CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

1361266 Bijlage 4 Bijlagen ruimtelijke onderbouwing Burghsering 21 en 21a

Gemeenteraad 17 april 2025, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: RVS Omgevingsvergunning realiseren twee woningen Burghse Ring 21 en 21a te Burgh Haamstede (1361266)20.111 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

geïntroduceerd (overeenkomstig de regels van artikel 22 van de habitatrichtlijn), moet dit gebied als deel van het natuurlijke verspreidingsgebied worden beschouwd. … Exemplaren of wilde populaties van een diersoort die opzettelijk of per ongeluk door de mens zijn geïntroduceerd op plaatsen waar zij niet eerder in de natuur zijn voorgekomen of waar zij zich niet in de nabije toekomst op natuurlijke wijze zouden hebben verspreid, worden echter geacht zich buiten hun natuurlijke verspreidingsgebied te bevinden en vallen derhalve niet onder de richtlijn.” Hieruit zou volgen dat de boomkikker op Schouwen-Duiveland niet wettelijk beschermd is. De Provincie Zeeland gaat er echter vanuit dat de boomkikker op Schouwen-Duiveland wel wettelijk beschermd is. Deze problematiek wordt momenteel uitgezocht door de juridische afdeling van de Provincie Zeeland (mededeling mevrouw Noortje Meijdam, Provincie Zeeland, 24 juni 2024). Conclusie boomkikker Aangezien het op Schouwen-Duiveland gaat om (nakomelingen van) door de mens geïntroduceerde boomkikkers, is de soort hier volgens de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland) niet beschermd (conform de Habitatrichtlijn). Volgens de Provincie Zeeland is de soort hier echter wel beschermd.

Aangezien niet uitgesloten kan worden dat tijdens de sloop- en bouwwerkzaamheden individuen van de boomkikker worden gedood, moet wellicht toch een ontheffing worden aangevraagd bij de Provincie Zeeland. Het project gaat in ieder geval niet ten koste van voortplantingshabitat van de soort en heeft een te verwaarlozen effect op de gunstige staat van instandhouding van de regionale populatie.

Er komt een flinke populatie Boomkikkers voor in de Kop van Schouwen (foto Peter Meininger).

23

Verspreiding van de boomkikker in Zeeland in 2010-2023 (https://www.verspreidingsatlas.nl/A241). Gele bolletjes: geïntroduceerde populatie.

Heikikker De heikikker is beschermd volgens de Wet natuurbescherming (Habitatrichtlijn, bijlage 4). Deze soort komt vrij schaars voor in natte delen van de Schouwse duinen. De dichtstbij het projectgebied gelegen waarnemingen zijn gedaan in Het Zeepe, op meer dan 1 km van het projectgebied (de Jong et al. 2020, NDFF). Heikikkers overwinteren op vorstvrije plaatsen op het land van eind oktober tot begin maart. In tegenstelling tot de bruine kikker overwintert de heikikker nagenoeg niet in het water (ravon.nl/Soorten/Soortinformatie/heikikker). In het projectgebied ontbreekt geschikte habitat voor deze soort. Conclusie heikikker Aangezien geschikte habitat voor de heikikker er ontbreekt, is het voorkomen van deze soort in het projectgebied redelijkerwijs uit te sluiten. Er zijn geen nadelige gevolgen van het project voor de heikikker (individuen, populatie of leefgebieden) en er is geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van de soortenbescherming. Het aanvragen van een ontheffing is niet nodig. Rugstreeppad De rugstreeppad is beschermd volgens de Wet natuurbescherming (Habitatrichtlijn, bijlage 4). Deze soort is niet zeldzaam op Schouwen-Duiveland en komt ook voor in de duinen en op enkele plaatsen in de bebouwde kom van Burgh en Haamstede. In en om het projectgebied ontbreekt op dit moment geschikte voortplantingshabitat.

De soort gebruikt ondiepe zoete of brakke plassen als voortplantingsgebied. In Nederland kan de rugstreeppad gedurende een lange periode eieren afzetten: van half april tot en met september. Rugstreeppadden kunnen als pionier flinke afstanden afleggen en snel nieuwe geschikte gebieden koloniseren. Ze overwinteren onder andere in zandhopen. Voor nadere details zie Kennisdocument Rugstreeppad (Bij12 2017f). 24

Conclusie Rugstreeppad Indien wordt voorkomen dat tijdens de werkzaamheden geschikte voortplantingshabitat voor rugstreeppadden ontstaat (ondiepe zoete of brakke plassen in medio april-medio september) of er tijdelijk grondhopen blijven liggen in het najaar (waar ze in kunnen kruipen om te overwinteren), zijn er geen nadelige gevolgen van het project voor de rugstreeppad (individuen, populatie of leefgebieden). Er is dan geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van de soortenbescherming en het aanvragen van een ontheffing is niet nodig.

Rugstreeppad in Zeeuws-Vlaanderen (Peter Meininger).

Overige soorten De gewone pad, bruine kikker, groene kikker (complex) en kleine watersalamander (alle met een provinciale vrijstelling voor ruimtelijke ingrepen) komen zeker of waarschijnlijk voor in de omgeving van het projectgebied, met name in (tuin)vijvers (NDFF). Conclusie overige amfibieën en reptielen Voor de soorten waarvoor een provinciale vrijstelling van toepassing is (gewone pad, bruine kikker, groene kikker [complex]), geldt de zorgplicht. Met inachtneming van de aanbevelingen voor een ecologisch werkprotocol is er geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van de soortenbescherming. Het aanvragen van een ontheffing is niet nodig.

5.9 Vlinders, libellen en overige ongewervelde dieren Binnen het projectgebied is geen aanwezigheid van beschermde vlinders en libellen (en overige ongewervelde dieren) bekend en dit kan op grond van het ontbreken van geschikte habitat vrijwel worden uitgesloten. De grote vos (een beschermde dagvlinder) heeft op Schouwen-Duiveland alleen een kleine populatie in het Krekengebied Ouwerkerk (NDFF). Zwervers duiken incidenteel elders op het eiland op. Conclusie ongewervelde dieren Aangezien geschikte habitat voor beschermde soorten vlinders, libellen (en overige ongewervelde dieren) er ontbreekt, is het voorkomen van deze soorten in het 25

projectgebied redelijkerwijs uit te sluiten. Er zijn geen nadelige gevolgen van het project voor deze soorten (individuen, populaties of leefgebieden) en er is geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van de soortenbescherming. Het aanvragen van een ontheffing is niet nodig.

5.10

Planten

Binnen het projectgebied is geen aanwezigheid van beschermde (vaat-)planten bekend (Meininger 2018, NDFF), noch zijn deze tijdens het veldbezoek aangetroffen. De aanwezigheid van beschermde planten kan op grond van het ontbreken van geschikte habitat worden uitgesloten. Conclusie planten Er komen geen wettelijk beschermde plantensoorten voor in het projectgebied. Er zijn geen nadelige gevolgen van het project voor beschermde plantensoorten (exemplaren, populaties of leefgebieden) en er is geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van de soortenbescherming. Het aanvragen van een ontheffing is niet nodig.

26

6. Invasieve exoten 6.1 Wat zijn invasieve exoten? Een exoot is een plant, dier of ander organisme dat van nature niet in Nederland voorkomt. Als een soort schadelijk is voor de natuur, noemen we ze invasieve exoten. Sinds 3 augustus 2016 is er een Europees verbod op bezit, handel, kweek, transport en import van schadelijke exotische planten en dieren. De schade die invasieve exoten veroorzaken, is een Europees probleem. Om dit probleem zo effectief mogelijk aan te pakken, is een Europese verordening ontwikkeld. Hierin staat een aantal geen verboden om schade in de Europese Unie zoveel mogelijk te voorkomen. Onderdeel van de verordening is de zogenaamde ‘Unielijst’. Hierop staan soorten die al in delen van de Europese Unie voorkomen en schade toebrengen of dit in de toekomst waarschijnlijk gaan doen (nvwa.nl/onderwerpen/invasieve-exoten/unielijst-invasieve-exoten). Voor lidstaten geldt de plicht om in de natuur aanwezige populaties op te sporen en te verwijderen. En als dat niet lukt om de populatie zodanig te beheren dat verspreiding en schade zoveel mogelijk wordt voorkomen.

