1202598 BIJLAGE 10 Ruimtelijke Onderbouwing Weelstraat 5 Oosterland 191223, aanpassing 080724
Tekst van het document
TITEL
Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van de oprichting van een gezondheidscentrum aan de Weelstraat 5 te Oosterland
INITIATIEFNEMER
De heer X.J.W. Nibbelink en mevrouw drs. M. Smits Talingstraat 7 4302 WB Zierikzee
ADVIESBUREAU
Wintraecken Advies B.V. Harry Bolsiuslaan 13 5481 BN Schijndel
1
Titel: Datum: Projectnummer: Adviesbureau: Auteurs: Contactpersoon: (Post)adres: Telefoon: E-mail: Website:
Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van de oprichting van een gezondheidscentrum aan de Weelstraat 5 te Oosterland 19-12-2023, aanpassing 08-07-2024 2023.127 Wintraecken Advies B.V. Teun van de Camp Msc. en mr. David Wintraecken mr. David Wintraecken Harry Bolsiuslaan 13 5481 BN Schijndel (06) 146 488 29 info@wintraeckenadvies.nl www.wintraeckenadvies.nl
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en/of Wintraecken Advies B.V.
2
INHOUDSOPGAVE 1.
INLEIDING ____________________________________________________________________5
1.1
Aanleiding_____________________________________________________________ 5
1.2
Ligging en begrenzing van de planlocatie ______________________________ 6
1.3
Vigerend bestemmingsplan ____________________________________________ 7
2.
PLANBESCHRIJVING: RUIMTELIJKE STRUCTUUR EN BEELKWALITEIT ______________9
3.
BELEIDSTOETS _______________________________________________________________13
4.
3.1
Inleiding _____________________________________________________________ 13
3.2
Rijksbeleid ___________________________________________________________ 13
3.3
Provinciaal beleid_____________________________________________________ 17
3.4
Gemeentelijk beleid __________________________________________________ 19
MILIEU-HYGIËNISCHE EN PLANOLOGISCHE VERANTWOORDING _________________22
4.1
M.e.r.-beoordeling ___________________________________________________ 22
4.2
Archeologie en cultuurhistorie ________________________________________ 24
4.3
Flora en fauna en stikstof(depositie) __________________________________ 26
4.4
Waterparagraaf ______________________________________________________ 27
4.5
Bodem _______________________________________________________________ 28
4.6
(Ondergrondse) infrastructuur / kabels en (buis)leidingen ____________ 29
4.7
Bedrijven en milieuzonering __________________________________________ 30
4.8
Geur _________________________________________________________________ 35
4.9
Akoestiek ____________________________________________________________ 36
4.10
Luchtkwaliteit ______________________________________________________ 37
4.11
Externe veiligheid __________________________________________________ 39
4.12
Volksgezondheid ___________________________________________________ 42
4.13
Verkeer en parkeren _______________________________________________ 44
5.
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID ____________________________________________46
6.
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID _______________________________________47
7.
CONCLUSIE __________________________________________________________________48
3
Bijlagen 1. Ontwerptekeningen A en B 2. Quickscan milieuaspecten Pastoor Smitsstraat 44 Olland, De Roever Omgevingsadvies, referentie: 20231314.v01, 3 oktober 2023 3. Quickscan Wet natuurbescherming Weelstraat ong. te Oosterland, referentie: 2023-0625, 27 juli 2023 4. Onderzoek stikstofdepositie Weelstraat 5 Oosterland, referentie: 20230725.v02, 7 juli 2024 5. Watertoets Weelstraat 5 te Oosterland, De Roever Omgevingsadvies, referentie: 20231316, 4 oktober 2023 6. Verkennend bodemonderzoek aan de Weelstraat ong. te Oosterland, documentnummer: 23MP0153-adv-01, 24 augustus 2023 7. Akoestisch onderzoek geluidsuitstraling, Nieuwbouw gezondheidscentrum te Oosterland, S&W Bouwkundig Ingenieurs, projectnummer: 2230948, versie: 1.0, 20-11-2023 8. Parkeeronderzoek Weelstraat 3 te Oosterland, Tritium Advies, documentkenmerk 2305/256/CW-01, 25 juli 2023 9. Luchtkwaliteitsparagraaf Weelstraat 5 Oosterland, De Roever Omgevingsadvies, referentie: 20230725.LK.v01, 7 juli 2024
4
1. INLEIDING 1.1
Aanleiding
Initiatiefnemer heeft het planvoornemen om een gezondheidscentrum op te richten aan de Weelstraat 5 in Oosterland. Momenteel is het perceel aan de Weelstraat 5 in gebruik als trapveldje. Deze functie komt te vervallen en de speelvoorzieningen worden verplaatst naar het terrein van de naastgelegen voetbalvereniging. Hierdoor ontstaat er ruimte om een gezondheidscentrum te realiseren, waar verschillende medische functies in worden gehuisvest en dus gecentraliseerd. Het programma ziet er als volgt uit: • Huisartspraktijk met 5 spreekkamers, 1 behandelkamer en een apotheek; • Tandartspraktijk met 5 behandelkamers. Het plan voorziet in een nieuw, eigentijds pand, passend bij de bestaande (woon)omgeving. Binnen het perceel zal voldoende ruimte worden opgericht voor parkeervoorzieningen ten behoeve van gemotoriseerd verkeer en fietsverkeer. Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Schouwen-Duivenland heeft op 29 maart 2022 besloten een positieve grondhouding aan te nemen ten opzichte van dit initiatief. Alvorens het plan kan worden gerealiseerd, dient aan een aantal deels juridische randvoorwaarden te worden voldaan. Het betreft daarbij de volgende drie voorwaarden: 1. het motiveren van de afwijking van de geldende bestemming middels het opstellen van de goede ruimtelijke onderbouwing als basis voor het verlenen van de omgevingsvergunning; 2.
het met de ruimtelijke onderbouwing aantonen van de ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid; 3. het in procedure brengen van de voorliggende ruimtelijke onderbouwing na indienen van de aanvraag omgevingsvergunning. Met deze ruimtelijke onderbouwing wordt derhalve een planologische en juridische basis gelegd om het plan te kunnen realiseren. Zoals in het verdere vervolg van deze ruimtelijke onderbouwing zal blijken, heeft het bouwplan geen negatieve ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische gevolgen voor de planlocatie en de directe omgeving ervan.
5
1.2
Ligging en begrenzing van de planlocatie
De planlocatie is gelegen in het noorden van de kern Oosterland. De directe omgeving van de planlocatie wordt hoofdzakelijk gevormd door sportvoorzieningen, maatschappelijke doeleinden, woondoeleinden, lichte bedrijvigheid en detailhandel. Op navolgende luchtfoto’s is de (globale) ligging van de planlocatie aangegeven (bron: maps.google.nl).
