1620638 Bijlage 4 ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
Het stellen van regels of het toelaten van activiteiten of wijziging van bestaande activiteiten zijn niet van toepassing in gevallen waarbij: sprake is van een groot openbaar belang (waaronder telecommunicatievoorzieningen en hulpverleningsdiensten; opsporing, winning, opslag en transport van olie, gas en water, transport van elektriciteit en kleinschalige opwekking van elektriciteit met een windturbine; waterbeheer en natuurbeheer). er geen reële andere mogelijkheden zijn; en de nadelige gevolgen op de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte en samenhang zoveel mogelijk worden beperkt door het treffen van mitigerende maatregelen en de overblijvende gevolgen tijdig worden gecompenseerd (volgens in een bijlage genoemde voorwaarden). Afwegingszone Voor sommige NNN-gebieden geldt een ‘afwegingszone’ van 100 meter (zie bijvoorbeeld https://kaarten.zeeland.nl/map/ovz). In de omgevingsverordening Zeeland (Artikel 5.35; https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR709135) staat het volgende over de ‘afwegingszone natuurgebieden’. Artikel 5.35 is niet van toepassing op binnendijken. Niet beoogd is beperkingen te stellen aan bestaand gebruik en bestaande bebouwing. Voorafgaand aan het toestaan van nieuwe activiteiten dient een afweging te worden gemaakt waarbij de natuurwaarden van het naastgelegen 11
natuurgebied moeten worden betrokken. In de motivering bij een omgevingsplan waarin regels worden gesteld voor grond die ligt binnen de afwegingszone van 100 meter rond een bestaand natuurgebied wordt: een beschrijving gegeven van de wijze waarop rekening is gehouden met de wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurgebied; en aannemelijk gemaakt dat geen activiteit wordt toegelaten die nadelige gevolgen heeft voor de bedoelde kenmerken en waarden. Compensatiebeginsel De bescherming van het NNN verloopt via het planologische spoor, hiervoor geldt een ‘nee, tenzij’ regime. Het compensatiebeginsel geldt voor ingrepen die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden, leiden tot een vermindering van de oppervlakte van de gronden of leiden tot een vermindering van de samenhang tussen de gebieden van het Natuurnetwerk Nederland en agrarische gebieden van ecologische betekenis. In principe mogen deze ingrepen niet plaatsvinden. Compensatie is noodzakelijk als na toepassing van de wettelijke en planologische beschermingsregimes geconcludeerd wordt dat de ruimtelijke ingreep wordt toegestaan, waarbij er sprake moet zijn van een groot openbaar belang en er geen alternatieven voorhanden zijn.
Uitgangspunt is, dat door het treffen van mitigerende en, indien deze onvoldoende zijn, compenserende maatregelen geen nettoverlies aan waarden resteert (zie Omgevingsverordening Zeeland, Bijlage VI https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR709135).
3.5 Natura 2000-activiteit Algemeen Er zijn activiteiten van burgers, bedrijven en overheden, die de fysieke leefomgeving beïnvloeden, waaronder de natuur. De Omgevingswet geeft regels over die activiteiten om de natuur te beschermen. Zogenaamde ‘Natura 2000-activiteiten’ zijn activiteiten die significant nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. Een Natura 2000-activiteit kan plaatsvinden in een Natura 2000-gebied. Vaak vindt de activiteit echter plaats buiten een Natura 2000-gebied. Ook dan kan een activiteit effect op het Natura 2000-gebied hebben. Dit wordt de 'externe werking op een Natura 2000-gebied' genoemd. Definitie Natura 2000-activiteit Activiteit, inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Omgevingsvergunning Als het effect van een Natura 2000-activiteit significant kan zijn, moet de initiatiefnemer meestal een Omgevingsvergunning voor deze Natura 2000-activiteit hebben. Indien uit de quick scan/voortoets blijkt dat significant negatieve effecten van de voorgenomen activiteit op Natura 2000-gebieden niet met zekerheid kunnen worden uitgesloten, is een passende beoordeling noodzakelijk.