6.2 Invasieve planten Van de 26 soorten invasieve landplanten die op de ‘Unielijst’ staan, zijn op Schouwen-Duiveland alleen aangetroffen: de reuzenberenklauw (op vrij veel plaatsen) en de reuzenbalsemien (vooral in de Kop van Schouwen, maar ook op enkele andere plaatsen, onder andere bij Kerkwerve en Schuddebeurs). Daarnaast zijn er nog drie ‘lastige’ plantensoorten aangetroffen die (nog) niet op de ‘Unielijst’ staan: alsemambrosia, azijnboom en Japanse duizendknoop. Op de ‘Unielijst’ staan ook invasieve waterplanten, maar in het projectgebied ontbreekt geschikte habitat voor deze soorten.

6.3 Voorkomen in het projectgebied In het projectgebied werden geen invasieve planten aangetroffen.

27

7. Aanbevelingen voor een ecologisch werkprotocol (EWP) Werkzaamheden Bij de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de ‘algemene zorgplicht’ uit de Wet natuurbescherming. Voor alle in het wild voorkomende plantenen diersoorten, dus ook voor onbeschermde en beschermde soorten die zijn vrijgesteld, geldt deze ‘algemene zorgplicht’. Dit houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen moet nemen om schade aan beschermde gebieden en in het wild voorkomend planten- en diersoorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Volgens diverse gedragscodes is het opstellen van een ecologisch werkprotocol verplicht en leidend bij de uitvoering van de werkzaamheden. Het ecologisch werkprotocol is een praktisch document waarin een ecologisch deskundige van de opdrachtnemer onderbouwt welke maatregelen ingezet worden om tijdens de uitvoering verstoring van of schade aan flora en fauna te voorkomen en/of te beperken. Dit hoofdstuk is nadrukkelijk geen compleet ecologisch werkprotocol. De in dit hoofdstuk geformuleerde aanbevelingen en suggesties kunnen echter wel worden gebruikt bij het opstellen van een ecologisch werkprotocol door een opdrachtnemer die werkt volgens een goedgekeurde gedragscode ‘natuur’ Omgevingswet. Zie https://www.rvo.nl/onderwerpen/buitenwerken/overzicht-gedragscodes.

Zorgplicht Bij de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de ‘zorgplicht’ uit de Wet natuurbescherming (nu Omgevingswet). Voor alle in het wild voorkomende planten- en diersoorten, dus ook voor onbeschermde en beschermde soorten die zijn vrijgesteld, geldt deze ‘specifieke zorgplicht’. Dit houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen moet nemen om schade aan beschermde gebieden en in het wild voorkomend planten- en diersoorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Richtlijnen Hieronder staan richtlijnen om negatieve effecten op de in het gebied voorkomende planten en dieren zo veel mogelijk te beperken. Deze richtlijnen kunnen een basis vormen voor een door een opdrachtnemer op te stellen en toe te passen ecologisch werkprotocol, conform een goedgekeurde gedragscode ‘natuur’ Wet natuurbescherming / Omgevingswet. 

  28

Sloop-, kap-, snoei en rooiwerkzaamheden worden buiten het broedseizoen van de vogels gepland. Dit geldt ook voor het verwijderen van takkenbossen en dergelijke. Als broedseizoen geldt in dit geval de periode van 1 maart tot 15 augustus, maar in een vroeg of laat voor- of najaar kunnen deze grenzen in overleg met een ecologisch deskundige worden aangepast. Bouwactiviteiten, bestrating en aanplant kunnen ook tijdens het broedseizoen worden uitgevoerd, mits de activiteit vóór het broedseizoen is gestart óf door een ecologisch deskundige is vastgesteld dat er geen broedvogels aanwezig zijn. Aangetroffen broedende vogels, in gebruik zijnde nesten en eieren dienen altijd te worden gespaard, ook buiten het reguliere broedseizoen. Broedende vogels mogen evenmin worden verstoord. Het personeel dient te allen tijde te letten op alarmerende vogels en hun nesten. Er wordt, indien beschikbaar, natuurvriendelijk materieel ingezet en/of sparende technieken toegepast. Schade aan bermen, slootkanten, houtsingels, bosjes en solitaire bomen, bijvoorbeeld door

  

  

29

insporing, wordt voorkomen. De rijsnelheid van machines wordt zo afgesteld dat dieren zo veel mogelijk kunnen wegvluchten. Bij voorkeur wordt stapvoets gereden. Er wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van bestaande infrastructuur van wegen, paden en sporen. Werkzaamheden vinden in beginsel plaats in de daglichtperiode, opdat verstoring van de omgeving door verlichting wordt voorkomen. Bij nachtelijke verlichting van een werklocatie wordt uitstraling naar de omgeving vanaf een uur na zonsondergang zo veel mogelijk voorkomen. Er wordt één kant op gewerkt en – indien aan de orde – van de dichte zijde naar het open water of gebied gewerkt, zodat dieren kunnen wegvluchten. Dit geldt voor alle groenzones. Voer vrijkomende materialen netjes af en voorkom dat deze in de omgeving belanden. Maak bij de aan- en afvoer van materialen en materieel met vrachtwagens over bermen of andere kruidachtige vegetaties gebruik van rijplaten, waardoor schade aan de grasmat en de vegetatie en ook insporing wordt voorkomen.

8. Literatuur Bekker J.P., Calle L., Dobbelaar S., Fortuin A., Jacobusse C. & de Kraker K. 2010. Zoogdieren in Zeeland. Fauna Zeelandica deel 6, Zoogdierwerkgroep Zeeland / Het Zeeuwse Landschap, sine loco. BIJ12 2017a. Kennisdocument Noordse woelmuis, versie 1.0. https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-013Kennisdocument-Noordse-woelmuis-1.0.pdf. BIJ12. 2017b Kennisdocument Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii. Versie 1.0. juli 2017, Utrecht. https://www.bij12.nl/wp-content/uploads/2023/11/Kennisdocument-Ruige-dwergvleermuis.pdf BIJ12. 2017c Kennisdocument Gewone grootvleermuis Plecotus auritus. Versie 1.0. juli 2017, Utrecht. https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-005-Kennisdocument-Gewone-grootoorvleermuis-1.0.pdf BIJ12. 2017d Kennisdocument Watervleermuis Myotis daubentonii. Versie 1.0. juli 2017, Utrecht. https://www.bij12.nl/wp-content/uploads/2023/11/Kennisdocument-Watervleermuis.pdf BIJ12. 2017e Kennisdocument Rosse vleermuis Nyctalus noctula. Versie 1.0. juli 2017, Utrecht. https://www.bij12.nl/wp-content/uploads/2023/11/Kennisdocument-Rosse-Vleermuis.pdf BIJ12 2017f Kennisdocument Rugstreeppad Bubo calamita. Versie 2.1, februari 2023. Utrecht. https://www.bij12.nl/wp-content/uploads/2023/11/Kennisdocument-Rugstreeppad.pdf BIJ12 2023a Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus. Versie 2.0, juli 2023. Utrecht.

