1070361 Bijlage 2. Beleidsnotitie Rondkomen op Schouwen-Duiveland
Tekst van het document
RONDKOMEN OP SCHOUWEN-DUIVELAND Beleidsnotitie wijziging inkomensondersteunende regelingen
Maurits Bijleveld 21-03-2024
Inhoud Samenvatting 1. Inleiding 1.1 Armoede in Nederland 1.2 Armoede in gemeenten
2. Situatie op Schouwen-Duiveland 2.1 De bestaande armoederegelingen op Schouwen Duiveland
4 5 5 6
7 7
3. Uitbreiding van de inkomensondersteunende maatregelen 12 3.1 Inkomensondersteuning vanaf 2024 3.2 Lokale inkomensondersteuning in landelijk perspectief 3.3 Ontwikkelingen op Schouwen-Duiveland 3.4 Onderzoek van KWIZ en de hoofdconclusies
4. Scenarioanalyse bij verhoging van de inkomensgrenzen conform het raadsvoorstel 4.1 Uitbreiding van de doelgroep 4.2 Gebruik van de regelingen 4.3 Bijzondere situatie van de Individuele Bijzondere bijstand 4.4 Gevolgen van de uitbreiding conform het raadsvoorstel 4.5 Groter risico op een armoedeval
5. Alternatief voorstel 5.1 Verhoging en differentiatie van de inkomensgrenzen 5.2 Verhoging van de maximale vergoeding van het Volwassenenfonds 5.3 Verhoging van de maximale vergoeding voor het zwemdiploma
6. Financiële gevolgen op de begroting 6.1 Gevolgen van de wijziging conform het raadsvoorstel 6.2 Gevolgen van de wijziging conform het alternatief 6.3 Financiële dekking
7. Conclusies en advies 7.1 Conclusies 7.2 Advies
12 12 12 13
14 14 14 15 15 16
17 17 19 19
20 20 20 21
22 22 22
Lijst met gebruikte afkortingen 24 Bijlage 1: Duidingsrapportage dashboard minima 2022–2023 Bijlage 2: Factsheet dashboard minima 2023 Bijlage 3: Scenarioanalyse gemeente Schouwen-Duiveland
Samenvatting Armoede is een ingewikkeld probleem. In deze notitie kijken we naar armoede als een financieel probleem dat ontstaat doordat een huishouden te weinig inkomen heeft of geen vermogen heeft.
Regelingen Gemeenten moeten van het rijk inwoners ondersteunen als zij onvoldoende geld hebben om de eindjes aan elkaar te knopen. Daarom hebben gemeenten regelingen opgesteld die inwoners moeten helpen. In deze notitie leest u hoe minimaregelingen passen in het armoedebeleid van gemeenten, waarbij we specifiek naar Schouwen-Duiveland kijken. De gemeente Schouwen-Duiveland heeft op dit moment 12 regelingen voor inwoners met een laag inkomen. Deze regelingen bespreken we in deze notitie. Zo kijken we daarbij naar de hoogte van het inkomen dat een inwoner maximaal mag hebben om gebruik te kunnen maken van iedere regeling.
Onderzoek De gemeenteraad van Schouwen-Duiveland heeft het college van burgemeester en wethouders gevraagd om te onderzoeken of meer mensen gebruik kunnen maken van de regelingen. De raad stelt daarom voor dat ook mensen met een iets hoger inkomen van 4 regelingen gebruik kunnen maken. Daarvoor is het nodig dat de inkomensgrens voor deze 4 regelingen omhoog gaat. De raad denkt daarbij aan een inkomensgrens van 130 %. Ook heeft de raad het college gevraagd met een plan van aanpak te komen om inwoners beter te informeren over deze regelingen.
Armoedemonitor Het college vindt het belangrijk dat er eerst goed onderzocht wordt welke huishoudens nu gebruik maken van de regelingen. Daarom is door een onderzoeksbureau een Armoedemonitor minima 2022–2023 voor Schouwen Duiveland opgesteld. Die monitor bestaat uit een digitaal dashboard. Met dit dashboard kunnen we bijvoorbeeld ook berekeningen maken van de kosten als we de grens van het inkomen verhogen.
Alternatief In deze notitie staat ook een alternatief voor het raadsvoorstel. In dit alternatief passen we de maximale hoogte van het inkomen voor 5 regelingen aan. Deze inkomensgrenzen zijn niet voor iedere regeling hetzelfde. Het voordeel van dit alternatief is dat een mogelijk risico op de armoedeval wordt voorkomen. Ook krijgen mensen met weinig geld meer kansen om mee te doen in de maatschappij. Zo leest u een voorstel om het maximum bedrag van het Volwassenenfonds Sport en Cultuur en van zwemlessen voor kinderen te verhogen.
Advies Aan het einde van de notitie volgt een advies aan het college. Daarin staat dat het college het beste kan kiezen voor het alternatieve voorstel. Dat heeft te maken met het financiële plaatje en andere voordelen. Deelname aan sport- en cultuuractiviteiten wordt gemakkelijker gemaakt en de maatschappelijke participatie neemt toe. Ook wordt het risico op een armoedeval kleiner. Ook moet er extra aandacht komen om de bekendheid over de regelingen te vergroten. In het advies staan daarvoor een aantal maatregelen die het college kan nemen.
4
1
Inleiding 1.1 Armoede in Nederland Armoede is een wicked problem(1). Dat geldt niet alleen voor de mensen die in armoede leven, maar ook voor bestuurders en beleidsmakers die armoede willen voorkomen of willen bestrijden. Hoewel er in de politiek, de (sociale) media en het maatschappelijk verkeer veel wordt gesproken over armoede, is het begrip wat armoede nu precies is, diffuus. Zo bestaan er verschillende definities voor armoede. In de literatuur wordt armoede soms breed gedefinieerd als een multidimensionaal fenomeen dat niet alleen beperkt is tot inkomen, maar ook betrekking heeft op gezondheid, onderwijs, welvaart, sociale participatie en algemeen welzijn van individuen en gemeenschappen. Ook in Nederland worden steeds meer maatschappelijke problemen aan armoede gekoppeld. Zo komen we bij een rondgang via Google al snel bij energiearmoede, vervoersarmoede, menstruatiearmoede, woonarmoede, voedselarmoede, beweegarmoede en kledingarmoede. Kortom, enige afbakening voor deze notitie is nodig om niet te verzanden in lange beschouwingen en goede bedoelingen. In het kader van deze notitie beperken we ons daarom tot armoede als gevolg van een tekort aan financiële middelen. Internationaal wordt in de literatuur een percentage van 60 % van het mediaan inkomen gehanteerd als drempel om armoede te definiëren. Dit wordt aangeduid als het armoederisiconiveau.
Het stelt onderzoekers en beleidsmakers in staat om een consistent en vergelijkbaar kader te hanteren bij het meten van armoede in verschillende landen. Binnen de Nederlandse context wordt veelal op een andere wijze naar armoede gekeken. Hierbij worden meestal de definities van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en/of die van het Sociaal Cultureel Platform (SCP) gehanteerd. Het CBS en het SCP hanteren daarbij verschillende armoededefinities. Het CBS kent de zogeheten lage inkomensgrens en het SCP gebruikt de niet-veel-maar-toereikend-grens (NVMT). De lage inkomensgrens neemt het inkomen als uitgangspunt voor de armoededefinitie (bijvoorbeeld 110 % van het sociaal minimum) , terwijl de NVMT uitgaat van uitgaven, dus welk inkomen iemand minimaal nodig heeft om zijn kosten te dekken. Het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (NIBUD) hanteert voor zijn armoedeonderzoeken het NVMT-model en berekent vrij exact wat uiteenlopende huishoudtypes gemiddeld minimaal nodig hebben om rond te kunnen komen. Deze definities worden vaak door elkaar heen gebruikt. Zo gaat het ministerie van Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) in zijn Armoedemonitor 2023(2) uit van beide definities. Het CBS, SCP en het NIBUD werken op dit moment aan een gezamenlijke armoededefinitie naar aanleiding van de Commissie sociaal minimum. Dit traject is rond de zomer van 2024 klaar.
