Ø 1 cm), Zuigerboor (Ø 5 cm)
Opsporen indicatoren
In het veld visueel door versnijden/verbrokkelen
Monstername
Geen
Oppervlaktekartering
Geen
Conform de provinciale richtlijnen dienen bij vooronderzoek 8 boringen per hectare te worden uitgevoerd. Deze boringen moeten conform de richtlijnen in principe doorgezet worden tot in het Laagpakket van Wormer dat binnen het plangebied naar verwachting voorkomt op een diepte tussen 4 en 8 m‐mv. Gezien de specifieke geologische situatie binnen het plangebied, de daaraan gekoppelde archeologische verwachting en de nu bekende verwachte beperkte diepe van de toekomstige bodemverstoringen is, in overleg met de bevoegde overheid, besloten af te wijken van de richtlijnen. Er werden twee boorraaien uitgevoerd met diepe boringen (rode boorpunten op figuur 8) tot in het Laagpakket van Wormer, primair bedoeld om inzicht te verkrijgen in de diepere bodemopbouw en de landschapsvorming. Met dit inzicht werden vervolgens de overige ondiepe boringen (blauwe boorpunten op figuur 8) uitgevoerd om vast te stellen of binnen de verstoringsdiepte (potentiële) archeologische niveaus voorkomen.
6
Wattenberghe, 10‐09‐2020: Plan van Aanpak Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen Burgh‐ Haamstede Hogeweg 88 – 98A. Gemeente Schouwen‐Duivenland.
20
ARTEFACT RAPPORT 582
BURGH‐HAAMSTEDE HOGEWEG 88‐98A
De diepe boringen werden mechanisch uitgevoerd door middel van Sonic Drill waarbij onder hoogfrequente trillingen ongeroerde grondmonsters (diameter 7 cm) tot grote diepte werden genomen. Er werden twee raaien in NW‐ZO richting over het plangebied voorzien: 9 boringen in deelgebied west en 11 boringen in deelgebied oost. De voorziene onderlinge afstand tussen de boorpunten bedroeg circa 30 meter. In de praktijk werd dit aangepast op de terreinsituatie.
Figuur 7 Impressie boormethode en omgeving. Links: boorstelling, boven: uitpersen staalname in gootje, linksonder: beschrijven stalen in gootjes, rechtsonder: dichten boorgaten.
In afwijking op het PVA konden boringen 14, 15 en 18 niet worden uitgevoerd. Binnen deelgebied West was immers weinig ruimte door de bestaande opstallen. Met uitzondering van 1 kampeerplaats werden alle boringen langs bestaande paden gezet. Omdat daar niet telkens genoeg bewegingsruimte was voor de boorstelling en deze bermen doorspekt waren met (niet op de KLIC aangegeven) leidingen werd besloten om boringen 14, 15 en 18 niet uit te voeren. Gezien de sterk gelijkende boorprofielen kon dat ook inhoudelijk verdedigd worden.
21
ARTEFACT RAPPORT 582
BURGH‐HAAMSTEDE HOGEWEG 88‐98A
De boringen werden minimaal doorgezet tot in het Laagpakket van Wormer. De bovenste 1 tot 1,30 meter werden geboord met een edelmanboor (diameter 12 cm). Vanaf het grondwater werd mechanisch geboord waarbij de eerste steek tot 2,40 m‐mv werd gezet. Vervolgens werd telkens in trajecten van 2 meter verdiept: 7 boringen werden tot 6,40 m‐mv gestoken, 9 tot 8,40 m‐mv en 1 boring tot 10,40 m‐mv. De mechanische boringen werden uitgevoerd door een boormeester met assistent en beschreven door een duinmorfoloog en een Senior KNA prospector.
Figuur 8 Boorpuntenkaart op de topografische kaart. Bron ondergrond: Esri Nederland, Community Map Contributors.