6
1.3
Vigerend bestemmingsplan
De planlocatie valt binnen de grenzen van de bestemmingsplan ‘Nieuwerkerk en Oosterland’ (2014) van de gemeente Schouwen-Duiveland. De vigerende bestemmingen zijn ‘Groen’ en ‘Sport’ met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 7’. De planlocatie valt ook binnen de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – molenbiotoop’. Op de hierna opgenomen uitsnede van de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan zijn de ligging en begrenzing van de planlocatie rood omlijnd aangegeven.
De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. groenvoorzieningen; b. hierbij horende ondergeschikte voorzieningen zoals bermstroken, bermsloten, waterpartijen, taluds, oevers en waterhuishoudkundige voorzieningen, verhardingen, voet- en fietspaden, speelvoorzieningen, straatmeubilair, afvalverzamelvoorzieningen, geluidwerende voorzieningen en nutsvoorzieningen. Op deze gronden zijn uitsluitend ten dienste van de bestemming gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde toegestaan. De voor 'Sport' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. veldsportcomplexen, tennisbanen en golfbanen; b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van sport - schietinrichting': een schietinrichting met uitsluitend (half)onderdergrondse binnenbanen; c. ondergeschikte detailhandels- en horeca-activiteiten uitsluitend ten dienste van de toegestane sport- en sportvoorzieningen;
7
d. hierbij horende ondergeschikte voorzieningen zoals verhardingen, inritten, parkeervoorzieningen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, nutsvoorzieningen, speelvoorzieningen en groenvoorzieningen. Op deze gronden zijn uitsluitend ten dienste van de bestemming gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde toegestaan. De voor 'Waarde - Archeologie - 7' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Deze bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende enkelvoudige bestemmingen. Op of in deze gronden mogen uitsluitend ten dienste van deze dubbelbestemming bouwwerken geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. Voor het oprichten van bouwwerken met een kleiner oppervlakte dan 5000 m2 meter en minder diep dan 0,50 meter worden uitzonderingen gemaakt. Deze bouwwerken zijn in feite op te richten zonder dat hier een archeologische verkenning aan vooraf hoeft te worden gegaan. Ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' zijn de gronden, naast de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het in stand houden van de cultuurhistorische belangen van molens als werktuig en als beeldbepalend element door het beschermen van de windvang van de molens.
Ter plaatse van deze aanduiding mag binnen een afstand van 100 meter van de molen uitsluitend worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels: a. geen bebouwing worden opgericht hoger dan de bestaande hoogte van aanwezige bebouwing, tenzij het bouwwerk dient ter vervanging van aanwezige, legale bebouwing met eenzelfde massa en vorm; b. indien de vrije windvang of het zicht op de molen ter plaatse al beperkt is door aanwezige bebouwing van gelijke of hogere hoogte, is het bepaalde onder a niet van toepassing, mits de vrije windvang en het zicht op de molen niet verder worden beperkt. Ter plaatse van deze aanduiding mag binnen een afstand van 100 tot 400 meter van de molen uitsluitend worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels: a. de hoogte van bouwwerken bedraagt maximaal de uitkomst van de volgende berekening (in meters): (de afstand van het bouwwerk tot de molen gedeeld door 50) plus 2,3 meter, tenzij het bouwwerk dient ter vervanging van aanwezige, legale bebouwing met eenzelfde massa en vorm; b. indien de vrije windvang of het zicht op de molen ter plaatse al beperkt is door aanwezige bebouwing van gelijke of hogere hoogte, is het bepaalde onder a niet van toepassing, mits de vrije windvang en het zicht op de molen niet verder worden beperkt.
8
Afwijking van het bestemmingsplan Deze ruimtelijke onderbouwing geeft een planologisch-juridische regeling ten behoeve van de realisatie van een gezondheidscentrum. Deze wordt opgericht op een plek waar thans geen maatschappelijke functie als deze gerealiseerd mag worden en waar nog niet de mogelijkheid bestaat om bouwwerken op te richten. De bestemmingen ‘Groen’ en ‘Sport’ voldoen niet. De planlocatie ligt binnen de grenzen van de kern Oosterland, in de nabijheid van stedelijk functies. Derhalve kan op basis van de huidige situatie ter plekke en bestemmingen in de directe omgeving worden geconcludeerd dat de oprichting van het gezondheidscentrum passend is in de omgeving. Onderhavig planvoornemen is echter niet mogelijk conform de vigerende bestemmingsplanregels ter plaatse van de planlocatie. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing maakt onderdeel uit van de aanvraag om een omgevingsvergunning. In de ruimtelijke onderbouwing wordt aandacht besteed aan de ruimtelijke en milieu-hygiënische effecten van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling. Uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt hoe het initiatief zich verhoudt – zowel in negatieve als positieve zin – tot de aanwezige functies en waarden binnen de planlocatie en de directe omgeving ervan.
In dit kader worden, behalve het ruimtelijk-planologische beleid en de stedenbouwkundige toets, alle ruimtelijke en milieukundige aspecten nader beschouwd. 2. PLANBESCHRIJVING: RUIMTELIJKE STRUCTUUR EN BEELKWALITEIT Onderhavig planvoornemen heeft betrekking op de gronden gelegen aan de Weelstraat 5 te Oosterland. De planlocatie betreft een trapveldje dat onderdeel uitmaakt van de aangrenzende sportverening. Er is geen bebouwing aanwezig binnen de planlocatie. De planlocatie is gelegen aan de rand van de dorpskern en grenst aan de gronden van de sportvereniging (westzijde) en een schoolvoorziening (zuidwestzijde). Aan de overzijde van de Weelstraat (oostzijde) zijn woningen gelegen.
9
Navolgende afbeeldingen geven een weergave van de bestaande situatie ter plaatse gezien (bron: initiatiefnemer).
De voorgenomen ontwikkeling betreft het oprichten van een gezondheidscentrum in een nieuw, eigentijds pand, welke voldoet aan de huidige wensen en standaarden wat betreft algemene kwaliteitseisen en wat betreft behoeftes en eisen ten aanzien van de medische zorg.
10
De hoofdmassa en hoofdvorm van de nieuwe bebouwing worden afgestemd op de omliggende c.q. naastgelegen bebouwing, maar vormen wel een eigen architectonische eenheid. Door de grootte van het plangebied blijft de afstand tot de in naaste omgeving gelegen functies voldoende groot. Ook qua massa past dit stedenbouwkundig gezien goed op deze locatie. Het nieuwbouwpand wordt zo ingepast dat deze passend is bij de huidige bebouwing en de ruimtelijke structuur in de omgeving. Er is ruimte voor 14 parkeerplekken op eigen terrein voor auto’s en voldoende ruimte voor fietsparkeerplekken, met onder meer een separate fietsenberging voor personeelsleden. In paragraaf 4.13 wordt nader ingegaan op het aspect parkeren. De beoogde ruimtelijke ingreep voorziet in een verandering van de ruimtelijke structuur en beeldkwaliteit ter plaatse van de planlocatie. Ten aanzien van de oppervlakte aan bebouwing vindt er een toename plaats. Navolgende afbeeldingen betreffen een weergave van het ontwerp van respectievelijk de voorzijde en achterzijde van het nieuwe gezondheidscentrum.