https://www.bij12.nl/wpcontent/uploads/2023/11/Kennisdocument-Gierzwaluw.pdf BIJ12 2023b Kennisdocument Huismus Passer domesticus. Versie 2.1, februari 2023. Utrecht. https://www.bij12.nl/wpcontent/uploads/2023/02/Kennisdocument-Huismus-versie-2.1-februari-2023.pdf. BIJ12. 2024a Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus. Versie 2.0. april 2024, Utrecht. https://www.bij12.nl/wp-content/uploads/2023/11/Kennisdocument-Gewone-dwergvleermuis-versie-2.0.pdf BIJ12 2024b Kennisdocument kleine marterachtigen. Versie 1.0. januari 2024, Utrecht. https://www.bij12.nl/wp-content/uploads/2024/01/Kennisdocument-kleine-marterachtigen.pdf BIJ12. 2024a Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus. Versie 2.0. april 2024, Utrecht. https://www.bij12.nl/wp-content/uploads/2023/11/Kennisdocument-Gewone-dwergvleermuis-versie-2.0.pdf BIJ12 2024b. Kennisdocument kleine marterachtigen. Versie 1.0. januari 2024, Utrecht. https://www.bij12.nl/wp-content/uploads/2024/01/Kennisdocument-kleine-marterachtigen.pdf Jacobusse E. 2019. Provinciaal beschermingsplan noordse woelmuis. Een onderzoek naar de manier waarop binnen de provincie Zeeland voldaan kan worden aan de instandhoudingsdoelen voor de noordse woelmuis. Afstudeeronderzoek Aeres Hogeschool, Almere / Provincie Zeeland, Middelburg. de Jong J., Leenhouts M. & Lesnik G. 2020.

Onderzoek naar de heikikker (Rana arvalis) en levendbarende hagedis (Zootoca vivipara) op Schouwen-Duiveland. Rapport. HAS Kennistransfer en Bedrijfsopleidingen, ’s-Hertogenbosch. Meininger P.L. (redactie) 2018. Flora Zeelandica. Verspreiding van planten in het Zeeuwse landschap in heden en verleden. FLORON, Nijmegen. van der Molen S. 2000. Over de Boomkikkers op Schouwen (ingezonden brief). Ravon 10: 13-14. Musters K. 2000. Boomkikkers op Schouwen. Ravon 9: 49-51. Netwerk Groene Bureaus, werkgroep 'Standaarden en protocollen' 2023. Soortinventarisatie-protocollen in het kader van de Wet natuurbescherming, versie november 2023. https://www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aankwaliteit/soortinventarisatieprotocollen/protocollen-vis-amfibie-reptiel-vogel.

30

50/123

Bijlage 4

51/123

Stikstofonderzoek

- MEMO Memo

DATUM KENMERK VAN

02-10-2024 20231149 B.J. Versteeg

PROJECT OPDRACHTGEVER ONDERWERP

Burghse Ring 21 Mevrouw A. Brink Berekening stikstofdepositie

MEMO STIKSTOFBEREKENINGEN BURGHSE RING 21 BURGH-HAAMSTEDE 1. INLEIDING Aan de Burghse Ring 21 in Burgh-Haamstede wordt het kavel gesplitst om ruimte te maken voor een tweede woning. De huidige woning is vrijstaand. Het plan voorziet de sloop van deze woning, waar twee geschakelde woningen voor terug komen. De sloop van de huidige woning, de realisatie van de nieuwe woningen en daarmee gepaard gaande verkeersgeneratie zouden kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden in de omgeving. De locatie ligt circa 330 meter van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ‘Kop van Schouwen’(zie figuur 1). Met het programma AERIUS Calculator (versie 2024) zijn er berekeningen uitgevoerd om de gevolgen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 in beeld te brengen en te toetsen of de eventuele toename past binnen de eisen die gelden op grond van de Omgevingswet. De berekeningen zijn opgenomen als bijlagen bij deze memo.

Figuur 1 Ligging plangebied (rood omcirkeld) ten opzichte van Natura 2000-gebied

2. TOETSINGSKADER Omgevingswet Sinds 1 januari 2024 is de bescherming van natuurgebieden opgenomen in de Omgevingswet. De Omgevingswet: - verankert de Europese gebiedsbescherming van Natura 2000, bestaande uit Speciale Beschermingszones (SBZ's) op grond van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, in de Nederlandse wetgeving; - vormt de wettelijke basis voor de aanwijzingsbesluiten met instandhoudingsdoelstellingen; - legt de rol van bevoegd gezag voor verlening van vergunningen meestal bij de provincies. Voor Natura 2000-gebieden gelden onder meer de volgende verplichtingen: - De overheid dient ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert. Tevens mag er geen verstoring optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen. - Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied. Bevoegde nationale instanties geven slechts toestemming voor het plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast.

- Als een plan of project om dwingende reden van groot openbaar belang toch moet worden gerealiseerd, terwijl significant negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, moeten alle nodige compenserende maatregelen worden genomen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Europees ecologisch netwerk (Natura 2000) bewaard blijft. Bij de beoordeling van de gevolgen van plannen, projecten en handelingen voor de instandhoudingsdoelstellingen spelen onder andere de ecologische effecten van verzuring en vermesting door een eventuele toename van stikstofdepositie een rol. Uit jurisprudentie volgt dat in een overbelaste situatie al bij een kleine toename van stikstofdepositie sprake kan zijn van significante negatieve effecten. In dat geval is een passende beoordeling noodzakelijk.

2/4

3. BEREKENINGSUITGANGSPUNTEN Aanlegfase Tijdens de aanlegfase ontstaan NOx-emissies door de inzet van materieel, auto’s en vrachtwagens, als gevolg van de bouw van de woningen. Met AERIUS Calculator is een berekening uitgevoerd om de gevolgen van de stikstofdepositie op reeds overbelaste habitattypen en leefgebieden in beeld te brengen. Daarbij mag de stikstoftoename niet groter zijn dan 0,00 mol/ha/jr. Uitgangspunten aanlegfase  Om de maximale jaargemiddelde emissie te bepalen zijn de emissies door verkeer en materieel toegerekend aan 1 jaar;  Het wegverkeer is gemodelleerd als lijnbron. Verkeersaantallen zijn weergegeven als aantallen per jaar;  Het verkeer is gemodelleerd tot de Kraaijensteinseweg. Hier gaat het verkeer op in het heersende verkeersbeeld;  Het materieel op de bouwplaats is als oppervlaktebron gemodelleerd. Hierin is stationair draaien ook opgenomen. Aanlegfase (rekenjaar 2025) 1. Voor de aanlegfase wordt uitgegaan van 44 verkeersbewegingen van zware motorvoertuigen per jaar voor de aan- en afvoer van materiaal. Aangezien de werkzaamheden in eigen beheer worden uitgevoerd zijn er geen lichte verkeersbewegingen opgenomen in de aanlegfase. 2. In de berekening is ook het literverbruik van Adblue in dieselmotoren gespecificeerd. In combinatie met SCR-technologie (selectieve katalytische reductie) zorgt dit voor reductie van de emissie van stikstofoxide (NOx).

Het Adblue verbruik bedraagt bij Stage-IV ongeveer 6%. In de aanlegfase wordt gebruik gemaakt van het materieel weergegeven in tabel 1. De inzet van dit materieel is evenredig verdeeld over de betreffende locatie. In totaal is de bouwtijd circa 18 maanden. Er is gerekend met worst-case waarbij het geheel in rekenjaar 2024 is ingevoerd. Wanneer er worst-case geen stikstofdepositie ontstaat mag er van uit worden gegaan dat er in overige rekenjaren (met lagere emissies) ook geen stikstofdepositie zal ontstaan. Materieel

Klasse

Mini graver

Stage-IV, 75-560 kW

Dieselverbruik Uren/jaar (l/j) 400

40

Adblue verbruik (l/j) 24

Tabel 1 Materieelinzet tijdens bouwfase

Opgemerkt wordt dat er tijdens de sloop- en bouwwerkzaamheden ook gebruik gemaakt wordt van elektrisch materieel. Het gaat hierbij vooral om een elektrische autokraan die bouwdelen van de vrachtwagen af zal hijsen en direct worden verwerkt. Aangezien dit materieel emissieloos is, is het niet in de berekening opgenomen.

