1066802 Bijlage 4 Wegensteunpunt Scharendijke vastgesteld 1 Bijlagen bij de toelichting
Tekst van het document
Rampweg 36 te Ellemeet. Situering van het plangebied binnen de historische kaarten Legenda Plangebied
Rapport 13890.001b versie 2
Bijlage 1
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken
Ouderdom in jaren
Chronostratigrafie
MIS
Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
15.700
1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)
Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)
2
LaatPleniglaciaal 29.000
50.000
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal
3
Formatie van Kreftenheye
Formatie van Boxtel
4
75.000
VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000
370.000 410.000
5a 5c 5d
Eemien (warme periode)
5e
Saalien (ijstijd)
6
Holsteinien (warme periode)
Formatie van Beegden
5b
Eem Formatie Formatie van Drente
Formatie van Urk
Elsterien (ijstijd) 475.000
Cromerien (warme periode) 850.000
Pre-Cromerien 2.600.000
Rapport 13890.001b versie 2
Formatie van Sterksel
Formatie van Peelo
Cal. jaren v/n Chr.
14
C jaren
Chronostratigrafie
Pollen zones
0
1950
Vb2
1500
Subatlanticum koeler vochtiger
450 0 12
Vb1 Va
Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem
Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd
800 815
2650
IVb Subboreaal koeler droger
2000
3755
IVa
5000
4900
5300
7020
8240
Atlanticum warm vochtig
III
Boreaal warmer
II
Preboreaal warmer
I
8000
9000
8800 11.755
10.150
12.745
10.800
13.675
11.800
14.025
12.000
15.700
13.000
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
Late Dryas
LW III
Allerød
LW II
Vroege Dryas LW I Bølling
35.000
Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)
Bronstijd
Neolithicum
Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend
Mesolithicum
parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra
VroegWeichselien (VroegGlaciaal)
perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap
Laat-Paleolithicum
75.000
115.000 130.000
Eemien (warme periode)
Midden-Paleolithicum loofbos
Saalien (ijstijd) 300.000
Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).
Rapport 13890.001b versie 2
Bijlage 2 Zaaknummer (OMnummer) 2402924100 (56385)
4543893100
Onderzoeksmeldingen
Locatie
Aard, uitvoerder en resultaten van het onderzoek
200 m ten noorden van het plangebied Rampweg 13, Scharendijke Gemeente Schouwen-Duiveland Coördinaat: 46823/417812 200 m ten westen van het plangebied Nieuweweg, Scharendijke Gemeente Schouwen-Duiveland Coördinaat: 46428/417473
Type onderzoek: bureauonderzoek Uitvoerder: Hazenberg Archeologie Leiden BV Datum: 10-4-2013 Resultaat: onbekend in Archis
4543909100
200 m ten westen van het plangebied Nieuweweg, Scharendijke Gemeente Schouwen-Duiveland Coördinaat: 46428/417473
3995289100
350 m ten noordwesten van het plangebied Rampweg, Scharendijke Gemeente Schouwen-Duiveland Coördinaat: 46426/417735
3995297100
350 m ten noordwesten van het plangebied Rampweg, Scharendijke Gemeente Schouwen-Duiveland Coördinaat: 46426/417735
2357419100 (50489)
400 m ten zuiden van het plangebied Moolweg 9-11, Ellemeet Gemeente Schouwen-Duiveland Coördinaat: 46674/416910
4001150100
450 m ten oosten van het plangebied N652 Gemeente Schouwen-Duiveland Coördinaat: 47461/416968
47
De Boer & Roodenburg, 2017. De Boer & Roodenburg, 2017. 49 De Boer, 2016. 50 De Boer, 2016. 48
51 Koekkelkoren & Moerman, 2012. 52 Van Wilgen, 2016.
Rapport 13890.001b versie 2
Type onderzoek: bureauonderzoek Uitvoerder: Bureau voor Archeologie Datum: 15-5-2017 Resultaat: In het plangebied liggen kreekafzettingen van het Walcheren Laagpakket. Het Hollandveen is geërodeerd, evenals de top van het onderliggende Laagpakket van Wormer. Het plangebied is vermoedelijk tussen 1300 en 1500 bedijkt en in de 19e en 20e eeuw onbebouwd. Eventuele resten uit de IJzertijd en Romeinse tijd kunnen in de top van het Hollandveen voorkomen, vanaf 230 cm -mv. Resten uit de LateMiddeleeuwen en Nieuwe tijd worden vanaf het maaiveld verwacht. 47 Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: Bureau voor Archeologie Datum: 12-6-2017 Resultaat: Tijdens het booronderzoek zijn kreekbeddingafzettingen aangetroffen met plaatselijk kleilagen. Gezien het ontbreken van een veenpakket worden geen resten uit de IJzertijd en Romeinse tijd meer verwacht. Ook zijn geen archeologische indicatoren of archeologische lagen aangetroffen. Er zijn geen aanwijzingen voor bewoning in de Late-Middeleeuwen of Nieuwe tijd. Vandaar dat ook geen archeologische resten meer uit die perioden verwacht worden. Het plangebied is vrijgegeven.48 Type onderzoek: bureauonderzoek Uitvoerder: Bureau voor Archeologie Datum: 5-4-2016 Resultaat: In het plangebied liggen kreekafzettingen van het Walcheren Laagpakket. Het Hollandveen is geërodeerd, evenals de top van het onderliggende Laagpakket van Wormer.
Het plangebied is vermoedelijk tussen 1300 en 1500 bedijkt en in de 19e en 20e eeuw onbebouwd. Eventuele resten uit de IJzertijd en Romeinse tijd kunnen in de top van het Hollandveen voorkomen, vanaf 230 cm -mv. Resten uit de LateMiddeleeuwen en Nieuwe tijd worden vanaf het maaiveld verwacht. 49 Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: Bureau voor Archeologie Datum: 14-4-2016 Resultaat: Tijdens het booronderzoek zijn kreekbeddingafzettingen aangetroffen met plaatselijk kleilagen. Gezien het ontbreken van een veenpakket worden geen resten uit de IJzertijd en Romeinse tijd meer verwacht. Ook zijn geen archeologische indicatoren of archeologische lagen aangetroffen. Er zijn geen aanwijzingen voor bewoning in de Late-Middeleeuwen of Nieuwe tijd. Vandaar dat ook geen archeologische resten meer uit die perioden verwacht worden. Het plangebied is vrijgegeven. 50 Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: IDDS Archeologie B.V. Datum: 14-2-2012 Resultaat: Geulafzettingen aangetroffen, behorend tot het Walcheren Laagpakket. In de top van de oude geulafzettingen, waarop resten vanaf de bedijking (12e/13e eeuw) worden verwacht, is geen woonniveau aangetroffen. Bovendien is de top van het toenmalige maaiveld reeds verstoord. Geen resten meer verwacht, plangebied vrijgegeven.