Significant negatieve effecten Er is geen definitie van 'significant'. Verschillende factoren bepalen samen of sprake is van significant of niet. Factoren zijn bijvoorbeeld: 12
afname van de oppervlakte van een habitat in relatie tot de zeldzaamheid van die habitat; afname van een populatie in relatie tot de zeldzaamheid van planten- of diersoorten in die populatie; algemene condities van het gebied voor behoud en herstel van de habitat of soorten.
Het komt neer op de vraag of de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied in gevaar komen door de activiteit. De Leidraad bepaling significantie (https://docplayer.nl/130743418Leidraad-bepaling-significantie.html) geeft handvatten om invulling te geven aan de term 'significant'.
3.6 Activiteit die geen significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebied Er zijn activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. Onder ‘nadelig gevolg’ vallen verslechterende of verstorende gevolgen voor het Natura 2000-gebied. Zo’n gevolg hoeft niet significant te zijn. In dat geval is sprake van een ‘activiteit die nadelige (maar zeker geen significante) gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied’. Zo’n activiteit is dus niet dezelfde als een Natura 2000-activiteit. Bij een Natura 2000-activiteit zijn de mogelijk nadelige gevolgen namelijk wel significant (zie 3.3). Voor een activiteit die nadelige (maar geen significante) gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied, maar geen Natura 2000-activiteit is, geldt geen vergunningplicht Omgevingswet.
3.7 Stikstof Bij het project komt stikstof vrij. In het kader van deze quick scan zijn geen berekeningen uitgevoerd met de AERIUS-rekentool, noch zijn mogelijke effecten op kwalificerende habitattypen, kwalificerende en typische soorten beschouwd. Er is dus aanvullend onderzoek nodig om te concluderen of een Omgevingsvergunning wel of niet nodig is. Alle hierna in dit rapport geformuleerde conclusies hebben dus geen betrekking op stikstof.
3.8 Soortenbescherming (Flora- en fauna-activiteit) Algemeen Door een groot aantal activiteiten en invloeden staat het voortbestaan van veel soorten onder druk. Daarom is soortenbescherming een onderdeel van de Omgevingswet. Met verschillende wetsinstrumenten is het mogelijk om te zorgen voor de bescherming van flora en fauna. Dit voorkomt achteruitgang van de biodiversiteit. Door de Omgevingswet zijn veel dier- en plantensoorten beschermd. Het gaat onder andere om soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen. Daarnaast om bepaalde soorten van nationaal belang. Flora- en fauna-activiteit Om de natuur te beschermen, geeft het Rijk regels voor flora- en faunaactiviteiten. Dat zijn activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor dieren en planten in het wild. Degene die zo'n activiteit uitvoert, moet voldoen aan die regels, zoals de specifieke zorgplicht. Ook 13
kan een vergunningplicht gelden. De Omgevingswet definieert wat een flora- en fauna-activiteit is. Deze definitie zorgt ervoor dat een initiatiefnemer moet controleren of en welke soorten dieren en planten aanwezig zijn als deze een activiteit uitvoert. Door, voorafgaand aan ruimtelijke ingrepen, rekening te houden met de aanwezige natuurwaarden kan onnodige schade aan beschermde soorten worden voorkomen of beperkt. Zo zijn alle broedvogels beschermd: nesten, eieren en jongen mogen niet worden verstoord of vernietigd. Indien schade aan (zwaarder) beschermde soorten niet te voorkomen is, is een Omgevingsvergunning noodzakelijk. Definitie Flora- en fauna activiteit Activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of:
er soorten aanwezig zijn; welke soorten dat zijn.
Dit geldt dus voor uiteenlopende activiteiten. Bijvoorbeeld bij het realiseren van een windturbine, het plaatsen van een dakkapel of het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek naar dieren of planten. Er zijn maar weinig activiteiten waarbij vooraf al is uit te sluiten dat ze een flora- en faunaactiviteit tot gevolg hebben. Er gelden rijksregels voor een flora- en fauna-activiteit. Er kan een Omgevingsvergunning nodig zijn. Ook kunnen decentrale regels gelden. Specifieke zorgplicht Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Besluit activiteiten leefomgeving [Bal]). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. Het Bal geeft aan waaruit de specifieke zorgplicht in ieder geval bestaat. Dat is hierna toegelicht. Controleren soorten en habitats Iemand die een flora- en fauna-activiteit wil verrichten op een plek, moet controleren of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de buurt bepaalde soorten of habitats voorkomen. De tabel hierna geeft aan om welke soorten en habitats het gaat. Controleren van soorten en habitats vóór verrichten flora- en fauna-activiteit Aanwezigheid van wat?