1 Het concept van ‘wicked problems’ werd voor het eerst geïntroduceerd door ontwerpers Horst Rittel en Melvin Webber in 1973 in een artikel getiteld ‘Dilemmas in a General Theory of Planning.’ Ze gebruikten de term om problemen te beschrijven die complex, moeilijk te definiëren en lastig op te lossen zijn vanwege hun sociale, politieke en interdisciplinaire aard. Ook armoede wordt geschaard onder de wicked problems. Het is een complex en moeilijk oplosbaar probleem, vaak gekenmerkt door onzekerheid, tegenstrijdige belangen en meerdere mogelijke interpretaties. Het oplossen ervan is uitdagend vanwege de vele factoren en betrokken belanghebbenden. 2 2e voortgangsrapportage Aanpak geldzorgen, armoede en schulden - Monitor 2023 | Rapport | Rijksoverheid.nl 5
1.2 Armoede in gemeenten Gemeenten laten de risico’s op armoede vaak doorrekenen door het NIBUD in een zogeheten Minima Effectrapportage (MER). In de MER wordt bij diverse inkomensgrenzen berekend of uiteenlopende huishoudtypen kunnen uitkomen met hun inkomen. Daarbij wordt tevens rekening gehouden met de inkomensondersteunende gemeentelijke maatregelen. Uit onderzoek blijkt namelijk dat een inkomen ter hoogte van het sociaal minimum in sommige situaties onvoldoende is om de eindjes aan elkaar te knopen, zelfs niet als inwoners uiterst spaarzaam omgaan met hun beperkte financiële middelen. Gemeenten kennen daarom ter ondersteuning van deze burgers allerlei regelingen die het inkomen aanvullen of kosten dekken. Om te bepalen welke burgers hiervoor in aanmerking komen hanteren gemeenten meestal de definitie van armoede van het CBS. Het recht op aanvullende gemeentelijke ondersteuning is gelimiteerd tot huishoudens onder een gestelde inkomensgrens en vaak ook een vermogensgrens. Er is dan sprake van armoede indien de inwoner met zijn inkomen (en evt. vermogen) onder een bepaalde grens zakt. Deze grens is meestal gebaseerd op een percentage van het wettelijke sociaal minimum (WSM). Het WSM is het bedrag dat overeenkomt met de bijstandsnorm bij de gegeven gezinssituatie. Het ministerie van SZW stelt ieder half jaar de normbedragen vast per huishoudtype(3).
3 Voor de normen per 1 januari 2024 zie Normenbrief 1 januari 2024 - informatie voor gemeenten | Publicatie | Rijksoverheid.nl
6
2
Situatie op Schouwen-Duiveland Ook Schouwen-Duiveland heeft in 2019 een MER laten opstellen. Hieruit kwam naar voren dat huishoudtypes bestaande uit een (echt-)paar met 2 oudere kinderen op geen van de onderzochte inkomensniveaus rond kunnen komen. Daarvoor werden 2 oorzaken genoemd. Allereerst het feit dat paren de kosten van 2 volwassenen moeten dragen. Het inkomen is daartoe niet toereikend. Daarnaast drukken de kosten van oudere kinderen sterk op de begroting. Oudere kinderen zijn duurder dan jongere en deze extra kosten worden niet volledig gedekt door de kinderbijslag en het kindgebonden budget. Daarnaast constateerde het NIBUD dat op Schouwen-Duiveland nauwelijks sprake is van een armoedeval. De armoedeval ontstaat wanneer door een iets hoger inkomen de landelijke toeslagen vervallen en ook de gemeentelijke inkomensondersteuning afneemt. Door de differentiatie in inkomensgrenzen bij de gemeentelijke regelingen in Schouwen-Duiveland wordt het risico op een armoedeval beperkt.
2.1 De bestaande armoederegelingen op Schouwen Duiveland Welke soorten armoederegelingen zijn er? Armoederegelingen zijn veelal gebaseerd op wettelijke landelijke en/of gemeentelijke regelgeving. Zo kent de Participatiewet diverse bepalingen waarbij gemeenten de opdracht krijgen de inkomenspositie van burgers met een (te) laag inkomen via nadere regelgeving te verbeteren. Daarnaast kan de gemeente op grond van de gemeentewet inwoners perspectief bieden en ruimte voor ontplooiing met als doel participatie en financiële zelfredzaamheid. Of inwoners de kans bieden mee te doen binnen de eigen mogelijkheden. Gemeenten hebben vooral ten aanzien van deze laatste mogelijkheid veel eigen vrijheid. Uit een recente rondgang langs de Nederlandse gemeenten bleek dat er landelijk meer dan 60 extra regelingen zijn bovenop de landelijke regelingen als bijstand en tegemoetkomingen. Denk aan babypakketten, ontbijttasjes, kledingbonnen, schoolspullen, contributiebijdragen, stadpassen, gratis menstruatieproducten, gezonde boodschappen en medische noodhulp.
De armoederegelingen op Schouwen-Duiveland Schouwen Duiveland kent inhoudelijk de volgende armoederegelingen:
Vanuit de Participatiewet 1. Individuele Bijzondere Bijstand Individuele inwoners op Schouwen Duiveland die geconfronteerd worden met onverwacht hoge kosten die zij niet konden voorzien en die zij niet uit hun inkomen en/of vermogen kunnen betalen, kunnen een beroep doen op individuele bijzondere bijstand (IBB). IBB vloeit voort uit de Participatiewet en verplicht de gemeente om te toetsen of de aanvraag aan de gestelde criteria voldoet alvorens over te gaan tot een financiële compensatie van de gemaakte kosten. Voor de IBB geldt dat de hoogte van de bijstand afhankelijk is van de draagkracht van de aanvrager.
7
2. Categoriale Bijzondere Bijstand In tegenstelling tot IBB wordt deze vorm van bijstand verleend aan groepen inwoners die aan de wettelijke eisen voldoen. Ook de categoriale bijzondere bijstand is onderdeel van de Participatiewet. De categoriale bijzondere bijstand beperkt zich tot de groepen die in wet worden genoemd. Voorbeelden van categoriale bijzondere bijstand die in de wet staan zijn de premiebijdrage voor de ziektekostenverzekering en de energietoeslag. De gemeente heeft zelf geen mogelijkheden andere groepen te benoemen. De gemeente heeft echter wel de ruimte om de in de wet genoemde groepen nader te definiëren door het stellen van eigen inkomensgrenzen. 3. Individuele inkomenstoeslag De individuele inkomenstoeslag (IIT) is een bijzondere vorm van bijzondere bijstand. De toeslag kan verstrekt worden aan mensen van 21 jaar tot de AOW-leeftijd, die langdurig een laag inkomen hebben en geen in aanmerking te nemen vermogen. Bovendien mag er geen uitzicht zijn op inkomensverbetering. De gemeente bepaalt de inkomensgrenzen, stelt een norm voor de referteperiode en geeft invulling aan het begrip dat men geen vooruitzicht heeft op inkomensverbetering. 4. Studietoeslag De gemeente verstrekt een studietoeslag aan studenten met een beperking. De studietoeslag is bedoeld om deze studenten te stimuleren een diploma te behalen en zo de kans op een baan te vergroten.
De student moet als rechtstreeks gevolg van een ziekte of gebrek structureel niet in staat zijn naast de studie inkomsten te verwerven. De gemeente beoordeelt of dit laatste het geval is, het Rijk stelt de hoogte van de toeslag vast.
Regelingen die zijn gestoeld op eigen gemeentelijk beleid 5. Tegemoetkoming meerkosten chronisch zieken en gehandicapten De gemeente Schouwen-Duiveland heeft een beleidsregel op grond waarvan chronisch zieken en gehandicapten jaarlijks een vast bedrag kunnen aanvragen vanwege de meerkosten die zij als gevolg van hun beperking ervaren. De gemeente bepaalt in de beleidsregels de hoogte van de vergoedingen en welke inkomensgrenzen worden gehanteerd. De uitvoering wordt verzorgd door de gemeente. 6. Declaratiefonds Op basis van de beleidsregels Declaratiefonds Schouwen-Duiveland kunnen inwoners met een smalle beurs op verzoek een jaarlijks een gemaximeerde bijdrage ontvangen in de kosten voor sociale, culturele sportieve en educatieve activiteiten. Uit het fonds kunnen schoolgaande kinderen tevens een vergoeding ontvangen voor zwemles en in sommige situaties voor reiskosten van en naar school. De uitvoering wordt verzorgd door de gemeente. 7. Jeugdfonds Sport en Cultuur Het Jeugdfonds Sport en Cultuur Zeeland (hierna: Jeugdfonds) betaalt de contributie/het lesgeld voor kinderen en jongeren uit gezinnen waar te weinig geld is voor een sportclub, muziek- of dansles, schilderen, theaterschool of een andere creatieve cursus.