3/4

Gebruiksfase (rekenjaar 2026) De nieuwe woningen worden geheel gasloos, derhalve is er geen sprake van gebouwemissies. De enige stikstofemissies zijn afkomstig van het verkeer. De bijbehorende verkeersbewegingen leiden wel tot extra stikstofemissie. Voor de berekening van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de kencijfers uit de CROW. (niet stedelijk, rest bebouwde kom) De maatgevende verkeersgeneratie van het te ontwikkelen verpleeghuis is als weergegeven in tabel 2. Functie Koop, huis, twee-ondereen-kap

Aantal

Kengetal

2

7,8 per woning

Weekdagintensiteit (mvt/etmaal)

15,6

Tabel 2 Verkeersgeneratie beoogde ontwikkeling

In de berekening zijn ook 7,5 koude starts toegevoegd. Er is sprake van een koude start wanneer motorvoertuigen gestart worden nadat ze 2 uur of langer stil gestaan hebben. De katalysator functioneert dan niet gelijk. Hierdoor komt tijdens de koude start relatief meer emissie vrij dan tijdens het rijden met een warme motor. Vanaf het plangebied zal het gegenereerde verkeer volledig worden afgewikkeld via de Burghse Ring 21 waar het verkeer opgaat in het heersend verkeersbeeld. Dit is het geval op het moment dat het aan- en afrijdende verkeer zich heeft verdund tot enkele procenten van het reeds aanwezige verkeer.

4. RESULTATEN EN CONCLUSIE AERIUS Calculator geeft aan dat er geen rekenresultaten zijn hoger dan 0,00 mol/ha/jr. voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. Daarbij moet er wel gebruik worden gemaakt van elektrisch materieel. Op grond van de Omgevingswet voor het onderdeel Natura 2000-gebieden zijn er qua stikstofdepositie geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van dit project. De berekeningen zijn als bijlagen bij deze memo gevoegd.

4/4

Projectberekening Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen Natura 2000-gebieden, op rekenpunten die overlappen met stikstofgevoelige habitattypen en/of leefgebieden, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstofdepositie.

Overzicht Samenvatting situaties Resultaten Detailgegevens per emissiebron Deze PDF is een digitaal bestand dat weer in te lezen is in AERIUS. Meer toelichting over de PDF en AERIUS kunt u vinden in de of .

handleidingen op onze website

Projectberekening

Contactgegevens Rechtspersoon Inrichtingslocatie

Activiteit

Omschrijving Toelichting

Berekening

Rho adviseurs Burghse Ring 21, - Burgh-Haamstede Burghse Ring 21 Aanlegfase

AERIUS kenmerk Datum berekening Rekenconfiguratie

RqvXhbxVhSQd 02 oktober 2024, 10:01 OwN2000-rekengrid

Totale emissie

Rekenjaar

Emissie NH₃

Emissie NOₓ

Resultaten

Hoogste bijdrage

Hexagon

Gebied

Aanlegfase - Beoogd Aanlegfase - Beoogd Gekarteerd oppervlak met toename (ha) Gekarteerd oppervlak met afname (ha) Grootste toename Grootste afname

RqvXhbxVhSQd (02 oktober 2024)

2025 -

98,2 g/j

2,5 kg/j

2/7

Projectberekening

Aanlegfase (Beoogd), rekenjaar 2025 Emissiebronnen 4 Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfstoffenwinning | Materieel  Verkeersnetwerk

RqvXhbxVhSQd (02 oktober 2024)

Emissie NH₃

Emissie NOₓ

96,0 g/j 2,2 g/j

2,4 kg/j 0,2 kg/j

3/7

Projectberekening

Hoogste af- en toename op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden.

500 m Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn Niet bepaald

© OSM & Kadaster Grootste toename (projectberekening) Grootste afname (projectberekening) Hoogste totaal (achtergrond + projectberekening)

De letters bij de bronlabels op de kaart geven bij welke type situaties de bronnen horen: beoogde situatie (B), referentiesituatie (R) en/of salderingssituatie (S). RqvXhbxVhSQd (02 oktober 2024)

4/7

Projectberekening

Resultaten stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden situatie "Aanlegfase" (Beoogd) incl. saldering e/o referentie Er zijn geen resultaten voor deze weergave.

RqvXhbxVhSQd (02 oktober 2024)

5/7

Projectberekening

Aanlegfase, Rekenjaar 2025

1 Verkeer | Rijdend verkeer Naam Verkeer Locatie X:40691,25 Y:412449,9 Lengte 451,33 m Wegtype Binnen bebouwde kom (normaal) Rijrichting Van B naar A Tunnelfactor 1 Type hoogteligging Normaal Weghoogte t.o.v. maaiveld 0 m Verkeer Max. snelheid

Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer

Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren

2 Verkeer | Rijdend verkeer Naam Verkeer Locatie X:40910,56 Y:412697,74 Lengte 632,27 m Wegtype Binnen bebouwde kom (normaal) Rijrichting Van B naar A Tunnelfactor 1 Type hoogteligging Normaal Weghoogte t.o.v. maaiveld 0 m Verkeer Max. snelheid

Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer

Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren

3 Verkeer | Rijdend verkeer Naam Verkeer Locatie X:40937,37 Y:412382,46 Lengte 111,53 m Wegtype Binnen bebouwde kom (normaal) Rijrichting Beide richtingen Tunnelfactor 1 Type hoogteligging Normaal Weghoogte t.o.v. maaiveld 0 m Verkeer Max. snelheid

Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer

RqvXhbxVhSQd (02 oktober 2024)

Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren

Links Rechts NOₓ 64,0 g/j Type scherm - NO₂ 16,1 g/j Hoogte - NH₃ 0,0 kg/j Afstand tot de weg - -

Aantal voertuigbewegingen

0,0 /jaar 0,0 /jaar 22,0 /jaar 0,0 /jaar

In file

0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 %

Links Rechts NOₓ 89,7 g/j Type scherm - NO₂ 22,6 g/j Hoogte - NH₃ 1,0 g/j Afstand tot de weg - -

Aantal voertuigbewegingen

0,0 /jaar 0,0 /jaar 22,0 /jaar 0,0 /jaar

In file

0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 %

Links Rechts NOₓ 31,6 g/j Type scherm - NO₂ 8,0 g/j Hoogte - NH₃ 0,0 kg/j Afstand tot de weg - -

Aantal voertuigbewegingen

0,0 /jaar 0,0 /jaar 44,0 /jaar 0,0 /jaar

In file

0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 %

6/7

Projectberekening

4

Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfstoffenwinning

Naam Locatie Oppervlakte

Materieel X:40681,86 Y:412646,61 0,05 ha

NOₓ NH₃

Naam

Stageklasse

Brandstof­verbruik

Mini graver

Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, SCR: 400 l/j ja

2,4 kg/j 96,0 g/j

Draaiuren AdBlue verbruik

40 u/j

24 l/j

Stof Emissie

NOₓ NH₃

2,4 kg/j 96,0 g/j

Disclaimer Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden. Rekenbasis Deze berekening is tot stand gekomen op basis van AERIUS versie 2024_20240924_e658fbbf94 Database versie 2024_e658fbbf94_calculator_nl_stable Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://link.aerius.nl/website

RqvXhbxVhSQd (02 oktober 2024)

7/7

Projectberekening Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen Natura 2000-gebieden, op rekenpunten die overlappen met stikstofgevoelige habitattypen en/of leefgebieden, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstofdepositie.

