1066802 Bijlage 4 Wegensteunpunt Scharendijke vastgesteld 1 Bijlagen bij de toelichting
Tekst van het document
in gebieden met laagveen, hoogveen en heide. Plaatselijk is de soort te vinden in het westelijk duingebied van Schouwen-Duiveland. De omgeving van het plangebied bestaat voornamelijk uit akkerbouw, en geen extensief beheerde graslanden. Het ontbreekt daarom aan geschikt leefgebied voor de heikikker. Op het wegensteunpunt is geen geschikt habitat voor levendbarende
Concept
natuurlijke poelen of zoom- en mantelvegetatie aanwezig. De sloot rond het plangebied is weliswaar begroeid maar wordt gemaaid en is daardoor te weinig natuurlijk. De sloot kent weinig ruimtelijke structuur. Ook heikikker heeft een duidelijke habitatvoorkeur. De soort komt vooral voor
17/22
Kenmerk
R015-1266702JSF-V01-efm
hagedis aanwezig. De soort houdt van vochtige heiden, ven-oevers, hoogveen en natte wilgen- en elzenbosjes. Deze terreinen hebben bij voorkeur structuurrijke overgangen van vochtige naar droge terreindelen. Dit habitat is niet aanwezig in het plangebied. De omgeving van het plangebied is akkerland en is geen geschikt habitat voor levendbarende hagedis. Het plangebied en de directe omgeving hiervan kan op basis van habitat uitgesloten worden. Duinen met vochtige delen zijn wel geschikt habitat, maar dit ligt op 750 meter afstand. Het winterhabitat van de levendbarende hagedis ligt op zeer korte afstand van het zomerhabitat. De afstand tot het plangebied en de omliggende wegen vormen een barrière die migratie naar het plangebied belemmert. Dat levendbarende hagedis in het plangebied voorkomt is daarom uitgesloten. Rugstreeppad is een pionierssoort. De sloot (en directe omgeving) is te begroeid en dus geen geschikt voortplantingswater van de rugstreeppad. In de ruimere omgeving is voortplantingswater aanwezig. Met name in het duingebied. Het bos om het plangebied wordt dan ook mogelijk gebruikt als land- en winterhabitat habitat. Nader onderzoek naar rugstreeppad is vereist om de
Concept
aan- of afwezigheid van rugstreeppad te kunnen vaststellen. Aanwezigheid van overige soorten amfibieën en reptielen is uitgesloten.
18/22
Kenmerk
R015-1266702JSF-V01-efm
5 Conclusies en aanbevelingen Rijkswaterstaat is voornemens om verspreid over Nederland verschillende wegensteunpunten te slopen, uit te breiden en/of nieuw te bouwen. In dit kader is door Tauw onderzoek gedaan naar de consequenties van de Wet natuurbescherming voor de locatie Ellemeet. Een ontwikkeling kan alleen doorgaan als deze niet in strijd is met de bepalingen als opgenomen in de Wet Natuur Bescherming (Wnb), of als de benodigde vergunningen en/of ontheffingen worden verleend. Bij de ontwikkeling zijn zowel beschermde houtopstanden, gebiedsbescherming als soortbescherming van belang. Beschermde houtopstanden De houtopstand binnen het plangebied is onder de Wnb beschermd. Voor het kappen van (delen van) de houtopstand geldt een meldingsplicht bij het bevoegd gezag (Provincie Zeeland). Bij deze melding is een boominventarisatie benodigd met algemene informatie van de bomen. Het bevoegd gezag kan herplant van gekapte bomen verplichten. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet binnen beschermde natuurgebieden zoals het NNN of Natura 2000. Het plangebied ligt op korte afstand van meerdere Natura 2000 gebieden, waaronder Kop van Schouwen. Dit is een stikstofgevoelig gebied. Als de exacte werkzaamheden en/of ontwikkelingen duidelijk zijn, moet gekeken worden of een stikstofberekening nodig is om effecten door stikstof inzichtelijk te maken.
Een effect door licht, geluid, trillingen en optische verstoring zijn niet te verwachten, omdat het plangebied op relatief grote afstand van omliggende natura 2000-gebieden ligt. Soortbescherming Het plangebied bevat mogelijk beschermde groei- of verblijfplaatsen van grote leeuwenklauw, knolspirea, bunzing, wezel, hermelijn, noordse woelmuis, baard/Brandt’s vleermuis, franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis, watervleermuis, huismus, kerkuil, steenuil, ransuil, boomvalk, sperwer, buizerd, havik en rugstreeppad. Aantasting van deze beschermde verblijfplaatsen en/of leefgebieden als gevolg van de beoogde ontwikkelingen is niet uitgesloten. Uit nader soortgericht onderzoek naar bovengenoemde soorten moet blijken of de soorten in het
Ook moet er rekening worden gehouden met algemene broedvogels. Een (periodieke) controle op nesten van broedvogels is voorafgaand aan de werkzaamheden noodzakelijk om overtreding van de wet te voorkomen. Indien een broedgeval aanwezig is, dient een verstoringsvrije zone te worden aangehouden, waarbinnen gedurende de periode van broeden niet wordt gewerkt.
Concept
plangebied voorkomen. Aan de hand van de uitkomst van eventueel nader onderzoek moet blijken of mitigerende maatregelen nodig zijn en of een ontheffing nodig is.
19/22
Kenmerk
R015-1266702JSF-V01-efm
Kansen voor herstel biodiversiteit In lijn met de ‘werkroute openbare ruimte’ uit het Deltaplan Biodiversiteitsherstel (2018) denken wij dat we de achteruitgang van biodiversiteit in Nederland kunnen tegengaan door samen te kijken of hiertoe concrete (realistische) kansen binnen het project zijn. Hierbij kijken we breder dan de strikt beschermde soorten die binnen het plangebied aanwezig kunnen zijn. Hoewel niet wettelijk verplicht is het Deltaplan Biodiversiteitsherstel eind 2018 gepresenteerd en wordt door de minister
• •
Rekening houden met vleermuizen bij de keuze van verlichting(skleur) Het toegankelijk maken dan wel houden van de planlocatie voor zoogdieren zoals egel en wezel
• •
Het ophangen van kasten voor kerkuil of steenuil Gebruik maken van grasbetonstenen op delen van het terrein die extensief worden gebruikt.