Geconcludeerd kan worden dat het oprichten van het nieuwe pand bijdraagt aan een ruimtelijke en visuele koppeling met de bestaande omliggende bebouwing en daarmee
11
een positieve functionele invulling vormt. De voorgestane ontwikkeling steunt de waarborging van de stedenbouwkundige en architectonische uitgangspunten en daarmee de ruimtelijke karakteristiek en identiteit ter plaatse.
12
3. BELEIDSTOETS 3.1
Inleiding
Wat betreft de verantwoordelijkheidstoedeling en bevoegdheidsverdeling zijn het Rijk, de provincies en de gemeenten verantwoordelijk voor hun eigen belangen. Er kan slechts sprake zijn van bemoeienis van Rijk of provincie met de gemeente, indien dat noodzakelijk is vanwege een nationaal respectievelijk provinciaal belang. Rijk en provincies beschikken in de Wet ruimtelijke ordening over dezelfde bevoegdheden als gemeenten om hun eigen ruimtelijke belangen te kunnen uitvoeren. Daarnaast kunnen het Rijk en de provincies algemeen verbindende regels uitvaardigen en aanwijzingen geven om hun belangen veilig te stellen. Het beleid van de gemeente Schouwen-Duiveland vormt dus het kader waarbinnen de functionele en ruimtelijke ontwikkeling wordt vastgesteld. De ruimtelijke ontwikkelingsplannen van Rijk, provincie en regio vormen randvoorwaarden voor het gemeentelijke beleid. Voor zover relevant voor de plannen worden in de volgende paragrafen het Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid toegelicht. 3.2
Rijksbeleid
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), 2012 Toetsingskader Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van kracht geworden. Deze structuurvisie vormt de uitwerking van de ambities van het Rijk, op basis van haar verantwoordelijkheden, in Rijksdoelen en daarmee samenhangende nationale belangen op het gebied van een samenhangend ruimtelijk en mobiliteitsbeleid. Het Rijk heeft tot doel Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te maken in een periode van economische conjunctuurschommelingen, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen. Aanleiding voor het vaststellen van de visie is de constatering dat het voorheen geldende ruimtelijke Rijksbeleid onvoldoende bijdroeg aan het behalen van deze doelen, onder meer door het veroorzaken van bestuurlijke drukte, ingewikkelde regelgeving en een te sectorale blik op vraagstukken. Om dit te keren brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij diegene die het aangaat en laat het meer over aan gemeenten en provincies. Het Rijk onderscheidt thans nog dertien nationale belangen. Uitsluitend op basis van deze belangen intervenieert het Rijk in de ruimtelijke ordening. Een groot deel van deze belangen leidt tot het reserveren van ruimte voor functies.
Dit betreft dan bijvoorbeeld het reserveren van ruimte voor waterberging, militaire activiteiten en de uitbreiding van het hoofdwegennet. Deze belangen zijn vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). Eén van de belangen die niet leidt tot een ruimtereservering is het belang van een ‘zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten’. In het kader van dit belang heeft het Rijk besloten om, ten
13
behoeve van het verminderen van de bestuurlijke drukte en het neerleggen van verantwoordelijkheden bij decentrale overheden, de verstedelijkingsstrategie te wijzigen. Dit houdt in dat het bundelingsbeleid, verdichtingsbeleid, locatiebeleid voor bedrijven en voorzieningen, beleid voor basiskwaliteit, stedelijke netwerken, nationale landschappen en rijksbufferzones is afgeschaft en dat daar slechts één beleidslijn voor terug komt: de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’. Deze ‘ladder’ heeft tot doel het principe van vraaggericht programmeren en het principe van zorgvuldig ruimtegebruik bindend voor te schrijven bij de afwegingen van gemeenten en provincies. Dit belang is als procesvereiste vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Grondgedachte van de ‘ladder’ is dat een activiteit op meerdere locaties zou kunnen plaatsvinden en dat vervolgens de planologisch meest juiste locatie gekozen moet worden. Dat gaat uit van de activiteit. Hiermee wordt beoogd om de voorheen bestaande praktijk, waarbij in veel gevallen een bestemming wordt gezocht voor een bepaalde locatie om te vormen. Doorwerking plan(locatie) De voorliggende planlocatie is niet gelegen in een gebied waarvoor van rijkswege een (relevante) ruimtereservering geldt.
Uitsluitend het nationale belang van een ‘zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten’, als vervat in de ladder voor duurzame verstedelijking, is van toepassing op het onderhavige bestemmingsplan. Aan dit belang wordt navolgend getoetst. Conclusie Aspecten als water, veiligheid, cultuurhistorie en ruimtelijke kwaliteit vormen onderdeel van de planologische toets. Daarmee is het plan niet in strijd met het rijksbeleid. Geconcludeerd kan verder worden dat de onderhavige planlocatie niet gelegen is in een gebied waarvoor van Rijkswege een relevante ruimtereservering geldt. Aan de ladder voor duurzame verstedelijking wordt navolgend getoetst. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), 2012 Toetsingskader Het Rijk heeft in de hiervoor genoemde SVIR vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet. De SVIR bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op provinciaal en gemeentelijk niveau. Ten aanzien daarvan is een borging door middel van normstelling, gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening, gewenst.
Die uitspraken onderscheiden zich in die zin dat van de provincies en de gemeenten wordt gevraagd om de inhoud daarvan te laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming. Zij zijn dus concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect door te werken tot op het niveau van de lokale besluitvorming, zoals de vaststelling van bestemmings- en wijzigingsplannen. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Op 30 december 2011 is het Barro in werking getreden met
14
daarin een regeling voor een beperkt aantal onderwerpen. Op 1 oktober 2012 is het besluit aangevuld met regels voor de andere beleidskaders uit de SVIR en tevens uit het Nationaal Waterplan en het Derde Structuurschema Elektriciteitsvoorziening. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Een aantal onderwerpen is geregeld in de bij het Barro behorende Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). Doorwerking plan(locatie) De planlocatie is niet gelegen in een gebied waarvoor op basis van het Barro en Rarro een relevante ruimtereservering geldt. Daarnaast wordt niet in een ontwikkeling voorzien die raakt aan een van de nationale belangen. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het Barro en Rarro niet van toepassing zijn op onderhavig plan. Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 lid 2 Bro) Toetsingskader Met de inwerkingtreding op 1 oktober 2012 van artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) – de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ – geldt voor alle juridisch verbindende ruimtelijke plannen van decentrale overheden die (planologisch) nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken een bijzonder procesvereiste.
Het procesvereiste van het doorlopen van de Ladder is gebaseerd op één van de nationale belangen als opgenomen in de SVIR, opgesteld door het Rijk. Dit nationale belang houdt in dat, ten behoeve van een goed systeem van ruimtelijke ordening, een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten plaats dient te vinden. Deze zorgvuldige afweging heeft tot doel om, vanuit een oogpunt van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, planologisch ongewenste versnippering en een onaanvaardbare leegstand te voorkomen. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Artikel 3.1.6, tweede lid, luidt nu als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd.
Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.
15
In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voor woningbouwlocaties geldt volgens de overzichtsuitspraak dat ‘in beginsel’ sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. Voor wonen is daarmee de lijn dat er vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. De Laddertoets geldt alleen voor ‘nieuwe’ stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was of kon worden gerealiseerd. Daarnaast volgt uit jurisprudentie dat wanneer het een functiewijziging betreft, moet worden beoordeeld of er sprake is van een naar aard en omvang zodanige functiewijziging dat desalniettemin gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarbij moet ook et ruimtebeslag betrokken worden. In de nieuwe Ladder is het woord ‘regionale’ niet meer aanwezig. De Ladder bepaalt niet nader voor welk gebied de behoefte in beeld moet worden gebracht.
Het is primair aan het bevoegd gezag om op basis van het ruimtelijk verzorgingsgebied van de stedelijke ontwikkeling te bepalen tot welk gebied de beschrijving van de behoefte zich moet uitstrekken. De aard en omvang van de stedelijke ontwikkeling bepaalt op welk niveau de afweging moet worden gemaakt. De toelichting van het bestemmingsplan moet een beschrijving bevatten van de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Daarbij is het niet relevant of de planlocatie binnen of buiten bestaand stedelijk gebied ligt. In beide gevallen dient de plantoelichting een beschrijving van de behoefte te bevatten. In artikel 1.1.1 onder h van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip ‘bestaand stedelijk gebied’ vastgelegd. Als bestaand stedelijk gebied wordt aangemerkt: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Uit de definitie volgt dat er sprake moet zijn van een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing. In de Nota van Toelichting wordt opgemerkt dat de kwalificatie bestaand stedelijk gebied afhangt van de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het bestemmingsplan en de aard van de omgeving.
Doorwerking plan(locatie) Gelet op de onderliggende ontwikkeling voorziet het plan niet in een woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro (ABRvS 28 juni 2017; ECLI:NL:RVS:2017:1724). De in het plan voorziene ontwikkeling kan dan ook niet worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in deze bepaling van het Bro, zodat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet van toepassing is. Gezien het voorgaande vormt de ladder voor duurzame ontwikkeling geen belemmering voor de voorgestane ontwikkeling.
16
Conclusie Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder voor duurzame verstedelijking. Daardoor is de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing. 3.3
Provinciaal beleid
Omgevingsbeleid Provincie Zeeland 2018 Toetsingskader De juridische vertaling van het ruimtelijke provinciale beleid vindt plaats in de Omgevingsverordening Provincie Zeeland 2018. De Omgevingsverordening is op 21 september 2018 vastgesteld door het college van Gedeputeerde Staten en is vervolgens een aantal maal op onderdelen gewijzigd. De laatste wijziging is vastgesteld op 12 mei 2020. In het bijbehorende Omgevingsplan staan de vier belangrijkste strategische opgaven tot 2040 centraal. De doorwerking van de hoofddoelstellingen naar concrete en bindende beleidsopgaven vindt plaats in de Omgevingsverordening. De strategische opgaven van de provincie zijn geformuleerd als: • Duurzame en concurrerende economie: Kerndoelstellingen zijn hierbij onder meer de ontwikkeling van een circulaire economie, vraaggerichte programmering van bedrijventerreinen en specifieke bedrijfstakken, stimuleren van duurzame landbouw en het stellen van kaders voor nieuwe economische dragers (‘NED’) in het landelijk gebied. Het aantal agrarische bedrijven neemt af waardoor een deel van de agrarische bebouwing vrij komt. De provincie stelt zich binnen het landelijke gebied tot doel om de karakteristieke openheid van het agrarische landschap te behouden en te versterken. Functies die aan het buitengebied zijn gebonden, krijgen binnen de landschappelijke context de ruimte om zich te ontwikkelen.
Ruimtelijke ontwikkelingen vinden zo veel mogelijk plaats binnen de begrenzing van de bestaande stedelijke structuur. • Klimaatbestendige en -neutrale samenleving: De Provincie zet in op hernieuwbare vormen van energie, verbetering van de waterkwaliteit en waterveiligheid (klimaatadaptatie); • Waardevolle leefomgeving: Hierin staan de provinciale ambities met betrekking tot behoud en versterking van kenmerkende landschapselementen, biodiversiteit, cultuurhistorische waarden en duurzaam bodemgebruik centraal. Gebieden waarvoor landschappelijke kwaliteiten met een provinciaal belang zijn vastgesteld, worden beschermd via de omgevingsverordening. Lokale en regionale kwaliteiten worden beschermd door middel van de structuurvisie en het bestemmingsplan. De provincie heeft als leidraad een ‘Handreiking landschap; het landschap van Zeeland (2012) opgesteld. De uitvoering en duurzame instandhouding van de landschappelijke tegenprestatie dient te worden geborgd. • Toekomstbestendige bereikbare woon-, werk- en verblijfomgeving: Centraal binnen deze opgave staat het streven naar een woningvoorraad die aansluit bij actuele woonbehoeften, het behoud van voorzieningenniveau en het vestigingsklimaat en
17
herstructurering en inbreiding van bestaand stedelijk gebied. Woningbouw vindt in eerste aanleg plaats binnen het bestaand stedelijk gebied. Nieuwe ontwikkelingen dienen bovendien te passen binnen de regionale woningbouwprogrammering. De focus in de regionale afspraken ligt op herstructurering van de bestaande voorraad. Het streven naar een gezonde leefomgeving, waaronder het behoud van voldoend afstand (buffer) tussen functies en het voorkomen van lichthinder maakt onderdeel uit van het beleid voor het buitengebied.