Overzicht Samenvatting situaties Resultaten Detailgegevens per emissiebron Deze PDF is een digitaal bestand dat weer in te lezen is in AERIUS. Meer toelichting over de PDF en AERIUS kunt u vinden in de of .

handleidingen op onze website

Projectberekening

Contactgegevens Rechtspersoon Inrichtingslocatie

Activiteit

Omschrijving Toelichting

Berekening

Rho adviseurs Burghse Ring 21, - Burgh-Haamstede Burghse Ring 21 Gebruiksfase

AERIUS kenmerk Datum berekening Rekenconfiguratie

RyTKA7WAosfi 02 oktober 2024, 09:40 OwN2000-rekengrid

Totale emissie

Rekenjaar

Emissie NH₃

Emissie NOₓ

Resultaten

Hoogste bijdrage

Hexagon

Gebied

Gebruiksfase - Beoogd Gebruiksfase - Beoogd Gekarteerd oppervlak met toename (ha) Gekarteerd oppervlak met afname (ha) Grootste toename Grootste afname

RyTKA7WAosfi (02 oktober 2024)

2026 -

0,1 kg/j

0,8 kg/j

2/6

Projectberekening

Gebruiksfase (Beoogd), rekenjaar 2026 Emissiebronnen 2 

Verkeer | Koude start: overig | Verkeer - koude start Verkeersnetwerk

RyTKA7WAosfi (02 oktober 2024)

Emissie NH₃

Emissie NOₓ

0,1 kg/j 0,0 kg/j

0,7 kg/j 11,2 g/j

3/6

Projectberekening

Hoogste af- en toename op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden.

500 m Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn Niet bepaald

© OSM & Kadaster Grootste toename (projectberekening) Grootste afname (projectberekening) Hoogste totaal (achtergrond + projectberekening)

De letters bij de bronlabels op de kaart geven bij welke type situaties de bronnen horen: beoogde situatie (B), referentiesituatie (R) en/of salderingssituatie (S). RyTKA7WAosfi (02 oktober 2024)

4/6

Projectberekening

Resultaten stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden situatie "Gebruiksfase" (Beoogd) incl. saldering e/o referentie Er zijn geen resultaten voor deze weergave.

RyTKA7WAosfi (02 oktober 2024)

5/6

Projectberekening

Gebruiksfase, Rekenjaar 2026

1 Verkeer | Rijdend verkeer Naam Bron 1 Locatie X:40670,23 Y:412660,46 Lengte 9,74 m Wegtype Binnen bebouwde kom (normaal) Rijrichting Beide richtingen Tunnelfactor 1 Type hoogteligging Normaal Weghoogte t.o.v. maaiveld 0 m Verkeer Max. snelheid

Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer 2

Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren

Verkeer | Koude start: overig

Naam Locatie Oppervlakte

Type voertuig

Verkeer - koude start X:40679,44 Y:412650,52 0,02 ha

Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer

Links Rechts NOₓ 11,2 g/j Type scherm - NO₂ 1,4 g/j Hoogte - NH₃ 0,0 kg/j Afstand tot de weg - -

Aantal voertuigbewegingen

In file

15,6 /etmaal 0,0 /etmaal 0,0 /etmaal 0,0 /etmaal

0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 %

NOₓ NH₃

0,7 kg/j 0,1 kg/j

Koude starts

7,5 /etmaal 0,0 /etmaal 0,0 /etmaal 0,0 /etmaal

Disclaimer Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden. Rekenbasis Deze berekening is tot stand gekomen op basis van AERIUS versie 2024_20240924_e658fbbf94 Database versie 2024_e658fbbf94_calculator_nl_stable Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://link.aerius.nl/website

RyTKA7WAosfi (02 oktober 2024)

6/6

Bijlage 5

69/123

Verkennend bodemonderzoek

RAPPORTAGE Verkennend bodemonderzoek Burghsering 21 Burgh-Haamstede

Rapport verkennend bodemonderzoek Burghsering 21, Burgh-Haamstede Opdrachtgever

Rho Adviseurs voor leefruimte Segeersingel 6 4337 LG Middelburg

Rapportnummer

23957.001

Versienummer

D1

Status

Definitief

Datum

22 februari 2024

Opsteller1

De heer I.A. Weststrate, BSc

Kwaliteitscontrole

Mevrouw A.A. Keijzer, MSc

1

Vrijgave In onze rapportages wordt niet gewerkt met handtekeningen en/of parafen. Conform protocol en eisen uit het kwaliteitssysteem wordt het rapport aantoonbaar vrijgegeven.

KWALITEITSZORG Econsultancy is lid van de Vereniging Kwaliteitsborging Bodembeheer (VKB). De VKB is een vereniging van bodemadvies- en -onderzoeksbureaus en heeft als doel kwaliteitsborging en continue verbetering van de dienstverlening van haar leden op het gebied van bodembeheer. Het VKB keurmerk geeft opdrachtgevers de zekerheid dat het uitvoerend bureau werkt conform de eisen die de VKB aan haar leden stelt op het gebied van competenties en integriteit van medewerkers en het toepassen van vigerende normen en onderzoeksprotocollen. CERTIFICERING Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhand-boek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Daarnaast staat veilig werken bij Econsultancy voorop en zijn we gecertificeerd voor VCA*. BETROUWBAARHEID Dit bodemonderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een bodemonderzoek wordt in zijn algemeenheid echter uitgevoerd door het steekproefsgewijs bemonsteren van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een bodemonderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de milieuhygiënische bodemkwaliteit. GELDIGHEID ONDERZOEK Het bodemonderzoek betreft een momentopname.

Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde bodemonderzoek neemt. Onze rapportage is opgesteld conform de ‘Handreiking omgaan met AVG in bodemonderzoeken’ opgesteld door de VKB (29 juni 2022). Hiermee voldoet de rapportage aan de eisen die de wet, NEN en BRL protocollen ons stellen en wordt tevens voldaan aan de AVG. Hierbij wordt opgemerkt dat wetgeving, waaronder KWALIBO regelgeving uit het de regeling bodemkwaliteit, prevaleert boven de AVG. In het kader van de AVG dient, voorafgaand aan publicatie of bij uitlevering aan derden, bijlagen met kadastrale uittreksels en namen van opdrachtgevers, door de publicerende instantie, verwijderd dan wel zwart gelakt te worden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbende.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................................. 1

2

AFBAKENING ONDERZOEKSLOCATIE ......................................................................................................... 1

3

MILIEUHYGIËNISCH VOORONDERZOEK BODEM ....................................................................................... 2 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8 3.9

Geraadpleegde bronnen ................................................................................................................ 2 Historisch en huidig gebruik onderzoekslocatie ............................................................................ 2 Toekomstige situatie ...................................................................................................................... 3 Calamiteiten ................................................................................................................................... 3 Uitgevoerd(e) bodemonderzoek(en) op de onderzoekslocatie ..................................................... 3 Aangrenzende terreindelen/percelen ............................................................................................ 3 Terreininspectie ............................................................................................................................. 3 Informatie lokale of regionale achtergrondgehalten ..................................................................... 4 Bodemopbouw en geohydrologie .................................................................................................. 4

4

CONCLUSIES MILIEUHYGIËNISCH VOORONDERZOEK BODEM (ONDERZOEKSOPZET) .............................. 4

5

VELDWERK ................................................................................................................................................. 5 5.1 5.2 5.3

6

LABORATORIUMONDERZOEK .................................................................................................................... 7 6.1 6.2 6.3 6.4

7

Algemeen ....................................................................................................................................... 5 Grondonderzoek ............................................................................................................................ 5 Grondwateronderzoek ................................................................................................................... 6

Uitvoering analyses ........................................................................................................................ 7 Toetsingskader ............................................................................................................................... 8 Resultaten grond- en grondwatermonsters ................................................................................. 10 Interpretatie analyseresultaten ................................................................................................... 11

SAMENVATTING, CONCLUSIES EN ADVIES .............................................................................................. 12

BIJLAGEN: 1. 2. 3. 4a. 4b. 5.

