CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

1583313 Bijlage 2 RAP Bijlagen

Gemeenteraad 30 oktober 2025, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: RVS Actualisatie archeologiebeleid Schouwen Duiveland (1583313)16.732 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bijlagen Actualisatie archeologiebeleid gemeente Schouwen-Duiveland

Bijlage 1 Onderbouwing conflictarcheologie dr. Arjen V.A.J. Bosman

De Eerste Wereldoorlog De aandacht voor de militaire verdediging is in Zeeland sinds de Franse Tijd (1795 -1814) en de periode na de Belgische afscheiding (1830-1831) vooral gefocust geweest op de kust van de Westerschelde en niet van de Oosterschelde. Datzelfde geldt ook voor de periode van opleving van de fortenbouw vanaf 1870. Tijdens WO1 was na de Duitse inval in België en Frankrijk ook in ons land een algemene mobilisatie ingelast. 1 Er werd een extra grensbewaking opgetrokken langs de zuidgrens van ons land. Nederland streefde de neutraliteit nauwgezet na. Om de neutraliteit te bewaren werden ook troepen langs de kust geplaatst en kustverdedigingswerken een nieuwe impuls gegeven. De Duitsers gingen van de noordkust in West-Vlaanderen tot en met Antwerpen zelfs over tot de bouw van de HollandStellung. Dit was niet zo zeer gericht tegen Nederland, maar wel tegen eventueel via Nederland oprukkende Britse of Franse troepen. Om de grens met België helemaal dicht te zetten werd door de Duitsers de zogenaamde Doodendraad aangebracht. Dit was een elektrische afscheiding tussen prikkeldraad. Het zou menig smokkelaar en vluchteling fataal worden.

Afb. 2. Ambachtschool in Zierikzee, tijdens de mobilisatie ingericht als kazerne (Zeeuws Archief, Beeldbank Schouwen-Duiveland, nr ZZG-1354). Mobilisatie De bewaking van de kust werd vooral door patrouilles van Nederlandse militairen gedaan (afb. 5 en 9). Hun stellingen waren vaak niet meer dan loopgraven en houten staketsels. Slechts zeer zelden werden

1

Zwemer & Barth 2014.

bakstenen of nog zeldzamer betonnen opstellingen gemaakt. Deze laatste twee ontbreken in Schouwen-Duiveland. De meeste militairen, zowel van de Koninklijke Landmacht als de Koninklijke Marine werden ondergebracht in tentenkampen of (openbare) gebouwen (afb . 2) en ingekwartierd in woningen en boerderijen. Hier stond wel een vergoeding vanuit het Ministerie van Oorlog, maar naast momenten van gezelligheid waren er ook voldoende conflicten. Qua sporen in de bodem zal er afgezien van een enkele greppel of afvalkuil dit nauwelijks archeologische sporen achter hebben gelaten. Toch werden ook stellingen opgetrokken, zoals op de foto hieronder (afb. 3).

Afb. 3. Loopgraaf bij Zierikzee, 1914-1915 (Zeeuws Archief, Beeldbank Schouwen-Duiveland, nr ZZG1340)

Op afbeelding 3 poseert de in Zierikzee gelegerde derde compagnie van het 33e bataljon Landweer in de loopgraven tussen de Oudeweg en de Zandweg. In de middelste loopgraaf is de commandant van Schouwen-Duiveland, reserve-1 e luitenant J.P. Louwerse te zien.

Afb. 4. Oefening van de Burgerwacht Zierikzee op het terrein van de wielrijdersschool van de firma Anker achter de Gasthuiskerk, circa 1920-1925 (Zeeuws Archief, Beeldcollectie Schouwen-Duiveland).

Niet alleen militairen zouden ingezet worden in Schouwen-Duiveland. Er was ook een particulier initiatief (afb. 4). Er waren mannen die wilden helpen, maar die dat niet konden. De belangrijkste redenen waren dat ze niet in militaire dienst waren geweest of dat ze inmiddels te oud waren voor een oproep. Leden van de Schietvereniging Zierikzee besloten hun diensten aan te bieden aan de minister van Oorlog. Deze wees het echter van de hand. Hij wilde zulke vrijwilligers op plaatsen waar ze nodig waren. Maar de mannen wilden de stad niet uit en besloten in Zierikzee een burgerwacht op te richten. Hiervoor gaven 35 man zich op, onder hen waren leden van de in 1907 opgeheven schutterij, die wel enige ervaring hadden met militaire bevelstructuur en exercitie.

Afb. 5. Marine patrouille op het strand (Zeeuws Archief, Beeldbank Schouwen-Duiveland, nr X-4268).

Afb. 6. Aan de Noordkant poseren bij een aangespoelde zeemijn op het strand van Renesse , recht voor het zogenaamde Vlaamse diekje (ZB, Beeldbank Zeeland).

Op dinsdag 2 maart 1915 werd tussen acht en negen uur op de dijk bij Borrendamme, dichtbij de boerderij van landbouwer J.L. Cashoek een Britse zeemijn gevonden (afb. 7). De kinderen van de boer zagen het koper, wat direct leidde tot het proberen om de mijn te demonteren. Marien en zijn jongere broer Stoffel Jan Cashoek (respectievelijk 25 en 27 jaar oud) 2 konden met een schroefsleutel vijf van de schroeven losdraaien. Ze hadden haast want ze wisten dat ieder uur de dijk werd geïnspecteerd door een militaire patrouille. Ze zouden dan zeker hun buit kwijt zijn. De kans op een treffen was groot, aangezien in de buurt een schietbaan lag. Andries van Burgh sr., 66-jarige knecht van hun vader, hun zestienjarige broer Simon Everhardus Cashoek en de twaalfjarige Pieter de Haan, de vlakbij wonende koeienwachter, trokken samen aan de staalkabel van het mijnanker. Marien en Jan duwden de mijn omhoog tot op de berm van de zeedijk. Blijkbaar is hierbij toch één van de ontstekingsinrichtingen in werking gekomen, want p lotseling explodeerde de mijn. Een klap deed de ramen tot in Zierikzee trillen. Alle vijf kwamen om. Van Marien en Jan is nooit iets teruggevonden, de anderen zijn zwaar verminkt. Alleen hun hondje had het overleefd. Na het ongeval werd de omgeving door soldaten van de Landweer afgezet. Het Nederlandsche Roode Kruis bekommerde zich om de lichamen.

2

N.b. de ouderdom van deze twee broers is elders als 25 en 26 gepubliceerd: www.zeeuwseankers.nl/verhaal/eenmijnontploffing-in-1915

Afb. 7. Portretten van een deel van de slachtoffers bij Borrendamme (Zwemer & Barth 2014).

Afb. 8. Op 7 januari 1918 ontplofte bij Scharendijke een Britse zeemijn nadat het bij het Baken tegen de zeedijk was aangespoeld (Zeeuws Archief, Beeldcollectie Schouwen -Duiveland).

Afb. 9. Verbindingspost met Marine en Landmacht personeel in de duinen bij Haamstede (Zeeuws Archief, Beeldbank Schouwen-Duiveland, nr X-4267)

Vluchtelingen Na de Duitse aanval op Antwerpen in oktober 1914 vluchtten ongeveer 35.000 Belg en waaronder veel militairen de grens met Nederland over. Ook waren er in het nauw gedreven Britse troepen bij. De militairen werden alle geïnterneerd. In november werd besloten dat de vluchtelingen, die niet naar België waren teruggekeerd en niet in hun eigen onderhoud konden voorzien , in vluchtoorden zouden worden ondergebracht. Veel Nederlandse burgers verzetten zich tegen deze maatregelen , aangezien het die maand al begon te sneeuwen en vriezen. Voor de Belgische vluchtelingen viel er echter niet veel te kiezen toen burgemeesters hun uitkeringen buiten de vluchtoorden staakten. Naar mate de oorlog vorderde kwamen er ook Duitse soldaten die niet langer aan het front wilden vechten of de honger zat waren. Vele vluchtten naar Nederland als ze de kans kregen, bijvoorbeeld wanneer ze als grenswacht werden ingezet. Maar er waren er ook die per ongeluk kwamen. Zo stortten vliegeniers neer en strandden er schepen op de Nederlandse kust. Alle bemanningsleden ongeacht herkomst werden opgebracht en geïnterneerd, totdat de oorlog was afgelopen. Interessant is dat dit tevens de start was van de Nederlandsche luchtmacht. De nog bruikbare in beslag genomen vliegtuigen waren een welkome aanvulling op het schamele aantal toestellen dat Nederland toen had.

Met name Cadzand werd door veel Britse en Franse vliegers gebruikt bij noodlandingen. Zo verme den ze Duitse krijgsgevangenschap, maar riskeerden wel internering in Nederland. Die plaats kreeg terecht de bijnaam ‘de fabriek van Cadzand’, als voornaamste bron voor de Nederlandse vliegtuigen (afb. 10).

