CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

1647414 Bijlage 1 Ruimtelijke onderbouwing Deensestraat 1 Ellemeet

Gemeenteraad 5 maart 2026, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: RVS Omgevingsvergunning Deensestraat 1 Ellemeet (1647414)15.175 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

-

Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS). De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidsbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen ter hoogte van geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente ter beoordeling van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Besluitgebied De locatie ligt binnen de begrenzing van de bebouwde kom van Ellemeet. De locatie maakt onderdeel uit van een dorps woongebied. Omliggende wegen zijn verkeersluw.

In de omgeving van de projectlocatie bevinden zich woonfuncties zonder grote verkeersaantrekkende werking. Het perceel wordt in de beoogde situatie voor gemotoriseerd verkeer ontsloten via de Deensestraat en voor langzaam verkeer tevens via de Heerenisweg. Hiermee blijven de bestaande inritten behouden. De Deensesraat en de Heerenisweg zijn verkeersluwe, lokale woonstraten in de kern. De straten bestaan ter hoogte van het besluitgebied uit een dubbele rijbaan bestraat met klinkers, vrijliggende voetpaden en een aantal parkeervakken. Op de wegen binnen de kern geldt een maximumsnelheid van 30 km/uur. In de beoogde situatie wordt een nieuw geluidgevoelig object mogelijk gemaakt. Een woonfunctie is geen activiteit waar een grote geluiduitstraling van uitgaat. Een woongebouw met een 12-tal appartementen voor kleinere huishoudens heeft geen grote verkeersaantrekkende werking. Als gevolg van het nieuwe gebruik neemt de verkeersintensiteit ter plaatse licht toe. De verkeersbewegingen van de huidige kantoorfunctie komen te vervallen. Zie tevens paragraaf 4.5. Conclusie De realisatie van een woongebouw met appartementen voor kleinere huishoudens heeft geen onevenredige invloed op de akoestische situatie. Gezien de aard van de ontwikkeling zijn er geen belemmeringen te verwachten voor het nieuwe planologische gebruik ten aanzien van het milieuaspect geluid. De omgeving is verkeersluw.

Voor de nieuwe bewoners zal naar verwachting sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en verblijfklimaat.

4.4

Flora en fauna

De Wet natuurbescherming (Wnb) is per 1 januari 2024 opgegaan in de Omgevingswet door middel van de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. De uitgangspunten van de Wet natuurbescherming waaronder het normenkader, de instrumenten en de verdeling van bevoegdheden aanvullingsspoor natuur worden

zijn hierbij onveranderd gebleven. Op basis van het aan het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) een

Ruimtelijke onderbouwing – Deensestraat 1 en 1a Ellemeet

28

beoordelingskader voor activiteiten toe die invloed kunnen hebben op Natura 2000-gebieden, beschermde flora en fauna en houtopstanden voor de beoordeling van vergunningaanvragen zijn in het Bkl beoordelingsregels opgenomen. Op basis van artikel 5.1 eerste lid van de Omgevingswet dienen projecten met mogelijk significante gevolgen voor een natuurgebied op voorhand worden getoetst. In de Omgevingswet is opgenomen dat een ontwikkeling niet mag leiden tot een toename van stikstofdepositie op gevoelige natuur. Bescherming natuurgebieden Ruimtelijke ontwikkelingen dienen in het kader van de bescherming van de Europese Vogelrichtlijnen Habitatrichtlijngebieden aan te tonen dat ze geen significant negatieve effecten veroorzaken. Deze plantoets geldt ook voor ruimtelijke ingrepen die plaatsvinden in de omgeving van een Natura 2000-gebied. Tevens dient bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen te worden onderzocht of er sprake is van een effect op het nationaal beschermde Natuur Netwerk Zeeland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). Het Natuurnetwerk Nederland is een samenhangend netwerk van bestaande en nieuwe natuurgebieden. Binnen het NNN zijn in principe geen ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk die de kernkwaliteiten negatief kunnen beïnvloeden. Een uitzondering kan worden gemaakt voor ontwikkelingen waarvoor geen reëel alternatief bestaat en er sprake is van een groot openbaar belang.

Voor dergelijke ontwikkelingen geldt de ‘nee- tenzij’ toets. Indien schade ontstaat, moet deze worden gemitigeerd en/of gecompenseerd. Bescherming soorten Een ruimtelijke ontwikkeling dient inzichtelijk te maken of er door het plan mogelijke negatieve effecten kunnen optreden op, in en om het plangebied aanwezige, beschermde soorten. Activiteiten die een schadelijk effect kunnen hebben op beschermde soorten zijn in principe verboden. In hoofdstuk 11 in het Bal zijn een viertal groepen handelingen aangewezen die mogelijk schadelijke gevolgen voor beschermde soorten kunnen hebben. Dit betreffen: 1. Handelingen die betrekking hebben op vogels en handelingen die op grond van de Vogelrichtlijn in beginsel zijn verboden; 2. Handelingen die betrekking hebben op andere dieren en planten van soorten die op grond van de Habitatrichtlijn in beginsel zijn verboden; 3. Handelingen die nadelige gevolgen kunnen hebben voor niet-richtlijn soorten (‘nationale soorten’) en die niet onder het strikte soortenbeschermingsregime van de Habitatrichtlijn vallen; 4. Enkele specifiek benoemde vergunningplichtige flora- en fauna-activiteiten, waaronder het uitzetten van dieren. Voor veel voorkomende handelingen waarvoor een gedragscode opgesteld is, geldt een vrijstelling van de vergunningplicht.

Door te handelen volgens de gedragscode kan worden verzekerd dat wezenlijke schade aan soorten wordt voorkomen. De goedgekeurde gedragscodes worden aangewezen in de Omgevingsregeling. In hoofdstuk 11 van het Bal zijn beoordelingsregels opgenomen voor de vier categorieën aan flora- en fauna-activiteiten. Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen is een algemene zorgplicht van toepassing. Schade aan flora en fauna dient, op basis van deze zorgplicht, in alle gevallen zoveel mogelijk te worden voorkomen. Deze zorgplicht geldt met name ten aanzien van broedgevallen van alle vogelsoorten. Aangezien alle vogels tijdens het broeden zijn beschermd, kunnen werkzaamheden tijdens het broedseizoen (van ongeveer maart tot half juli) leiden tot een overtreding. Waarbij wordt opgemerkt dat er geen vaste periode in het jaar voor het broedseizoen kan worden aangegeven. Zorgplicht Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen is een algemene zorgplicht van toepassing. Schade aan flora en fauna dient op basis van deze zorgplicht in alle gevallen zoveel mogelijk te worden voorkomen.

