1543488 Bijlage 1 Quickscan Bredeschool Nieuwerkerk (aangepast)
Tekst van het document
QUICKSCAN Locatieonderzoek Bredeschool Nieuwerkerk Juni 2025
Inhoud 1. Inleiding
3
1.1 Aanleiding 1.2 Plangebied 1.3 Leeswijzer
3 3 4
2. Het project
5
2.1 Huidige situatie 2.2 Toekomstige situatie 2.3 Toetsing aan omgevingsplan
3. Beleidskader
5 5 7
8
3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Regionaal beleid 3.4 Gemeentelijk beleid
8 9 10 11
4. Omgevingsaspecten
14
4.1 Stedenbouw/landschap 4.2 Mobiliteit en parkeren 4.3 Archeologie en cultuurhistorie 4.4 Planologisch relevante kabels en leidingen 4.5 Bodemkwaliteit 4.6 Water 4.7 Milieuzonering 4.8 Ecologie 4.9 Geluid en stilte 4.10 Geur 4.11 Luchtkwaliteit 4.12 Licht en duisternis 4.13 Omgevingsveiligheid 4.14 Trillingen 4.15 Milieueffectrapportage 4.16 Duurzaamheidsaspecten
14 19 21 22 23 25 26 26 28 29 29 30 30 31 31 32
4. Beoordeling en besluit
36
5.1 Besluit en voorwaarden 5.2 Vervolgprocedure
36 38
2
1
Inleiding 1.1. Aanleiding In februari 2023 is er door de Raad en schoolbesturen een besluit genomen tot het vormen van een Brede School in Nieuwerkerk, bestaande uit de beide huidige basisscholen in de kern en de kinderopvang. De intentie is ook de gymzaal waar beide scholen gebruik van maken, nieuw te bouwen op de nieuwe locatie. In een haalbaarheidsonderzoek uitgevoerd door HEVO in 2023 staan een aantal voorkeurslocaties. Het gaat hier over gebieden die nu geen onderwijslocaties zijn. Hieruit is gebleken dat mede in relatie tot enkele woningbouwopgaven en grondposities in Nieuwerkerk de voorkeur ligt bij de locatie op de sportvelden aan de Burgemeester van Eetenstraat (trainingsveld SKNWK). Een locatie met optimale mogelijke verbindingen tussen onderwijs, sport en de buitenschoolse (kinder)opvang. De dorpsraad deelt deze mening. In overleg met de dorpsraad en de schoolbesturen wordt de definitieve voorkeurslocatie bepaald aan de hand van een locatieonderzoek. In het raadsbesluit van 27 maart j.l. is ingestemd met het uitvoeren van een nader locatieonderzoek naar deze voorkeurslocatie in Nieuwerkerk. De keuze voor de definitieve locatie betreft vraagstukken die te maken hebben met functieverandering of ingrijpende bouwplannen die niet passen in het geldende omgevingsplan.
Voor de beantwoording hiervan wordt voor de locatie een quickscan uitgevoerd door de afdeling Ruimte en Milieu van de gemeente Schouwen-Duiveland. Deze quickscan is bedoeld om inzicht te geven in de relevante planologische aspecten en om een integrale beoordeling te maken van de keuze voor de voorkeurslocatie aan de Burgemeester van Eetenstraat te Nieuwerkerk. Alle relevante onderwerpen komen in de quickscan aan de orde. Het college van burgemeester en wethouders neemt op basis van deze beoordeling een positieve of negatieve grondhouding aan ten opzichte van de keuze voor deze locatie. De uitkomst van het locatieonderzoek ontvangt de raad middels een voorstel. Uiteindelijk legt de raad de definitieve locatie in Nieuwerkerk vast. Bij een positief besluit wordt een planologische procedure gestart ter realisatie van de Brede School op deze locatie.
1.2 Plangebied Het plangebied omvat het huidige trainingsveld van voetbalvereniging SKNWK, kadastraal perceel Duiveland G 872 (gedeeltelijk) gelegen tussen de Stolpweg en de Burgemeester Van Eetenstraat te Nieuwerkerk. De begrenzing van het plangebied wordt aan de oostzijde gevormd door de bebouwing aan de Burgemeester Van Eetenstraat. Het clubgebouw met voetbalkooi en een tweetal wedstrijdvelden van voetbalvereniging SKNWK zijn ten westen van het plangebied gelegen. Aan de noordzijde van het plangebied is een agrarisch perceel gelegen en aan de zuidzijde wordt het plangebied afgebakend door een wandelpad met daaraan grenzend een wooncomplex voor ouderen (“Steenzwaenshof”). Op de overzichtsfoto in figuur 1 is de planbegrenzing aangegeven. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 5.000 m2 zoals te zien in figuur 2.
3
Figuur 1, Luchtfoto ligging planlocatie (bron: uitsnede Streetsmart)
Figuur 2, Oppervlakte planlocatie (bron: uitsnede Nedglobe)
1.3 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt het project beschreven. In hoofdstuk 3 wordt het plan beoordeeld aan de hand van de relevante beleidskaders. Hoofdstuk 4 omvat een eerste beoordeling van de omgevingsaspecten. In Hoofdstuk 5 een samenvatting van de toetsing en daaraan gekoppelde eindconclusie en beschrijving van de vervolgprocedure voor het ruimtelijke deel van dit project.
4
2
Het project 2.1 Huidige situatie Het plangebied wordt momenteel gebruikt als trainingsveld van voetbalvereniging SKNWK. Het heeft een oppervlakte van ruim 5.000 m2. De sportvelden inclusief het trainingsveld zijn eigendom van de gemeente en worden gehuurd door SKNWK. In 2021 is in verband met de aanleg van een kunstgrasveld bij SKNWK een behoeftebepaling uitgevoerd voor het aantal trainings- en wedstrijdvelden. Er is toen geconcludeerd dat de vereniging met 1 natuurgrasveld en 1 kunstgrasveld ruim voldoende oppervlakte heeft. Het extra trainingsveld beoogd voor deze ontwikkeling is dus vanuit die behoeftebepaling geredeneerd niet noodzakelijk voor SKNWK. Aangezien het veld momenteel wel door de sportvereniging wordt gehuurd en gebruikt dient een toekomstige andere planologische invulling van het trainingsveld nader afgestemd te worden met SKNWK. Er is in de huidige situatie geen directe ontsluiting van het perceel op de Stolpweg of Burgemeester van Eetenstraat.
2.2 Toekomstige situatie Uitgangspunt is het realiseren van een Brede school waarbinnen gehuisvest wordt: • OBS Duiveland, momenteel gevestigd aan de Weststraat 26 te Nieuwerkerk; • School Met De Bijbel, momenteel gevestigd aan de Schoolstraat 34 te Nieuwerkerk; • Kinderopvang Kibeo locatie Ribesstraat (peutergroep) en Weststraat 26 (OBS Duiveland) te Nieuwerkerk; • Gezamenlijke gymzaal. De huidige gymzaal is gevestigd direct naast OBS Duiveland. Er is nog geen concreet ontwerp voor de situering van de gebouwen, pleinen, parkeergelegenheid, etc. Om de ruimtebehoefte te visualiseren zijn twee voorbeelden schematisch uitgewerkt waarbij de ruimtebehoefte is omgezet in blokken. De uitwerking hiervan is te vinden in paragraaf 4.1 (Stedenbouw) Benodigde oppervlakte In onderstaande tabel 1 is een berekening gemaakt van de benodigde oppervlakte.