51 Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: SOB Research Datum: 25-5-2016 Resultaat: In het plangebied is sprake van Afzettingen van het Walcheren Laagpakket, op of ingesneden in Hollandveen, op of ingesneden in het Wormer Laagpakket. Binnen het huidige onderzoeksgebied zullen geen archeologisch relevante niveaus verstoord worden en is geen nader onderzoek geadviseerd. 52
Bijlage 3
Vondstmeldingen
Zaaknummer (Waarnemingsnr.) 3046672100 (53749)
Locatie
Omschrijving
170 meter ten zuidwesten van het plangebied Ellemeet Gemeente Schouwen-Duiveland Coördinaat: 46750/417250
Paleolithicum – Nieuwe tijd : - 1 steen Romeinse tijd – Nieuwe tijd : - 1 leisteenfragment - 3 baksteenfragmenten Vroege-Middeleeuwen – Late-Middeleeuwen : - 1 fragment Andenne aardewerk Late-Middeleeuwen : - 1 fragment grijsbakkend gedraaid aardewerk Late-Middeleeuwen – Nieuwe tijd : - 7 fragmenten roodbakkend geglazuurd aardewerk Nieuwe tijd : - 1 glazen fles - 1 fragment witbakkend geglazuurd aardewerk gevonden tijdens veldkartering
Rapport 13890.001b versie 2
Bijlage 4
Bewoningsgeschiedenis van Nederland
Als aanvullende informatie wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland weergegeven. Paleolithicum (tot circa 8800 v. Chr.) De vroegste bewoningssporen in Nederland uit deze periode dateren uit de voorlaatste ijstijd, circa 300.000-130.000 jaar geleden. Waarschijnlijk hebben in de koudste fasen van de ijstijden in Nederland geen mensen geleefd. Daarentegen was bewoning in de warmere perioden wel mogelijk. De mensen die hier toen leefden trokken als jagers/vissers/verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. Veranderingen in het klimaat zorgden voor een veranderende flora en fauna. Tijdens de koude perioden bestond het groot wild onder meer uit rendieren, mammoeten, paarden en steppewisenten. Vooral op paarden en rendieren werd in het LaatPaleolithicum intensief jacht gemaakt. Tijdens de warmere perioden werd er onder andere op herten, wilde zwijnen en oerossen gejaagd. Mesolithicum (circa 8800-4900 v. Chr.) Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (circa 9000 v. Chr.) verbeterde het klimaat voor een langdurige periode. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor de variatie in flora en fauna (o.a. bosontwikkeling) toenam. De mens kreeg nu de mogelijkheid om meer gevarieerd te eten: vruchten en andere eetbare gewassen stonden nu vaker op het menu.
Doordat de temperatuur steeg, trok het groot wild (met name rendieren) naar het noorden, en maakte plaats voor meer territoriumgebonden klein wild, vogels en vissen. Door deze veranderende leefomstandigheden werd de jachttechniek aangepast. De vuursteen bewerkingstechniek hield met deze ontwikkeling gelijke tred. Er werden kleine vuursteenspitsen vervaardigd die als pijl- en harpoenpunt werden gebruikt. Met de stijging van de temperatuur begon het landijs te smelten en de zeespiegel te stijgen. Het tot dan toe droge Noordzee-Bekken kwam onder water te staan. De groepen jagers/vissers/verzamelaars wisselden nog wel van locatie maar exploiteerden kleinere gebieden. In het voorjaar viste men in de rivieren, tijdens de zomer leefde men voornamelijk langs de kust, waar naast vis en schaaldieren ook zeehonden als voedselbron dienden. In de herfst verzamelde men noten en vruchten, terwijl in de winter op onder meer pelsdieren werd gejaagd. Neolithicum (circa 5300-2000 v. Chr.) Aan het begin van deze periode gingen het jagen, vissen en verzamelen een steeds minder belangrijke rol spelen. Men ging nu zelf cultuurgewassen telen en dieren houden bij het kamp.
Uit vondsten valt af te leiden dat het om twee groepen mensen gaat, enerzijds kolonisten met een vrijwel agrarische levenswijze, anderzijds om de autochtone mesolitische bevolking die een halfagrarische levensstijl erop na gaat houden. Deze verandering ging gepaard met enkele technologische en sociale vernieuwingen zoals: het wonen op een vaste plek in een huis, het gebruik van vaatwerk van (gebakken) klei en de introductie van geslepen stenen dissels en bijlen. De bevolking groeide nu gestaag, mede door de productie van overschotten. Uit het Neolithicum zijn verschillende nu nog zichtbare grafmonumenten bekend, te weten grafkelders, hunebedden en grafheuvels. Bronstijd (circa 2000-800 v. Chr.) Het begin van dit tijdvak valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen zoals bijlen. Vuurstenen werktuigen bleven, zij het minder, in gebruik. Het aardewerk uit deze periode is over het algemeen tamelijk zeldzaam. Vuursteenmateriaal uit de Bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Lange tijd bleven bronzen voorwerpen zeer schaars binnen Nederlands grondgebied. Door het van nature ontbreken van de benodigde grondstoffen moest het brons worden geïmporteerd en ontstonden er handelscontacten over langere afstanden. Eén en ander had
Rapport 13890.001b versie 2
wel tot gevolg dat er binnen de bevolking grotere verschillen ontstonden door verschillen op basis van bezit. De grafheuveltraditie, die tijdens het Neolithicum haar intrede deed, werd in eerste instantie voortgezet, maar rond 1200 v. Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, omgeven door een greppel. Een Kopertijd voorafgaand aan de Bronstijd wordt in Noordwest-Europa niet onderscheiden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Middellandse Zeegebied. Wel zijn uit het LaatNeolithicum koperen voorwerpen bekend. IJzertijd (circa 800-12 v. Chr.) In deze periode werden voor het eerst ijzeren voorwerpen vervaardigd. Voor de productie van werktuigen en wapens werd brons vervangen door ijzer. Er ontstond een inheemse ijzerproductie. Het gebruik van vuursteen voor het vervaardigen van werktuigen duurde nog in beperkte mate voort. Ten opzichte van de Bronstijd traden er in de aardewerktraditie geen radicale veranderingen op. Evenals in het Neolithicum en de Bronstijd woonden de mensen in verspreid liggende hoeven ('Einzelhöfe') of in nederzettingen bestaande uit maar enkele huizen; deze werden in een beperkt gebied nogal eens verplaatst. Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen ('Celtic fields').
Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand (bezit van metalen voorwerpen), die mogelijk op sociale ongelijkheid duiden. In de zogenaamde vorstengraven uit Zuid Nederland, met daarin luxe, geïmporteerde bijgaven, zijn vermoedelijk lokale of regionale autoriteiten begraven. De meeste begravingen vonden nog immer plaats in urnenvelden. Tijdens de IJzertijd werd het Friese kustgebied gekoloniseerd en ontstonden de eerste terpen. Romeinse tijd (circa 12 v. Chr. - 450 n. Chr.) Met de komst van de Romeinen eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. Aangezien de schriftelijke bronnen slechts een zeer fragmentarisch beeld schetsen, is men toch nog in belangrijke mate aangewezen op de archeologie als informatiebron. Een tijd lang diende het Nederlandse rivierengebied als uitvalsbasis voor veldtochten in het noorden van Germanië. In 47 n. Chr. werd de Rijn definitief als Romeinse rijksgrens ingesteld. Ter controle en verdediging van deze zogenaamde 'limes' werden langs de Rijn, tot diep in Duitsland, 'castella' (militaire forten) gebouwd. De inheemse manier van leven handhaafde zich nog lange tijd. Wel werd, vooral na de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers in 69-70 n. Chr., de Romeinse invloed steeds duidelijker.