Ruimtelijke onderbouwing – Deensestraat 1 en 1a Ellemeet

29

Besluitgebied De locatie bevindt zich niet binnen de begrenzing van een beschermd natuurgebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000- gebied betreft de ‘Kop van Schouwen’ op ca 1km afstand ten noorden van het besluitgebied. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient tevens te worden onderzocht of er sprake is van een effect op het nationaal beschermde Natuur Netwerk Zeeland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). De ecologische verbindingszones in de omgeving (Natuurnetwerk Zeeland) vallen voor een groot deel samen met de dijkstructuren in het gebied. De meest nabij gelegen gebieden die onderdeel uitmaken van het Natuurnetwerk bevinden zich op ca 850 m afstand ten noorden van het besluitgebied en vallen samen met/ sluiten aan op het Natura 2000-gebied ‘Kop van Schouwen’. Deze gebieden zijn in de omgevingsverordening Zeeland aangemerkt als bestaande natuur. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen de kenmerken en natuurwaarden binnen deze gebieden niet aantasten. Hiertoe behoren ook de toekomstige natuurdoelen en de samenhang tussen de verschillende natuurgebieden. De projectlocatie bevindt zich binnen het dorpscentrum van Ellemeet en niet binnen of aansluitend aan een beschermd natuurgebied.

Gezien de aard en de beperkte schaal van de ontwikkeling zijn negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen als gevolg van onder meer versnippering, verstoring en licht- en geluidseffecten uitgesloten. Het transformeren van een kantoorfunctie naar een woonfunctie binnen de dorpskern, leidt niet tot een sterke intensivering van het gebruik ter plaatse en heeft geen invloed op de inrichting of het functioneren van de natuurlijke waarden. De beoogde situatie leidt niet tot een grote verkeersaantrekkende werking. Ten aanzien van de beoogde ontwikkeling is in februari 2025 door S&W Bouwkundig Ingenieurs een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. Uit een berekening van zowel de aanlegfase als de gebruiksfase blijkt dat de ontwikkeling geen significante bijdrage levert aan stikstofdepositie op omliggende voor stikstof gevoelige beschermde Natura 2000-gebieden. De rapportage is opgenomen in bijlage 5. Op basis van de aard en beperkte schaal van de ontwikkeling zullen er geen effecten op beschermde soorten optreden. Ten aller tijden geldt de algemene zorgplicht. Schade aan flora en fauna dient zoveel mogelijk voorkomen te worden. In het algemeen geldt dat de uitvoering van werkzaamheden buiten het broedseizoen plaats dient te vinden (circa half maart tot circa half juli).

In de beoogde situatie wordt een gebouw gesloopt, een aantal bomen gerooid en wordt beplanting verwijderd. In februari 2025 is door Gaia Ecologie BV een verkennend flora en faunaonderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van gebouw bewonende soorten. Tijdens het veldonderzoek is beoordeeld dat binnen het besluitgebied geen beschermde soorten of vaste rust- of verblijfplaatsen aanwezig zijn. Wel geldt de algemene zorgplicht met name ten aanzien van vogels en amfibieën. De rapportage is opgenomen in bijlage 7. Conclusie De beoogde ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor beschermde soorten of natuurgebieden in de omgeving.

4.5

Mobiliteit en parkeren

De gemeente Schouwen-Duiveland heeft het parkeerbeleid vastgelegd in het ‘Parapluplan parkeernormen’ (vastgesteld 27 september 2018). Op basis van het parapluplan is bij nieuwbouw en/of uitbreiding van gebouwen op eigen terrein te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Hierbij dienen de uitgangspunten uit de geldende parkeernota ‘Parkeerbeleid 2017-2020’ te worden gevolgd. In de actuele gemeentelijke parkeernota zijn voor een beperkt aantal gebieden parkeernormen opgenomen. Overige ontwikkelingen worden getoetst aan de landelijke parkeernormen zoals vastgelegd door het CROW. Ten tijde van de totstandkoming van de Ruimtelijke onderbouwing – Deensestraat 1 en 1a Ellemeet

30

parkeernota bestond de meest actuele versie uit de publicatie ‘Kencijfers parkeren: publicatie 317’). Voor de hele gemeente wordt uitgegaan van een ‘weinig stedelijk gebied’ en voor de besluitlocatie geldt de gebiedstypering ‘bebouwde kom’. Besluitgebied Het huidige perceel wordt ontsloten door middel van een inrit op de Deensestraat en de Heerenisstraat. Dit blijft ook in de beoogde situatie het geval. De Deensestraat en de Heerenisstraat zijn lokale woonstraten met een dubbele rijbaan die is bestraat met klinkers. De wegen zijn plaatselijk voorzien van gescheiden voetpaden en parkeervakken. De maximumsnelheid bedraagt 30 km/uur. In het verleden was binnen het besluitgebied de lokale basisschool gevestigd. Factoren als woonoppervlakte, eigendomsvorm en woonvorm hebben als afgeleide van het aantal bewoners en de koopkracht van een huishouden invloed op het autobezit. De beoogde appartementen zijn kleinschalig, worden aangeboden in het betaalbare huursegment en zijn in het bijzonder geschikt voor kleine huishoudens. Voor de beoogde kleine appartementen (circa 65m2) wordt uitgegaan van een parkeerbehoefte van 1 parkeerplaats per woning. Hiermee wordt de onderkant van de bandbreedte aangehouden.

In de parkeerkencijfers van het CROW van publicatie 317 wordt geen onderscheid gemaakt in woonoppervlakte, terwijl het aantal bewoners in een woning wel van invloed is op het autobezit per woning. De parkeerkencijfers van het CROW worden periodiek geactualiseerd. Op basis van de meest recente publicatie uit 2024 (Publicatie 744 ‘Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering’) is wel rekening gehouden met de invloed van woonoppervlak op het autobezit. Uit deze kencijfers blijkt eveneens dat op basis van de bandbreedte 0,5 – 1,3 parkeerplaatsen en een bezoekersaantal van 0,2 parkeerplaats per woning, met een te verwachten parkeerbehoefte van 1 parkeerplaats per woning in de beoogde situatie aan de parkeervraag kan worden voldaan. Binnen eigen terrein is in de beoogde situatie voldoende ruimte aanwezig voor het parkeren van 13 voertuigen. In de uitgangssituatie zijn er binnen het gebouw een aantal kleinschalige kantoorfuncties gevestigd. Voor een kantoorfunctie kan een parkeerkencijfer van circa 1,8 parkeerplaats per 100 m2/ bvo worden aangehouden. In de uitgangssituatie zijn er op basis van de kencijfers binnen het perceel minimaal 9 parkeerplaatsen noodzakelijk. Binnen het terrein is niet voldoende ruimte aanwezig voor het parkeren van 9 voertuigen. Een deel van de voertuigen wordt in de uitgangssituatie in de openbare ruimte geparkeerd.