5
Benodigd voor
Bruto vloer Footprint oppervlakte in m2 (60%) in m2
20% groei
Bron / berekening / opmerkingen
School met de Bijbel
1326
796
955 Raadsbesluit februari 2025
OBS Duiveland
801
480
576 Raadsbesluit februari 2025
Kinderopvang
394
236
283 Raadsbesluit februari 2025
Speelplein verhard
600
600
720 HEVO onderzoek 2023
Speelplein KDV
280
280
336 HEVO onderzoek 2023
Speelplein onverhard
300
300
360 HEVO onderzoek 2023
500
500
500
Conform huidige gymzaal en gymzaal in Oosterland
500
500
500
Zie paragraaf 4.2 Mobiliteit en parkeren voor berekening
200
200
200
Zie paragraaf 4.2 Mobiliteit en parkeren voor berekening
462
462
554 HEVO onderzoek 2023
5363 m
4354 m
Gymzaal Parkeren Kiss & Ride Fietsenstalling TOTAAL
2
2
4958 m2
Tabel 1, Benodigde minimale omvang terrein Brede School Nieuwerkerk
Uitgangspunten berekening • In het raadsbesluit van februari 2025 zijn uitgangspunten gekozen voor wat betreft de benodigde oppervlaktes. Deze oppervlaktes zijn mede gebaseerd op het onderzoek “Huisvestingsplan Kindvoorzieningen Schouwen-Duiveland Oost” dat in 2023 is uitgevoerd door HEVO; • Bij de lokalen (scholen en kinderopvang) wordt uitgegaan van bebouwing met een tweede laag en daarmee een footprint van 60% ten opzichte van de bruto vloeroppervlakte; • In de vierde kolom is berekend wat 20% groei van het leerlingaantal in een mogelijke toekomstige situatie met de benodigde oppervlakte doet. Hierbij is het uitgangspunt dat bij een eventuele groei de gymzaal, parkeerplaats en Kiss & Ride niet “meegroeien”; • Over nieuwbouw van de gymzaal is nog geen besluit genomen in de raad. De oppervlakte is wel meegenomen in deze quickscan; • In de berekening is voor wat betreft het onverharde speelplein geen rekening gehouden met mogelijk gebruik van de sportvelden van SKNWK door de scholen/ kinderopvang; • De berekening van de parkeerplaatsen en Kiss & Ride is opgenomen in paragraaf 4.2 Mobiliteit en parkeren van deze quickscan; • In de berekening van de benodigde parkeeroppervlakte is geen rekening gehouden met eventueel bestaande parkeergelegenheid in de nabije omgeving (zoals de parkeerplaats aan de Stolpweg).
Toetsing en conclusie • Als de totale planlocatie gebruikt kan worden, is deze met ruim 5.000 m2 voldoende groot voor de minimale benodigde terreinoppervlakte voor de realisatie van een Brede School te Nieuwerkerk; • Gerekend met een toekomstige groei van 20% in leerlingaantal is met een benodigde 4985 m2 de
6
beoogde locatie nog altijd voldoende groot; • De locatie kent een omlijsting door andere functies waardoor verdere toekomstig uitbreiding niet mogelijk is, mede door de gasleiding die waarschijnlijk bij een verplaatsing direct ten noorden van het terrein zal komen (zie paragraaf 4.4); • Ondanks dat deze grove theoretische berekening laat zien dat vestiging op deze locatie mogelijk is, zal er een ontwerp moeten komen waarin slim en efficiënt met ruimte om wordt gegaan. Er zijn verschillende factoren die van invloed zijn op de benodigde oppervlakte. Zo heeft het perceel een wat onlogische vorm en een beperkte bereikbaarheid. Aspecten die de oppervlakte behoefte beïnvloeden zijn nader uitgewerkt in paragraaf 4.1 Stedenbouw; • Bovenstaande berekening is gedeeltelijk gebaseerd op aannames en dient verder doorgerekend te worden op basis van het voorlopige of definitieve ontwerp van het schoolgebouw en -terrein.
2.3 Toetsing aan omgevingsplan Op het plangebied is van toepassing het tijdelijk deel van het omgevingsplan Gemeente SchouwenDuiveland: bestemmingsplan Nieuwerkerk en Oosterland, vastgesteld in 2014. Hierin hebben de gronden de bestemming Sport en is er tevens sprake van de bestemmingsvlak Waarde - Archeologie -7. Binnen deze bestemming zijn veldsportcomplexen, tennisbanen en golfbanen en hierbij horende ondergeschikte voorzieningen en gebouwen en bouwwerken ten dienste van deze bestemming toegestaan. Een uitsnede van de plankaart is opgenomen in figuur 3. Het realiseren van een Brede School past niet in het geldende bestemmingsplan.
Figuur 3, Plankaart beoogde locatie (bron: regels op de kaart)
7
3
Beleidskader De gemeente Schouwen-Duiveland heeft te maken met geldende beleidskaders van diverse overheden. Nieuwe ontwikkelingen dienen zich te bewegen binnen de marges van deze beleidskaders. In dit hoofdstuk worden de voor dit plan relevante beleidskaders beschreven en wordt het plan daaraan getoetst.
3.1 Rijksbeleid
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft in 2020 de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. Hierin geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de fysieke leefomgeving in Nederland. Met de omgevingsvisie wordt richting gegeven aan de grote nationale opgaven. De NOVI benoemt nationale belangen en geeft richting ten aanzien van vier prioritaire opgaven. Tevens is er ruimte voor regionaal maatwerk en een gebiedsgerichte uitwerking. Nationale belangen bestaan onder meer uit het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie en de ontwikkeling van een circulaire economie met behoud van onder meer biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. De nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; • Duurzaam economisch groeipotentieel; • Sterke en gezonde steden en regio’s; • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Toetsing De Nationale Omgevingsvisie kent een hoog abstractieniveau en de beleidsdoorwerking vindt onder andere plaats in wet- en regelgeving. De NOVI heeft geen directe doorwerking op dit initiatief en de in de NOVI genoemde nationale belangen worden niet geschaad. Conclusie De beoogde ontwikkeling past binnen het Rijksbeleid zoals opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie.
Besluit ruimtelijke ordening (Bro) In het Besluit ruimtelijke ordening is de Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen als procesvereiste. Deze ‘laddertoets’ schrijft voor dat een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Toetsing Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moet onder een “stedelijke ontwikkeling” worden verstaan: “Een ruimtelijke ontwikkeling van enige omvang ten behoeve van een stedelijke functie, zoals wonen, werken, detailhandel, horeca, sport of onderwijs.” Hieruit blijkt dat onderwijs, zoals een basisschool, in beginsel een stedelijke functie is en dat een
8
nieuwe ontwikkeling daarvoor dus een stedelijke ontwikkeling kan zijn. Dat betekent dat de regels van de ladder voor duurzame verstedelijking van toepassing kunnen zijn. Conclusie Met dit initiatief is mogelijk sprake van een stedelijke ontwikkeling zoals in het Besluit Ruimtelijke Ordening bedoeld. Het ruimtelijk besluit dient te voldoen aan de eisen uit de zogeheten “ladder voor duurzame verstedelijking”. Deze ladder stelt drie treden die systematisch moeten worden doorlopen en gemotiveerd in het plan of in de toelichting moeten worden opgenomen: 1. Aantonen van de actuele regionale behoefte 2. Zoveel mogelijk benutten van bestaande locaties (inbreiding boven uitbreiding) 3. Locatiekeuze passend bij de stedelijke ontwikkeling
3.2 Provinciaal beleid Zeeuwse Omgevingsvisie
In november 2021 is de Zeeuwse Omgevingsvisie vastgesteld. Hierop is in december 2024 door Provinciale Staten de “Actualisatie 2024” vastgesteld die in werking trad op 1 januari 2025. De omgevingsvisie is een strategische langetermijnvisie voor Zeeland en beschrijft de uitdagingen en ambities tot 2050. Ook zijn er tussendoelen opgenomen voor 2030. De visie beschrijft vier ambities voor 2050: 1. Uitstekend wonen, werken en leven in Zeeland; 2. Balans in grote wateren en het landelijk gebied; 3. Een duurzame en innovatieve economie; 4. Klimaatbestendig en CO2-neutraal Zeeland. Onder deze ambities liggen “bouwstenen”, waarbij thema’s zijn uitgewerkt en verwerkt in beleid voor de komende jaren. Toetsing en conclusie Het initiatief sluit aan bij de ambitie “uitstekend wonen, werken en leven in Zeeland”. Relevante bouwstenen zijn: • Onderwijs / Voorzieningen Deze bouwsteen richt zich expliciet op het behoud en versterken van onderwijsinfrastructuur in Zeeland. Scholen zijn cruciale voorzieningen in dorp en regio, essentieel voor de leefbaarheid. Tijdens de visie-opstelling is onderwijs dan ook benoemd als een kerncomponent; • Leefbaarheid & Bevolkingsontwikkeling Deze bouwsteen speelt in op demografische trends, zoals krimp of vergrijzing.