Waar staan de soorten Toelichting in?
Vogels
Bijlage I vogelrichtlijn
Het gaat om een soort die in het wild leeft in Nederland en daar van nature voorkomt
Trekvogels
Onder andere op de website van het ministerie van LNV
Het gaat om een soort die regelmatig in Nederland voorkomt
Dier- en plantensoorten
Bijlage II, IV, V habitatrichtlijn
Het gaat om een soort die in het wild leeft in Nederland en daar van nature voorkomt
14
Controleren van soorten en habitats vóór verrichten flora- en fauna-activiteit Aanwezigheid van wat?
Waar staan de soorten Toelichting in?
Dier- en plantensoorten
Bijlage IX Bal of in de Het gaat om een soort die in het wild leeft in Nederland en daar rode lijsten (zie van nature voorkomt opmerking onder tabel)
Belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats waar de genoemde dieren/planten leven
Het gaat niet om gebieden die geschikt zouden zijn als leefgebied maar waar de soort niet leeft. Zoals een grot die geschikt is voor vleermuizen maar waar ze niet leven. Of een wand waarop bepaalde muurplanten zouden kunnen groeien maar waar ze niet zijn.
Opmerking: een Rode lijst is een overzicht van soorten die uit Nederland zijn verdwenen of dreigen te verdwijnen. Dit wordt bepaald op basis van zeldzaamheid en/of negatieve trend. De lijsten worden periodiek vastgesteld door de Minister van Natuur en Stikstof. De Minister bevordert onderzoek en werkzaamheden nodig voor bescherming en beheer. Rode lijsten hebben geen juridische status.
Nadelige gevolgen uit te sluiten? Als er aanwijzingen zijn dat de hiervoor genoemde soorten of habitats aanwezig zijn, dan is het verplicht om na te gaan of nadelige gevolgen voor die dieren of planten uit te sluiten zijn. Bij de diersoorten gaat het dan ook om hun nesten, foerageerplaatsen, voortplantingsplaatsen, rustplaatsen en eieren. Het uitsluiten of er nadelige gevolgen zijn, moet plaatsvinden aan de hand van objectieve gegevens. Wat zijn de nadelige gevolgen? Het is niet altijd mogelijk om nadelige gevolgen uit te sluiten voor dier- en plantensoorten. In dat geval moet degene die de activiteit verricht, nagaan wat de nadelige gevolgen kunnen zijn van de activiteit. Passende preventieve maatregelen Als nadelige gevolgen niet uit te sluiten zijn, moet degene die de activiteit verricht alle passende preventieve maatregelen treffen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen. Ook moet diegene tijdens en na de flora- en fauna-activiteit nagaan of die maatregelen wel het bedoelde effect hebben. Stoppen of herstelmaatregelen? Als er ondanks de genomen maatregelen toch nadelige gevolgen zijn door de activiteit, moet die activiteit stoppen. Als stoppen niet mogelijk is, dan moet degene die de activiteit verricht passende herstelmaatregelen treffen.