Tot recent was er binnen het perceel een basisschool gevestigd. Parkeren vond in deze periode volledig plaats in de openbare ruimte. In de omgeving is geen sprake van een parkeertekort. Door het planologisch beëindigen van de kantoorfunctie, vervallen voor de lange termijn ook de bijbehorende verkeersbewegingen voor de omgeving. Een kantoor zonder baliefunctie heeft een te verwachten verkeersgeneratie van circa 4 mvt/ etmaal per 100m2 bvo. Een gemiddelde kantoorfunctie met een oppervlakte van circa 470 m2 heeft een te verwachten verkeersgeneratie van circa 20 mvt/ etmaal. Voor een kleinschalige woning is uitgegaan van een verkeersgeneratie van circa 4 mvt/ etmaal. Een verkeersgeneratie van circa 48 mvt/ etmaal is goed inpasbaar in het bestaande verkeersbeeld. Met het beëindigen van de bedrijfsmatige activiteiten van de huidige kantoorfunctie vervallen ook de bijbehorende bedrijfsmatige verkeersbewegingen. De straten in de omgeving kunnen de nieuwe capaciteit probleemloos verwerken. Ten aanzien van de ontwikkeling is een rijcurve berekend. Deze is weergegeven in bijlage 4. Uit de simulatie blijkt dat het besluitgebied voldoende toegankelijk is.

Ruimtelijke onderbouwing – Deensestraat 1 en 1a Ellemeet

31

Figuur 9

Ontsluiting besluitgebied

Conclusie In de beoogde situatie wordt de extra parkeerbehoefte op eigen terrein opgevangen. De extra verkeersbewegingen zijn goed inpasbaar in het heersende verkeersbeeld.

Figuur 10

4.6

Inrichtingstekening beoogde situatie: 13 parkeerplaatsen (Ruimte & Groen BV d.d. Juni 2025)

Luchtkwaliteit

Via de wet worden mensen tegen negatieve gevolgen van luchtverontreiniging beschermd. Voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen moeten aan luchtkwaliteitsnormen voldoen. De overheid monitort de luchtkwaliteit binnen aangewezen aandachtsgebieden. Van de aandachtsgebieden gaat Ruimtelijke onderbouwing – Deensestraat 1 en 1a Ellemeet

32

een externe werking uit. Ook activiteiten die kunnen leiden tot een verhoging van de omgevingswaarden in aandachtsgebieden moeten worden beoordeeld. In dergelijke gebieden is sprake van een hogere concentratie aan stikstofdioxide (CO2) of fijnstof (PM10). Als de gemeente een activiteit toelaat met een verkeersaantrekkende werking of waarvoor beoordelingsregels staan opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), dan moet op basis van artikel 5.51 van het Bkl worden getoetst of deze voldoet aan de omgevingswaarden. De beoordelingsregels voor luchtkwaliteit zijn opgenomen in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Voor bepaalde projecten is vastgesteld dat deze Niet In Betekenende Mate (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Wanneer een project minder dan 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) uitstoot, mag het zonder verdere toetsing aan de grenswaarden worden uitgevoerd. De 3% grens komt overeen met 1,2 µg/ m3 voor zowel PM10 als NO2. Beoordeling Voor de locatie is door middel van de NIBM-tool via een eenvoudige berekening en op basis van een worstcasescenario inzichtelijk gemaakt wat het te verwachten effect op de luchtkwaliteit van de omgeving is.

Uit de resultaten blijkt dat de verkeersbewegingen van een 12-tal appartementen niet in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging. Tabel 1 Worstcase scenario op basis NIBM-tool

Ter hoogte van de woonfunctie dient sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de monitoringstool van het CIMLK zijn geen gegevens opgenomen voor de gemeente SchouwenDuiveland. De regio is niet aangemerkt als aandachtsgebied. Uit landelijke metingen zoals weergegeven in de Atlas Leefomgeving blijkt dat ter hoogte van het besluitgebied in het meetjaar 2023 de jaargemiddelde concentraties van NO2, PM10 en PM2,5 met respectievelijk 9,0 mg/ m3, 13,6 mg/ m3 en 6,2 mg/ m3 ruimschoots onder de grenswaarden van 40 microgram per kubieke meter lucht liggen. De concentraties liggen dicht tegen de WHO-advieswaarde van respectievelijk 10, 15 en 5 microgram per kubieke meter lucht. Conclusie Het beoogde gebruik als woonfunctie leidt niet tot een overschrijding van de grenswaarden voor PM10 en NO2. Nader onderzoek naar luchtkwaliteit is niet noodzakelijk.

4.7

Licht en duisternis

De gemeente beoogt negatieve effecten van lichthinder door kunstmatige verlichting te voorkomen. Negatieve effecten van lichthinder worden bepaald door de aard, intensiteit, duur en plaats van de

Ruimtelijke onderbouwing – Deensestraat 1 en 1a Ellemeet

33

verlichting in relatie tot de blootstelling. Uitgangspunten voor het toepassen van buitenverlichting aan gevels en op percelen zijn onder meer: Verlichting alleen plaatsen wanneer dit noodzakelijk is; -

Alleen verlichten wanneer dit noodzakelijk is; Alleen de plaats verlichten waar licht nodig is;

-

Geen onnodig fel licht toepassen; Alle buitenverlichting dynamisch op basis van bewegingssensoren en neerwaarts gericht zodat er buiten het terrein geen zicht is op de lichtbron.