Afb. 10. Transport van een Brits vliegtuig in de Nieuwe Haven van Zierikzee (Zeeuws Archief, Beeldbank Schouwen-Duiveland, nr ZZG-1313).

Op de foto hierboven staat het transport van een Britss militair vliegtuig, Airco DH-9 (Berwick) D7336 "S", RAF 108 Sq., van Zierikzee naar Vlissingen. Het maakte op zondag 15 september 1918 een noodlanding op het land van A.J. van Schelven, nabij de boerderij Stad- en Landzicht. Het toestel werd bemand door de Canadese 1 e luitenant-vlieger J.J. McDonald en zijn waarnemer 2 e luitenantwaarnemer G.E. McManus. De laatste was bij een luchtgevecht boven het Vlaamse front gewond geraakt aan zijn kuit. De Nederlandse onderofficier Cuipers verhinderde dat de vlieger zijn toestel in brand stak. De vlieger werd na verhoor door de burgemeester van Zierikzee ove rgebracht naar Den Haag. De waarnemer werd opgenomen in het militair hospitaal in de Lange Nobelstraat. Hij werd op 2 oktober ontslagen en eveneens overgebracht naar Den Haag. Links van het vliegtuig staat opnieuw J.P. Louwerse, de commandant van Schouwen-Duiveland. De bebaarde officier werd eerder dat jaar, op 1 februari 1918, bevorderd tot reserve-kapitein, zoals de drie sterren aan weerskanten van zijn kraag tonen. Op maandag 16 september werd het vliegtuig door deskundige militairen gedemonteerd en een dag later per schip naar Middelburg afgevoerd.

Bommen Dat vliegers zich ook vergisten in hun locatie blijkt wel uit het aantal bombardementen dat op Nederland, en met name Zeeland is uitgevoerd. 3 Zo kwamen twee Duitse bommen neer tijdens een luchtgevecht met Britten op 18 augustus 1917 nabij Renesse. Er was slechts lichte schade. Heel anders was het enkele maanden daarvoor vergaan. Op 30 april 1917 vielen namelijk in de Sint 3

Van Lith 2001; afb. 12.

Domusstraat 112 bij een voltreffer drie doden 4 en is er zware schade in Zierikzee. Saillant detail is dat één van de slachtoffers aan het begin van de eeuw juist het geweld van de Boerenoorlog in Zuid -Afrika was ontvlucht. Het betrof een Brits bombardement, waarbij maar liefst acht bommen worden afgeworpen. Ze waren eigenlijk bedoeld voor Duitse onderzeeboten in de haven van Zeebrugge (B). Aanvankelijk werd de fout door de Britten ontkend, maar later toch toegegeven. Er werd zelfs een schadevergoeding ter waarde van 120.000 gulden uitbetaald.

Afb. 11. Portretten van de slachtoffers van het bombardement ( www.pzc.nl).

4

De slachtoffers zijn de 48-jarige gareelmaker Walterus Leijdekkers, zijn echtgenote Cornelia Jacoba Leijdekkers -Hage (48 jaar) en hun 3-jarige pleegkind en neefje Gerardus Johannes Leijdekkers (archieven.nl).

Afb. 12. Kaart met bom en granaataanvallen gedurende WO1 (Van Lith 2001) .

In Zierikzee viel een bom in de Molenstraat op twee pakhuizen. Enkele woningen naast de pakhuizen storten gedeeltelijk in of vatten vlam. Een tweede bom, de boven al vermelde, trof een woning in Sint Domusstraat. In de Oude Haven kwamen twee bommen terecht. De beide bommen richtten grote schade aan twee woningen aan. Een vijfde bom kwam tot ontploffing in het water van de haven bij de Noordhavenpoort achter het huis van de directeur van de gasfabriek. Een zesde bom viel in een sloot

bij de Joodse begraafplaats en de laatste twee bommen kwamen terecht in de polder Maltha. Uit onderzoek door militairen van destijds blijkt dat alle bommen gedetoneerd zijn. 5

Afb. 13. Locatie van de bominslagen op 30 april 1917 in Zierikzee (Van Lith 2001) .

5

Van der Lee 2015.

Afb. 14. Verwoesting na het bombardement in de Sint Domusstraat te Zierikzee op een prentbriefkaart (ZB, Beeldbank Zeeland).

Archeologische verwachting en potentie

Met betrekking tot exacte locaties van defensieve posities, crash-locaties en aangespoelde objecten uit WO1 is slechts zeer summier informatie voorhanden. En als er al informatie is, dan betreft dit over het algemeen niet meer dan een plaatsaanduiding of een foto. Op foto’s is slechts zelden iets van de omgeving herkenbaar. Een uitzondering is het loopgravenstelsel bij Zierikzee op afb. 3. Er zijn tijdens de inventarisatie geen (staf)kaarten gevonden waarop aangelegde loopgraven zijn bijgehouden. Dit maakt het lokaliseren van mogelijke vindplaatsen in het kader van beleid een lastige opgave. Daarnaast blijkt uit verslagen dat militairen vooral zijn ondergebracht geweest in bestaande bebouwing in de woonkernen van Schouwen-Duiveland. Er is wel gebruik gemaakt van tenten- of barakkenkampen. Maar ook daarvoor geldt dat exacte locaties vooralsnog niet voorhanden zijn. Deze kampementen hoeven niet per se bij de woonkernen te liggen, maar kunnen ook nabij meer strategisch gelegen locaties zijn gebouwd. Zowel vanuit deze kampementen als de woonkernen zijn patrouilles te voet of op het rijwiel uitgevoerd. Naast verblijf in de staande locaties zijn die patrouilles de voornaamste activiteit geweest van de gemobiliseerde Nederlandse militairen. Tenslotte is er door militairen geoefend, ook in het aanleggen van versterkingen.

Samenvattend is er een potentie voor het aantreffen van sporen uit WO1 maar is de locatie hiervan alleen bij benadering te bepalen. Loopgraafstelsels en observatie -posities kunnen voorkomen nabij de woonkernen en langs de kuststrook. Dat geldt tevens voor tenten- en barakkenkampen. Naast de bouwsporen is er rekening te houden met het voorkomen van ingegraven afvalkuilen en latrines, en van

bedekt geraakte gecrashte vliegtuigdelen en aangespoelde objecten. De zeldzaamheid van de sporen en vondsten maakt dat de waarde als hoog wordt ingeschaald.

De Tweede Wereldoorlog WO2 begon in Nederland daadwerkelijk met de buitengewone oproeping tot Algemeene M obilisatie op 28 augustus 1939 (afb. 15). Alle mannen van de lichtingen 1924 t/m 1939 dienden zich zo spoedig mogelijk te melden. De lichting van 1940 zou later vervroegd worden opgeroepen. 0ok mannen van Schouwen-Duiveland vertrokken naar hun mobilisatiebestemmingen. Een aantal zal nooit meer thuiskomen.

Afb. 15. Affiche van de 'Buitengewone Oproeping' tot 'Algemeene Mobilisatie' van 28 augustus 1939.

Er waren ook troepen in Schouwen-Duiveland gestationeerd (afb. 19). Echter deze waren vrijwel uitsluitend op Schouwen aanwezig, zoals op het vliegpark Haamstede. Het waren daar vooral leden van het Depôt Luchtstrijdkrachten (vlieg- en waarnemersschool), beveiligd door de 3 e Compagnie Bewakingstroepen. Tevens was hier ter verdediging de 162 e Batterij Luchtafweer (162 Bt. LuA) opgesteld. Het stond onder leiding van 2 e luitenant A. Schouten. Deze waren met drie stukken 4 tl. Bofors uitgerust. Op de zuidrand van Westerschouwen stond een onderdeel van het Regiment Kustartillerie met de Batterij Schouwen op de Oosterscheldemonding gericht. Deze stond onder leiding van reserve kapitein mr. C.J.B. de Croo. De bewapening bestond daar uit drie stukken 7 l.40 (afb. 16). Dit was voormalig scheepsgeschut dat in een open veldversterking werd opgesteld. Het schild was de enige bescherming voor de bediening.

Voor de nabij-verdediging van de kustbatterij en het vliegpark was ten oosten van de batterij één sectie van de derde compagnie van het eerste bataljon van het 38 e Regiment Infanterie (3-I-38 R.I.) geplaatst. Zo’n sectie bestond uit ca. 30 soldaten, onder leiding van een (reserve -)officier.

Afb. 16. Kanon 7 L40 bij een oefening van de Kustartillerie in Vlissingen (www.grondgebondenluchtverdediging.nl).