Wanneer een basisschool wordt gebouwd, draagt dat direct bij aan een toekomstbestendig voorzieningenniveau in kernen – een sleutelfactor voor leefbaarheid; • Woonomgeving en Gezondheid Scholen behoren tot de fysieke leefomgeving: ze beïnvloeden mobiliteit, verkeersveiligheid en sociale cohesie. De bouwsteen Gezondheid onderstreept hoe voorzieningen sociale ontmoetingen en bewegen stimuleren en daarmee bijdraagt aan een gezonde leefomgeving.
9
Omgevingsverordening Provincie Zeeland Per 1 januari 2025 is de Omgevingsverordening Zeeland vastgesteld. De verordening is een middel om het beleid uit de omgevingsvisie juridisch door te laten werken. Het provinciaal beleid stelt zich met betrekking tot leefbaarheid tot doel: • De provincie erkent demografische trends zoals vergrijzing en ontgroening; • Cruciale voorzieningen (zoals scholen) vormen een grens voor leefbaarheid en “betaalbaar, bereikbaar en divers voorzieningenniveau” is vereist voor alle inwoners Toetsing en conclusie De realisatie van een nieuw schoolgebouw draagt actief bij aan de doelen voor leefbaarheid zoals opgenomen in de Omgevingsverordening Provincie Zeeland.
3.3 Regionaal beleid
Waterschapsverordening De Waterschapsverordening van Waterschap Scheldestromen is vastgesteld in november 2024 en trad juridisch in werking op 1 januari 2025. Toetsing en conclusie De planlocatie valt binnen het beheergebied van Waterschap Scheldestromen. Op grond van de geldende Waterschapsverordening zijn de volgende aspecten van toepassing: • Grondwaterbeheer Voor de uitvoering van het bouwplan kan tijdelijke grondwateronttrekking of infiltratie nodig zijn (bijvoorbeeld voor ontgraving of bemaling). Op basis van artikelen 4.5 t/m 4.13 van de waterschapsverordening geldt hiervoor een meld- of vergunningplicht, afhankelijk van de locatie en hoeveelheid. De initiatiefnemer zal hierover tijdig afstemming zoeken met het waterschap; • Beschermingszones waterkeringen en watergangen Uit een eerste toetsing aan de legger blijkt dat de planlocatie niet is gelegen binnen een beschermingszone van een waterkering of watergang. • Afvoer en berging van hemelwater In overeenstemming met het provinciaal beleid en het waterbeheerplan van Waterschap Scheldestromen wordt bij het ontwerp van de locatie voorzien in adequate berging en vertraagde afvoer van hemelwater, zodanig dat geen wateroverlast ontstaat op eigen of aangrenzend terrein. Hiermee wordt invulling gegeven aan het principe van waterrobuust bouwen.
• Watertoets Conform het geldende landelijke watertoetsbeleid is het waterschap in een vroegtijdig stadium betrokken bij de planvorming. De wateraspecten dienen nader te worden afgestemd met Waterschap Scheldestromen en worden verder uitgewerkt in het kader van de omgevingsvergunning.
10
3.4 Gemeentelijk beleid
Strategische visie ‘Tij van de Toekomst’ De strategische visie ‘Tij van de Toekomst’ is in oktober 2011 vastgesteld. In de visie is omschreven hoe de gemeente er in 2040 uit zou moeten zien. De visie bestaat uit drie strategische doelen: werken, wonen en verblijven.
Programmabegroting 2025–2028, Programma 2.1 Wonen Dit beleid richt zich op duurzame en kwalitatieve huisvesting van onderwijsvoorzieningen, met nadruk op samenwerking en clustering van scholen en voorzieningen binnen de kernen.
Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs (2020) Deze verordening stelt eisen aan leerlingenprognoses (minimaal 15 jaar) en aan oppervlakte- en indelingsnormen van schoolgebouwen.
Beleid Groene schoolpleinen en NME (Natuur- en Milieueducatie) Dit beleid stimuleert de realisatie van duurzame en klimaatbestendige schoolpleinen met educatieve groenvoorzieningen.
Regionale samenwerkingsafspraken De gemeente bevordert samenwerking tussen onderwijs, kinderopvang en andere voorzieningen voor een efficiënte en toekomstbestendige inrichting. Toetsing De nieuwbouw van de bredeschool te Nieuwerkerk voldoet aan de gestelde beleidskaders. Het plan sluit aan bij de gemeentelijke ambitie voor kwalitatieve en duurzame huisvesting en houdt rekening met de verplichte prognoses en ruimtelijke eisen uit de verordening voorzieningen huisvesting onderwijs. Tevens ondersteunt de realisatie het beleid voor clustering en samenwerking, wat bijdraagt aan een toekomstbestendige dorpskern. Het is wenselijk dat het ontwerp bijdraagt aan de gemeentelijke doelstellingen rondom groene schoolpleinen en natuureducatie, waarmee een gezonde, educatieve en klimaatbestendige leeromgeving wordt gecreëerd. Conclusie Op basis van deze toetsing kan worden geconcludeerd dat het initiatief in lijn is met het gemeentelijke onderwijskundige beleid en de duurzaamheidsambities van Schouwen-Duiveland.
11
Beleids- en beheerplan Groen De gemeente Schouwen-Duiveland hanteert sinds 2024 het Beleids- en beheerplan Groen als leidend kader voor de omgang met bomen en openbaar groen. De volgende onderdelen zijn relevant voor ruimtelijke ontwikkelingen in de nabijheid van bestaande bomen: • Behoud van bestaande en waardevolle bomen is het uitgangspunt. Ontwikkelingen dienen zorgvuldig om te gaan met groenstructuren, met nadruk op instandhouding en waar nodig herplant; • Bomen zijn onderverdeeld in beschermingscategorieën (bijzondere, beschermwaardige, overige), waarbij voor kap en ingrepen een vergunningplicht of meldingsplicht geldt; • Het beleid stelt eisen aan groeiplaatsen, wortelruimte en kroonontwikkeling, die vanaf het ontwerpstadium moeten worden meegewogen; • Groen wordt gezien als essentieel voor klimaatadaptatie, biodiversiteit en leefkwaliteit. Toetsing De nieuwbouw van de brede school bevindt zich nog in de planvormingsfase. Bij de verdere uitwerking van het ontwerp wordt rekening gehouden met het gemeentelijke groenbeleid: • Bestaande bomen in en nabij het plangebied worden geïnventariseerd en zoveel mogelijk ingepast in het ontwerp.
Indien een ingreep onvermijdelijk is, wordt tijdig een vergunningsaanvraag ingediend en een herplantplan opgesteld • Bij de inrichting van het terrein zal worden uitgegaan van voldoende wortel- en groeiruimte voor bestaande en eventueel nieuwe bomen • Er wordt gestreefd naar een inrichting die bijdraagt aan de gemeentelijke doelen op het gebied van klimaatbestendigheid, hittestressreductie en biodiversiteit. Conclusie Hoewel het ontwerp voor de nieuwbouw van de brede school nog niet definitief is vastgesteld, wordt bij de verdere planvorming expliciet rekening gehouden met het Beleids- en beheerplan Groen van de gemeente Schouwen-Duiveland. Het streven is een zorgvuldige omgang met bestaande bomen en aan het bijdragen aan de gemeentelijke ambities voor een klimaatadaptieve en groene leefomgeving. Dit geeft mogelijk een spanningsveld met de beschikbaarheid van de benodigde oppervlakte.