3.9 Vellen houtopstand en herbeplanten Algemeen De Omgevingswet geeft regels over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen. Zo kan er een meldingsplicht of gedragscode gelden voor het vellen. Definitie Een houtopstand is een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend. Het (deels) vellen ervan zorgt ervoor dat die verdwijnen of beschadigd raken. Herbeplanten zorgt voor nieuwe houtopstand. Er geldt geen minimale oppervlakte om onder de definitie van houtopstand te vallen. Houtopstand die spontaan ontstaat in graslanden en heiden valt 15
ook onder de definitie. Rijksregels De rijksregels gelden als sprake is van het (deels) vellen van houtopstanden. Bij het vellen hoort een herbeplantingsplicht. Er zijn uitzonderingen. De rijksregels over vellen en herbeplanten gelden niet in (onder andere) de volgende gevallen (artikel 11.111, Besluit activiteiten leefomgeving [Bal]):
houtopstanden binnen de bebouwingscontour houtkap. Dat komt er ongeveer op neer dat de rijksregels alleen gelden voor houtopstanden buiten stedelijk gebied; houtopstanden op erven of in tuinen; bomen en struiken die specifiek voor het oogsten van fruit, noten of vruchten zijn geteeld; houtopstanden die windschermen om boomgaarden vormen; populieren of wilgen van: o wegbeplantingen o beplantingen langs waterwegen, of o eenrijige beplantingen langs landbouwgronden ; het dunnen van een houtopstand om de groei van de overblijvende houtopstand te bevorderen. Bijvoorbeeld als onderdeel van het reguliere onderhoud van de houtopstand; beplantingen die bestaan uit populieren, wilgen, essen of elzen en duidelijk bedoeld zijn voor de productie van houtige biomassa onder de volgende voorwaarden: o Het oogsten vindt minstens 1 keer per 10 jaar plaats. o De beplantingen bestaan uit minstens 10.000 stoven per ha per beplantingseenheid. o Een beplantingseenheid moet bestaan uit aaneengesloten beplanting zonder doorsnijding door meer dan 2 m brede onbeplante stroken. o De beplantingen zijn aangelegd na 1 januari 2013. houtopstanden met een oppervlakte van minder dan 10 are (1.000 m2). Het gaat hier om de oppervlakte van de totale houtopstand dus niet alleen van het te vellen deel. houtopstanden die bestaan uit een rijbeplanting van maximaal 20 bomen (gerekend over het totaal aantal rijen).
Het gaat hier om het aantal bomen in rijbeplanting van de totale houtopstand dus niet alleen het aantal te vellen bomen.
Meldingsplicht Gelden de rijksregels over vellen? Dan is het verboden om een houtopstand (deels) te vellen zonder eerst een melding te doen. Behalve voor de uitzonderingen op de meldingsplicht. Het indienen van een melding moet uiterlijk vier weken én niet eerder dan een jaar vóór het vellen gebeuren (artikel 11.126, Bal). De te verstrekken gegevens zijn mede afhankelijk van het betrokken bevoegd gezag. Herbeplantingsplicht Is de houtopstand (deels) geveld of is de houtopstand op een andere manier verloren gegaan, zoals door brand of storm? Dan moet herbeplanting plaatsvinden (artikel 11.129, Bal). De herbeplantingsplicht geldt in alle gevallen voor de rechthebbende van de houtopstand. Dus bijvoorbeeld ook als een derde de houtopstand onrechtmatig heeft geveld. Er gelden uitzonderingen op de herbeplantingsplicht.
16
Er zijn ook uitzonderingen op de meldingsplicht en de herplantplicht (zie https://iplo.nl/regelgeving/regels-voor-activiteiten/activiteiten-natuur/vellen-houtopstandherbeplanten/rijksregels-vellen-houtopstand-herbeplanten/).
3.10
Invasieve exoten
Algemeen De Omgevingswet geeft regels om de introductie of verspreiding van invasieve uitheemse soorten in de natuur te voorkomen. Vanwege de ernstige gevolgen die invasieve uitheemse soorten kunnen hebben, zijn er rijksregels en internationale regels om de introductie en verspreiding te voorkomen. Het is verboden om bepaalde activiteiten opzettelijk te verrichten met soorten van de Unielijst. Dit is een lijst van de Europese Commissie waarop soorten staan, die in delen van de EU schade toebrengen (of dat in de toekomst waarschijnlijk zullen gaan doen) aan de biodiversiteit en/of ecosystemen. Ze kunnen ook nadelige gevolgen hebben voor de menselijke gezondheid, veiligheid of economie. Uitheemse soorten en exoten Exoten of uitheemse soorten zijn dieren of planten die door menselijk handelen buiten hun natuurlijke verspreidingsgebied terecht zijn gekomen. Ook delen ervan, zoals eicellen, zaden of wortels, vallen onder die begrippen. De term 'uitheemse soort' is bedoeld om een hele soort mee aan te duiden. De term 'exoot' is bedoeld om individuele exemplaren van een uitheemse soort mee aan te duiden. De meeste uitheemse soorten vormen geen bedreiging voor de biodiversiteit. Ze zijn dus niet 'invasief'. De leefomstandigheden voor deze soorten zijn in Nederland namelijk vaak niet geschikt, waardoor ze hier niet kunnen leven.