Het vliegveld was mede op initiatief van KLM-directeur Plesman in 1931 geopend als vliegveld WestSchouwen, maar al snel kwam het bekend te staan als vliegveld Haamstede. Het was een poging de vervoerstromen van en naar het eiland te verbeteren en zo een s timulans te krijgen voor de lokale economie. Op het veld verrees een verkeerstoren en een restaurant. Aan de zuidkant werd een hangaar gebouwd, mede onder druk van het Ministerie van Defensie. Met ingang van de mobilisatie kreeg het louter een militaire functie, en werd het Vliegpark Hamstede. Bovendien werd hier de gevorderde vliegeropleiding gevestigd, na de verplaatsing hiervan vanuit Soesterberg. Later zou ook de waarnemersschool hier gevestigd worden. Als commandant van het vliegpark was reserve kapite inwaarnemer ir. J.P. Berdenis van Berlekom aangesteld (afb. 17). Naast hem was er een staf van drie man. De vliegschool stond onder leiding van reserve 1 e luitenant-vlieger-instructeur H.F.C. Holtz, de waarnemersschool onder leiding van 1 e luitenant-vlieger H.J.F. Veuger. Aan de scholen waren verder tien officieren en veertig onderofficieren, korporaals en manschappen leerling -vlieger verbonden.

Afb. 17. De tot majoor bevorderde J.P. Berdenis van Berlekom in 1943 in Arlington House, Londen (NIMH 2182-122-001).

Afb. 18. Een vliegtuigwrak met op de achtergrond een van de vijf als vakantiehuis gecamoufleerde Nederlandse loodsen (Heijkoop & Rijpsma 2010).

Afb. 19. Opstelling van de Nederlandse troepen op de ochtend van 11 mei 1940 (Kamerling 1954).

De meidagen van 1940 Met de plotselinge overval in de vroege ochtend van 10 mei begon de oorlog op het grondgebied van Nederland. Ondanks de neutraliteit waren er op het water en in de lucht in de maanden voorafgaand al diverse schendingen geweest. Maar nu stonden Duitse troepen in ons land en stoomden in hoog tempo op onder andere in de richting van Zeeland. Nederland had in het zuiden ondersteuning gekregen van Franse troepen, die in een poging de snelle opmars van de Duitsers te staken via Noord -Brabant en Zeeland oprukten.

Op de vroege ochtend van 10 mei kreeg de commandant van de IVe Verkenningsgroep van het 2 e Luchtvaartregiment het bevel zich met zijn gehele groep naar Haamstede te verplaatsen. De vijf Fokker CV en twee Koolhoven F.K. 51 toestellen startten als eerste en landden later veilig op de vrijgemaakte baan van Haamstede. De rest van het personeel waaronder de 2 e en 5 e Bewakingscompagnie volgden pas in de nacht van 10 op 11 mei aangezien ze over de weg moesten komen. Het vliegpark werd een aantal maal door de Duitsers vanuit de lucht aangevallen. Het trieste resultaat is dat alle aanwezige lesvliegtuigen en verkenners verloren gaan. Luchtwachter soldaat Leendert Bakker sneuvelde. Op 13 mei, tweede Pinksterdag, werd kapitein-waarnemer De Ruyter van Steveninck van de Vliegschool aangesteld als commandant van alle strijdkrachten op Schouwen -Duiveland. Op de voorgaande middag had de vissersvloot uit Bruinisse al opdracht gekregen om te vertrekken in zuidelijke richting. Ook het vliegend personeel werd aangeraden om uit te wijken. Een deel zou Engeland uiteindelijk weten te bereiken. Hoewel Nederland na het bombardement van Rotterdam op 14 mei had gecapituleerd, gold dit niet voor Zeeland. Hier waren immers ook Franse troepen actief in de strijd betrokken, waarover formeel geen bevel bestond.

Op Schouwen-Duiveland werden door de troepen, aangevuld met militairen afkomstig uit de Peel, stellingen ingenomen op het eiland.

Afb. 20. Nederlands luchtafweergeschut 4 tl. Bofors naast een afstandsmeter (www.grondgebondenluchtverdediging.nl)

Afb. 21. Opstelling van de Nederlandse troepen en de Duitse opmars op 16 mei 1940 (Kamerling 1954).

De 162 e batterij werd naar Zierikzee verplaatst. Maar hadden daarvoor nog wel succes geboekt door het neerhalen van een Duitse Heinkel He 111 bommenwerper. Ook een deel van de bewakingstroepen werden naar het oosten van Duiveland gestuurd. Op 16 mei stonden de Du itsers van Gruppe Wirtz

immers aan de Zijpe. En wat de Franse generaal Durand al had gevreesd gebeurde in de vroege morgen van 17 mei. Met stormboten en pontons staken de Duitsers om 2.30 uur over van Tholen, niet in de richting van Zuid-Beveland, maar naar Schouwen-Duiveland. Weliswaar is de afstand tussen Tholen en Schouwen-Duiveland de helft van de afstand tussen Tholen en Zuid-Beveland, maar het principe is hetzelfde. De Nederlandse verdediging werd volledig verrast. Om 7.00 uur was het hele eiland al in handen van de Duitsers. Slechts de troepen onder bevel van majoor Meijer (de commandant van het eerste bataljon van het 38 e Regiment Infanterie, C-I-38 R.I.) hadden in Zierikzee tegenstand geboden, wat de Nederlanders enige verliezen heeft gekost. Echter ook de Duitsers hadden drie gesneuvelden te betreuren. De Duitse voorhoede naderde Zierikzee waar in de haven een aantal schepen in brand waren gestoken en voor een deel tot zinken gebracht. Nederlandse soldaten trokken met het geweer in de aanslag door de straten. Kort daarop reden Duitse verkenners op motoren de stad binnen, gevolgd door soldaten te voet. Vanuit de Beurs onder de Gasthuiskerk schoten Nederlandse soldaten op de vijand. Een Duitse militair, die tevoorschijn kwam uit het Visslop, werd neergeschoten. Een Nederlandse soldaat sneuvelde op de hoek van de Nieuwe Haven en de Nieuwe Bogerdstraat.

Omstreeks acht uur gaven de Nederlandse militairen de strijd op. Ook het overige deel van het eiland werd door het Duitse leger bezet. Omstreeks 13.00 uur volgde de overgave van de laatste troepen die nog verzet boden.

De sporen van deze strijd zal nog in gevels van toen staande gebouwen in Zierikzee te herkennen zijn. Die sporen van kogelinslagen en granaatscherven zijn daarmee ook modern oorlogserfgoed.

Afb. 22. Tekenend voor de situatie: door Nederlandse militairen tijdens hun vlucht weggegooide uitrustingstukken op de Appelmarkt te Zierikzee, 17 mei 1940 (Zeeuws Archief, Beeldcollectie Schouwen-Duiveland).

Hr. Ms. De Bath II (onderzoeksvaartuig Koninklijke .Marine) lag in de morgen van 17 mei bij de ingang van het Krabbegat, vlak onder de kust van Schouwen. Daar hoorde de commandant van een Nederlands militair dat Schouwen-Duiveland had gecapituleerd en besloot onmiddellijk het anker te lichten en naar buiten te varen. Maar bij het hiervoor noodzakelijke rondzwaaien, nadat het anker was gelicht, kwam de ketting van een boei vast te zitten in de schroef. De commandant liet de witte vlag hijsen en wachtte de gebeurtenissen af. Die kwamen heel spoedig in de vorm van de Franse 6 e en 41 e Regiment Chasseurs die in de vroege ochtend het door de Duitsers bezette eiland Tholen hadden beschoten. De commandant van deze groep Chasseurs probeerde verbinding met het

bewakingsvaartuig met de witte vlag te krijgen. Dat lukte niet. De commandant van de Bath II deed toen nogmaals een poging om van de boei los te komen door de machine te laten doordraaien. Dat lukte toen wel, maar hij liet na de Nederlandse vlag te hijsen. De commandant van de Franse Chasseurs had inmiddels de overtuiging gekregen dat het Nederlandse bewakingsvaartuig zich aan de Duitsers wilde overgeven en had het vuur geopend. De commandant van de Bath II zette daarop het schip aan de grond waarna de bemanning overboord sprong en onder het artillerievuur van de Chasseurs, zwemmende aan land kwam en het schip in handen van de Duitse bezetting viel. Een vergelijkbaar lot trof de in 1912 gebouwde mijnenlegger Hr.Ms. Hydra. Op 15 mei 1940, werd de Hydra in de Zijpe vanaf Sint Philipsland door Duits pantserafweergeschut getroffen, hierdoor raakt e het dusdanig beschadigd en sneuvelden onder andere drie man afkomstig van Haamstede. B esloten werd het schip in ondiep water aan de grond te zetten. Tijdens de Duitse bezetting werd het schip vlot getrokken en gerecycled in Hendrik-Ido-Ambacht

Afb. 23. Hr.Ms. Hydra (nl.wikipedia.org).

Afb. 24. De Duitse opmars tot in de avond van 17 mei 1940 (Kamerling 1954).