Het Jeugdfonds stelt zich ten doel om deze kinderen snel, effectief en op laagdrempelige wijze de kans te bieden om te gaan sporten of deel te nemen aan culturele activiteiten. Kinderen tot en met 18 jaar komen in aanmerking voor een sport-/cultuurkans. Aanmelding voor een bijdrage uit het fonds gebeurt door een professional uit het onderwijs, wijkteams, schuldhulpverlening, jeugdzorg, gezondheidszorg of maatschappelijk werk. De uitvoering wordt verzorgd door het Jeugdfonds. 8. Volwassenenfonds Sport en Cultuur Vergelijkbaar met het Jeugdfonds kent Schouwen-Duiveland ook een Volwassenenfonds voor Sport en Cultuur (hierna: Volwassenenfonds). Via intermediairs kunnen volwassenen verzoeken om een jaarlijks gemaximeerde bijdrage voor sportieve of culturele activiteiten. De uitvoering wordt verzorgd door het Volwassenenfonds.
8
9. Stichting Leergeld Via stichting Leergeld Oosterschelderegio wordt het voor kinderen in minimagezinnen mogelijk deel te nemen aan binnen- en buitenschoolse activiteiten. Na een huisbezoek wordt de hulpbehoefte geïnventariseerd en vindt toetsing plaats van de van de inkomens- en vermogenspositie. Het gaat daarbij om maatwerk dat wordt ingevuld volgens het kindpakket, zoals dit voorgesteld is door de kinderombudsman. Via Leergeld kan een kind bijvoorbeeld een laptop, een rekenmachine of een fiets krijgen. De uitvoering wordt verzorgd door de stichting. 10. Gratis openbaar vervoer De gemeente heeft in 2023 een pilot opgezet waarin een geselecteerde groep inwoners met een laag inkomen gratis gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer. De deelnemers konden vanaf 1 september 2022 tijdens daluren een jaar lang met alle bussen van Connexxion vrij reizen in de provincie Zeeland, de Hoeksche Waard en Goeree-Overflakkee en met de Interliner 395 naar Rotterdam. Het doel van de pilot is het in kaart brengen van het gebruik en de effecten van gratis OV voor minima. Na een evaluatie bleek de proef succesvol. Op basis van de evaluatie is besloten tot verlenging van het aanbod van gratis openbaar vervoer aan de deelnemers die eerder aan de pilot deelnamen.
Deze verlenging loopt tot eind 2024, waarna beoordeeld wordt het komt tot een definitief aanbod van gratis OV voor de gehele minimapopulatie.
Mogelijkheden die de belastingwetgeving biedt 11. Kwijtschelding gemeentelijke belastingen Inwoners met een inkomen op of rond het bijstandsniveau en beperkt vermogen kunnen kwijtschelding aanvragen voor gemeentelijke belastingen als de afvalstoffenheffing. De gemeente moet bij het vaststellen van kwijtschelding rekening houden met de Leidraad Invordering(4). Dit is de basisregeling voor kwijtschelding van gemeentelijke belastingen. De uitvoering wordt verzorgd door de Samenwerking belastingen Walcheren en Schouwen-Duiveland.
Welke voorwaarden en inkomensgrenzen gelden er ten aanzien van de regelingen Iedere regeling kent zijn eigen voorwaarden, met een eigen doelgroep maar ook eigen inkomensgrenzen. Schouwen-Duiveland heeft ervoor gekozen niet uit te gaan van 1, uniforme inkomensgrens voor alle inkomensondersteunende regelingen. Voor een overzicht van de regelingen met de daarbij geldende inkomens- en vermogensgrenzen zie tabel 1. Naam regeling
Inkomensgrens Doelbesteding
Hoogte bedrag
Individuele bijzondere bijstand
Bij < 110 % is draagkracht 0 %
Aan bijzondere en noodzakelijke kosten
Afhankelijk van kosten
Verrekening met premie
•
boven 110 % is draagkracht 35 % Collectieve aanvullende < 130 % WSM ziektekosten verzekering Energietoeslag 2023
< 150 % WSM
• Vrij besteedbaar
• •
€ 360 per jaar voor pakket Extra € 420 per jaar voor pakket Extra Uitgebreid € 800 per jaar voor inkomens < 120 % WSM € 650 per jaar voor inkomens 120 tot 150 % WSM
4 https://wetten.overheid.nl/BWBR0024096/2020-01-01 9
Naam regeling
Inkomensgrens Doelbesteding
Hoogte bedrag
Individuele inkomenstoeslag
< 110 % WSM
•
Vrij besteedbaar
• • • Studietoeslag
geen
Vrij besteedbaar
• •
Tegemoetkoming meerkosten chronisch zieken en gehandicapten
< 150 % WSM
Declaratiefonds
< 120 % WSM
Vrij besteedbaar
• •
€ 454 per jaar alleenstaande € 584 per jaar alleenstaande ouder € 543 per jaar paar zonder kinderen € 699 per jaar paar met kinderen € 105,84 - € 352,80 per studiejaar leeftijdsafhankelijk € 500 per jaar paar met kinderen 12–18 jaar € 350 per jaar overigen
Participatie-activiteit
Maximaal € 175 per jaar voor participatie
Zwemles 5–18 jaar
Maximaal € 932 per 3 jaar voor zwemles
Schoolvervoer 12–18 jaar
Maximaal € 350 per jaar voor schoolvervoer
Stichting Leergeld
< 120 % WSM (‘zachte toets’)
Bijdrage aan activiteiten op Afhankelijk van kosten het gebied van school, sport, cultuur en welzijn
Jeugdfonds Sport en Cultuur
< 120 % WSM (‘zachte toets’)
Bijdrage contributie/lesgeld op het gebied van sport- en cultuur
•
•
Sport maximaal € 225 per deelnemer per schooljaar Cultuur maximaal € 450 per deelnemer per schooljaar
Volwassenenfonds Sport en Cultuur
< 120 % WSM (‘zachte toets’)
Bijdrage aan structurele ac- Maximaal € 250 per deeltiviteiten op het gebied nemer per jaar van sport- en cultuurbeoefening
Gratis openbaar vervoer
< 130 % WSM
Vrij reizen in daluren
In natura
Verlaging van belasting
100 % van het verschuldigde bedrag
Kwijtschelding ge100 % WSM meentelijke belastingen
Tabel 1. Minimaregelingen in de gemeente Schouwen-Duiveland per 1 januari 2024.
10
Het voordeel van het hanteren van verschillende inkomensgrenzen is dat het risico op een armoedeval kleiner is. Van een armoedeval is sprake indien een huishouden vanuit een bijstandsuitkering uitstroomt naar betaald werk (uitstroomval) of als het inkomen stijgt doordat de inwoner meer gaat verdienen (doorstroomval). Door het hogere inkomen kunnen de inkomensondersteunende regelingen afnemen of geheel wegvallen. Uiteindelijk kan dit er toe leiden dat de inwoner beter af is met een lager inkomen. Door de verschillen in inkomensgrenzen van de diverse regelingen valt de ondersteuning niet in 1 keer weg en is het risico op een armoedeval kleiner. Zoals het NIBUD al eerder opmerkte is er op Schouwen-Duiveland vergeleken met andere gemeenten nauwelijks sprake van een armoedeval(5). Het nadeel van verschillende inkomensgrenzen is dat het voor burgers onoverzichtelijk is. Omdat voor iedere regeling een andere inkomensgrens wordt gehanteerd moet de inwoner van SchouwenDuiveland iedere keer opnieuw berekenen of hij aanspraak kan maken op de regeling. Dit heeft ook gevolg voor het bereik van de regeling. Indien iemand niet in aanmerking komt voor de ene regeling betekent dit niet dat hij geen aanspraak kan maken voor de andere regeling.
Dit nadeel is slechts weg te nemen door een heldere communicatie, ondersteuning bij het doen van een aanvraag en zo veel mogelijk ambtshalve beoordelen of betrokkene in aanmerking komt voor een regeling.
5 Minima-effectrapportage Schouwen-Duiveland 2018
11
3
Uitbreiding van de inkomensondersteunende maatregelen 3.1 Inkomensondersteuning vanaf 2024 Het beleid op gebied van armoedebestrijding is altijd in ontwikkeling. Vanuit de landelijke politiek is er de laatste jaren veel aandacht voor bestaanszekerheid, waar armoedebestrijding deel van uitmaakt. Bij de verkiezingen voor de Tweede kamer in 2023 bleek bestaanszekerheid 1 van de belangrijkste thema’s van alle politieke partijen. Carola Schouten heeft zich in haar rol als minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen als taak gesteld de kinderarmoede te halveren in 2025 en het aantal mensen dat in armoede leeft in 2030 met de helft terug te brengen.
