CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

1066746 Bijlage 20 Bijlagen bij de toelichting Bijlage 17 Voortoets Stikstof

Gemeenteraad 20 juni 2024, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: RVS Vaststellen bestemmingsplan 'Hoogspanningsstation Zierikzee + herziening buitengebied (kabeltracés) (1066746)24.986 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Voortoets stikstof hoogspanningsstation Zierikzee Netversterking SchouwenDuiveland

projectnummer 0476754 definitief revisie 2.0 7 december 2023 TenneT projectnummer: 003.004.20 TenneT documentnummer: 003.004.20 1182259 TenneT revisienummer: 2.0 Tennet documentstatus: definitief

www.anteagroup.nl

Voortoets stikstof hoogspanningsstation Zierikzee Netversterking Schouwen-Duiveland projectnummer 0476754 definitief revisie 2.0 7 december 2023

Auteurs A.H.P. Martinus

Opdrachtgever TenneT TSO B.V. Postbus 428 6800 AK ARNHEM

Gecontroleerd C. Schellingen

datum 7 december 2023

beschrijving

vrijgave M. Scholten

datum 7 december 2023 projectnummer 0476754 betreft Voortoets stikstof hoogspanningsstation Zierikzee

Inhoudsopgave 1.

Inleiding

5

1.1 1.2 1.3 1.4

Aanleiding Doel Werkwijze en uitgangspunten Leeswijzer

5 6 6 8

2.

Analyse resultaten AERIUS-berekening

9

3.

Toetsing Natura 2000-gebied Grevelingen

13

3.1 3.1.1 3.1.2 3.1.3 3.1.4 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8 3.9 3.10

Afbakening relevante instandhoudingsdoelstellingen Habitattypen Habitatrichtlijnsoorten Vogelrichtlijnsoorten – broedvogels Vogelrichtlijnsoorten – niet-broedvogels H1330B Schorren en zilte graslanden (binnendijks) H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk) H1903 Groenknolorchis A081 Bruine kiekendief A130 Scholekster A137 Bontbekplevier A138 Strandplevier A193 Visdief A162 Tureluur

13 14 15 15 15 16 18 20 20 21 21 22 22 22

4.

Toetsing Natura 2000-gebied Oosterschelde

24

4.1 4.1.1 4.1.2 4.1.3 4.1.4 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12

Afbakening relevante instandhoudingsdoelstellingen Habitattypen Habitatrichtlijnsoorten Vogelrichtlijnsoorten – broedvogels Vogelrichtlijnsoorten – niet-broedvogels H1310A Zilte pionierbegroeiingen (zeekraal) H1320 Slijkgrasvelden H1330A Schorren en zilte graslanden (buitendijks) H1330B Schorren en zilte graslanden (binnendijks) A081 Bruine kiekendief A137 Bontbekplevier A138 Strandplevier A193 Visdief A130 Scholekster A142 Kievit A162 Tureluur

24 24 25 25 26 27 28 30 31 32 32 33 33 33 34 34

5.

Cumulatie

35

6.

Conclusie

36

7.

Bronnen

37

Bijlage 1 Natuurtoets

38

Bijlage 2 Rapportage bij de stikstofberekening

39

datum 7 december 2023 projectnummer 0476754 betreft Voortoets stikstof hoogspanningsstation Zierikzee

Bijlage 3 Wijzigingen kritische depositiewaarden

40

Bijlage 4 Kaarten met berekende projectbijdragen

43

Bijlage 5 Tabellen met berekende projectbijdragen

45

blad 4 van 59

datum 7 december 2023 projectnummer 0476754 betreft Voortoets stikstof hoogspanningsstation Zierikzee

1.

Inleiding

1.1

Aanleiding TenneT TSO B.V. (hierna TenneT) heeft Antea Group opdracht gegeven voor het uitvoeren van een stikstofdepositie-onderzoek ten behoeve van de vergunningverlening voor het project Hoogspanningsstation Zierikzee. TenneT is voornemens een nieuw 150 kV/21 kV-station (Hoogspanningsstations = HS) nabij Zierikzee te realiseren. Dit station, een station nabij Halsteren, het kabeltracé tussen beide stations, de inlussing van het station Halsteren en de aansluiting van transformatorstation Tholen zijn onderdeel van het TenneT-project Netversterking Schouwen-Duiveland. TenneT dient zorg te dragen voor een robuust en toekomstbestendig nationaal elektriciteitsnet. Samen met de regionale netbeheerder van Zeeland (Stedin) en West-Brabant (Enexis) heeft TenneT studies uitgevoerd en voorstellen uitgewerkt. Het voornemen is om de knelpunten op te lossen en ruimte te maken op het elektriciteitsnet. Deze studies en daarbij behorende keuzes zijn tot stand gekomen in overleg met de provincie Zeeland, de provincie Noord-Brabant en met de betrokken gemeenten: Schouwen-Duiveland, Tholen en Bergen op Zoom. De gekozen oplossing omvat het realiseren van de volgende projecten: 1. Een hoogspanningsstation (380 kV / 150 kV / 20 kV) in de buurt van de bestaande 380 kV hoogspanningslijn nabij Halsteren; 2. Een hoogspanningsstation (150 kV / 21 kV) nabij Zierikzee; 3.