Milieu en duurzaamheidsbeleid Voor wat betreft milieu- en duurzaamheid werkt de gemeente aan de vijf sporen: milieukwaliteit, energietransitie, klimaatadaptatie, biodiversiteit en circulariteit. Milieukwaliteit De algemene doelstelling is dat de milieukwaliteit behouden blijft en passend is bij de omgeving. We voorkomen bodemvervuiling, geluidsoverlast en hinder van trillingen. We gaan zorgvuldig om met de als kwaliteit bestempelde duisternis. We werken aan een veilige plek om te wonen, werken en recreëren. Wonen, werken en recreëren kan op een veilige plek plaatsvinden. Specifieke doelstellingen per milieuthema zijn vastgelegd in het Milieubeleidsplan.
12
Energietransitie De algemene doelstelling is het realiseren van een energieneutraal Schouwen-Duiveland in 2040. In de Energie-Agenda zijn specifieke doelstellingen opgenomen voor energiebesparing, duurzame energie-opwekking, de warmtetransitie en duurzame mobiliteit. Het Ruimtelijk beleid Duurzame Energie (2022) is de visie voor ruimtelijke ontwikkelingen op het gebied van duurzame energieopwekking, zowel binnen de bebouwde kom als in het landelijk gebied. Dit beleid vormt het ruimtelijk toetsingskader en geeft de kaders voor landschappelijke inpassing en meervoudig ruimte gebruik bij duurzame energieprojecten. Eind 2021 heeft de gemeente de Transitievisie Warmte vastgesteld met daarin een tijdpad voor de ontwikkeling van een alternatieve energievoorziening en het geleidelijk vervangen van aardgas. De visie voor 2050 is dat de gebouwde omgeving bestaat uit goed geïsoleerde woningen en gebouwen die met duurzame energie verwarmd worden. Voor nieuwbouw geldt dat deze niet meer worden aangesloten op het aardgasnet. In de Integrale laadvisie Schouwen-Duiveland Elektrisch (2023) is als doelstelling opgenomen om in 2040 een tijdig, dekkende, toegankelijke, betaalbare, betrouwbare en veilig netwerk van laadinfrastructuur voor elektrisch vervoer te realiseren.
Klimaatadaptatie Het klimaat verandert en dit brengt serieuze problemen en opgaven met zich mee zoals wateroverlast, droogte, hittestress en overstromingen. Doelstelling voor Schouwen-Duiveland is om in 2050 klimaatbestendig en water robuust te zijn. De Agenda Klimaatadaptatie 2024 – 2028 beschrijft de toekomstbeelden, huidige situatie, uitgangspunten en uitwerkingen van acties op de thema’s bewustwording, samenwerking en participatie; overstromingen; vitale en kwetsbare infrastructuur; natuur; landbouw; bebouwd gebied en recreatie. Biodiversiteit Hoofddoelstelling is dat Schouwen-Duiveland in 2040 een robuust ecosysteem heeft met een eigen herkenbare landschappelijke identiteit. Specifieke doelstellingen zijn het verbinden van groenstructuren, ontwikkelen van soorten en het beschermen van de natuur. Nieuwe ontwikkelingen moeten dan ook bijdragen aan bestaande groen/blauwstructuren, biodiversiteit en landschappelijke identiteit en instandhoudingsdoelstellingen van natura 2000 gebieden en NNN gebieden. Circulaire economie De circulaire of kringloop economie is een economisch systeem dat bedoeld is om herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waarde vernietiging te minimaliseren. Anders dan in het huidige lineaire systeem, waarin grondstoffen worden omgezet in producten die aan het einde van hun levensduur worden vernietigd.
Schouwen-Duiveland sluit aan bij de landelijk doelstelling om in 2030 een halvering van het grondstoffengebruik te halen en in 2050 volledig circulair te zijn. Samen met de Zeeuwse gemeenten stellen we momenteel Zeeuws beleid Circulaire Economie op met specifieke doelstellingen voor de thema’s: 1. Bouw & Gebouwde omgeving; 2. Infrastructuur & Openbare ruimte; 3. Afval & Grondstoffen en 4. Inkoop & Consumptie.
13
4
Omgevingsaspecten 4.1 Stedenbouw/landschap De gekozen locatie is omzoomd door een groene omlijsting met waardevolle (volwassen) bomen. Dit is een prettige bijkomstigheid voor de realisatie van de twee scholen. Het geeft een beschut gevoel en een kwalitatieve uitstraling. Tevens kan het dienen als een buffer voor de naast gelegen woningen en daarnaast geeft het verkoeling in warme dagen. Helaas zorgen deze bomen ook voor een ‘harde’ grens en is het lastig om flexibiliteit te vinden zonder de bomen aan te tasten.
Figuur 5 en 6, luchtfoto’s van de gekozen locatie met de huidige groene omlijsting.
14
Om de ruimtebehoefte te visualiseren zijn twee voorbeelden schematisch uitgewerkt waarbij de eerder genoemde ruimtebehoefte is omgezet in blokken. Alhoewel deze voorbeelden nog geen optimale ruimtelijke uitwerking genoemd mogen worden, is het wel van belang om te realiseren dat de planlocatie geen vierkant en of rechthoek is, dit betekent dat er relatief gezien veel ruimte verloren gaat. Daarnaast nemen looproutes/entree’s /hekwerken/afvalcontainers etc. ook ruimte in, deze zijn niet meegenomen in de lijst met de benodigde vierkante meters in paragraaf 2.2 (tabel 1). Voor de ruimtebehoefte is de gymzaal ook heel specifiek. Een gymzaal kan niet in twee bouwlagen en is gebonden aan een rechthoekige vorm. In tabel 1A zijn de berekende oppervlaktes uit paragraaf 2.2 (tabel 1) naast de gekozen oppervlaktes in de afbeelding (figuur 7 en 8) gezet. Footprint in Oppervlakte in m2 (tabel 1) het voorbeeld 796 800
Benodigd voor 1
School met de Bijbel
2
OBS Duiveland
480
480
3
Kinderopvang
236
250
4
Speelplein verhard
600
620
5
Speelplein KDV
280
280
6
Speelplein onverhard
300
300
7
Gymzaal
500
500
8
Parkeren
500
240
9
Kiss & Ride
200
200
10
Fietsenstalling
462
190
Groenomlijsting en tussenruimtes TOTAAL
494 4354 m2
4354 m2
Tabel 1A, gekozen oppervlaktes in het voorbeeld
Ad 1 en 2 Schoolgebouwen Schoollokalen dienen ramen en daglicht toetreding te hebben, waardoor ze alleen aan de buitenzijde van het gebouw gesitueerd kunnen worden. Dat geeft eisen aan het ontwerp voor wat betreft de vorm en indeling. Ad 3 Kinderopvang Het heeft niet de voorkeur een kinderopvang om in 2 bouwlagen te realiseren. Dit betekent dat de bruto vloeroppervlakte groter wordt van het KDV of een hoger percentage dan de 60% van de oppervlakte van de scholen moet plaats vinden op de 2e bouwlaag Ad 4, 5 en 6 Speelpleinen Het ingetekende schoolplein is circa 1200m², dit is inclusief het onverharde deel (300m²) en de 280m² voor de kinderopvang. Hiermee voldoet het aan de vraag, maar de vorm is nog niet optimaal. In een
15
eventuele volgende verdiepingsslag kan er naar een betere verdeling worden gekeken, al geldt ook hier dat deze locatie geen ideale vorm heeft. Ad 7 Gymzaal De gymzaal is een vaste vorm en altijd 1 bouwlaag. Ad 8 Parkeren In de afbeelding zijn 4 parkeerplaatsen opgenomen waarvan 2 invalide parkeerplaatsen. In dit voorbeeld is er voor de overige parkeerplaatsen vanuit gegaan dat er gebruik kan worden gemaakt van de parkeergelegenheid van de schietvereniging, voetbal en tennis. Dit is maximaal 150 meter lopen. Ad 9 Kiss & Ride De Kiss & Ride zone is niet meegenomen in deze plattegrond, het is in theorie mogelijk op de invalide parkeerplaats of op de locatie ‘haal- en breng’, maar deze locatie is meer bedoeld voor ouders die op de fiets komen of te voet. Een confrontatie met gemotoriseerd verkeer is niet wenselijk. Een andere oplossing is de locatie ten zuiden van de nieuwe ontsluiting, maar dit gaat dan wel ten koste van de bestaande groene zone. Ad 10 Op deze tekening is circa 190m² ingetekend voor de fietsen, een groter oppervlakte is mogelijk, maar dan wordt het schoolplein aanzienlijk kleiner. Het is een optie om buiten het plangebied nog ruimte te zoeken voor de overige vierkante meters.
