1075977 Bijlage 2 ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
KUIJERDAMSEWEG SCHARENDIJKE Ruimtelijke onderbouwing 29‐08‐2023
1/2
2/2
DATUM KENMERK
29‐08‐2023 20220663
PROJECT PROJECTLEIDER
Kuijerdamseweg Scharendijke i.r. C.A. Louws
OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER
René Faasse Projecten B.V. 20220663
AUTEUR STATUS
J. Dingemanse Concept
© RHO ADVISEURS BV
Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/ of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.
Inhoudsopgave
Ruimtelijke onderbouwing
5
Hoofdstuk 1
7
Inleiding
1.1.
Aanleiding en doel van deze ruimtelijke onderbouwing
1.2.
Ligging projectgebied
1.3.
Geldend bestemmingsplan
1.4.
Leeswijzer
Hoofdstuk 2
Projectomschrijving
2.1.
Huidige situatie
2.2.
Beoogde situatie
Hoofdstuk 3
Beleid
3.1.
Rijksbeleid
3.2.
Provinciaal beleid
3.3.
Gemeentelijk beleid
Hoofdstuk 4
Sectorale aspecten
4.1.
Vormvrije m.e.r.‐beoordeling
4.2.
Niet‐gesprongen explosieven
4.3.
Waterparagraaf
4.4.
Ecologie
4.5.
Cultuurhistorie en archeologie
4.6.
Bodem‐ en grondwaterkwaliteit
4.7.
Verkeer en parkeren
4.8.
Bedrijven en milieuhinder
4.9.
Akoestisch onderzoek
4.10.
Luchtkwaliteit
4.11.
Externe veiligheid
4.12.
Duurzaamheid
4.13.
Kabels en leidingen
Hoofdstuk 5
Uitvoerbaarheid
5.1.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
5.2.
Economische uitvoerbaarheid
11
13
18
37
Bijlagen toelichting
39
Bijlage 1
Stedenbouwkundige randvoorwaarden
41
Bijlage 2
Stikstofberekeningen aanleg‐ en gebruiksfase
43
Bijlage 3
Memo stikstof
45
Bijlage 4
Watertoets
47
Bijlage 5
Verkennend bodemonderzoek
49
Hoofdstuk 1 1.1.
Inleiding
Aanleiding en doel van deze ruimtelijke onderbouwing
Initiatiefnemer is voornemens om op het kadastrale perceel MDS01‐A‐48 aan de Kuijerdamseweg in Scharendijke, een woning te realiseren. Het perceel is in gebruik als grasland/weide en ligt ingeklemd tussen de woning met huisnummer 66 en het recreatiewoningenterrein Het Baken. Voor het projectgebied geldt de bestemming Wonen. Aangezien een bouwvlak ontbreekt is de realisatie van een woning op dit moment binnen het geldende bestemmingsplan niet mogelijk. Het recht om een woning op deze locatie te bouwen is middels een brief (d.d. 9 augustus 1976) toegezegd door de gemeente. Om het initiatief te kunnen realiseren, is in overleg tussen initiatiefnemer en gemeente gekozen voor een omgevingsvergunningprocedure, waarbij met een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan medewerking verleend kan worden. Hiervoor geldt de uitgebreide procedure van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Op basis van artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3 van deze wet kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Een aanvraag voor een dergelijke omgevingsvergunning dient daarom vergezeld te gaan met een goede ruimtelijke onderbouwing. Voorliggende rapport bevat deze ruimtelijke onderbouwing.
1.2.
Ligging projectgebied
Het perceel voor de beoogde realisatie van de woning wordt omsloten door de woning Kuijerdamseweg 66 en het recreatiewoningenterrein Het Baken. Het perceel staat kadastraal bekend als MDS01‐A‐48 en heeft een oppervlakte van circa 750 m2. De ligging van het projectgebied is in figuur 1.1 weergegeven.
Figuur 1.1 Ligging projectgebied (Bron: Google Maps, bewerking Rho adviseurs)
1.3.
Geldend bestemmingsplan
Het geldende bestemmingsplan ter plaatse van het projectgebied is het op 27 juni 2013 vastgestelde bestemmingsplan 'Recreatieterreinen'. Het projectgebied heeft hierin de enkelbestemming 'Wonen' en de dubbelbestemming 'Waarde ‐ Archeologie ‐ 7'. Gronden met de enkelbestemming 'Wonen' zijn bestemd voor de huisvesting van personen in een woning en de bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals parkeervoorzieningen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, tuinen en andere voorzieningen ten dienste van de bestemming. De voor 'Waarde ‐ Archeologie ‐ 7' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar geldende bestemming, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Deze bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende enkelvoudige bestemmingen. Een fragment van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan 'Recreatieterreinen' is weergegeven in figuur 1.2.
Figuur 1.2 Vastgesteld bestemmingsplan 'Recreatieterreinen', blauw omkaderd het projectgebied (Bron: Ruimtelijkeplannen)
1.4.
Leeswijzer
De ruimtelijke motivering heeft de volgende opzet: In hoofdstuk 2 wordt de huidige‐ en toekomstige situatie beschreven; Hoofdstuk 3 gaat in op het Rijks‐, provinciaal‐ en gemeentelijk beleid; In hoofdstuk 4 worden de verschillende omgevingsaspecten die van invloed zijn op de beoogde ontwikkeling getoetst; Hoofdstuk 5 gaat in op de uitvoerbaarheid van het plan.
Hoofdstuk 2
2.1.
Projectomschrijving
Huidige situatie
De locatie waar de bouw van de nieuwe woning is beoogd, ligt aan de Kuijderdamseweg en is kadastraal bekend onder de gemeente Schouwen‐Duiveland, sectie A, nummer 483. Het projectgebied is al langere tijd een braakliggend grasland. Verder bevindt zich aan de noord‐ en westzijde van het gebied een sloot. De Kuijderdamseweg is een erftoegangsweg binnen de bebouwde kom die aansluit op de Elkerzeeseweg, Rampweg, Inlaag en onderdeel uitmaakt van een 60 km/uur‐gebied. De Kuijerdamseweg is een belangrijke ontsluitingsweg van de kern Scharendijke. Aan de oostzijde van het projectgebied bevinden zich burgerwoningen. Aan de west‐ en zuidzijde bevindt zich bungalowpark het Baken. Aan deze zijden van het perceel is hoogopgaande beplanting aanwezig, zodat er duidelijke randen gevormd naar het bungalowpark.