3.2 Lokale inkomensondersteuning in landelijk perspectief Ook lokaal is de focus op het wegnemen van armoede de laatste jaren enorm gegroeid. Gemeenten kunnen het Rijk daarbij ondersteunen door hun burgers (soms in de vorm van maatwerk) en als aanvulling op het rijksbeleid financieel te ontlasten. Iedere gemeente gebruikt de eigen (beperkte) vrijheid om het minimabeleid vorm te geven. Daarbij geldt dat het gemeenten niet is toegestaan inkomenspolitiek te bedrijven. Dat leidt tot grote verschillen tussen gemeenten, die slechts ten dele zijn terug te voeren op het unieke karakter van de minimapopulatie in juist deze gemeente. Anderzijds is het gemeentelijk minimabeleid, hoe versnipperd ook, noodzakelijk om huishoudens een extraatje te geven om het hoofd boven water te houden. Zolang het rijk er niet in slaagt de bestaanszekerheid landelijk op peil te krijgen blijft financiële ondersteuning door gemeenten noodzakelijk. De commissie Sociaal Minimum constateert echter in het rapport ‘Een zeker bestaan II’(6) wel een aantal knelpunten in de gemeentelijke ondersteuning. De Commissie benoemt: 1. Mensen weten voorzieningen vaak niet goed te vinden (niet-gebruik). 2. Verschillen tussen gemeenten, met rechtsongelijkheid, onduidelijkheid en niet-gebruik tot gevolg. 3. Alles-of-niets karakter van regelingen leidt tot armoedeval. 4.
De financiële middelen voor het lokale minimabeleid staan onder druk. 5. De uitvoeringscapaciteit van gemeenten staat onder druk.
3.3 Ontwikkelingen op Schouwen-Duiveland Ook bij het gemeentebestuur van de gemeente Schouwen-Duiveland is toenemende aandacht voor bestaanszekerheid en wordt er gezocht naar nog betere vormen van lokale ondersteuning. Zo heeft de gemeenteraad van Schouwen Duiveland in 2 recente moties het college verzocht extra aandacht te besteden aan haar armoedebeleid. In de motie ‘Verruimen toegang minimaregelingen’ van 10 november 2022 heeft de raad gevraagd te onderzoeken of van een 4-tal minimaregelingen de inkomensgrens verhoogd kan worden. Voor deze 4 regelingen wordt door de raad voorgesteld een inkomensgrens van 130 % van het wettelijk sociaal minimum te hanteren. In de motie ‘Vergroten bereik armoedebeleid’ van 9 november 2023 heeft de raad gevraagd een plan van aanpak te presenteren met daarin vermeld de inspanningen die gedaan moeten worden om meer inwoners te attenderen op het armoedebeleid.
6 https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2023/09/28/een-zeker-bestaan-naar-eentoekomstbestendig-stelsel-van-het-sociaal-minimum-rapport-ii
12
Het college heeft daarop aangegeven dat zij eerst een beter en completer beeld wil hebben van de problematiek die deze groep treft en hoe de minimapopulatie op Schouwen Duiveland is samengesteld en wordt bereikt.
3.4 Onderzoek van KWIZ en de hoofdconclusies Om een beter zicht te krijgen op de doelgroep (omvang van de doelgroep, samenstelling van het huishouden, achtergrond, woonplaats, bereik van de regelingen) heeft de gemeente opdracht gegeven aan het externe onderzoeksbureau KWIZ om een digitale armoedemonitor te ontwikkelen waarin deze informatie zichtbaar wordt gemaakt. Hiermee kan de gemeente zelf (extra) analyses maken door bijvoorbeeld in te zoomen op een bepaalde doelgroep. Omdat het digitale dashboard door de technische beveiliging en de complexere opzet slecht toegankelijk is voor niet-ingewijden, heeft KWIZ ook een duidingsrapport gemaakt waarin de belangrijkste bevindingen worden genoemd. Dit duidingsrapport treft u in bijlage 1. De hoofdconclusies uit het rapport waren dat het aandeel van minimahuishoudens in de gemeente Schouwen-Duiveland lager ligt dan in vergelijkbare gemeenten. Eenoudergezinnen hebben daarbij vaker een minimuminkomen dan andere huishoudtypen. Van de kinderen die in een huishouden opgroeien met een laag inkomen groeit echter meer dan de helft op in een 2-oudergezin. Kinderen met een niet-westerse migratieachtergrond zijn daarbij oververtegenwoordigd. Een groot deel van de minimahuishoudens leeft al veel langer onder de grens van de bestaanszekerheid.
Driekwart van de minimahuishoudens die in beeld zijn heeft namelijk langdurig (3 jaar of meer) zo’n laag inkomen. De helft van de huishoudens met een laag inkomen woont in Zierikzee. Uit het onderzoek komt ook naar voren dat het bereik van de regelingen vooral bij huishoudens met een inkomen boven 110 % van het sociaal minimum relatief laag is, maar wel in lijn ligt met het gemiddelde in andere gemeenten. Ook in andere gemeenten blijkt het moeilijk te zijn om de doelgroep te vinden en te bereiken. Positief is wel dat het bereik van de Jeugdfonds hoger ligt dan het gemiddelde bij andere gemeenten. Voor de belangrijkster resultaten is ook een factsheet door KWIZ samengesteld, terug te vinden in bijlage 2.
13
4
Scenarioanalyse bij verhoging van de inkomensgrenzen conform het raadsvoorstel Indien we de inkomensgrenzen van de regelingen willen ophogen, zoals voorgesteld in de motie ‘Verruimen toegang minimaregelingen’, hebben we inzicht nodig in de omvang van de huidige doelgroep en de toename wanneer de grens wordt opgetrokken. KWIZ heeft een scenarioanalyse opgesteld voor deze situatie. Met behulp van deze scenarioanalyse kunnen we een goede inschatting maken van het effect van een verruiming van de toegang voor de genoemde regelingen.
4.1 Uitbreiding van de doelgroep Wanneer we allereerst kijken naar de groei van het aantal huishoudens dat gebruik kan maken van de 4 regelingen(7) komt uit het dashboard naar voren: Regeling
Wijziging grens
Wijziging doelgroep
Extra doelgroep
IBB
110 % naar 130 %
787 naar 1.263
+ 476 huishoudens
IIT
110 % naar 130 %
389 naar 503
+ 114 huishoudens
Declaratiefonds volwassenen
120 % naar 130 %
1.019 naar 1.283
+ 264 personen
Declaratiefonds kind
120 % naar 130 %
346 naar 429
+ 83 personen
Jeugdfonds
120 % naar 130 %
517 naar 576
+ 59 personen
Tabel 2. Omvang totale doelgroep bij huidige inkomensgrens en toename bij verhoogde inkomensgrens.
4.2 Gebruik van de regelingen Uit het dashboard bleek dat niet alle huishoudens gebruik maken van de regelingen. Uit de literatuur blijkt dat het niet-gebruik van regelingen door rechthebbenden een aantal oorzaken kan hebben(8): 1. Schaamte en angst voor stigmatisering. 2. Wantrouwen in ‘de overheid’. 3. Onbekendheid met (vooral) kleinere lokale regelingen. 4. Complexiteit van de (aanvraag van de) regelgeving. 5. Onbewustheid van het feit dan men rechthebbend is. 6. Afweging of een aanvraag wel de moeite loont. Het bereik van de regelingen op Schouwen-Duiveland varieert van 26 % voor het declaratiefonds, 28 % voor de individuele bijzondere bijstand, 50 % voor het jeugdfonds en 54 % voor de IIT. Behalve bovengenoemde factoren speelt bij een lager bereik ook mee dat de regeling zelf zijn beperkingen kent. Zo geldt bij de IIT dat aanvragers naast de inkomenseis ook moeten voldoen aan de voorwaarde dat men minimaal 3 jaar een laag inkomen heeft zonder vooruitzichten op inkomensverbetering. Voor de individuele bijzondere bijstand geldt dat men kosten maakt die onvoorzien, bijzonder en noodzakelijk zijn en waarvoor men nergens anders terecht kan. 7 In tabel 2 treft u de 4 regelingen die in de motie worden genoemd. Daarbij wordt het declaratiefonds gesplitst in het fonds voor volwassenen en het fonds voor kinderen, zodat de tabel uiteindelijk 5 items bevat.
8 Niet-gebruik van algemene bijstand in Rotterdam, https://onderzoek010.nl/documents/Werk-eninkomen
14
Voor het Jeugdfonds geldt dat het fonds alleen bijdraagt aan sport- en cultuuractiviteiten waarvan niet ieder kind of jongere gebruik wil maken.