Besluitgebied Door de ligging van de locatie op de grens met het open buitengebied is het van belang dat de uitstraling van verlichting wordt geminimaliseerd en de verlichting doelmatig wordt ingezet. Voor de ontwikkeling van het perceel is een lichtplan opgesteld en toegevoegd in bijlage 1 van deze onderbouwing. Aan de achterzijde van de bebouwing, in de richting van het buitengebied bevindt zich reeds afschermende opgaande beplanting waardoor de lichtuitstraling naar het buitengebied beperkt is. In de beoogde situatie wordt zo veel mogelijk gebruik gemaakt van LED-verlichting en worden de armaturen naar beneden gericht.

4.8

Bedrijven en milieuzonering

Nieuwe activiteiten mogen geen belemmering vormen voor andere activiteiten in de omgeving. Om de invloed van een nieuwe activiteit op omliggende (milieugevoelige) functies te kunnen inschatten kan aansluiting gezocht worden bij de richtafstanden voor functiescheiding uit de VNG-handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ uit 2009. Deze richtafstanden geven een algemene indicatie van de te verwachten milieubelasting per bedrijfscategorie. In de te bepalen afstand wordt ook de maximale planologische ruimte meegenomen. De richtafstanden uit de VNG- handreiking zijn gebaseerd op de omgevingskwaliteit die vergelijkbaar is met een rustige woonwijk. De indicatieve afstanden moeten worden aangehouden ten opzichte van de gevels van omliggende gevoelige objecten. Voor gevoelige functies in een gemengd gebied kan de richtafstand met één niveau worden verlaagd, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Tabel 2: Richtafstandentabel VNG milieu-categorieën

Milieucategorie

Richtafstand in meters tot gevoelige bestemmingen Rustige woonwijk

Gemengd gebied

1

10

0

2

30

10

3.1

50

30

3.2

100

50

4.1

200

100

Bovenstaande tabel geeft (VNG 2009) per milieucategorie aan welke afstand tussen verschillende functies wordt aangehouden. De systematiek van richtafstanden vormt een indicatie voor de te verwachten milieuhinder van een activiteit op basis van een gemiddelde bedrijfsvoering. Indien aan de richtafstand kan worden voldaan, kan op voorhand worden aangenomen dat er geen onaanvaardbare milieuhinder zal optreden. Van de algemene richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken wanneer milieuonderzoek naar de specifieke situatie een andere mate van milieubelasting aantoont.

Ruimtelijke onderbouwing – Deensestraat 1 en 1a Ellemeet

34

Omliggende activiteiten Het projectgebied maakt onderdeel uit van de kern Ellemeet. In de directe omgeving bevinden zich hoofdzakelijk andere woonfuncties. Ten westen van de besluitlocatie liggen agrarische productiepercelen waar gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden ingezet. Het omgevingstype kan door de ligging in een woonwijk in de dorpskern, worden aangemerkt als een rustige woonwijk. Besluitgebied In de beoogde situatie wordt het gebruik van het perceel als reguliere woonfunctie mogelijk gemaakt. Een woonfunctie is geen activiteit met een grote milieu-uitstoot naar de omgeving. De kantoorfunctie wordt in samenhang met de ontwikkeling duurzaam beëindigd. Een woonfunctie is aangemerkt als een milieugevoelige bestemming. Voor de nieuwe bewoners dient in de nieuwe situatie sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Gebruik van bestrijdingsmiddelen Op de agrarische gronden om de kern vindt grondgebonden agrarische productie plaats waarbij gebruik gemaakt wordt van bestrijdingsmiddelen. Op locaties waar mensen langdurig verblijven neemt de kans op blootstelling aan bestrijdingsmiddelen door drift toe. Drift (spuitnevel) neemt af naarmate de afstand toeneemt. Er is geen wettelijke bepaling op basis waarvan een minimum aan te houden afstand kan worden gebaseerd tussen gronden waarop gewassen worden geteeld en nabijgelegen woningen.

De minimaal aan te houden afstand dient echter zorg te dragen voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Op basis van vaste jurisprudentie wordt 50 meter afstand tussen gewas en gevoelige bestemming zonder gebruik van drift-reducerende technieken als een aanvaardbare richtafstand beschouwd. Indien een kortere afstand wordt gehanteerd dient hieraan een deugdelijke motivering ten grondslag te liggen. Voor de planologische situatie dient uitgegaan te worden van het worstcasescenario. De afstand tussen omliggende agrarische percelen en het woongebouw is minder dan de standaard afstand van 50 meter die in jurisprudentie als aanvaardbaar wordt beschouwd. Op basis van locatie-specifieke omstandigheden kan van de 50 meter worden afgeweken. De besluitlocatie maakt onderdeel uit van een woonwijk in de kern Ellemeet. Op aanliggende percelen zijn al verschillende woningen gelegen. Deze woningen worden op basis van de geldende milieuwetgeving al beschermd tegen drift als gevolg van het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling wordt aan de woonstraat een nieuwe gevoelige bestemming toegevoegd. Op het perceel is in de uitgangssituatie een kantoorfunctie gevestigd in een voormalige basisschool. Tussen de gevel van het woongebouw en omliggende agrarische percelen bestaat minder dan 50 meter afstand.

In de nieuwe situatie dient sprake te zijn van een aanvaardbaar woonen leefklimaat voor de nieuwe bewoners. De 50 meter richtafstand is gebaseerd op een worstcasescenario op basis van de meest toxische middelen en op basis van een opwaartse spuittechniek die vooral wordt ingezet binnen de fruitteelt. Op basis van de regels van het bestemmingsplan buitengebied is het realiseren van fruitteelt binnen een afstand van 50 meter van woningen en verblijfsrecreatie aangemerkt als strijdig gebruik. De te verwachten drift bij een neerwaartse spuittechniek en de bijbehorende blootstelling door drift is aanzienlijk lager dan het worstcasescenario. Het besluitgebied maakt onderdeel uit van een woongebied binnen de bebouwde kom en wordt al in de bestaande situatie beschermd tegen drift. Binnen het besluitgebied is op de grens met het agrarisch gebied hoog opgaand groen aanwezig. Deze groenstructuur wordt verder aangevuld tot een groenstrook met een breedte van circa 3 meter met een hoogte van 2 meter, waardoor spuitnevel verder wordt afgevangen. De aanleg en in stand houding van de groenstrook wordt geborgd in de omgevingsvergunning. De geldende spuitzonering vormt geen belemmering voor het beoogde gebruik als woonfunctie. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen werd in de uitgangssituatie al beperkt door de ligging in Ruimtelijke onderbouwing – Deensestraat 1 en 1a Ellemeet

35

een woonwijk en de voorschriften in het bestemmingsplan buitengebied. Met het beoogde gebruik als woonfunctie is geen sprake van een onevenredige belemmering voor het gebruik van omliggende agrarische productiegronden. Spuitzonering vormt geen onevenredige belemmering voor het beoogde gebruik. Conclusie Gezien de aard van de ontwikkeling en de afstand tot omliggende bedrijven, is nader onderzoek niet nodig. Ter hoogte van het woongebouw zal sprake zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. In het kader van de omgekeerde werking levert het gebruik van het perceel als reguliere woonfunctie geen onevenredige beperkingen op voor de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven.