Voor de ondiepe boringen werden 6 stuks per hectare aangehouden (grid circa 40x40 m). In de praktijk kon dit grid vrij aardig gerespecteerd worden in deelgebied west, zij het dat de nodige aanpassingen omwille van lokale leidingen en niet toegankelijke standplaatsen noodzakelijk waren. In deelgebied oost bleek dit door de aanwezigheid van meer grondgebonden recreatiewoningen en afgesloten, vaak verharde tuinen, minder haalbaar. De boringen werden daarom regelmatig verplaatst naar opritten of openbare delen van het park, opnieuw rekening houdend met de vele leidingen. Op die manier konden de meeste boringen worden verspreid met uitzondering van boring 79 en 85. Ook boring 74 kon niet worden uitgevoerd omdat het omringende terrein was verhard met asfalt. Boring 74 werd niet geboord omdat dit perceel niet aangekocht bleek. Enkele boringen (68, 69, 70 en 83) stuitten ondiep op onderliggende puinverharding of leidingen en konden niet verplaatst/dieper doorgezet worden. Binnen deelgebied west (7,95 ha) werden uiteindelijk 49 handmatige boringen gezet, in deelgebied oost (5,25 ha) 27 boringen. De handmatige boringen werden tot circa 1 tot 1,30 m‐mv gezet met de edelmanboor. Vanaf het grondwater werd verdiept met de zuigerboor (diameter 5 cm).
Het grondwater kwam dikwijls binnen 1 m‐mv voor, de laatste boordagen (na dagen hevige regenval) stond het water reeds binnen 0,5 m‐mv in het boorgat. Regelmatig werd voorafgaand gestoken met de zandguts (diameter 1 cm, tot 1 m‐mv) zodat de fijne gelaagdheid en laagovergangen beter te onderscheiden waren. De handmatige boringen werden uitgevoerd door drie Senior KNA prospectors.
22
ARTEFACT RAPPORT 582
BURGH‐HAAMSTEDE HOGEWEG 88‐98A
Tijdens het beschrijven van de boringen is verder specifieke aandacht besteed aan de volgende geologische en bodemkundige kenmerken: de aard, kleur en kalkgehalte (10% HCL oplossing) van het sediment aard van de laagovergangen (erosieverschijnselen) de genese van de laag bodemvormende kenmerken (bodemvorming/veraarding, ontkalking, rijping e.d.) de diepteligging van het reductievlak In bijlage 3 wordt de boorpuntenkaart op A3 formaat (met boornummers) afgebeeld, de boorstaten zijn opgenomen in bijlage 6. Geïnterpreteerde dwarsprofielen worden afgebeeld op figuur 9 en 10.
3.2
Toelichting op de geologie van de duinrand bij Burgh
De geologie van de duinrand bij Burgh is lang gedomineerd door een gebrek aan onderzoek. De eerste onderzoekingen zijn gedaan door Kuipers (gepubliceerd in 1960, maar opgenomen in de eerste jaren na WO II). Daarin stelt hij dat de duinzoom tussen Westenschouwen en Haamstede/Renesse Jonge Duinen zijn, waarbij hij Hubregtse (1923) aanhaalt. Kuipers interpreteert de archeologische vondsten van Hubregtse verkeerd (“laat middeleeuwse scherven”), terwijl ook toen al duidelijk moet zijn geweest dat de vondsten van Hubregtse beperkt blijven tot de 11‐12e eeuw en niet later. Ter verdediging van Kuipers kan worden genoemd dat de wetenschappelijke kennis over middeleeuws aardewerk en steengoed in de jaren na de 2e wereldoorlog toen Kuipers zijn veldonderzoek deed, nog zeer beperkt was. De uitspraak (“de duinzoom behoort ook tot de jonge duinen”) is ook in tegenstelling met zijn eigen constatering dat de duinzoom uit ontkalkt duinzand bestaat terwijl in de alinea7 erboven correct wordt gesteld dat oud duinzand veelal ontkalkt is (zeker binnen het bereik van de bodemonderzoekers van die tijd: 1 tot 2 m boordiepte) en jong duinzand doorgaans kalkhoudend. Bijkomende misvatting was dat klei‐op‐veen in die tijd gezien werd als “ Afzettingen van Duinkerke”, vertaald als Jonge Zeeklei.