In veel inheems-Romeinse nederzettingen was bijvoorbeeld, naast het eigen handgevormde aardewerk, Romeins importaardewerk in gebruik, dat op de draaischijf was vervaardigd. Er werden, vooral in Limburg, grootse villa's (Romeinse herenboerderijen) gebouwd, hetzij nieuw gesticht, hetzij ontwikkeld vanuit een bestaande inheemse nederzetting. De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan, waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten. Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen, waarvan er enkele met een stedelijk karakter (zoals Nijmegen). De inheemse bevolking, ten noorden van de Limes, werd niet zo sterk beïnvloed door de Romeinse aanwezigheid. Er was wel sprake van handelscontacten en het uitwisselen van geschenken. In de tweede helft van de derde eeuw ontstond, onder meer door invallen van Germaanse stammen, een instabiele situatie die met korte onderbrekingen voortduurde tot in de vijfde eeuw. Uiteindelijk leidde dit in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grensverdediging langs de Rijn. Middeleeuwen (circa 450-1500 n. Chr.) Over de Vroege-Middeleeuwen, vooral over het tijdvak 450-600 n. Chr., is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als archeologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen.
De marktgerichte economie verdween en de mensen vielen terug op zelfvoorziening. De politieke macht was na het wegvallen van de Ro-
Rapport 13890.001b versie 2
meinse staatsorganisatie in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Een gezaghebbende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en materiële welstand. Deze instabiele periode wordt ook wel aangeduid als de 'tijd van de volksverhuizingen'. Vanaf de 10e – 11e eeuw wordt een overheersende positie van de al dan niet adellijke grootgrondbezitters waargenomen. Dit vertaalt zich in nieuwe nederzettingsvormen als mottes, kastelen en versterkte hoeven. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei, en mede dankzij gunstige klimatologische omstandigheden, werd een begin gemaakt met het ontginnen van woeste gronden als bos, heide en veen. Veel van de huidige dorpen en steden dateren uit deze periode. Door de aanleg van dijken en kaden werden laaggelegen gebieden beschermd tegen wateroverlast. De heersende rivaliteit tussen de vorsten leidde, in combinatie met een zwak centraal gezag, veelvuldig tot lokaal geweld, waarvan de bevolking vaak het slachtoffer werd. Door het aanleggen van burgen, schansen, landweren en wallen trachtte men zich te beveiligen. Nieuwe tijd (1500-heden) De Nieuwe tijd kenmerkt zich door een groot aantal veranderingen vooral op het gebied van mens- en wereldbeeld. Er is sprake van een Europese overzeese expansie wat leidt tot handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie.
Er ontstaat een nieuwe wetenschappelijke belangstelling die resulteert in vele uitvindingen. Deze uitvindingen vormen de motor van de industriele revolutie. Er ontstaat een nationale staat die centraal bestuurd wordt. Als gevolg van deze ontwikkelingen neemt het belang en de omvang van steden toe en neemt de macht van adel af. Het grootste deel van de bevolking is niet meer werkzaam en woonachtig op het platteland maar in de steden. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei worden aan het eind van de 19 e tot het begin van de 20e eeuw op grote schaal woeste gronden gecultiveerd. Door de industriële revolutie komen steeds meer producten beschikbaar voor steeds meer mensen waardoor de welvaart stijgt. In de Nieuwe tijd vindt er eveneens een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid plaats, wat zich tot in het begin van de 20e eeuw uit in de kunsten.
Rapport 13890.001b versie 2
Bijlage 5
AMZ-cyclus
Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelijke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan, indien reeds voldoende gegevens bekend zijn, een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een besluit genomen door de bevoegde overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan de bevoegde overheid besluiten dat een vindplaats van zo groot belang is, dat deze in situ behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing. Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting.
Indien dit het geval is, dan zal er in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ-cyclus (zie schema). De eerste fase: Bureauonderzoek Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen het plangebied om tot een gespecificeerd verwachtingsmodel te komen, op basis waarvan een beslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap. De tweede fase: Inventariserend VeldOnderzoek (IVO) Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel. Het IVO moet informatie geven over de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Inventariserend Veldonderzoek; Booronderzoek en Veldkartering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeologische waarden (grondsporen en daarmee samenhangende voorwerpen). Bij het booronderzoek is een onderscheid aangebracht in een verkennende, karterende en waarderende fase.
De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Op deze manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten of sporen. De waarderende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizontale begrenzing, ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen. Een veldkartering wordt uitgevoerd wanneer vondsten of sporen aan de oppervlakte worden verwacht en zichtbaar zijn op het moment dat het onderzoek uitgevoerd wordt. Dit type onderzoek bestaat uit het systematisch belopen van het maaiveld van het plangebied.
Rapport 13890.001b versie 2
Inventariserend Veldonderzoek; Proefsleuven Als uit vooronderzoek blijkt dat binnen het plangebied archeologische resten aangetroffen kunnen worden kan de bevoegde overheid beslissen tot een proefsleuvenonderzoek. Proefsleuven zijn lange sleuven van minimaal twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar in de voorgaande onderzoeksfase aanwijzingen voor vindplaatsen zijn aangetroffen. De KNA schrijft voor dat bij een dergelijk onderzoek minimaal 5% van het te verstoren gebied onderzocht dient te worden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen en indien proefsleuvenonderzoek door praktische redenen niet uitvoerbaar is, kan besloten worden tot proefsleuven variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.
De derde fase: Opgraven Indien de archeologische resten niet in situ bewaard kunnen blijven, maar wel van belang zijn voor de wetenschap, kan de bevoegde overheid besluiten over te gaan tot een opgraving. Het doel hiervan is volgens de KNA het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden, die van belang is voor kennisvorming over het verleden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot een opgraving variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.
Rapport 13890.001b versie 2
Schema van de Archeologische Monumenten Zorg Vergunningaanvraag/ruimtelijke ontwikkeling ▼ Toetsing aan archeologisch beleid (Gemeente, Provincie, Rijk) ▼ Bureauonderzoek* (verzamelen gegevens en opstellen verwachtingsmodel) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ Inventariserend veldonderzoek* ▼ ▼ Verkennend veldonderzoek ►**** Karterend veldonderzoek Door middel van: Door middel van: - terreininspectie - oppervlaktekartering booronderzoek** - booronderzoek** - proefsleuven*** ▼ ▼***** Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ Bewezen of hoge kans op de aanwezigheid van archeologie ▼****** Waarderend veldonderzoek door middel van proefsleuven*** (variant begeleiding) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ ▼ Opgraven*** Beschermen Verwijderen van de Bescherming van de archeologische archeologie door resten door archeoplanaanpassing logen (variant begeleiding)
► Vergunningverlening indien geen onderzoek noodzakelijk wordt geacht.
► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.***
► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.*** ► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie, wel archeologische waarden aanwezig maar geen vervolgonderzoek noodzakelijk op grond van waardering. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden).
* Combinatie bureauonderzoek en IVO verkennende of karterende fase mogelijk, indien een PvA aanwezig is. ** Voorafgaand aan het booronderzoek dient een PvA worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. *** Voorafgaand aan het onderzoek dient een PvE en PvA te worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. **** Na een verkennend booronderzoek kan de bevoegde overheid besluiten dat een aanvullend karterend bureauonderzoek moet worden uitgevoerd. ***** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid. ****** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven of een IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid.