4.9

Omgevingsveiligheid

Het uitgangspunt van het externe veiligheidsbeleid is het ruimtelijk scheiden van risicobronnen en kwetsbare objecten. Bij nieuwe activiteiten dient de gemeente te beoordelen of er sprake is van een nieuwe risicobron of van een veiligheidsrisico ten opzichte van een bestaande risicobron. In afdeling 5.1.2 van het Bkl zijn instructieregels opgenomen. In het omgevingsplan kan de gemeente ervoor kiezen om ruimte te reserveren voor aandachtsgebieden. Door middel van het aanwijzen van een aandachtsgebied, kunnen de gevolgen van een ongeval met gevaarlijke stoffen worden begrensd. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen die een risicobron vormen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen categorieën van activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen via het Basisnet, buisleidingen met gevaarlijke stoffen en windturbines. Ook zijn in het Bkl instructieregels opgenomen voor onder meer de volgende milieubelastende activiteiten uit het Bal: -

Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk; Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik; Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven; Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik.

Het plaatsgebonden risico, afgekort met PR, geeft de kans aan dat iemand die zich een jaar lang onafgebroken en onbeschermd op een plek bevindt, overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR heeft geen relatie met de omgeving. Gemeenten dienen in het omgevingsplan een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico op te nemen. De waarde van het plaatsgebonden risico wordt ruimtelijke vertaald in afstanden tot gebouwen en locaties. Binnen de contour van het plaatsgebonden risico zijn geen nieuwe (zeer) kwetsbare gebouwen en locaties toegestaan. De hoogte van het groepsrisico hangt af van de kans op een ongeval, het effect van het ongeval, het aantal personen dat in de omgeving van de bron verblijft en de mate waarin personen in de omgeving beschermd zijn tegen de gevolgen van een ongeval. Het gebied waarin in het kader van een nieuwe activiteit een andere afweging van het groepsrisico dient te worden gemaakt is ruimtelijk weergegeven door het toekennen van aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden gelden van rechtswege en worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Op basis van Bijlage VII onderdeel C zijn activiteiten opgenomen met vastgestelde afstanden voor het plaatsgebonden risico.

Voor een brandaandachtsgebied geldt een vaste risicoafstand van 30 meter, voor een explosieaandachtsgebied geldt een vaste risicoafstand 200m ten opzichte van weg. Besluitgebied Een woonfunctie is geen activiteit met een veiligheidsrisico voor de omgeving. Een woning is aangemerkt als een kwetsbaar object. Op het perceel worden in de beoogde situatie geen gevaarlijke stoffen opgeslagen. Binnen het besluitgebied is reeds een kantoorfunctie aanwezig. Ruimtelijke onderbouwing – Deensestraat 1 en 1a Ellemeet

36

Volgens de Atlas Leefomgeving bevinden zich in de directe omgeving van het besluitgebied geen inrichtingen met een extern veiligheidsrisico. Er bevinden zich geen buisleidingen waarvoor een extern veiligheidsrisico geldt. Het woongebouw bevindt zich buiten de persoonsgebonden risicocontour PR 10-6 van wegen waarover frequent vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt die zijn opgenomen in het Basisnet. De afstand van het besluitgebied tot de omliggende transportroutes voor gevaarlijke stoffen is voldoende groot. In de omgeving van het besluitgebied bevinden zich een aantal inrichtingen met bovengrondse propaantanks waarvoor een veiligheidszone is vastgesteld. Voor de tanks geldt op basis van algemene regels een vaste veiligheidsafstand ten opzichte van het vulpunt, de tank en de opstelplaats voor de tankauto. De afstand tot de woningen is voldoende groot.

Figuur 11

Uitsnede Atlas leefomgeving: omliggende risicovolle activiteiten

Brandveiligheid De gemeente stemt bij ruimtelijke ontwikkelingen een aantal brandveiligheidsaspecten vroegtijdig af met de Veiligheidsregio. De brandveiligheidsaspecten betreffen met name de bereikbaarheid door de brandweer via de openbare weg, de brandweerzorgnorm, de primaire bluswatervoorziening op de openbare weg en de secundaire bluswatervoorziening. Ten aanzien van het gebruik van het perceel als reguliere woonfunctie kan worden volstaan met het standaard advies waarbij de mate van zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid wordt beschouwd. Het nieuwe woongebouw is gelegen in een woonwijk op een perceel waar voorheen een basisschool was gevestigd. De bestaande bebouwing van de voormalige basisschool is verouderd en wordt vervangen voor een nieuw woongebouw met 12 appartementen. De nieuwe bebouwing zal voldoen aan alle geldende veiligheidseisen voor nieuwbouw. Binnen de appartementen zullen op basis van de geldende regelgeving voldoende blusmiddelen aanwezig zijn. Het maatgevende scenario voor een calamiteit op een transportroute betreft een incident waarbij een toxische wolk vrijkomt. Voor de beoogde bebouwing is aan te raden om deze te voorzien van mechanische en centraal afsluitbare ventilatie zodat wordt voorkomen dat giftige stoffen in de appartementen worden gezogen.

Bewoners kunnen als voldoende zelfredzaam worden gezien om in geval van een calamiteit de appartementen zelfstandig te kunnen verlaten. Het besluitgebied is in geval van een calamiteit bereikbaar voor hulpdiensten via de aanliggende wegen van de kern Ellemeet. Over het beoogde Ruimtelijke onderbouwing – Deensestraat 1 en 1a Ellemeet

37

gebruik, bereikbaarheid voor hulpdiensten en de beschikbaarheid van voldoende bluswater wordt aanvullend advies van de veiligheidsregio gevraagd. Hiermee is de veiligheid van de nieuwe bewoners en gebruikers voldoende geborgd. Conclusie De afstand van het besluitgebied tot omliggende activiteiten met een veiligheidsrisico is voldoende groot. De veiligheid van bewoners wordt voldoende gewaarborgd. De veiligheidsparagraaf wordt voor advies en ter beoordeling aangeboden aan de veiligheidsregio.