De bezetting 1940-1945 Schouwen-Duiveland, Sint Philipsland en Tholen maakten deel uit van een kustsector die ook de Zuid Hollandse eilanden, het Westland, Delfland, Rotterdam en de noordwesthoek van Brabant omvatte. De Duitse 719de Divisie, die in dit gebied werd opgesteld, had van juni 1941 tot augustus 1942 ook Walcheren en de Bevelanden moeten bewaken. Toen General-Feldmarschall Von Rundstedt middenZeeland aan het gezag van General d.Fl. Christiansen onttrok, schoof 719 ID in noordelijke richting op. Voor de verdediging van Goeree-Overflakkee, Schouwen-Duiveland, Sint-Philipsland, Tholen en het zojuist genoemde deel van Brabant kon de divisie weinig meer dan één regiment infanterie - IR 743 ter beschikking stellen. Een troepenmacht van 1800 à 2000 man voor een gebied dat door brede getijstromen in op zichzelf staande sectoren werd verdeeld. De regimentsstaf zetelde in Steenbergen. Eén bataljon was gelegerd op Goeree-Overflakkee, een tweede op Schouwen, het derde in de kleihoek van Brabant. Op Tholen was een toegevoegde pionierscompagnie ondergebracht; voor Duiveland en Sint-Philipsland stond geen man ter beschikking. Het vaarwater Zijpe tussen beide werd evenwel bewaakt door een steunpunt van de artillerie.

Fliegerhorst Haamstede Het bataljon op Schouwen vond onderkomen in Zierikzee, langs het Brouwershavense Gat en het vaarwater de Hammen, evenals op de duingronden in de Westhoek. De eenheid onderhield nauw contact met het bataljon bewakingstroepen van het vliegveld Haamstede. Van volledige samenwerking kon overigens geen sprake zijn: de bewakingstroepen waren nadrukkelijk bedoeld om te waken tegen sabotagedaden op de Fliegerhorst Haamstede. Zij ressorteerden in de Duitse legerorganisatie onder de Luftwaffe, de feitelijke kustverdediging bleef voornamelijk aan de Wehrmacht Heer, en deels de Kriegsmarine voorbehouden.

Kort na de meidagen van 1940 arriveerde de 3. Kompagnie Luftwaffen-Bau-Battalion 23/IV/XI. Ze zouden tot eind van dat jaar aanwezig zijn en vooral bezig om het vliegveld gereed te krijgen voor de Groβeinsatz gegen England. 6 De wrakken werden opgeruimd en de grasbaan hersteld. Er werden betonnen en beklinkerde rolbanen aangelegd die vanaf de beveiligde opstelplaatsen ( Abstell- en Splitterboxe) naar het vliegveld leiden. De baan zelf werd niet verstevigd, aangezien de ondergrond van duinzand sterk genoeg geacht wordt. Er zouden immers niet zwaardere toestellen dan jachtvliegtuigen worden ingezet. Die toestellen stonden deels in de herstelde han gaar, maar vooral in Splitterboxe, de open opstellingen in de rug en flanken beschermd door een hout/aarde wal en een camouflagenet eroverheen. Ook werden zoeklichten en lichte luchtafweer geplaatst. In eerste instantie was dat in veldversterkingen, later in meer permanente betonnen opste llingen.

Er werden diverse bunkers op en naast het vliegveld gebouwd. Het betreft met name een commandopost, minstens tien groepsonderkomens/schuilplaatsen, een ziekenbarak, verbindingenbunkers, munitie opslag en versterkte bases voor luchtafweergeschut. 7

Afb. 25. Markering op een bunker bij vliegveld Haamstede: de 7 e in Baupunkt 337 van het typ 501, een Einfacher Gruppeunterstand (www.bunkerbehoud.com).

Een batterij luchtdoelartillerie, opgesteld in de Schouwse Westhoek, diende de belangen van zowel de Fliegerhorst als de kustverdediging. Een generaal van de Luftwaffe en de Kommandeur van 719 ID bogen zich in januari 1943 over de vraag of het vliegveld Haamstede moest blijven voortbestaan. Dat er toen geen enkel vliegverband meer gestationeerd was, pleitte voor opheffing. Dat de grondverdediging de inzet van honderden manschappen vergde was een tweede argument. Anderzijds werd van belang geacht dat het terrein voor jachtvliegtuigen behouden bleef. Tot besluitvorming kwam het niet. De aanleg van vliegvelden in andere delen van het bezette gebied leidde in een later stadium van de oorlog wel tot verplaatsing van minstens één compagnie van de bewakingstroepen te Haamstede.

6 7

Grimm e.a. 2009. Zie de bijlagen voor uitgebreide beschrijvingen van alle in onderhavig genoemde bunkers en hun plattegronden.

Afb. 26. Twee soldaten van het Luftwaffe-grondpersoneel naast een Messerschmitt Bf 109 van de 6./JG 1 op een besneeuwd Fliegerhorst Haamstede, februari 1942. Op de achtergrond een gecamoufleerde Splitterboxe (NIMH)

Om de aandacht af te leiden van het eigenlijke vliegveld werd iets meer naar het oosten Scheinflugplatz 33 gebouwd (afb. 28). Hier werd een serie van banen aangelegd, compleet met verlichting. Verder waren er enkele namaak-gebouwen, waaronder een hangaar. Aan de rand hiervan werden in gesimuleerde opstelplaatsen houten modellen gepositioneerd van de net als op Haamstede gestationeerde Messerschmitt Bf 109 jachtvliegtuigen. Ondanks de poging tot deceptie wisten de geallieerden dat dit bedrog was. Sterker nog het werd zo ook aangeduid op hun kaarten. Maar vanuit de lucht zou menig vlieger toch moeilijk het onderscheid hebben weten te maken van wat echt en nep is.

Afb. 27. Een houten Messerschmitt Bf 109 op het Scheinflugplatz 33 (SF-33)op de Vroongronden tussen Haamstede en Renesse in juni 1940 (NIMH).

Afb. 28. Kaartje van de Britse RAF met letterlijke vermelding van het schijnvliegveld (De Meester & Stoutjesdijk 2018).

Afb. 29. Detail van het Britse kaartblad 7 N.E. Brouwershaven met aanduiding van de vliegvelden (Grimm e.a. 2009).

Beide vliegvelden waren dan ook regelmatig aangevallen, totdat eind maart 1942 het 6/JG 1, als laatste van een serie van jachtvliegeenheden, Haamstede zou verlaten richting Woensdrecht. Het schijnvliegveld werd op 27 augustus 1942 ontruimd. Ook al waren er geen vliegbewegingen meer, dat remde elf B-26 Marauders van de Amerikaanse 387 th Bomb Group en later nog eens vijftien van 386 th BG niet om het vliegveld en wijde omgeving te bombarderen (afb. 31 en 31).

Onderstaande luchtfoto (afb. 30) toont de sporen van de ontmanteling en bomschade. Het vliegveld is met greppels in een ruitpatroon doorgraven (1). Ook zijn hier als zwarte punten de bomkraters zichtbaar. In de Zeepeduinen stonden de meeste manschappenbara kken en het luchtafweergeschut (2). Bij (3) stond ooit een houtenbarakkenkamp iets ten oosten van de knik in de Kloosterweg. Aan het eind van deze weg stond de Gefechtsstand (4). Op veilige afstand stond aan het einde van de Badweg tegen de Verklikkerduinen een munitieopslag (5).

Afb. 30. Luchtfoto van 8 maart 1945 van Flugplatz Haamstede (Heijkoop & Rijpsma 2010).

Afb. 31. Op luchtfoto’s van 25 december 1944 geel ingekleurde kraters op Flugplatz Haamstede en S.F. 33 (naar Van der Lee 2015).

Atlantikwall Over de Duitse versterkingen op Schouwen-Duiveland is een zeer uitgebreide en diepgravende studie gepubliceerd door Peter Heijkoop en Jeroen Rijpsma. 8 Veel van de verder in onderhavig rapport gepresenteerde kennis over deze specifieke categorie is aan hun boek ontleend.

8

Heijkoop & Rijpsma 2010.

Afb. 32. Duitse soldaat voor een met zandzakken en helmgras afgedekte veldversterking op Goeree (bezoekatlantikwall.nl)

Al kort na de bezetting werden versterkingen in de duinen aangelegd. Meestal waren dit gegraven kuilen en greppels, overdekt met houten en golfplaten, waarop een dekking van zandzakken. Vaker nog waren het open opstellingen. In 1941 werd ook gestart met het Nederlandse deel van de Atlantikwall. Het strekte zich langs de gehele kustlijn uit van de Waddeneilanden via de Noord - en Zuid-Hollandse tot aan de Zeeuwse kust. Hierbij lag de focus zowel op de verdediging van de kust, maar ook de rugdekking in het achterland. De bouwwerken waren onderdeel van een verdedigingslinie die de Duisters vanaf Noorwegen tot aan Spanje hebben aangelegd. Het voornaamste doel was het voorkomen van geallieerde landingen op de stranden en in havens. De defensie was namelijk georganiseerd volgens een hiërarchie in belang van de locatie. Zo werd de meest strategische plaats het zwaarst verdedigd, terwijl andere minder uitgerust werden. Met Festung als zwaarste liep de hiërarchie verder via Verteidigungsbereich en Freie Küste tot Stützpunktgruppen. Opvallend is dat al in 1942 Hoek van Holland en IJmuiden werden aangewezen als Festung, maar dat pas in 1944 Vlissingen dezelfde status kreeg. De marinebasis Den Helder heeft het nooit verder geschopt dan Verteidigungsbereich.

