CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

1642870 Bijlage 4 Ruimtelijke onderbouwing Sint Joostdijk

Gemeenteraad 28 mei 2026, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: RVS Omgevingsvergunning weigeren Sint Joostdijk 4, 4a en 4b te Oosterland (1642870)12.751 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Binnen het perceel zijn een aantal boerenschuren aanwezig. De schuren zullen worden gesloopt. Naar eventuele effecten op beschermde soorten als gevolg van de sloop van de schuren is door NWC Advies in mei 2024 een verkennend flora- en faunaonderzoek uitgevoerd. Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat het besluitgebied geen geschikt habitat vormt voor beschermde soorten. Vanuit de zorgplicht wordt wel aangeraden om de werkzaamheden op een vleermuisvriendelijke manier (overdag en zonder gebruik van felle verlichting) en buiten het broedseizoen uit te voeren. De rapportage is opgenomen in bijlage 3. Bij het uitvoeren van bouwwerkzaamheden en met de verkeersbewegingen van nieuwe gebruikers komt stikstof vrij. Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mag geen overschrijding van de stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige natuurgebieden veroorzaken. Ten aanzien van de Ruimtelijke onderbouwing- Sint Joostdijk ong.- Oosterland

26

beoogde ontwikkeling zal een stikstofdepositieberekening worden uitgevoerd naar de te verwachten stikstofdepositie in de bouwfase en in de gebruiksfase. Als gevolg van de ontwikkeling zal een bedrijfsfunctie met bijbehorende verkeersbewegingen in het dorpscentrum worden beëindigd. Hiermee vervalt ook de bedrijfsgebonden stikstofuitstoot. Ten aanzien van de beoogde ontwikkeling is in februari 2024 door S&W Bouwkundig ingenieurs een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd. De rapportage is opgenomen in bijlage 4. Uit de depositieberekening blijkt dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn op voor stikstof gevoelige beschermde Natura 2000-gebieden in de omgeving. Conclusie Er zijn geen negatieve effecten op beschermde soorten of natuurgebieden te verwachten als gevolg van de beoogde ontwikkeling.

3.7

Archeologie

De bescherming van archeologisch erfgoed is sinds de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) in 2007 hoofdzakelijk de verantwoordelijkheid van de gemeente. Dit is niet veranderd met de inwerkingtreding van de Erfgoedwet (1-7-2016). Sindsdien is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. De Wamz is een wijzigingswet en omvat een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet, op grond waarvan overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht rekening moeten houden met het behoud van archeologische waarden. Besluitlocatie De archeologische verwachtingswaarden voor de planlocatie zijn vertaald in het bestemmingsplan ‘Nieuwerkerk en Oosterland’ uit 2014. Voor de locatie geldt een middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Ter plaatse zijn de dubbelbestemmingen ‘Waarde- Archeologie- 7’ (deels), ‘Waarde- Archeologie- 5’ (deels) van kracht.

Bij bodem verstorende activiteiten met een grondoppervlak vanaf respectievelijk 250m2 en een bewerkingsdiepte vanaf 50 cm– mv en 5000m2 en een bewerkingsdiepte vanaf 50 cm- mv is een verkennend archeologisch onderzoek noodzakelijk. Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt niet tot grondwerkzaamheden boven de vrijstellingsgrens. Het aspect archeologie heeft geen invloed op de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

3.8

Cultuurhistorie

Ten aanzien van de bescherming van cultuurhistorische waarden vindt er steeds meer een verschuiving plaats van verantwoordelijkheden van het Rijk naar gemeenten. Hiermee wordt de koers die met de Beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg 2009 (MoMo) is ingegaan verder doorgezet. De moderne monumentenzorg heeft twee uitgangspunten: van objectgericht naar omgevingsgericht en van conserverend naar ontwikkelend. Dit vertaalt zich in een beleid met minder regels, het meewegen van cultuurhistorische belangen in de ruimtelijke ordening en meer mogelijkheden voor het herbestemmen van gebouwen. Sinds de wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening van 1 januari 2012, dienen cultuurhistorische en archeologische waarden te worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen.