Rapport 13890.001b versie 2
Bijlage 6
Planontwerp
Rapport 13890.001b versie 2
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
A
A
B
B
C
C
D
D
E
E
3D View Noord
3D View Oost
F
F
G
G
H
H
J
J
Zoutloods
Uitbreiding 20%
Opp: 324,00
Opp: 64,80
Laden/Lossen zout Opp: 288,00
Manoevreer ruimte Opp: 288,00
K
K
N Oppervlaktes Ruimten
3D View Zuid L
Manoevreer ruimte
Natzout CaCl2 33%
Opp: 680,00
Opp: 20,00
Name
3D View West
Opstelplaats voertuigen Opslag schoon water
Opp: 900,00
Opp: 20,00
Opp: 20,00
Snelvulpunt Opp: 20,00
18000
Uitbreiding opstelplaats 20%
18000
16000
16000
Zoutloods
Laden/Lossen zout
Manoevreer ruimte
Opp: 324,00
Opp: 288,00
Opp: 288,00
1900 4000 5000
N
2500
Opp: 180,00
Opp: 64,80
4000 4000 3600 Uitbreiding 20%
M
5000
Opslag vuil water
18000
Opp: 680,00
4000
4000 5000 4000
Manoevreer ruimte
Opslag schoon water
Opp: 900,00 Omtrek: 125,0 m
Opp: 680,00 Omtrek: 114,0 m
17000
22500
Opp: 20,00
Opstelplaats voertuigen Manoevreer ruimte Manoevreer ruimte Uitbreiding opstelplaats 20%
900,00 680,00 680,00 180,00 2440,00
Opstelplaats Opstelplaats Opstelplaats Opstelplaats
Parkeervak Parkeervak Parkeervak Parkeervak Parkeervak
12,50 12,50 12,50 12,50 12,50 62,50
Terrein Terrein Terrein Terrein Terrein
Manoevreer ruimte Laden/Lossen zout Uitbreiding 20% Zoutloods
288,00 288,00 64,80 324,00 964,80
Zoutloods Zoutloods Zoutloods Zoutloods
Naam
Area
Rijbaan Groenstrook verharding opstelplaats vulpunten Verharding bovengrondse tanks
1634,46 1989,30 187,20 260,00
versie
datum
Projectnummer
Verharding bovengrondse tanks
Modelversie
verharding opstelplaats vulpunten
Modelversiedatum Tekeningversie
5000
64500
1
2
4000 8000
9895
Documentstatus Formaat
Modelleur(s)
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
MN001717
Q
1.0 30-10-2020 1.0 05-11-2020 Vrijgegeven 1189 x 841
SO Wegensteunpunten cluster 3, Scharendijke
Situatie Scharendijke
A0
E.C.L.A.Vermeulen
Besteknummer
4000 4600 4000
Projectleider
H.R. Schreurs
Vrijgegeven
GR van Manen
R SO-01-B
Divisie: GI Afdeling: IOB
Maatvoering Begane grond 3
gewijzigd door gecontroleerd door
Schaal
81100
schaal: 1 : 500
omschrijving
Identificatiecode
Opp: 180,00
Detail 1
P
17000
Uitbreiding opstelplaats 20%
4000
N
revisie overzicht
Versiedatum
R
M
Opp: 20,00
22000
8000
kantoor kantoor kantoor kantoor kantoor kantoor kantoor kantoor kantoor kantoor kantoor
Snelvulpunt
56500
Q
100,75 40,20 17,09 8,01 6,08 5,97 5,42 1,20 16,10 14,09 3,90 218,81
L
Opslag vuil water
4000
7 Manoevreer ruimte
4000
Opp: 680,00
5 Opstelplaats voertuigen
Reparatieplaats kantine + pantry Aanlandplekken/werkplekken Toiletgroep/MIVA Herentoilet Omkleedruimte Wasgelegenheid Werkkast Entree/tochtsluis Pallets big bags Stalling motorfietsen
Opp: 20,00
Opp: 20,00
4000
40000
6 Manoevreer ruimte
20,00 20,00 20,00 20,00 80,00
Oppervlaktes verharding/groenstrook
4000
P
Bouwdeel
Natzout CaCl2 33% Opslag schoon water Opslag vuil water Snelvulpunt
Natzout CaCl2 33%
110177
4000
114177
2500
4000 4000 4000 2000
15282
15177
N
Area
Postbus 2855 3500 GW Utrecht
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
BIM 360://MN001717 Wegensteunpunten cluster 3 Scharendijke en
24 4-11-2020 16:28:51
bestemmingsplan Wegensteunpunt Scharendijke (vastgesteld)
Bijlage 2 Vooronderzoek Flora en Fauna
58
Quickscan wet natuurbescherming wegensteunpunt Ellemeet
Concept
6 februari 2020
Kenmerk
R015-1266702JSF-V01-efm
Verantwoording Titel
Quickscan wet natuurbescherming Wegensteunpunten Ellemeet
Opdrachtgever
Rijkswaterstaat Corporate Dienst
Projectleider
Jordy Houkes
Auteur(s)
Jos Stofberg
Tweede lezer
Berto van Dam
Uitvoering meet- en inspectiewerk
Jos Stofberg
Projectnummer
1266702
Aantal pagina’s
22
Datum
6 februari 2020
Handtekening
Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.
Colofon Australiëlaan 5 Postbus 3015 3502 GA Utrecht T +31 30 28 24 82 4 E info.utrecht@tauw.com
Concept
Tauw bv
2/22
Kenmerk
R015-1266702JSF-V01-efm
Inhoud
2
3
4
Inleiding ..................................................................................................................................... 4 1.1
Doel .................................................................................................................................... 4
1.2
Wetgeving .......................................................................................................................... 4
1.3
Te beschouwen onderdelen Wnb ...................................................................................... 4
1.4
Werkwijze ........................................................................................................................... 5
1.5
Kwaliteit .............................................................................................................................. 5
1.6
Uitgangspunten .................................................................................................................. 5
Situatie en beoogde ontwikkeling .............................................................................................. 6 2.1
Huidige situatie................................................................................................................... 6
2.2
Beoogde ontwikkeling ........................................................................................................ 7
Beschermde houtopstanden...................................................................................................... 8 3.1
Inleiding .............................................................................................................................. 8
3.2
Toetsing Wet Natuurbescherming...................................................................................... 8
3.3
Toetsing Algemene Plaatselijke Verordening (APV) .......................................................... 8
3.4
Conclusie en vervolg .......................................................................................................... 9
Soortenbescherming ............................................................................................................... 10 4.1
Beschermingsregime en bepalingen ................................................................................ 10
4.2
Vrijstellingen ..................................................................................................................... 10
4.3
Zorgplicht ......................................................................................................................... 11
4.4
Literatuuronderzoek ......................................................................................................... 11
4.5
Effecten ............................................................................................................................ 12
4.5.1
Flora .......................................................................................................................... 12
4.5.2
Grondgebonden zoogdieren ..................................................................................... 12
4.5.3
Vleermuizen .............................................................................................................. 13
4.5.4
Broedvogels .............................................................................................................. 16
4.5.5
Amfibieën en reptielen .............................................................................................. 17
5
Conclusies en aanbevelingen.................................................................................................. 19
6
Literatuur ................................................................................................................................. 21
Concept
1
3/22
Kenmerk
R015-1266702JSF-V01-efm
1 Inleiding Dit hoofdstuk bevat achtergrondinformatie over het doel van de toetsing, de relevante natuurwetgeving, de wijze van kwaliteitsborging en de te hanteren uitgangspunten voor toetsing.