Een ondergrondse hoogspanningsverbinding (150 kV) tussen de nieuwe hoogspanningsstations nabij Halsteren en Zierikzee via Tholen; 4. De inlussing van hoogspanningsstation Halsteren op de bestaande 380 kV-lijn Rilland-Geertruidenberg; 5. En de aansluiting van transformatorstation Tholen. Het hoogspanningsstation Zierikzee tezamen met de het kabeltracé naar Halsteren en Tholen zijn niet onlosmakelijk verbonden met de overige activiteiten binnen het project Netversterking Schouwen-Duiveland, zijnde de aanleg van het station Halsteren en de inlussing daarvan. Hierdoor kunnen deze drie onderdelen als losstaand project worden gezien in relatie tot de Wet natuurbescherming. Uit de Natuurtoets (Bijlage 1) in het kader van hoogspanningsstation Zierikzee is naar voren gekomen dat wat betreft effecten op Natura 2000-gebieden, effecten van stikstofdepositie niet op voorhand kunnen worden uitgesloten. Om inzicht te krijgen in de stikstofdepositiebijdrage van de aanleg van het hoogspanningsstation Zierikzee met de bijbehorende ondergrondse hoogspanningsverbinding (150 kV) tussen de hoogspanningsstations Zierikzee en Halsteren is een AERIUS-berekening uitgevoerd (kenmerk: S3ETtTESMKsX). De ecologische effecten van de uitkomsten van deze berekening worden in voorliggende rapportage bepaald en -beoordeeld. De berekening is onderdeel van het stikstofrapport (Bijlage 2).

blad 5 van 59

datum 7 december 2023 projectnummer 0476754 betreft Voortoets stikstof hoogspanningsstation Zierikzee

Figuur 1.1: Ligging projectgebied (donkere lijnen) ten opzichte van omliggende N2000-gebieden

1.2

Doel In deze voortoets wordt onderzocht of er sprake is van een projectbijdrage ter plekke van een stikstofgevoelig habitattype of stikstofgevoelig leefgebied van een habitat-of vogelsoort dat zich in een (naderend) overbelaste situatie bevindt. Als dat niet het geval is, kan worden geconcludeerd dat een toename van stikstofdepositie niet leidt tot significante gevolgen. Wanneer wel sprake is van een projectbijdrage op (naderend) overbelaste hexagonen wordt met een ecologische analyse en beoordeling bepaald of significante gevolgen kunnen worden uitgesloten. Als dat niet het geval is, dienen vervolgstappen te worden genomen (bijvoorbeeld een passende beoordeling).

1.3

Werkwijze en uitgangspunten Kritische depositie waarde (KDW) De kritische depositie waarde wordt daarbij als volgt gedefinieerd: “De grens waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie” (Van Dobben et al. 2012). Stikstofdepositie kan daarom voor veel habitattypen een bedreiging vormen voor de kwaliteit. Om dit inzichtelijk te maken is voorliggende voortoets opgesteld.

blad 6 van 59

datum 7 december 2023 projectnummer 0476754 betreft Voortoets stikstof hoogspanningsstation Zierikzee

Huidige stikstofbelasting Ten gevolge van de activiteit is een toename in stikstofdepositie berekend op diverse Natura 2000-gebieden. In deze stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden in de ruimere omgeving van het projectgebied is in de huidige situatie sprake van een (deels) overbelaste situatie. Dat wil zeggen dat de huidige depositie boven de KDW (kritische depositie waarde) liggen. In deze voortoets worden de benamingen ‘niet overbelast’, ‘naderend overbelast’ en ‘overbelast’ gehanteerd voor habitattypen en leefgebieden. Deze benamingen hebben betrekking op het al dan niet overschrijden van de KDW. Voor de naderend overbelaste hexagonen waarop een projectbijdrage is berekend, wordt vastgesteld of de KDW wordt overschreden op basis van de reeds aanwezige stikstofdepositie (achtergrondwaarde) en de berekende projectbijdrage. Indien de KDW niet wordt overschreden, kunnen significante effecten van de berekende projectbijdrage op naderend overbelaste hexagonen op voorhand worden uitgesloten. Van een naderende overbelasting is sprake wanneer de achtergrondwaarde minder dan 70 mol/ha/jr onder de KDW ligt. Daar waar de KDW wordt overschreden, wordt gesproken van overbelast gebied. Daar waar de achtergrondwaarde meer dan 70 mol/ha/jr onder de KDW ligt, wordt de term ‘niet overbelast’ gehanteerd.

Basisinformatie en uitgangspunten Bij het opstellen van de voortoets zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:  De voortoets is gebaseerd op de uitkomsten van de AERIUS-berekening: De uitgangspunten voor de berekening zijn te vinden in de bijlagen van de stikstofrapportage (zie bijlage 2)  De oppervlakte van de habitattypen is bepaald op basis van de in de AERIUS-calculator ingetekende oppervlakten.  De analyse en beoordeling van stikstofgevoelige instandhoudingsdoelen (ISHD) wordt gebaseerd op de natuurdoelsanalyes (verder NDA genoemd), het profieldocument, het beheerplan en de PASgebiedsanalyse. De beschreven continuering van de beheermaatregelen wordt betrokken bij de beoordeling van de staat van instandhouding van het gebied.  Er wordt in de ecologische beoordeling van het stikstofeffect niet gekeken naar typische soorten. Bij het in beeld brengen van de gevolgen van de stikstofdepositie volstaat de toetsing aan de andere kwaliteitsaspecten (abiotische randvoorwaarden, vegetatietypen, structuur en functie) van een habitattype omdat deze (samen met het natuurbeheer) bepalend zijn voor de omstandigheden voor typische soorten. In dit geval kan worden volstaan met deze conclusie op de andere parameters die de kwaliteit van het habitattype bepalen en heeft er geen afzonderlijke toets voor typische soorten plaatsgevonden.