Ruimtelijke onderbouwing- Sint Joostdijk ong.- Oosterland

27

Rijksbelang Binnen het besluitgebied of in de directe omgeving ervan is geen bebouwing aanwezig met een Rijksmonumentale cultuurhistorische waarde. Ter hoogte van de Molenweg 28 bevindt zich een historisch waardevolle korenmolen (stenen grondzeiler: ‘Oosterlandse molen’) op een molenberg. De molen heeft een Rijksmonumentale status (nummer 14163). Met name de rijke detaillering met verwijzingen naar de historie van de molen is van cultuurhistorische waarde. De molen is al grotendeels ingebouwd door woningen en beplanting. Het zicht op de molen en daarmee landschappelijke waarde is hierdoor niet groot. Ter bescherming van de windvang van de molen is ten behoeve van de molenbiotoop een gebiedsaanduiding opgenomen in het bestemmingsplan. In de algemene aanduidingsregels van het geldende bestemmingsplan zijn op basis van de aanduiding ‘vrijwaringszone- molenbiotoop’ bouwbeperkingen ter bescherming van de windvang van de molen. De locatie ligt op een afstand van circa 290 meter van de molen. De maximale bouwhoogte voor de woningen bedraagt volgens de regels van het bestemmingsplan ((290 meter/ 50) + 2,3 meter) 8,8 meter. Met de beoogde bouwhoogte van circa 6,6 meter wordt hier ruimschoots aan voldaan. De beoogde ontwikkeling maakt geen bouwwerken mogelijk met een hoogte die effect heeft op de windvang van de molen.

Provinciale belangen De cultuurhistorische belangen van de Provincie Zeeland zijn vastgelegd in de Provinciale Omgevingsverordening 2018. Ter hoogte van de planlocatie zijn geen cultuurhistorisch waardevolle landschappen, landschapselementen of cultuurhistorische elementen aanwezig die provinciale bescherming behoeven. Gemeentelijk beleid De gemeente heeft in 2012 de nota ‘Integraal erfgoedbeleid 2012-2018’ vastgesteld. In deze nota is het erfgoedbeleid op hoofdlijnen vastgelegd. De belangrijkste uitgangspunten zijn vertaald in het vigerende bestemmingsplan en het gemeentelijk welstandsbeleid zoals opgenomen in de Welstandsnota 2023. Zie tevens paragraaf 2.3. Besluitgebied De besluitlocatie ligt binnen de structuur van het historische straatdorp van Oosterland. Kenmerkend aan dit type dorp is een centraal lint aan weerszijden van een weg waaraan zich langgerekte en aaneengesloten bebouwing heeft ontwikkeld. Alle dorpskernen van de gemeente vallen onder bijzonder welstandsregime. In deze gebieden is vanwege de bijzondere cultuurhistorische context extra aandacht voor de ruimtelijke kwaliteit waarbij aanvullende beleidsinstrumenten ingezet kunnen worden. Het welstandstoezicht is gericht op het versterken van de bestaande en/ of gewenste kwaliteit. Bijzondere aandacht gaat uit naar de dorpsranden.

De gemeente streeft in deze zones naar het voorkomen van een harde overgang tussen bebouwd gebied en het open buitengebied. Op de projectlocatie is een voormalige bedrijfslocatie gevestigd achter de aaneengesloten historische bebouwing van de Sint Joostdijk. Binnen het perceel zijn twee vervallen boerenschuren aanwezig met een oppervlakte van circa 225m2 en 40m2. Binnen het besluitgebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of landschappelijke elementen aanwezig. Op de aanliggende percelen van de besluitlocatie bevinden zich geen (Rijks)monumentale gebouwen. Op wat grotere afstand aan de noordzijde van de Sint Joostdijk zijn meerdere (Rijks)monumentale objecten gelegen. Nieuwe ontwikkelingen dienen aan te sluiten bij de karakteristiek van de omgeving. Het herontwikkelen van een voormalige en vervallen bedrijfslocatie in de kern naar een kleinschalige woningbouwlocatie past in principe binnen het beleid van de gemeente om ontwikkelingen in een passende schaal en aard toe te staan. Het herontwikkelen van een vervallen bedrijfslocatie aan de achterzijde van de historische bebouwingsstructuur van de Sint Joostdijk heeft geen negatieve Ruimtelijke onderbouwing- Sint Joostdijk ong.- Oosterland