Concept
van LNV ondersteund (kamerbrief, februari 2019). Tauw denkt graag mee om kansen te benutten die bij het terrein(gebruik) passen. In de nieuwbouw en op het terrein zijn veel voorzieningen of maatregelen mogelijk. Voorbeelden hiervan zijn:
20/22
Kenmerk
R015-1266702JSF-V01-efm
6 Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocumenten beschermde soorten. Bekker, J.P., 2010. Zoogdieren in zeeland. Stichting het Zeeuws landschap. Bos, F., M. Bosveld, D. Groenendijk, C. van Swaay, I. Wynhoff & de Vlinderstichting, 2006. De dagvlinders van Nederland. Verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea). Nederlandse Fauna 7. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Broekhuizen S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters, J.C. Buys, 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft, 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. van Dijk A.J. & Boele A. 2011. Handleiding SOVON Broedvogelonderzoek. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. Dijkstra, K.B., Kalkman, V.J., Ketelaar, R., van der Wiede, M.J.T., 2002. De Nederlandse libellen (odonata). Nederlandse fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Herder J.E., A. van Diepenbeek & R.C.M. Creemers, 2013. Verspreidingsonderzoek reptielen en amfibieën 2013. Rapport 2013-010. Stichting RAVON, Nijmegen. Provincie Zeeland, 2017. Verordening Wet natuurbescherming.
PRB, publicatienr. 5992 . Rapport Tauw, 2019. Nader ecologisch onderzoek Wegensteunpunten Rijkswaterstaat, Utrecht. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging en Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, Vleermuisprotocol 2017.
www.ravon.nl www.sovon.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuis.net
Concept
Geraadpleegde internetwebsites: www.floron.nl www.libellennet.nl
21/22
Kenmerk
R015-1266702JSF-V01-efm
www.vlindernet.nl
Concept
www.zoogdiervereniging.nl
22/22
bestemmingsplan Wegensteunpunt Scharendijke (vastgesteld)
Bijlage 3 Nader onderzoek Flora en Fauna
81
Nader onderzoek wegensteunpunt Ellemeet 10 november 2020
Kenmerk
R022-1266702MTR-V02-efm-NL
Verantwoording Titel
Nader onderzoek wegensteunpunt Ellemeet
Opdrachtgever
Rijkswaterstaat Corporate Dienst
Projectleider
Jordy Houkes
Auteur
Mickey Tromp
Tweede lezer
Adrie van Hooff
Uitvoering meet- en inspectiewerk
Gaston Aarts, Karin Boelens, Yasmin Hall, Bram Rijksen en Nick Warmelink
Projectnummer
1266702
Aantal pagina’s
24
Datum
10 november 2020
Handtekening
Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.
Colofon TAUW bv Australiëlaan 5 Postbus 3015 3502 GA Utrecht T +31 30 28 24 82 4 E info.utrecht@tauw.com
2/24
Kenmerk
R022-1266702MTR-V02-efm-NL
Inhoud 1
2
3
4
Inleiding ..................................................................................................................................... 5 1.1
Aanleiding .......................................................................................................................... 5
1.2
Wet natuurbescherming ..................................................................................................... 6
Methoden................................................................................................................................... 7 2.1
Doel van het veldonderzoek............................................................................................... 7
2.2
Flora ................................................................................................................................... 8
2.3
Noordse woelmuis.............................................................................................................. 8
2.4
Bunzing, wezel en hermelijn .............................................................................................. 9
2.5
Vleermuizen ..................................................................................................................... 10
2.6
Kerkuil, steenuil en ransuil ............................................................................................... 11
2.7
Huismus ........................................................................................................................... 12
2.8
Buizerd, havik, boomvalk en sperwer .............................................................................. 12
2.9
Rugstreeppad................................................................................................................... 13
Resultaten ............................................................................................................................... 14 3.1
Flora ................................................................................................................................. 14
3.2
Noordse woelmuis............................................................................................................ 14
3.3
Bunzing, wezel en hermelijn ............................................................................................ 14
3.4
Vleermuizen ..................................................................................................................... 15
3.5
Kerkuil, steenuil en ransuil ............................................................................................... 17
3.6
Huismus ........................................................................................................................... 18
3.7
Buizerd, havik, boomvalk en sperwer .............................................................................. 18
3.8
Rugstreeppad................................................................................................................... 19
Effectbeschrijving .................................................................................................................... 19 4.1
Flora ................................................................................................................................. 19
4.2
Noordse woelmuis............................................................................................................ 19
4.3
Bunzing, wezel en hermelijn ............................................................................................ 19
4.4
Vleermuizen ..................................................................................................................... 19
4.5
Kerkuil, steenuil en ransuil ............................................................................................... 20
4.6
Huismus ........................................................................................................................... 21
4.7
Buizerd, havik, boomvalk en sperwer .............................................................................. 21
3/24
Kenmerk
4.8 5
6
R022-1266702MTR-V02-efm-NL
Rugstreeppad................................................................................................................... 21
Conclusie en aanbevelingen ................................................................................................... 21 5.1
Effecten beoogde ontwikkeling ........................................................................................ 21
5.2
Te nemen maatregelen .................................................................................................... 22
5.3
Kansen voor herstel biodiversiteit .................................................................................... 23
Literatuur ................................................................................................................................. 24
4/24
Kenmerk
R022-1266702MTR-V02-efm-NL
1 Inleiding 1.1
Aanleiding
Rijkswaterstaat is voornemens om verspreid over Nederland verschillende wegensteunpunten te slopen, uit te breiden en/of nieuw te bouwen. In dit kader is door Tauw onderzoek gedaan naar de consequenties van de Wet natuurbescherming voor de locatie Ellemeet (Tauw, 2020). Uit deze natuurtoets bleek dat negatieve effecten op groei- of verblijfplaatsen van grote leeuwenklauw, knolspirea, bunzing, wezel, hermelijn, noordse woelmuis, baard/Brandt’s vleermuis, franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis, watervleermuis, kerkuil, steenuil, ransuil, buizerd, havik, sperwer, boomvalk, huismus en rugstreeppad niet zijn uitgesloten. De ontwikkeling kan alleen doorgaan als deze niet in strijd is met de natuurwetgeving, of als de benodigde vergunningen en/of ontheffingen kunnen worden verleend. In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied weergegeven. Om voorgaande redenen is in 2020 soortgericht onderzoek uitgevoerd naar de functie van het plangebied voor grote leeuwenklauw, knolspirea, bunzing, wezel, hermelijn, noordse woelmuis, vleermuizen, kerkuil, steenuil, ransuil, buizerd, havik, sperwer, boomvalk en huismus. Dit rapport doet verslag van dit nader onderzoek.