16
Ruimtebehoefte voorbeeld 1 In voorbeeld 1 is er gekozen om alle bebouwing achter op het perceel te plaatsen en te clusteren. De verdeling van de scholen in de blokken is uiteraard willekeurig gekozen in deze fase. In dit voorbeeld is voor de ontsluiting gekozen om de bestaande inrit naar de voetbal kantine door te trekken en aan te sluiten op de Burgemeester van Eetenstraat, voor de veiligheid van de diverse verkeersstromen bij een school is eenrichtingsverkeer noodzakelijk. Een fietsontsluiting is in dit stadium nog niet ingetekend, maar dit is wel mogelijk, dit geldt ook voor een voetgangers ontsluiting. In de huidige situatie is er vanaf het parkeerterrein een voetpad aanwezig naar de voetbal. Met een kleine aanpassing is dit terrein ook te ontsluiten.
Figuur 7, Ruimtebehoefte voorbeeld 1 (Stedenbouwkundige)
Ruimtebehoefte voorbeeld 2 In voorbeeld 2 is ervoor gekozen om de scholen los te koppelen van de gymzaal en de scholen meer naar voren te plaatsen hierdoor ontstaat er een ‘binnen’ schoolplein’ wat gunstig is voor het geluid, maar de ruimte voor entree wordt hierdoor krap. De overige punten zijn identiek zoals bij voorbeeld 1.
17
Figuur 8, Ruimtebehoefte voorbeeld 2 (Stedenbouwkundige)
Conclusie vanuit stedenbouw: • Het realiseren van het programma op deze locatie is mogelijk met veel passen en meten, dit komt grotendeels door de ongunstige vorm van het perceel, maar ook omdat 5000m² niet heel ruim is; • De entree wordt krap, beide scholen moeten hier gebruik van maken. Ook ontstaat hierdoor een confrontatie met langzaam verkeer en gemotoriseerd verkeer. Er is geen ruimte om dit goed te scheiden; • Het fietsparkeren kan mogelijk niet volledig op de voorgestelde planlocatie worden gerealiseerd, dit moet buiten het plangebied worden gezocht; • Dit geldt ook voor de Kiss & Ride zone; • Een mogelijke oplossing voor het parkeren kan gevonden worden in parkeren op het bestaande parkeerterrein. Dit dient nader onderzocht. In paragraaf 4.2 zijn aandachtspunten rondom mobiliteit, bereikbaarheid en verkeersveiligheid nader uitgewerkt; • De berekende vierkante meters zijn in de praktijk mogelijk niet voldoende. Mocht er een uitbreiding nodig zijn dan is er een architectonische uitdaging om ruimte te vinden; • Een oplossing zou kunnen zijn om de school in drie lagen te bouwen. Dit is stedenbouwkundig gezien niet wenselijk gezien de omgeving van woningen. Daarnaast is het de vraag of het ideaal is voor een basisschool; • Een andere oplossing zou zijn om het plangebied te vergroten.
Dit is mogelijk door de voetbalkantine te verplaatsen of de waardevolle groene zone (gedeeltelijk) op te offeren; • Ook kan er worden gekeken of een nieuwe gymzaal echt noodzakelijk is.
18
4.2 Mobiliteit en parkeren Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van verkeer en parkeren gekeken naar verschillende beleids- en toetsingskaders, namelijk: • CROW (Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek). Het CROW is een nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte. Stichting die zich bezighoudt met kennisvergaring en kennisverspreiding voor mensen, organisaties, partijen en overheden die zich bezighouden met de openbare ruimte. • ASVV; de ASVV is een door het CROW uitgebracht boek met aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom. Het bevat aanbevelingen op alle mogelijke terreinen betreffende wegen binnen de bebouwde kom vanaf planvoorbereiding tot en met onderhoud, zoals dwarsprofielen, parkeervoorzieningen, verkeerdrempels, etc. • Publicatie CROW 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ (oktober 2012). Deze publicatie geeft tijdig inzicht in de verwachte hoeveelheid gemotoriseerd verkeer en het benodigde aantal parkeerplaatsen zodat deze tijdig kunnen worden meegenomen in het ruimtelijk-ordeningsproces. Op deze wijze kan tevens een zorgvuldige afweging worden gemaakt.
• IVVP (Integraal verkeers- en vervoersplan 2008); gemeentelijk beleid ten opzichte van verkeers- en vervoersontwikkelingen; Op lokale situaties gerichte verkeersplannen (zoals bijvoorbeeld Verkeersplan Binnenstad Zierikzee). Toetsing Verkeer Bij een indicatieve omvang van 16 lokalen (2 basisscholen met elk 8 groepen) geldt een gemiddelde verkeersgeneratie van ongeveer 30–35 verkeersbewegingen per lokaal per etmaal. Voor de gymzaal is de verkeersgeneratie beperkt, aangezien deze meestal door de scholen zelf wordt gebruikt. Voor het kinderdagverblijf geldt een gemiddelde van 35 ritten per 100 m² BVO, exclusief kiss & rideverkeer. Met name in de piekuren (ochtend/middag) zal sprake zijn van verhoogde verkeersdruk. Daarom is het belangrijk om in het ontwerp ruimte te reserveren voor kiss & ride-zones en om veilige, logische routes voor fietsers en voetgangers te realiseren, gescheiden van het autoverkeer. Voor de oppervlakte van kiss & ride-zones zijn er geen vaste landelijke normen in vierkante meters, maar volgens praktijkvoorbeelden en projecten binnen schoolomgevingen (o.a.
“Kinderen veilig naar school – CROW”) gelden de volgende uitgangspunten: • Minimaal 2–3 voertuigen tegelijk kunnen laten stoppen zonder filevorming; • Ruimte voor veilig in- en uitstappen buiten de rijbaan; • Ruimte om vlot weer in te voegen in het verkeer Een veilige, functionele Kiss & Ride-zone vraagt ongeveer 50–70 m² per voertuig. Een zone voor 2 à 3 voertuigen vraagt dus een ruimte van ca. 100 tot 200 m². In de berekening voor de maximaal benodigde oppervlakte (paragraaf 2.2) is gerekend met 200 m2.
19
Toetsing Parkeren • Voor de basisscholen: gemiddeld 0,7 parkeerplaatsen per lokaal, oftewel circa 11 à 12 parkeerplaatsen bij 16 lokalen; • Kinderdagverblijf: gemiddeld 1,4 parkeerplaatsen per 100 m² BVO, wat leidt tot een indicatie van 3–5 parkeerplaatsen, afhankelijk van de grootte; • Voor het kinderdagverblijf is ook het bezoekers- en kiss & ride-aandeel van 91% van belang. Tijdelijk stilstaan moet buiten de rijbaan mogelijk zijn; • Voor laadinfrastructuur geldt dat 8,6% tot 13% van de parkeerplaatsen voorbereid of ingericht moet zijn voor elektrisch laden; • Uitgangspunt is een parkeervak voor haaks parkeren (90°). Totaal is er per parkeerplaats inclusief benodigde rij- en manoeuvreerruimte ± 25 tot 30 m² benodigd; • Bij 17 parkeerplaatsen betekent dit een bruto ruimtebeslag van ca. 425 tot 510 m². In de berekening voor de maximaal benodigde oppervlakte (paragraaf 2.2) is gerekend met 500 m².