- Topografische ligging van de locatie - Locatieschets - Boorprofielen - Analysecertificaten - Getoetste analyseresultaten Circulaire bodemsanering - Toetsingskader Circulaire bodemsanering

23957.001

1

INLEIDING

Rho Adviseurs voor leefruimte heeft aan Econsultancy opdracht verleend voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek op de locatie Burghsering 21 te Burgh-Haamstede. Het bodemonderzoek is uitgevoerd in het kader van bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. Het verkennend bodemonderzoek heeft tot doel met een relatief geringe onderzoeksinspanning vast te stellen of op de onderzoekslocatie een grond- en/of grondwaterverontreiniging aanwezig is, teneinde te bepalen of er milieuhygiënische belemmeringen zijn voor de bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. Het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is verricht conform de NEN 5725 "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek". Het bodemonderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5740 "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond". Het veldwerk en de bemonstering zijn uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 2000 "Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek", protocollen 2001 en 2002 en de daarin gestelde eisen.

De analyseresultaten zijn getoetst aan de Interventiewaarden bodemkwaliteit uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bijlage IIa), aan de Kwaliteitseisen voor bodem, grond en baggerspecie uit de Regeling bodemkwaliteit 2022 (bijlage B, tabel 1) en de signaleringsparameters voor grondwater uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl, bijlage Vd) en gebiedsspecifiek beleid (indien aanwezig). Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor de protocollen 2001 en 2002 van de BRL SIKB 2000. In dat kader verklaart Econsultancy geen eigenaar van de onderzoekslocatie te zijn of te worden.

2

AFBAKENING ONDERZOEKSLOCATIE

Het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem omvat de onderzoekslocatie en direct hieraan grenzende terreindelen binnen een afstand van 25 meter. De onderzoekslocatie (± 400 m²) is gelegen aan de Burghsering 21 te Burgh-Haamstede (zie bijlage 1). Het perceel, waar de onderzoekslocatie deel van uitmaakt, is kadastraal bekend gemeente Westerschouwen, sectie C, nummer 3256. Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland bevindt het maaiveld zich op een hoogte van circa 2,6 m +NAP en zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 40.680, Y = 412.640.

23957.001 versie D1

1 / 13

3

MILIEUHYGIËNISCH VOORONDERZOEK BODEM

3.1 Geraadpleegde bronnen Voorafgaand aan de uitvoering van de veldwerkzaamheden is een milieuhygiënisch vooronderzoek bodem uitgevoerd op basis van de NEN 5725. In tabel 3.1 zijn de in het kader van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem geraadpleegde bronnen weergegeven. Van de locatie en de directe omgeving zijn uit verschillende informatiebronnen gegevens verzameld over het historische, huidige en toekomstige gebruik, eventuele calamiteiten, eventueel eerder uitgevoerde bodemonderzoeken, de bodemopbouw en geohydrologie, verhardingen, kabels en leidingen. Tabel 3.1

Geraadpleegde bronnen

Onderdeel

Bron

Historisch, huidig en toekomstig gebruik

Opdrachtgever, d.d. 21 december 2023

Bouw-/milieudossier, ondergrondse tanks, Provincie Zeeland, d.d. 9 januari 2024 calamiteiten, eerder uitgevoerd bodemonderzoek Locatiegegevens van internet: - historisch topografisch kaartmateriaal - basisregistratie grootschalige topografie - kadastrale gegevens - hoogtekaart - luchtfoto's - Google streetview - provinciale bodeminformatie - bodemopbouw - geo(hydro)logie - kabels en leidingen

www.topotijdreis.nl www.pdok.nl www.kadaster.nl www.ahn.nl webservices.gbo-provincies.nl/lufo/services/wms maps.google.nl www.bodemloket.nl maps.bodemdata.nl www.dinoloket.nl www.kadaster.nl/klic-wion

Terreininspectie

Uitgevoerd door medewerker Econsultancy, d.d. 17 januari 2024

3.2 Historisch en huidig gebruik onderzoekslocatie De locatie bevindt zich in de historische dorpskern van Burgh-Haamstede. De huidige bebouwing is gerealiseerd in 1920. Naar alle waarschijnlijkheid was hiervoor ook al bebouwing aanwezig op het terrein. De bebouwing heeft altijd een woonfunctie gehad. Aan de voorzijde van de bebouwing is een oprit en parkeerplaats aanwezig die verhard is met grind. Aan de achterzijde is een gedeelte verhard met tegels. Voor zover bij de opdrachtgever en de gemeente Westerschouwen bekend, heeft er op de onderzoekslocatie nimmer opslag van oliehoudende producten in ondergrondse of bovengrondse tanks plaatsgevonden. In bijlage 2 is de huidige situatie op een locatieschets weergegeven.

23957.001 versie D1

2 / 13

3.3 Toekomstige situatie De initiatiefnemer is voornemens te bouwen op een bodemgevoelige locatie.

3.4 Calamiteiten Voor zover bij de opdrachtgever bekend hebben zich op de onderzoekslocatie in het verleden geen calamiteiten met een bodembedreigend karakter voorgedaan. Ook uit informatie van de gemeente Westerschouwen blijkt niet, dat er zich in het verleden bodembedreigende calamiteiten hebben voorgedaan.

3.5 Uitgevoerd(e) bodemonderzoek(en) op de onderzoekslocatie Op de onderzoekslocatie zijn, voor zover bekend, geen bodemonderzoeken uitgevoerd.

3.6 Aangrenzende terreindelen/percelen In paragraaf 3.1 zijn de geraadpleegde informatiebronnen voor de omliggende terreindelen en aangrenzende percelen binnen 25 meter van de onderzoekslocatie opgenomen. Het bodemgebruik van de omliggende terreindelen is als volgt: • aan de noordzijde bevindt zich een woonhuis; • aan de oostzijde bevindt zich de siertuin behorend bij het woonhuis met daarachter een weiland; • aan de zuidzijde bevindt zich een woonhuis; • aan de westzijde bevindt zich de openbare weg ‘Burghse Ring’ met aan de overzijde van de straat de Hervormde Kerk Burgh. Van de aangrenzende percelen zijn geen bodemonderzoeksgegevens bekend.

3.7 Terreininspectie Voorafgaand aan het bodemonderzoek is er een terreininspectie uitgevoerd. Deze is gericht op de identificatie van bronnen, die mogelijk hebben geleid of kunnen leiden tot een grond- en/of grondwaterverontreiniging. De tijdens de terreininspectie aangetroffen situatie komt overeen met de locatiegegevens, zoals deze zijn opgenomen in paragraaf 3.2. Op de onderzoekslocatie zijn geen mogelijke bronnen voor een grond- en/of grondwaterverontreiniging aangetroffen.

23957.001 versie D1

3 / 13

3.8 Informatie lokale of regionale achtergrondgehalten De onderzoekslocatie is met betrekking tot de bovengrond gelegen binnen de bodemkwaliteitszone "Overige vooroorlogse kernen”, van de bodemkwaliteitskaart die de gemeente Schouwen Duiveland in 2018 heeft opgesteld. Met betrekking tot de bovengrond is de onderzoekslocatie gelegen binnen de bodemkwaliteitszone ‘’Industrie’’. Met betrekking tot de ondergrond is de onderzoekslocatie gelegen binnen de bodemkwaliteitszone "Wonen”.

3.9 Bodemopbouw en geohydrologie De onderzoekslocatie ligt volgens de bodemkaart van Nederland in een niet-gekarteerd gebied. De dichtstbijzijnde kaarteenheid betreft kalkarme leek-/woudeerdgronden, die volgens de Stichting voor Bodemkartering voornamelijk is opgebouwd uit zavel. De afzettingen, waarin deze bodem is ontstaan, behoren geologisch gezien tot de Formatie van Naaldwijk. De gemiddelde stand van het freatisch grondwater bedraagt ± 1,1 m +NAP, waardoor het grondwater zich op ± 1,5 m -mv zou bevinden. Het water van het eerste watervoerend pakket stroomt volgens de isohypsenkaart van de Dienst Grondwaterverkenning van TNO in westelijke richting. Er liggen geen pompstations in de buurt van de onderzoekslocatie die van invloed zouden kunnen zijn op de grondwaterstroming ter plaatse van de onderzoekslocatie. De onderzoekslocatie ligt niet in een grondwaterbeschermings- en/of grondwaterwingebied.