De bouwwerken zijn vooral een grote verscheidenheid aan typen waaronder (hergebruikte Nederlandse) kazematten en bunkers, verbonden door (overdekte) loopgraven en soms aangevuld met een tankgracht en/of tankmuur of Höckerhindernisse (drakentanden, piramidevormige tankversperringen). De bunkers werden gebouwd met een grote variatie in functies. Zo huisvestten ze niet alleen vuurmonden en bijbehorende munitie, maar dienden ze ook als woningen, radar -, telefoon-, en radioposten, ziekenboegen en allerlei vormen van opslag. Om de bouw te vergemakkelijken zijn de bunkers in hoge mate gestandaardiseerde typen, de zogenaamde Regelbauten.

Afb. 33. Kerstviering in een Luftwaffe-bunker op Schouwen. Links boven de kist Amstelbier hangt een luchtzuiveringsinstallatie tegen strijdgassen. Rechts aan de ijzeren kettingen hangen drie bedden waarvan de bovenste is opgeklapt (bezoekatlantikwall.nl).

De bouw is voortgegaan tot in 1944, waarbij veelal gebruik werd gemaakt van Nederlandse aannemers en bouwfirma’s al dan niet aangevuld met gedwongen arbeid. Dit waren niet alleen lokale mensen, maar ook aan het Oostfront krijgsgevangenen Armeense soldaten. Alles stond onder Duits toezicht van Organisation Todt. Het grootste deel van de Atlantikwall in Nederland viel onder de Wehrmachtsbefehlhaber Niederlande (W.B.N), maar het deel op Walcheren en in Zeeuws Vlaanderen lag in het domein van het Armee Oberkommando 15 (A.O.K. 15).

De westkant van Schouwen-Duiveland is als Stützpunktgruppe ingericht. Hoewel dit de laagste graad was, was de positie wel van belang aangezien vanaf de Kop van Schouwen de noordflank van Walcheren en de zuidflank van Hoek van Holland verdedigd konden worden. Ook waren de Oosterschelde en de Grevelingen belangrijke te beschermen zeearmen. De verwachting was dat een eventuele geallieerde invasie vooral gericht zou zijn op het zo snel mogelijk innemen van de belangrijke havensteden als Antwerpen en Rotterdam.

Afb. 34. Bunker type 612 boven op het duin van Westenschouwen met een 9,4 cm Vickers Armstrong kanon van met een bereik van 14,3 kilometer (Zeeuws Archief, Albums Schouwen -Duiveland, nr A11368)

In de Stützpunktgruppe Schouwen zijn 56 bunkers gebouwd (39 voor de Heer, de Duitse landmacht, en 17 voor de Kriegsmarine) gebouwd, en waren er nog zeven in aanbouw op 25 juni 1944. Hiervan zijn er nu nog een aantal over: ruim een tiental zware bomvrije bunkers en enkele tientallen kleinere bunkers die uit dunwandig beton of aangestreken metselwerk zijn opgetrokken. In ieder geval zijn de bomvrije geschutsbunkers verdwenen, die deel uitmaakten van de drie kustbatterijen en aan de buitenzijde van de duinen lagen. Deze konden met het uitgebrachte vuur de Oosterschelde en Grevelingen afsluiten en een vijandelijke invasievloot op zee al uit te schakelen, nog voordat deze de kust zou kunnen bereiken . Dit was daarmee de ruggengraat van de kustverdediging van de Duitse Kriegsmarine en de landmacht (Heer). Op foto’s van kort na de oorlog zijn deze bunkers al deels liggend op het strand te zien, wanneer ze schuin van het duin zijn afgeschoven.

Afb. 35. Strand van Westenschouwen nog vol obstakels in 1945 (Zeeuws Archief, Albums SchouwenDuiveland, nr A-11371)

Op de stranden, met name in de vloedlijn en op de droge dijken, werden diverse versperringen geplaatst. Het waren bijvoorbeeld in X-vorm aaneengelaste stalen balken of in driehoeken geplaatste betonnen balken. Ze moesten het op het strand varen van landing svaartuigen verhinderen. Een extra gevaar school in het feit dat ze soms voorzien waren van anti -tank of anti-personeelmijnen.

Afb. 36. Duitse kaart met aanduiding van de Baupunkte (www.bunkerbehoud.com).

In totaal werden drie ‘lichte’ batterijen op het eiland geplaatst. Batterij Renesse (Baupunkt 303, Stp. XXXXII M.L., Seezielbatterie Renesse Neu) bestond uit bijna 100 bunkers, voor onderkomens, munitieopslag, geschut, mitrailleurs enz (bijlage Lijst van bunkers in de Stützpunktgruppe Schouwen per Baupunkt, blz. 149: detail van de Duitse opstellingen van Batterie Renesse en detail van de Duitse opstellingen van Neue Batterie Renesse). De bewapening bestond uit enkele vuurmonden van 7,5 cm, zware en lichte mitrailleurs, een mortier en 2 cm luchtafweergeschut. De bemanning bestond uit een ca. 100 man. Batterij Haamstede (Baupunkt 307, Stp. XXXXIII H., Heeresküstenbatterie Haamstede) lag nabij de vuurtoren en bestond uit meer dan 60 bunkers (bijlage Lijst van bunkers in de Stützpunktgruppe Schouwen per Baupunkt blz. 148: Detail van de Duitse opstellingen van Batterie Haamstede pal ten westen van de vuurtoren; de open rechthoek met kruisjes betreft een mijnenveld en

Detail van de Duitse opstellingen van Batterie 170 bij Haamstede . De bewapening bestond uit enkele vuurmonden van 10,5 cm, twee mitrailleurs, mortieren en 2 cm luchtafweergeschut. Ook hier is de bemanning ca. 100 manschappen. Batterij Westenschouwen ( Baupunkt 313, Stp. XXXXV M.L., Seezielbatterie Westerschouwen). Dit steunpunt strekte zich over een lengte van 1500 m uit en bevatte ongeveer 130 bouwwerken. De bewapening bestond hier uit enkele vuurmonden geschut van 7,5 cm en van 9,4 cm, lichte en zware mitrailleurs en 2 cm en 4 cm luchtafweergeschut. De bemannin g was hier het grootst, namelijk 200 man.

Afb. 37. Mobiele artillerie, een Feldhaubitze 10,5 cm. (Bundesarchiv, Bild 101I-290-111608/Zermin/CC-BY-SA 3.0).

Met het voor hun eigen veiligheid noodzakelijke 'verbunkeren' van het gros van de vuurmonden van de kustartillerie, werd niet alleen het schootsveld naar zee beperkt, maar ook de vuurkracht naar landzijde danig verzwakt. Ze stonden namelijk opgesloten in vast naar zee gerichte bunkers. Ter compensatie werden de binnen de batterij nog aanwezige mobiele veldkanonnen gehergroepeerd ter ondersteuning van de divisieartillerie. Voor het geval het de geallieerden het alsnog zou lukken om een daadwerkelijke landing op de kust uit te voeren, had de landmacht ook in het binnenland, bij de hofstede Striepheule vernoemd naar een geul op ongeveer 2 km ten oosten van Haamstede, nog extra artillerie opgesteld. Vanuit deze positie konden de landingstroepen op het strand of in de duinen onder vuur worden genomen. Ook kon de landverdedigingsgordel worden gedekt. Samen met de mijnenvelden in het water voor de kust, de infanteriestellingen en de mijnenvelden in de duinen zou een geallieerde invasie tot falen worden gedoemd. Met de genoemde artillerie werd overigens regelmatig schietoefeningen gehouden op Schouwen Duiveland zelf. De mobiele batterij veldgeschut bij Striepheule heeft regelmatig geoefend op doelen verspreid over het eiland, onder andere in de duinen ten noorden van Burgh in 1943. In maart 1944 is de stelling vanwege inundatie van het gebied (zie onder) opgeheven.

Op 17 oktober 1944 vonden opnieuw schietoefeningen plaats, nu met zware artillerie. De doelen lagen in de geïnundeerde polders tussen de dorpen Noordwelle, Serooskerke, Ellemeet, Scharendijke, Elkerzee en Duivendijke. Het is niet precies bekend welk Duits geschut hier heeft geoefend, hoeveel granaten er zijn afgevuurd noch waar die granaten zijn neergekomen.