28

invloed op het aanzicht of de herkenbaarheid van de kern of de cultuurhistorisch waardevolle bebouwing in de omgeving. De maatvoering en bouwstijl van de woningen sluiten aan op het dorpse en landelijke karakter van de kern. Met het oprichten van een drietal levensloopgeschikte en energie neutrale woningen voor kleinere huishoudens in het dorpshart wordt op een passende schaal bijgedragen aan de grote lokale vraag naar betaalbare woonruimte en de leefbaarheid van de kern. Met de maatvoering, situering en kleur- en materiaalgebruik wordt aangesloten op het karakter van de kern. De beoogde ontwikkeling heeft geen negatief effect op het aanzicht of de herkenbaarheid van de karakteristieke straatdorpsstructuur van Oosterland. Het ontwerp voor de woningen is voor advies en ter beoordeling voorgelegd aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. Conclusie De beoogde situatie heeft geen negatieve invloed op cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of landschapselementen in de omgeving. Het ontwerp voor de woningen is voor advies en ter beoordeling voorgelegd aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. De commissie heeft in juli 2023 aangegeven dat ze in principe en onder voorwaarden positief staat ten opzichte van het plan. Hiermee is de bescherming van de cultuurhistorische waarden van de omgeving geborgd

3.9

Externe veiligheid

Toetsingskader Het doel van het externe veiligheidsbeleid is het beheersen van risico’s door opslag en transport van milieugevaarlijke stoffen afkomstig van industriële activiteiten. Tot risicobronnen behoren inrichtingen en transportroutes waar grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen aanwezig zijn en luchthavens. Het wettelijk kader voor de beoordeling van risico’s van transport van gevaarlijke stoffen is vastgelegd in de ‘Besluit externe veiligheid transportroutes’ en de ‘Regeling Basisnet’. Voor inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het belangrijkste toetsingskader. Voor transport via buisleidingen geldt het ‘Besluit externe veiligheid buisleidingen’. In het externe veiligheidsbeleid zijn normen voor het Plaatsgebonden Risico (PR) en het Groepsrisico (GR) opgenomen. Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. In gebieden met een plaatsgebonden risico van meer dan 10-6 per jaar zijn geen nieuwe kwetsbare objecten toegestaan.

Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Het uitgangspunt van het externe veiligheidsbeleid is het ruimtelijk scheiden van risicobronnen en kwetsbare objecten. Zonering vindt plaats door middel van veiligheidsafstanden op basis van berekende risico’s of te verwachten effecten bij calamiteiten. Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Op basis van het Registratiebesluit externe veiligheid en de Wet milieubeheer moeten risicobronnen inzichtelijk worden gemaakt. Het risicoregister wordt gepubliceerd door middel van een digitale risicokaart.