4

CONCLUSIES MILIEUHYGIËNISCH VOORONDERZOEK BODEM (ONDERZOEKSOPZET)

Uit het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem blijkt, dat er sprake is van voormalige en/of huidige bodembelasting op de locatie, waardoor het vermoeden van bodemverontreiniging aanwezig is. Dit in verband met de oudstedelijke bebouwing. Verwacht wordt, dat er verspreid over de locatie wisselende gehalten aan verontreinigende stoffen voorkomen. De verwachte verontreinigende stoffen voor deze situatie zijn metalen, PAK en minerale olie. Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd, dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie voor een "verdachte locatie met diffuse bodembelasting en een heterogene verontreiniging op schaal van monsterneming, niet lijnvormig" (VED-HE-NL). Het doel van het verkennend bodemonderzoek in deze situatie is het bepalen van de aard van de heterogeen verdeelde verontreinigende stof op schaal van monsterneming. Tevens wordt vastgesteld of de vermoede verontreinigende stof de achtergrondwaarde of het geldend achtergrondgehalte overschrijdt.

23957.001 versie D1

4 / 13

Op basis van de resultaten van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem concludeert Econsultancy, dat atmosferische depositie naar verwachting de enige (beperkte) bron van PFAS-verontreiniging op de onderzoekslocatie is. Atmosferische depositie kan leiden tot beperkt verhoogde PFAS-gehalten in bodem en water.

5

VELDWERK

5.1 Algemeen Tijdens het opstellen van het boorplan is rekening gehouden met de doelstellingen en de richtlijnen, die geformuleerd zijn in de inleiding. Daarnaast is rekening gehouden met de gegevens voortvloeiend uit het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem en de ligging van kabels en leidingen. Bijlage 2 bevat de locatieschets met daarop aangegeven de situering van de boorpunten en de peilbuis. In bijlage 3 zijn de boorprofielen opgenomen.

5.2 Grondonderzoek Uitgevoerde werkzaamheden Het veldwerk is op 17 januari 2024 uitgevoerd onder kwaliteitsverantwoordelijkheid van de heer S. Luk. Deze medewerker staat geregistreerd als ervaren veldwerker voor het protocol 2001 van de BRL SIKB 2000 "Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek". In totaal zijn er met behulp van een edelmanboor 5 boringen geplaatst; 2 boringen tot 0,5 m -mv, 1 boring tot 1,0 m-mv, 1 boring tot 2,0 m -mv en 1 boring tot 2,1 m -mv. Deze diepe boring is afgewerkt als peilbuis, teneinde de milieuhygiënische kwaliteit van het grondwater te kunnen bepalen. Van het opgeboorde materiaal is een boorbeschrijving conform protocol 2001 gemaakt en zijn er grondmonsters genomen over trajecten van ten hoogste 0,5 m, waarbij bodemlagen met verontreinigingskenmerken of een afwijkende textuur separaat bemonsterd zijn. Zintuiglijke waarnemingen De bodem bestaat voornamelijk uit matig tot sterk siltig, zeer fijn tot matig grof zand. De bovengrond en ondergrond zijn verder plaatselijk matig humeus. In de bovengrond is ter plaatse van boring 01 en 02 een volledig repac-houdende laag aangetroffen. Verder is de bovengrond plaatselijk zwak baksteenhoudend. De ondergrond is plaatselijkzwak baksteenhoudend en zwak betonhoudend.

23957.001 versie D1

5 / 13

Tabel 5.1 geeft een overzicht van de zintuiglijk waargenomen verontreinigingen en bijzonderheden, die in het opgeboorde materiaal zijn aangetroffen. Tabel 5.1

Zintuiglijk waargenomen verontreinigingen en bijzonderheden

Boornummer

Einddiepte boring (m -mv)

Traject (m -mv)

Waargenomen verontreinigingen en bijzonderheden

01

0,60

0,00 - 0,50

volledig repac, volledig baksteen, zwak betonhoudend

02

2,00

0,00 - 0,30

volledig repac, volledig baksteen, zwak betonhoudend

0,30 - 0,50

zwak baksteenhoudend

0,50 - 1,00

zwak baksteenhoudend

0,00 - 0,50

zwak baksteenhoudend

0,50 - 1,00

zwak betonhoudend

0,10 - 0,50

zwak baksteenhoudend

03

2,10

04

1,00

5.3 Grondwateronderzoek Uitvoering veldwerk Centraal op de onderzoekslocatie is een peilbuis (filterstelling 1,1-2,1 m -mv) geplaatst. De filterstelling is bepaald op basis van de grondwaterstand, zoals deze tijdens de veldwerkzaamheden op 17 januari is ingeschat. Bemonstering De grondwaterbemonstering is op 24 januari uitgevoerd door de heer S. Luk. Deze medewerker staat geregistreerd als ervaren veldwerker voor het protocol 2002 van de BRL SIKB 2000 "Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek". De bemonstering is uitgevoerd conform de NEN 5744. Tabel 5.2 geeft een overzicht van de peilbuisgegevens en de resultaten van de veldmetingen. Tabel 5.2

Overzicht gegevens peilbuis en veldmetingen grondwater

Peilbuisnummer

Situering peilbuis

03

oostelijk op onderzoekslocatie 1,1-2,1

23957.001 versie D1

Filterstelling (m -mv)

Grondwaterstand (m -mv)

Elektrisch Geleidingsvermogen (µS/cm)

Troebelheid (NTU)

Zuurgraad (pH)

0,60

515

42.1

6,8

6 / 13

6

LABORATORIUMONDERZOEK

6.1 Uitvoering analyses Alle grond- en grondwatermonsters zijn aangeboden aan een laboratorium dat is erkend door de Raad voor Accreditatie en AS3000-geaccrediteerd is voor milieuhygiënisch bodemonderzoek. De grondmengmonsters en het grondwatermonster zijn geanalyseerd op de volgende pakketten: -

standaardpakket grond: droge stof, lutum en organische stof, metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), polychloorbifenylen (PCB), polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) en minerale olie;

-

standaardpakket grondwater: metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), vluchtige aromaten (BTEX), styreen, naftaleen, gehalogeneerde koolwaterstoffen (VOX) en minerale olie.

Na bekend worden van de analyseresultaten zijn de individuele grondmonsters, waaruit grondmengmonster MM1 (bovengrond) is samengesteld, separaat geanalyseerd op de parameters PAK. Tabel 6.1 geeft een overzicht van de samenstelling van de grondmengmonsters en de analysepakketten. Tabel 6.1

Overzicht van de samenstelling van de grondmengmonsters en de analysepakketten

Grondmengmonster

Traject (m -mv)

Analysepakket

Bijzonderheden

MM1

02 (0,30 - 0,50) 03 (0,00 - 0,50) 04 (0,10 - 0,50)

standaardpakket

bovengrond (zwak baksteenhoudend)

M02-2

02 (0,30 - 0,50)

PAK

bovengrond (zwak baksteenhoudend)

M03-1

03 (0,00 - 0,50)

PAK

bovengrond (zwak baksteenhoudend)

M04-2

04 (0,10 - 0,50)

PAK

bovengrond (zwak baksteenhoudend)

M2

02 (0,50 - 1,00)

standaardpakket

ondergrond (zwak betonhoudend)

M3

03 (0,50 - 1,00)

standaardpakket

ondergrond (zwak baksteenhoudend)

MM4

02 (1,00 - 1,50) 03 (1,00 - 1,50)

standaardpakket

ondergrond (zintuiglijk schoon)

23957.001 versie D1

7 / 13

6.2 Toetsingskader De analyseresultaten zijn getoetst aan de Interventiewaarden bodemkwaliteit uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bijlage IIa) en aan de Kwaliteitseisen voor bodem, grond en baggerspecie uit de Regeling bodemkwaliteit 2022 (bijlage B, tabel 1). Voor landbodem en grond gelden er vijf verschillende niveaus:

Figuur 6.1 Kwaliteitsklassen voor landbodem en grond

-

Landbouw/natuur, wonen en industrie; Grond welke voldoet aan deze kwaliteitseisen is herbruikbaar/toepasbaar. De verschillende kwaliteitsklassen bepalen de toepassingsmogelijkheden;

-

Matig verontreinigd; Deze grond is niet herbruikbaar/toepasbaar, maar niet sterk verontreinigd. Vanwege de mate van verontreiniging kunnen maatregelen noodzakelijk zijn bij het uitvoeren van een milieubelastende activiteit. Rekening dient te worden gehouden met (sterk) verhoogde afvoerkosten;

-

Sterk verontreinigd: Indien de Interventiewaarde bodemkwaliteit wordt overschreden spreekt men van sterk verontreinigd en zijn er (mogelijk) sanerende maatregelen noodzakelijk, afhankelijk van de voorgenomen milieubelastende activiteit.

De gemeten gehalten zijn door middel van een tijdelijke BoToVa toetsing2, met behulp van de door het laboratorium bepaalde waarden voor het organische stof- en lutumgehalte, omgerekend naar gehalten in een standaardbodem en vervolgens getoetst aan de maximalen waarden voor de kwaliteitsklassen. Voor stoffen die niet genormeerd zijn, zonder achtergrondwaarde of interventiewaarde, geldt de zorgplicht (Circulaire bodemsanering, 2013). De analyseresultaten voor grondwater zijn getoetst aan de signaleringsparameters uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (bijlage Vd). De gebruikte analysetechnieken zijn weergegeven op de certificaten in bijlage 4a. De signaleringsparameters voor de grondwaterkwaliteit dienen als signaal voor het beoordelen van risico’s van de verspreiding van een (historische) verontreiniging in het grondwater, van de noodzaak van curatieve maat-

2

Toetsingen zijn voorlopig uitgevoerd volgens tijdelijke kaders van de Omgevingswet, in afwachting van formele vaststelling door Rijkswaterstaat medio 2024. Hieraan kunnen geen rechten worden ontleen. De tijdelijke toetsing is gebaseerd op de voormalige gevalideerde toetsing en de factsheet van Rijkswaterstaat. https://www.bodemplus.nl/bibliotheek/@287157/factsheet-botova-wijzigingenomgevingswet/

23957.001 versie D1

8 / 13

regelen (saneren) en van het type maatregel. De signaleringsparameters voor grondwaterkwaliteit zijn primair gericht op de bescherming van de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft (waaronder ten behoeve van de drinkwaterwinning). De provincie kan deze regels verbijzonderen in de omgevingsverordening en het waterschap in een waterschapsverordening. Er wordt enkel getoetst aan de signaleringsparameter (voorheen interventiewaarde grondwater). Er is de perceptie dat alle grondwaterverontreinigingen in beeld zijn waardoor enkel de interventiewaarde wordt aangehouden en meer niet. Er dient door elke gemeente een instructieregel opgesteld te worden om te beoordelen of saneren benodigd is bij een historische grondwaterverontreiniging (in het omgevingsplan). Dit gaat afhankelijk zijn van invloed van de verontreiniging en de functie van de locatie. Daarnaast kunnen ook waterschappen eisen stellen (waterschapsverordening) en de provincie (omgevingsverordening). Omgevingsplan De toelaatbare bodemkwaliteit voor het oprichten van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zoals is vastgelegd in het omgevingsplan gemeente Schouwen Duiveland (1 januari 2024), is de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.

Waterschapsverordening / provinciale omgevingsverordening Voor de gemeente Schouwen-Duiveland zijn in de provinciale omgevingsverordening geen aangepaste signaleringsparameters vastgesteld.

23957.001 versie D1

9 / 13

6.3 Resultaten grond- en grondwatermonsters Tabel 6.2 geeft een overzicht van de parameters in de grond die de geldende toetsingskaders overschrijden. Tabel 6.2 Toetsingskaders grond Gehalte > kwaliteitsklasse Landbouw/natuur

Gehalte > Interventiewaarde bodemkwaliteit

Grond(meng)monster

Traject (m -mv)

MM1

02 (0,30 - 0,50) 03 (0,00 - 0,50) 04 (0,10 - 0,50)

kobalt, nikkel, koper, zink, molybdeen, cadmium, kwik, lood, PAK, PCB, minerale olie

M02-2

02 (0,30 - 0,50)

PAK

-

wonen

M03-1

03 (0,00 - 0,50)

-

PAK

sterk verontreinigd

M04-2

04 (0,10 - 0,50)

PAK

-

landbouw/natuur

M2

02 (0,50 - 1,00)

kobalt, nikkel, koper, zink, molybdeen, cadmium, kwik, lood, PAK, PCB, minerale olie

-

industrie

M3

03 (0,50 - 1,00)

kobalt, nikkel, koper, zink, molybdeen, cadmium, kwik, lood, PAK, PCB, minerale olie

-

industrie

MM4

02 (1,00 - 1,50)- 03 (1,00 - 1,50)

kobalt, nikkel, koper, zink, molybdeen, cadmium, kwik, lood, PAK, PCB, minerale olie

-

industrie

Kwaliteitsklasse

industrie

Tabel 6.3 geeft een overzicht van de parameters in het grondwater die het geldende toetsingskader overschrijden. Tabel 6.3 Toetsingskader grondwater Grondwatermonster

Situering peilbuis

parameter(s) > signaleringsparameter

B03

oostelijk op onderzoekslocatie

-

Bijlage 4a bevat de door het laboratorium aangeleverde analysecertificaten. Bijlage 4b bevat de getoetste analyseresultaten aan de Circulaire bodemsanering.

23957.001 versie D1

10 / 13

6.4 Interpretatie analyseresultaten Ter plaatse van boring B03 is in de bovengrond (0,0-0,5 m-mv) een sterke verontreiniging met PAK aangetroffen. In de ondergrond hieronder (0,5-1,0 m-mv) is geen sterke verontreiniging aangetroffen. In de overige boringen die zijn uitgevoerd zijn ook geen sterk verhoogde gehalten aan PAK aangetroffen. De PAK verontreiniging lijkt zich daarom te beperken tot de bovengrond rondom boring B03.

23957.001 versie D1

11 / 13

7

SAMENVATTING, CONCLUSIES EN ADVIES

Rho Adviseurs voor leefruimte heeft aan Econsultancy opdracht verleend voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek op de locatie Burghsering 21 te Burgh-Haamstede. Het bodemonderzoek is uitgevoerd in het kader van bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd, dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie voor een "verdachte locatie met diffuse bodembelasting en een heterogene verontreiniging op schaal van monsterneming, niet lijnvormig" (VED-HE-NL). Het doel van het verkennend bodemonderzoek in deze situatie is het bepalen van de aard van de heterogeen verdeelde verontreinigende stof op schaal van monsterneming. Tevens wordt vastgesteld of de vermoede verontreinigende stof de achtergrondwaarde of het geldend achtergrondgehalte overschrijdt. De bodem bestaat voornamelijk uit matig tot sterk siltig, zeer fijn tot matig grof zand. De bovengrond en ondergrond zijn verder plaatselijk matig humeus. In de bovengrond is ter plaatse van boring 01 en 02 een volledig repac-houdende laag aangetroffen. Verder is de bovengrond plaatselijk zwak baksteenhoudend. De ondergrond is plaatselijkzwak baksteenhoudend en zwak betonhoudend.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15245600/1