Figuur 2.1 Luchtfoto projectgebied en directe omgeving (Bron: Google Maps, bewerking Rho adivseurs)
Figuur 2.2 Huidige situatie van het projectgebied (Bron: Rho adviseurs)
2.2.
Beoogde situatie
De woning wordt aan de Kuijerdamseweg op het grasland gepositioneerd, waarbij de nokrichting parallel aan de Kuijerdamseweg komt te liggen. Er is nog geen bouwplan beschikbaar. Dat zal worden opgesteld door de toekomstige eigenaar. Ten behoeve van een goede stedenbouwkundige uitwerking en een passend architectonisch ontwerp is een zogenoemd kavelpaspoort opgesteld, dat als bijlage 1 bij deze toelichting is toegevoegd. Bij het uitwerken van het ontwerp zal het kavelpaspoort als uitgangspunt worden gehanteerd. Insteek is om de welstandscommissie in een vroeg stadium te betrekken bij het ontwerp van de woning. De Welstandscommissie zal dat ontwerp onder andere toetsen aan het kavelpaspoort.
Hoofdstuk 3
Beleid
3.1.
Rijksbeleid
3.1.1
Nationale omgevingsvisie (NOVI)
De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Aan de hand van een toekomstperspectief 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. In wat voor Nederland willen we graag leven in 2050 Als alle wensen naast elkaar worden gelegd, ontstaat het volgende beeld. Het kabinet wil een land: dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water; met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is; waar het goed wonen en werken is. Met aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland; met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast; waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontspannen en tot onszelf te komen; zowel in de stad als daarbuiten; dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren; waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water; dat openstaat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving.
Nationale belangen Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit zijn de 'nationale belangen'. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen. Voor dit project relevante nationale belangen zijn: Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoefte.
Keuzes De belangrijkste keuzes zijn: Duurzame energie inpassen met oog voor omgevingskwaliteit. Ruimte voor overgang naar een circulaire economie. Woningbouw in een stedelijk netwerk van gezonde en groene steden. Landgebruik meer in balans met natuurlijke systemen. Tot 2030 moeten er ongeveer 1 miljoen woningen gebouwd worden. Dit zal grote impact hebben op de ruimtelijke ordening. Er wordt zoveel mogelijk gebouwd binnen bestaand stedelijk gebied, zodat open ruimtes en groen tussen steden behouden blijft. De nieuwe woningen moeten betaalbaar en goed bereikbaar zijn. Bewoners moeten tevens een prettige, gezonde en veilige leefomgeving ervaren. Dat vergt grote investeringen in openbaar vervoer, veilige fiets‐ en wandelpaden, meer groen, ontmoetingsruimte en wateropvang in de stad, en goede verbindingen met recreatiegebieden in de nabijheid van de stad. Met deze aanpak van verstedelijking wordt niet alleen het woningaanbod, maar ook de leefomgevingskwaliteit in de stad verbeterd. Toetsing en conclusie Het planvoornemen is op nationaal niveau dermate kleinschalig dat het geen invloed heeft op de nationale belangen. Dat neemt niet weg dat het initiatief past binnen diverse doelstellingen en uitgangspunten van het rijksbeleid.
Het gaat om een nieuwe woning in bestaand stedelijk gebied, goed bereikbaar en in een groene setting, waarbij de woning goed wordt ingepast in de omgeving. 3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt regels omtrent een aantal nationale belangen zoals genoemd in de NOVI. Dit initiatief raakt geen rijksbelangen uit het Barro. 3.1.3
Besluit ruimtelijke ordening en ladder voor duurzame verstedelijking
Samenvatting beleidskader In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro, artikel 3.1.6 lid 2) is opgenomen dat bij een ruimtelijk plan, dat een nieuw stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, de ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen moet worden. De reden hiervoor is om een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte in Nederland te bevorderen. Een stedelijke ontwikkeling houdt in dat er nieuwe bebouwing wordt toegevoegd aan de huidige bebouwing. De ladder bestaat uit twee stappen: de eerste stap bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. De tweede stap omvat, indien de ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Toetsing en conclusie De ontwikkeling is van dusdanig kleinschalige omvang dat geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. De ladderonderbouwing is op basis van jurisprudentie pas nodig vanaf 12 nieuwe woningen. Een uitgebreide onderbouwing op basis van de Ladder duurzame verstedelijking is niet noodzakelijk. Aanvullend is van belang dat in het algemeen kan worden geconstateerd dat er ruime vraag is naar woningen zoals beoogd.
3.2.