Doorwerking plan(locatie) De planlocatie bevindt zich binnen de provinciale begrenzing van de bebouwde kom van Oosterland. Dit blijkt uit bovenstaande afbeelding. De ontwikkeling draagt bij aan duurzaam ruimtegebruik. Het herontwikkelen van een binnenstedelijke locatie. Er wordt geen nieuwe buitenstedelijke ruimte aangeboord om onderhavige ontwikkeling mogelijk te maken. Deze werkwijze past binnen de strategische opgaven ‘waardevolle leefomgeving’, ‘duurzame en concurrerende economie’ en ‘toekomstbestendige bereikbare woon-, werk- en verblijfomgeving’. Het voorzieningenniveau blijft met oprichting van het gezondheidscentrum in stand. De nieuwbouw betekent een duurzame invulling van de functie binnen de bestaande dorpskern. Er ontstaat een waardevollere leefomgeving. De ontwikkeling wordt hydrologisch neutraal uitgevoerd. De nieuwbouw zal voldoen aan de actuele duurzaamheidsvereisten zoals vastgelegd in het Bouwbesluit. De ontwikkeling draagt bij aan de doelstellingen uit de strategische opgave ‘Klimaatbestendige en -neutrale samenleving’. Doorwerking plan(locatie) De beoogde ontwikkeling past binnen de strategische opgaven zoals vastgelegd in het omgevingsbeleid van de Provincie Zeeland
18
Regionale Energie Strategie Op basis van het Klimaatakkoord van Parijs in 2015 heeft Nederland in 2019 het Nationaal Klimaatakkoord ondertekend. Het klimaatakkoord bevat een reeks sectorgerelateerde afspraken om de uitstoot van CO2 in 2030 met 49% te reduceren. De doelstelling voor 2050 bedraagt een reductie van 95%. Voor de gebouwde omgeving betekent dit onder meer dat nieuwe woningen niet meer worden aangesloten op het aardgasnetwerk. Tevens zijn de vereisten voor isolatie voor nieuwbouwwoningen verscherpt. Per regio is invulling gegeven aan de nationale doelstellingen in een Regionale Energie Strategie (RES). De Regionale Energie Strategie Zeeland is in september 2020 vastgesteld. Belangrijke thema's binnen de RES zijn: de Gebouwde Omgeving, Elektriciteit en Mobiliteit. De ambitie voor de gebouwde omgeving is om 100 Kton CO2 te reduceren door het verminderen van de energievraag, verduurzaming van het energieaanbod en toepassing van duurzame installaties en producten. Eind 2021 moeten alle Zeeuwse gemeenten een ‘Transitievisie Warmte’ klaar hebben met daarin een tijdpad voor de ontwikkeling van een alternatieve energievoorziening en het geleidelijk vervangen van aardgas. De visie voor 2050 is dat de Zeeuwse Gebouwde Omgeving bestaat uit goed geïsoleerde woningen en gebouwen die met duurzame energie verwarmd worden.
Voor nieuwbouw geldt dat deze niet meer worden aangesloten op het aardgasnet. Doorwerking plan(locatie) In onderliggend planvoornemen wordt rekening gehouden met de uitgangspunten van de Regionale Energie Strategie. Het gezondheidscentrum worden aardgasloos uitgevoerd, volledig geïsoleerd en voorzien van warmtepompen en zonnepanelen. De omgevingsvergunningaanvraag voor het onderdeel bouwen dient te voldoen aan actuele regelgeving zoals vastgelegd in het Bouwbesluit. Hiermee is duurzaam bouwen gewaarborgd. 3.4
Gemeentelijk beleid
De provinciale ruimtelijke beleidskaders zijn of moeten worden vertaald in het gemeentelijke ruimtelijke beleid. In deze paragraaf wordt kort ingegaan op de Strategische visie ‘Tij van de toekomst 2011 – 2040’, en het gemeentelijke milieu- en duurzaamheidsbeleid.. Daarnaast is er al uitgebreid aandacht besteed aan de vigerende bestemming met daartoe behorende regels in paragraaf 1.3 van deze plantoelichting. Strategische visie ‘Tij van de toekomst 2011- 2040’ Op 3 oktober 2011 is de gemeentelijke ruimtelijke ontwikkelingsvisie tot 2040 vastgesteld. Deze strategische visie stelt voor de gemeente Schouwen- Duiveland de opgave centraal om als vakantie-eiland een toonaangevende watereconomie te ontwikkelen die een duurzame verbinding vormt tussen wonen, werken, zorgen en genieten. Wat het aspect wonen betreft zijn de volgende doelstellingen geformuleerd: • het ontwikkelen van een goed voorzieningenniveau; • het behouden van een prettig woonklimaat dat aansluit bij de woonbehoeften; • het behoud van de sociale samenhang en de leefbaarheid in de kernen; • een betaalbaar en goed zorgaanbod dat aansluit bij de behoefte.
19
Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient zorgvuldig omgegaan te worden met de landschappelijke kwaliteiten. Onderdeel hiervan is dat bebouwing zoveel mogelijk wordt geconcentreerd in de kernen. Door functies te concentreren wordt bijgedragen aan het behoud van het draagvlak voor in de kern gevestigde voorzieningen en daarmee aan de leefbaarheid van de kleine kernen. Tevens dienen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen te voorzien in een netto kwaliteitsverbetering van het landschap. Doorwerking plan(locatie) De beoogde ontwikkeling benut de bestaande inbreidingscapaciteit van de kern. In de beoogde situatie wordt trapveldje ingevuld met een nieuw, eigentijds, gezondheidscentrum. Hiermee verbetert de kwaliteit van de deze voorziening en krijgt het voorzieningenniveau binnen de dorpskern de gewenste upgrade. De nieuwbouw sluit aan op de bebouwingsstructuur. De beoogde ontwikkeling past binnen de strategische doelstellingen van de structuurvisie. Gemeentelijk milieu- en duurzaamheidsbeleid De gemeente heeft haar beleid omtrent milieukwaliteit en duurzaamheid vastgelegd in het Milieubeleidsplan 2008-2010. Het milieubeleidsplan is opgebouwd uit verschillende modules. De Energie-agenda 2018-2023 en de Klimaatadaptiestrategie vervangen de modules Energie en Klimaat uit het Milieubeleidsplan. Kringloopeconomie Centraal in het milieubeleid staat het streven naar een circulaire economie.
Het uitgangspunt hierbij is dat producten en grondstoffen binnen het economische systeem zo veel mogelijk worden hergebruikt en daardoor waarde behouden. Dit in tegenstelling tot een lineaire economie waarbij het uitgangspunt is dat grondstoffen in waarde afnemen en aan het einde van de levensduur van een product worden vernietigd. Geluid en stilte Binnen het algemene streven naar zo veel mogelijk rust en stilte is voor het woonklimaat relevant dat overlast wordt voorkomen. Dit betekent onder meer dat nieuwe wegen op voldoende afstand van woningen worden gesitueerd en dat geluidsoverlast door evenementen bijzondere aandacht heeft. Het uitgangspunt voor de geluidsbelasting van nieuwbouwwoningen is dat deze in principe dienen te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde. Licht en duisternis De algemene doelstelling van de gemeente is om slechts te verlichten wanneer dit echt nodig is. Dit betekent onder meer dat openbare verlichting, terreinverlichting en veldverlichting zo gericht mogelijk worden ingezet. Luchtkwaliteit De regionale luchtkwaliteit is goed. Het streven is dit zo te houden door autoverkeer zo veel mogelijk te minimaliseren.