Ruimtelijke onderbouwing- Sint Joostdijk ong.- Oosterland

29

Besluitgebied Een burgerwoning is geen activiteit met een veiligheidsrisico voor de omgeving. Een woonfunctie is binnen het externe veiligheidsbeleid aangemerkt als een gevoelige bestemming. Het oprichten van woningen binnen een beschermingszone (PR) is niet toegestaan. Volgens de Risicokaart bevinden zich in de directe omgeving van het plangebied geen inrichtingen die vallen onder de werkingssfeer van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). De meest nabij gelegen inrichting met een installatie waarvoor een extern veiligheidsrisico geldt is een tankstation ter hoogte van de Rijksweg N59 op meer dan 600m afstand ten noorden van het plangebied. Deze afstand is voldoende groot. De installatie vormt geen beperking voor de ontwikkeling van het plangebied. Er bevinden zich geen buisleidingen waarvoor een extern veiligheidsrisico geldt in de directe omgeving van het plangebied. Op een afstand van meer dan 600 meter ten noorden van het plangebied bevindt zich de Rijksweg N59. Deze weg is opgenomen in het Basisnet. Het vervoer van gevaarlijke stoffen over deze weg is echter beperkt. Voor de weg is geen externe plaatsgebonden risicocontour PR 10-6 vastgesteld. Het groepsrisicoplafond GR bedraagt 73m. Voor de weg geldt geen plasbrandaandachtsgebied. De afstand van het plangebied tot de weg is voldoende groot.

Het maatgevende scenario voor een calamiteit op een transportroute betreft een incident waarbij een toxische wolk vrijkomt. Voor de bebouwing is aan te raden om deze te voorzien van mechanische en centraal afsluitbare ventilatie zodat wordt voorkomen dat giftige stoffen in de woning worden gezogen. Een mechanisch ventilatiesysteem heeft dan een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld wanneer er in de omgeving toxische gassen aanwezig zouden zijn. Ten aanzien van het beoogde gebruik kan worden volstaan met het standaard advies waarbij de mate van zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid wordt beschouwd. Daar waar de planologische ontwikkeling een gebouw mogelijk maakt dienen een aantal brandveiligheidsaspecten onderzocht te worden. De gemeente stemt bij ruimtelijke ontwikkelingen een aantal brandveiligheidsaspecten vroegtijdig af met de Veiligheidsregio. De brandveiligheidsaspecten betreffen met name de bereikbaarheid door de brandweer via de openbare weg, de brandweerzorgnorm, de primaire bluswatervoorziening op de openbare weg en de secundaire bluswatervoorziening. De bereikbaarheid van het besluitgebied voor hulpvoertuigen en de bluswatervoorzieningen binnen het besluitgebied moeten voldoen aan de Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019 (Brandweer Nederland 2020). De brandveiligheidsvereisten zijn opgenomen in het Bouwbesluit 2012.

De afstand van het besluitgebied tot omliggende activiteiten met een veiligheidsrisico is voldoende groot. De bewoners kunnen als voldoende zelfredzaam worden beschouwd en kunnen op eigen kracht de woning verlaten. Op basis van de regels uit het Bouwbesluit zullen voldoende veiligheidsmaatregelen getroffen worden in de vorm van rookmelders en blusmiddelen. De nieuwe woningen zullen voldoen aan alle voorschriften wat betreft brandveiligheid en ventilatie. Over de bereikbaarheid voor hulpdiensten en de beschikbaarheid van voldoende blusmiddelen wordt aanvullend advies van de veiligheidsregio gevraagd. Hiermee is de veiligheid van de gebruikers in de toekomst voldoende geborgd. Aanvullende risico reducerende maatregelen zijn in het kader van de beoogde ontwikkeling niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het oprichten van drie woningen. De afstand tot objecten waarvoor een extern veiligheidsrisico geldt is voldoende groot. De veiligheidsparagraaf wordt voor advies en ter beoordeling aangeboden aan de veiligheidsregio.

Ruimtelijke onderbouwing- Sint Joostdijk ong.- Oosterland

30

3.10 Water Het besluitgebied bevindt zich binnen het beheergebied van het Waterschap Scheldestromen. Het Waterschapsbeheerprogramma 2022-2027 vertaalt de wet- en regelgeving naar concrete beleidsdoelstellingen voor het beheer van waterkeringen, het oppervlaktewatersysteem en de afvalwaterketen. In het waterbeheerprogramma wordt invulling gegeven aan de ambities uit de Visie Waterbeheer 2050. Met het programma wordt tevens invulling gegeven aan de doelstellingen vanuit de Europese Kaderrichtlijn water (KRW) wat betreft het bereiken van een Goed Ecologisch potentieel. Hoofddoelstellingen voor het duurzaam omgaan met water zijn: • Waarborgen van waterveiligheid; • • •

Zorgen voor mooi en schoon water; Beperken van de effecten van klimaatverandering/ klimaatadaptatie; Bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving;

• •

Verduurzaming van het watergebruik; Onderhoud van waterschapswegen.