Daarnaast zijn er soorten die geen bedreiging vormen en niet schadelijk zijn.
Invasieve uitheemse soorten en invasieve exoten Als uitheemse soorten of exoten ‘invasief’ zijn, dan betekent dat ze na introductie of verspreiding een bedreiging zijn of nadelige gevolgen hebben voor de biodiversiteit en ecosystemen in Nederland. Ze kunnen bijvoorbeeld inheemse soorten verdringen, ziekten overbrengen of natuurlijke leefomgevingen veranderen. Invasieve uitheemse soorten kunnen de natuur en maatschappij veel last bezorgen en nadelig zijn voor de menselijke gezondheid of economie. Voorbeelden van invasieve uitheemse soorten zijn: muskusrat, rode Amerikaanse rivierkreeft, grote waternavel en reuzenberenklauw. 17
Europese lijst van invasieve uitheemse soorten Sinds 3 augustus 2016 is er een Europees verbod op bezit, handel, kweek, transport en import van schadelijke exotische planten en dieren. De schade die invasieve exoten veroorzaken, is een Europees probleem. Om dit probleem zo effectief mogelijk aan te pakken, is een Europese verordening ontwikkeld. Hierin staat een aantal ge- en verboden om schade in de Europese Unie zoveel mogelijk te voorkomen. Onderdeel van de verordening is de zogenaamde ‘Unielijst’. Hierop staan soorten die al in delen van de Europese Unie voorkomen en schade toebrengen of dit in de toekomst waarschijnlijk gaan doen (nvwa.nl/onderwerpen/invasieveexoten/unielijst-invasieve-exoten). Voor lidstaten geldt de plicht om in de natuur aanwezige populaties op te sporen en te verwijderen. En als dat niet lukt om de populatie zodanig te beheren dat verspreiding en schade zoveel mogelijk wordt voorkomen. Iedere lidstaat kan – aanvullend op de soorten van de Unielijst – andere soorten op een eigen, nationale lijst plaatsen en daarvoor maatregelen opnemen. Nederland neemt maatregelen tegen Aziatische duizendknopen (onder andere Japanse duizendknoop) met een nationaal handelsverbod.
18
4 Aanpak, materiaal en methoden 4.1 Vraagstelling Om eventuele strijdigheden met de Omgevingswet te signaleren bij de uitvoering van de werkzaamheden dienen in de ‘quick scan’ de volgende vragen te worden beantwoord: Gebiedsbescherming: Natura 2000-gebieden (zie hoofdstukken 5 en 6) 1. Is er sprake van a) een Natura 2000-activiteit (vergunningplichtig) of van b) een activiteit die geen significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebied (niet vergunningplichtig). 2. Welke kwalificerende soorten en habitats komen nabij het projectgebied voor? 3. Welke invloed hebben de werkzaamheden op de kwalificerende soorten en kwalificerende habitats? 4. Welke invloed hebben de werkzaamheden op de typische soorten van de relevante kwalificerende habitats? 5. Door welke maatregelen kunnen negatieve effecten op kwalificerende soorten en habitats worden voorkomen?
Gebiedsbescherming: Natuurnetwerk Nederland (zie hoofdstuk 7) 1. Welke invloed hebben de werkzaamheden op de in het kader van Natuurnetwerk Nederland aangewezen gebieden. Kunnen de werkzaamheden nadelige gevolgen hebben voor de oppervlakte of de wezenlijke kenmerken en waarden van NNN-gebieden of leiden tot een vermindering van de samenhang tussen de gebieden van het NNN? Soortenbescherming (zie hoofdstuk 8) 1. Is er sprake van een flora- en fauna-activiteit? 2. Welke wettelijk beschermde soorten komen in het projectgebied voor? Onder welk beschermings-regime vallen deze soorten? 3. Welke invloed hebben de werkzaamheden op de beschermde soorten? Geldt wellicht een algemene vrijstelling voor één of meerdere soorten? 4. Door welke maatregelen kunnen negatieve effecten op beschermde soorten worden voorkomen of verzacht? 5. Indien de duurzame staat van instandhouding van beschermde soorten in gevaar komt, welk vervolgtraject dient dan doorlopen te worden? 6. Voor welke beschermde soorten moet een Omgevingsvergunning aangevraagd worden, of kan gewerkt worden met een gedragscode? 7. Welke overige natuurwaarden komen in het projectgebied voor en hoe kan worden voldaan aan de specifieke zorgplicht? 19
Vellen houtopstand en herbeplanten (hoofdstuk 9) 1. Is er sprake van een meldingsplicht voor te kappen houtopstanden? 2. Is er sprake van een herbeplantingsplicht?