20
Bodem Door de kwaliteit van de ondergrond bij ruimtelijke ontwikkelingen in een vroeg stadium in beeld te brengen, worden toekomstige kosten vroegtijdig in beeld gebracht en kan deze onderdeel uitmaken van de afwegingen. Energie-agenda 2018-2023 De Energie-agenda is op 21 december 2017 vastgesteld. De agenda geeft de gemeentelijke ambities weer ten aanzien van energiegebruik, energiebesparing en de omschakeling naar duurzame energie. De gemeente Schouwen-Duiveland streeft naar volledige energieneutraliteit voor 2040, het bereiken van een energiebesparing van 3% ten opzichte van het gebruik in 2017 en een aandeel van 16% van de energiebehoefte die duurzaam wordt opgewekt. Ten aanzien van de bebouwde omgeving gelden de doelstellingen zowel voor de bestaande bouw als nieuwbouw. Klimaatadaptiestrategie Op basis van het nationale Deltaplan Ruimtelijke Adaptie is in samenwerking tussen overheden, private partijen en maatschappelijke organisaties afgesproken dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en water-robuust is ingericht. Dit betekent dat alle partijen zich inzetten om schade door hittestress, wateroverlast, droogte en overstromingen wordt geminimaliseerd. Doorwerking plan(locatie) In voorliggende onderbouwing zijn tevens de waarden en kwaliteiten beschouwd, zoals geformuleerd in het milieu- en duurzaamheidsbeleid.
De wijze waarop de voorgenomen ontwikkeling bijdraagt aan het behouden van een goed woon- en leefklimaat, het voorkomen van overlast, hydrologisch neutraal bouwen en duurzaam bouwen zijn opgenomen in hoofdstuk 4.
21
4. MILIEU-HYGIËNISCHE EN PLANOLOGISCHE VERANTWOORDING Ten behoeve van onderhavige ruimtelijke onderbouwing plan is door De Roever Omgevingsadvies een milieuscan uitgevoerd naar de milieu-hygiënische gevolgen van het (bouw)plan op de omgeving en andersom. Quickscans door De Roever Omgevingsadvies zijn aanvullend uitgevoerd op de aspecten bedrijven en milieuzonering (4.7), geur (4.8) luchtkwaliteit (4.10), externe veiligheid (4.11) en volksgezondheid (4.12) en komen terug in onderhavig hoofdstuk. De milieuscan als bijlage 2 aan deze ruimtelijke onderbouwing toegevoegd. 4.1
M.e.r.-beoordeling
Toetsingskader Het Besluit Mer is per 1 juli 2017 gewijzigd. De nieuwe beoordelingssystematiek moet worden toegepast en worden omschreven. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die onder de drempelwaarden van kolom 2 vallen moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Dit houdt in dat er voorafgaand aan de vaststelling van een bestemmingsplan een aparte mer-beoordelingsbeslissing moet worden genomen dat geen MER nodig is. Dit beslissingsdocument moet vervolgens in de bijlage van de toelichting opgenomen worden. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een m.e.r. nodig. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is dus altijd nodig als een besluit of plan wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst en die onder de drempelwaarden liggen. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling gelden twee voorwaarden: 1. het gaat over één of meer activiteiten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r.; 2.
de omvang van al die activiteit(en) ligt onder de drempelwaarde (kolom 2 van de D-lijst). Bij besluiten en plannen over activiteiten die niet op de D-lijst staan, is de vormvrije m.e.r.-beoordeling dus niet nodig. In de bijlage bij het Besluit MER is opgenomen welke activiteiten m.e.r.-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling kan aandacht worden besteed aan het volgende: • een globale beschrijving van de ingreep-effectrelaties en dosis-effectrelaties van de voorgenomen activiteit; • wat zijn maatgevende effecten van de voorgenomen activiteit? Is er sprake van emissies (bijvoorbeeld van geluid, lucht), verkeersaantrekkende werking e.d.?
22
• • • •
wat is het ruimtebeslag? wat is de afstand van de activiteit(en) tot gebieden die gevoelig zijn? zijn er met betrekking tot de activiteit indicatieve invloedsafstanden bekend? (bijvoorbeeld uit het ‘groene boekje’) waarvoor zijn de gebieden gevoelig? Heeft de voorgenomen activiteit daar invloed op?
Doorwerking plan(locatie) In de bijlage bij het Besluit m.e.r. is opgenomen welke activiteiten m.e.r.-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling kan aandacht worden besteed aan het volgende: • een globale beschrijving van de ingreep-effectrelaties en dosis-effectrelaties van de voorgenomen activiteit; • wat zijn maatgevende effecten van de voorgenomen activiteit? Is er sprake van emissies (bijvoorbeeld van geluid, lucht), verkeersaantrekkende werking e.d.? Wat is het ruimtebeslag? • wat is de afstand van de activiteit(en) tot gebieden die gevoelig zijn? • zijn er met betrekking tot de activiteit indicatieve invloedsafstanden bekend? (bijvoorbeeld uit het ‘groene boekje’) • waarvoor zijn de gebieden gevoelig? Heeft de voorgenomen activiteit daar invloed op? Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden (1) of de ontwikkeling de drempelwaarden uit de D-lijst van het Besluit m.e.r. overschrijdt, (2) of de ontwikkeling in een gevoelig gebied ligt en (3) of er belangrijke milieugevolgen zijn. 1. In de planlocatie wordt de realisatie van één maatschappelijke functie mogelijk gemaakt, binnen een bestaande dorpskern. Er is daarmee geen sprake van een overschrijding van de drempelwaarden uit de D-lijst van het Besluit m.e.r. 2.
In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een ‘gevoelig gebied’. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. De planlocatie behoort niet tot een waterwinlocatie, waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. Ook behoort de planlocatie niet tot een gebied waarbinnen een Rijksmonument ligt of een Belvédèregebied. 3. In dit hoofdstuk worden de milieueffecten beschouwd, zoals geluid en luchtkwaliteit. Hieruit blijkt dat er door onderhavig bestemmingsplan geen sprake zal zijn van nadelige milieugevolgen. Een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r. is iets anders is dan een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, alsmede dat de aard en omvang van een stedelijke ontwikkeling op zichzelf dienen te worden bezien voor het antwoord op de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r. Vanwege het gegeven dat de beoogde ontwikkeling plaatsvindt in een stedelijke zone en een reeds voor wonen bestemde locatie, met de aanwezigheid van ontsluitingswegen,
23
zijn de milieugevolgen van het project beperkt zijn, wordt de aard en de omvang van de voorziene (wijziging van de) stedelijke ontwikkeling als beperkt aangemerkt, zodat géén sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r. Conclusie Het realiseren van onderhavig plan valt in beginsel onder onderdeel D (stedelijk ontwikkelingsproject, categorie D.11.2) van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Gelet echter op kleinschalige karakter van het plan in vergelijking met de plandrempels uit het Besluit m.e.r. en de ligging van de planlocatie (niet in de buurt van een Natura 2000 gebied) en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de milieutoets van de verschillende milieuaspecten, zoals deze in de overige paragrafen zijn opgenomen. In het kader van de planprocedure is dan ook geen m.e.r.-procedure of m.e.r.-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r. 4.2
Archeologie en cultuurhistorie
Toetsingskader Belangrijk bij de afweging of er gebouwd kan worden is het nagaan of in of rondom de planlocatie belangrijke archeologische en, cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Het voorkomen van deze waarden wil niet per definitie zeggen dat er ter plaatse niet gebouwd kan worden, maar geeft aan dat zorgvuldig omgaan met deze waarden vereist is. Doel van het archeologische onderzoek is het waar nodig beschermen van archeologische waarden en het streven naar behoud van de waarden in de bodem (in situ). De essentie van het archeologische onderzoek is het verkrijgen van gegevens over de archeologische resten in de bodem teneinde in een vroeg stadium een goede afweging te kunnen maken van alle bij een ruimtelijk besluit betrokken belangen. Het archeologische onderzoek is verankerd in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg uit 2007. De uitgangspunten van de wet zijn: • archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren en alleen opgraven als behoud in de bodem (in situ) niet mogelijk is; • de initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling moet in een vroegtijdig stadium aangeven hoe met eventuele archeologische waarden bij bodemverstorende ingrepen zal worden omgegaan. Dit houdt in een verplichting tot vooronderzoek bij werkzaamheden die de grond gaan verstoren; • bodemverstoorders betalen archeologisch onderzoek en mogelijke opgravingen.