4.3 Bijzondere situatie van de Individuele Bijzondere bijstand Zoals eerder gesteld geldt voor de IBB het principe dat er wordt gekeken naar de draagkracht van betrokkene. Indien de aanvrager een inkomen heeft tot 110 % van het WSM geldt dat hij geen draagkracht heeft om zijn noodzakelijke kosten te betalen en dat hij (indien hij aan de overige voorwaarden voldoet) de kosten volledig krijgt vergoed. Indien de aanvrager echter een inkomen heeft van meer dan 110 % van het WSM, dan wordt dit meerinkomen voor 35 % beschouwd als draagkracht. De kosten worden dan vergoed onder aftrek van deze draagkracht. Er geldt dus bij IBB geen inkomensgrens, maar een draagkrachtgrens ter hoogte van 110 % van het WSM. Dat betekent bijvoorbeeld dat een inwoner die een aanvraag indient voor € 500 aan bewindvoerderskosten en een inkomen heeft dat € 200 meer bedraagt dan 110 % WSM, uiteindelijk bijzondere bijstand ontvangt ter hoogte van € 430 (€ 500–35 % van € 200). Het verhogen van de draagkrachtgrens naar 130 % betekent dat de inwoner die bijzondere bijstand ontvangt onder aftrek van zijn draagkracht, minder of geen draagkracht meer heeft. De draagkracht wordt per individuele situatie bepaald, waarbij het niet goed mogelijk is te berekenen welk effect het verhogen van de draagkrachtgrens naar 130 % heeft.
Bij de doorrekening van KWIZ is het effect daarom ook als PM post opgenomen in de overzichten. Zie hiervoor ook de reflectie op de bijzondere bijstand op pagina 8 van de scenarioanalyse van KWIZ (bijlage 3). KWIZ merkt daarbij op dat de programmakosten logischerwijze zullen toenemen bij een verruiming van de inkomensgrenzen, maar dat deze toename niet is in te schatten. Het bedrag van € 173.000 dat KWIZ heeft berekend bij deze verhoging van de inkomensgrens is derhalve geen betrouwbare indicator voor de financiële gevolgen van een verhoging van de inkomensgrens van de IBB. Tot slot de opmerking dat een tussentijdse verhoging van de draagkrachtgrens van de bijzondere bijstand in de praktijk grote consequenties heeft voor met name de periodieke bijzondere bijstand. Zo wordt de draagkracht bij periodieke bijzondere bijstand (dat zijn bijvoorbeeld de kosten voor bewindvoering) vastgesteld voor de periode van een jaar. Een tussentijdse wijziging heeft tot gevolg dat nieuwe toekenningen voor periodieke bijstand voordeliger uitpakken voor de aanvrager dan lopende toekenningen met een eerder vastgestelde draagkracht.
4.4 Gevolgen van de uitbreiding conform het raadsvoorstel KWIZ heeft op basis van de stijging van het aantal potentiële rechthebbenden bij uitbreiding van de doelgroep naar 130 % en uitgaand van een gelijkblijvend bereik berekend wat de meerkosten van het extra gebruik zijn. Uit de analyse blijkt dat de programmakosten voor dit scenario stijgen met minstens € 54.000, waarbij de meerkosten voor de IBB ter hoogte van € 173.553 ook nog eens buiten beschouwing zijn gelaten. Zie voor de berekening tabel 1.2.4 op pagina 8 van bijlage 3. Daarbij is uitgegaan van een bereik van de regelingen die vergelijkbaar is met het eerder vastgestelde bereik. In werkelijkheid zal het extra gebruik en daarmee het bereik iets lager zijn. Bekend is dat het gebruik van inkomensondersteunende regelingen afneemt naarmate de betrokkene een hoger inkomen heeft. Dat betekent voor de korte termijn dat een uitbreiding van de doelgroep in absolute zin leidt tot een hoger gebruik, maar relatief tot een lager bereik van de regelingen. Om het bereik te vergroten zal na de verhoging van de inkomensgrenzen en aanvullend op het bestaande beleid de toegankelijkheid van de regelingen worden vergroot. Daartoe geeft het Dashboard ons handvatten
15
om gerichter de nog niet bereikte doelgroepen te benaderen. Uit de analyse van het dashboard weten we waar we de minima kunnen vinden, hoe de gezinssamenstelling is en welke groepen onderen oververtegenwoordigd zijn in de minimapopulatie. Zie bij de aanbevelingen in paragraaf 7.2 een aantal concrete maatregelen die kunnen leiden tot een groter bereik.
4.5 Groter risico op een armoedeval Het optrekken van de inkomensgrens van de 4 regelingen naar 130 % leidt evenwel tot een situatie, waarin het risico op een armoedeval wordt vergroot. Zoals eerder aangegeven constateerde het NIBUD dat dit risico op Schouwen-Duiveland tot nu toe beperkt is. Indien de inkomensgrens van 7 van de 11 inkomensondersteunende regelingen gelijk is aan 130 % WSM, leidt dit tot een veel groter risico op met name de doorstroomval. Inwoners met een kleiner inkomen uit arbeid zullen bij een verhoging van hun inkomen minder te besteden hebben omdat de inkomensondersteuning in 1 keer wegvalt. Om dit te voorkomen is naast het huidige raadsvoorstel een alternatief ontwikkeld dat een verruiming van de regelingen inhoudt zonder vergroting van het risico op een armoedeval. Voor dit alternatief zie hoofdstuk 5.
16
5
Alternatief voorstel In de motie ‘Verruimen toegang minimaregelingen’ wordt geconstateerd dat de minima en de middeninkomens hard geraakt worden door de sterk oplopende inflatie en de stijging van de kosten van de eerste levensbehoeften. Het in de motie genoemde voorstel leidt echter tot een aanzienlijke vergroting van het risico op een armoedeval. In dit alternatieve voorstel wordt ook uitgegaan van een verruiming van de toegang tot de minimaregelingen, maar zonder een vergroot risico op een armoedeval. Ook wordt voorgesteld de maximum bedragen voor het behalen van het zwemdiploma (onderdeel van het Declaratiefonds) en het Volwassenenfonds te verhogen.
5.1 Verhoging en differentiatie van de inkomensgrenzen Het alternatief gaat uit van een aanpassing van de inkomensgrenzen voor de volgende regelingen: Regeling
Inkomensgrens is
Inkomensgrens wordt
Individuele inkomenstoeslag
110 %
120 %
Declaratiefonds volwassenen
120 %
130 %
Declaratiefonds kinderen
120 %
130 %
Jeugdfonds Sport en Cultuur
120 %
140 %
Volwassenenfonds Sport en Cultuur
120 %
140 %
Stichting Leergeld
120 %
140 %
Tabel 3. Voorgestelde wijzigingen volgens het alternatieve voorstel.
In dit alternatieve voorstel blijft de draagkrachtgrens van de IBB ongewijzigd op 110 %, maar dat treft de betrokken aanvrager nauwelijks in de portemonnee. De uitgaven voor bijzondere bijstand betreft vooral namelijk de kosten voor bewindvoering. De meeste voorkomende vorm van bewindvoering is daarbij schuldenbewind. Indien de draagkrachtgrens naar 130 % zou worden verhoogd leidt dit tot een hogere aflossing op de schuldenlast van de onderbewindgestelde. Uiteindelijk profiteren de schuldeisers van de verhoging van de inkomensgrens en heeft de onderbewindgestelde er zelf geen direct financieel voordeel bij.
Gevolgen van de nieuwe grenzen voor minima De verhoging van de inkomensgrens voor het Jeugd- en Volwassenenfonds Sport en Cultuur naar 140 % leidt tot een extra stimulans voor inwoners om te gaan bewegen. Meer inwoners zullen gebruik kunnen maken van de faciliteit van beide fondsen, wat ertoe leidt dat een grotere groep van minima en middeninkomens gebruik zullen kunnen maken van deelname aan bijvoorbeeld sportverenigingen en fitnesscentra. Ook de verhoging van de inkomensgrens van het declaratiefonds naar 130 % heeft een positieve uitwerking op de participatie van inwoners met een kleine portemonnee.
17
Stimulering van sport Sport heeft talrijke voordelen voor de gezondheid. Het bevordert fysieke fitheid, vermindert het risico op chronische ziekten zoals hart- en vaatziekten, verbetert de mentale gezondheid door stress te verminderen en bevordert sociale interactie. Regelmatige lichaamsbeweging is essentieel voor het behoud van een gezonde levensstijl. Armoede kan daarbij een significante invloed hebben op de toegang tot sport. Financiële beperkingen kunnen het moeilijker maken voor mensen met weinig geld om deel te nemen aan georganiseerde sportactiviteiten, lidmaatschappen of de aanschaf van benodigde uitrusting. Dit kan resulteren in verminderde kansen voor fysieke activiteit en de bijbehorende gezondheidsvoordelen. Het is daarom belangrijk om toegang tot sport en recreatie te bevorderen om gelijke kansen op een gezonde levensstijl te waarborgen. Dat geldt voor volwassenen, maar vooral ook voor kinderen. Deelname aan het Jeugd- en Volwassenenfonds sluit aan bij de uitgangspunten zoals beschreven in Schouwen-Duiveland Vitaal, Sportakkoord II en het Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA).