Voor een beschrijving van het plangebied wordt verwezen naar voorgaande natuurtoets (Tauw, 2020). Op deze locatie worden gebouwen 1 en 2 gesloopt. De zoutloods en werkplaats worden kleiner en compacter. Bij gebouw 1 komt een stalling. Wellicht komt ook een stalplaats op locatie 3. De huidige ligging van de ingang en de watergang blijven behouden en de zendmast aan de noordoostkant blijft staan. Verder wordt ook gewerkt aan de infrastructuur voor het ophogen van stroom. Daarvoor wordt in de grond gewerkt. Aan de noordwestkant van het plangebied komt een 60 centimeter diepe sleuf, waarvoor hoogstens lage vegetatie wordt verwijderd. Op het terrein komen klinkers en asfalt die vochtdicht worden gemaakt.
5/24
Kenmerk
R022-1266702MTR-V02-efm-NL
Figuur 1.1 Ligging van het plangebied
1.2
Wet natuurbescherming
Het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming (Wnb) gaat uit van het “nee, tenzijprincipe“. Dit betekent dat het verboden is beschermde soorten te doden of vangen, te storen of verstoren en onder zich te hebben of te vervoeren. Daarnaast geldt dat het verboden is voortplantingsplaatsen en rustplaatsen te beschadigen of te vernielen. Als uit het nader onderzoek blijkt dat het plangebied een belangrijke functie vervult voor de onderzochte soorten, wordt een afweging gemaakt of de beoogde ontwikkelingen de staat van instandhouding van de soort beïnvloedt. De Wnb beschermt niet alleen de instandhouding van de soorten, maar ook individuen. Wanneer een ontwikkeling de instandhouding van een soort en/of één of enkele individuen schaadt, dienen mitigerende maatregelen te worden getroffen en zal een ontheffing aangevraagd moeten worden. De eventueel benodigde mitigerende maatregelen dienen te worden opgenomen in een (nader uit te werken) mitigatieplan. Deze mitigerende maatregelen vormen de basis van een ontheffingsaanvraag. Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Zeeland is het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een vergunning, ontheffing of vrijstelling. De mitigerende maatregelen dienen te worden getroffen om de functionaliteit van het gebied voor de beschermde soort en de staat van instandhouding van de soort te garanderen.
Indien de mitigerende maatregelen voldoende worden geacht, wordt de ontheffing verleend. Aanvullend kan het bevoegd gezag specifieke voorschriften aan het voornemen stellen.
6/24
Kenmerk
R022-1266702MTR-V02-efm-NL
2 Methoden 2.1
Doel van het veldonderzoek
Grote leeuwenklauw groeit op verschillende bodemtypen en staat langs slootkanten, bermen en akkers. Knolspirea komt voor op zonnige, matig voedselrijke, leem-, löss- of mergelbodems. In de omgeving zijn waarnemingen bekend van deze plantensoorten in vergelijkbaar habitat als in het plangebied. Het plangebied biedt voldoende potentieel leefgebied voor bunzing, wezel en hermelijn, namelijk het bos. Noordse woelmuis komt in de omgeving voor in uiteenlopend atypisch habitat, zoals karrevelden, inlagen, akkerranden en vochtige duinvalleien (Bekker, 2010) Mogelijk zijn verblijfplaatsen aanwezig van de bovengenoemde marterachtigen en Noordse woelmuis in het bos. Verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen zich bevinden in het kantoorgebouw, de zoutloods en de bomen buiten de omheining. De gevel van het kantoorgebouw bevat ventilatievoegen die toegang geven tot de spouw. In de spouwmuur vinden vleermuizen mogelijk een zomer-, kraam-, paar- of winterverblijf. De zoutloods biedt voor vleermuizen een geschikte zomer- of paarverblijfplaats tussen de kieren van het houtwerk en/of hangplekken onder het dak. De bomen binnen de omheining bevatten geen geschikte holtes voor vleermuizen. De bomen buiten de omheining bevatten echter wel geschikte holtes. Het merendeel van de bomen zijn bekeken en de holtes zijn verspreid in diverse bomen in de houtopstand aanwezig.
Enkele holtes langs de toegangsweg zijn met een ladder en een zaklamp bekeken. Deze holtes zijn diep en lopen ver omhoog in de stam. Deze holtes zijn geschikt als zomer-, kraam-, paar- en winterverblijfplaats. De oprijlaan naar het wegensteunpunt is een mogelijke vliegroute in het plangebied. Vleermuizen in een mogelijk verblijf in één van de gebouwen op het terrein kunnen hier gebruik van maken. Daarnaast kan de oosten westrand van het bosje gebruikt worden als vliegroute vanaf de bebouwde kom van Ellemeet richting de duinen of richting de Brouwersdam. In de bomen ten noorden van het wegensteunpunt zijn drie nesten gevonden die gebruikt kunnen worden door boomvalk, ransuil, sperwer, buizerd en havik. In de zoutloods kunnen huismussen nestelen. Binnen een kleine afstand (100 á 200 meter) van de verblijfplaats moet een huismus alles kunnen vinden wat nodig is om succesvol te broeden en te overwinteren, zoals voedsel, dekking, water en struiken. Dit is allemaal op het terrein van het wegensteunpunt en het “Resort Land & Zee” vlakbij het plangebied te vinden. Het terrein biedt mogelijk essentieel foerageergebied voor kerkuil en steenuil in de vorm van bosschages. Vanwege de aanwezigheid van braakballen, krijtstrepen en een grote hoeveelheid takken onder het dak van de zoutloods zijn nestplaatsen mogelijk van kerkuil.