In de ‘Startovereenkomst Waterbeleid 21e eeuw’ (d.d. 14 februari 2001) is door rijk, provincies, Waterschappen en gemeenten overeengekomen dat in alle nieuwe ruimtelijke plannen een zogenaamde watertoets opgenomen dient te worden. In de motivering van een ruimtelijk besluit dient op basis van artikel 3.6 lid 1 Bro aangegeven te worden op welke wijze rekening wordt gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. In artikel 3.1.1. van het Bro is vastgelegd dat hierbij tevens overleg dient plaats te vinden met de waterbeheerder. Water dient in een zo vroeg mogelijk moment in de planvorming te worden meegenomen. De gemeente is in principe verantwoordelijk voor de omgang met hemelwater in het stedelijke gebied, maar legt wel meer verantwoordelijkheid bij de perceeleigenaar. Pas wanneer men zich niet redelijkerwijs van het hemelwater kan ontdoen is de gemeente gehouden aan het treffen van maatregelen (Waterwet, art. 9a). De gemeente zal beoordelen wat zij in dit verband redelijkerwijs van de perceeleigenaar mag vragen. Daarbij moet rekening worden gehouden met de gewenste voorkeursvolgorde voor de omgang met hemelwater. In het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2022-2026 is vastgelegd hoe de gemeente uitvoering geeft aan de omgang met afvalwater, hemelwater en grondwater.

Afstromend schoon hemelwater wordt zoveel mogelijk vertraagd zodat het ter plaatse kan infiltreren in de bodem en daarmee in perioden van droogte een buffer vormt. Voor de afvoer van hemelwater geldt de trits: schoonhouden, scheiden en zuiveren (waterkwaliteit) en vasthouden, bergen en afvoeren (waterkwantiteit). Het waterschap toetst in het kader van het vooroverleg of het plan past binnen de waterdoelstellingen. Op basis van de Keur van het waterschap wordt bepaald of er voor bouwwerken of activiteiten een watervergunning noodzakelijk is. Ook wordt er binnen de Keur aangegeven voor welke ontwikkelingen er binnen een beschermingszone kan worden voldaan aan algemene regels waardoor er geen watervergunning aangevraagd hoeft te worden. De bijbehorende Legger geeft aan waar de keur van toepassing is. In de Legger zijn ook beschermingszones voor oppervlaktewateren opgenomen. Deze zones zijn bedoeld om ongewenste handelingen rondom een waterlichaam, zoals (bouw)activiteiten of de aanleg van beplanting, te kunnen weren. Besluitgebied Ten aanzien van de ontwikkeling van het besluitgebied kan de volgende afweging worden gemaakt.

Ruimtelijke onderbouwing- Sint Joostdijk ong.- Oosterland

31

Veiligheid waterkeringen Ter hoogte van de beoogde recreatiewoning bevindt zich volgens de Keur (20 juni 2019) en de bijbehorende legger waterkeringen geen beschermingszone van een waterkering. Voorkomen van overlast door oppervlaktewater In de omgeving van de besluitlocatie bevinden zich volgens de Legger oppervlaktewateren geen watergangen met een belang voor het watersysteem en een bijbehorende beschermingszone. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot belemmeringen voor het watersysteem of voor (het onderhoud van) leggerwatergangen. Er verdwijnt geen open water door de bouw. Voorkomen van overlast door hemel- en afvalwater In de uitgangssituatie is ter plaatse een bouwvlak met een oppervlak van circa 225m2 toegekend. Ter plaatse zijn twee schuren met een oppervlak van circa 225m2 en 40m2 aanwezig op een volledig verhard bedrijfsterrein. In de beoogde situatie worden een drietal woningen een oppervlakte van 100m2 per woning mogelijk gemaakt. Het netto areaal bebouwing neemt als gevolg van de ontwikkeling toe met 35m2. In de uitgangssituatie is het perceel volledig verhard door de aanwezigheid van terreinverharding. Het netto areaal verhard oppervlak neemt als gevolg van de ontwikkeling niet toe. Een deel van de huidige verharding zal worden verwijderd en ingericht als tuin bij de woningen. In de nieuwe situatie wordt het schone regenwater gescheiden van het afvalwater.