Provinciaal beleid
3.2.1
Zeeuwse Omgevingsvisie
De Zeeuwse Omgevingsvisie is een strategische langetermijnvisie voor Zeeland en beschrijft de uitdagingen voor de periode tot 2050, de Zeeuwse ambities voor 2050 en tussendoelen voor 2030. De Zeeuwse Omgevingsvisie beschrijft vier Zeeuwse Ambities voor 2050: 1. Uitstekend wonen, werken en leven in Zeeland; 2. Balans in de grote wateren en het landelijk gebied; 3. Een duurzame en innovatieve economie; 4. Klimaatbestendig en CO2‐neutraal Zeeland; In 2050 is er voor ieder een passende woning beschikbaar. In de omgeving van je huis kun je je veilig voelen. De verandering van de bevolkingssamenstelling en de noodzaak voor toegankelijke voorzieningen heeft tot vernieuwing van de Zeeuwse woningmarkt geleid. Hierbij is de noodzaak om barrières weg te nemen zodat alle Zeeuwen gemakkelijk deel kunnen nemen aan de samenleving. Hierbij draagt een schone, gezonde en veilige woonomgeving aan mee. Toetsing en conclusie De ontwikkeling is een aanvulling op de bestaande woningbouw binnen bestaand stedelijk gebied, op korte afstand van voorzieningen. De Zeeuwse Omgevingsvisie staat deze ontwikkeling niet in de weg. 3.2.2
Provinciale Omgevingsverordening 2018
Een aantal onderwerpen uit het Omgevingsplan is juridisch vertaald in de Provinciale Omgevingsverordening 2018. Voor woningbouw zijn in de omgevingsverordening alleen regels opgenomen voor kleinschalige woningbouw in het buitengebied. Verder zijn er algemene regels opgenomen die betrekking (kunnen) hebben op zowel het buitengebied als het bestaand stedelijk gebied. Een beperkt aantal regels heeft vooral betrekking op stedelijke functies. Daarvan is geen sprake. Van gemeenten wordt een bijdrage verwacht aan de uitvoering van de beleidsdoelen. Verder streeft de provincie naar realisering van beleidsdoelen met de inzet van andere instrumenten. Daartoe wordt verwezen naar de inhoud van het Omgevingsplan. Het plan is niet in strijd met de omgevingsverordening. Conclusie De ontwikkeling is in overeenstemming met de regels uit de Provinciale Omgevingsverordening Provincie Zeeland 2018. 3.2.3 Ontwerp Omgevingsverordening Zeeland Op 21 december 2021 hebben Gedeputeerde Staten een ontwerp Omgevingsverordening Zeeland vastgesteld voor inspraak. De ontwerp Omgevingsverordening Zeeland heeft vanaf 11 januari tot en met 21 februari 2022 ter inzage gelegen. Tot het moment van vaststelling van deze Omgevingsverordening is de Omgevingsverordening uit 2018 van kracht, zie paragraaf 3.2.2.
3.3.
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Strategische visie 'Tij van de toekomst 2011 ‐ 2040'
De gemeenteraad heeft op 3 oktober 2011 de Strategische Visie 'Tij van de Toekomst' vastgesteld. In de visie is opgenomen hoe de gemeente Schouwen‐Duiveland er in 2040 uit zou moeten zien. In de strategische visie staat de volgende ambitie centraal: 'In 2040 kent vakantie‐eiland Schouwen‐Duiveland een toonaangevende watereconomie die de duurzame verbinding vormt tussen wonen, werken, zorgen en genieten'. In de visie zijn de drie strategische doelen 'werken', 'wonen' en 'verblijven' uitgewerkt. Voor het voorliggende plan is met name het strategische doel voor 'wonen' relevant. Hierna is dit strategisch doel met bijbehorende ambities voor 2040 beschreven. Wonen De gemeente heeft een kwalitatief goed en realistisch voorzieningenniveau; In de gemeente wordt prettig en naar behoefte gewoond; De leefbaarheid en sociale samenhang in de kernen zijn groot. Inwoners zijn actief en betrokken; Er is een goed en betaalbaar aanbod van zorg en welzijn dat vraaggestuurd tot stand komt. Toetsing De boogde ontwikkeling betreft en inbreidingslocatie, die ingezet wordt voor woningbouw. Met de realisatie wordt ingespeeld op de behoefte naar woningbouw en verbetert de kwaliteit van de woningvoorraad. Met het ontwerp van de woning wordt aangesloten op de omgevingskarakteristiek. De woning sluit aan op de bebouwingsstructuur van vrijstaande woningen aan de Kuijerdamseweg.
Met de bouwwijze, bouwstijl en het materiaalgebruik wordt aangesloten op de karakteristiek van de in de omgeving aanwezige woonbebouwing. De woning voorziet daarmee in een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. Conclusie De beoogde ontwikkeling past binnen de strategische doelstellingen van de structuurvisie. 3.3.2
Woonvisie 2018‐2027
Op 28 juni 2018 heeft de gemeente Schouwen‐ Duiveland de regionale woonvisie vastgesteld. Op basis van een woningmarktanalyse voor de periode tot 2027 wordt verwacht dat er nauwelijks behoefte is aan méér woningen. Wel is er een groeiende vraag te verwachten naar levensloopbestendige en flexibele woningen voor kleinere huishoudens. Het woningbouwprogramma verschuift daarmee van kwantitatief naar een kwalitatieve opgave waarbij herstructurering centraal staat. Het woningbouwprogramma richt zich met name op het versterken van de leefbaarheid in de kernen en het concentreren van voorzieningen. In de woonvisie wordt de woningmarktontwikkeling op Schouwen‐Duiveland als een integraal systeem benaderd. De gemeente hanteert voor de woningmarktontwikkeling een categorisering in groeikernen, balanskernen en transitiekernen. In de kernen aan de westkant van Schouwen‐Duiveland, waaronder Scharendijke, is vergrijzing sterk aan de orde. Scharendijke is aangemerkt als transitiekern. Doelstelling is om de netto woningcapaciteit in Scharendijke niet toe te laten nemen en in te zetten op een kwalitatieve verbetering van de woningmarkt. Aanvullende nieuwbouw (buitengewone plannen die aantoonbaar bovenregionaal trekken) moet daar dan ook op gericht zijn.
Plangebied In de Woonvisie is een toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen opgesteld. Voor de planlocatie is van belang dat er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling voor de lokale woonbehoefte. De locatie bevindt zich binnen de grenzen van de bebouwde kom. Er is sprake van een perceel grasland waarop een woning wordt gerealiseerd. De nieuwe woning past in de karakteristiek van de omgeving. Conclusie De beoogde situatie past binnen de uitgangspunten voor transitiekernen. 3.3.3
Welstandsnota 2012
De gemeentelijke overheid heeft de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de bebouwde en onbebouwde omgeving in het algemeen en de visuele‐ of beeldkwaliteit in het bijzonder. Dergelijke criteria dienen te worden opgenomen in een gemeentelijke welstandsnota. Een belangrijke pijler van de welstandsnota is het gebiedsgerichte welstandsbeleid. De gebiedsgerichte welstandscriteria worden gebruikt voor de kleine en middelgrote bouwplannen die zich voegen binnen de bestaande ruimtelijke structuur van Schouwen‐Duiveland.