Voor de beschrijving van de actuele kwaliteit worden de typische soorten wel beschouwd.  Voor de stikstofgevoelige habitat- en vogelsoorten wordt het stikstofgevoelige leefgebied getoetst, zoals het begrensd is in AERIUS-calculator en toegeschreven is aan de desbetreffende soort in de Gebiedsanalyse. Dit houdt in dat wordt beoordeeld of het habitattype of leefgebied te maken heeft met een projectbijdrage op stikstofgevoelig habitat/leefgebied, of sprake is van een (naderende) overschrijding van de KDW en wordt beoordeeld of de betreffende soort ook daadwerkelijk gebruik van het gebied. Ten aanzien van de beoordeling van het stikstofeffect zijn de volgende uitgangspunten relevant in combinatie met de gebiedspecifieke beoordeling van het projecteffect op het instandhoudingsdoel:  Directe schade aan individuele planten, en daarmee aan vegetatietypen en habitattypen, en daarmee de leefgebieden van soorten. Als gevolg van dergelijke kleine (en tijdelijke) deposities zijn met zekerheid uitgesloten. De huidige concentraties van NH3, NOx en SO2 zijn in Nederland namelijk zo laag dat directe toxische schade aan planten (bijna) niet meer voorkomt. Dit effectmechanisme ten aanzien van atmosferische depositie van stikstof speelt daarom in Nederland geen rol (Smits & Bal, 2014).

 Kleine en tijdelijke deposities leiden niet tot meetbare veranderingen in groeisnelheid en vegetatiesamenstelling Dergelijke kleine en tijdelijke depositietoenames leiden niet tot een significante toename van de hoeveelheid stikstof in de plant, gerelateerd aan de hoeveelheid die een plant nodig heeft om te groeien. Om een beeld te krijgen van de vermestende invloed van een kleine depositietoename van 0,1 mol/ha is de volgende berekening illustratief:

blad 7 van 59

datum 7 december 2023 projectnummer 0476754 betreft Voortoets stikstof hoogspanningsstation Zierikzee

o o

o

o

een depositie van 0,1 mol N/ha komt overeen met 1,4 gram N per hectare; de productie van natuurlijke habitattypen loopt uiteen tussen 2.000 en 6.000 kg droge stof/ha/jaar1; het aandeel stikstof varieert tussen plantensoorten en omstandigheden: het drooggewicht van een plant bestaat gemiddeld voor 1,5% uit stikstof. Dit gemiddelde varieert van 0,5% bij houtachtige planten tot 5,0% bij peulvruchten2; voor de biomassaproductie van natuurlijke habitattypen is dus gemiddeld 30 tot 90 kg N/ha/jaar nodig. Dit komt overeen met circa 2.150 en 6.400 mol N/ha/jaar. Dit betreft de totale aanvoer van stikstof; dus ook vanuit bronnen naast atmosferische depositie zoals via grond- en oppervlaktewater, nalevering uit de bodem, mineralisatie van organisch materiaal en natuurlijke bemesting (via dieren of vee dat ingezet wordt bij natuurlijke begrazing); een eenmalige depositie van 0,1 mol/ha/jaar komt overeen met 0,002 en 0,005% van de jaarlijks benodigde hoeveelheid stikstof voor natuurlijke habitats. Ook wanneer deze dosis volledig ter beschikking komt aan de vegetatie (dus het uitspoelen van stikstof niet mee beschouwend), leidt dit niet tot meetbare veranderingen in groeisnelheid van individuele planten, en daarmee tot veranderingen in concurrentiepositie.

Een zeer tijdelijke en kleine toename van de depositie leidt dus niet tot meetbare verschillen in groeisnelheid van individuele planten. Daardoor ontstaan geen meetbare verschuivingen in de verhouding waarmee individuele soorten in de vegetatie voorkomen. Hieruit kan geconcludeerd worden dat een zeer tijdelijke kleine depositietoename van max 0,1 mol/ha/jr op een locatie waar de KDW wordt overschreden de kwaliteit van habitattypen en leefgebieden niet meetbaar aantast. In de navolgende hoofdstukken wordt nader ingegaan op de gebiedspecifieke situatie van de habitattypen en relevante leefgebieden die een stikstofbijdrage ondervinden ten gevolge van het project.

1.4

Leeswijzer      

In Hoofdstuk 2 volgt een eerste analyse van de resultaten van de AERIUS-berekening met afbakening van de relevante Natura 2000-gebieden waarop een projectbijdrage is berekend; In Hoofdstuk 3 volgt de ecologische beoordeling van de berekende projectbijdragen op Natura 2000gebied Grevelingen; In Hoofdstuk 4 volgt de ecologische beoordeling van de berekende projectbijdragen op Natura 2000gebied Oosterschelde; In Hoofdstuk 5 is cumulatie behandeld; In Hoofdstuk 6 volgt de conclusie; In Hoofdstuk 7 zijn de gebruikte bronnen vermeld.

Na Hoofdstuk 7 volgen de bijlagen:  Bijlage 1 is de Natuurtoets;  Bijlage 2 is de rapportage bij de stikstofberekening;  Bijlage 3 is een overzicht van de wijzigingen van de kritische depositiewaarden van 2023 ten opzichte van 2012;  Bijlage 4 is de kaartbijlage waarop de berekende projectbijdragen zijn weergegeven;  Bijlage 5 bevat tabellen met de berekende projectbijdragen.