Stimulering van cultuur Cultuur is belangrijk voor mensen omdat het identiteit en gemeenschapsgevoel bevordert. Het biedt een kader voor normen, waarden en sociale interacties, waardoor individuen zich verbonden voelen met anderen en een gevoel van betekenis ervaren in het leven. Cultuur draagt bij aan de vorming van tradities, kunst, taal en sociale structuren, die op hun beurt de diversiteit en rijkdom van menselijke ervaring verrijken. Armoede en cultuur kunnen daarbij op verschillende manieren onderling verbonden zijn. Cultuur kan zowel een oorzaak als een gevolg van armoede zijn. Enerzijds kan een gebrek aan middelen invloed hebben op culturele praktijken en toegang tot onderwijs en kunst. Anderzijds kunnen sociaaleconomische omstandigheden en structuren in een samenleving de cultuur beïnvloeden, bijvoorbeeld door de creatie van specifieke kunstvormen of sociale normen. Daarnaast kan cultuur een rol spelen bij het doorbreken van armoedecycli. Onderwijs en culturele expressie kunnen empowerment bieden, waardoor gemeenschappen zichzelf kunnen verheffen. Het begrijpen van deze complexe relatie is belangrijk bij het aanpakken van armoedebestrijding, omdat zowel culturele factoren als economische aspecten in overweging moeten worden genomen.
Stimulering van overige participatieactiviteiten Naast het verhogen van de inkomensgrens voor het Jeugdfonds en het Volwassenenfonds behelst het alternatief ook een aanpassing van de inkomensnormen voor het declaratiefonds. Tot de doelstellingen van het declaratiefonds behoren(9): 1. het voorkomen dat inwoners van Schouwen-Duiveland met een laag inkomen in een sociaalmaatschappelijk isolement raken als gevolg van het om financiële redenen niet kunnen deelnemen aan het maatschappelijk verkeer; en 2. het bevorderen van de maatschappelijke participatie van schoolgaande kinderen uit de doelgroep.
9 Verordening Declaratiefonds gemeente Schouwen-Duiveland 2020 | Lokale wet- en regelgeving (overheid.nl)
18
De verhoging van de inkomensgrenzen van het declaratiefonds voor volwassenen en kinderen leidt tot een grotere toegankelijkheid van deze regeling en daarmee tot een stimulans om een vergoeding aan te vragen voor het lidmaatschap van de bibliotheek, een abonnement op een krant of tijdschrift of het bezoek aan film, theater of evenement. Dit komt de participatie van inwoners met een lager inkomen ten goede en voorkomt dat zij in een isolement geraken.
5.2 Verhoging van de maximale vergoeding van het Volwassenenfonds Het Volwassenenfonds Sport en Cultuur kent vergoedingen toe tot een gemaximeerd bedrag, namelijk een bijdrage aan sport- en cultuuractiviteiten tot maximaal € 250 per jaar. Van het betreffende fonds ontvangen we signalen dat dit maximum niet altijd meer toereikend is. Door inflatie en prijsstijgingen zijn activiteiten binnen de sport- en cultuursector duurder geworden. In de praktijk betekent dit dat de bedragen die zijn vastgesteld voor het Volwassenenfonds vaak niet voldoende zijn om te kunnen deelnemen aan een activiteit. De toegankelijkheid van deze voorzieningen staat hierdoor onderdruk. Tezamen met het voorstel om de inkomensgrenzen voor de fondsen te verhogen bevat dit alternatief ook het voorstel om de maximale vergoedingen van het Volwassenenfonds te verhogen. Als nieuw maximum wordt daarbij voorgesteld: 1. Bijdrage aan sportactiviteiten voor volwassenen maximaal € 300 per jaar. 2. Bijdrage aan cultuuractiviteiten voor volwassenen maximaal € 450 per jaar. Het Volwassenfonds Sport en Cultuur vergoedt de contributie rechtstreeks aan de sport- of cultuuraanbieder. Overigens zijn ook andere buurtgemeenten in Zeeland bezig met het verhogen van de maximumbedragen voor de fondsen.
5.3 Verhoging van de maximale vergoeding voor het zwemdiploma Het Declaratiefonds kent een vergoeding voor zwemles ten behoeve van kinderen tussen 5 en 18 jaar als zij tot de doelgroep behoren. Deze vergoeding bedraagt in 2024 maximaal € 932, te besteden in 3 jaar. Uit de uitvoeringspraktijk komt het signaal dat dit bedrag te laag zou zijn. Voorgesteld wordt in dit bedrag voor 2024 te verhogen naar € 1.200. Voor dat bedrag kan het kind tenminste 51 klokuur zwemles ontvangen, waarbij dit aantal uren volgens SEO(10) gemiddeld voldoende is om het diploma A te behalen. Indien het kind iets langzamer is dan het gemiddelde of indien het kind ook nog het diploma B wil behalen is er in het bedrag van € 1.200 nog enige ruimte (21 uur) om dit te kunnen afronden.
10 https://www.seo.nl/wp-content/uploads/2024/02/2024-07-Een-slag-slaan-voor-zwemveiligheid.pdf
19
6
Financiële gevolgen op de begroting 6.1 Gevolgen van de wijziging conform het raadsvoorstel In de scenarioanalyse van KWIZ worden de programmakosten van de verruiming van de inkomensgrenzen conform het raadsvoorstel becijferd. Onder de programmakosten wordt verstaan de directe meerkosten van een groter gebruik en bereik van de bedoelde regelingen, zonder rekening te houden met de uitvoeringskosten. Uit deze berekeningen blijkt: Soort regeling
Nieuwe inkomensgrens wsm
Extra programmakosten
IBB
130 % (= draagkrachtgrens)
PM
IIT
130 %
€ 31.471
Declaratiefonds volwassenen
130 %
€ 12.641
Declaratiefonds kinderen
130 %
€ 3.469
Jeugdfonds Sport en Cultuur
130 %
€ 6.875
Totaal
€ 54.452
Tabel 4. Programmakosten van de hogere inkomensgrenzen conform het raadsvoorstel.
De totale meerkosten bedragen bij dit scenario dus circa € 55.000, waarbij geen rekening kan worden gehouden met de verhoogde kosten voor de individuele bijzondere bijstand. Volgens de scenarioanalyse van KWIZ is er namelijk geen betrouwbare, valide inschatting van deze programmakosten mogelijk. Indien we wel rekening zouden houden met de IBB, dan leidt dit volgens de analyse van KWIZ tot een stijging van de programmakosten met nog zo’n € 173.500.
6.2 Gevolgen van de wijziging conform het alternatief Het alternatieve voorstel wordt in de scenarioanalyse van KWIZ scenario 2 genoemd. In deze analyse wordt berekend wat de meerkosten (programmakosten) zijn indien de inkomensgrenzen worden verruimd. Hierbij is nog geen rekening gehouden met een verhoging van het maximum bedrag van het Volwassenenfonds. Ook worden de uitvoeringskosten buiten beschouwing gelaten. De meerkosten bij dit scenario bedragen € 104.000. Soort regeling
Nieuwe inkomensgrens wsm
Extra programmakosten
IIT
120 %
€ 14.090
Declaratiefonds volwassenen
130 %
€ 12.647
Declaratiefonds kinderen
130 %
€ 3.442
Jeugdfonds Sport en Cultuur
140 %
€ 7.648
Volwassenenfonds Sport en Cultuur
140 %
€ 64.000
Stichting Leergeld
140 %
€ 2.208
Totaal
€ 104.058
Tabel 5. Programmakosten van de hogere inkomensgrenzen conform het alternatief.
20
NB. Zoals in de scenarioanalyse al wordt aangegeven wordt de sterke stijging van de programmakosten voor het Volwassenenfonds S en C vooral veroorzaakt door een te verwachten groter bereik. Het volwassenenfonds is relatief nieuw en het is aannemelijk dat het bereik zal toenemen van 2 % nu naar 10 % volgens de prognose. Dit effect zal waarschijnlijk ook plaatsvinden in scenario 1, zodat de programmakosten van scenario 1 en scenario 2 vergelijkenderwijze redelijk overeen komen. Indien we daarbij hierbij conform het alternatieve voorstel ook het maximumbedrag van het Volwassenenfonds verhogen komt stijgen de programmakosten voor dit alternatieve scenario met nog eens € 19.000 extra.