Hoofdstuk 4
Sectorale aspecten
In dit hoofdstuk komen de onderwerpen met betrekking tot de kwaliteit van de leefomgeving aan de orde die van belang zijn voor de realisatie van de woning aan de Kuijerdamseweg te Scharendijke.
4.1.
Vormvrije m.e.r.‐beoordeling
Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van de omgevingsvergunningplanmer‐plichtig of mer‐beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG‐richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.‐beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.‐beoordeling. Hierin is geregeld dat ook voor projecten die zijn opgenomen in bijlage D, maar beneden de drempelwaarden vallen, een besluit moet worden genomen of een milieueffectrapportage nodig is. In dat kader wordt afgewogen of het plan, ondanks dat het ruim onder de drempelwaarde blijft, mogelijk toch belangrijke negatieve milieueffecten heeft, op basis van de eerder genoemde omstandigheden. Dit is een 'vormvrije' mer‐beoordeling.
Voor de terinzagelegging van een ontwerpbestemmingsplan moet een m.e.r.‐beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Bij een (vormvrije) mer‐beoordeling is een van de aspecten waar naar gekeken moet worden cumulatie van effecten met andere ruimtelijke ontwikkelingen. Uit de wetgeving en bijbehorende toelichting blijkt niet duidelijk wat daar precies onder moet worden verstaan en hoe daarmee moet worden omgegaan. Toetsing en conclusie Kenmerken In hoofdstuk 2 is de beoogde ontwikkeling toegelicht. De activiteit die in deze ruimtelijke onderbouwing planologisch mogelijk wordt gemaakt is wonen. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. De beoogde ontwikkeling is daarom als zodanig niet MER‐plichtig. Kenmerken en effecten De effecten van de ontwikkeling op ecologische waarden zijn onderzocht in paragraaf 4.4. Hieruit blijkt dat de ontwikkeling niet leidt tot negatieve effecten op beschermende natuurgebieden.
Het planologisch toestaan van de beoogde activiteit veroorzaakt geen milieueffecten naar de omgeving die aanleiding moet zijn om een MER uit te voeren. Bij toetsing aan de milieu‐ en omgevingsaspecten in dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de effecten van de ontwikkeling op het milieu en op de omgeving. Cumulatieve effecten Behalve voor de realisatie van de burgerwoning zijn er in de directe omgeving geen ontwikkelingen of plannen in de voorbereiding. Met het aspect cumulatie behoeft dan ook geen rekening te worden gehouden.
4.2.
Niet‐gesprongen explosieven
Toetsingskader In een bestemmingsplan dat een nieuwe ontwikkeling mogelijk maakt, dient rekening te worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van conventionele explosieven (CE) uit de Tweede Wereldoorlog (WO II) Toetsing en conclusie Uit de beleidskaart niet‐gesprongen explosieven van de gemeente Schouwen‐Duiveland blijkt dat er in de buurt van het projectgebied geen aandachtsgebieden zijn aangeduid. aangeduid. Het projectgebied is daarmee niet verdacht op het voorkomen van CE. Het projectgebied is in het verleden niet onderzocht en is het uit historisch oogpunt niet bekend dat hier oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden. Uit historisch oogpunt is het aannemelijk dat hier geen vliegtuigbommen liggen. Het is echter niet uit te sluiten dat er geen conventionele explosieven kunnen liggen. Wanneer er binnen deze gebieden grondroerende werkzaamheden moeten worden uitgevoerd, hoeft vooraf aan de werkzaamheden geen vooronderzoek te worden uitgevoerd conform de bestaande regelgeving. Het protocol “Toevalstreffer CE uit de WO II” is echter wel van toepassing op deze gebieden. Dit betekent dat de werkzaamheden stil gelegd moeten worden en een melding van vondsten moet worden ingediend.
Figuur 4.1 Aandachtsgebied niet‐gesprongen explosieven, blauw omcirkeld het projectgebied (Bron: gemeente Schouwen‐Duiveland)
4.3.
Waterparagraaf
Toetsingskader Het projectgebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Scheldestromen, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits‐ en waterkwaliteitsbeheer. Ten behoeve van de beoogde ontwikkelingen is het aanmeldformulier van het waterschap voor de watertoets ingevuld (zie bijlage 4. Dit aanmeldformulier wordt voorgelegd aan het waterschap. Toetsing en conclusie Uit het aanmeldformulier blijkt dat er geen belangrijke aandachtspunten voor de waterhuishouding zijn.
4.4.
Ecologie
Toetsingskader Wet natuurbescherming In de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier‐ en plantensoorten samengebracht tot één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000‐gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura 2000‐gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000‐gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.
Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan slechts worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000‐netwerk bewaard blijft.
De bescherming van deze gebieden heeft een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. In de provincie Zeeland heten deze gebieden dan ook NNZ (Natuurnetwerk Zeeland). Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in het beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In het Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren.
GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van de ruimtelijke onderbouwing moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zeeland In de provincie Zeeland worden in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage IV bij deze verordening.
Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos , wezel en woelrat. Onderzoek Gebiedsbescherming Natura 2000/Natuurbeschermingswet Het projectgebied is geen Beschermd Natuurmonument of Natura 2000‐gebied. De afstand tot een Natura 2000‐gebied bedraagt circa 120 meter. Dit betreft het Natura 2000‐gebied 'Grevelingen' (zie figuur 4.2).
Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de afstand tot natuurgebieden kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. De gevolgen voor verzuring en vermesting zijn niet op voorhand uit te sluiten daarom is onderzoek uitgevoerd naar de stikstofdepositie. De berekeningen en de stikstofmemo zijn opgenomen in bijlage 2 en 3. Uit berekeningen voor de aanleg‐ en gebruiksfase blijkt dat er geen sprake is van stikstofdeposities die hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j op Natura 2000‐gebieden. Dit betekent dat geen significante gevolgen optreden en dat de instandhoudingsdoelstelling van de omliggende Natura 2000‐gebieden niet in gevaar komt. Voor projecten die niet leiden tot een toename van depositie is geen vergunning conform de Wet natuurbescherming nodig. De ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op de natuurwaarden van Natura‐2000 gebieden.