Andermaal, de stand van de wetenschap was in de tijd van Kuipers nog minder ontwikkeld, om van het gebruik van C14 dateringen nog te zwijgen: die techniek bestond nog niet toen Kuipers zijn onderzoek deed. Jelgersma (1961) heeft echter een tip van de sluier opgelicht door o.a. in de Prunjepolder, hemelsbreed een handvol km van de duinzoom van Burgh verwijderd, twee C14 dateringen op de basis van het Hollandveen uit te voeren. Deze gaven een consistent resultaat van ca. 4300 BP. Daarmee was nog niet de bedekkende “Jonge Zeeklei” in dit deel van Schouwen gedateerd, maar de onderzoekers konden hier mee verder. Opmerkelijk is dat dat niet gebeurd is. Van Rummelen (1970) heeft de conclusies van Kuipers geaccepteerd en heeft dus de (foutieve) wending die Kuipers aan zijn interpretatie meegaf niet opgemerkt. Het leidde tot geologische moeilijk te begrijpen interpretaties in de bijbehorende profielen van de toelichting van het blad Schouwen‐Duiveland van de geologische kaart van Nederland, schaal 1:50.000, bijlage profielenblad. Dat heeft ook doorgewerkt in de review van de Zeeuwse archeologie en geologie8 en uiteindelijk ook in de paleogeografische reconstructies in de Atlas van het Holoceen (2011). Inmiddels is een bescheiden bestand aan C14 dateringen opgebouwd op de Kop van Schouwen9, dankzij een eerdere subsidie van provincie Zeeland (2011) en een investering van Deltares.
Dat bestand, wat deels nog gepubliceerd wordt10, geeft, samen met de archeologische inventarisatie van het gebied, onomstotelijk aan dat onder het Jong Duinzand op de Kop van Schouwen een laag Oud Duinzand van meerdere meters dikte aanwezig is. Van der Valk en Beekman (red., 2012) hebben al aangetoond dat duinpolders oostelijk van Haamstede tot de Oude Duinen behoren door gedocumenteerde vondsten van IJzertijd (niet gespecifieerd) tot en met kogelpot aardewerk. Het is niet voorstelbaar dat de duinzoom tussen Burgh en Westenschouwen tot een andere geologische eenheid behoren dan die van de Oude Duinen. Totdat enkele C14 monsters uit dat duinlichaam zelf zijn onderzocht, of goed 7
Kuipers 1960: 12 e.v. Vos en Van Heeringen 1997 9 zie o.a. Van der Valk en Beekman (red., 2012) 10 Van der Valk en Beekman, in voorb. 8
23
ARTEFACT RAPPORT 582
BURGH‐HAAMSTEDE HOGEWEG 88‐98A
gedocumenteerde archeologische vondsten zijn gepubliceerd, blijft deze onzekerheid bestaan. Toch kunnen enige schattingen over de ouderdom van de verschillende afzettingen in de profielen wel gemaakt worden (zie onder).
3.3
Geologie en bodem
3.3.1
Mechanische boringen: beschrijving en interpretatie
Voor de beantwoording van de gestelde onderzoeksvragen zijn de 17 mechanische boringen van groot belang, opgezet in twee profielen strekkend van de binnenduinrand van de Jonge Duinen tot aan de straatweg Burgh‐ Westenschouwen. Het boringen bestand in DINO is ter plaatse van het plangebied fragmentarisch en biedt daardoor volstrekt onvoldoende inzicht in de geologische opbouw van het gebied. Het maaiveld in het plangebied loopt langzaam en regelmatig af van 6,5 m+NAP tot 4,5 m+NAP over een afstand van circa 300 m. De boorafstanden zijn klein, en correlaties tussen de boringen kunnen zonder veel bezwaar gemaakt worden. Door de hoge snelheid waarmee de boringen beschreven moesten worden, was niet altijd de gelegenheid om korrelgroottes van het opgeboorde zand te bepalen. Daartoe zijn enkele monsters thuis gedroogd en alsnog bepaald op korrelgrootte, om een indruk te krijgen van gemiddelde grootte en sorteringsgraad op een paar essentiële punten in de opgeboorde sequentie. Details van de eigenschappen van de verschillende gesteentelagen zijn opgenomen in tabel 1 op de volgende pagina. Uit de profielen komt onmiddellijk naar voren dat de opbouw (laagopeenvolging of sequentie) zeer consistent is. Op het onderliggende wadzand (de top van het Laagpakket van Wormer) ligt een dunne kalkloze verlandingskleilaag.