Overtollig hemelwater kan in de nieuwe situatie worden afgevoerd via het verlaagde grasveld. Dit kan zowel bovengronds als ondergronds. Ook kan het hemelwater worden aangesloten op het gemeentelijk hemelwaterriool. Overtollig hemelwater mag niet op naastgelegen percelen worden geloosd. Met de maaiveldhoogtes dient hiermee rekening gehouden te worden. Het afvalwater van de woning wordt in de nieuwe situatie afgevoerd via een nieuwe aansluiting op de gemeentelijke vuilwaterriolering. Deze aansluiting op het gemeentelijk rioleringssysteem zal in de Sint Joostdijk nieuw moeten worden aangelegd. Grondwaterkwantiteit en verdroging Er is in de nieuwe situatie geen sprake van het onttrekken van grondwater. Het schone hemelwater wordt gescheiden van het huishoudelijk afvalwater en infiltreert deels ter plaatse van de tuin. Het overtollig hemelwater dat op de terreinverharding valt vloeit af via straatkolkjes. Hergebruik van hemelwater ter plaatse is in beperkte mate mogelijk door middel van opvang in regentonnen. Grondwaterkwaliteit De beoogde bouwmogelijkheden hebben geen effecten op de grondwaterkwaliteit ter plaatse. Tijdens de bouw wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van niet uitlogende materialen. Oppervlaktewaterkwaliteit De beoogde ontwikkeling heeft geen invloed op de oppervlaktewaterkwaliteit.

Volksgezondheid De beoogde ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op de volksgezondheid. Bodemdaling Als gevolg van de ontwikkeling vindt er geen wijziging plaats van het waterpeil. Het plan heeft geen bodemdaling tot gevolg. Natte natuur Binnen of direct aanliggend aan het besluitgebied bevindt zich geen natte natuur. Er zijn geen effecten op natte natuur als gevolg van de beoogde ontwikkeling.

Ruimtelijke onderbouwing- Sint Joostdijk ong.- Oosterland

32

Onderhoud oppervlaktewater In de omgeving van de besluitlocatie bevinden zich geen oppervlaktewateren (leggerwatergangen) die worden beschermd op grond van de keur. Belangen waterbeheerder De beoogde ontwikkeling heeft een beperkte verkeersaantrekkende werking en leidt niet tot een significante toename van verkeersbewegingen over waterschapswegen. Met de beoogde ontwikkeling zijn er geen effecten op de werking van omliggende objecten, terreinen of (vaar) wegen die voor het waterbeheer van belang zijn. Conclusie Met de beoogde bouw van drie woningen zijn er geen effecten te verwachten op de waterhuishouding. Er is geen sprake van een netto toename aan verhard oppervlak ten opzichte van de uitgangssituatie. De ontwikkeling heeft geen invloed op de omliggende watergangen of het watersysteem ter plaatse. Er is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Het vuile water wordt in de nieuwe situatie afgevoerd via het gemeentelijke rioolstelsel. De beoogde ontwikkeling is inpasbaar binnen de waterdoelstellingen. De voor de ontwikkeling uitgevoerde watertoets wordt voor advies voorgelegd aan Waterschap Scheldestromen.