1.1
Doel
Rijkswaterstaat is voornemens om verspreid over Nederland verschillende wegensteunpunten te slopen, uit te breiden en/of nieuw te bouwen. In dit kader is door Tauw onderzoek gedaan naar de consequenties van de Wet natuurbescherming voor de locatie Ellemeet. De ontwikkeling kan alleen doorgaan als deze niet in strijd is met de natuurwetgeving, of als de benodigde vergunningen en/of ontheffingen kunnen worden verleend. In de rapportage volgt het antwoord op de volgende vragen: • Welke onderdelen van de Wet natuurbescherming (hierna te noemen Wnb) zijn van belang? • • •
1.2
In hoeverre is de beoogde ontwikkeling (mogelijk) strijdig met de Wnb? Zijn maatregelen en/of een ontheffing/vergunning nodig? Wat betekent dit voor de verdere planvorming en uitvoering?
Wetgeving
Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (hierna te noemen “Wnb”) in werking. De Wnb is het nieuwe wettelijke stelsel voor natuurbescherming en vervangt drie tot dan bestaande wetten, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Het beschermingsregime gaat uit van het “nee, tenzij-principe“. Dit betekent dat de genoemde verbodsbepalingen in de Wnb voor bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden altijd gelden. Het afwijken hiervan is alleen onder voorwaarden toegestaan. Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Zeeland is het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een vergunning, ontheffing of vrijstelling.
1.3
Te beschouwen onderdelen Wnb
Het is noodzakelijk om de ontwikkeling te toetsen aan soortenbescherming vanwege de mogelijke aanwezigheid van flora en fauna. Een toetsing aan beschermde houtopstanden is eveneens nodig vanwege de aanwezigheid van een houtopstand die mogelijk wordt gekapt.
Natura 2000-gebied. Het plangebied ligt op korte afstand van meerdere Natura 2000 gebieden, namelijk: Kop van Schouwen (250 meter), Grevelingenmeer (375 meter), Voordelta (375 meter) en Oosterschelde (3,5 kilometer). Kop van Schouwen is een stikstofgevoelig gebied. Zodra de exacte werkzaamheden duidelijk moet nader getoetst worden of een stikstofberekening uitgevoerd moet worden. Een effect door licht, geluid, trilling of optische verstoring is niet te verwachten,
Concept
Het plangebied ligt niet binnen beschermde natuurgebieden zoals het Natuurnetwerk Nederland of
4/22
Kenmerk
R015-1266702JSF-V01-efm
omdat het plangebied op relatief grote afstand van omliggende Natura 2000 gebieden ligt. Nadere toetsing als er concrete plannen zijn is nodig.
1.4
Werkwijze
De mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten is bepaald aan de hand van de volgende gegevens: • Regionale en landelijke verspreidingsatlassen en -data (zie ook H6) • • •
Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) Natuurkaart van Tauw (https://www.tauw.nl/op-welk-terrein/ecologie/ecoviewer.html) Een oriënterend veldbezoek op 7 januari 2020
Het doel van de literatuurstudie is om na te gaan welke beschermde soorten in of in de omgeving van het plangebied kunnen voorkomen. De ecoloog controleert tijdens het oriënterende veldbezoek of de locatie voldoet aan eisen die soorten aan hun leefomgeving stellen. Ook kijkt de ecoloog naar aanwijzingen van de aanwezigheid (zichtwaarnemingen en sporen van terreingebruik, zoals holen, uitwerpselen, haren, prooi- of voedselresten).
1.5
Kwaliteit
Voor soortenbescherming is een volledige garantie over de aanwezigheid niet te geven. Door inzet van deskundige ecologen en landelijk geaccepteerde onderzoeksmethodes wordt de kwaliteit van het onderzoek zoveel mogelijk gewaarborgd. Mede in dit kader is Tauw aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus, een samenwerkingsverband van adviesbureaus die ecologisch advies geven en ecologisch onderzoek verrichten.
1.6
Uitgangspunten
De volgende uitgangspunten zijn van toepassing op de beoogde ontwikkeling: • Het is nog niet bekend welke werkzaamheden worden uitgevoerd en ontwikkelingen plaatsvinden. Het uitgangspunt van deze natuurtoets is daarom een worst-case scenario. Dat
•
Tijdens of ten behoeve van de werkzaamheden wordt er geen gebruik gemaakt van kunstmatige lichtbronnen. Als dit wel nodig is, dan vindt er geen uitstraling plaats naar bomen, gebouwen en watergangen
Concept
•
wil zeggen dat mogelijk alle eventueel aanwezige beschermde natuurwaarden verdwijnen uit het plangebied De werkzaamheden vinden tussen zonsopkomst en zonsondergang plaats
5/22
Kenmerk
R015-1266702JSF-V01-efm
2 Situatie en beoogde ontwikkeling Dit hoofdstuk bevat achtergrondinformatie over de huidige situatie, het voorgenomen plan en de uit te voeren werkzaamheden.
2.1
Huidige situatie
Het onderzochte gebied is ruimer dan het plangebied waar mogelijk ontwikkelingen plaats gaan vinden. Het oostelijke gestippelde deel in figuur 2.1 is uit voorzorg meegenomen voor het geval ook dit terrein ontwikkeld wordt. Het plangebied bestaat uit twee grote gebouwen (zie nummer 1 en 2 in figuur 2.1), asfaltverharding, enkele overkappingen (zie nummer 3 in figuur 2.1), een zendmast en elektriciteitshuisjes. Binnen de hekken bevindt zich een grasstrook van twee meter breed en enkele bomen. Het terrein buiten de hekken bestaat uit een toegangsweg en een bosperceel met soorten waaronder eik en populier, met een ondergroei van voornamelijk braamstruiken en een kruidlaag. Het plangebied wordt begrensd door een smalle sloot begroeid met riet. Ten tijde van het onderzoek was de rietkraag gemaaid. Het kantoorgebouw heeft een bakstenen muur met stootvoegen. De zoutloods heeft een houten skelet en is voorzien van houten gevel- en dakplaten. Het gebouw wordt gebruikt voor de opslag van zout en materieel. Aan de oostkant van het plangebied wordt materieel opgeslagen. In figuur
Figuur 2.1 Ligging van het plangebied (globaal begrensd)
Concept
2.2 is een sfeerimpressie van het gebied opgenomen. Het plangebied wordt momenteel naast het dagelijkse gebruik als kantoorruimte en opslag van materieel, vooral ingezet voor de uitvoering van de gladheidsbestrijding op rijkswegen.
6/22
Kenmerk
R015-1266702JSF-V01-efm
Figuur 2.2 Impressie van het plangebied
2.2
Beoogde ontwikkeling
Concept
De beoogde ontwikkeling van het terrein is nog niet bekend. Daarom gaan we uit van een worst case scenario, waarbij alle eventuele ecologische functies verloren gaan. Als de plannen bekend zijn is een concrete toetsing nodig.