De kosten voor noodzakelijke archeologische werkzaamheden komen ten laste van de initiatiefnemer. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Bro gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro,
24
het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. In de toelichting van de ruimtelijke onderbouwing dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller van de ruimtelijke onderbouwing is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. In de provincie Zeeland dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven.
Bij de afweging of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is, dient nagegaan te worden of er binnen of rondom de planlocatie cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Het eventueel aanwezig zijn van deze waarden wil niet per definitie zeggen dat een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling niet realiseerbaar is, maar geeft wel aan dat zorgvuldig omgaan met deze waarden vereist is. Doorwerking plan(locatie) Onderhavige gezondheidscentrum wordt opgericht op gronden welke dubbelbestemd zijn als ‘Waarde – Archeologie – 7’. Uitgangspunt bij deze aanduiding is dat er onderzoek plaatsvindt naar mogelijk archeologische resten als deze gronden worden geroerd voor bijvoorbeeld graaf- en bouwwerkzaamheden. Echter geeft de vigerende wet- en regelgeving ook te kennen dat er uitzondering wordt gemaakt wanneer bouwwerken niet meer dan 5000 m2 vloeroppervlak beslaan. In onderhavig geval betreft het de oprichting van een gezondheidscentrum met een oppervlakte van 735 m 2. Derhalve is thans een archeologische verkenning niet noodzakelijk. Bovenstaande wordt tevens bevestigd als de archeologische beleidskaart SchouwenDuivenland wordt bestudeerd. Onderstaande uitsnede bevestigt dat de planlocatie valt binnen ‘Onderzoeksgebied B’.
25
Voor gronden gelegen binnen Onderzoeksgebied B geldt dat voor ontwikkelingen met een oppervlakte van meer dan 5.000 m² en waarbij bodemingrepen plaatsvinden met een diepte van meer dan 50 cm, het verrichten van archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Echter gaat het in onderhavig geval om een ontwikkeling van minder dan 5.000 m 2 (735 m2) en wordt de diepte van 50 cm niet bereikt. Daarmee is nader archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. In algemene zin geldt altijd wel een meldingsplicht, indien er tijdens de bouwgraafwerkzaamheden alsnog archeologische indicatoren aangetroffen worden. Daarmee kan worden geconcludeerd dat de aspecten archeologie en cultuurhistorie niet aan de realisatie van het planvoornemen in de weg staan. Conclusie Uit archeologisch en cultuurhistorisch perspectief zijn er geen belemmeringen voor het (bouw)plan. 4.3
Flora en fauna en stikstof(depositie)
Toetsingskader Op 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming (Wnb) ingegaan. In het Decentralisatieakkoord Natuur (PS2011-778) is afgesproken dat de wetgever de decentralisatie van rijkstaken in het landelijk gebied naar provincies formaliseert. Met de Wnb geeft het Rijk invulling aan de decentralisatieafspraken uit het Decentralisatieakkoord Natuur en het Natuurpact (PS2013-797). De Wnb is daarmee het sluitstuk van de decentralisatie van het natuurbeleid. Het huidige wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Floraen faunawet en de Boswet, wordt vervangen door deze wet. Voordat de Wnb in werking treedt, wil de provincie, om dat te borgen, een aantal regels in de Omgevingsverordening vaststellen. Het betreft regels voor gebieden, soorten en houtopstanden, inclusief de verplichtingen die in de Wet Natuurbescherming zijn opgenomen.
26
Doorwerking plan(locatie) Door Blom Ecologie is een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd (zie bijlage 3). Hier is uit gebleken dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot aantasting van beschermde natuurwaarden (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk. De Roever Omgevingsadvies een onderzoek naar mogelijke stikstofdepositie uitgevoerd. Het volledige onderzoek is als bijlage 4 aan deze ruimtelijke onderbouwing toegevoegd. Uit de berekening blijkt dat de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000gebieden niet hoger is dan 0,00 mol N/ha/jaar. Er is dus geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming. Het aspect stikstofdepositie vormt dus geen belemmering voor het plan. Conclusie Vanuit het oogpunt van flora en fauna en stikstofdepositie zijn er geen belemmeringen voor het (bouw)plan. 4.4
Waterparagraaf
Toetsingskader Bij de watertoets gaat het om het verantwoorden van de waterhuishoudelijke aspecten bij ruimtelijke plannen en besluiten. Met behulp van de watertoets wordt er naar gestreefd om het waterhuishoudkundig aspect in combinatie met het ruimtelijke beleid toe te passen op de beoogde planlocatie, waarbij op basis van de voorgenomen ontwikkelingen gezocht is naar een hydrologisch neutrale oplossingsrichting. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 5.1.3 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit besluit verplicht tot het opnemen van ‘een beschrijving van de wijze waarop in het bestemmingsplan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding’ in de toelichting van ruimtelijke plannen van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten in het kader van de Wro. Vanuit verschillende overheidsniveaus zijn beleid en uitgangspunten geformuleerd voor wat betreft de omgang met afstromend hemelwater. De belangrijkste uitgangpunten hierbij zijn het hydrologisch neutraal ontwikkelen en het doorlopen van de volgorde ‘hergebruik-vasthouden-berging-afvoer’. De planlocatie valt binnen het beheersgebied van Waterschap Scheldestromen. Ook voor het Waterschap Scheldestromen is hydrologisch neutraal ontwikkelen speerpunt bij ruimtelijke ingrepen in haar beheersgebied. Het waterschap heeft een beleidsnota met uitgangspunten ten behoeve van de watertoets.
Hierbij staan de volgende principes centraal: • wateroverlastvrij bestemmen; • gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater; • doorlopen van de afwegingsstappen: ‘hergebruik - infiltratie - buffering - afvoer’; • hydrologisch neutraal bouwen;
27
• • • •
water als kans; meervoudig ruimtegebruik; voorkomen van vervuiling rekening houden met waterschapsbelangen.