Figuur 4.2 Ligging van de planlocatie (blauw omcirkeld) ten opzichte van Natura 2000‐gebied (bron: Provincie Zeeland) Natuurnetwerk Zeeland Het projectgebied ligt niet in een gebied dat begrensd is in het kader van het Natuurnetwerk Zeeland (NNZ). Het dichtstbijzijnde gebied wat deel uitmaakt van het NNZ ligt op ongeveer 40 meter. Dit is het gebied 'bestaande natuur binnendijk nieuw'. De bouw en het gebruik van de woning hebben vanwege de afstand en de ligging geen negatief effect op de natuurwaarden van het gebied die begrensd is in het kader van het Natuurnetwerk Zeeland.
Figuur 4.3 Ligging projectgebied (blauwe cirkel) ten opzichte van Natuurnetwerk Zeeland (bron: Provincie Zeeland) Soortenbescherming De ontwikkeling van de woning vindt plaats op een perceel met grasland en beweid, dat regelmatig gemaaid wordt. Hierdoor is de verwachting dat de beoogde ontwikkeling geen effect heeft op beschermde soorten. Conclusie Het projectgebied ligt niet binnen Natura 2000‐gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000‐gebied betreft 'Grevelingen' op circa 120 meter. Uit AERIUS berekeningen voor de aanleg‐ gebruiksfase blijkt dat er geen sprake is van relevante stikstofdeposities (hoger dan 0,00 mol/ha/j) in de omliggende Natura 2000‐gebieden. Het projectgebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Op circa 40 meter van de ontwikkeling ligt natuurgebied 'bestaande dijken binnendijk nieuw' die behoort tot het Natuurnetwerk Zeeland (figuur 4.3). Verder ligt het projectgebied niet binnen een waterwin‐, grondwaterbeschermings‐ of milieubeschermingsgebied.
4.5.
Cultuurhistorie en archeologie
4.5.1 Cultuurhistorie Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk is opgenomen dat gemeenten bij het nemen van ruimtelijke besluiten rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.
Toetsing De cultuurhistorische waardevolle objecten zijn door de provincie aangegeven op de cultuurhistorische waardenkaart. Op de uitsnede in figuur 4.4 is te zien dat in het projectgebied geen cultuurhistorische waardevolle objecten aanwezig zijn die door de ontwikkeling geschaad kunnen worden. Aan de noordoostzijde van het projectgebied, aan de Kuijderdamseweg 66 bevindt zich een historische boerderij. Aan de westzijde van het projectgebied bevindt zich aan de Kuijerdamseweg 41 een gebouw dat onderdeel is van het Monumenten Inventarisatie Project (MIP). Verder bevinden zich rondom (aan de noordzijde en ten westen van) het projectgebied nog enkele historische boerderijen en MIP objecten. De ontwikkeling heeft geen invloed op deze cultuurhistorische waardevolle objecten.
Figuur 4.4 Cultuurhistorische waardenkaart, met blauw het projectgebied omkaderd (Bron: Provincie Zeeland) Conclusie Het aspect cultuurhistorie staat de ontwikkeling niet in de weg.
4.5.2
Archeologie
Toetsingskader Op grond van de Wro en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) zijn behoud en beheer van het bodemarchief integraal verankerd in de ruimtelijke werkprocessen van de gemeenten. Bij de vaststelling van een ruimtelijk plan moet met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten rekening worden gehouden. In het belang van de archeologische monumentenzorg kan bij een ruimtelijk plan door het bevoegd gezag (in dit geval de gemeente) worden bepaald dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen of voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden een rapport dient te overleggen, waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders voldoende is vastgesteld. De archeologische verwachtingszones zijn in het bestemmingsplan 'Recreatieterreinen' vertaald naar vier archeologische dubbelbestemmingen. In de bouwregels van deze bestemmingen is bepaald dat er ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag worden gebouwd mits de betrokken archeologische waarden door de voorgenomen bouwactiviteiten niet worden geschaad. Hiervoor zal de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een archeologisch onderzoeksrapport moeten overleggen en is instemming van de archeologische deskundige vereist.
Ook voor het uitvoeren van werkzaamheden die het bodemprofiel kunnen aantasten, is een vergunning met onderzoek en advies nodig. De dubbelbestemmingen verschillen van elkaar op het punt van de oppervlakte die is vrijgesteld van onderzoek. Toetsing en conclusie In paragraaf 1.3 is geschreven dat in het bestemmingsplan 'Recreatieterreinen' ter plaatse van het projectgebied de dubbelbestemming 'Waarde ‐ Archeologie ‐ 7' geldt dat voor bepaalde bodemingrepen een omgevingsvergunning nodig is. Voor de 'Waarde ‐ Archeologie ‐ 7' geldt dat bij grondroerende werkzaamheden voor een oppervlakte groter dan 5.000 m2 en dieper dan 50 cm archeologische onderzoek uitgevoerd dient te worden. Aangezien de oppervlakte van de boogde woning niet groter is dan 5.000 m2 is een archeologisch onderzoek niet vereist.
4.6.
Bodem‐ en grondwaterkwaliteit
Toetsingskader Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het projectgebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd.
Toetsing en conclusie Op 9 augustus 2022 is het verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is toegevoegd in bijlage 5. Het volgende is geconcludeerd. Uit het vooronderzoek is geconcludeerddat atmosferische depositie de enige (beperkte) bron van PFAS‐verontreiniging op de locatie kan zijn. Van atmosferische depositie is bekend dat dit tot beperkt verhoogde PFAS‐gehaltes in bodem en water kan leiden. Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "onverdacht, niet lijnvormig" (ONV). Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is. De bodem bestaat uit inschakelingen van zwak siltig, matig fijn zand en zwak siltg, zwak zandig klei. De bovengrond is bovendien zwak humeus. In het opgeboorde materiaal zijn zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn op het maaiveld van de onderzoekslocatie, alsmede in de bodem, geen puin(resten) of andere asbestverdachte materialen aangetroffen. Zowel in de bovengrond als in de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetoond. Het grondwater is licht verontreinigd met kwik en molybdeen.