De sloot (en directe omgeving) is te begroeid en dus geen geschikt voortplantingswater van rugstreeppad. In de ruimere omgeving is voortplantingswater aanwezig. Met name in het duingebied. Het bos om het plangebied wordt dan ook mogelijk gebruikt als land- en winterhabitat.
7/24
Kenmerk
R022-1266702MTR-V02-efm-NL
Het nader onderzoek is erop gericht het gebruik van het gebied door voorgaande soorten in kaart te brengen.
2.2
Flora
Het onderzoek naar grote leeuwenklauw en knolspirea vindt plaats in de bloeiperiode van deze soorten. Respectievelijk gaat het om de periodes mei tot augustus en juni tot en met juli. Op 15 juni en 15 juli 2020 is nader onderzoek uitgevoerd naar grote leeuwenklauw en knolspirea. Tijdens dit onderzoek zijn alle potentieel geschikte groeiplaatsen bekeken.
2.3
Noordse woelmuis
Het voorkomen van noordse woelmuis in het plangebied wordt onderzocht met behulp van eDNA. Hiervoor wordt één (gemengd) monster van (indien) aangetroffen uitwerpselen verzameld in juli – september. Woelmuizen maken latrines (keutelhoopjes). Op de meest kansrijke plekken in het plangebied is daarom gezocht naar latrines van woelmuizen. Om de trefkans op latrines te verhogen worden één week voor het verzamelen van het monster tien plankjes van 10x10 centimeter uitgelegd. Deze worden vaak door woelmuizen gebruikt om latrines op te maken. Er wordt gezocht naar (minimaal) vijf verschillende keutelhoopjes van woelmuizen, die op minimaal tien meter afstand van elkaar liggen. Er worden alleen keutels verzameld die niet uitgedroogd zijn en niet door regen aan elkaar versmolten zijn. Indien er keuze is uit verschillende naast elkaar gelegen keutelhoopjes, wordt gekozen voor het meest verse monster (meeste eDNA). Per keutelhoopje worden vijf keutels genomen en verzameld in een buisje. Het monster wordt dezelfde dag opgestuurd naar het laboratorium, die deze analyseert op eDNA van noordse woelmuis. De data en weersomstandigheden van de uitgevoerde veldbezoeken voor noordse woelmuis zijn weergegeven in tabel 2.1. In figuur 2.1 zijn de locaties van de geplaatste plankjes te vinden. Tabel 2.1 Data en weersomstandigheden van de uitgevoerde veldbezoeken voor noordse woelmuis Datum veldbezoek
Tijd
Weersomstandigheden
13-9-2020
10:15 – 12:16
Droog, half bewolkt, 16°C, 1 Bft.
24-9-2020
13:43 – 15:43
Droog, half bewolkt, 15°C, 3 Bft.
8/24
Kenmerk
R022-1266702MTR-V02-efm-NL
Figuur 2.1 Locaties van de tien geplaatste plankjes voor het onderzoek naar noordse woelmuis
2.4
Bunzing, wezel en hermelijn
In de maanden juni, juli en augustus is door middel van cameravalonderzoek het gebruik van het plangebied door marterachtigen geïnventariseerd. Het potentieel te verdwijnen leefgebied is minder dan één hectare groot. Als richtlijn worden de aantallen camera’s overgenomen uit de handreiking kleine marters van Noord-Brabant (Bouwens, 2017). Daarbij wordt voor wezel en hermelijn het gebruik van één camera in marterbox per twee hectare voorgesteld. Voor bunzing geldt één camera per vier hectare. Doordat voor hermelijn de werking van een marterbox onvoldoende betrouwbaar is, wordt aanvullend één struikrover (marterbuis) ingezet. Deze methode is ontwikkelend na het vaststellen van het onderzoeksprotocol. De trefkans van de ‘struikrover’ is gemiddeld genomen hoger dan bij de marterboxen. Daarnaast kunnen met de ‘struikrover’ ook andere soorten worden vastgesteld zoals bunzing. Voor dit project ingezet: 1 struikrover, hiermee kunnen alle soorten worden onderzocht 2 cameravallen, deze zijn vooral bedoeld voor de grotere soorten zoals bunzing 1 marterbox, deze zijn primair bedoeld voor wezel en in mindere mate hermelijn De cameravallen maken foto’s op het moment dat er beweging gedetecteerd wordt. Op 23 juni 2020 zijn vier camera’s (twee losse cameravallen, struikrover en mostela) geplaatst. Hiervan bleek tijdens controle één camera, namelijk camera 17, defect te zijn.
Op 15 juli 2020 is de losse camera 25 op de plek van camera 17 in de struikrover gezet. Hierbij is de trefkans van de verschillende marterachtigen overwogen. In een struikrover is bijvoorbeeld de kans groter dat een steenmarter wordt waargenomen, dan dat een wezel wordt waargenomen op een losse camera.