4.10 MER-beoordeling Activiteiten kunnen belangrijke nadelige effecten veroorzaken voor het milieu. Met behulp van een Milieueffectrapportage kan het bevoegd gezag het milieubelang volwaardig mee laten wegen in de besluitvorming. Artikel 16.43 vijfde lid van de Omgevingswet bepaalt dat degene die voornemens is om het project uit te voeren ook een milieueffectrapport opstelt. De Omgevingswet en het Omgevingsbesluit bepalen op basis van drempelwaarden per activiteit wanneer het opstellen van een mer verplicht is. Gebleken is dat het onmogelijk is om drempelwaarden zo te formuleren dat rekening wordt gehouden met alle criteria van bijlage III van de richtlijn, zoals bijv. cumulatie, en daarbij te garanderen dat onder die drempelwaarde geen sprake kan zijn van aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu. Om die reden is gekozen om de drempelwaarden indicatief te maken. Voor een activiteit die voldoet aan kolom 3 van Bijlage V van het Omgevingsbesluit kan ook een projectmer-beoordeling worden uitgevoerd in de vergunningprocedure. Op basis hiervan beoordeelt het bevoegd gezag of er sprake is van aanzienlijke milieueffecten.

Besluitgebied De beoogde aanvraag voor een buitenplanse omgevingsvergunning activiteit waar onderhavige ruimtelijke onderbouwing onderdeel van zal uitmaken, maakt in afwijking van de geldende planologische regeling het oprichten van een woongebouw met 12 appartementen mogelijk. In geval van stedelijke ontwikkelingen wordt getoetst aan activiteit J11: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. Er is sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject zoals bedoeld in het Besluit m.e.r.. De woningen voorzien in een actuele vraag naar betaalbare woningen voor kleinere huishoudens en worden opgericht binnen het bestaand stedelijk gebied. Er is sprake van duurzaam ruimtegebruik. Alle relevante omgevingsaspecten ten gevolge van de geplande ontwikkeling zijn onderzocht in hoofdstuk 4. Uit deze beoordeling blijkt dat de beoogde situatie inpasbaar is in de omgeving. Er is sprake van een activiteit zonder grote verandering van de milieubelasting ten opzichte van de bestaande situatie. Conclusie De conclusie is dat geen milieueffectbeoordeling behoeft te worden opgesteld. De activiteit is kleinschalig van aard en inpasbaar in de omgeving.

Gelet op de kenmerken van de activiteit en de mate van de kwetsbaarheid van het milieu waarin het besluitgebied is gelegen, is er geen milieueffectrapportage (MER) noodzakelijk.

4.11 Water 4.11.1 Toetsingskader Onder de Omgevingswet krijgt elk waterschap van rechtswege een Waterschapsverordening. In het tijdelijke deel van de Waterschapsverordening staat onder meer de regels uit de Legger over de Ruimtelijke onderbouwing – Deensestraat 1 en 1a Ellemeet

38

beschermingszones van waterstaatswerken, regels uit de Keur en de aansluitverordening (artikel 4.7 invoeringswet). De regels over onderhoud vallen niet onder de Waterschapsverordening, maar blijven op basis van de Waterschapswet gelden. In artikel 5.37 Bkl is opgenomen dat er in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van het watersysteem. Naast de specifieke regels in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem, zijn ook de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening en de Waterschapsverordening van toepassing. In artikel 5.38 tot n met 5.49 Bkl zijn rijksregels opgenomen met betrekking tot: -

Het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; Het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en

Het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied. De gemeente heeft beleidsvrijheid in het invullen van de watertoets. De omgevingswaarden met een provinciaal belang zijn vastgelegd in de omgevingsverordening. De provincie coördineert de gebiedsgerichte uitoefening van taken en bevoegdheden door gemeenten en waterschappen (artikel 2.18 lid 1a Omgevingswet). In het regionale waterprogramma kan de provincie aangeven welke gebieden kwetsbaar zijn voor wateroverlast en welke maatregelen nodig zijn om wateroverlast te voorkomen. In de omgevingsverordening staan omgevingswaarden voor de veiligheid van aangewezen waterkeringen en de gemiddelde overstromingskans per jaar bij aangewezen gebieden met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren berekend moeten zijn (2.13 Omgevingswet). Gemeenten kunnen in het omgevingsplan eigen omgevingswaarden vaststellen op basis van de Omgevingsvisie door middel van een uitvoeringsgericht programma. In dit geval dient bij een aanvraag om een buitenplanse omgevingsplanactiviteit ook aan deze waarden te worden getoetst. Onder deze regels vallen onder meer regels over watercompensatie voor een toename aan verhard oppervlak en een rioleringsprogramma. 4.10.2 Belangen Waterschap Het besluitgebied bevindt zich binnen het beheergebied van het Waterschap Scheldestromen.

Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vertaalt de wet- en regelgeving naar concrete beleidsdoelstellingen voor het beheer van waterkeringen, het oppervlaktewatersysteem en de afvalwaterketen. In het waterbeheerprogramma wordt invulling gegeven aan de ambities uit de Visie Waterbeheer 2050. Met het programma wordt tevens invulling gegeven aan de doelstellingen vanuit de Europese Kaderrichtlijn water (KRW) wat betreft het bereiken van een Goed Ecologisch potentieel. Hoofddoelstellingen voor het duurzaam omgaan met water zijn: • •

Waarborgen van waterveiligheid; Zorgen voor mooi en schoon water;

• • •

Beperken van de effecten van klimaatverandering/ klimaatadaptatie; Bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving; Verduurzaming van het watergebruik;

•

Onderhoud van waterschapswegen.

Het waterschap toetst in het kader van het vooroverleg of het plan past binnen de waterdoelstellingen. Op basis van de Waterschapsverordening wordt bepaald of er voor bouwwerken of activiteiten een watervergunning noodzakelijk is. Ook wordt er binnen de Waterschapsverordening aangegeven voor welke ontwikkelingen er binnen een beschermingszone kan worden voldaan aan algemene regels waardoor er geen watervergunning aangevraagd hoeft te worden.