1

Tolkamp, G.W., C.A. van den Berg, G.J. Nabuurs & A.F. Olsthoorn, 2006. Kwantificering van beschikbare biomassa voor bioenergie uit Staatsbosbeheerterreinen. Alterra, Wageningen. Alterra-rapport 1380. 2 https://www.nutrinorm.nl/nl-nl/Paginas/Hoofdelementen-Waarom-heeft-een-plant-stikstof-nodig.aspx#.XR4CmGaP6fg

blad 8 van 59

datum 7 december 2023 projectnummer 0476754 betreft Voortoets stikstof hoogspanningsstation Zierikzee

2.

Analyse resultaten AERIUS-berekening Uit de AERIUS-berekening (kenmerk: S3ETtTESMKsX) komt naar voren dat er sprake is van een stikstofdepositietoename op (naderend) overbelaste hexagonen van habitattypen van de Natura 2000-gebieden Grevelingen en Oosterschelde. Op de Natura 2000-gebieden ‘Brabantse Wal’, ‘Duinen Goeree & Kwade Hoek’, ‘Kop van Schouwen’, ‘KrammerVolkerak’, ‘Manteling van Walcheren’, ‘Voordelta’, ‘Voornes Duin’, ‘Westerschelde & Saeftinghe’ en ‘Yerseke en Kapelse Moer’ zijn geen depositietoenamen berekend op (naderend) overbelaste hexagonen. Tabel 2.1: Overzicht maximale projectbijdrage uit de AERIUS-berekening (kenmerk: S3ETtTESMKsX). Op de Natura 2000-gebieden Grevelingen en Oosterschelde is sprake van een projectbijdrage op (naderend) overbelaste hexagonen (oranje).

Natura 2000-gebied

Max. projectbijdrage per stikstofsituatie Niet overbelast

Naderend overbelast

Overbelast

Brabantse Wal L4030

0,00

Lg04

0,00

Lg09

0,00

Lg13

0,00

Lg14

0,00

Duinen Goeree & Kwade Hoek H1310A

0,00

H1310B

0,00

H1330A

0,00

H2110

0,00

H2120

0,00

H2130A

0,00

0,00

0,00

H2130B

0,00

0,00

0,00

H2130C

0,00

H2160

0,00

H2170

0,00

H2190Aom

0,00

H2190B

0,00

H2190C Lg12

0,00

0,00

0,00

0,00

0,00

0,00

0,00

H1310A

0,01

0,00

H1310B

0,00

H1330B

0,01

0,01

H2130A

0,00

0,00

H2160

0,01

H2170

0,01

H2190B

0,01

Grevelingen

0,01

0,01

0,01

0,00

0,00

Kop van Schouwen H1330A

0,00

H2110

0,00

blad 9 van 59

datum 7 december 2023 projectnummer 0476754 betreft Voortoets stikstof hoogspanningsstation Zierikzee

Natura 2000-gebied

Max. projectbijdrage per stikstofsituatie Niet overbelast

Naderend overbelast

Overbelast

H2120

0,00

0,00

0,00

H2130A

0,00

0,00

0,00

H2130B

0,00

0,00

0,00

H2130C

0,00

H2150

0,00

H2160

0,00

H2170

0,00

H2180A

0,00

H2180B

0,00

H2180C

0,00

0,00

0,00

0,00

0,00

H2190A

0,00

0,00

0,00

H2190B

0,00

0,00

H2190C

0,00

0,00

H6410 Lg12

0,00 0,00

0,00

Krammer-Volkerak H1310A

0,00

0,00

0,00

H1330B

0,00

0,00

0,00

H2160

0,00

H2170

0,00

H2190B

0,00

0,00

0,00

H6510A

0,00

0,00

0,00

H1330B

0,00

0,00

H2120

0,00

H2130A

0,00

Manteling van Walcheren

H2130B

0,00

0,00

0,00

0,00

H2130C

0,00

H2160

0,00

H2170

0,00

H2180A

0,00

H2180B

0,00

H2180C

0,00

0,00

0,00

H2190A H2190B

0,00

0,00 0,00

H2190C

0,00 0,00

0,00

Oosterschelde H1310A

0,09

0,01

0,01

H1320

0,22

0,01

0,01

H1330A

0,22

0,01

0,01

H1330B

0,02

0,01

0,01

blad 10 van 59

datum 7 december 2023 projectnummer 0476754 betreft Voortoets stikstof hoogspanningsstation Zierikzee