Aandachtspunten voor de verdere planuitwerking Bij dit type ontwikkeling is het belangrijk om naast de standaard verkeerskundige uitgangspunten ook onderstaande aspecten in het oog te houden: • Ontsluitingen (ook noodontsluiting): Zeker bij drukke functies zoals scholen en kinderopvang is het wenselijk te onderzoeken of een tweede ontsluiting of een aparte noodroute wenselijk of noodzakelijk is; • Gescheiden verkeersstromen: Denk aan aparte routes voor personeel, ouders met kinderen, fietsers en leveranciers; • Breedteprofielen: Houd rekening met voldoende weg- en trottoirbreedtes. De toegankelijkheid voor o.a. rolstoelgebruikers, bakfietsen en hulpdiensten moet gegarandeerd zijn; • Fiets- en voetgangersontsluiting: Brede en veilige routes met goede zichtlijnen zijn cruciaal. Vermijd kruisingen met autoverkeer waar mogelijk; • Laad- en losvoorzieningen: Voor o.a. bevoorrading van de opvang, gymzaal of catering; • Voorzieningen in de ondergrond: Denk alvast aan voorbereiding voor laadpunten (leidingen, mantelbuizen) zodat deze in de toekomst eenvoudig geplaatst kunnen worden; • Openbaar vervoer: Bij wijziging van routes of haltes is tijdige afstemming met de vervoerder nodig; • Communicatie: Houd belanghebbenden goed geïnformeerd, zeker als er tijdelijke afsluitingen of verkeersmaatregelen nodig zijn in de bouwfase.
Inrichting schoolomgeving als schoolzone Voor de verkeersveiligheid rondom basisscholen is het wenselijk dat de directe omgeving wordt ingericht als een herkenbare schoolzone. Dit draagt bij aan het bewustzijn bij weggebruikers en vergroot de veiligheid voor voetgangers en (jonge) fietsers. Wij zien daarom graag dat er in het ontwerp rekening gehouden wordt met de volgende aandachtspunten:
20
• Bebording: Plaatsing van officiële verkeersborden (bijv. J21 of A1 met onderbord “schoolzone”) om weggebruikers te attenderen op de aanwezigheid van schoolgaande kinderen; • Infrastructuur: Verkeersremmende maatregelen zoals versmallingen, drempels of plateaus om de snelheid te beperken tot maximaal 30 km/u in de directe schoolomgeving; • Markering en herkenbaarheid: Heldere markeringen op het wegdek (bijv. “schoolzone” of opvallende oversteekplaatsen) en gebruik van kleur of materialen die visueel opvallen; • Fysieke afscherming: Eventueel paaltjes of hekwerk op strategische plekken om te voorkomen dat voertuigen op stoepen of fietspaden kunnen rijden of parkeren; • Oversteekplaatsen: Veilige oversteeklocaties met goede zichtlijnen, eventueel voorzien van belijning, verlichting of attentieverhogende elementen. Bronnen zijn CROW publicatie 317 . 381 en CROW kennis bank – kinderen veilig naar school.
4.3 Archeologie en cultuurhistorie Archeologie
Toetsingskader In het gemeentelijke Beleidsplan Archeologie is voor het gehele eiland vastgelegd welke archeologische verwachtingswaarden er zijn. Hieraan zijn beleidsadviezen gekoppeld die als basis dienen voor de voorwaarden bij op te stellen bestemmingsplannen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in verschillende gebiedstypen, van archeologische monumenten tot gebieden waar geen enkele archeologische verwachtingswaarde is. Voor ieder gebiedstype gelden eigen uitgangspunten, randvoorwaarden en drempelwaarden. Dit beleidsplan is verwerkt in het omgevingsplan “Nieuwerkerk en Oosterland” (voorheen bestemmingsplan). Voor het projectgebied geldt op basis van artikel 21 van de regels in het omgevingsplan de dubbelbestemming Waarde - Archeologie - 6. Ter bescherming van de archeologische waarden is bouwen hier alleen toegestaan indien: • het bouwplan betrekking heeft op een bouwwerk met een oppervlakte die niet groter is dan 2.500m² en waarbij bovendien grond- of graafwerkzaamheden niet dieper dan 0,50 meter beneden het maaiveld plaatsvinden of; • met een archeologisch onderzoek(srapport) wordt aangetoond dat hier geen archeologische waarden aanwezig zijn of dat de archeologische waarden van het terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn of worden veiliggesteld.
Verder geldt een meldingsplicht voor eventuele archeologische (toevals)vondsten en/of waarnemingen. Het is niet uit te sluiten dat in het projectgebied relevante archeologische sporen en vondsten in de bodem verborgen zijn en dat deze in de uitvoeringsfase van eventuele graafwerkzaamheden aan het licht komen. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende resten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplicht. Dit kan ook bij het bevoegd gezag, de gemeente (Schouwen-Duiveland). Om er voor te
21
zorgen dat aan deze wettelijke plicht wordt voldaan bij het eventueel aantreffen van sporen en/of vondsten tijdens de uitvoering van de werkzaamheden, worden de aannemer(s) / degenen die de graafwerkzaamheden uitvoeren verplicht attent te zijn op eventuele archeologisch vondsten en/of sporen tijdens de werkzaamheden.
Cultuurhistorie Er is op de beoogde locatie en in de nabije omgeving geen sprake van cultuurhistorisch waardevolle objecten of landschappen. Conclusie Afhankelijk van het ontwerp van de Brede School is mogelijk een archeologisch onderzoek nodig.
4.4 Planologisch relevante kabels en leidingen Dwars door de noordkant van de planlocatie ligt een hogedruk gasleiding zoals te zien in figuur 5. Er is oriënterend contact hierover geweest met Stedin (voorheen Enduris /DNWG) over de haalbaarheid van het plan met betrekking tot deze gasleiding. Stedin geeft aan geen bebouwing of schoolplein over de bestaande gasleiding te willen realiseren. Reden hiervoor is de bereikbaarheid van de leiding en de ouderdom van de leiding. Men wil medewerking geven aan verleggen van de leiding. Hiervoor doet men een voorstel zoals weergegeven in figuur 6. De bestaande leiding kan dan na afsluiten blijven liggen. In de planvorming dient er rekening mee gehouden te worden dat verleggen van de gasleiding extra tijd vergt in het proces.
Figuur 5, Ligging gasleiding Sportpark Springer
22
Figuur 6, Voorstel nieuwe ligging gasleiding (bron: Stedin)
4.5 Bodemkwaliteit Milieuhygiënische bodemkwaliteit Het landelijk beleid gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie, de bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem. Voor alle locaties waar een functiewijziging of herinrichting wordt voorzien, dient de bodemkwaliteit door middel van een bodemonderzoek in beeld te worden gebracht. Het Besluit bodemkwaliteit omvat de regels rond grondverzet, bouwstoffen en een stuk kwaliteitsboring. Duurzaam bodemgebruik Realiseren duurzaam bodemgebruik door rekening te houden met de lokale bodemkwaliteiten. De bodem biedt zowel kansen als belemmeringen. Door deze eigenschappen af te stemmen met de (ruimtelijke) ontwikkeling kan duurzaam bodemgebruik worden gerealiseerd. Thema’s die hier worden meegenomen zijn o.a. zettingsgevoeligheid, bodemsoort, kabels en leidingen, grondwater en het gebruik van bodemenergie. Niet gesprongen explosieven De potentiële aanwezigheid van niet gesprongen explosieve (conventionele explosieven) kan een bedreiging in houden bij grondroerende werkzaamheden en kan tot vertraging in de planvorming en - uitvoering leiden. De gemeente beschikt over een inventarisatie van niet gesprongen explosieven op een signaleringskaart, opgesteld door historisch onderzoek, ooggetuigenverklaringen en eerdere vondsten.