Daarop ligt een zeer compacte veenlaag (Hollandveen) die aan de top veraard is. De veenlaag bestaat onderin uit bosveen en hogerop uit rietveen. De groei van bosveen heeft alleen plaats kunnen vinden in een totaal verzoette omgeving. Dat kon alleen omdat de zandige top van het Laagpakket van Wormer een zoetwaterbel heeft gevoerd. De Vlaardingen vestigingsplaats van mensen op Brabers (op ca. 3 km afstand naar het oosten) was niet toevallig gekozen. In de top van het veen zijn hier en daar scheuren gezien die van bovenaf met klei gevuld waren. Die klei komt vanuit kleihoudend overstromingswater, van waaruit een soms licht humeuze kleilaag is ontstaan die riet‐doorgroeid is en uit estuariene context stamt. In de klei komen dunne siltlaagjes voor en op verschillende plekken zijn veel ostracoden in de klei gezien, wat de suggestie wekt dat de klei in tenminste brakkig water is afgezet. Opmerkelijk is verder het voorkomen van dikkere en dunnere losse veenschollen, zo worden een aantal geïsoleerd liggende stukken veen geïnterpreteerd. Vermoed wordt dat de verdroogde veenschollen elders opgepakt zijn door een hoogwater en op een rustige plek achter een strandwal tot afzetting zijn gekomen.
Vervolgens is er hier en daar een dun veenlaagje aanwezig, wat wordt afgedekt door een dik pakket eolische zanden met dunne venige inschakelingen, en diverse types dunnere en dikkere kalkgyttja laagjes. Naar boven toe gaan de veen/gyttja laagjes stratigrafisch over in bodems, afgesloten met de huidige bodem. Het geheel van deze zandlaag bovenop de klei geeft een goed beeld van een aantal gestapelde zandpulsen die van een strandwal afgeblazen zijn. Tussen de pulsen door komt het tot bodemvorming‐veengroei‐gyttja neerslag in staand zoet water. De meeste tijd zit in de bodems‐veen‐gyttja lagen, de minste tijd in de zandpulsen. Zowel de onderliggende veen‐ als de kleilaag zullen flink gecompacteerd zijn onder de belasting van het erop afgezette duinzand. Ter verklaring van het geconstateerde gebrek aan bewoning (nergens in de kernen zijn daar sporen van gevonden) kan aangevoerd worden dat deze hele sequentie een natte indruk geeft. Door de watervoerendheid van het zandpakket, welke werd veroorzaakt door de aandrang van water vanuit de tot 7,5 m hoge Oude Duinen verder westelijk, moet dit landschap langdurig een erg nat karakter hebben gehad, wat uiteraard onaantrekkelijk was voor bewoning. Er waren tenslotte genoeg hogere gronden beschikbaar op het duinlichaam verder westelijk.
Wel kan het als weidegebied gebruikt zijn geweest, bijvoorbeeld in de zomers, maar er zijn geen verstoringen van de begraven natuurlijke bodemoppervlaktelagen geconstateerd.
24
ARTEFACT RAPPORT 582
3.3.2
BURGH‐HAAMSTEDE HOGEWEG 88‐98A
Mechanische boringen: schatting ouderdom van de verschillende pakketten
Er zijn geen aanwijzingen dat aan het maaiveld ontgravingen hebben plaatsgevonden; we kunnen er dus vanuit gaan dat we een complete sequentie zien, op een hiaat aan de top van de dikke veenlaag na (vanwege de op meerdere plaatsen geconstateerde veraarding/spleetvorming van de top van het veen). De eolische sequentie op het veen is tot op enkele meters diepte ontkalkt. Dat wijst op hogere ouderdom. Onderstaande tabel geeft indicatieve ouderdommen aan. Alleen voor de basis van de dikkere veenlaag op de Laagpakket van Wormer zijn betrouwbare schattingen aanwezig, en er is 1 datering voor het top van het veen van 3400 BP bij Renesse11. Lithologie
Datering
Stratigrafische indeling
zand, licht humeus
Maaiveld vanaf de ? vroege middeleeuwen
Laagpakket van Schoorl
zand
van Vroege IJzertijd tot en met de Pre‐ romeinse IJzertijd
Laagpakket van Schoorl
veen (dun)
onbekend
Hollandveen
estuariene klei, soms humeus gelaagd, met dunne siltlaagjes, met riet doorgroeid, met verspoelde veenschollen
(sensu Bennema en van der Meer, 1952 op Walcheren): “eerste transgressiefase van na de veengroei”; Vos en Van Heeringen: “Slufter deposits”. Start afzetting na ca. 3400 y BP.
Afzettingen van Duinkerke I of ouder. Nu: Laagpakket van Walcheren
HIAAT veen, met hout en klei, top veraard door bodemvorming
Top (Renesse): 3400 BP Basis (Prunjepolder): ca. 4300 y BP
Hollandveen
klei
Van vlak voor 4300 y BP
Laagpakket van Wormer
zand met kleilaagjes en kleiige lagen
Ouder dan 4300 y BP
Laagpakket van Wormer
Met betrekking tot het waargenomen hiaat aan de top van de dikke veenlaag kan het volgende gezegd worden: op grond van de beschikbare gegevens is het lastig te zeggen in welke periode dit hiaat is ontstaan. Als de datering van de top van het veen bij Renesse correct is (en daar geen veraarding van de top van het veen heeft plaatsgevonden), dan is het hiaat ten laatste 3400 BP geëindigd, want daarna start de afzetting van de estuariene klei. Op grond van huidige hoogteligging van de klei (van even onder de ‐1 tot ongeveer 0 m NAP) kan met behulp van de zeespiegelrijzingcurve (Vos en Van Heeringen, fig. 6) een benadering van de ouderdom geven worden, rekening houdend met een flinke compactie van de klei en onderliggende veenlaag door de belasting met het pakket duinzand wat er later opgekomen is: ca. 2200 of 2000 y BP beëindigd. Uit deze schatting blijkt dat tijdens de bewoning op het “vasteland” van de Kop van Schouwen gewoond is door Late Bronstijd en IJzertijd mensen, terwijl achter de Kop van Schouwen een inbraak van de zee plaatsvond. De estuariene klei is afgezet in een van grote dynamiek afgesloten gebied, zoals Vos en Van Heeringen aangeven, in een “slufter”omgeving. Het aanspoelen van grote brokken elders losgeraakte plakken verdroogd veen past goed in die beeld: deze drijven met springtij de slufter in en blijven daar liggen wanneer het springtij weer afloopt naar zee.
11
Vos en van Heeringen, 1997
25
ARTEFACT RAPPORT 582
BURGH‐HAAMSTEDE HOGEWEG 88‐98A
Tabel 1 Beschrijving van de boorstaten met verwijzing naar de dwarsprofielen.
Nr lithologie
diepte gemiddeld korrel tov NAP grootte
kleur
CaCo3 gehalte
interpretatie
7
maaiveld
grijsbruin
ontkalkt
huidige bodem
zand, licht humeus
180‐250
opmerkingen
stratigrafische indeling Oude Duinen (Laagpakket van Schoorl )
niveau's met organische detritus komen regelmatig voor aan de basis van een puls 6
zand
van onder 0 m tot 180‐250 aan +6,5 m
5
veen
onder 0 m
4
klei, soms humeus gelaagd, met dunne siltlaagjes, rietdoorgroeid veen, met hout en riet klei
3 2
1
zand met kleilaagjes en kleiige lagen
loodgrijs tot blond
onderin kalkhoudend, bovenste meters ontkalkt
gestapelde duinzandpulsen, komend vanaf de strandwal ( ten NW) van locatie
geintercaleerd met dunne veen, gyytja Oude Duinen en bodemlagen, die ook lateraal in (Laagpakket van elkaar overgaan (van nat=laag en droog Schoorl ) = hoog)
geen van de bodems vertoont roering, ergo zonder menselijke invloed lichtbruin hernieuwde veengroei, maar lang niet overal groengrijs top ontkalkt, overstromingskleilaag met verspoelde veenschollen op van even onder ‐1 met m tot aan 0 m siltlaagjes verder veenschollen, wadslakjes, verschillende niveaus kalkhoudend ostracoden in de klei
tussen ‐2 en ‐1 m
bruin tot zwart groenig grijs
boven de ‐ 2 m
rond de ‐ 2 m en dieper
125‐250
ontkalkt
blauwgrijs top ontkalkt, overigens kalkrijk
bosveen, naar boven toe overgaand in rietveen dunnne verlandingskleilaag, soms met zandlaagje wadzand, afgetopt in een omgeving waar ook golven invloed hadden
top regelmatig veraard, brokkelig, met klei van boven af doorschoten vaak doorgroeid met boom‐ en rietwortels top vaak doorgroeid met boomwortels en riet; sortering matig tot slecht, afronding slecht; niveau's met ontkalkte schelpen bovenin; niveau's met dubbelkleppige wadfauna onderin (''Hydrobialaagjes')
Hollandveen Laagpakket van Walcheren. Voorheen: Afzettingen van Duinkerke I of ouder
Hollandveen Laagpakket van Wormer Laagpakket van Wormer
ARTEFACT RAPPORT 582
BURGH‐HAAMSTEDE HOGEWEG 88‐98A
Figuur 9 Geïnterpreteerd dwarsprofiel boring 1 t/m 9. Laagnummers verwijzen naar beschrijvingen in tabel 1.
ARTEFACT RAPPORT 582
BURGH‐HAAMSTEDE HOGEWEG 88‐98A
Figuur 10 Geïnterpreteerd dwarsprofiel boring 10 t/m 20. Laagnummers verwijzen naar beschrijvingen in tabel 1.
ARTEFACT RAPPORT 582
3.3.3
BURGH‐HAAMSTEDE HOGEWEG 88‐98A
Handmatige boringen: beschrijving en interpretatie
De 76 handmatige boringen zijn uitgevoerd met als doel het door de mechanische boringen verkregen beeld te toetsen voor wat betreft de bovenste anderhalve meter van het profiel, c.q. de maximale verstoringsdiepte van de toekomstige inrichting. Daarbij werd aandacht geschonken aan de aanwezige bodems, antropogene invloed op het bodemprofiel en mogelijke verstoringen. De boringprofielen vertonen een grotendeels gelijkaardig verloop: tot de maximale boordiepte werden fijne eolische afzettingen aangetroffen, die op basis van bovenstaande opvattingen, als oud duinzand kunnen worden geïnterpreteerd. Deze fijne zandige afzettingen zijn ontkalkt en vertonen van oven naar onder een kleurverloop van (licht)bruin over (licht)bruingrijs tot licht(blauw)grijs. Binnen dit profiel konden meerdere dunne veenlaagjes en voornamelijk humeuze zandlaagjes herkend worden. Grofweg ontstaat een beeld waarbij onder circa 1 m‐mv met name veenlaagjes voorkomen die wijzen op erg natte omstandigheden. Grofweg tussen 1 en 1,5 m‐mv werd in de meeste boringen (licht)bruin humeus (in een enkel geval zwak venig) zand vastgesteld met een dikte van circa 3 tot 10 cm. Het lijkt erop dat zich hier, gevoeglijk onder iets drogere omstandigheden, een dunne bodem heeft ontwikkeld.