CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

20210316 Raadsbrief ontwerpbpl Hoogenboomlaan 42 Renesse - Julianahoeve bijlage 1 toelichting bpl

Gemeenteraad 25 maart 2021, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: Ingekomen stukken22.718 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Hiertoe dient vooraf een inrichtingsplan te worden opgesteld, dat door het bevoegd gezag wordt betrokken bij haar besluit. 5.5.4 Advisering Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in 5.5.1 wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in van de landschapsdeskundige en natuurbeschermingsdeskundige omtrent de vraag of aan de voorwaarde als bedoeld in 5.5.3 wordt voldaan.

72

5.6

Wijzigingsbevoegdheid

5.6.1 Aantal permanente standplaatsen Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen door het aantal permanente standplaatsen als bedoeld in lid 5.3.1 te vergroten en/of het totaal aantal standplaatsen te verkleinen en de gronden ten behoeve van de landschappelijke inpassing wijzigen naar de bestemming Groen - Landschappelijk, met inachtneming van het volgende: a. het totaal aantal standplaatsen mag niet worden vergroot; b. alle standplaatsen mogen worden ingericht als permanente standplaats, waarbij een maximale dichtheid geldt van 33 standplaatsen per hectare; c. toepassing van de wijzigingsbevoegdheid is noodzakelijk in verband met kwaliteitsverbetering en/of productdifferentiatie of in het kader van wettelijke eisen omtrent veiligheid; d. de gemiddelde netto-standplaatsgrootte voor kampeermiddelen wordt niet verkleind; e. het aantal parkeerplaatsen bedraagt ten minste 120% van het aantal standplaatsen, met dien verstande dat ten minste 20% hiervan zal worden gesitueerd op een centrale parkeerplaats nabij de ingang van het kampeerterrein; f. van het totale oppervlak van een kampeerterrein wordt ten minste 2% benut ten behoeve van sporten spelvoorzieningen; g.

rondom het kampeerterrein wordt voorzien in een afschermende landschappelijke inpassing die bestaat uit een beplantingsstrook met een afschermende struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten, met een breedte van gemiddeld 10 m of van ten minste 5 m plus een met streekeigen beplanting beplante aarden wal van ten minste 2 m hoog, gemeten vanaf het maaiveld; h. wijziging vindt slechts plaats als: 1. voor de landschappelijke inpassing een beheersplan is opgesteld en goedgekeurd door het bevoegd gezag; 2. als realisatie, beheer en onderhoud van de landschappelijke inpassing zijn verzekerd; i. de lichtuitstraling naar de omgeving dient te worden beperkt zoveel als technisch mogelijk, hiertoe wordt een door het bevoegd gezag goedgekeurd lichtplan overlegd; j. wijziging leidt niet tot onevenredige gevolgen voor het waterbeheer; k. indien het verhard oppervlak toeneemt of kan toenemen met 1.000 m² of meer, vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de waterbeheerder alvorens de wijziging toe te passen.

5.6.2 Dienstverlening en beheer Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen door aan de voor Recreatie Kampeerterrein aangewezen gronden de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - dienstverlening en beheer' toe te voegen en het bouwvlak voor gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie dienstverlening en beheer' te vergroten, dan wel te verplaatsen, met inachtneming van het volgende: a. de wijziging is noodzakelijk voor een doelmatige bedrijfsvoering, kwaliteitsverbetering of productdifferentiatie; b. de gemiddelde netto-standplaatsgrootte voor kampeermiddelen wordt niet verkleind; c. het bebouwingspercentage wordt met ten hoogste 50% vergroot met dien verstande dat de maximaal toegestane bebouwing als bedoeld in lid 5.2.2 onder a niet wordt overschreden; d. de lichtuitstraling naar de omgeving dient te worden beperkt zoveel als technisch mogelijk, hiertoe wordt een door het bevoegd gezag goedgekeurd lichtplan overlegd; e. rondom het kampeerterreinkampeerterrein wordt voorzien in een afschermende landschappelijke inpassing die bestaat uit een beplantingsstrook met een afschermende struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten, met een breedte van gemiddeld 10 m of van ten minste 5 m plus een met streekeigen beplanting beplante aarden wal van ten minste 2 m hoog, gemeten vanaf het maaiveld; f.

wanneer het totale bebouwingspercentage op het kampeerterrein 15% of meer bedraagt, dient zorggedragen te worden voor ruimtelijke kwaliteitswinst; g. wijziging vindt slechts plaats als:

73

1. voor de landschappelijke inpassing en ruimtelijke kwaliteitswinst een beheersplan is opgesteld en goedgekeurd door het bevoegd gezag; 2. als realisatie, beheer en onderhoud van de landschappelijke inpassing en ruimtelijke kwaliteitswinst zijn verzekerd. 5.6.3 Meerdere bedrijven bij dienstverlening en beheer Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen door aan de voor Recreatie Kampeerterrein aangewezen gronden de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - gezamenlijke dienstverlening en beheer' toe te voegen om dienstverlening, beheer en onderhoud ten dienste van meerdere kampeerterreinen mogelijk te maken, met inachtneming van het volgende: a. de wijziging is noodzakelijk voor een doelmatige bedrijfsvoering, kwaliteitsverbetering of productdifferentiatie voor de deelnemende bedrijven; b. de voorzieningen hebben een ruimtelijke relatie met de deelnemende bedrijven; c. de lichtuitstraling naar de omgeving dient te worden beperkt zoveel als technisch mogelijk, hiertoe wordt een door het bevoegd gezag goedgekeurd lichtplan overlegd; d.

rondom het kampeerterrein wordt voorzien in een afschermende landschappelijke inpassing die bestaat uit een beplantingsstrook met een afschermende struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten, met een breedte van gemiddeld 10 m of van ten minste 5 m plus een met streekeigen beplanting beplante aarden wal van ten minste 2 m hoog, gemeten vanaf het maaiveld; e. wanneer het totale bebouwingspercentage op het kampeerterrein 15% of meer bedraagt, dient zorggedragen te worden voor ruimtelijke kwaliteitswinst; f. vindt de wijziging slechts plaats als: 1. voor de landschappelijke inpassing en ruimtelijke kwaliteitswinst een beheersplan is opgesteld en goedgekeurd door het bevoegd gezag; 2. als realisatie, beheer en onderhoud van de landschappelijke inpassing en ruimtelijke kwaliteitswinst zijn verzekerd. 5.6.4 Kampeerhuisjes Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen door het totaal aantal toegestane kampeerhuisjes als bedoeld in lid 15.4 te vergroten, het totaal aantal standplaatsen te verkleinen en de gronden ten behoeve van de landschappelijke inpassing te wijzigen naar de bestemming Groen Landschappelijk, met inachtneming van het volgende: a.

op ten hoogste 30 procent van het aantal permanente standplaatsen voor kampeermiddelen, zoals weergegeven met de aanduiding 'maximum aantal permanente standplaatsen', mag een kampeerhuisje worden gebouwd, met een maximum van 100 kampeerhuisjes per kampeerterrein; b. per standplaats ten hoogste een kampeerhuisje mag worden geplaatst; c. de netto-standplaatsgrootte van een permanente standplaats bedraagt ten minste vier maal de oppervlakte van het kampeerhuisje; d. voor de kampeerhuisjes gelden de maximale oppervlakte- en hoogtematen als genoemd in lid 5.2.2; e. nieuwe kampeerhuisjes zijn uitsluitend toegestaan indien sprake is van een centrale bedrijfsmatige exploitatie; f. de lichtuitstraling naar de omgeving dient te worden beperkt zoveel als technisch mogelijk, hiertoe wordt een door het bevoegd gezag goedgekeurd lichtplan overlegd; g. rondom het kampeerterrein wordt voorzien in een afschermende landschappelijke inpassing die bestaat uit een beplantingsstrook met een afschermende struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten, met een breedte van gemiddeld 10 m of van ten minste 5 m plus een met streekeigen beplanting beplante aarden wal van ten minste 2 m hoog, gemeten vanaf het maaiveld; h. wijziging vindt slechts plaats als: 1. voor de landschappelijke inpassing een beheersplan is opgesteld en goedgekeurd door het bevoegd gezag; 2.

realisatie, beheer en onderhoud van de landschappelijke inpassing zijn verzekerd; i. wijziging leidt niet tot onevenredige gevolgen voor het waterbeheer;

74

j.

indien het verhard oppervlak toeneemt of kan toenemen met 1.000 m² of meer, vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de waterbeheerder alvorens de wijziging toe te passen; k. ten minste 2% van de gronden met de bestemming Recreatie - Kampeerterrein zijn ingericht met sport- en spelvoorzieningen; l. het aantal parkeerplaatsen ten minste 120% van het aantal standplaatsen bedraagt, met dien verstande dat ten minste 20% hiervan zal worden gesitueerd op een centrale parkeerplaats nabij de ingang van het kampeerterrein. m. de wijzigingsbevoegdheid wordt niet toegepast op gronden ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingszone - wijzigingsgebied uitgesloten'. 5.6.5 Winterkamperen Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen voor het vergroten van het aantal standplaatsen voor winterkamperen dan wel het toestaan van winterkamperen op kampeerterreinen waar dit nog niet is toegestaan, met inachtneming van het volgende: a. rondom het kampeerterrein wordt voorzien in een afschermende landschappelijke inpassing die bestaat uit een beplantingsstrook met een afschermende struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten, met een breedte van gemiddeld 10 m of van ten minste 5 m plus een met streekeigen beplanting beplante aarden wal van ten minste 2 m hoog, gemeten vanaf het maaiveld; b. afwijken is slechts toelaatbaar als: 1.

voor de landschappelijke inpassing een beheersplan is opgesteld en goedgekeurd door het bevoegd gezag; 2. realisatie, beheer en onderhoud van de landschappelijke inpassing zijn verzekerd. 5.6.6 Winterstalling Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen voor het vergroten van het aantal standplaatsen voor winterstalling dan wel het toestaan van winterstalling op kampeerterreinen waar dit nog niet is toegestaan, met inachtneming van het volgende: a. de stalling zodanig plaatsvindt dat geen visuele hinder ontstaat vanaf de openbare weg dan wel het omliggende landschap door het situeren van de stalling centraal op het kampeerterrein of het realiseren van een afschermende landschappelijke inpassing die bestaat uit een beplantingsstrook met een afschermende struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten, met een breedte van gemiddeld 10 m of van ten minste 5 m plus een met streekeigen beplanting beplante aarden wal van ten minste 2 m hoog, gemeten vanaf het maaiveld; b. het aantal stallingsplaatsen mag niet meer bedragen dan 50% van het aantal niet-permanente plaatsen op het betreffende kampeerterrein; c. het stallen plaatsvindt op een afzonderlijk deel van het kampeerterrein, en niet op de standplaatsen, zodanig dat recreatief nachtverblijf onmogelijk is.

5.6.7 Natuur Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen en de gronden wijzigen in de bestemming Natuur, zonder bouwvlak, met dien verstande dat de wijziging slechts wordt toegepast als de gronden gebruiksvrij zijn verworven door de natuurbeheerder. 5.6.8 Afwegingskader De wijziging als bedoeld in 5.6.1, 5.6.2, 5.6.3, 5.6.4, 5.6.5, 5.6.6 kan slechts worden toegepast, mits: a. dit passend in het straat- en bebouwingsbeeld is; b. dit niet leidt tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen; c. met een onderzoek is aangetoond dat de aanwezige ecologische en natuurwaarden van de in lid 5.1 onder i genoemde duinbeek niet onevenredig worden geschaad;

75

Artikel 6

Verkeer

6.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d.

openbare wegen en straten met een profiel van 1x2 rijstroken; voet- en fietspaden; parkeervoorzieningen; bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals groenvoorzieningen, straatmeubilair, speelvoorzieningen, afvalverzamelvoorzieningen, geluidwerende voorzieningen, nutsvoorzieningen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, taluds, oevers, bruggen ondergrondse bergbezinkbassins, reclame-uitingen, voorwerpen van beeldende kunst of kunstuitingen en gedenktekens.

6.2 Bouwregels Voor het bouwen gelden de volgende regels: 6.2.1 Algemeen Op deze gronden mogen worden gebouwd: a. gebouwen; b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 6.2.2 Gebouwen a. de oppervlakte van gebouwen bedraagt ten hoogste 15 m²; b. de bouwhoogte van gebouwen bedraagt ten hoogste 3,5 m. 6.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste van: a. b. c. d. e. f. 6.3

antennes: 5 m; speeltoestellen: 3 m; openbare nutsvoorzieningen: 3,5 m; een zend- en ontvangstinstallatie: 45 m; licht- en vlaggenmasten: 8 m; overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde: 2 m Afwijken van de bouwregels

6.3.1 Afwijking Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 6.2.3 sub a tot en met f tot een bouwhoogte van ten hoogste 10 m, met uitzondering van overkappingen. 6.3.2 Afwegingskader De omgevingsvergunning als bedoeld in 6.3.1 kan slechts worden verleend, mits: a. dit passend in het straat- en bebouwingsbeeld is; b. dit niet leidt tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen. 6.4 Specifieke gebruiksregels Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend het gebruiken, te doen of laten gebruiken van gronden als uitstallings-, opslag-, stand-, of ligplaats voor kampeermiddelen. Opmerking: dit is evident in strijd met de bestemming en zou dus niet hoeven te worden geregeld.

76

Artikel 7

Wonen

7.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. de huisvesting van een huishouden in een woning; en tevens voor: b. hobbymatig houden van dieren; c. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals wegen, parkeervoorzieningen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, tuinen en andere voorzieningen ten dienste van de bestemming. 7.2 Bouwregels Voor het bouwen gelden de volgende regels: 7.2.1 Algemeen a. Op deze gronden mogen worden gebouwd: 1. hoofdgebouwen; 2. aan- en uitbouwen en bijgebouwen; 3. bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 7.2.2 Hoofdgebouwen a. het aantal woningen per bouwvlak bedraagt ten hoogste 1; b. hoofdgebouwen worden uitsluitend gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand'; c. de goothoogte bedraagt ten hoogste de met de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' aangegeven hoogte; d. de bouwhoogte bedraagt ten hoogste de met de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' aangegeven hoogten; e. bij toepassing van hellende dakvlakken bedraagt de dakhelling ten hoogste 55°; f. de afstand tussen het hoofdgebouw – een aan- of uitbouw en/of aangebouwd bijgebouw als genoemd in lid 7.2.1, onder a sub 2 niet meegerekend – en de zijdelingse grens van een bouwperceel op de gronden met de bouwaanduiding 'vrijstaand': 3 m. 7.2.3 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen a.

bij ieder hoofdgebouw mogen uitsluitend binnen het bouwvlak aan-, uitbouwen en bijgebouwen worden gebouwd, met inachtneming van de volgende regels: 1. de totale bebouwde oppervlakte van het zij- en achtererf, overkappingen en onoverdekte zwembaden meegerekend, mag ten hoogste 50% bedragen met een maximum van 40 m2; 2. de gebouwen worden ten minste 3 m achter de voorgevellijn van de woning gebouwd; 3. de goothoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen bedraagt ten hoogste 3,3 m; 4. de bouwhoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen bedraagt ten hoogste 6 m; 5. de afstand tussen aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen die aan de zijgevel of achtergevel van het hoofdgebouw worden gebouwd en de zijdelingse grens van een bouwperceel bedraagt ten minste 3 m. 7.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd, met dien verstande dat overkappingen uitsluitend binnen het bouwvlak mogen worden gebouwd en het bouwen van een overkapping niet tot gevolg mag hebben dat het zij- of achtererf voor meer dan 50% wordt bebouwd; b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 2 m, met uitzondering van: 1. een overkapping waarvan de bouwhoogte ten hoogste bedraagt: 3 m; 2. licht- en vlaggenmasten waarvan de bouwhoogte ten hoogste bedraagt: 8 m;

77

c.

in afwijking van het bepaalde onder b bedraagt de bouwhoogte van een tuin- of erfafscheiding, die gebouwd wordt vóór de voorgevellijn ten hoogste 1 m.

7.2.5 Zwembaden a. uitsluitend binnen het bouwvlak mogen onoverdekte zwembaden worden gebouwd, met inachtneming van de volgende regels: 1. het zwembad minimaal 3 m achter (het verlengde van) de voorgevellijn van de woning is gelegen; 2. de oppervlakte van het zwembad bedraagt ten hoogste 15% van het zij- en achtererf een maximum van 100 m²; 3. het bouwen van een zwembad heeft niet tot gevolg dat het zij- of achtererf voor meer dan 50% wordt bebouwd; 4. de afstand tot de perceelsgrenzen ten minste 1 m bedraagt; 7.3

Nadere eisen

7.3.1 Eisen Het bevoegd gezag kan bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen, nadere eisen stellen ten aanzien van: a. de plaatsing van gebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen ten opzichte van de grens van een bouwperceel en ten opzichte van elkaar; b. de dakhelling van hellende dakvlakken van gebouwen c. de plaatsing en vormgeving van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 7.3.2 Voorwaarden Deze nadere eisen mogen slechts worden gesteld met het doel te voorkomen dat de belangen van derden worden geschaad of afbreuk wordt gedaan aan de doeleinden van het plan en met het oog op de bereikbaarheid van gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en gronden in verband met calamiteiten. 7.4

Afwijken van de bouwregels

7.4.1 Algemeen Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in: a. b. c. d. e. f.

lid 7.2.2 onder e tot een steilere dakhelling; lid 7.2.2 onder c en d tot een overschrijding met maximaal 1 m; lid 7.2.2 onder f voor een kortere afstand tot minimaal 1 m van de zijdelingse perceelsgrens; lid 7.2.3 onder a sub 5 voor een kortere afstand tot minimaal 1 m; lid 7.2.3 onder a sub 1 tot een maximum van 60 m² indien de totale oppervlakte van het zij- en achtererf ter plaatse minimaal 360 m² bedraagt; lid 7.2.4 onder b tot een bouwhoogte van maximaal 10 m, met uitzondering van overkappingen.

7.4.2 Bouwen buiten bouwvlak Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 7.2.3 voor het bouwen van een gebouw buiten het bouwvlak, met dien verstande dat: a. het totale bebouwingsoppervlak maximaal 40 m2 per perceel mag bedragen ongeacht het bepaalde in 7.2.1 onder b, tenzij toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in 7.4.1 onder a; b. de goothoogte niet meer bedraagt dan 3,3 m en de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 6 m; c. de afstand van het gebouw tot de zijdelingse perceelsgrens ten minste 3 m bedraagt; 7.4.3 Verruimen aanduidingsvlak Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 7.2.2 voor het uitbreiden van het hoofdgebouw, met dien verstande dat:

78

a. b. c. d.

uitbreiding binnen het bouwvlak dient plaats te vinden; de goothoogte niet meer bedraagt dan de bestaande goothoogte van het hoofdgebouw; de bouwhoogte niet meer bedraagt dan de bestaande bouwhoogte van het hoofdgebouw; de afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens ten minste 3 m bedraagt.

7.4.4 Afwegingskader De omgevingsvergunning als bedoeld in 7.4.1, 7.4.2, 7.4.3 kan slechts worden verleend, mits: a. dit passend in het straat- en bebouwingsbeeld is; b. dit niet leidt tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen. 7.5

Specifieke gebruiksregels

7.5.1 Strijdig gebruik Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruiken, te doen of laten gebruiken van gronden als uitstallings-, opslag-, standplaats van kampeermiddelen, b. het gebruiken, te doen of laten gebruiken van gronden als winterstalling voor kampeermiddelen; c. het inrichten en/of gebruiken van een aan- of uitbouw of vrijstaand bijgebouw als zelfstandige woonruimte; d. het inrichten en/of gebruiken van een aan- of uitbouw of vrijstaand bijgebouw als gastenverblijf; 7.5.2 Niet strijdig gebruik In het geval van een bedrijfswoning is het beroepsmatig gebruik van de woning of bedrijfsmatig gebruik van de woning en/of bij deze woning behorende bijgebouwen toegestaan als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. het beroep of bedrijf is ondergeschikt aan het wonen, waarbij ten hoogste 50 m² vloeroppervlakte van het hoofdgebouw, aan- of uitbouwen en bijgebouwen wordt gebruikt ten behoeve van het beroep of bedrijf; b. het beroep of bedrijf wordt uitgeoefend door de bewoner van de woning; naast de uitoefening door de bewoner is ten behoeve van het beroep of bedrijf ten hoogste één extra arbeidsplaats toegestaan; c. er is voldoende parkeergelegenheid aanwezig op eigen terrein dan wel in de directe omgeving; er is sprake van voldoende parkeergelegenheid indien voldaan wordt aan de parkeerkencijfers van de CROW publicatie nr.

381 "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie" of aan de normen uit daaropvolgende uitgaven; d. uitsluitend ondergeschikte detailhandel is toegestaan, waarbij een webwinkel (zonder showroom en zonder afhaalmogelijkheden voor consumenten) wel is toegestaan; e. niet toegestaan is: 1. horeca; 2. een seksinrichting; 3. buitenopslag van goederen; 4. verlichte of opvallende reclame-uitingen die zichtbaar zijn aan de gevel. 7.5.3 Bed & breakfast Het aanbieden van bed & breakfast in een woning is toegestaan als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. b. c. d.

bed & breakfast mag uit maximaal vijf slaapplaatsen bestaan; de woning dient te zijn bewoond door de hoofdbewoner(s); de woning is geschikt voor permanente bewoning; er mag geen onevenredige verkeers- of parkeeroverlast ontstaan voor de omgeving;

79

e. er mogen alleen terughoudende reclame-uitingen geplaatst worden, neonreclame is niet toegestaan. 7.6

Afwijken van de gebruiksregels

7.6.1 Beroepsmatige en/of bedrijfsmatige activiteiten Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 5.3.3 onder c voor een beroepsmatig gebruik van de woning en/of bedrijfsmatig gebruik van de woning en/of bij de woning behorende bijgebouwen met een oppervlakte van maximaal 50 m², met dien verstande dat: a. een onevenredige verkeers- en parkeeroverlast voor de omgeving ontstaat; b. de woning blijft voldoen aan het Bouwbesluit; c. geen detailhandel is toegestaan tenzij als ondergeschikte functie van de bedrijfsmatige c.q. beroepsmatige activiteit; 7.6.2 Gastenverblijf Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 7.5.1 onder d voor het inrichten en/of gebruiken van een aan- of uitbouw of vrijstaand bijgebouw als gastenverblijf, met dien verstande dat: a. omgevingsvergunning uitsluitend wordt verleend voor percelen waarop een woning aanwezig is, die krachtens het bestemmingsplan op de betreffende gronden toelaatbaar is; b. de aanvrager eigenaar en/of bewoner is van het bouwperceel; c. het hoofdgebouw op het bouwperceel permanent wordt bewoond; d. per bouwperceel ten hoogste 1 aan- of uitbouw of vrijstaand bijgebouw als gastenverblijf is toegestaan; e. het gastenverblijf uitsluitend voor niet-permanente bewoning wordt gebruikt; f. het gastenverblijf uitsluitend niet-commercieel wordt gebruikt; g.

de algemene Bouwregels voor een aan- of uitbouw of vrijstaand bijgebouw in acht worden genomen, met dien verstande dat de afstand van het bijgebouw tot de grens van een bouwperceel ten minste 1 m moet bedragen; h. de omgevingsvergunning niet tot gevolg heeft dat de belangen van derden onevenredig worden geschaad; i. er aangetoond wordt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat in het betreffende bijgebouw (veiligheid, milieuhinder); j. op eigen terrein voorzien wordt in parkeerruimte voor minimaal één auto.

80

7.7

Wijzigingsbevoegdheid

7.7.1 Verplaatsen/hersitueren bouwvlak Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen door het verplaatsen dan wel hersitueren van het aanduidingsvlak met de woningtypologie 'vrijstaand' alsmede het bijbehorende bouwvlak, met in achtneming van het volgende: a. het aanduidingsvlak en het bouwvlak niet komen te liggen op gronden aangewezen als 'natuur- en landschapswaarden', tenzij met onderzoek is aangetoond dat de aanwezige waarden niet of niet onevenredig worden aangetast; b. de milieuplanologische en stedenbouwkundige aanvaardbaarheid is aangetoond; c. bij verplaatsing van het aanduidingsvlak dient de bestaande bebouwing buiten de nieuwe aanduidingsvlak te worden gesloopt. 7.7.2 Afwegingskader De wijziging als bedoeld in 7.7.1 kan slechts worden toegepast, mits: a. dit niet leidt tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen; b. voorafgaand aan de ontwikkeling in een vroegtijdig stadium overleg zal worden gevoerd met het waterschap.