De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "onverdacht, niet lijnvormig" kan worden beschouwd, is op basis van de lichte verontreinigingen in het grondwater, niet geheel bevestigd. Gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor de bestemmingsplanwijziging, alsmede de voorgenomen nieuwbouw op de onderzoekslocatie. Asbest Er zijn op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten. Een onderzoek in asbest in bodem/puin conform de NEN 5707/5897 wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Algemeen Indien er bij werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit, het “Handelingskader voor hergebruik van PFAS‐houdende grond en baggerspecie” of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing.
4.7.
Verkeer en parkeren
Toetsingskader Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient het plan te voldoen aan een goede ruimtelijke ordening. Met betrekking tot verkeer en parkeren betekent dit dat de ontwikkeling niet mag leiden tot parkeerproblemen in de omgeving en dient de verkeersgeneratie zonder problemen te kunnen worden afgewikkeld, zonder dat dit leidt tot opstoppingen en knelpunten voor de verkeersveiligheid.
4.7.1
Verkeersontsluiting
Gemotoriseerd verkeer Het projectgebied grenst aan de Kuijerdamseweg (N652). Deze weg is een provinciale weg met een snelheidsregime van 60 km/uur. De erftoegangsweg staat in direct verbinding met de Elkerzeeseweg, de Rampweg en de Inlaag. De Elkerzeeseweg leidt richting het oosten naar Scharendijke. Via de Kuijerdamseweg is de rijksweg N57 te bereiken. De Inlaag wordt gebruikt voor bestemmingsverkeer. De ontsluiting van het plangebied voor gemotoriseerd verkeer is goed. Langzaam verkeer Fietsers maken gebruik van de erftoegangswegen. Rond het projectgebied zijn geen gescheiden fietspaden aanwezig. Ook voetgangers maken gebruik van de erftoegangswegen. Openbaar vervoer Aan de Kuijerdamseweg, ten westen van het projectgebied zijn bushaltes aanwezig. Hier halteren de bussen 134 en 104. Deze lijnen gaan richting Zierikzee en Spijkenisse. Ook vanuit de kern Scharendijke, aan de Elkerzeeseweg, haltert bus 134 richting Zierikzee. 4.7.2
Verkeersgeneratie en verkeersafwikkeling
CROW‐publicatie 381 (2018) geeft kencijfers voor het berekenen van de verkeersgeneratie van een ontwikkeling. Voor vrijstaande koopwoningen is een maximaal kencijfer van 8,6 mvt/etmaal per woning opgenomen. De verkeerstoename ten behoeve van het toevoegen van één woning is dermate laag dat deze opgaat in het heersende verkeersbeleid van het omliggende wegennet. Deze minimale toename van het verkeer zal dan ook niet leiden tot een verminderde doorstroming op de wegvakken en de relevante punten.
4.7.3
Parkeren
Op basis van de kengetallen van de CROW zijn gemiddeld 2,8 parkeerplaatsen per vrijstaande woning nodig. Het gaat in dit plan om één woning, dit betekent dat er 2,8 parkeerplaatsen noodzakelijk zijn. Afgerond zijn er 3 parkeerplaatsen noodzakelijk. Deze parkeerplaatsen zullen op eigen terrein gerealiseerd worden. Hiervoor is voldoende ruimte aanwezig. 4.7.4 Conclusie Door de ontwikkeling neemt de verkeersintensiteit op de Kuijerdamseweg en aansluitende wegen zeer beperkt toe, er zullen geen problemen op het gebied van de verkeersafwikkeling ontstaan. De toekomstige parkeerbehoefte wordt opgevangen binnen het projectgebied. Het aspect verkeer en parkeren staat de ontwikkeling dan ook niet in de weg.
4.8.
Bedrijven en milieuhinder
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon‐ en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG‐publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie‐indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Onderzoek In de beoogde situatie wordt een woning gerealiseerd. Hiermee wordt een milieugevoelige functie opgericht en moet worden getoetst aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG‐brochure.
In de omgeving van het projectgebied bevinden zich woningen, bedrijfswoningen en een bugalowpark en kan de omgeving worden getypeerd als een 'rustige woonwijk'. Grenzend aan het projectgebied bevindt zich het bungalowpark Het Baken. Volgens de VNG‐brochure valt dit park onder 'Kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken)' met milieucategorie 3.1 met een richtafstand van 50 meter in een rustige woonwijk. Op basis van gemeentelijk beleid ('Ruimtelijke ordening en zoneringen') is er tussen de percelen met enkel recreatiebungalows (zonder voorzieningen) en woningen een afstand nodig van minimaal 30 meter in plaats van 50 meter die volgt uit VNG‐richtafstandenlijst. Het projectgebied grenst aan het bungalowpark. De woning zal worden gebouwd binnen een afstand van 30 meter ten opzichte van het terrein van Het Baken. Het maatgevende aspect voor een 'Kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken)' is geluid. Van de richtafstand kan gemotiveerd afgeweken worden. Naast het projectgebied bevinden zich reeds bestaande woningen. De afstand van deze woningen tot het bungalowpark is circa 14 meter. Het bungalowpark dient in haar bedrijfsvoering al reeds
rekening te houden met deze woningen. Verder geldt dat rond het projectgebied alleen recreatiewoningen planologisch mogelijk zijn. De maatgevende geluidsbronnen van het terrein zijn de receptie en het kampeerterrein. De receptie en het kampeerterrein zijn alleen in het westelijke deel van het terrein planologisch mogelijk. Dit ligt op een afstand van 100 meter van het projectgebied. Rond het projectgebied zijn enkel recreatiewoningen planologisch mogelijk en in de huidige situatie staan hier ook uitsluitend recreatiewoningen. Recreatiewoningen zijn geen geluidhinderlijke functie. Daarnaast wordt het bungalowpark niet beperkt in zijn bedrijfsvoering en milieuruimte. Conclusie Er is een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woning en de bedrijven worden door de beoogde ontwikkeling niet beperkt in hun bedrijfsvoering.
4.9.