Natura 2000-gebied

Max. projectbijdrage per stikstofsituatie Niet overbelast

Naderend overbelast

Overbelast

H2130A H2160

0,00 0,00

H7140B H7210

0,00 0,00

0,00

Voordelta H2120

0,00

ZGH2110

0,00

ZGH2120

0,00

Voornes Duin H2120

0,00

H2130A

0,00

0,00

H2130C

0,00 0,00

H2160

0,00

H2170

0,00

H2180Ao

0,00

H2180B

0,00

H2180C

0,00

H2190Ae

0,00

H2190Aom

0,00

H2190B

0,00

Lg12

0,00

0,00

H1310A

0,00

0,00

H1320

0,00

0,00

0,00

H1330A

0,00

0,00

0,00

H1330B

0,00

0,00

0,00

0,00

0,00 0,00 0,00

Westerschelde & Saeftinghe

Yerseke en Kapelse Moer H1310A

0,00

0,00

0,00

H1330B

0,00

0,00

0,00

Uit tabel 2.1 blijkt voor de Natura 2000-gebieden dat:  Brabantse Wal - geen depositietoename berekend (alles 0,00 mol N/ha/jr)  Duinen Goeree & Kwade Hoek – geen depositietoename berekend (alles 0,00 mol N/ha/jr)  Grevelingen – projectbijdrage op (naderend) overbelaste hexagonen (max. 0,01 mol N/ha/jr)  Kop van Schouwen – geen depositietoename berekend (alles 0,00 mol N/ha/jr)  Krammer-Volkerak – geen depositietoename berekend (alles 0,00 mol N/ha/jr)  Manteling van Walcheren – geen depositietoename berekend (alles 0,00 mol N/ha/jr)  Oosterschelde – projectbijdrage op (naderend) overbelaste hexagonen (max. 0,01 mol N/ha/jr). Op niet overbelaste hexagonen maximale projectbijdrage van 0,22 mol N/ha/jr.  Voordelta – geen depositietoename berekend (alles 0,00 mol N/ha/jr)  Voornes Duin – geen depositietoename berekend (alles 0,00 mol N/ha/jr)  Westerschelde & Saeftinghe – geen depositietoename berekend (alles 0,00 mol N/ha/jr)  Yerseke en Kapelse Moer – geen depositietoename berekend (alles 0,00 mol N/ha/jr)

blad 11 van 59

datum 7 december 2023 projectnummer 0476754 betreft Voortoets stikstof hoogspanningsstation Zierikzee

Voor de bovengenoemde Natura 2000-gebieden zonder depositietoename en de instandhoudingsdoelen in tabel 2.1 met enkel een projectbijdrage op niet-overbelaste hexagonen zijn significante gevolgen al bij voorbaat zonder ecologische beoordeling uit te sluiten. Op de Natura 2000-gebieden Grevelingen en Oosterschelde zijn projectbijdragen berekend. In Hoofdstuk 3 wordt de projectbijdrage op het Natura 2000-gebied Grevelingen ecologisch beoordeeld. In Hoofdstuk 4 volgt de ecologische beoordeling van de projectbijdrage op het Natura 2000-gebied Oosterschelde.

blad 12 van 59

datum 7 december 2023 projectnummer 0476754 betreft Voortoets stikstof hoogspanningsstation Zierikzee

3.

Toetsing Natura 2000-gebied Grevelingen Beschrijving van het Natura 2000-gebied 2000 De Grevelingen is een voormalige zeearm gelegen tussen Goeree-Overflakkee en Schouwen-Duiveland. Het is sinds de afsluiting door de Deltawerken het grootste zoutwatermeer van Europa en bevat een aantal eilanden waar uitgestrekte, soortenrijke duinvalleibegroeiingen en zilte pioniergemeenschappen voorkomen, alsmede uitgestrekte oeverlanden (onder meer de Slikken van Flakkee) met zilte begroeiingen, graslanden, ruigten, struwelen en bos. Mede dankzij de geïsoleerde ligging van de eilanden (de voormalige zandplaten Hompelvoet, Veermansplaat, Kleine Veermansplaat, Grote en Kleine Stampersplaat) vormt de Grevelingen een van de belangrijkste leefgebieden voor de noordse woelmuis in Zuidwest-Nederland. Om verzoeting tegen te gaan werd in 1978 de Brouwerssluis aangelegd, die in de periode december-maart open staat en die tevens uitwisseling van visbestanden aan weerszijden mogelijk maakt. Het meer is nu relatief arm aan nutriënten en algen en het water is helder. Sinds seizoen 1999/2000 staat de sluis vrijwel permanent open. De Grevelingen is van uitzonderlijk belang voor visetende watervogels. Het heldere water speelt hierin waarschijnlijk een rol. Voor fuut en middelste zaagbek is dit het belangrijkste overwinteringsgebied in Nederland.

Ook voor kuifduiker, dodaars, lepelaar en kleine zilverreiger is het gebied van grote betekenis, terwijl geoorde futen zich in de nazomer verzamelen tot een groeiende ruiconcentratie met internationale aantrekkingskracht en een voor Nederland verder ongekende omvang. Ook voor de brilduiker, benthos/viseter, is de Grevelingen het belangrijkste overwinteringsgebied. Terwijl de kleinere en kustgebonden viseters recent sterk toenamen, is het belang van de Grevelingen voor fuut, aalscholver, middelste zaagbek en brilduiker rond 1999 verminderd, mogelijk in samenhang met het gewijzigde sluisbeheer. Een minder gunstige situatie kan ook ontstaan door het optreden van stratificatie in de diepere delen, die invloed kan hebben op de visstand. Stratificatie is gerelateerd aan beperkingen in doorstroming en peilvariatie. Behalve voor viseters is het gebied verder van belang voor enkele ganzen, eenden en steltlopers, met name brandgans en strandplevier. Voor steltlopers die in de noordtak van de Oosterschelde foerageren is het gebied tevens van belang als hoogwatervluchtplaats. Kanoeten, die wat hogere eisen stellen aan hoogwatervluchtplaatsen (buitendijkse, verstoringsvrije schorren en ondiepten) overtijen bijv. bij Battenoord en Herkingen.

Zeer belangrijk broedgebied voor kustbroedvogels van zandplaten en schelpenstrandjes (kluut, bontbekplevier, strandplevier, grote stern, visdief en dwergstern). Aanwijzing Natura 2000-gebied Het Natura 2000-gebied Grevelingen is op 4 juli 2013 door de staatssecretaris van het ministerie van Economische Zaken definitief aangewezen als Natura 2000-gebied. Op 22 november 2022 zijn middels het ‘Wijzigingsbesluit vanwege aanwezige waarden’ aanvullende instandhoudingsdoelen voor het habitattype H2130A (doel voor H2130 gewijzigd, waarbij H2130A is toegevoegd en H2130B is verwijderd) en voor 2 habitatsoorten (H1364 grijze zeehond en H1365 gewone zeehond). Het Natura 2000-gebied is aangewezen als Habitatrichtlijn- en Vogelrichtlijngebied.