Afb. 38. Marine Seeziel Batterie Westenschouwen (www.bunkerbehoud.com).

Afb. 39. Marine Seeziel Batterie Westenschouwen (www.zeeuwseankers.nl).

In het voorjaar van 1943 werden de inwoners van Westenschouwen opgeschrikt door een ingrijpende maatregel van de bezetter: de afbraak van woningen en zomerhuizen. Deze woningen, al sinds 1940 geconfisqueerd, stonden in het schootsveld van de rondomverdedig ing van de batterij. Belangrijker nog

was dat de woningen een mogelijke aanvaller ook dekking konden bieden. Sinds het overleg hierover eind 1942 en een herhaald schrijven uit januari 1943 was er van gemeentezijde nog weinig actie ondernomen. Begin maart 1943 werd de druk van Duitse zijde opgevoerd met een nieuw bevel van de Räumungskommissar. De afbraakwerkzaamheden moesten per direct gestart worden en vóór 20 maart zijn afgerond. ln totaal moesten tien vakantiewoningen en (zomer)huizen worden gesloopt, evenals Hotel Zeelust dat pal naast de duinovergang bij de rotonde lag. De woningen waren onder meer De Abeelen, 't Duinhuis, De Zeedraak, De Duindoorn en De Wijde Blik.

Afb. 40. De ‘Walvisbunker’ vanuit twee gezichtspunten (www.liberationroute.com).

Met de verplaatsing van de bataljonsstaf naar Haamstede kwam het Slotbos letterlijk in het centrum van de Stützpunktgruppe Schouwen te liggen (afb. 41). Een strategische locatie die vanwege het omvangrijke loofbos ook nog eens goede camouflage bood vanuit de lucht en vanaf de grond. Ook was er voldoende oppervlakte om niet alleen de bataljonsstaf te huisvesten, maar ook een bijbehorende infanteriereserve. Beide functies werden in twee fysiek te onderscheiden stellingen ondergebracht, maar werden als één Widerstandsnest aangeduid, het Wn.322 H. De commandopost kwam te liggen aan weerszijden van de Moolweg in het westelijk deel van het bos. De duinenrij, die de vroongronden scheidt van de binnenduinen, bood de staf een uitstekende positie van af waar het bevelsgebied kon worden overzien.

Afb. 41. Luchtfoto van 8 maart 1945 van de Duitse stellingen in het Slotbos bij Haamstede ( Heijkoop & Rijpsma 2010).

Op bovenstaande luchtfoto (afb. 41) blijkt duidelijk hoe de bomen van het Slotbos als camuflage hebben gediend. Maar dat werkte echter niet in de herfst en winter. Zo zijn de bunkers in de noordoosthoek duidelijk zichtbaar (1). Ten noorden hiervan lag het barakkenkamp van Organisation Todt (2). Lastiger is de concentratie bunkers rondom het bataljonshoofdkwartier tussen het bos en de Zeepeduinen (3). Het meest markante spoor is de slotgracht van het slot direct ten westen van het centrum van Haamstede (4). In de westelijke rand van het bos lag een barakkenkamp waar enige tijde de 4 e Kompagnie in onder gebracht was (5).

Als onderdeel van de discussie tussen de Adm.Ndl, en de KdTdH over het Schartenbauprogramm werd ook gesproken over de bescherming van het zogeheten Landeabwehrgeschutz (LAG) van de kustbatterijen. Het betrof hier de vuurmonden die aan de zeezijde van de batterijen waren opgesteld om daar een eventuele aanval op het strand af te weren, bijvoorbeeld wanneer landingsboten al dichtbij genaderd waren. Ook voor deze functie werd een aangepaste versie van het Regelbaute type 671 ontwikkeld en ook toegepast in de batterij Westenschouwen. Hier werden de kazematten aan de zeezijde onderaan de duinvoet geplaatst, waar zij een flankerend schootsveld boden over het strand tot voorbij Haamstede. De twee strandkazematten bij Westenschouwen werden uitgerust met antitankkanonnen met een kaliber van 7,5cm. De bouw van de bunkers uit het Scharten-bauprogramm lijkt over het algemeen voorspoedig te zijn verlopen. Zo kon in mei 1944 worden gemeld dat zowel bij Renesse als Westenschouwen de kanonkazematten waren opgeleverd en dat het merendeel van de bunkers voor het veldgeschut in bouw waren. Uit enkele document en blijkt dat in deze periode de geplande uitbreiding van de hoofdbewapening van Westenschouwen naar zes vuurmonden 9,4cm Vickers ook werd gerealiseerd. De inname van Walcheren door de geallieerden in november 1944 leidde het laatste oorlogshoofdstuk voor de batterijen op Schouwen in.

Een historisch gezien interessante periode aangezien Schouwen-Duiveland in de frontlinie kwam te liggen, maar tevens een episode die voor de bevolking uiterst zwaar was, De twee batterijen van de Kriegsmarine werden op 7 november onder het commando geplaatst van de Marine-Artillerie-Abteilung 205 te Hoek van Holland nadat de M.4.4.202 met de verovering van Walcheren was opgeheven.

De bomvrije bunkers bij het vliegveld van Nieuw-Haamstede en de bunkers in de noordoosthoek van het Slotbos, nabij de Kloosterweg staan er nog. In het Slotbos stond het bataljonshoofdkwartier van de Stützpunktgruppe Schouwen. Naast een commandobunker, de Walvisbunker (afb. 40), staan er zes manschappenbunkers, twee munitiebunkers en een grote hospitaalbunker. In de commandobunker bivakkeerden de bataljonscommandant en zijn staf. Wat verderop in de bossen lagen de manschappenonderkomens. Bij alarm moesten deze onderdak kunnen bieden aan een reserve infanterie-eenheid en ruim honderd soldaten herbergen. De hospitaalbunker is naast groot ook van een bijzonder type. Het komt slechts zes maal in de gehele Atlantikwall voor. De bunker is 29 x 15 m groot, en bood ruimte aan verzorging van gewonden en konden er zelfs operaties worden uitgevoerd.

In juli 1943 werden permanent militairen gestationeerd bij het pompstation De Blinkert (Baupunkt 327 H.) om zo de waterverzorging te beschermen. Het terrein rondom het pompstation werd een infanteriestelling omgeven door een mijnenveld. De stelling zelf be stond uit verdedigingsbunkers, munitieopbergplaatsen, onderkomens en veldstellingen. De bewapening bestond uit een of twee zware mitrailleurs, een lichte granaatwerper en tien ingegraven vlammenwerpers. De bezetting bestond eind 1944 uit bijna 25 man. De Duitse infanteriestellingen 301 H. t/m 310 H., 321 H. en 322 H. lagen gecamoufleerd in de duinrand en beschermd door een dubbele prikkeldraadafzetting. De stellingen bestonden uit onderkomens voor tien à twaalf man, enkele munitiebunkers, schuttersputten, l oopgraven en diverse wapenopstellingen. Dat waren luchtafweergeschut, mortieren, (anti)tankkanonnen, veldkanonnen, houwitsers of ingegraven vlammenwerpers.

In het voorjaar van 1944 legden de Duitse troepen enkele nieuwe stellingen aan, namelijk 327 H. tussen Burghsluis en Burgh, 301 H. tussen Haamstede en Renesse en 303 H. net buiten de

dorpskern van Renesse. Dit betroffen alleen veldversterkingen. Ook aan de zeezijde van de Kop van Schouwen van de noord- tot de zuidkant werden twaalf nieuwe infanteriestellingen aangelegd. Deze nieuwe stellingen waren klein in oppervlakte en nauwelijks bemand.

Vanaf november 1944, na de verovering van de zuidelijke Zeeuwse eilanden en delen van West-Brabant, kwam Schouwen-Duiveland in de frontlinie te liggen. Langs de dijken werden nog een achttal steunpunten aangelegd om geallieerde acties tegen te gaan. Al deze stellingen waren gemaakt van hout en aarde.

Afb. 42. Een antitankgeschut 3,7 cm PAK, afkorting voor Panzer Abwehr Kanone (Bundesarchiv, Bild 101I-299-1831-26 / Hähle, Johannes / CC-BY-SA 3.0, CC BY-SA 3.0 de).