Ruimtelijke onderbouwing – Deensestraat 1 en 1a Ellemeet

39

Veiligheid waterkeringen Ter hoogte van het perceel bevindt zich volgens de Waterschapsverordening geen kern-, of beschermingszone van een waterkering. Het beoogde gebruik voor woondoeleinden heeft geen effect op de waterveiligheid. Voorkomen van overlast door oppervlaktewater Volgens de Waterschapsverordening bevindt zich aan de zuidwestzijde van het perceel een kavelsloot met een secundair belang voor het watersysteem. Voor de watergang is een beperkingengebied van 5 meter ten opzichte van de insteek van de watergang van toepassing. Op basis van de Waterschapsverordening van Waterschap Scheldestromen zijn binnen het werkingsgebied van de watergang en het bijbehorende beperkingengebied aanvullende regels van toepassing voor onder meer het dempen, versmallen of verondiepen van een waterlichaam en voor het ophogen of gedeeltelijk ophogen van een bergingsgebied. Het beoogde gebruik heeft geen invloed op de werking van of het onderhoud aan de watergangen. Er verdwijnt geen open water door de ontwikkeling. In de uitgangssituatie zijn ter hoogte van de watergang groenstructuren en bebouwing aanwezig. Onderhoud vindt in de uitgangssituatie plaats vanaf het agrarisch gebied aan de andere zijde van de watergang. De bestaande bebouwing wordt gesloopt. De beoogde bebouwing wordt buiten de beschermingszone opgericht.

Wel wordt de groenstructuur verder aangevuld met een breedte van circa 2,5 m en worden parkeerplaatsen aangelegd binnen de beschermingszone. De beoogde perceelinrichting leidt niet tot (meer) belemmeringen voor (het onderhoud van de aanwezige) leggerwatergangen. Voorkomen van overlast door hemel- en afvalwater Binnen het besluitgebied is in de uitgangssituatie een (voormalig) schoolgebouw met een deels verhard speelterrein en parkeerplaatsen aanwezig. Ter hoogte van de bebouwing en de terreinverharding kan hemelwater niet in de bodem infiltreren. De bebouwingsoppervlakte en het netto areaal verhard oppervlak als gevolg van de nieuwe ontwikkeling nemen vrijwel niet toe ten opzichte van de bestaande situatie. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling wordt er geen open water gedempt. In de huidige situatie vloeit het overtollige hemelwater via de terreinverharding af naar kolkjes en naar de kavelsloot aangrenzend aan het perceel. De bestaande bebouwing is aangesloten op het gemeentelijk riool ter hoogte van de Deensestraat. Ook de nieuwe bebouwing wordt aangesloten op het gemeentelijk riool aan de Deensestraat. Hergebruik van hemelwater ter plaatse is in beperkte mate mogelijk door middel van de opvang van hemelwater in regentonnen. Er is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling.

Grondwaterkwantiteit en verdroging Er is in de nieuwe situatie geen sprake van het onttrekken van grondwater. Het overtollige regenwater infiltreert of stroomt af zoals in de bestaande situatie het geval is. Er is geen sprake van een activiteit met potentiële effecten op het grondwater. Grondwaterkwaliteit Het nieuwe gebruik heeft geen effect op de grondwaterkwaliteit ter plaatse. Oppervlaktewaterkwaliteit De beoogde ontwikkeling heeft geen invloed op de oppervlaktewaterkwaliteit. Volksgezondheid De beoogde ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op de volksgezondheid.

Ruimtelijke onderbouwing – Deensestraat 1 en 1a Ellemeet

40

Bodemdaling Als gevolg van de ontwikkeling vindt er geen wijziging plaats van het waterpeil. Het plan heeft geen bodemdaling tot gevolg. Natte natuur Binnen of direct aanliggend aan het besluitgebied bevindt zich geen natte natuur. Er zijn geen effecten op natte natuur als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Onderhoud oppervlaktewater Om en op het perceel bevindt zich een watergang die wordt beschermd op grond van de Waterschapsverordening. De watergang aan de zuidwestzijde van het perceel betreft een Bwatergang met een secundair belang voor het watersysteem. Het onderhoud van de watergang wordt uitgevoerd door de eigenaren van de aangrenzende percelen. De leggerwatergang heeft een beschermingszone van 5 meter gemeten vanaf de insteek. De nieuwe bebouwing bevindt zich buiten de beschermingszone. Aan de zuidwestzijde van het besluitgebied, binnen de beschermingszone van de watergang worden de parkeerplaatsen en nieuwe opgaande beplanting aangelegd. In de uitgangssituatie is zowel ter hoogte van besluitgebied als op aanliggende percelen al bebouwing en beplanting binnen het beschermingsgebied aanwezig. Onderhoud aan de watergang vindt plaats vanaf de overzijde van de watergang. Het beoogde gebruik heeft geen effecten op de onderhoudswerkzaamheden voor de in de Waterschapsverordening opgenomen (aanwezige) kavelsloten.

Belangen waterbeheerder De projectlocatie wordt ontsloten via de Deensestraat. De wegen binnen de kern Ellemeet zijn niet in beheer bij het waterschap. Het gebruik van een appartementengebouw met 12 appartementen heeft geen grote verkeersaantrekkende werking. Zie tevens paragraaf 4.5. De beoogde situatie leidt niet tot een onevenredige toename van verkeersbewegingen over waterschapswegen. Met de beoogde ontwikkeling zijn er geen effecten op de werking van omliggende objecten, terreinen of (vaar) wegen die voor het waterbeheer van belang zijn.

Figuur 13

Uitsnede Legger (bron: Waterschap Scheldestromen)

Ruimtelijke onderbouwing – Deensestraat 1 en 1a Ellemeet

41

Figuur 14

Uitsnede Waterschapsverordening (bron: Waterschap Scheldestromen)

4.10.3 Overige waterbelangen De gemeente is in principe verantwoordelijk voor de omgang met hemelwater, maar legt wel meer verantwoordelijkheid bij de perceeleigenaar. Pas wanneer men zich niet redelijkerwijs van het hemelwater kan ontdoen is de gemeente gehouden aan het treffen van maatregelen. De gemeente zal beoordelen wat zij in dit verband redelijkerwijs van de perceeleigenaar mag vragen. Daarbij moet rekening worden gehouden met de gewenste voorkeursvolgorde voor de omgang met hemelwater. Afstromend schoon hemelwater wordt zoveel mogelijk vertraagd zodat het ter plaatse kan infiltreren in de bodem en daarmee in perioden van droogte een buffer vormt. Voor de afvoer van hemelwater geldt de trits: schoonhouden, scheiden en zuiveren (waterkwaliteit) en vasthouden, bergen en afvoeren (waterkwantiteit). In de uitgangssituatie is ter plaatse circa 470 m2 aan bebouwing aanwezig op een kadastraal perceel van circa 1973m2. Binnen het perceel is in de uitgangssituatie circa 630 m2 aan terreinverharding aanwezig van de voormalige speelplaats. Het totaal areaal aan verhard oppervlak in de uitgangssituatie bedraagt circa 1100m2. In de beoogde situatie zal een nieuw woongebouw met een oppervlakte van circa 420 m2 en een bijgebouw van circa 90 m2 worden opgericht. Op het terrein wordt circa 690m2 uitgevoerd als (half)verharding, waaronder grastegels (zie tevens bijlage 1).