3.11 Vormvrije MER -beoordeling Het Besluit tot wijziging van het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht (reparatie en modernisering milieueffectrapportage) (Staatsblad 102, jaargang 2011) zijn op 28 februari 2011 gepubliceerd. Deze reparatie van het Besluit milieueffectrapportage was nodig door het arrest van het van de EU van 15 oktober 2009 (Commissie tegen Nederland, zaak C-255/08). Het Besluit milieueffectrapportage kende een systeem van absolute drempelwaarden. Het systeem van absolute drempelwaarden bood in de praktijk vanwege de duidelijkheid grote voordelen. Gebleken is echter, dat het in feite onmogelijk is om de drempelwaarden zo te formuleren dat rekening wordt gehouden met alle criteria van bijlage III van de richtlijn, zoals bijv. cumulatie, en daarbij te garanderen dat onder die drempelwaarde geen sprake kan zijn van aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu. Om die reden is gekozen om de drempelwaarden indicatief te maken. Dit betekent dat de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst van het Besluit-mer een indicatief karakter krijgen. Op grond van artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient het bevoegd gezag zijn keuze om géén mer-beoordeling te maken voor een activiteit die beneden de drempelwaarde valt, te motiveren in de toelichting van een ruimtelijk besluit.

Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling bestaan geen vereisten voor de vorm, maar wel voor de inhoud. Met betrekking tot de inhoud moet aandacht worden besteed aan alle criteria die zijn opgenomen in Bijlage III bij de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten’. Besluitgebied Onderliggende ruimtelijke onderbouwing maakt de realisatie van een drietal woningen mogelijk. Met de ontwikkeling is sprake van een activiteit zoals benoemd in categorie D11.2: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’ van het Besluit mer. De (indicatieve) drempelwaarde voor het opstellen van een m.e.r.-beoordeling bedraagt voor deze activiteit het oprichten van minimaal 2000 woningen of ontwikkelingen met een oppervlakte van 100ha of meer.

Ruimtelijke onderbouwing- Sint Joostdijk ong.- Oosterland

33

De beoogde ontwikkeling blijft ruim onder de drempelwaarden. Uit de ruimtelijke en milieukundige beoordeling in de overige paragrafen blijkt dat de beoogde situatie inpasbaar is in de omgeving. Er is sprake van een kleinschalige activiteit zonder significante verandering van de milieubelasting ten opzichte van de bestaande situatie. De beoogde situatie is hiermee ruimtelijk en milieukundig inpasbaar. Alle relevante omgevingsaspecten zijn onderzocht in hoofdstuk 3. Conclusie Gelet op de kenmerken van de activiteit en de mate van de kwetsbaarheid van het milieu waarin het besluitgebied is gelegen, kan worden geconcludeerd dat er geen milieueffectrapportage (MER) behoeft te worden opgesteld.

Ruimtelijke onderbouwing- Sint Joostdijk ong.- Oosterland

34

4.

UITVOERBAARHEID

4.1

Economische uitvoerbaarheid

Behalve de ruimtelijke en milieukundige uitvoerbaarheid, dient tevens de financieel-economische uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling inzichtelijk te worden gemaakt. Wanneer een ruimtelijk besluit een bouwplan, zoals bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, mogelijk maakt, is de gemeente op basis van de grondexploitatiewet verplicht om de kosten hiervan te verhalen op de aanvrager. Dit is vastgelegd in artikel 6.12 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening. De gemeente dient bij het nemen van een projectafwijkingsbesluit tevens een exploitatieplan vast te stellen. Van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 van het Bro is onder meer sprake bij de bouw van één of meer woningen of de bouw van één of meer andere hoofdgebouwen. Tevens is een exploitatieplan noodzakelijk indien er specifieke locatie-eisen gesteld worden aan de uitvoering. In afwijking van het bepaalde in artikel 6.12 lid 1 Wro kan de gemeenteraad besluiten om de kosten anderszins te verzekeren. Het betreft hier een private ontwikkeling waarbij het risico geheel gedragen wordt door de initiatiefnemer. Alle (voorbereiding)kosten (zoals plankosten, onderzoeken en procedures) zijn voor rekening van initiatiefnemer (via legesheffing).

Verder worden in een anterieure overeenkomst nadere afspraken vastgelegd tussen de gemeente Schouwen-Duiveland en de initiatiefnemer over de ontwikkeling, waaronder bijvoorbeeld over het kostenverhaal van eventuele planschadeclaims, de bijdrage van €40.500 aan het transitiefonds, afspraken met betrekking tot het verbreden van de Sint Joostdijk ter hoogte van de woning en afspraken over de aanleg van nieuwe riolering in de Sint Joostdijk om de nieuwe woningen aan te kunnen sluiten op het gemeentelijk rioleringssysteem. In de anterieure overeenkomst wordt tevens geborgd dat de noodzakelijke saneringsmaatregelen om tot een acceptabele milieuhygiënische bodemkwaliteit te komen worden uitgevoerd. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek voor de locatie zijn de aard en omvang van de sanering, de mogelijke saneringsmethoden en de hiermee samenhangende kosten in kaart gebracht. In de exploitatie is rekening gehouden met de kosten van de uitvoering van de noodzakelijke bodemsanering. De kosten zijn geraamd op circa €xxx ex btw. Er is op voorhand geen reden om aan te nemen dat de milieuhygiënische situatie van de bodem de uitvoerbaarheid van het project in de weg staat. Voor de gemeente zelf zijn er geen kosten verbonden aan de verwezenlijking van het plan.

Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de economische uitvoerbaarheid van het plan voldoende is gegarandeerd en er kan worden afgezien van het opstellen van een exploitatieplan.

4.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van de omgevingsvergunning op basis van artikel 2.12, lid 1, sub a onder 3˚ Wabo wordt de procedure zoals vastgelegd in afdeling 3.4 Awb gevolgd. De ontwerp beschikking met bijbehorende stukken wordt gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Aan de hand van de voorbereiding van de vergunning wordt het wettelijk overleg ex artikel 3.1.1 Bro gevoerd. Reacties van de wettelijke overlegpartners (Waterschap Scheldestromen, Veiligheidsregio) worden weergegeven in paragraaf 4.3. Het college is bij de voorbereiding van het besluit op de omgevingsvergunningaanvraag niets gebleken van planologische of maatschappelijke belemmeringen. Er is geen reden om aan te nemen dat de beoogde herontwikkeling van de bebouwing geen maatschappelijk draagvlak heeft.

Ruimtelijke onderbouwing- Sint Joostdijk ong.- Oosterland

35

4.3

Procedure

De ontwerpbeschikking zal gedurende 6 weken ter inzage worden gelegd met bijbehorende stukken. Voorafgaand hieraan wordt hiervan mededeling gedaan in het plaatselijke blad en op de gemeentelijke website. Gedurende de termijn van de terinzagelegging kan eenieder een zienswijze indienen. De resultaten van de terinzagelegging zullen beoordeeld worden en aanvullend in de ruimtelijke onderbouwing worden opgenomen.

Ruimtelijke onderbouwing- Sint Joostdijk ong.- Oosterland

36

BIJLAGEN 1.

A. Bestaande situatie B. Beoogde situatie Ontwerp C. Beoogde situatie Inrichting D. Beoogde situatie Impressie Erik van den Bos Architect d.d. December 2023 en Mei 2024

2. Verkennend bodemonderzoek MCG Zuidwest BV d.d. Januari 2024

3. Verkennend flora- en faunaonderzoek NWC Advies d.d. Mei 2024

4. Stikstofdepositieberekening S&W Bouwkundig Ingenieurs d.d. Februari 2024

5. Nader onderzoek asbest in grond en puin MCG Zuidwest BV d.d. Mei 2024

Ruimtelijke onderbouwing- Sint Joostdijk ong.- Oosterland

37

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16640141/1