3.1

Afbakening relevante instandhoudingsdoelstellingen De instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied Grevelingen zijn in de tabellen 3.1 tot en met tabel 3.4 weergegeven. In deze tabellen vindt ook de afbakening van nader te beschouwen instandhoudingsdoelen plaats.

blad 13 van 59

datum 7 december 2023 projectnummer 0476754 betreft Voortoets stikstof hoogspanningsstation Zierikzee

3.1.1

Habitattypen Tabel 3.1: Afbakening habitattypen Natura 2000-gebied Grevelingen (www.natura2000.nl en AERIUS 2023).

Habitattypen

H1310A

H1310B H1330B

H2130A* H2160

H2170

H2190B

H6430B

Zilte pionierbegroeiingen (zeekraal) Zilte pionierbegroeiingen (zeevetmuur) Schorren en zilte graslanden (buitendijks)

Grijze duinen (kalkrijk) Duindoornstruwelen

ISHD Oppervlakte/ Kwaliteit

Hoogste projectbijdrage (mol N/ha/jr)

Kritische depositiewaarde (KDW) (mol N/ha/jr)

Hoogste actuele depositie (mol N/ha/jr)

==

0,01

1643

1614

==

0,00

1429

1143

==

0,01

1429

2015

==

0,00

1071

1047

==

0,01

2000

1753

==

0,01

2286

1445

==

0,01

1429

1657

==

N.v.t.

> 2400

N.v.t.

Kruipwilgstruwelen

Vochtige duinvalleien (kalkrijk) Ruigten en zomen (harig wilgenroosje)

Relevant

Alleen projectbijdrage op nietoverbelaste hexagonen. Geen projectbijdrage Ja, projectbijdrage van 0,01 mol N/ha/jr op (naderend) overbelaste hexagonen Geen projectbijdrage Alleen projectbijdrage op nietoverbelaste hexagonen. Alleen projectbijdrage op nietoverbelaste hexagonen. Ja, projectbijdrage van 0,01 mol N/ha/jr op overbelaste hexagonen Niet stikstofgevoelig, KDW > 2400 (Van Dobben et al., 2012).

De projectbijdragen op de habitattypen H1330B Schorren en zilte graslanden (binnendijks) en H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk) worden in de paragrafen 3.2 en 3.3 ecologisch beoordeeld. Voor de overige habitattypen zijn significant negatieve effecten bij voorbaat zonder ecologische beoordeling uit te sluiten (zie toelichting in tabel 3.1).

blad 14 van 59

datum 7 december 2023 projectnummer 0476754 betreft Voortoets stikstof hoogspanningsstation Zierikzee

3.1.2

Habitatrichtlijnsoorten Tabel 3.2: Afbakening Habitatsoorten Natura 2000-gebied Grevelingen (www.natura2000.nl en AERIUS 2023).

Habitatrichtlijnsoorten H1340* H1364 H1365 H1903

Noordse woelmuis Grijze zeehond Gewone zeehond Groenknolorchis

Instandhoudingsdoelstelling Pop. Omvang Kwal. > > > = = = = = = =

=

=

Relevant Nee, geen stikstofgevoelig leefgebied. Nee, geen stikstofgevoelig leefgebied. Nee, geen stikstofgevoelig leefgebied. Ja, projectbijdrage op (naderend) overbelaste hexagonen van H2190B.

De projectbijdrage op het leefgebied van H1903 Groenknolorchis wordt in paragraaf 3.4 ecologisch beoordeeld. Voor de overige habitatrichtlijnsoorten zijn significant negatieve effecten bij voorbaat zonder ecologische beoordeling uit te sluiten (zie toelichting in tabel 3.2).

3.1.3

Vogelrichtlijnsoorten – broedvogels Tabel 3.3: Afbakening Vogelrichtlijnsoorten – broedvogels Natura 2000-gebied Grevelingen (www.natura2000.nl en AERIUS 2023).

Vogelrichtlijnsoorten broedvogels

A081

Bruine kiekendief

A132

Instandhoudingsdoelstelling Aantal Omvang Kwal. broedp. 17

=

=

Kluut

2000*

>

>

A137

Bontbekplevier

105*

>

>

A138

Strandplevier

220*

>

>

A191

Grote stern

6200*

=

=

A193

Visdief

6500*

>

>

A195

Dwergstern

300*

=

=

Relevant

Ja, projectbijdrage op (naderend) overbelaste hexagonen van H1330B en H2190B. Stikstofgevoelig leefgebied Lg08 en Lg11 niet relevant (DLG, 2017a) Nee, geen stikstofgevoelig leefgebied. Ja, projectbijdrage op (naderend) overbelaste hexagonen van H1330B en H2190B. Stikstofgevoelig leefgebied Lg08 niet relevant (DLG, 2017a) Ja, projectbijdrage op (naderend) overbelaste hexagonen van H1330B en H2190B. Nee, geen stikstofgevoelig leefgebied. Ja, projectbijdrage op (naderend) overbelaste hexagonen van H1330B en H2190B. Stikstofgevoelig leefgebied (Lg08 en Lg11) niet relevant (DLG, 2017a). Nee, geen stikstofgevoelig leefgebied.