Landinwaarts werd een tweede verdedigingslinie aangelegd. Zo werden tien posities aangelegd op de lijn Schelphoek - Noordwelle - Kijkduin (bij Renesse, afb. 36). Ze moesten samen voorkomen dat de stellingen langs de kust in het westen van Schouwen vanaf l andzijde werden aangevallen. De stellingen waren hoofdzakelijk uitgerust met lichte infanteriewapens zoals mitrailleurs en mortieren. Bij Kijkduin (320 H.) en Schelphoek (311 H.) stonden ook 5 cm tankkanonnen (5 cm K.w.K.), 316 H. en 313 H. waren uitgerust met een anti-tank geschut van 3.7 cm (afb. 42) en 319H met een 4.7 cm geschut, buitgemaakt oorspronkelijk Nederlandse Böhler Pag. Verder waren er wapenopstellingen, munitieopslagplaatsen en onderkomens achter prikkeldraadversperringen. Uiteindelijk zou de linie komen te vervallen door de inundaties van 1944 (zie onder). Hierbij werden de stellingen 312 tot en met 317 H. en 319 H. opgeheven. Alleen de stellingen 311 H., 318 H. en 320 H. bleven bestaan. De toegangswegen vanuit het oosten naar Haamstede zijn op een aantal boerderijen versterkt met infanteriewapens. Zo lag langs de Oosterschelde een klein steunpunt in de Schelphoek . Op de Hoeve

Helle liggen drie speciale tobroeks. Aan de Kuijerdamseweg staat een opslag en enkele Tobruks. J.J. Boeijesweg is de locatie van een luchtverdedigingscentrum, waaronder een garage voor een zoeklicht. Aan het Bospad en in Schelphoek staan onderkomens, gemetselde schuilloopgraven en een sterk op een Nederlandse S-kazemat lijkende mitrailleurbunker.

Afb. 43. Widerstandsnest 314 H. aan de Zandweg met twee Tobruks voor mitrailleur en (onzichtbaar in de schuur) twee woonbunkers en opslagplaats (Heijkoop & Rijpsma 2010).

De haven van Zierikzee werd beschermd door een stelling aan het begin van het Havenkanaal. Hier lagen Stelling 328 H., bij het begin van het Havenkanaal bij Zierikzee. De stelling bestond uit diverse wapenopstellingen, munitieopslagplaatsen en schuttersputten. Het had een bemanning van negen soldaten uitgerust met onder andere drie mitrailleurs en een lichte mortier.

Ook bij het meest oostelijke deel van het eiland zijn zeven stellingen aangelegd bij de haven van Zijpe en bij Bruinisse (afb. 44). Deze stellingen waren relatief lichte verdedigingswerken. Het betrof Stelling 329 H., 330 H., 334 H. en 335 H. aan de Zeedijk rond Bruinisse. Deze vier stellingen bestonden uit diverse bouwwerken voor wapenopstellingen, munitieopslag en onderkomens. In 329 H. stond een mitrailleur bemand door zeven soldaten. 330 H. bevatte een lichte en zware mitrailleur (later vervangen door een lichte mortier), bediend door acht soldaten. In 334 H. waren twee mitrailleurs en zeven soldaten. Later werd dit 334 L met drie vuurmonden stuks van 2 cm luchtafweergeschut en een mitrailleur met een bemanning van een Zug van 21 Luftwaffe-militairen. Tenslotte stond in 335 H. een lichte en een zware mitrailleur, een middelzware mortier, en een stuk van 2 cm Flak, bemand door vijftien soldaten. Stelling 331 H. en 332 H. stonden in de Oostduivelandse- of Bruinissepolder. Hiervan was 332 H. de grootste met twintig bunkers, deels met elkaar verbonden door loopgraven. De elf manschappen hadden de beschikking over een stuk antitankgeschut van 3,7 cm, een mitrailleur en een lichte mortier. Stelling 331H. werd bemand door zeven soldaten die de beschikking hadden over twee mitrailleurs.

Stelling 333 H. lag aan de Dorpsweg ten zuiden van Bruinisse. Dit hoofdkwartier van de stellingen in de oostelijke punt van Schouwen-Duiveland bestond uit een kleine dertig bouwwerken. De 52 soldaten hadden de beschikking over slechts één mitrailleur.

Afb. 44. De Duitse opstellingen aan weerszijden van de Zijpe (Heijkoop & Rijpsma 2010).

Er zijn op twee locaties op Schouwen-Duiveland tankgrachten gegraven. De eerste lag ten westen van de stellingen bij Bruinisse en de haven van Zijpe. De tweede lag bij de stellingen van het landfront Stp.Gr. Schouwen. Een tankgracht moest als diepe en brede (hier met water gevulde) gracht de opmars van tanks, pantserwagens en andere voertuigen voorkomen. Door de inundaties waren ze geheel aan het oog onttrokken, waardoor te voet wadende i nfanteristen er ook last van hadden.

Een vergelijkbare maatregel was er om geallieerde luchtlandingen tegen te gaan. Hiervoor werden vanaf april 1944 boomstammen met een gemiddelde lengte van 4,5 m lengte verticaal in de grond geplaatst en op de plek gehouden door staaldraden. Die vormden bov endien de onderlinge verbinding tussen de stammen, die soms voorzien waren van antitank- en anti-personeelmijnen Ze werden Rommelasperges genoemd, naar de bekende Duitse General-Feldmarschall. Ze stonden bijvoorbeeld op het schijnvliegveld S.F.33 bij Haamstede.

Afb. 45. Al tijdens de oorlog worden de Duitse stellingen door het Nederlandse verzet in kaart gebracht en doorgegeven aan Londen (De Meester & Stoutjesdijk 2018).

Afb. 46. Een Tobruk voor tankkoepel tegenover de Plompe Toren ( Heijkoop & Rijpsma 2010).

Met het oog op de (het volgende voorjaar al) verwachte invasie had de Oberbefehlshaber West, Generalfeldmarschall Von Rundstedt, op 21 oktober 1943 twee weken voor de Führers Weisung nr. 51, het bevel uitgevaardigd landinwaarts een tweede verdedigingslinie aan te leggen. Deze Ausbau der Küstenverteidigung in der Tiefe achtte hij absoluut noodzakelijk om bij een doorbraak van de geallieerden door de kustlinie, de vijand alsnog tot staan te kunnen brengen. De verder weg liggende reserves zouden in zijn visie vervolgens de kans hebben de vernietigende klap uit te delen. V oor Zeeland betekende deze beslissing dat op enkele strategische punten nieuwe versterkingen werden aangelegd. Ook rond het stadje Tholen en bij Oud-Vossemeer, aan de Zeeuwse kant van de Eendracht, werden dergelijke Widerstandsneste aangelegd. De stellinge n ter weerszijden van het Zijpe moesten eveneens worden versterkt. Zowel bij Bruinisse als bij Anna-Jacobapolder zou aan de landzijde een tankgracht worden gegraven, net zoals dat overigens al eerder het geval was rond Vlissingen en Breskens.

Afb. 47. Duits geschut en stellingen gemarkeerd op een luchtfoto van 18 maart 1945 van de haven van Kloosternol (Van der Lee 2015).

Niet een echte stelling, maar voor de veiligheid uiterst belangrijk, werden wel vele mangaten aangelegd (afb. 48). Een mangat is een gat in de grond, soms verstevigd met een betonnen ring. Ze kwamen vooral langs doorgaande wegen en op dijken voor. Hierin kon dekking worden gezocht bijvoorbeeld tijdens een luchtaanval of artilleriebeschieting.

Afb. 48. Duitse mangaten in de dijk ten oosten van Scharendijke op een luchtfoto van 18 maart 1945 (Van der Lee 2015).

Afb. 49. Duits mangat met betonnen rand (Heijkoop & Rijpsma 2010).

Inundaties Een extra maatregel is een heel Nederlandse: delen van Zuid -Holland en Zeeland worden bewust geïnundeerd in maart en april 1944. Hierbij verdwijnt het grootse deel van Schouwen-Duiveland onder het zoute zeewater dat door de geopende sluizen de vruchtbare oorden binnendrong. Toen dit niet snel genoeg ging, zijn zelfs dijken laten doorgestoken en met explosieven gesprongen. De boeren en burgers moesten naar elders vluchten, waardoor hele dorpen verlaten werden. Van de ruim 7000 inwoners van Zierikzee bleven er slechts een paar honderd, de zogenaamde onmisbaren, in de stad achter. Alleen de hoog gelegen kuststrook bij Haamstede en Burgh bleef droog, ware het niet dat dit ook grotendeels Sperrgebiet was, vanwege de Duitse militaire aanwezigheid.

Afb. 50. Bericht over de inundaties in De Zeeuw van 16 mei 1944 ( www.oorlogzeeland.nl).