Invasieve exoten (hoofdstuk 10) 1. Komen er in het projectgebied invasieve exoten voor? 2. Komen er in het projectgebied andere ‘ongewenste’ soorten voor. Dit is onder andere van belang bij graafwerkzaamheden en bij verplaatsing van grond met ongewenste plantendelen.
Ecologische aanbevelingen (hoofdstuk 11) De in dit hoofdstuk geformuleerde aanbevelingen en suggesties kunnen onder andere worden gebruikt bij het opstellen van een ecologisch werkprotocol door een opdrachtnemer die werkt volgens een goedgekeurde gedragscode ‘natuur’ Omgevingswet.
4.2 Veldbezoek Het projectgebied en directe omgeving zijn voor de ‘quick scan’ bezocht op 5 maart 2025. Hierbij is vooral gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde planten en dieren, de aanwezige habitats en mogelijke knelpunten t.a.v. de werkzaamheden in relatie tot de aanwezige natuurwaarden. Er is ook gelet op de aanwezigheid van invasieve soorten en andere ‘ongewenste’ planten, zoals alsemambrosia, azijnboom, Japanse duizendknoop en reuzenberenklauw. Er is geen integrale inventarisatie uitgevoerd, maar en passant verrichte waarnemingen van planten en dieren zijn ingevoerd op de site waarneming.nl en worden zo ook opgenomen in de NDFF (Nationale Database Flora en Fauna). Gedetailleerde rapportage van deze waarnemingen viel buiten de opdracht, maar ze zijn wel gebruikt in de natuurtoets.
4.3 Literatuur- en archiefonderzoek Gegevens over in het projectgebied aanwezige flora en fauna aanwezig in de NDFF (Nationale Database Flora en Fauna) werden geraadpleegd op 28 februari 2025. Daarnaast is gebruik gemaakt van diverse publicaties en eigen veldkennis.
20
Het projectgebied op 5 maart 2025.
Het projectgebied en directe omgeving op 5 maart 2025.
21
5 Gebiedsbescherming: Natura 2000-gebieden Nederlandse Natura 2000-gebieden Het projectgebied ligt in de directe nabijheid van Natura 2000gebied Grevelingen (dichtstbij gelegen delen op 90 meter afstand), maar valt (meestal ruimschoots) buiten de begrenzing van de volgende Nederlandse Natura 2000-gebieden (tussen haakjes de kortste afstand tot de begrenzing; alleen gebieden binnen 25 km): Voordelta (900 m), Oosterschelde (4,7 km), Duinen Goeree & Kwade Hoek (5,5 km), Haringvliet (16 km), Voornes Duin (20 km), Veerse Meer (20 km), Manteling van Walcheren (22,5 km) en Krammer-Volkerak (23 km). Effecten Tussen het projectgebied en de relatief dichtbijgelegen delen van Natura 2000-gebieden Voordelta (800 m) en Kop van Schouwen (1,5 km) liggen als ‘buffer’ onder andere nabijgelegen een dennenbos (‘de Plantage’), het dijklichaam van de Brouwersdam (met de N57 en binnen- en buitendijkse parallelwegen) en de zeedijk van de Grevelingen. Gezien de aard van de werkzaamheden, het toekomstige gebruik van de woning en de aanwezigheid van genoemde ‘buffers’, kan externe werking van het project op Natura 2000-gebieden Voordelta en Kop van Schouwen redelijkerwijs worden uitgesloten. Hier wordt dan ook niet nader op ingegaan. Gezien de nabijheid van Natura 2000-gebied Grevelingen zijn negatieve effecten van het project op kwalificerende habitats en soorten niet op voorhand uit te sluiten.