9/24
Kenmerk
R022-1266702MTR-V02-efm-NL
Alle cameravallen zijn op 6 augustus 2020 weer opgehaald. Hiermee is voldaan aan de voorgeschreven duur van zes weken. Om de trefkans te vergroten, zijn lokmiddelen zoals sardientjes, kattenbrokken en/of pindakaas gebruikt. Tussentijds zijn de camera’s uitgelezen, de batterijen vervangen en is nieuw voer geplaatst. De camera’s zijn op de meest kansrijke locaties in het plangebied geplaatst. In tabel 2.2 is een overzicht gegeven van het type camera en de datum van plaatsing en verwijdering. In figuur 2.2 zijn de locaties van de geplaatste cameravallen te zien. Tabel 2.2 Type van geplaatste camera’s en datum voor het onderzoek naar kleine marterachtigen Camera
Type
Datum plaatsing
Datum verwijdering
CAM18
Mostela
23-06-2020
6-8-2020
CAM19
Losse camera
23-06-2020
6-8-2020
CAM25
Losse camera
23-06-2020
15-07-2020
CAM25
Struikrover
15-07-2020
6-8-2020
Figuur 2.2 Locaties van de cameravallen in het plangebied
2.5
Vleermuizen
Het vleermuizenonderzoek is, conform vleermuizenprotocol 2017 van het Netwerk Groene Bureaus (NGB, 2017), uitgevoerd met behulp van een batdetector (type: Petterson D240X) en een sterke zaklamp. Een batdetector is een apparaat dat ultrasone geluiden, die een vleermuis maakt,
10/24
Kenmerk
R022-1266702MTR-V02-efm-NL
omzet in voor de mens hoorbare tikkende geluiden. Aan de hand van het ritme van het geluid en de frequentie waarop de vleermuis het beste wordt gehoord, de zogenaamde “piekfrequentie”, kan in veel gevallen worden bepaald om welke vleermuissoort het gaat. Voor het determineren van soorten wordt gebruik gemaakt van opnameapparatuur en het programma Batsounds. Om de verblijfplaatsen in kaart te brengen, is door het hele plangebied gelopen en gepost. Hierbij is allereerst gekeken naar vleermuisactiviteit en vleermuisgedrag tijdens deze activiteit. Bij aanwijzingen voor een verblijfplaats (zoals roepactiviteit of zwermgedrag) is uitgebreid gepost. In totaal zijn vijf veldbezoeken uitgevoerd in de periode juni tot en met oktober door drie ter zake kundige ecologen. De exacte data van de veldbezoeken zijn afhankelijk van de weersomstandigheden. Meerdere bezoeken zijn nodig, omdat vleermuizen gebruik maken van een netwerk van verblijfplaatsen en foerageergebieden die in verschillende perioden in het jaar worden gebruikt. Door de bezoeken te spreiden wordt een beter beeld verkregen van de aanwezigheid van vleermuizen in het plangebied en hiermee van de betekenis van het plangebied voor vleermuizen. De veldbezoeken zijn als volgt verdeeld: drie bezoeken in het voorjaar en twee bezoeken in het najaar: Twee avondbezoeken (zonsondergang tot 2 uur en 30 minuten na zonsondergang) in het -
voorjaar (15 mei – 15 juli) Eén ochtendbezoek (3 uur voor zonsopkomst tot zonsopkomst) in het voorjaar (1 juni – 15 juli) Twee avondbezoeken (vanaf één uur tot drie uur na zonsondergang) in het najaar (15 augustus – 30 september)
In tabel 2.3 zijn de data, focus en weersomstandigheden van elk veldbezoek weergegeven. Tabel 2.3 Data, focus en weersomstandigheden van de uitgevoerde veldbezoeken voor vleermuizen Datum veldbezoek
Tijd
Focus
Weersomstandigheden
22-5-2020
21:40 – 0:10
Zomer- en
Droog, onbewolkt, 17°C,
kraamverblijfplaatsen
3 Bft.
15-6-2020
21:30 – 0:00
Zomer- en
Droog, half bewolkt,
kraamverblijfplaatsen
18°C, 1 Bft.
15-7-2020
2:45 – 5:45
Zomer- en
Droog, half bewolkt,
kraamverblijfplaatsen
14°C, 2 Bft.
21-8-2020
0:00 – 2:00
Paar- en
Droog, onbewolkt, 23°C,
winterverblijfplaatsen
2 Bft.
9-9-2020
23:55 – 2:00
Paar- en
Droog, half bewolkt,
winterverblijfplaatsen
15°C, 3 Bft.
2.6
Kerkuil, steenuil en ransuil
Het onderzoek naar kerkuil, steenuil en ransuil is gecombineerd uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd conform de kennisdocumenten kerkuil en steenuil (BIJ12, 2017a; BIJ12, 2017b). De
11/24
Kenmerk
R022-1266702MTR-V02-efm-NL
aanwezigheid van broedende steenuilen kan worden uitgesloten als tijdens drie gerichte veldbezoeken in de periode van 1 februari tot en met 30 april met minimaal één maand tussen de veldbezoeken geen waarnemingen zijn gedaan die duiden op een beschermde functie, voor kerkuil loopt deze periode door tot en met half oktober. Overigens kan het daadwerkelijke gebruik van het nest van steenuil gebeuren van begin februari tot en met half juli. Voor ransuil worden in de balts- en post-broedperiode, maart-juni, de drie veldbezoeken uitgevoerd. Daarnaast is tijdens alle locatiebezoeken ook gelet op (nieuwe) sporen in de vorm van krijtstrepen en braakballen. Bij onderzoek naar steenuil en ransuil wordt gebruikt gemaakt van het afspelen van de baltsroep op een geluidsrecorder. De kerkuil reageert niet op het afspelen van de baltsroep op een geluidsrecorder. Het onderzoek naar kerkuil, steenuil en ransuil is uitgevoerd op 19 en 17 maart en 1 mei 2020. Ook tijdens de eerste drie veldbezoeken van het vleermuisonderzoek is gelet op de aanwezigheid van uilen. In tabel 2.4 zijn de data en weersomstandigheden van elk veldbezoek weergegeven. Tabel 2.4 Data en weersomstandigheden van de uitgevoerde veldbezoeken voor kerkuil, steenuil en ransuil Datum veldbezoek
Tijd
Weersomstandigheden
19-3-2020
18:30 – 21:30
Droog, half bewolkt, 8°C, 2 Bft.