Akoestisch onderzoek
Het aspect geluid kan betrekking hebben op: wegverkeerslawaai; industrielawaai; inrichtingslawaai. De locatie valt niet binnen de geluidzone van een gezoneerd bedrijventerrein. Daarnaast is geen sprake van een geluidhinder producerend bedrijf in de omgeving. De aspecten industrielawaai en inrichtingslawaai zijn daarom niet relevant. Op het aspect wegverkeerslawaai wordt hierna ingegaan. 4.9.1
Wegverkeerslawaai
Toetsingskader Ten aanzien van geluidhinder is de Wet geluidhinder (Wgh) van kracht. Doel van deze wet is het terugdringen van hinder als gevolg van geluid en het voorkomen van een toename van geluidhinder in de toekomst. Voor het onderhavige plan is alleen geluidhinder als gevolg van wegverkeerslawaai van belang. Woningen zijn volgens de Wet geluidhinder (Wgh) geluidgevoelige functies. Akoestisch onderzoek is noodzakelijk als de woningen binnen de geluidzone vallen van gezoneerde wegen. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij 30 km/h‐wegen de aanvaardbaarheid van de geluidbelasting te worden onderbouwd. De Wgh stelt dat op de gevels van nieuwe geluidgevoelige objecten, zoals de geprojecteerde woning, voldaan moet worden aan de voorkeursgrenswaarde van Lden = 48 dB. De maximale ontheffingswaarde is Lden = 63 dB. Voor 30 km/uur wegen gelden deze grenswaarden als richtwaarden. Toetsing De nieuwe woning ligt binnen de geluidzone van de Rampweg (60 km/uur). De aanliggende Kuijerdamseweg is een 30 km/uur weg waaraan wettelijk gezien niet getoetst hoeft te worden aan de Wet geluidhinder. Maar die in het kader van een goede ruimtelijke ordening wel in het onderzoek is betrokken.
Na de aanleg van de 3e fase Recreatieverdeelweg en de noodzakelijke flankerende maatregelen zal de functie van de Rampweg en de Kuijerdamseweg worden afgewaardeerd naar een erftoegangsweg met een maximum snelheid van 60 km/uur respectievelijk 30 km/uur. De intensiteit op deze wegen zal hierdoor fors afnemen in 2030 (werkdagen).
Op de direct aanliggende Kuijerdamseweg is de toekomstige verkeersintensiteit gering, namelijk 600 mvt/etmaal en op de Rampweg 2.000 mvt/etmaal. De Kuijerdamseweg wordt dan voornamelijk nog gebruikt door bestemmingsverkeer. De gezoneerde Rampweg heeft een verhoogde ligging ten opzichte van de nieuwe woning en ligt op een afstand van tenminste 40 meter van de nieuwe woning. Mede hierdoor en gezien de relatief lage intensiteit en de asfaltverharding op deze weg zal worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van de Wgh en is het vaststellen van een hogere waarde niet nodig. De Kuijerdamseweg met zijn geringe verkeersintensiteit (uitsluitend bestemmingsverkeer en in hoofdzaak licht verkeer) is akoestisch nauwelijks relevant. De geluidbelasting vanwege beide wegen zal gezien de lage intensiteiten en/of de relatief grote afstand tot de nieuwe woning voldoen aan de voorkeursgrenswaarde/richtwaarde van Lden = 48 dB. Conclusie De nieuwe woning kan worden mogelijk gemaakt in een aanvaardbaar akoestisch woon‐ en leefklimaat. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
4.10. Luchtkwaliteit Toetsingskader De gevolgen voor de luchtkwaliteit worden beoordeeld op basis van de Wet ruimtelijke ordening, de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk), de AMvB 'Niet in betekenende mate' (het besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM. Er dient, ook na realisatie van het planvoornemen, sprake te zijn van een goede ruimtelijke ordening. Daarbij moet voldaan worden aan de geldende grenswaarden en luchtkwaliteitseisen. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar‐ en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.1. weergegeven. Tabel 4.1. Grenswaarden maatgevende stoffen Wm stof
toetsing van
grenswaarde
stikstofdioxide (NO2))
jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
fijn stof (PM10)
jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
24‐uurgemiddelde concentratie
max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³
jaargemiddelde concentratie
25 µg/m³
Fijn stof (PM2,5)
NIBM In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m2 bvo bij één ontsluitingsweg. Toetsing en conclusie In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient het aspect luchtkwaliteit te worden onderzocht. Het plan voorziet in een woningbouwontwikkeling en valt standaard onder de categorie woningbouw tot 1.500 woningen aan twee ontsluitingswegen en draagt daarom 'niet in betekenende mate' bij aan de luchtkwaliteit. De ontwikkeling van één woning valt niet aan de hierboven genoemde grenswaarden. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk.
Figuur 4.5 Uitsnede NIBM‐tool In het kader van een goede ruimtelijke ordening is nagegaan hoe het met de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied is gesteld. Dit is gedaan aan de hand van de monitoringstool die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde voor luchtkwaliteit relevante weg is de N57 (zie figuur 4.6). Hieruit blijkt dat zowel in 2020 als in 2030 voldaan wordt aan de voor dit jaar geldende normen uit de Wet Milieubeheer zoals weergegeven in tabel 4.1.
Tabel 4.2 Toetsing aan grenswaarden maatgevende stoffen Wm stof
grenswaarde
maximale waarden in jaar 2020
maximale waarden in jaar 2030
stikstofdioxide (NO2)
40 µg/m³
11,4 µg/m³
9,7 µg/m³
fijn stof (PM10)
40 µg/m³
14,8 µg/m³
13,0 µg/m³
max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³
6,0 µg/m³
6,0 µg/m³
25 µg/m³
7,1 µg/m³
5,8 µg/m³
Fijn stof (PM2,5)
Figuur 4.6 Luchtkwaliteit rondom projectgebied (rood omkaderd) (Bron: NSL‐monitoringstool)
4.11. Externe veiligheid Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken, namelijk:
bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen.
In het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg met gevaarlijke stoffen. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde. De gemeente heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.