6.3 Financiële dekking Er is ruimte om de voorgestelde wijziging zoals bedoeld in het raadsvoorstel of zoals aangegeven in het alternatieve voorstel te dekken binnen bestaande budgetten van het minimabeleid. We zien namelijk op diverse budgetten overschotten. We wijzen daarbij vooral op de budgetten Tegemoetkoming meerkosten chronisch zieken en gehandicapten, Declaratiefonds volwassenen en Collectieve ziektekostenverzekering. Risico daarbij is wel dat, wanneer we deze overschotten inzetten voor de voorgestelde wijzigingen en er uiteindelijk meer mensen een beroep gaan doen op deze regelingen, er mogelijk sprake zal zijn van een overschrijding van deze budgetten.
21
7
Conclusies en advies 7.1 Conclusies 1. Armoede is een wicked problem, dat in structurele zin alleen maar opgelost kan worden door het rijk. 2. Gemeenten kunnen wel de armoede verzachten met inkomensondersteunende maatregelen. 3. Schouwen-Duiveland kent 12 inkomensondersteunende regelingen, die bedoeld zijn voor huishoudens met een inkomen variërend van 100 % tot 150 % WSM. 4. Het huidige bereik van de regelingen komt in redelijk overeen met het bereik bij andere vergelijkbare gemeenten, waarbij geldt dat het niet-gebruik aanzienlijk is. 5. De gemeenteraad heeft het college verzocht voor 4 van deze regelingen een hogere inkomensgrens te hanteren. 6. De raad stelt voor de inkomensgrens voor de individuele bijzonder bijstand, de individuele inkomenstoeslag, het declaratiefonds en het Jeugdfonds op te hogen naar 130 %. 7. De ophoging van de inkomensgrens van deze regelingen leidt tot een verruiming van de doelgroep en dus tot een hoger gebruik van deze regelingen. 8. De kosten van het hogere gebruik uit het raadsvoorstel worden geraamd op circa € 55.000 exclusief uitvoeringskosten. Hierbij zijn de kosten voor de verhoging van de draagkrachtgrens van de individuele bijzondere bijstand buiten beschouwing gelaten. Deze extra kosten dienen gedekt te worden uit de huidige begroting. 9.
Het gevolg van het gelijktrekken van deze regelingen naar 130 % is dat er een groter risico op een armoedeval ontstaat. 10. Om het risico op een armoedeval te verminderen is naast het raadsvoorstel een alternatief ontwikkeld, dat leidt tot een andere en meer gedifferentieerde verhoging van de inkomensgrenzen. 11. Dit alternatieve voorstel heeft naast het voorkomen van de armoedeval ook als voordeel dat sport en cultuur onder minima en lage middeninkomens wordt gestimuleerd. 12. De programmakosten van het alternatieve voorstel voor de inkomenswijzigingen worden geraamd op € 104.000 exclusief uitvoeringskosten. Een verhoging van het maximumbedrag voor het Volwassenenfonds leidt tot nog eens € 19.000 extra aan programmakosten. Deze kosten dienen gedekt te worden uit de huidige begroting. 13. De uitbreiding van de regelingen van zowel het raadsvoorstel als het alternatief leidt mogelijkerwijze tot een vergelijkbaar of lager bereik indien geen nadere maatregelen worden genomen. 14. Voor het verhogen van het bereik van de regelingen dienen daarom aanvullende maatregelen genomen te worden. Zie hiervoor ook onderstaande aanbevelingen.
7.2 Advies Het college wordt geadviseerd een keuze te maken voor het alternatieve voorstel, zoals bedoeld in hoofdstuk 5. Dit voorstel doet recht aan de ambitie om sport en cultuur te stimuleren en de maatschappelijke participatie te bevorderen. Tevens vermindert dit voorstel het risico op een armoedeval. Het college wordt geadviseerd extra aandacht te besteden aan het bereik van de regelingen. Hoewel het niet-gebruik van regelingen ook bij andere gemeenten relatief groot is, wil Schouwen-Duiveland
22
er alles aan doen om het bereik te vergroten. Zoals uit het Dashboard blijkt komt het bereik van de regelingen in hoge mate overeen met het bereik bij andere vergelijkbare gemeenten, maar het nietgebruik is nog steeds groot. Deze conclusie sluit aan bij de wens van de raad om via een plan van aanpak meer ruchtbaarheid te geven aan de inkomensondersteunende maatregelen. In een op te stellen plan van aanpak zal een communicatiecampagne, waarin extra aandacht wordt geschonken aan de mogelijkheden van inkomensondersteuning, een centrale rol krijgen. Het ligt in de rede een dergelijke communicatiecampagne te starten wanneer de verhoging van de inkomensgrenzen een feit is. Op dat moment kan de boodschap van het verhogen van de inkomensgrenzen gepaard gaan met extra aandacht voor inkomensondersteuning in algemene zin. Concrete maatregelen die daartoe kunnen worden genomen zijn: 1. Maak de regelingen toegankelijker door gerichtere communicatie aan de doelgroepen die in het dashboard worden onderscheiden. 2. Zoek de verbinding tussen regelingen die een inhoudelijke overlap hebben om zo niet-gebruikers te attenderen op de mogelijkheden. Als voorbeeld geldt de premiebijdrage voor de collectieve zorgverzekering in relatie tot de tegemoetkoming meerkosten chronisch zieken en gehandicapten.
Het gaat in beide gevallen om inwoners met een kleine beurs en een hoge zorgconsumptie, waarbij uit het dashboard blijkt dat maar 40 % van hen van beide regelingen gebruikt maakt. 3. Verhoog het niet-gebruik van het Declaratiefonds door actiever te wijzen op de mogelijkheden. Zo is de betaling aan een internetprovider al voldoende om met succes een beroep te doen op het fonds. Hiervan wordt nog weinig gebruik gemaakt. 4. Maak in de communicatie nog duidelijker welke inkomensgrenzen er gelden. Dus niet aangeven dat de grens ligt op 130 % van het sociaal minimum, maar concrete dan geldende bedragen noemen. 5. Voorkom een terugval in het bereik door te veel te sleutelen aan regelingen. Indien regelingen te vaak worden gewijzigd leidt dit tot onzekerheid bij burgers en tot een afname van het aantal aanvragen. Voorkom jo-jo-beleid. 6. Stel na besluitvorming over de wijziging van de inkomensnorm een plan van aanpak op hoe deze wijzigingen over het voetlicht te brengen bij belanghebbenden en ketenpartners. 7. Onderzoek de mogelijkheid tot aansluiting bij de Voorzieningenwijzer(11). Dit platform kan de gemeente helpen bij het vergroten van het bereik. Via de VoorzieningenWijzer kan een inwoner van Schouwen-Duiveland veel beter zien waar hij/zij een beroep op kan doen en kan de aanvraagprocedure (eventueel met hulp vanuit de VoorzieningenWijzer) worden gestart.
11 https://www.devoorzieningenwijzer.nl/
23
Lijst met gebruikte afkortingen CBS
Centraal Bureau voor de Statistiek
IBB
Individuele Bijzondere Bijstand
IIT
Individuele InkomensToeslag
KWIZ
Onderzoeksbureau uit Groningen
MER
Minima Effect Rapportage
NIBUD Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting NVMT
Niet-Veel-Maar-Toereikend grens
SCP
Sociaal en Cultureel Planbureau
SZW
Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
WSM
Wettelijk Sociaal Minimum, meestal gelijk aan de bijstandsnorm
24
Bijlage 1: Duidingsrapportage dashboard minima 2022–2023
25
Duidingsrapportage Dashboard Minima 2022-2023 Gemeente Schouwen-Duiveland Versie 0.3
Opdrachtgever Gemeente SchouwenDuiveland Datum Februari 2024 Auteurs Jitske Kooistra - van der Wijk Anieta Boer KWIZ Stavangerweg 23-5 9723 JC Groningen 050-5252473 contact@kwiz.nl
Uitgave Deze uitgave is een uitgave van KWIZ B.V. Het overnemen van cijfers en/of teksten is toegestaan, mits de bron duidelijk wordt vermeld. Niets uit deze publicatie mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden in welke vorm dan ook zonder voorafgaande toestemming van KWIZ B.V..