7/22
Kenmerk
R015-1266702JSF-V01-efm
3 Beschermde houtopstanden 3.1
Inleiding
Het onderdeel houtopstanden in de Wnb bevat regels ter bescherming van houtopstanden, waarmee wordt bijgedragen aan de instandhouding van het Nederlandse bosareaal. Het is van toepassing op ‘houtopstanden’ buiten de ‘bebouwde kom Boswet’. Het is niet toegestaan een houtopstand te vellen zonder voorafgaande melding aan het bevoegd gezag. Ook geldt de verplichting om gevelde bomen te herplanten (herplantplicht). Binnen de ‘bebouwde kom Boswet’ worden regels gesteld in de APV van gemeenten, bv. in een omgevingsvergunning voor het kappen van bomen. De APV kan ook buiten de bebouwde kom van toepassing zijn.
3.2
Toetsing Wet Natuurbescherming
Het onderdeel houtopstanden geldt voor houtopstanden > dan 0,1 ha en bomenrijen van > 20 bomen die buiten de bebouwde kom boswet liggen. In het plangebied is een beschermde houtopstand aanwezig zoals bedoeld onder de Wnb. Het plangebied is namelijk gelegen buiten de bebouwde kom boswet (zie figuur 3.1). Daarbij is het bosperceel met ruwweg twee hectare > 0,1 hectare.
3.3
Toetsing Algemene Plaatselijke Verordening (APV)
Figuur 3.1 Ligging van het plangebied ten opzichte van de bebouwde kom grenzen Boswet
Concept
Er is geen vergunning nodig voor het kappen van bomen op eigen grond en er staan geen waardevolle bomen op het terrein zoals bepaald door de bomenstichting.
8/22
Kenmerk
3.4
R015-1266702JSF-V01-efm
Conclusie en vervolg
Voor het kappen van (delen van) het bosperceel is een melding nodig bij het bevoegd gezag (provincie Zeeland). Bij deze melding is een boominventarisatie nodig waarin het aantal, soort, stamdiameter en conditie van de bomen wordt gedocumenteerd. Bevoegd gezag kan herplant van
Concept
gevelde bomen eisen.
9/22
Kenmerk
R015-1266702JSF-V01-efm
4 Soortenbescherming In dit hoofdstuk volgt antwoord op de vraag de beoogde activiteiten schade op beschermde flora en fauna tot gevolg (kunnen) hebben.
4.1
Beschermingsregime en bepalingen
Het onderdeel soortenbescherming onder de Wnb heeft bepalingen opgenomen voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten. Het gaat onder meer om soorten die in Nederland, maar ook in Europa in hun voortbestaan worden bedreigd. De Wnb kent drie beschermingsregimes: •
Vogels: Het gaat hier om alle inheemse vogels in hun natuurlijk verspreidingsgebied. Ze zijn beschermd via de vogelrichtlijn Dieren en planten: Het gaat hier om inheemse dieren en planten, die zijn beschermd via de
•
Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn Nationale soorten: Het gaat hier om soorten, die niet onder de reikwijdte van de Vogel- of Habitatrichtlijn vallen. Deze soorten zijn wel nationaal beschermd
•
Per beschermingsregime geldt een aantal verbodsbepalingen. Hier is ook een beschrijving opgenomen onder welke voorwaarden een bevoegd gezag ontheffing of vrijstelling kan verlenen. Tabel 4.1 is een samenvatting van de verbodspalingen. Ze voorzien in een bescherming van verblijfplaatsen, evenals de bescherming tegen verstorende invloeden. Gedeputeerde Staten van provincie Zeeland kan een ontheffing verlenen van de verboden als genoemd in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10.
4.2
Vrijstellingen
In de Wnb is een aantal algemene soorten amfibieën en zoogdieren beschermd onder de categorie “Nationale soorten”, zoals gewone pad, bruine kikker en konijn. Provincie Zeeland heeft bevoegdheid om bij verordening deze soorten “vrij te stellen” van de ontheffingsplicht . Dit betekent dat geen ontheffing nodig is voor werken gericht op ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en beheer en onderhoud. Vrijgestelde soorten zijn niet meegenomen in deze toetsing. Bunzing, wezel en hermelijn zijn echter wel meegenomen in deze rapportage. Deze soorten worden in de toekomst waarschijnlijk weer beschermd als “Nationale soort”.
Verbodsbepaling
A
B
C
D
E
Vogels Vrl
Dieren
Planten
Dieren
Planten
Hrl/
Hrl/
(‘nationaal’)
(‘nationaal’)
Bonn/Bern
Bonn/Bern
Dieren of planten: Doden of vangen
3.1.1
3.5.1
Storen/verstoren
3.1.4 (tenzij
3.5.2
3.1.5)
3.10.1.a
Concept
Tabel 4.1 Verbodsbepalingen soortenbescherming onder de Wnb
10/22
Kenmerk
R015-1266702JSF-V01-efm
A
B
Plukken, verzamelen, afsnijden,
C
D
3.5.5
E 3.10.1.c
ontwortelen of vernielen Onder zich hebben of vervoeren
3.2.6
3.6.2
3.6.2
Plaatsen: Vernielen, beschadigen of wegnemen
3.1.2
nesten Beschadigen of vernielen
3.5.4
voortplantingsplaatsen Beschadigen of vernielen rustplaatsen
3.10.1.b (vaste vp)
3.1.2
3.5.4
3.10.1.b (vaste rp)
Eieren: Vernielen (of –Vrl- beschadigen)
3.1.2
3.5.3
Rapen
3.1.3
3.5.3
Onder zich hebben
3.1.3
Toelichting: Codes verwijzen naar wetsartikelen Wet natuurbescherming. Oranje
verbodsbepaling geldt alleen wanneer sprake is van opzet.
Rood
verbodsbepaling geldt in alle gevallen, ook wanneer geen sprake is van opzet.
4.3
Zorgplicht
De zorgplicht (artikel 1.11 van de Wnb) houdt in dat handelingen, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor in het wild levende dieren en planten achterwege worden gelaten. Als zich mogelijk negatieve effecten voordoen, dan treft de initiatiefnemer noodzakelijke maatregelen om die gevolgen te voorkomen of zo veel mogelijk te beperken/ongedaan te maken. Het betreft alle in het wild levende dieren en planten. De zorgplicht dient onder meer als vangnet voor de bescherming van soorten waarvoor op grond van de Wnb geen specifiek verbod geldt. De zorgplicht is daarnaast van toepassing op beschermde gebieden.
4.4
Literatuuronderzoek
In tabel 4.2 zijn soorten opgenomen waarvan op basis van verspreidingsgegevens niet kan worden uitgesloten dat ze in of in de nabijheid van het plangebied voorkomen. Het plangebied is ongeschikt voor de beschermde soorten uit de soortgroep vissen. Houting en kwabaal zijn soorten van stromend water of diepe meren. Geschikt habitat is voor deze soort niet aanwezig. Deze
Concept
soortgroep wordt om die reden niet verder behandeld in deze rapportage.
11/22
Kenmerk
R015-1266702JSF-V01-efm
Tabel 4.2 Soorten in de omgeving van het plangebied Soortgroep
Aanwezige soorten in omgeving
Flora
Glad biggenkruid, grote leeuwenklauw, knolspirea (3.10)
Grondgebonden zoogdieren
Noordse woelmuis (3.5), damhert, waterspitsmuis (3.10) bunzing, wezel, hermelijn (mogelijk toekomstig beschermd)
Vleermuizen
Baard/Brandt’s vleermuis, franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis, watervleermuis (3.5)
Vogels – algemene broedvogels
Diverse broedende algemene soorten (3.1)
Vogels jaarrond beschermd
Boomvalk, buizerd, gierzwaluw, havik, huismus, kerkuil, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief, ooievaar (3.1)
Amfibieën en reptielen
Boomkikker, heikikker, rugstreeppad (3.5), levendbarende hagedis (3.10)
Vlinders, libellen en overige ongewervelden
4.5
Effecten
4.5.1
Flora
n.v.t.