De projectbijdragen op leefgebieden van A081 Bruine kiekendief, A137 Bontbekplevier, A138 Strandplevier en A193 Visdief worden in de paragrafen 3.5, 3.7 t/m 3.9ecologisch beoordeeld. Voor de overige vogelsoorten zijn significant negatieve effecten bij voorbaat zonder ecologische beoordeling uit te sluiten (zie toelichting in tabel 3.3).

3.1.4

Vogelrichtlijnsoorten – niet-broedvogels Tabel 3.4: Afbakening Vogelrichtlijnsoorten – niet-broedvogels Natura 2000-gebied Grevelingen (www.natura2000.nl en AERIUS 2023).

Vogelrichtlijnsoorten – niet-broedvogels A004 Dodaars A005 Fuut A007 Kuifduiker A008 Geoorde fuut A017 Aalscholver A026 Kleine zilverreiger A034 Lepelaar

Instandhoudingsdoelstelling Populatie Omvang Kwaliteit 70 = = 1600 = = 20 = = 1500 = = 310 = = 50 = = 70 = =

Relevant Nee, geen stikstofgevoelig leefgebied. Nee, geen stikstofgevoelig leefgebied. Nee, geen stikstofgevoelig leefgebied. Nee, geen stikstofgevoelig leefgebied. Nee, geen stikstofgevoelig leefgebied. Nee, geen stikstofgevoelig leefgebied. Nee, geen stikstofgevoelig leefgebied.

blad 15 van 59

datum 7 december 2023 projectnummer 0476754 betreft Voortoets stikstof hoogspanningsstation Zierikzee

Vogelrichtlijnsoorten – niet-broedvogels A037 Kleine zwaan A041 Kolgans A043 Grauwe gans A045 Brandgans A046 Rotgans A048 Bergeend A050 Smient A051 Krakeend A052 Wintertaling A053 Wilde eend A054 Pijlstaart A056 Slobeend A067 Brilduiker A069 Middelste zaagbek A103 Slechtvalk A125 Meerkoet

Instandhoudingsdoelstelling Populatie Omvang Kwaliteit 4 = = 140 = = 630 = = 1900 = = 1700 = = 700 = = 4500 = = 320 = = 510 = = 2900 = = 60 = = 50 = = 620 = = 1900 = = 10 = = 2000 = =

A130

Scholekster

560

=

=

A132

Kluut

80

=

=

A137

Bontbekplevier

50

=

=

A138 A140 A141 A149 A157 A160

Strandplevier Goudplevier Zilverplevier Bonte strandloper Rosse grutto Wulp

20 2600 130 650 30 440

= = = = = =

= = = = = =

A162

Tureluur

170

=

=

A169

Steenloper

30

=

=

Relevant Nee, geen stikstofgevoelig leefgebied. Nee, geen stikstofgevoelig leefgebied. Nee, geen stikstofgevoelig leefgebied. Nee, geen stikstofgevoelig leefgebied. Nee, geen stikstofgevoelig leefgebied. Nee, geen stikstofgevoelig leefgebied. Nee, geen stikstofgevoelig leefgebied. Nee, geen stikstofgevoelig leefgebied. Nee, geen stikstofgevoelig leefgebied. Nee, geen stikstofgevoelig leefgebied. Nee, geen stikstofgevoelig leefgebied. Nee, geen stikstofgevoelig leefgebied. Nee, geen stikstofgevoelig leefgebied. Nee, geen stikstofgevoelig leefgebied. Nee, geen stikstofgevoelig leefgebied. Nee, geen stikstofgevoelig leefgebied. Ja, projectbijdrage op H1330B en H2190B. Stikstofgevoelig leefgebied Lg08 en Lg11 niet relevant (DLG, 2017a). Nee, geen stikstofgevoelig leefgebied. Ja, projectbijdrage op H1330B en H2190B. Stikstofgevoelig leefgebied Lg08 niet relevant (DLG, 2017a). Ja, projectbijdrage op H1330B en H2190B. Nee, geen stikstofgevoelig leefgebied. Nee, geen stikstofgevoelig leefgebied. Nee, geen stikstofgevoelig leefgebied. Nee, geen stikstofgevoelig leefgebied. Nee, geen stikstofgevoelig leefgebied. Ja, projectbijdrage op H1330B en H2190B. Stikstofgevoelig leefgebied Lg08 en Lg11 niet relevant (DLG, 2017a). Nee, geen stikstofgevoelig leefgebied.

De projectbijdragen op het leefgebied van A130 Scholekster, A137 Kluut, A138 Strandplevier en A162 Tureluur worden in de paragrafen 3.5, 3.6, 3.7 en 3.9 ecologisch beoordeeld. Voor de overige vogelsoorten zijn significant negatieve effecten bij voorbaat zonder ecologische beoordeling uit te sluiten (zie toelichting in tabel 3.4).