Inleiding De gemeente wil graag (meer) inzicht in de omvang en samenstelling van de minimapopulatie en diverse minimaregelingen en heeft KWIZ daarom gevraagd een Armoedemonitor op te stellen waarin deze informatie inzichtelijk wordt gemaakt. De resultaten van de Armoedemonitor zijn gepresenteerd in een online dashboard, waar de gemeente zelf (extra) gewenste analyses kan maken door bijvoorbeeld in te zoomen op een bepaalde doelgroep. In deze begeleidende duidingsrapportage worden de belangrijkste bevindingen genoemd. Voor de verdere cijfers verwijzen wij u naar het dashboard. Weergave van de minimahuishoudens De gegevens over de omvang en samenstelling van de doelgroep geven de situatie weer op de betreffende peildatum van het onderzoek (1 juli 2023), op basis van het inkomen op het wettelijk sociaal minimum (Wsm). Het gebruik van de diverse regelingen is gemeten over het gehele jaar voorafgaand aan de peildatum; dus van 1 juli 2022 tot en met 30 juni 2023. Methodiek Armoedemonitor De gemeente heeft geen rechtstreekse toegang tot inkomensgegevens van haar inwoners. Door zoveel mogelijk informatiebronnen van gemeentelijke regelingen voor minimahuishoudens aan elkaar te koppelen, kunnen we het aantal minimahuishoudens weergeven dat de gemeente op het peilmoment in beeld heeft.
Daarvoor heeft de gemeente registraties van de volgende voorzieningen aangeleverd: de Participatiewet, AIO, gemeentelijke minimaregelingen* en regelingen die in samenwerking met externe partijen worden aangeboden zoals het Jeugdfonds Sport en Cultuur, Stichting Leergeld en Volwassenfonds Sport en Cultuur. Met behulp van de Basisregistratie Personen (BRP) zijn de gebruikersgegevens vervolgens op huishoudniveau gegroepeerd. Op deze manier ontstaat een samenhangend beeld van de omvang en samenstelling van de minimapopulatie en het gebruik van voorzieningen. Daarnaast zijn bestanden gekoppeld van de schuldhulpverlening, zzp’ers en de energietoeslag om inzicht te geven in het gebruik van deze regelingen (onder de minimapopulatie). De kenmerken van het huishouden zijn gebaseerd op die van de oudste persoon in het huishouden. De verdeling naar inkomensbronnen is dus ook op huishoudniveau en daarbij kijken we naar de hoofd inkomensbron van het huishouden. De gebruikers van regelingen betreffen diegenen die gekoppeld konden worden aan de BRP en als minima zijn geclassificeerd. Voor het Jeugdfonds Sport & Cultuur, het Volwassenenfonds Sport & Cultuur en Stichting Leergeld geven we het gebruik en bereik weer voor de totale gebruikers (dus ook de inwoners die niet gekoppeld konden worden op basis van het BRP) om een compleet beeld te geven.
* Het gaat hierbij om de kwijtschelding van gemeentelijke heffingen, collectieve zorgverzekering, bijzondere bijstand, individuele inkomenstoeslag, tegemoetkoming meerkosten chronisch zieken en gehandicapten, declaratiefonds en de studietoeslag. 1 Duidingsrapportage gemeente Schouwen-Duiveland
Schatting totale doelgroep Aangezien zowel KWIZ als de gemeente niet over inkomensgegevens van alle inwoners beschikken, is er een groep minimahuishoudens die, doordat ze geen gebruikmaakt van de minimaregelingen, niet in de registratiebestanden voorkomt. Dit betekent dat het feitelijk aantal minima iets hoger ligt dan het aantal dat de gemeente op basis van de genoemde bestanden in beeld heeft. Wanneer we het in deze rapportage hebben over minimahuishoudens zijn dit de huishoudens die we in beeld hebben gekregen via de beschreven onderzoeksmethode (vorige pagina). Daarnaast maken we, op basis van de door KWIZ ontwikkelde Armoede Index, een schatting van het aantal minimahuishoudens dat niet bij de gemeente in beeld is, maar wél een laag inkomen en laag vermogen heeft. Zodoende kunnen we een inschatting maken van de totale doelgroep van het minimabeleid. Het is op basis van de onderzoeksmethodiek niet mogelijk om gedetailleerde kenmerken van deze ‘ontbrekende’ doelgroep in beeld te krijgen. Minimahuishoudens tot 120 procent Wsm Aangezien de meeste minimaregelingen in de gemeente Schouwen-Duiveland een inkomensgrens van 120 procent Wsm hebben, is het inhoudelijk het meest interessant om van deze groep huishoudens de kenmerken weer te geven. In dit rapport wordt er daarom regelmatig naar minimahuishoudens met een inkomen tot 120 procent Wsm verwezen*.
Ter verduidelijking geven we onderstaand definitiekader. Definitiekader ‘minimahuishoudens tot 120 procent Wsm’ Voor zowel de minimahuishoudens die de gemeente in beeld heeft als voor de geschatte totale doelgroep gaat het om de huishoudens die een inkomen hebben tot 120 procent Wsm én een eigen vermogen hebben dat onder de vermogensgrens van de Participatiewet** ligt. Opzet rapportage Het eerste hoofdstuk geeft inzicht in de omvang en kenmerken van de groep minimahuishoudens. In het tweede hoofdstuk volgen de belangrijkste bevindingen over de minimakinderen. Daarna volgen hoofdstukken over de minimaregelingen, de energietoeslag, zzp’ers en de schuldhulpverlening. In het dashboard en duidingsrapport worden de kenmerken weergegeven van de doelgroep die in beeld is, tenzij anders aangegeven. Bij het bereik van de minimaregelingen gaat het om de totale geschatte doelgroep (dus inclusief de minima die niet in beeld zijn). Vergelijkingen met landelijke cijfers zijn gebaseerd op ervaringscijfers van KWIZ en/of openbare cijfers van het CBS.
* De enige uitzondering op deze regel is de energietoeslag. Voor de energietoeslag is namelijk gekozen om naar de groep minimahuishoudens te kijken met een inkomen tot 130 procent Wsm, omdat 130 procent Wsm de inkomensgrens is die de gemeente voor de energietoeslag hanteert. ** De vermogensgrens van de Participatiewet bedraagt (in 2023) € 7.605 voor een alleenstaande en € 15.210 voor een gehuwden/samenwonenden en alleenstaande ouders. 2 Duidingsrapportage gemeente Schouwen-Duiveland
1. Minimahuishoudens Het geschatte totale aandeel minimahuishoudens in de gemeente ligt lager dan in vergelijkbare gemeenten; Eenoudergezinnen zijn oververtegenwoordigd in de minimapopulatie; Driekwart van de minimahuishoudens heeft langdurig een minimumkomen.
Minimahuishoudens tot 120 procent Wsm In beeld. Op basis van de voor dit onderzoek aangeleverde bestanden heeft de gemeente Schouwen-Duiveland op 1 juli 2023 in totaal 700 huishoudens met een inkomen tot 120 procent Wsm in beeld. Dit is 4,3 procent van alle huishoudens in de gemeente Schouwen-Duiveland. Tabel 1.1 Minimahuishoudens naar inkomensverdeling schatting en in beeld; tot 120 procent Wsm
In beeld
Schatting
Tot 100% Wsm
565
3,5%
667
4,1%
100 tot 120% Wsm
135
0,8%
352
2,2%
Totaal
700
4,3%
1.019
6,3%
Schatting. De gemeente Schouwen-Duiveland heeft niet alle minimahuishoudens met een inkomen tot 120 procent Wsm in beeld. Dit komt omdat niet alle huishoudens die recht hebben op ondersteuning van de gemeente, hier ook daadwerkelijk gebruik van maken. Op basis van de Armoede Index wordt het totale aantal minimahuishoudens tot 120 procent Wsm geschat op 1.019 huishoudens (6,4 procent van alle huishoudens) op 1 juli 2023. Het geschatte aandeel minimahuishoudens in de gemeente Schouwen-Duiveland ligt onder het gemiddelde van andere gemeenten met minder dan 50.000 inwoners, dat ligt op 7 à 8 procent. Kenmerken 700 huishoudens tot 120 procent Wsm in beeld De meeste regelingen in de gemeente Schouwen-Duiveland hebben een inkomensgrens van 120 procent Wsm. Daarom geven we de kenmerken weer van de 700 huishoudens met een inkomen op 120 procent Wsm die de gemeente in beeld heeft. In het online dashboard staan ook kenmerken vermeld van de doelgroep met een inkomen tot 130 procent Wsm. Inkomensbron. Een inkomen uit de Participatiewet is voor 47 procent van de minimahuishoudens de voornaamste inkomensbron in de gemeente Schouwen-Duiveland. Het aandeel minimahuishoudens met een AOW-uitkering (17 procent) of met een ander inkomen (36 procent) - bijvoorbeeld uit werk of een WW-uitkering - is kleiner.