Risicorelevante inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10‐6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet‐ en regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor of over het water. De concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Met het inwerking treden van het BEVT vervalt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen.
Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10‐5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10‐6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10‐6 ‐waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheid afstanden (PR 10‐6 ‐contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Buisleidingen Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden.
In dat Besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het plaatsgevonden risico en de hoogte van het groepsrisico als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.
Onderzoek Vervoer gevaarlijke stoffen Uit informatie op de risicokaart (van de atlasleefomgeving) blijkt dat over de N57, die zich ten westen van het projectgebied bevindt, gevaarlijke stoffen wordt vervoerd van o.a. de stofcategorie GF3 met een invloedsgebied van 355 meter. De afstand van het projectgebied tot deze weg is circa 620 meter. Het projectgebied bevindt zich niet in het invloedsgebied van deze weg. Het groepsrisico hoeft niet berekend of verantwoord te worden. Ten zuiden van het projectgebied bevindt zich de N59 waarover gevaarlijke stoffen wordt vervoerd van o.a. de stofcategorie GF3 met een invloedsgebied van 355 meter. De afstand van het projectgebied tot deze weg bedraagt circa 5 kilometer. Het projectgebied bevindt zich niet in het invloedsgebied van deze weg. Het groepsrisico hoeft niet berekend of verantwoord te worden.
Figuur 4.7 Uitsnede risicokaart, met blauw omcirkeld het projectgebied (Bron: Atlasleefomgeving) Risicovolle inrichtingen Ook bevinden zich in de buurt van het projectgebied 2 propaantanks met een maximale inhoud van 5 m3 en een veiligheidsafstand van 20 meter. De afstand van het projectgebied tot deze tanks bedraagt minimaal 175 meter waardoor deze geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. Conclusie De veiligheidssituatie zal met de beoogde ontwikkeling niet significant verslechten en wordt als aanvaardbaar gezien. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.12. Duurzaamheid Toetsingskader Het Bouwbesluit stelt eisen aan energiezuinigheid van nieuwe gebouwen. De maat voor energiezuinigheid heet Bijna Energieneutraal Gebouwen (BENG). Hierbij kan op verschillende manieren omgegaan worden met energie zuinigheid. Toetsing en conclusie Voor alle nieuwbouw geldt dat aanvragen van de omgevingsvergunning vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Per 1 juli 2018 is het daarnaast verplicht gasloos te bouwen. De beoogde woning wordt bijna energieneutraal en wordt zonder gasaansluiting gebouwd.
4.13. Kabels en leidingen Toetsingskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: a. gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; b. aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; c. defensiebrandstoffen; d. warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink‐ en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. De Wet informatie‐uitwisseling ondergrondse netten (WION) verplicht gravers (ook wel grondroerders genoemd) tot het melden van elke 'mechanische grondroering' bij het Kadaster. Doel van de wet is gevaar of economische schade door beschadiging van ondergrondse kabels of leidingen (water‐, elektriciteit‐ en gasleidingen, telefoonlijnen en olie‐ en gasleidingen) te voorkomen. De wet heeft de (vrijblijvende) zelfregulering zoals die bestond in de vorm van het Kabels en Leidingen Informatie Centrum (KLIC) vervangen. Toetsing en conclusie In en nabij het projectgebied zijn geen planologisch relevante leidingen of hoogspanningslijnen aanwezig.
Met eventueel aanwezige overige planologisch gezien niet‐relevante leidingen (zoals rioolleidingen, leidingen nutsvoorzieningen, drainageleidingen) in of nabij het projectgebied hoeft in de ruimtelijke onderbouwing geen rekening te worden gehouden. Voor deze leidingen zal nog wel een melding bij het kadaster worden gedaan.
Hoofdstuk 5
5.1.
Uitvoerbaarheid
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel aan te tonen dat het ruimtelijk plan maatschappelijk draagvlak heeft. Conform de wettelijke eisen zal het ontwerp van de omgevingsvergunning met de daarbij behorende ruimtelijke onderbouwing voor een ieder ter inzage worden gelegd. Een ieder kan zienswijzen indienen tegen het ontwerpbesluit.
5.2.
Economische uitvoerbaarheid
De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De ontwikkeling heeft voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen. Er is sprake van een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan (zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening), zodat sprake is van verplicht kostenverhaal. De overige kosten worden via de reguliere legesverordening op de opdrachtgever verhaald en zijn dus anderszins verzekerd.
BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING
Bijlage 1 Stedenbouwkundige randvoorwaarden
STEDENBOUWKUNDIGE RANDVOORWAARDEN KUIJERDAMSEWEG 68 SCHARENDIJKE
SEPTEMBER 2022 1
1. ANALYSE HET PLANGEBIED De projectlocatie bevindt zich aan de westzijde van het dorp Scharendijke ten zuidwesten van het perceel Kuijerdamseweg 66. De Kuijerdamseweg vormt een verbinding tussen de Brouwersdam Binnenzijde ende Elkerzeeseweg. Daarmee vormt het de belangrijkste entree tot Scharendijke vanaf de Dammenweg (n57). Het betreffende perceel is in de bestaande situatie onbebouwd en in gebruik als grasland. Zowel aan de straatzijde als de zuidwest- en zuidoostzijde van het perceel zijn sloten aanwezig die daarmee de begrenzing vormen naar het aangrenzende recreatieterrein. Op de aangrenzende percelen is hoogopgaande beplanting aanwezig, zodat er duidelijke randen worden gevormd naar de omliggende functie. Het terrein is reeds bereikbaar via de Kuijerdamseweg. In de huidige situatie is er een afsluitend hekwerk aanwezig. Het perceel heeft een oppervlakte van 745m2, de breedte is ca 20m en diepte ca 40m. De kadastrale grens ligt daarbij in het midden van de aanwezige sloten. Aan de Kuijerdamseweg staan maar enkele woningen die op de weg zijn georiënteerd en via deze weg worden ontsloten. De recreatiewoningen van Het Baken zijn van de Kuijerdamseweg afgekeerd en door een groenstrook gescheiden van de weg. Ter hoogte van de kruising