Het plangebied behoort tot de kalkrijke poldervaaggronden. Deze gronden bevatten veel klei. Glad biggenkruid is een soort van zandgronden, zoals de nabijgelegen duinen. De soort komt niet voor in het plangebied en is hier uitgesloten. Grote leeuwenklauw kan op verschillende bodemtypen groeien en staat langs slootkanten, bermen en akkers. Een waarneming is bekend op ongeveer 300 meter ten zuiden van het plangebied op een campingveld. Om de aan- of afwezigheid van deze soort vast te stellen is er onderzoek nodig in mei wanneer de soort in bloei staat. Knolspirea staat vooral op zonnige, matig voedselrijke, leem, löss of mergelbodems. De soort wordt niet direct in het plangebied verwacht, maar is op 50 meter in vergelijkbaar habitat als het plangebied waargenomen. Om de aan- of afwezigheid van deze soort vast te stellen is er onderzoek nodig in juni wanneer de soort in bloei staat. Het voornemen kan mogelijk tot gevolg hebben dat groeiplaatsen van grote leeuwenklauw en knolspirea worden vernietigd.
plangebied. Ook de aanwezigheid van hermelijn en bunzing kan niet worden uitgesloten. Deze soorten kunnen in diverse habitats voorkomen. Noordse woelmuis is gevoelig voor concurrentie met andere woelmuizen. Hij kan goed overleven op eilandjes, waar hij vaak als enige woelmuis voorkomt. Op Schouwen-Duiveland komen geen aardmuizen voor (Bekker, 2010 en NDFF, 2020). Noordse woelmuis wordt hier in uiteenlopend atypisch habitat gevonden, zoals karrevelden,
Concept
4.5.2 Grondgebonden zoogdieren Wezel is in september 2016 gezien aan de rand van het plangebied (NDFF, 2020). Deze soort van halfopen omgeving kan een verblijfplaats en (essentieel) leefgebied vinden in het bos in het
12/22
Kenmerk
R015-1266702JSF-V01-efm
inlagen, akkerranden en vochtige duinvaleitjes (Bekker, 2010). De aanwezigheid van noordse woelmuis kan op basis van habitat en verspreiding niet worden uitgesloten. Damhert komt voor in de duinen op aanzienlijke afstand van het plangebied. Het is mogelijk dat er incidenteel een damhert in het plangebied aanwezig is, maar essentieel leefgebied is uitgesloten. Sinds 1992 zijn er geen waarnemingen van waterspitsmuis gedaan op Schouwen-Duiveland (NDFF, 2020). Geschikt habitat voor de waterspitsmuis zijn ruig begroeide oevers, schoon water met een goed ontwikkelde watervegetatie. De sloot en de oevers in het plangebied hebben weinig vegetatie en worden intensief beheerd. De aanwezigheid van waterspitsmuis is daarom uitgesloten. Om een effect op bunzing, wezel, hermelijn en noordse woelmuis uit te kunnen sluiten is nader onderzoek nodig. Het effect van de ingreep op deze soorten kan verlies van (essentieel) leefgebied of verblijfplaatsen zijn. Ook kunnen exemplaren worden gedood of verwond. Een effect op overige soorten is uitgesloten. 4.5.3 Vleermuizen Hoewel vleermuizen zoogdieren zijn, worden deze vanwege hun afwijkende eigenschappen als afzonderlijke groep behandeld. Er zijn drie typen leefgebied van vleermuizen te onderscheiden: verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes.
Verblijfplaatsen bevinden zich, afhankelijk van de soort, in woningen, andere bouwwerken en/of in bomen. Foerageergebieden zijn groen- of waterstructuren zoals struweel, bomenrijen en watergangen. Vliegroutes worden gevormd door lijnvormige elementen zoals bomenrijen, randen van bebouwing en watergangen. Verblijfplaatsen Paar- en winterverblijfplaatsen van tweekleurige vleermuis, meervleermuis, brandt’s/baardvleermuis en franjestaart zijn voor zowel bomen als gebouwen uitgesloten, want deze soorten overwinteren in bunkers, grotten, oude steenfabrieken, vestingwerken, ondergrondse ruimtes en ijskelders of in het geval van de tweekleurige vleermuis niet in Nederland (Dietz & Kiefer, 2017). Verblijfplaatsen van vleermuizen bevinden zich mogelijk in het kantoorgebouw, de zoutloods en de bomen buiten de omheining. De gevel van het kantoorgebouw bevat ventilatievoegen die toegang geven tot de spouw (zie figuur 4.1). In de spouwmuur vinden vleermuizen mogelijk een zomer-, kraam-, paar- of winterverblijf. Het kantoor heeft slechts twee muren die spouwgaten bevatten. Door de beperkte omvang van het gebouw is een massawinterverblijf uitgesloten.
predatoren om geschikt te zijn als kraamverblijfplaats. Mogelijke verblijfplaatsen bieden onvoldoende temperatuurbuffer om dienst te doen als winterverblijfplaats. In een soortgelijke zoutloods in Hengelo is een gewone grootoorvleermuis aangetroffen (Tauw, 2019). De gebouwen zijn geschikt voor soorten als baard/Brandt’s vleermuis, franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, ruige dwergvleermuis en tweekleurige vleermuis.
Concept
De zoutloods biedt vleermuizen een geschikte zomerverblijfplaats of paarverblijfplaats tussen de kieren van het houtwerk en/of hangplekken onder het dak. Deze verblijfplaatsen bieden onvoldoende ruimte om weg te kruipen en hangplekken bieden te weinig bescherming tegen
13/22
Kenmerk
R015-1266702JSF-V01-efm
Figuur 4.1 Gevel van het kantoorgebouw
De bomen binnen de omheining bevatten geen geschikte holtes voor vleermuizen. De bomen buiten de omheining bevatten echter wel geschikte holtes. Het merendeel van de bomen zijn bekeken en de holtes zijn verspreid in diverse bomen in de houtopstand aanwezig. Enkele holtes langs de toegangsweg zijn met een ladder en een zaklamp bekeken. Deze holtes zijn diep en lopen ver omhoog in de stam. Deze holtes zijn geschikt als zomer-, kraam-, paar- en winterverblijfplaats voor de boombewonende soorten gewone grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis. De holtes zijn geschikt als zomer- en kraamverblijfplaats voor baard/Brandt’s vleermuis en franjestaart. Van de overige holtes is niet bekend of en voor welke functie/soort ze geschikt zijn. Een nadere holte inspectie kan uitsluitstel geven. Vliegroutes en foerageergebieden In het plangebied zijn enkele elementen aanwezig die mogelijk als vliegroute en foerageergebied
vliegroute vanaf de bebouwde kom van Ellemeet richting de duinen of richting de Brouwersdam. Het is bekend dat de Nederlandse kustlijn wordt gebruikt als migratieroute door ruige dwergvleermuis. Mogelijk trekken de vleermuizen gedeeltelijk door het binnenland langs het plangebied. Vleermuizen vermijden doorgaans terreinen die door kunstmatig licht worden beïnvloed. Door het aanbrengen of aanpassen van kunstmatige lichtbronnen en/of het kappen van
Concept
gebruikt worden. De oprijlaan naar het wegensteunpunt is een mogelijke vliegroute in het plangebied. Vleermuizen in een mogelijk verblijf in één van de gebouwen op het terrein kunnen hier gebruik van maken. Daarnaast kan de oost- en westrand van het bosje gebruikt worden als
14/22
Kenmerk
R015-1266702JSF-V01-efm
bomen kunnen onderdelen van het leefgebied van vleermuizen worden aangetast. Als het voornemen en lichtplan bekend is kan worden bekeken wat de effecten zijn op vliegroutes en foerageergebieden. Als er effecten zijn kunnen er maatregelen worden genomen of is mogelijk een ontheffing vereist. Het voornemen heeft mogelijk de vernietiging van verblijfplaatsen, vliegroutes of foerageergebieden tot gevolg. Ook kunnen exemplaren worden gedood of verwond. Nader onderzoek moet de aan- of afwezigheid van alle mogelijke functies (zie tabel 4.3) aantonen. Tabel 4.3 Mogelijke vleermuisfuncties binnen het plangebied Type verblijfplaats*
Deelgebied(en)**
Vleermuissoorten
Zomerverblijf in gebouw
Kantoorgebouw
Gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis,
Zoutloods
kleine dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, ruige dwergvleermuis, baard/Brandt’s vleermuis, franjestaart, tweekleurige vleermuis.