7-4-2020
20:15 – 23:15
Droog, onbewolkt, 15°C, 2 Bft.
17-4-2020
21:00 – 23:15
Droog, onbewolkt, 15°C, 2 Bft.
2.7
Huismus
De inventarisatie van huismussen richt zich op het waarnemen van een volwassen individu of paar in broedbiotoop, nesten, zang van een mannetje en op gedrag dat een territorium of nest indiceert. Het ecologisch onderzoek is uitgevoerd conform de voorgeschreven onderzoeksinspanning als benoemd in het kennisdocument huismus (BIJ12, 2017c). Hiervoor zijn twee inventarisatiemomenten nodig in de periode 1 april tot en met 15 mei met een tussenperiode van minimaal tien dagen. Het onderzoek vindt overdag plaats tussen twee uur na zonsopkomt tot uiterlijk twee uur voor zonsondergang. Dit bij de juiste weersomstandigheden (droog, weinig wind). Ook andere functies van het leefgebied (onder andere voedselgebied en schuilmogelijkheden) worden meegenomen. Het onderzoek naar huismussen is uitgevoerd op 2 en 28 april 2020. In tabel 2.5 zijn de data en weersomstandigheden van elk veldbezoek weergegeven. Tabel 2.5 Data en weersomstandigheden van de uitgevoerde veldbezoeken voor huismus Datum veldbezoek
Tijd
Weersomstandigheden
2-4-2020
16:02 – 18:41
Droog, onbewolkt, 19°C, 2 Bft.
28-4-2020
9:00 – 12:00
Droog, onbewolkt, 13°C, 2 Bft.
2.8
Buizerd, havik, boomvalk en sperwer
Het onderzoek naar de volgende soorten is gecombineerd uitgevoerd: buizerd, havik, boomvalk en sperwer. Het onderzoek omvat in totaal vijf bezoeken na zonsopkomst van maart tot en met half juli. Tussen elk veldbezoek dient een tussenperiode van tenminste tien dagen gehanteerd te worden. Dit soortgericht onderzoek is gericht op het waarnemen van individuen en paartjes in
12/24
Kenmerk
R022-1266702MTR-V02-efm-NL
broedbiotoop en op gedrag dat een territorium of nest indiceert. Het onderzoek naar deze vogelsoorten is uitgevoerd op 19 maart, 7, 17 en 28 april en 16 juli 2020. In tabel 2.5 zijn de data en weersomstandigheden van elk veldbezoek weergegeven. In tabel 2.6 zijn de data en weersomstandigheden van elk veldbezoek weergegeven. Tabel 2.6 Data en weersomstandigheden van de uitgevoerde veldbezoeken voor buizerd, havik, boomvalk en sperwer Datum veldbezoek
Tijd
Weersomstandigheden
19-3-2020
12:30 – 15:30
Droog, half bewolkt, 10°C, 2 Bft.
7-4-2020
15:45 – 19:39
Droog, onbewolkt, 19°C, 2 Bft.
17-4-2020
11:00 – 14:00
Droog, onbewolkt, 15°C, 3 Bft.
28-4-2020
9:35 – 11:55
Droog, onbewolkt, 13°C, 2 Bft.
16-7-2020
10:00 – 13:40
Droog, half bewolkt, 20°C, 1 Bft.
2.9
Rugstreeppad
Het onderzoek naar rugstreeppad richt zich op kooractiviteit van deze soort bij gunstige weersomstandigheden (relatief warme, windstille avonden en nachten, vaak na zware regenval). Het onderzoek is uitgevoerd conform de onderzoeksinspanning als benoemd in het kennisdocument rugstreeppad (BIJ12, 2017d). Deze bezoeken zijn gecombineerd met het onderzoek naar vleermuizen en uilen. In tabel 2.7 zijn de data en weersomstandigheden van elk veldbezoek weergegeven. Tabel 2.7 Data en weersomstandigheden van de uitgevoerde veldbezoeken voor rugstreeppad Datum veldbezoek
Tijd
Weersomstandigheden
28-4-2020
22:08 – 23:43
Droog, onbewolkt, 14°C, 1 Bft.
15-6-2020
20:50 – 23:43
Droog, onbewolkt 18°C, 1 Bft.
15-7-2020
21:15 – 23:45
Droog, onbewolkt, 15°C, 1 Bft.
13/24
Kenmerk
R022-1266702MTR-V02-efm-NL
3 Resultaten 3.1
Flora
Tijdens het onderzoek naar grote leeuwenklauw en knolspirea zijn geen exemplaren aangetroffen. Er zijn geen groeiplaatsen van deze plantensoorten aanwezig in het plangebied.
3.2
Noordse woelmuis
Er zijn geen keutelhoopjes van woelmuizen aangetroffen in het plangebied. Ook na het plaatsen en controleren van de tien plankjes zijn geen keutels van woelmuizen gevonden. In het plangebied zijn geen noordse woelmuizen aanwezig.
3.3
Bunzing, wezel en hermelijn
Tijdens het onderzoek met behulp van cameravallen is wezel één keer vastgelegd op camera 18 op 1 juli 2020. Bunzing en hermelijn en andere marterachtigen zijn niet vastgelegd op beeld. Evenmin zijn andere beschermde zoogdieren zoals eekhoorn vastgelegd. Door de afwezigheid van genoemde soorten op de camerabeelden is de aanwezigheid van leefgebied binnen het plangebied uitgesloten. Echter is wezel wel op beeld waargenomen. Aangezien wezel slechts één keer is vastgelegd, gaat het om een zwervend exemplaar. Essentieel leefgebied van wezel is uitgesloten in het plangebied. Daarnaast zijn op de cameravallen beschermde maar vrijgestelde soorten waargenomen zoals egel en ree. In figuur 3.1 zijn foto’s van wezel gegeven die zijn genomen door de cameraval 18 (mostela) en in figuur 3.2 is de locatie van de waarneming weergegeven.