Wanneer er ontwikkelingen plaatsvinden in een aandachtsgebied kan een toetsing op niet gesprongen explosieven worden uitgevoerd.
23
Aardkundige waarden Ten aanzien van de aardkundige waarden richt het gemeentelijk beleid zich op het versterken van de plaatselijke landschapskwaliteiten. Dit kan door aardkundige patronen een zichtbare rol te laten spelen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Doorsnijding en versnippering van het landschap moet zo veel mogelijk worden voorkomen. Toetsing Op de locatie bevindt zich een deel van de voormalige stortplaats Steenzwaag/ Steenzwaan. De stort betreft een deel van een voormalige waterpartij/rampgat. Dit is na de watersnoodramp gevuld met vermoedelijk bouw- en sloopafval (80%), huishoudelijk afval (10%) en bedrijfsafval (10%) . De stort/ rampgat is in de periode 1996-2003 meerdere keren onderzocht, ook hebben er ontwikkelingen plaatsgevonden. Er heeft tot 2003 grondwatermonitoring plaatsgevonden. Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat de deklaag voldoende dik is, er op een aantal plaatsen stortmateriaal is aangetroffen (dieper dan 1,0 m - 1,5 m -mv) en dat de bodem en het grondwater licht verontreinigd zijn. De locatie is volgens de provincie voldoende onderzocht. Ondanks deze positieve resultaten blijft een stort een “black-box”. Ervaring leert dat er onrust bij mensen kan zijn die nabij of op een voormalige stort verblijven. Een gedegen bodemonderzoek is nodig om eventuele risico’s uit te sluiten. Daarnaast kan de GGD om advies worden gevraagd om onafhankelijk te toetsen.
De ontwikkeling vindt plaats in een gebied waar geen oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden, onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten is niet nodig.
Onderzoekscontour bodem 1996-2003 (groen en rood)
24
Contouren zoeklocatie t.o.v. situatie 1952
Conclusie Het onderdeel bodem kan mogelijk een belemmering zijn voor het plan. Een aanvullend bodemonderzoek is nodig om bodemkwaliteit goed in beeld te brengen en risico’s uit te sluiten.
4.6 Water In ruimtelijke plannen moet voldoende aandacht besteed worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. Daarbij is handig om oplossingen voor eventuele effecten door klimaatverandering mee te nemen bij het ontwerp. Verwerking hemelwater Voor onderhavige locatie wordt er ca. 5225 m2 oppervlak gereserveerd. Als dit oppervlak verhard wordt, dient er hierover 75mm waterberging gerealiseerd te worden, oftewel ca. 392 m3 waterberging. Omdat er sprake is van een nieuwe ontwikkeling en er aangrenzend ook sportvelden aanwezig zijn, is het wellicht een mogelijkheid om het hemelwater te bufferen en te gebruiken in tijden van droogte. Hoe een dergelijke buffer er uit moet komen te zien dient nader bepaald te worden als er meer informatie is over de ontwikkeling en het ontwerp van de nieuwe school. Verwerking afvalwater Aan de zuidkant van het plangebied ligt een 200mm gemeentelijk riool naar de Burgemeester van Eetenstraat. E.e.a. afhankelijk waar het riool van de school uitkomt, zal dit riool mogelijk aangepast
25
moeten worden (vervangen voor minimaal PVC315mm). Het gemeentelijke riool heeft voldoende capaciteit om het afvalwater van de nieuwe school tijdig te verwerken. Volksgezondheid Naast het plangebied van de nieuwe school ligt een watergang. Op deze watergang loost een externe overstort van het gemengde riool. Normaliter wordt een afstandsnorm van minimaal 50 m gehandhaafd tussen overstort en (bewoonde) percelen. Met het ontwerp van de nieuwe school dient er met dit gegeven rekening gehouden te worden.
4.7 Milieuzonering Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige functies (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk worden gehouden en worden bedrijven niet belemmerd in hun bedrijfsvoering. De VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ biedt hierbij een basis voor een indicatie voor de inpasbaarheid van de activiteit. Toetsing Een school en kinderopvang is zowel een milieugevoelige als milieubelastende functie. Een gymzaal is een milieubelastende functie. In de omgeving van het plangebied zijn milieugevoelige functies (woningen) en milieubelastende functies (sportvelden, schietvereniging) aanwezig. Beide kanten op dient getoetst te worden aan het aspect geluid. Akoestisch onderzoek is noodzakelijk in verband met: • de afstand van de scholen en kinderopvang (milieugevoelig) tot de sportvelden en schietbaan (milieubelastend). • de afstand van de omliggende woningen (milieugevoelig) tot de scholen, kinderopvang en gymzaal (milieubelastend). Ten noorden van het plangebied ligt een agrarisch perceel. In verband met de spuitzone wordt er niet voldaan aan de richtafstand van 50 meter. In de verdere planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met een spuitzone. Conclusie Er dient akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden in verband met de omliggende woningen, sportvelden en schietbaan.
In de verdere planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met een spuitzone.
4.8 Ecologie In deze paragraaf wordt het toetsingskader op het vlak van ecologie beschreven. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn regels opgenomen voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten- en diersoorten en
26
regels ter bescherming van houtopstanden. Voorheen werd dit geregeld in de Wet natuurbescherming. Soortenbescherming De soortenbescherming bestaat uit drie beschermingsregimes. Twee volgen er uit Europese wetgeving. Volgens de wet zijn de soorten uit de Vogelrichtlijn (VRL) beschermd en de soorten die genoemd worden in de Habitatrichtlijn (HRL). Daarnaast is er ook nog een nationale lijst met beschermde soorten. Deze soorten staan vermeld in bijlage IX van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is verankerd in de Omgevingswet en de regelgeving rondom Natuurnetwerk Zeeland (NNZ). Bij ontwikkelingen moet worden onderzocht of de regelgeving rondom Natura2000 dan wel NNZ de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Binnen de gemeente zijn de volgende Natura 2000-gebieden aangewezen: Voordelta, Oosterschelde, Grevelingen en Kop van Schouwen. Daarnaast loopt nog steeds een aanwijzingsprocedure voor het Krammer Volkerak. Daarnaast moet onderzocht worden of het Natuurnetwerk Zeeland geen schadelijke effecten ervaart van de ruimtelijke ontwikkeling. Stikstofdepositie Sinds de uitspraak van de Afdeling op 29 mei 2019 is niet meer het PAS (Programma Aanpak Stikstof) het toetsingskader, maar de algemene uitgangspunten van de Omgevingswet.
Dit betekent dat bij een initiatief dat een stikstoftoename kan veroorzaken op een Natura2000-gebied beoordeeld moet worden of er sprake kan zijn van een significant negatief effect op het Natura2000-gebied. Een activiteit die voor stikstofdepositie zorgt, wordt aangemerkt als een vergunningplichtige Natura 2000-activiteit als significante effecten op een Natura 2000-gebied niet kunnen worden uitgesloten. De berekening of sprake is van een stikstoftoename moet worden gemaakt met de meest recente versie van het rekenprogramma AERIUS. Hierin moet voor initiatieven rekening worden gehouden met zowel de gebruiksfase (huidig en beoogd) als de aanlegfase. Toetsing Soortenbescherming: De sloop van bebouwing en het verwijderen van bomen/groen heeft mogelijk gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten. Het is op dit moment nog niet duidelijk of er bebouwing wordt gesloopt en/of groen wordt verwijderd. Indien bestaande bebouwing wordt gesloopt en/of bomen/ groen wordt verwijderd is een quickscan flora en fauna nodig. Daarnaast verdient het aanbeveling om bij nieuwbouw natuurinclusief te bouwen. Gebiedsbescherming: Met uitzondering van het aspect stikstof zijn, gezien de afstand tot Natura2000- en Natuurnetwerkgebied, negatieve effecten op voorhand uit te sluiten. Er is een stikstofberekening nodig voor zowel de aanlegfase als gebruiksfase.