Paarverblijf in gebouw
Kraamverblijf in gebouw
Kantoorgebouw
Gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis,
Zoutloods
kleine dwergvleermuis, laatvlieger, ruige dwergvleermuis.
Kantoorgebouw
Gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, baard/Brandt’s vleermuis, franjestaart, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis.
Winterverblijf in gebouw
Kantoorgebouw
Gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, ruige dwergvleermuis.
Massawinterverblijf in
n.v.t.
Uitgesloten
Bomen buiten hek
Gewone grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, rosse
gebouw (alleen gewone dwergvleermuis) Zomerverblijf in boom
vleermuis, ruige dwergvleermuis, watervleermuis, baard/Brandt’s vleermuis, franjestaart. Paarverblijf in boom
Bomen buiten hek
Kraamverblijf in boom
Bomen buiten hek
Gewone grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, watervleermuis. Gewone grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, watervleermuis, baard/Brandt’s vleermuis, franjestaart.
Winterverblijf in boom
Bomen buiten hek
Gewone grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, rosse
Foerageergebied
Alle deelgebieden
Alle genoemde soorten.
Vliegroute
Alle deelgebieden
Alle genoemde soorten.
Concept
vleermuis, ruige dwergvleermuis, watervleermuis.
15/22
Kenmerk
4.5.4
R015-1266702JSF-V01-efm
Broedvogels
Vogels met jaarrond beschermde nesten De nesten van deze soorten zijn het hele jaar beschermd, evenals de functionele leefomgeving rondom het nest. In de bomen ten noorden van het wegensteunpunt zijn drie nesten gevonden die gebruikt kunnen worden door boomvalk, ransuil, sperwer, buizerd en havik. De nesten zijn te klein voor ooievaar. Tijdens het veldbezoek is een langsvliegende buizerd gezien. Wespendief komt alleen voor in omvangrijke bossen. Er zijn te weinig nesten aanwezig voor een koloniebroeder zoals roek. Nesten van deze soort kunnen echter in de winter uitwaaien. Kolonies van roek zijn niet bekend op Schouwen-Duiveland (Sovon, 2018) en zijn daarom uitgesloten. De slechtvalk en ooievaar kunnen mogelijk broeden in de zendmast bij de ingang van het terrein, maar in de mast zijn geen nesten aangetroffen. Er zijn geen geschikte verblijfplaatsen aanwezig voor gierzwaluw. Hoewel ze soms kunnen broeden in spouwgaten, zijn de gaten in het kantoorgebouw te klein voor deze soort. Huismus kan eventueel een verblijfplaats vinden in de zoutloods. Huismus is een cultuurvolger. Binnen kleine afstand (100 á 200 meter) van de verblijfplaats moet een huismus alles kunnen vinden wat nodig is om succesvol te broeden en te overwinteren, zoals voedsel, dekking, water en struiken.
Dit is allemaal op het terrein van het wegensteunpunt en het “Resort Land & Zee” vlakbij het plangebied te vinden. Aanwezigheid van huismus is daarom niet uit te sluiten. In de zoutloods ligt een grote hoeveelheid braakballen. De aanwezigheid van een roestplek van kerkuil is zeer aannemelijk, omdat een veer van kerkuil is gevonden (zie figuur 4.1). De meeste braakballen waren fors wat duidt op kerkuil, maar er liggen ook kleine braakballen. Hoewel het leefgebied van steenuil voornamelijk klein cultuurlandschap is, is de aanwezigheid van steenuil niet uit te sluiten. In het dak van de zoutloods zijn meerdere nesten aangetroffen. Op de grond liggen als gevolg hiervan veel takken. De grote hoeveelheid takken is waarschijnlijk aangesleept door kauwen die nesten hebben onder het dak. Door de grote hoeveelheid aangesleepte takken onder het dak ontstaat er een mogelijkheid voor kerkuilen om te nestelen. Door het voornemen verdwijnt tevens mogelijk essentieel foerageergebied voor steenuil en kerkuil in de vorm van de bosschages. Om de functie van het plangebied voor kerkuil, steenuil, ransuil, boomvalk, sperwer, buizerd en
Concept
havik vast te stellen is nader onderzoek nodig. Het voornemen heeft mogelijk de vernietiging van verblijfplaatsen of leefgebieden tot gevolg. Ook kunnen exemplaren worden gedood of verwond. De aanwezigheid van en een effect op de overige soorten is uitgesloten.
16/22
Kenmerk
R015-1266702JSF-V01-efm
Figuur 4.2 Veer van kerkuil (links) en braakballen en krijtstrepen in de zoutloods (rechts)
Tijdens het broedseizoen beschermde vogels De nesten van deze soorten zijn beschermd als ze als broedlocatie in gebruik zijn. Bij het oriënterende veldbezoek zijn geschikte nesten van broedvogels aangetroffen in de struiken en bomen en in vogelkastjes aan de gebouwen. Vogels kunnen gedurende het gehele jaar tot broeden komen. Het is daarom zaak om hier voorafgaand aan het werk rekening mee te houden. De kans op een broedgeval is het grootst in de periode maart t/m juli (dit wordt wel gezien als het reguliere broedseizoen). Een (periodieke) controle op nesten van broedvogels is voorafgaand aan de werkzaamheden noodzakelijk om overtreding van de wet te voorkomen. Indien een broedgeval aanwezig is, dient een verstoringsvrije zone te worden aangehouden, waarbinnen gedurende de periode van broeden niet wordt gewerkt. De breedte van deze zone dient door een ter zake kundige te worden bepaald. 4.5.5
Amfibieën en reptielen
De bekende populaties amfibieën en reptielen in de omgeving van het plangebied komen voornamelijk voor in de duinen (NDFF, 2020). Boomkikker komt uitsluitend in de duinen voor. Binnen het plangebied is geen geschikt habitat voor deze kritische soort aanwezig. Er zijn geen