81

Artikel 8

Waarde - Archeologie 6

8.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 6' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. 8.2 Bouwregels Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: 8.2.1 Bouwen ten behoeve van de bestemming a. op of in deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 8.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd; b. de bouwhoogte van de bouwwerken genoemd onder a bedraagt ten hoogste 2 m. 8.2.2 Bouwen ten behoeve van andere bestemmingen a. ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag niet worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op een bouwwerk met een oppervlakte groter dan 2.500 m² en waarbij bovendien grond- of graafwerkzaamheden dieper dan 0,5 m beneden het maaiveld plaatsvinden; b. het bepaalde onder a is niet van toepassing indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering. 8.3

Afwijken van de bouwregels

8.3.1 Afwijking voor groter en dieper bouwen Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 8.2.2, onder a ten behoeve van het bouwen groter dan 2500 m² en dieper dan 0,5 m, indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport heeft overgelegd, waarin wordt aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn of dat de archeologische waarden van het terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate worden veiliggesteld. 8.3.2 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning Indien uit het onder lid 8.3.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een archeologische deskundige.

82

8.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 8.4.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden binnen deze bestemming zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 0,5 m, waartoe ook wordt gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en aanleggen van drainage; b. het ophogen van de bodem met meer dan 0,5 m; c. het aanleggen, vergraven, verruimen en dempen van sloten, vijvers en andere wateren op een grotere diepte dan 0,5 m; d. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, zulks indien de diepte van de aan te brengen verharding meer dan 0,5 m bedraagt; e. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op één of andere wijze indrijven van voorwerpen in de grond op een grotere diepte dan 0,5 m; f. het verlagen of het verhogen van het waterpeil, voor zover dit geen bevoegdheid van het waterschap betreft; g. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd op een grotere diepte dan 0,5 m; h.

het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur op een grotere diepte dan 0,5 m. 8.4.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod Het in lid 8.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die: a. een oppervlakte beslaan van ten hoogste 2.500 m²; b. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen; c. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan; d. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd; 8.4.3 Toelaatbaarheid De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt verleend, indien is gebleken dat de in lid 8.4.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal. 8.4.4 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning a. voor zover de in lid 8.4.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden kunnen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal, kan de vergunning worden verleend, indien aan de vergunning de volgende regels worden verbonden: b.

de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; c. de verplichting tot het doen van opgravingen, of; d. de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties; e. de vergunning kan alleen worden verleend nadat de aanvrager een rapport heeft overgelegd, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld;

83

f.

8.5

alvorens de gevraagde omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden te verlenen, vragen burgemeester en wethouders aan de archeologisch deskundige om advies omtrent het criterium als bedoeld in lid 8.4.3. Bij een negatief advies verzoeken burgemeester en wethouders de archeologische deskundige de verder te nemen stappen aan te geven. Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk

8.5.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden bouwwerken die zich op gronden met deze dubbelbestemming bevinden zonder, of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk) te slopen. 8.5.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod Het verbod als bedoeld in lid 8.5.1 niet van toepassing indien de sloopwerkzaamheden: a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij het bepaalde in lid 8.2.2 onder b in acht is genomen; b. een oppervlakte hebben van minder dan 2.500 m² en/of de grondlagen dieper dan 0,5 m beneden het maaiveld niet verstoren; c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan. 8.5.3 Regels aan een omgevingsvergunning In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen burgemeester en wethouders regels verbinden aan een omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk op of in gronden ter plaatse van de bestemming 'Waarde - Archeologie 6'.

8.5.4 Voorschrift Aan de omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk voor de gronden, als bedoeld in lid 8.5.1 kan het bevoegd gezag het voorschrift verbinden dat de sloopwerken vanaf 0,3 m boven het maaiveld en dieper worden begeleid door een archeologische deskundige, indien de latere verstoringsoppervlakte groter is dan 2.500 m² en de verstoringsdiepte meer is dan 0,5 m. 8.5.5 Melding Indien tijdens de begeleiding van de sloopwerken vondsten van zeer hoge waarde worden aangetroffen, wordt hiervan terstond melding gemaakt bij het bevoegd gezag die in het belang van de archeologische monumentenzorg aanvullende regels kunnen verbinden aan de omgevingsvergunning voor het slopen. 8.6 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders kunnen, met toepassing van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening het bestemmingsplan wijzigen door de bestemming 'Waarde - Archeologie - 6', geheel of gedeeltelijk te doen vervallen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.

84

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9892988/1