Figuur 3.1 Voorbeelden van foto’s van wezel genomen door camera 18
14/24
Kenmerk
R022-1266702MTR-V02-efm-NL
Figuur 3.2 Locatie van de waarneming van wezel op de plek van cameraval 18 (mostela) in het plangebied
3.4
Vleermuizen
Tijdens het eerste veldbezoek op 20 mei 2020 is in de derde boom ten noorden van de bebouwing aan de westkant van de weg één uitvliegende gewone dwergvleermuis waargenomen. In het meest noordelijk gelegen gebouw (gebouw 1) uit de stootvoegen van de gevel aan de noordzijde zijn minstens 187 gewone dwergvleermuizen uitgevlogen. Waarschijnlijk 200 - 300 exemplaren. Verder zijn er in het plangebied twee laatvliegers overgevlogen. Vanaf 23.00 uur was het erg rustig en weinig activiteit in het plangebied. Gedurende het tweede veldbezoek op 15 juni 2020 zijn 216 uitvliegende gewone dwergvleermuizen geteld uit de gevel aan de noordkant van het noordelijk gelegen gebouw (zelfde locatie als vorige onderzoeksronde). Uit dit gebouw kwamen ook vijf gewone dwergvleermuizen vliegen vanuit de houten betimmering aan de westkant. Verder in en rondom het terrein geen uitvliegende vleermuizen waargenomen. Ook geen uitvliegende in de boom uit het vorige bezoek. Er werd nog één overvliegende/foeragerende laatvlieger waargenomen. Het gehele bezoek van 15 juli 2020 waren er foeragerende gewone en ruige dwergvleermuizen in het plangebied. De gewone dwergvleermuizen (tientallen) hebben het gebouw steeds aangetikt en zijn in—en uitgevlogen aan de gevel aan de noordzijde van gebouw 1.
Tientallen tegelijkertijd en honderden in totaal waren aan het zwermen en invliegen bij de gevel aan de noordzijde van gebouw 1 tijdens invliegtijd. In openingen aan de andere zijdes van het gebouw waren ook invliegers, maar beduidend minder. Het was onmogelijk om de precieze aantallen te tellen. Veel stootvoegen worden gebruikt.
15/24
Kenmerk
R022-1266702MTR-V02-efm-NL
Bij het vierde bezoek van 21 augustus 2020 was er om 00.00-01.00 veel zwermactiviteit waargenomen aan de noordzijde van het noordelijke gebouw, waar bij vorige bezoeken een groot aantal dieren geteld zijn. Een tiental gewone dwergvleermuizen zwermend en aantikkend bij de stootvoegen. De vleermuizen vlogen rondjes en tikten de muur aan. Van 01:00 tot 01:30 was er aanzienlijk minder activiteit bij de noordelijke muur, maar activiteit nam weer toe net voor 02:00 met ongeveer zes individuen. Bij de regenpijp aan de oostkant van het noordelijke gebouw zijn ook twee zwermende vleermuizen gezien. Dit was ook zo aan de andere kant van het gebouw bij de regenpijp. Ter plaatse van de oprit werd de hele avond een baltsend mannetje waargenomen. Ook aan de noord-, oost- en zuidkant van het noordelijke gebouw werden baltsgeluiden waargenomen. Twee paarterritoria worden vermoed. Eén in de bomenlaan en één aan de noordoostkant van het noordelijk gebouw. Het is onduidelijk of dit verschillende individuen waren, of éen of meerdere rondvliegende individuen. Ook werd er gezwermd en ingevlogen bij de meeste noordelijke gemetselde pijler aan de noordoostkant van het gebouw. Tijdens het laatste veldbezoek op 10 september 2020 zijn gewone dwergvleermuis en (een enkele waarneming van een overvliegende) meervleermuis waargenomen.
Gewone dwergvleermuizen foerageren in de bomenlaan in het noorden van het plangebied en rondom het meest noordwestelijke gebouw. Bij de meest noordelijke gevel (waar in voorjaar ook hoogste kraamactiviteit was) werd de gehele avond gezwermd door circa zes gewone dwergvleermuizen waarbij enkele individuen ook kort in de open stootvoegen verdwenen. Ook rondom een schoorsteen nabij de zuidwestpunt van dit gebouw leek te worden gezwermd maar hier was weinig zicht op. Aanvullend op zwermactiviteit zijn twee paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuizen aangetroffen achter een zonwering aan de zuidelijke gevel. Foerageergebied en vliegroutes Het plangebied fungeert als essentieel foerageergebied voor gewone dwergvleermuizen. Dit aangezien de vastgestelde kraamkolonie het plangebied gebruikt als foerageergebied. Een duidelijke essentiële vliegroute is niet waargenomen. De vleermuizen vlogen via de noord- en westkant langs de buitenste bomenrij in en uit het plangebied, waarbij geen grote getalen achtereenvolgens dezelfde kant op vlogen. Conclusie Er is een zomerverblijfplaats van gewone dwergvleermuis vastgesteld in de derde boom ten noorden van de bebouwing aan de westkant van de weg. In gebouw 1 is een kraam- en massawinterverblijfplaats van gewone dwergvleermuizen vastgesteld in de gehele noordgevel. Aan de zuidkant van gebouw 1 zijn twee zomerverblijfplaatsen vastgesteld.
In de westgevel is één paar- en winterverblijfplaats en in de oostgevel zijn twee paar- en winterverblijfplaatsen vastgesteld. Ten noordoosten van gebouw 1 en in de bomenlaan zijn twee paarterritoria waargenomen. Het plangebied fungeert ook als essentieel foerageergebied voor gewone dwergvleermuizen. In figuur 3.3 zijn de aangetroffen beschermde functies van gewone dwergvleermuizen in het plangebied weergegeven.