27
Conclusie Indien bestaande bebouwing wordt gesloopt en/of groen wordt verwijderd, dient er in het kader van soortenbescherming een quickscan flora en fauna gemaakt te worden. Daarnaast dient voor zowel de aanlegfase als gebruiksfase een stikstofberekening gemaakt te worden.
4.9 Geluid en stilte Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied van wegen, spoorwegen en/of industrieterreinen wordt het geluid beoordeeld. De instructieregels in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevatten waarden en eisen voor het beoordelen van geluid. Een geluidaandachtsgebied is een gebied langs een weg of spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde Lden (art. 3.20 Bkl). Deze aandachtsgebieden worden bepaald voor alle binnen een gemeente aanwezige geluidbronnen waarvoor een geluidproductieplafond (gpp) of een basisgeluidemissie (bge) geldt. Wanneer een omgevingsplan wordt opgesteld waarin geluidgevoelige gebouwen mogelijk worden gemaakt binnen een aandachtsgebied, dan moet een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd naar de geluidbelasting vanwege de betreffende geluidbron(nen). De volgende geluidbronsoorten hebben een geluidaandachtsgebied: rijkswegen, provinciale wegen, gemeentewegen, waterschapswegen, hoofdspoorwegen, lokale spoorwegen en industrieterreinen.
Een geluidgevoelig gebouw (Bijlage 1 Besluit kwaliteit leefomgeving) is een • gebouw met een woonfunctie • gebouw met een onderwijsfunctie • gebouw voor kinderopvang met bedden • gebouw voor gezondheidszorg met bedden Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in de geluidzone van een provinciale weg waarvoor nog geen geluidproductieplafond (gpp) is vastgesteld, geldt de Wet geluidhinder. Dit staat in artikel 3.5, Aanvullingswet geluid. Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in de geluidzone van een gemeente- of waterschapsweg waarvoor nog geen basisgeluidemissie (bge) is vastgesteld, gelden vaste afstanden (art. 17.5 Omgevingsregeling). Toetsing Er is sprake van de toevoeging van geluidgevoelige gebouwen. De planlocatie ligt (deels) in het aandachtsgebied van de Stolpweg (waterschapsweg, 60 km/h). Er dient een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai te worden opgesteld. Conclusie Er dient een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai te worden opgesteld.
28
4.10 Geur Een omgevingsplan voorziet erin dat de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Hieraan wordt in ieder geval voldaan als geurveroorzakende activiteiten voldoen aan de grenswaarden en afstandseisen die in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn opgenomen. Een geurgevoelig object is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een woonfunctie, onderwijsfunctie, gezondheidszorgfunctie met bedgebied of een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied, alsmede nevengebruik van deze functies (art. 5.91 Bkl). Een bebouwingscontour geur is een contour rond stedelijk gebied waar een hoger niveau van bescherming tegen geur geldt. Zolang in het omgevingsplan geen bebouwingscontour geur is aangewezen, geldt de bebouwde kom als bebouwingscontour geur (art. 12.14 Bkl). Toetsing Het initiatief ziet op het toevoegen van geurgevoelige gebouwen. Er wordt voldaan aan de minimale afstandseisen uit het Bkl. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor het initiatief.
4.11 Luchtkwaliteit Door de uitstoot van uitlaatgassen door onder andere de industrie en het verkeer komen schadelijke stoffen in de lucht. Vooral langs drukke wegen kunnen de concentraties van verschillende stoffen zo hoog zijn dat deze de gezondheid kunnen aantasten. Om te voorkomen dat de gezondheid wordt aangetast door luchtverontreiniging dient bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden te worden met de luchtkwaliteit ter plaatse. Om de kwaliteit van de buitenlucht te beschermen staan in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) omgevingswaarden voor luchtkwaliteit. De normen volgen uit de Europese Richtlijn Luchtkwaliteit. Er is geen toetsing aan de Rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit nodig als de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Aantonen dat een project of activiteit valt onder NIBM kan op twee manieren: 1. Het project valt binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie (standaardgevallen NIBM, artikel 5.54 Bkl). 2. Middels berekening aannemelijk maken dat een project niet in betekenende mate bijdraagt.
Toetsing Het initiatief wordt niet specifiek genoemd binnen de standaardgevallen NIBM.
29
Het betreft hier de verplaatsing van bestaande functies naar een andere locatie. Als gevolg van het initiatief neemt het aantal verkeersbewegingen naar verwachting niet toe. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het initiatief.
4.12 Licht en duisternis Kunstmatige verlichting komt voor bij (autosnel)wegen, (fiets)paden, woonkernen, industrie- en bedrijventerreinen, recreatieterreinen, glastuinbouwbedrijven, sportterreinen (maneges, golfbanen, tennisbanen, voetbalvelden, e.d.). Mogelijk negatieve effecten van lichthinder worden bepaald door enerzijds de aard, intensiteit en duur en plaats van de verlichting en anderzijds door de kans op blootstelling, die gerelateerd is aan de omgeving en de leefwijze van mens en dier. Toetsing De planlocatie grenst voor een deel aan het landelijk gebied (ten noorden van de locatie). Lichtuitstraling moet zoveel mogelijk wordt beperkt, zeker ten opzichte van donkere landelijke gebieden. Conclusie In de verdere planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met licht en duisternis. De lichtuitstraling moet zoveel mogelijk wordt beperkt, zeker ten opzichte van donkere landelijke gebieden.
4.13 Omgevingsveiligheid Omgevingsveiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Er wordt onderscheid gemaakt tussen stationaire bronnen en transportroutes voor gevaarlijke stoffen. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen, met vaste of te berekenen afstanden tot (beperkt) kwetsbare locaties of gebouwen of zeer kwetsbare gebouwen. Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven met risicocontouren rondom een risicovolle activiteit of langs een vervoersas. Het groepsrisico drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Risicovolle activiteiten en transportroutes die behoren tot het Basisnet hebben een brand-, explosie- en/of gifwolkaandachtsgebied (art. 5.12 Bkl). Aandachtsgebieden verduidelijken waar extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen.
30
Toetsing Toetsing risicovolle activiteiten: Volgens de Atlas Veiligheid (Bron: registerexterneveiligheid.nl, 24 april 2025) bevinden zich in de nabije omgeving van het plangebied geen risicovolle activiteiten die van invloed zijn op de planontwikkeling. De risicocontouren en aandachtsgebieden van de dichtstbijzijnde risicovolle activiteiten reiken niet over het plangebied. Andersom zorgt de ontwikkeling van het plangebied niet tot een beperking van deze risicovolle activiteiten. Toetsing Vervoer van gevaarlijke stoffen: Binnen de gemeente Schouwen-Duiveland zijn de autowegen N57 en N59 en de vaarroute Krammersluizen / Zijpe aangewezen als transportroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in het Basisnet. De N57 en N59 liggen op een zodanig grote afstand, dat de aandachtsgebieden niet over het plangebied reiken. De vaarroute Krammersluizen / Zijpe ligt op een zodanige afstand dat de aandachtsgebieden niet over het plangebied reiken. Het thema buisleidingen is niet van toepassing op het plangebied. Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Andersom zorgt de ontwikkeling niet voor een beperking van risicovolle activiteiten en transportroutes vervoer gevaarlijke stoffen.
4.14 Trillingen Trillingen kunnen nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ze kunnen effect hebben op het welzijn of schade aan gebouwen veroorzaken. De Omgevingswet beschermt (delen van) gebouwen. Op grond van de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving dient rekening te worden gehouden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen.