CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

1202598 BIJLAGE 10 Ruimtelijke Onderbouwing Weelstraat 5 Oosterland 191223, aanpassing 080724

Commissie Ruimte en Economie 25 november 2024, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: RVS Omgevingsvergunning Weelstraat 5 Oosterland (1202598)12.990 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Bedrijven en milieuzonering

Toetsingskader Het doel van milieuzonering is om te komen tot een optimale kwaliteit van de leefomgeving. Instrumenten van ruimtelijke ordening en milieu kunnen elkaar daarbij ondersteunen. Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen, onderscheidt de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in haar brochure Bedrijven en Milieuzonering (editie 2009) twee omgevingstypen: 1. omgevingstype rustige woonwijk of rustig buitengebied; 2. omgevingstype gemengd gebied.

30

Ad. 1 Een ‘rustige woonwijk’ is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een ‘rustig buitengebied’ (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied. Ad. 2 Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Vervolgens worden in de brochure, op basis van een aantal factoren (geur, stof, geluid en gevaar), richtafstanden genoemd tussen verschillende bedrijfstypen en omgevingstype ‘rustige woonwijk’ of ‘rustig buitengebied’, waarmee gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening kunnen houden. Indien sprake is van het omgevingstype ‘gemengd gebied’, dan kunnen de richtafstanden – zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat en het functioneren van bedrijven – met één afstandsstap worden verlaagd.

Doorwerking plan(locatie) Geurhinder (Wgv) In de directe omgeving van de planlocatie zijn geen (intensieve) veehouderijen en andersoortige agrarische bedrijven gelegen. Milieuzonering (categorie-indeling bedrijven) Omgevingstype De omgeving van de planlocatie bestaat uit diverse woon- en maatschappelijke functies. Uit voorzorg is het de planlocatie bestempeld als ‘rustig woonwijk’. Uitwaartse milieuzonering Met de bouw van een artsenpraktijk is er ook uitwaartse milieuzonering nodig. Een artsenpraktijk heeft een richtafstand van tien meter voor het aspect geluid, zie navolgende tabel. De richtafstanden zijn gebaseerd op een rustig gebied.

De milieubelastende functies en de bijbehorende richtafstanden zijn weergegeven op navolgende afbeelding.

31

Zoals in bovenstaande afbeelding te zien is, ligt de basisschool binnen de richtafstand voor het aspect geluid. Een onderwijsgebouw is een geluidgevoelig object. Een onderwijsgebouw is een geluidgevoelig object. Een verder onderzoek is hierdoor nodig om te beoordelen of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en of het plan geen belangen schaadt. S&W Bouwkundig Ingenieurs heeft een akoestisch onderzoek geluiduitstraling uitgevoerd in verband met de ligging van de basisschool binnen de richtafstand geluid. Het volledige onderzoek is als bijlage 7 aan deze ruimtelijke onderbouwing toegevoegd. De conclusies zijn de volgende: Stap 1, richtafstand Het gezondheidscentrum valt binnen de methodiek van de VNG-uitgave onder milieucategorie 1. De omgeving rondom het bouwplan wordt beoordeeld als een ‘rustige woonwijk’. Dat resulteert in een richtafstand van 10 m. De woningen in de omgeving van het bouwplan liggen op een grotere afstand. De school aan de Weelstraat 1 ligt binnen 10 m van de bedrijfsinrichting van het gezondheidscentrum. De ligging van de bestaande woningen in de omgeving vormen geen belemmering voor het buitenplans inpassen van het nieuwe gezondheidscentrum. Vanwege de afstand van de bestaande school tot het terrein van het nieuwe gezondheidscentrum is stap 1 niet toereikend.

Stap 2 en Stap 3, akoestisch onderzoek In het akoestisch onderzoek zoals beschreven in de hoofdstukken 2, 3 en 4, zijn de volgende aspecten beoordeeld: ▪ Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van geluid afkomstig van de bedrijfsinrichting van het gezondheidscentrum. Als relevante geluidsbronnen zijn beoordeeld de luchtbehandelingskasten op het dak van het gezondheidscentrum, en het parkeren van auto’s op het eigen parkeerterrein van het gezondheidscentrum.

32

▪ Het maximale geluidsniveau (mogelijke piekgeluiden) van activiteiten van de bedrijfsinrichting. Als relevante piekgeluiden is beoordeeld het dichtslaan van een autoportier op het parkeerterrein. ▪ De indirecte hinder veroorzaakt door het verkeer op de Weelstraat, dat het gevolg is van de verkeersaantrekkende werking van het plan. Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau geeft in het rekenmodel de hoogste waarden als volgt: ▪ LAr,LT = 45 dB(A) op de noordoostgevel van de school, Weelstraat 1; ▪ LAr,LT = 43 dB(A) op de noordwestgevel van de woningen Weelstraat 26 en 28. Er wordt voldaan aan de richtlijn van 45 dB(A) volgens stap 2. Een buitenplanse inpassing van het gezondheidscentrum is op basis van dit aspect mogelijk. Het geluid van rijdende personenauto’s op het parkeerterrein op het eigen perceel van het gezondheidscentrum is bepalend. Daarbij is ervan uitgegaan dat er in de dagperiode 120 auto’s parkeren, gedurende de dag verdeeld over de 14 parkeervakken daar. Dat aantal lijkt wel een hoge inschatting te zijn. Ook het geluid dat de luchtbehandelingskasten uitstralen naar de omgeving, is meegenomen in het rekenmodel en in het genoemde resultaat. Het gaat daarbij om de luchtbehandelingskasten die op het platte dak geplaatst zullen worden. Het geluidsniveau van deze installaties is lager dan het geluid van de parkerende auto’s.

Er is daarom in het rekenmodel uitgegaan van wat ruimere bedrijfstijden dat de installaties in werking zijn, dan waar de installateur in eerste instantie van uitgaat. Het maximale beoordelingsniveau wordt bij het realiseren van het gezondheidscentrum veroorzaakt door het dichtslaan van een autoportier op het parkeerterrein, en geeft in het rekenmodel de hoogste waarden als volgt: ▪ LA,max = 70 dB(A) op de noordoostgevel van de school, Weelstraat 1; ▪ LA,max = 63 dB(A) op de noordwestgevel van de woningen Weelstraat 26 en 28. Er wordt ter plaatse van de woningen voldaan aan de richtlijn van 65 dB(A) volgens stap 2. Ter plaatse van de school wordt op het meest ongunstige punt niet voldaan aan stap 2, maar wel aan de richtlijn van 70 dB(A) volgens stap 3. Een buitenplanse inpassing van het gezondheidscentrum is op basis van dit aspect mogelijk. Daarbij is echter een motivatie van het bevoegd gezag nodig, waarom deze geluidsbelasting in deze situatie als acceptabel kan worden beoordeeld. In paragraaf 4.2 zijn enkele argumenten voor deze motivatie voorgesteld. 2230948 Nieuwbouw gezondheidscentrum te Oosterland De indirecte hinder door de verkeersaantrekkende werking van het plan, geeft in het rekenmodel de hoogste waarden als volgt: ▪ LAr,LT = 44 dB(A) op de zuidoostgevel van de school, Weelstraat 1; ▪ LAr,LT = 46 dB(A) op de noordwestgevel van de woningen Weelstraat 2 tot 12.

Er wordt voldaan aan de richtlijn van 50 dB(A) etmaalwaarde volgens stap 2. Een buitenplanse inpassing van het gezondheidscentrum is op basis van dit aspect mogelijk. Daarbij is ervan uitgegaan dat er in de dagperiode 240 auto’s rijden over de Weelstraat, die merkbaar toegeschreven kunnen worden aan het gezondheidscentrum. Dat aantal

33

lijkt wel een hoge inschatting te zijn. In voorliggend rapport zijn de geluidniveaus berekend, inzichtelijk gemaakt en getoetst aan de gestelde geluideisen. Hierbij wordt aan het bevoegd gezag verzocht de voorgestelde situatie te vergunnen. Inwaartse milieuzonering Op basis van de vigerende bestemmingsplannen zijn de milieubelastende functies in de omgeving bepaald, zie onderstaande tabel. De richtafstanden zijn gebaseerd op een rustig gebied.

De milieubelastende functies en de bijbehorende richtafstanden zijn weergegeven op de afbeelding hierna (feitelijk).

In de feitelijke situatie ligt de planlocatie binnen de richtafstand voor het aspect geluid van zowel de school als de sportvereniging. Echter, een artsenpraktijk (zonder bedgebieden vormt geen geluidgevoelig object). Daarom kan worden gesteld dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en worden de belangen van de school en sportvereniging niet geschaad.

34

Ten aanzien van overige bedrijven in de omgeving en de overige aspecten geur, stof, en gevaar is geen sprake van een knelpunt. Conclusie Bezien vanuit het oogpunt van ‘inwaartse milieuzonering’ komt er in de nabijheid van de planlocatie geen bedrijvigheid voor welke een mogelijke belemmering vormt voor het onderliggende plan. Daarnaast levert het plan, vanuit het oogpunt van ‘uitwaartse zonering, ook geen belemmering op voor omliggende bedrijven, rekening houdend met de bevindingen uit het akoestisch onderzoek geluiduitstraling. Dit betekent dat er vanuit de aspecten milieuzonering en hinderlijke bedrijvigheid geen belemmeringen zijn voor het plan. 4.8

Geur

Doelstelling en (wettelijk) beleidskader Er wordt onderscheid gemaakt in agrarische geur en industriële (overige) geur. In de vorige paragraaf is beoordeeld dat de planlocatie niet binnen de richtafstand voor het aspect geur van industriële of agrarische bedrijven ligt. De richtafstanden voor het aspect geur van agrarische bedrijven volstaan niet in alle gevallen. Daarom wordt hieronder het aspect agrarische geur nader toegelicht. In de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) staan standaard, landelijk geldende, afstanden en normen waaraan de ligging en geurbelasting van dierenverblijven getoetst moeten worden, in het geval van een aanvraag om milieuvergunning. De Wgv is nader uitgewerkt in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). De normen gelden ter plaatse van geurgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen) en de afstanden gelden tot deze geurgevoelige objecten. De standaardnormen uit de Wgv zijn in onderstaande tabel opgenomen.

De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid de standaardnormen en afstanden aan te passen middels een gemeentelijke verordening. De planlocatie ligt niet in een gebied waarvoor in de Verordening geurhinder en veehouderij een aangepaste geurnorm of is vastgesteld. Daarom geldt de wettelijke afstand van 50 met en geurnorm van 14 ouE/m3 voor geurgevoelige objecten in het buitengebied. Doorwerking plan(locatie) Afstanden De dichtstbijzijnde veehouderij Nieuwe Bosweg 3 ligt op ongeveer 550 meter van de planlocatie. Ten aanzien van afstanden is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en worden veehouderijen niet in de belangen geschaad.

35

Voorgrondbelasting De dichtstbijzijnde veehouderij met een relevante geuremissie aan Nieuwe Bosweg 3 ligt op een afstand van ongeveer 550 meter van de planlocatie. Gezien de geuremissie in relatie tot de afstand tot de planlocatie kan op voorhand worden gesteld dat de voorgrondbelasting niet relevant zal zijn. Aangezien bestaande geurgevoelige objecten zijn gelegen tussen de veehouderijen en de planlocatie worden de veehouderijen niet in hun belangen geschaad. Achtergrondbelasting Omdat er geen andere veehouderijen in de omgeving zijn gelegen vormt ook de achtergrondbelasting geen knelpunt Conclusie Dit betekent dat er vanuit het aspect geur geen belemmeringen zijn voor het plan. De beoogde functies zijn inpasbaar in de omgeving. 4.9

Akoestiek

Toetsingskader Bij de realisatie van geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen, in de nabijheid van wegen dient in het bestemmingsplan aandacht besteed te worden aan de akoestische omstandigheden. De gevels van de woningen ondervinden namelijk een geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer in de omgeving. De verplichting tot uitvoering van een akoestisch onderzoek is vastgelegd in de Wet geluidhinder. De Wet geluidhinder bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. De Wet geluidhinder geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan, indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidzone van een bestaande geluidbron of indien het plan een nieuwe geluidbron mogelijk maakt. De Wet geluidhinder bepaalt in hoeverre het bouwen op een locatie is toegestaan, het Bouwbesluit bevat onder meer eisen die aan de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie van het gebouw worden gesteld. Deze worden onder meer bepaald door de hoogte van de geluidbelasting, het type buitengeluid en de gebruiksfunctie. Doorwerking plan(locatie) Wegverkeerslawaai Binnen de planlocatie worden geen geluidgevoelige objecten opgericht.

In het beoogde gezondheidscentrum zijn geen bedgebieden voorzien. Daarmee is geen sprake van een geluidgevoelige functie. Het gezondheidscentrum is geen geluidgevoelig object. Nader onderzoek naar de gevolgen van wegverkeerslawaai is derhalve niet noodzakelijk. Industrielawaai

36

Verwezen wordt naar paragraaf 4.7. Spoorweglawaai In de directe omgeving van de planlocatie is geen actieve spoorlijn gelegen. Nader onderzoek naar de gevolgen van spoorweglawaai is derhalve niet noodzakelijk. Vliegtuiglawaai De planlocatie is niet gelegen nabij een (militair) vliegveld. Nader onderzoek naar de gevolgen van vliegtuiglawaai is derhalve niet noodzakelijk. Stiltegebieden De planlocatie is niet gelegen in of nabij een stiltecentrum. Conclusie Vanuit het aspect akoestiek zijn er geen belemmeringen voor het plan. 4.10

Luchtkwaliteit

Toetsingskader Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen decennia in Nederland is verbeterd, voldoet ze nog steeds niet overal aan de normen. Met name fijn stof en stikstofdioxiden leveren problemen op. Het doel van het luchtkwaliteitsonderzoek is het geven van inzicht in de gevolgen van een plan voor de luchtkwaliteit om een goede luchtkwaliteit te kunnen garanderen. Daarom moet luchtkwaliteit al in een vroeg stadium van de planvorming worden meegewogen. Gegevens over de luchtkwaliteit worden verzameld om vervolgens te kunnen bepalen of er voor het doorgaan van het project al dan niet aanvullende maatregelen nodig zijn. In de praktijk zullen met name fijn stof en stikstofdioxiden moeten worden onderzocht. Daarnaast kan een goede ruimtelijke ordening met zich brengen dat een afweging wordt gemaakt rondom de aanvaardbaarheid van een project op een bepaalde locatie.

De luchtkwaliteit hoeft (artikel 5.16 Wet milieubeheer) geen belemmering te vormen voor ruimtelijke ontwikkelingen als: • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • een plan of project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt; • een project per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) dat tevens voorziet in maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. De luchtkwaliteit komt voort uit Europese wet- en regelgeving en de hoofdlijnen van de regelgeving zijn opgenomen in de Wet milieubeheer. In de Nederlandse wetgeving is opgenomen dat in het geval van ruimtelijke ontwikkelingen beoordeelt moet worden welk effect de gewenste ontwikkeling heeft op de luchtkwaliteit. Er zijn echter situaties waarin

37

een ontwikkeling ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan (de verslechtering) van de luchtkwaliteit. In het besluit ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en in de regeling ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (Regeling NIBM) is aangegeven in welke gevallen hiervan sprake is. Concreet is in het Besluit NIBM vastgelegd in welke gevallen een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Een ontwikkeling is NIBM als aannemelijk is gemaakt dat de ontwikkeling een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m 3 voor zowel fijn stof en NO2. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die sowieso niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven.

De regeling geeft concrete getallen voor plannen die gaan over bijvoorbeeld de bouw van woningen en/of kantoren. De grens voor woningbouwplannen ligt bij 3%. Als er twee ontsluitingswegen zijn, mag een grens van 3.000 woningen worden gehanteerd. Op 15 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden die toeziet op het beschermen van bepaalde gevoelige groepen mensen (bijvoorbeeld kinderen, ouderen en zieken). De intentie van het Besluit gevoelige bestemmingen is dat bepaalde gebouwen (bijvoorbeeld scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en verzorgingstehuizen) niet meer worden gebouwd in gebieden waar de normen worden overschreden. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. In de context van het besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als ‘gevoelige bestemming’ gezien. Doorwerking plan(locatie) Vanwege deze ontwikkeling heeft De Roever Omgevingsadvies een luchtkwaliteitsparagraaf uitgevoerd, welke als bijlage 9 aan deze ruimtelijke onderbouwing is toegevoegd. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het plan. Conclusie Vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor het (bouw)plan.

38

4.11

Externe veiligheid

Toetsingskader Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico: Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden.

Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit en kent geen vaste norm, maar een oriëntatiewaarde (= '1'). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in de planlocatie worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag(veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht.

39

Figuur: Wanneer verantwoorden? Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Overige wet- en regelgeving Tot slot wordt in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit en effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPG-tankstations'. Doorwerking plan(locatie) Externe veiligheid inrichtingen Op basis van gegevens van de Signaleringskaart EV zijn de risicobronnen geïnventariseerd. De risicobronnen en invloedsgebieden zijn weergegeven op de afbeelding hieronder.

40

Inrichtingen In de omgeving van de planlocatie liggen geen inrichtingen die relevant zijn ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen. Wegen In de omgeving van de planlocatie liggen geen wegen die relevant zijn ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen. Spoorwegen In de omgeving van de planlocatie liggen geen spoorwegen die relevant zijn ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen Inrichtingen In de omgeving van de planlocatie liggen geen inrichtingen die relevant zijn ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen. Wegen In de omgeving van de planlocatie liggen geen wegen die relevant zijn ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen. Spoorwegen In de omgeving van de planlocatie liggen geen spoorwegen die relevant zijn ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen.

41

Conclusie Vanuit het oogpunt van externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor het (bouw)plan. 4.12

Volksgezondheid

Veehouderijen Er bestaat geen landelijk geldend toetsingskader voor het beoordelen van het aspect volksgezondheid in relatie tot veehouderijen. In de meeste gevallen wordt gebruikgemaakt van de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht d.d. 30 april 2018. Die handreiking bevat een stappenplan waarmee beoordeeld kan worden of volksgezondheid in relatie tot veehouderijen een dusdanig knelpunt vormt, waardoor advies bij de GGD moet worden opgevraagd. Stap 1. Endotoxine Op basis van het endotoxine toetsingskader 1.0 kunnen voor de diercategorieën vleeskuikens, leghennen en varkens de aan te houden afstanden worden bepaald op basis van de totale jaarlijkse fijnstofemissie. Door deze afstanden aan te houden wordt een te hoge blootstelling aan endotoxine voorkomen. De afstanden worden als volgt berekend:

In de omgeving van de planlocatie liggen geen pluimveehouderijen of varkenshouderijen. Stap 1 vormt geen knelpunt. Stap 2. Emissies Onderzocht moet worden of de ontwikkeling leidt tot een toename in de emissie voor geur en/of fijnstof en/of ammoniak. Een toename van geur, fijnstof en/of ammoniak (via vorming van secundair fijnstof) kan mogelijk leiden tot een negatief effect op de volksgezondheid. Het plan leidt niet tot een relevante toename van geur-, ammoniak- en fijnstofemissies. Plangebieden met woningbouw tot 1.500 woningen per ontsluitingsweg zijn conform de Regeling niet in betekenende mate (NIBM) niet van invloed op de luchtkwaliteit (fijn stof in dit geval). Daarnaast blijkt uit de kaarten bij de NSLmonitoringstool dat de luchtkwaliteit ter plaatse van de planlocatie aanvaardbaar is. Stap 2 vormt geen knelpunt. Stap 3a. Geur, milieukundige advieswaarden

42

Onderzocht moet worden of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aan de hand van de volgende milieukundige advieswaarden:

Daarnaast moet onderzocht worden of voldaan wordt aan de afstandseis van 100 meter tussen een veehouderij en een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom of buiten de bebouwde kom. Uit paragraaf 4.8 van deze ruimtelijke onderbouwing blijkt dat aan de gezondheidskundige advieswaarden voor de voor- en achtergrondbelasting voldaan. Stap 3a vormt geen probleem. Stap 3b. Geur, gezondheidskundige advieswaarden Onderzocht moet worden of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aan de hand van de volgende gezondheidskundige advieswaarden:

Daarnaast moet onderzocht worden of voldaan wordt aan de afstandseis van 100 meter tussen een veehouderij en een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom of buiten de bebouwde kom. Uit paragraaf 4.8 van deze ruimtelijke onderbouwing blijkt dat aan de gezondheidskundige advieswaarden voor de voor- en achtergrondbelasting voldaan. Stap 4. Meerdere diersoorten Onderzocht moet worden of er veehouderijen van invloed zijn waar meerdere diersoorten worden gehouden, namelijk a. varkens en pluimvee; of b. rundvee en kleine herkauwers (schapen/geiten); of c. kleine herkauwers onderling Ook moet onderzocht worden of er varkenshouderijen en pluimveehouderijen op een afstand van maximaal 100 meter van elkaar liggen en van invloed zijn op de planlocatie.

43

In de directe omgeving van de planlocatie liggen geen veehouderijen met verschillende diersoorten op korte onderlinge afstand van elkaar en op korte afstand van de planlocatie. Stap 4 vormt geen knelpunt. Stap 5. Afstanden Onderzocht moet worden of: a. geitenhouderijen binnen 2 km van geurgevoelige objecten zijn gelegen; b. pluimveebedrijven binnen 1 km van geurgevoelige objecten zijn gelegen; c. overige veehouderijen binnen 250 m van geurgevoelige objecten in een bebouwde kom zijn gelegen. Het bevoegd gezag beslist of sprake is van een aanvaardbare gezondheidssituatie. Stap 6. Mestbe- of verwerking Onderzocht moet worden of in de directe omgeving sprake is van mestbe- of verwerking als zelfstandige activiteit of als nevenactiviteit. In de directe omgeving van de planlocatie zijn geen bedrijven waarbij sprake is van mestbe- of verwerking. Stap 6 vormt geen knelpunt. Stap 7. Ongerustheid omwonenden In stap 7 van het stappenplan uit de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 wordt ingegaan op ongerustheid bij omwonenden. Gezien de afstand tot veehouderijen wordt geen ongerustheid verwacht. Stap 7 vormt geen knelpunt. Spuitzones In de omgeving van de planlocatie liggen geen gronden waar mogelijk sprake is van een spuitzone. Het aspect spuitzones vormt geen belemmering voor het plan.

Hoogspanningsleidingen In de omgeving van de planlocatie bevinden zich geen hoogspanningsleidingen. Het aspect hoogspanningsleidingen vormt geen belemmering voor het plan. Conclusie De onderdelen volksgezondheid in relatie tot veehouderijen, spuitzones en hoogspanningsleidingen vormen geen belemmering voor onderhavig planvoornemen 4.13

Verkeer en parkeren

De verkeersdruk op de Weelstraat en omliggende wegen zal mogelijk minimaal toenemen ten opzichte van de huidige situatie. Echter is er sprake van een verplaatsing van bestaande medische voorzieningen, wat zorgt voor een kwalitatieve verbetering van het aanbod en een centralisatie van medische zorg binnen de dorpskern. De verkeersdruk bij medische dorpsvoorzieningen wordt uiteraard voor een groot deel ook ingenomen door

44

fietsverkeer. De Weelstraat heeft reeds een voldoende capaciteit om als ontsluiting voor woningen, omliggende voorzieningen en het sportpark te voorzien. De gemeente Schouwen-Duiveland streeft naar een goede ontsluiting, maar ook naar een goede parkeerbalans op het nieuw te ontwikkelen perceel. Voor de planlocatie betekent dit dat de ontsluiting van het terrein afdoende moet zijn en dat er voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein aanwezig moet zijn. Ten aanzien van parkeren is er een parkeeronderzoek uitgevoerd door Tritium Advies. De volledige rapportage is als bijlage 8 aan deze ruimtelijke onderbouwing toegevoegd. Navolgend betreft de integraal uit dit onderzoek overgenomen eindconclusie. Op basis van de parkeernormen uit CROW-publicatie 381, die de gemeente SchouwenDuivenland hanteert in haar beleid, blijkt dat voor de beoogde ontwikkeling van een gezondheidscentrum met 12 behandel-/spreekkamers in totaal 30 parkeerplaatsen benodigd zijn. Er worden 14 nieuwe parkeerplaatsen bij het gezondheidscentrum voorzien, maar er komen 3 parkeerplaatsen in de openbare ruimte te vervallen vanwege de inrit naar deze parkeerplaatsen. In totaal komen er dus 11 extra parkeerplaatsen bij. Dit betekent dat er in de openbare ruimte nog gebruik dient de kunnen worden gemaakt van 19 parkeerplaatsen.

Door middel van een parkeeronderzoek is nagegaan of er in de openbare ruimte voldoende beschikbare parkeerplaatsen zijn om (een deel van) de parkeerbehoefte op te vangen. In totaal zijn 6 tellingen uitgevoerd op maatgevende momenten om de bezettingsgraad van de parkeerplaatsen vast te kunnen stellen. Uit de telmomenten is gebleken dat de hoogste bezettingsgraad 47,3% bedroeg. Indien de 19 benodigde parkeerplaatsen in verband met de beoogde ontwikkeling mee worden genomen in de hoogste bezettingsgraad, levert dit een bezettingsgraad op van 81,8%. Dit ligt onder de gewenste norm van 85%. Hiermee kan worden gesteld dat er sprake is van een acceptabele parkeersituatie. Het bovenstaande in acht nemende, kan gesteld worden dat het aspect parkeren geen belemmeringen oplevert voor het beoogde planvoornemen De ontsluiting van de planlocatie vindt ook in de toekomst plaats op de Weelstraat. In de omgeving van de planlocatie zijn, in de openbare ruimte, parkeervoorzieningen aanwezig waar in noodgevallen een beroep kan worden gedaan.

45

5. ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Exploitatie Behoudens kosten voor ambtelijke voorbereiding en begeleiding zijn er voor de uitvoerbaarheid van de voorgestane ontwikkeling geen andere kosten voor de gemeente in de exploitatiesfeer. De ontwikkeling bevindt zich op eigen terrein van de initiatiefnemer en komt buiten de directe invloedssfeer van de gemeente tot stand. Alle kosten verbonden aan de realisatie van het plan komen voor rekening van de initiatiefnemer. De initiatiefnemer en de gemeente hebben afspraken gemaakt over kostenverhaal en locatie-eisen welke middels anterieure overeenkomst juridisch zijn vastgelegd. Planschade Om de economische uitvoerbaarheid te waarborgen, dient inzicht te worden verkregen of in onderhavige situatie sprake is van planschade. Eventuele tegemoetkomingen in de planschade die uit het bestemmingsplan voortvloeien, zijn voor rekening van de initiatiefnemer.

46

6. MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID De procedure(s) zijn door de wetgever geregeld. Er is een landelijke voorziening waar in elektronische vorm de ruimtelijke visies, plannen, besluiten, verordeningen of algemene maatregelen van bestuur van gemeenten, provincies en Rijk, voor een ieder volledig toegankelijk en raadpleegbaar zijn. Omgevingsdialoog Zowel de Dorpsraad als de voetbalvereniging zijn akkoord met de ontwikkeling van het gezondheidscentrum. Er is verder ook van andere zijden niet gebleken van bezwaren zijn tegen voorliggende planontwikkeling.

47

7. CONCLUSIE In deze ruimtelijke onderbouwing is nadrukkelijk gemotiveerd dat het onderliggende plan zich verhoudt tot de aanwezige functies en waarden in de planlocatie en de directe omgeving ervan. Naast het ruimtelijk-planologische beleid, de stedenbouwkundige toets zijn alle ruimtelijke en milieu-hygiënische deelaspecten onderzocht. Aan de volgende voorwaarden is voldaan: • het motiveren van de afwijking van de geldende bestemmingen middels het opstellen van onderliggende ruimtelijke onderbouwing; • het met een ruimtelijke onderbouwing aantonen van de ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid.

48

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14617876/1