Daarom is in hoofdstuk 6 een zogenaamde ‘voortoets Natura 2000’ uitgevoerd.
In blauwgrijs de begrenzing van Nederlandse Natura 2000-gebieden in de ruime omgeving van het projectgebied (bron: https://kaarten.zeeland.nl/map/atlasvanzeeland). Rode cirkel is projectgebied.
22
In blauwgrijs de begrenzing van Nederlandse Natura 2000-gebieden in de omgeving van het projectgebied (bron: https://kaarten.zeeland.nl/map/atlasvanzeeland). Rood vakje binnen gele ovaal is projectgebied.
Gezien de (meestal) forse afstand tussen het projectgebied en meeste overige Natura 2000gebieden binnen 25 km van het projectgebied en de aanwezige landschappelijke ‘buffers’ (duinen, binnendijken, zeedijken, akkers, boomgaarden, wegen, bebouwing etc.), kunnen (verstorende) effecten van het project op kwalificerende soorten en beschermde habitats van al deze gebieden redelijkerwijs op voorhand worden uitgesloten. Hier wordt dan ook niet nader op ingegaan. Conclusie Natura 2000-gebieden Significant negatieve effecten van het project op kwalificerende soorten en beschermde habitats van de meeste Natura 2000-gebieden in de ruime omgeving kunnen redelijkerwijs op voorhand worden uitgesloten. Er is bij die gebieden geen sprake van een Natura 2000-activiteit en het aanvragen van een Omgevingsvergunning is niet nodig (deze conclusie heeft geen betrekking op stikstof). Gezien de nabijheid van Natura 2000-gebied Grevelingen zijn negatieve effecten op dat gebied niet op voorhand uit te sluiten en is een zogenaamde ‘voortoets Natura 2000’ uitgevoerd (zie hoofdstuk 6).
23
6 Gebiedsbescherming: voortoets Natura 2000-gebied Grevelingen 6.1 Algemeen Het Natura 2000-gebied Grevelingen (13.753 ha) is een voormalige zeearm gelegen tussen GoereeOverflakkee en Schouwen-Duiveland. Het is sinds de afsluiting door de Deltawerken het grootste zoutwatermeer van Europa en bevat een aantal eilanden waar uitgestrekte, soortenrijke duinvalleibegroeiingen en zilte pioniergemeenschappen voorkomen, alsmede uitgestrekte oeverlanden (onder meer de Slikken van Flakkee) met zilte begroeiingen, graslanden, ruigten, struwelen en bos. Mede dankzij de geïsoleerde ligging van de eilanden (voormalige zandplaten) vormt de Grevelingen een van de belangrijkste leefgebieden voor de noordse woelmuis in ZuidwestNederland. Om verzoeting tegen te gaan, werd in 1978 de Brouwerssluis aangelegd, die in de periode december-maart open staat en die tevens uitwisseling van visbestanden aan weerszijden mogelijk maakt. Het meer is nu relatief arm aan nutriënten en algen en het water is helder. Sinds seizoen 1999/2000 staat de sluis vrijwel permanent open. De Grevelingen is van groot belang voor visetende watervogels, onder andere voor fuut, middelste zaagbek, kuifduiker, dodaars, lepelaar en kleine zilverreiger. Geoorde futen verzamelen zich in de nazomer tot een groeiende ruiconcentratie met internationale aantrekkingskracht en een voor Nederland ongekende omvang.
Ook voor de brilduiker is de Grevelingen het belangrijkste overwinteringsgebied. Behalve voor viseters is het gebied van belang voor enkele ganzen, eenden en steltlopers. Het gebied vormt een zeer belangrijk broedgebied voor kustbroedvogels (kluut, bontbekplevier, strandplevier, visdief, dwergstern, diverse soorten meeuwen).
In lichtgroen de begrenzing van Natura 2000-gebied Grevelingen (gele pijl = projecgebied) (bron: https://kaarten.zeeland.nl/map/atlasvanzeeland).
24