16/24
Kenmerk
R022-1266702MTR-V02-efm-NL
Figuur 3.3 Locaties van de aangetroffen beschermde functies van gewone dwergvleermuizen in het plangebied
3.5
Kerkuil, steenuil en ransuil
Op 19 maart 2020 zijn in de middag tientallen braakballen en enkele veren van kerkuil aangetroffen bij de zoutloods. Daarbij zijn ook meerdere kauwennesten achter de dubbele wand aan de voor- en achterzijde gezien. In de avond is vanaf 19:40 meerdere malen een kerkuil in- en uitvliegend waargenomen in de zoutloods. Boven de ingang zit mogelijk een nestlocatie. Tijdens het tweede veldbezoek op 7 april 2020 is wederom een kerkuil in- en uitvliegend bij de zoutloods waargenomen. Steen- en ransuil zijn niet gehoord of gezien. Gedurende het derde veldbezoek op 17 april 2020 is opnieuw een in- en uitvliegende kerkuil bij de zoutloods waargenomen. Op 20 mei 2020 tijdens een vleermuisronde zijn twee kerkuilen waargenomen in de zoutloods. Tijdens het vleermuisonderzoek op 15 juni 2020 zijn in de zoutloods kerkuilen met jongen waargenomen. Tijdens de derde vleermuisronde op 15 juli 2020 zijn in de zoutloods een kerkuil met twee jongen gezien. De twee jongen zijn gevonden op de grond tussen de steunbalken in de hoek aan de noordwestkant. Op basis van voorgaande waarnemingen is een nestplaats van kerkuil vastgesteld in de zoutloods (zie figuur 3.4).
17/24
Kenmerk
R022-1266702MTR-V02-efm-NL
Figuur 3.4 Loods 2 waarin de nestplaats van kerkuil is aangetroffen
3.6
Huismus
Er zijn tijdens de veldbezoeken geen huismussen gezien of gehoord in (de directe omgeving van) het plangebied. Nestlocaties van huismussen in het plangebied zijn met zekerheid uitgesloten. Dat het plangebied dient als foerageergebied is eveneens uitgesloten.
3.7
Buizerd, havik, boomvalk en sperwer
Er zijn drie geschikte nesten aangetroffen in het plangebied en drie in de omgeving rond het plangebied. Tijdens het veldbezoek op 19 maart 2020 is een waarschijnlijke nestlocatie van buizerd in het Elzenbosje aan de oostkant van het plangebied waargenomen. Op 7 april 2020 zijn geen roofvogels waargenomen binnen het plangebied. Eén nest is bezet door zwarte kraai en de andere twee nesten leken nog onbezet. Ten zuidoosten van het plangebied is een bezet buizerdnest aangetroffen. Mogelijk is ook het nest ten oosten van het plangebied in gebruik door buizerd. Door het veldbezoek op 17 april 2020 zijn de waarnemingen van 7 april bevestigd. Vooralsnog zijn geen jaarrond beschermde nesten aanwezig in het plangebied. Wel zijn twee bezette nesten van buizerd ten oosten van het plangebied vastgesteld. Het vierde veldbezoek is gecombineerd met het rugstreeppadonderzoek (ochtend en avond) op 28 april. Ook tijdens dit bezoek zijn geen broedende roofvogels waargenomen binnen het plangebied. Gedurende het veldbezoek op 16 juli 2020 en tijdens vleermuis- en rugstreeppadonderzoek zijn geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van boomvalk waargenomen in of rond het plangebied. Van
18/24
Kenmerk
R022-1266702MTR-V02-efm-NL
andere vogels met jaarrond beschermde nesten zijn tijdens deze bezoeken geen nestlocaties in het plangebied waargenomen. In het plangebied zijn geen jaarrond beschermde nesten aanwezig.
3.8
Rugstreeppad
Tijdens geen van de veldbezoeken zijn rugstreeppadden gezien of gehoord. Verblijfplaatsen en leefgebied zijn uitgesloten in (de directe omgeving van) het plangebied. Dat rugstreeppad gebruik maakt van (de omgeving van) het plangebied is uitgesloten.
4 Effectbeschrijving 4.1
Flora
Tijdens de veldbezoeken zijn geen exemplaren van grote leeuwenklauw en knolspirea waargenomen. Er zijn geen groeiplaatsen van deze plantensoorten in het plangebied aanwezig. Negatieve effecten op beschermde flora zijn uitgesloten. Een ontheffing in het kader van de Wnb is niet benodigd.
4.2
Noordse woelmuis
Tijdens de veldbezoeken zijn geen latrines van woelmuizen aangetroffen binnen het plangebied en/of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden en ingrepen. Negatieve effecten op (verblijfplaatsen en functioneel leefgebied van) noordse woelmuis als gevolg van de beoogde ontwikkeling zijn daarmee uitgesloten. Een ontheffing van de Wnb is niet benodigd.
4.3
Bunzing, wezel en hermelijn
Wezel is één keer vastgelegd op camera 18. Dit gaat om een zwervend exemplaar. Bunzing, hermelijn en andere niet-vrijgestelde soorten zijn niet vastgelegd op de camerabeelden. Negatieve effecten op (verblijfplaatsen en (essentieel) leefgebied) van deze soorten als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden zijn uitgesloten. Een ontheffing van de Wnb is niet benodigd. Het verdient echter aanbeveling om bij de verdere planvorming rekening te houden met wezel. Hoewel het nu om een zwervend exemplaar ging, bestaat de kans dat wezel zich vestigt in het plangebied in de nabije toekomst.
4.4
Vleermuizen
Er is een zomerverblijfplaats van gewone dwergvleermuis vastgesteld in de derde boom ten noorden van de bebouwing aan de westkant van de weg. Aan de zuidkant van gebouw 1 zijn twee zomerverblijfplaatsen vastgesteld. In de gehele noordgevel van gebouw 1 is een kraam- en massawinterverblijfplaats van gewone dwergvleermuizen vastgesteld. In de westgevel is één paar- en winterverblijfplaats en in de oostgevel zijn twee paar- en winterverblijfplaatsen vastgesteld. Ten noordoosten van gebouw 1 en in de bomenlaan zijn twee paarterritoria waargenomen. Het plangebied fungeert ook als essentieel foerageergebied, echter blijft de aanwezige vegetatie onaangetast
19/24