Ruim 15.000 bewoners van Schouwen-Duiveland verlieten de eilanden. voor bijna de helft naar het zuiden van Zuid-Holland. Een derde deel kwam terecht in Noord-Brabant en het zuiden van de provincie Zeeland, vooral de Bevelanden. Veel evacués, op Schouwen -Duiveland bijna driekwart, wist zelf onderdak te vinden bij vrienden en bekenden bij wie men natuurlijk het liefst zo dicht mogelijk in de buurt wilde blijven. Van alle eiland-evacuaties in Zeeland was die van het sterk geïsoleerd gelegen Schouwen-Duiveland de meest omvangrijke en lastigste. Dat hield niet alleen verband me t het aantal mensen dat naar 'de overkant' gebracht moest worden, maar vooral met de forse transport - logistieke belemmeringen. Er waren eigenlijk maar twee bootverbindingen tussen Schouwen -Duiveland en het vasteland. De pont van Zijpe naar Anna Jacobapolder was de belangrijkste van de drie diensten en had goede aansluitingen op het tramwegennet. Tijdens de evacuaties van 1944 was het eiland vooral op deze dienst aangewezen, omdat de boten die van Zierikzee op het Katse Veer voeren uitgevallen waren door geallieerde beschietingen. De meer dan 350 bewoners van Schouwen -Duiveland die in Yerseke onderdak hadden gevonden, kwamen in de herfst van 1944 midden in het krijgsgewoel terecht .

Afb. 51. De inundatie ter hoogte van Ouwerkerk (Zeeuws Archief, Beeldbank Schouwen-Duiveland, nr D-0015).

Hierboven staat een opname vanaf de toren in westelijke richting van de Straatweg. Midden vooraan staat de schuur van burgemeester J.J. Romeijn, rechts ervan het Stapelhof. Daarboven in het midden diens woning met daarachter de ambtswoning van het Hoofd der School, meester Dane. Achter aan de Molenweg staat de molen, met rechts daarvan de woning van de molenaar H. van de Stolpe. De foto is gemaakt tijdens de inundatie in 1944.

Afb. 52. De door de Duitsers ingestelde inundaties in Zeeland, West -Brabant en Zuid-Holland (Heijkoop & Rijpsma 2010). .

De inundatie zal anders dan een afzetting van klei geen sporen hebben achtergelaten. Het is zelfs de vraag of deze te onderscheiden is van een in 1953 ontstaan vergelijkbaar pakket. Wel zal het oudere sporen hebben dicht geslibd.

De bevrijding 1944-1945

In de ochtend van 17 september werd Burgh-Haamstede gewekt door een zwaar bombardement. Het doel was vooral het Duitse afweergeschut uit te schakelen. Vijf inwoners kwamen om. Het bleek de inleiding te zijn van operatie Market Garden. Er moest vrij baan gemaakt worden voor de duizenden vliegtuigen die over de Kop van Schouwen richting Eindhoven, Nijmegen en Arnhem zouden moeten vliegen. Rond het middaguur kwamen de vliegtuigen, vooral Dakota’s met parachutisten en Horsa, Hamillcar en Waco zweefvliegtuigen (met luchtlandigstroepen en materieel). Ze werden begeleid door jachtvliegtuigen van de typen Supermarine Spitfire en P51 Mustang. Uren lang trokken de vlíegtuígen over, verdeeld over meerdere dagen. Maar ondanks het bombardement op die zondagochtend werd door de Duitsers vanuit de posities in de duinen bij Haamstede nog steeds op de vliegtuigen geschoten. De tweede dag moesten twee zweeftoestellen in de Westhoek een noodlanding maken. Een derde kwam neer bij Dreischor en een vierde maakte een noodlanding bij Nieuwerkerk. Ook een van de C-47A Skytrain (Dakota), die een zweefvliegtuig voortrok, kwam neer en werd verwoest. Uiteindelijk bleek operatie Market Garden letterlijk één brug té ver. De gewenste oversteek over de Rijn, en daarbij een doortocht-mogelijkheid tot in het Duitse industriële hart, het Ruhrgebied, was onmogelijk geworden.

De geallieerde verovering richtte zich daarna op het oprukken naar het westen om de havens van Antwerpen in handen te krijgen. Tot dan werd namelijk alle logistieke aanvoer vanaf de in juni 1944 veroverde stranden van Normandië geregeld. Er diende dus een kortere lijn te komen om succesvol verder te kunnen gaan met de bevrijding. Wat ontstond is de bloedige strijd om de Schelde. 0p 3 september viel de haven van Antwerpen in geallieerde handen. In de loop van september en oktober verloor het Duitse leger steeds meer terrein. Maar op Schouwen-Duiveland kwamen vele Duitse militairen aan die Walcheren en Zuid-Beveland waren ontvlucht.

De in 1941 in Engeland opgerichte Prinses Irenebrigade kreeg als taak het bewaken en verdedigen van de eilanden ten zuiden van Schouwen-Duiveland tegen eventuele Duitse aanvallen. De brigade beschikte over middelzware vuurmonden van het kaliber 25 ponder. Sint Philipsland, ten oosten van Schouwen-Duiveland, werd verdedigd door de Britten. Hier lag naast infanterie ook de 245e Batterij van de 62nd Anti Tank Regiment Royal Artillery bestaande uit twaalf M10 Tankdestroyers voorzien van een 17 ponder kanon. Deze kwamen op 6 november 1944 in actie tegen de havens van Zijpe en Bruinisse. Hier lagen transportschepen met Duitse soldaten. In die nacht landden bovendien ongeveer dertig geallieerde soldaten bij Zijpe om naar Bruinisse te gaan en te onderzoeken wat daar de landingsmogelijkheden waren. De geallieerden keerden terug met een aantal krijgsgevangenen. Uit wraak richtten de Duitse soldaten grootscheepse vernielingen aan in Bruinisse. Ook werden Bruinisse en de overige dor pen op Duiveland, mede naar

aanleiding van de landing in de nacht van 6 november, volledig ontruimd. 0p 2 december dwongen de Duitsers alle nog in Bruinisse aanwezige bewoners acuut te voet in de koude en donkere nacht te evacueren met achterlating van vrijwel al hun bezittingen. Het merendeel van deze burgers vond een onderkomen in de buurt van Renesse.

Half december 1944 begon de geallieerde artillerie vanaf Walcheren en Noord -Beveland de Duitse stellingen op Schouwen-Duiveland steeds meer onder vuur te nemen. Zo werden de stellingen in de Schouwse duinen vrijwel dagelijks beschoten. Dat gold vanaf 28 december 1944 ook voor Zierikzee. In januari 1945 gevolgd door Brouwershaven, Burgh en Haamstede. Op 1 mei 1945 vond de laatste artilleriebeschieting op de eilanden plaats.

Omgekeerd krijgen de geallieerden het in het bevrijde Antwerpen ook ‘om de oren’. De Duitsers gaan over tot het inzetten van lange afstandswapens in de vorm van raketten, de zogenaamde Vergeltungswaffen. Van de V1 zijn er in de gemeente Schouwen-Duiveland zeker twee, en mogelijk drie neergekomen. Van de V2 is er één voortijdig neergestort:

1. Tussen 21 en 23 juli 1944: een V1 in de inundatie ten zuidwesten van Brouwershaven; 2. Op 6 augustus 1944: een V1 bij Brouwershaven; 3. Op 2 februari 1945: een V2 bij Bruinisse; 4. Op 3 februari 1945: een V1 bij Dreischor.

Het is niet bekend of ze gedetoneerd zijn, met uitzondering van de eerste. Deze is nog tijdens of kort na WO2 geruimd aangezien het aan het oppervlak lag.

Afb. 53. Kaart van de bevrijding van Zeeland tijdens de Slag om de Schelde (www.stichtingslagomdeschelde.nl).

Afb. 54. De frontlijnen van 28 september en 10 november 1944 ( www.zeeuwseankers.nl).

Na de verovering van de Oosterscheldemonding inclusief Walcheren en Zuid -Beveland bleef het front stilliggen (afb. 54). Er werd niet direct door de geallieerden verder naar het noordwesten opgerukt. De prioriteit lag duidelijk aan de andere kant: zo snel als mogelijk in het hart van Duitsland doorstoten om zo de oorlog te kunnen beëindigen. Pas op 28 April 1945 werd via de radio bekend gemaakt, dat de Duitsers bereid waren te capituleren. Kort daarop werd dan ook definitief de capitulatie bekend gemaakt, al was niet zeker of de Duitse bevelhebber in Nederland zou capituleren. Dat deed hij echter wel op 5 mei 1945 in Wageningen, in het bijzijn van ZKH prins Bernhard. De radio maakte bekend dat ook de Duitse commandant in Nederland General Blaskowitz besloten had de strijd te staken. Onder dagtekening 6 Mei 1945 werd door de Streekcommandant Schouwen het volgende bekend gemaakt: "Op 6 Mei 1945 is een waarborgvrede tussen de Duitse Wehrmacht en de Nederlandse Binn enlandse Strijdkrachten (verzetsbeweging) ingetreden. Elementen die de rust en orde verstoren, worden zowel door de Duitse Wehrmacht als door de Binnenlandse Strijdkrachten als communisten behandeld. Er wordt zeer scherp tegen hen opgetreden. De speruren voor Nederlanders werd van weerszijden vastgesteld van 22.00 uur tot 04.00 uur.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15977309/1