Het areaal aan verhard oppervlak is hiermee vrijwel gelijk aan de uitgangssituatie. De bebouwingsoppervlakte en het netto areaal verhard oppervlak nemen vrijwel niet toe als gevolg van het nieuwe gebruik. In de huidige situatie infiltreert het hemelwater deels ter plaatse van de grasveldjes om het gebouw. Het overtollige hemelwater vloeit af via straatkolken en de kavelsloot aan de zuidwestzijde van het perceel. Hergebruik van hemelwater ter plaatse is in beperkte mate mogelijk door middel van de opvang van hemelwater als gietwater in regentonnen. Er is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Conclusie Het oprichten van de beoogde 12 appartementen is een kleinschalige ontwikkeling en heeft geen effecten op de waterhuishouding. De ontwikkeling heeft geen invloed op de omliggende watergangen of het watersysteem ter plaatse. Er is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. De beoogde ontwikkeling is inpasbaar binnen de waterdoelstellingen. De voor de ontwikkeling uitgevoerde watertoets is voor advies voorgelegd aan Waterschap Scheldestromen.

Ruimtelijke onderbouwing – Deensestraat 1 en 1a Ellemeet

42

5.

UITVOERBAARHEID

5.1

Economische uitvoerbaarheid

Behalve de ruimtelijke en milieukundige uitvoerbaarheid, dient tevens de financieel-economische uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling inzichtelijk te worden gemaakt. Wanneer een ruimtelijk besluit een bouwplan mogelijk maakt, dient voldoende aannemelijk te worden gemaakt dat het geen onuitvoerbaar plan betreft. Indien een project alleen kan worden gerealiseerd indien hiervoor belangrijke gemeentelijke voorinvesteringen noodzakelijk zijn, dan dient de dekking van deze investeringen en de opzet van het kostenverhaal. Onderhavige ontwikkeling maakt het realiseren van appartementengebouw met 12 appartementen mogelijk. Het betreft hier een private ontwikkeling waarbij het risico geheel gedragen wordt door de initiatiefnemer. Alle (voorbereiding)kosten (zoals plankosten, onderzoeken en procedures, inclusief gemeentelijke begeleiding) zijn voor rekening van initiatiefnemer. Tussen de gemeente en de initiatiefnemer zal een anterieure overeenkomst worden gesloten. In de anterieure overeenkomst zijn tevens bepalingen met betrekking tot planschade opgenomen. Hiermee wordt gewaarborgd dat eventuele planschade niet voor rekening van de gemeente is, maar wordt verhaald op de initiatiefnemer. De gronden zijn in eigendom van de initiatiefnemer. Het plan is hiermee economisch uitvoerbaar. Voor de gemeente zijn er geen financiële consequenties aan verbonden.

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Participatie bij de aanvraag van een omgevingsvergunning wordt gedaan voorafgaand aan de aanvraag. De aanvraagvereisten voor participatie zijn vastgelegd in artikel 7.4 van de Omgevingsregeling. De gemeenteraad stelt een lijst op met gevallen waarbij participatie verplicht wordt gesteld. Tevens wordt er door de gemeenteraad een lijst opgesteld met gevallen waarvoor bindend advies of instemming van de raad noodzakelijk is. Er is, gezien de aard en beperkte schaal van de plannen, geen aanleiding om aan te nemen dat er geen sprake zal zijn van maatschappelijk draagvlak.

5.3

Procedure

De aanvraag om een omgevingsvergunning doorloopt in principe op basis van artikel 16.62 van de Omgevingswet de reguliere procedure zoals bedoeld in artikel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht, de beslistermijn voor deze procedure bedraagt 8 weken. In een aantal gevallen kan bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit de uitgebreide procedure van toepassing zijn zoals bedoeld in artikel 3.4 van de Awb. Bij het oprichten van een woongebouw met 12 appartementen is geen sprake van een activiteit met grote ruimtelijke gevolgen. De beoogde ontwikkeling wordt in het kader van het vooroverleg voorgelegd aan de vooroverlegpartners.

5.4

Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt de omgevingsvergunning alleen verleend indien er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zoals bedoeld in artikel 8.0a, lid 2 Bkl. In

Ruimtelijke onderbouwing – Deensestraat 1 en 1a Ellemeet

43

samenhang hiermee worden in een besluit op een omgevingsvergunning ook de beoordelingsregels betrokken zoals opgenomen in artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl. Om de evenwichtige toedeling van functies aan locaties te kunnen beoordelen zijn alle relevante aspecten voor de fysieke leefomgeving voor zover deze betrekking hebben op de gevraagde activiteit, beoordeeld en indien noodzakelijk nader onderzocht. De resultaten hiervan zijn opgenomen in de voorgaande hoofdstukken. Uit onderliggende ruimtelijke onderbouwing blijkt dat de beoogde ontwikkeling past binnen een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Ruimtelijke onderbouwing – Deensestraat 1 en 1a Ellemeet

44

BIJLAGEN 1.

Inrichtingstekening Ruimte & Groen Landschapsarchitectuur BV d.d. Juni 2025

2.

A. - C. Ontwerptekeningen Erik van den Bos Architect d.d. Januari 2025

3.

Beeldkwaliteitsplan RHO Adviseurs d.d. December 2024

4.

Rijcurve d.d. Januari 2025

5.

Rapportage stikstofdepositieberekening S&W Bouwkundig Ingenieurs d.d. Februari 2025

6.

Verkennend bodemonderzoek Wematech Bodemadviseurs BV d.d. Maart 2025

7

Quickscan ecologie Gaia Ecologie BV Februari 2025

Ruimtelijke onderbouwing – Deensestraat 1 en 1a Ellemeet

45

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16450212/1