De voornoemde principes liggen in lijn met het landelijke beleid ten aanzien van de watertoets. Gestreefd dient te worden naar een waterhuishoudkundig minimaal gelijkwaardige situatie. Het belangrijkste gegeven is het geohydrologisch compenseren van een eventuele toename van verharde oppervlakte, waardoor hemelwater versneld kan worden afgevoerd. Doorwerking plan(locatie) Vanwege deze ontwikkeling heeft De Roever Omgevingsadvies een watertoets uitgevoerd, welke als bijlage 5 aan deze ruimtelijke onderbouwing is toegevoegd. De belangrijkste conclusies van dit onderzoek zijn de volgende: Watertoets De aanleiding voor het uitvoeren van de watertoets wordt gevormd door de voorgenomen ontwikkeling van een gezondheidscentrum op locatie. De ontwikkeling op de locatie heeft zoals blijkt uit de tabel tot gevolg dat het verhard oppervlak toeneemt met maximaal 1.390 m2. Voor het toekomstige verhard oppervlak wordt de vereiste compensatie berekend door het toekomstige verhard oppervlak (m 2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 75 l (0,075 m). Initiatiefnemer heeft aangegeven dat de mogelijkheid wordt onderzocht om de parkeerplaatsen en/of omliggende verharding aan te leggen met halfverharding. Voor het aanleggen van halfverharding is gerekend met een reductie van 50% op het verhard oppervlak.
Op basis daarvan is de bergingsopgave uitgesplitst in de volgende 3 scenario's: - Parkeerplaatsen en omliggend terrein met gesloten verharding = 104 m 3 - Parkeerplaatsen halfverhard / omliggend terrein met gesloten verharding = 89 m 3 - Parkeerplaatsen en omliggend terrein met halfverharding = 74 m 3 Initiatiefnemer heeft aangegeven dat aan de bergingsopgave wordt voldaan door een ondergrondse infiltratievoorziening aan te leggen zoals een krattensysteem. Een uitwerking van het systeem wordt toegevoegd aan de aanvraag voor een bouwvergunning. Conclusie Vanuit het oogpunt van hydrologie zijn er – rekening houdend met de bevindingen uit de watertoets – geen belemmeringen voor het (bouw)plan. 4.5
Bodem
Toetsingskader Het doel van de bodemtoets bij ruimtelijke plannen is de bescherming van de bodem. Een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd om te kunnen beoordelen of de bodem
28
geschikt is voor de geplande functie en of er sprake is van een eventuele saneringsnoodzaak. De wet bepaalt dat bij een ruimtelijk plan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De Woningwet bepaalt dat alleen nog voor bouwwerken die specifiek bedoeld zijn voor het verblijf van mensen, een bodemtoets uitgevoerd moet worden. Het betreft hier bouwwerken waarin dagelijks gedurende enige tijd dezelfde mensen verblijven, bijvoorbeeld om te wonen en werken, onderwijs te geven of te genieten. Voorbeelden van bouwwerken waar sprake is van structureel verblijf door mensen zijn woningen, scholen, kantoren maar ook recreatiewoningen en sportkantines. Doorwerking plan(locatie) Initiatiefnemer heeft door Socotec heeft ten behoeve van onderliggend planvoornemen een verkennend bodemonderzoek laten uitvoeren (zie bijlage 6). Uit het onderzoek is gebleken dat de aangetroffen bodemkwaliteit aanvaardbaar wordt geacht en zodoende geen belemmering vormt voor de geplande realisatie van het gezondheidscentrum. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling. 4.6
(Ondergrondse) infrastructuur / kabels en (buis)leidingen
Toetsingskader Transport van gevaarlijke stoffen vindt plaats over de weg, het spoor, het water en door buisleidingen. Tijdens het transport kunnen dingen misgaan waardoor de gevaarlijke lading kan ontbranden of exploderen of waardoor er bijvoorbeeld giftige gassen ontsnappen via een lek of breuk. Bij risicovolle buisleidingen kan gedacht worden aan (hogedruk) transport van aardgas, maar ook van olie, benzine, kerosine, chemische producten en industriële gassen. Deze stoffen kunnen giftig, licht ontvlambaar, of brandbaar zijn. Buisleidingen lopen meestal ondergronds, maar kunnen soms ook bovengronds voorkomen. De grootste kans op een beschadiging aan een buisleiding ontstaat door graafwerkzaamheden. Denk hierbij aan werkzaamheden aan gas-, olie- en waterleidingen in de grond, of kabels voor stroom, TV, telefoon en internet. De risicokaart toont alle aardgasleidingen vanaf een diameter van 50 mm en een druk van 16 bar, alle buisleidingen voor brandbare vloeistoffen vanaf een diameter van 100 mm en alle overige buisleidingen waarvan geldt dat er een overschrijding van de wettelijke norm is op 5 meter afstand van de buis. Deze wettelijke norm is het plaatsgebonden risico 10-6. Het Besluit Externe Veiligheid Buisleidingen (Bevb) is op 1 januari 2011 in werking getreden.
In het Besluit externe veiligheid buisleidingen zoals dit per 1 januari 2011 geldt, staan veiligheidseisen voor de exploitant en de gemeente. Exploitanten hebben een zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat hun buisleidingen veilig zijn. Gemeenten
29
moeten buisleidingen in hun bestemmingsplan opnemen en bij nieuwbouw zorgen voor genoeg afstand tot de buisleidingen. Doorwerking plan(locatie) Teneinde een goede belangenafweging mogelijk te maken voor de voorgenomen inbreiding is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de ligging en eigenschappen van binnen de planlocatie voorkomende kabels en leidingen. Sommige van deze kabels en leidingen vereisen een bepaalde afstand tot gevoelige functies. Voor onderhavig plan zijn er geen belemmeringen aan de orde, zodat er in dit opzicht geen gevolgen zijn voor dit plan. Besluit externe veiligheid buisleidingen Er bevindt zich geen (hoge druk) gasleiding binnen of op korte afstand van de planlocatie. Overige kabels en (buis)leidingen Nutsbedrijven eisen dat kabels en leidingen in het openbaar gebied (komen te) liggen. De initiatienemer van onderliggend bouwplan is verplicht zorg te dragen voor een door gemeente en nutsbedrijven geaccordeerde wijze van aansluiting. Overige zonering Het planvoornemen valt binnen de aanduiding ‘Vrijwaringszone – molenbiotoop’. Dat betekent in onderhavig geval dat bouwwerken de vrije windvang dan een in de omgeving aanwezige molen mag belemmeren. De oprichting van het gezondheidscentrum zal voldoen aan de gestelde maximale bouwhoogte.
Verder zijn er in/op en nabij de planlocatie geen ondergrondse leidingen, waterkeringen, straalpaden of invliegfunnels aanwezig waarvan de aanwezigheid van invloed kunnen zijn op de voorgenomen ontwikkeling. Verder ligt de planlocatie niet in de nabijheid van een 150 kV hoogspanningslijn. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het voorgenomen plan, beschouwd vanuit de aspecten ondergrondse infrastructuur, kabels en leidingen, geen problemen oplevert. Nader onderzoek is na deze quickscan niet nodig. 4.7