3.2

H1330B Schorren en zilte graslanden (binnendijks) Algemene beschrijving habitattype De volgende tekst is overgenomen uit het profiel van het habitattype (Min. LNV, 2009a): “In Nederland betreft dit habitattype schorren of kwelders3 en andere zilte graslanden in het kustgebied. Het begrip kustgebied moet hier breed worden opgevat: het habitattype komt voor in zowel buitendijkse als binnendijkse4 gebieden (wat tot uitdrukking komt in het onderscheiden van subtypen). Ook het begrip ‘grasland’ dekt de lading slechts ten dele: een deel van de begroeiingen bestaat uit russen en biezen, kruiden (zoals Lamsoor of Zeealsem) en – in brakke zones – Riet. . 3

Het habitattype (subtype A) wordt 'schorren' genoemd in de Zeeuwse en Zuid-Hollandse Delta en 'kwelders' in het Waddengebied. Qua opbouw zijn ze enigszins verschillend. 4 Op Bijlage I van de Habitatrichtlijn staat ook een type zout grasland van niet-mariene oorsprong (H1340). Alle binnendijkse, van nature voorkomende zilte graslanden in ons land hebben echter een mariene oorsprong en worden daarom, zij het met een eigen subtype, tot H1330 gerekend.

blad 16 van 59

datum 7 december 2023 projectnummer 0476754 betreft Voortoets stikstof hoogspanningsstation Zierikzee

Voor de biodiversiteit zijn meerdere aspecten van belang. De verschillende plantengemeenschappen en (dier)soorten reageren op een bepaalde hoogteligging, de daaraan (deels) gerelateerde vochthuishouding, de grondsoort (van zandig tot kleiig), zoutgehalte (brak tot zout), leeftijd (succesiestadium) en mate van begrazing. Het is dan ook gewenst allerlei vormen en successiestadia te behouden, wat onder andere noodzakelijk is voor het behoud van het grote aantal typische soorten (maar ook voor veel soorten die daarvoor niet geselecteerd zijn, bijvoorbeeld de talrijke ongewervelde diersoorten die sterk afhankelijk zijn van met name de lage en jonge kwelders). Dit subtype betreft de binnendijkse vorm van het habitattype. Het omvat graslanden die een marien verleden hebben en sindsdien zilt blijven door toestroom van brak of zout grondwater. Deze zilte graslanden komen zeer lokaal voor in het Laagveengebied (brakwatervenen), maar vooral in het Zeekleigebied (langs kreken en in inlagen) en de Afgesloten Zeearmen (voormalige kwelders en schorren). De soortensamenstelling kan sterk overeenkomen met die van subtype A, met name in inlagen of recent bedijkte gebieden; de brakwatervenen omvatten slechts een gering deel van de ecologische variatie.”.

Instandhoudingsdoelstelling De instandhoudingsdoelstelling van H1330B Schorren en zilte graslanden (binnendijks) is behoud van oppervlakte en kwaliteit. Beschrijving van het voorkomen van habitattype in het Natura 2000-gebied In het Natura 2000-gebied Grevelingen is omstreeks 365,2 ha van het habitattype H1330B Schorren en zilte graslanden (binnendijks) aanwezig. Circa 4,4 ha van het habitattype is (naderend) overbelast. In Bijlage 4 is de ligging van het habitattype weergegeven. Projecteffect en – beoordeling Er is sprake van een tijdelijke projectbijdrage van maximaal 0,01 mol N/ha/jr op zeven (naderend) overbelaste hexagonen. Eén hexagoon waarop een projectbijdrage is berekend, is naderend overbelast. De achtergronddepositie binnen dit hexagoon bedraagt 1398 mol N/ha/jr. De berekende tijdelijke projectbijdrage leidt niet tot overschrijding van de KDW van 1429 mol N/ha/jr. Significante effecten van de projectbijdrage op naderend overbelaste hexagonen kunnen worden uitgesloten. Het areaal overbelaste hexagonen waarop een projectbijdrage is berekend, bedraagt ongeveer 0,45 ha. Dit betreft omstreeks 0,1% van het totale areaal van het habitattype. De projectbijdrage op deze overbelaste hexagonen wordt nader beschouwd. Het Natura 2000-gebied Grevelingen ligt in de provincies Zeeland en Zuid-Holland.

De projectbijdragen op het habitattype H1330B zijn berekend op hexagonen die in beide provincies liggen (zie Bijlage 4). Voor het Natura 2000-gebied zijn twee NDA’s opgesteld, één door Sweco (2023a) en één door Provincie Zuid-Holland (2022). De problematiek voor het habitattype is in beide provincies vergelijkbaar. In de NDA (Sweco, 2023a) is aangegeven dat er geen gegevens over kwaliteit trend in kwaliteit bekend zijn voor het gedeelte van de Grevelingen in Zeeland. In de betreffende NDA zijn daarom gegevens uit de NDA voor het gedeelte in Zuid-Holland overgenomen. De kwaliteit van het gedeelte H1330B in Zuid-Holland is als matig bestempeld. De trend in oppervlakte is positief voor habitattype H1330B. Ontzilting vormt het belangrijkste knelpunt voor het habitattype (Sweco, 2023a). Als gevolg van de sluiting van de Brouwersdam is sprake van doorgaande ontzilting en neemt de oppervlakte van het habitattype af. Locaties waar het habitattype voorkomt, verzoeten langzaam. Deze trend is niet stikstof-gerelateerd. De hoogteligging en bodemsamenstelling zijn bepalend voor de mate en snelheid van ontzilting. Op hoger gelegen delen treedt ontzilting op met als gevolg vegetatiesuccessie. Op hoger gelegen locaties waar de bodem goed doorlatend is, is snel sprake van ontzilting en verloopt de successie sneller.

Het is moeilijk om de vegetatie in de huidige omvang en samenstelling te behouden, omdat de vegetatie op veel plaatsen in een overgangsstadium zit vanwege de voortschrijdende ontzilting. Deze trend is niet stikstof-gerelateerd. De tijdelijke toename leidt – gezien deze ecologische sleutelfactor - niet tot een belemmering van de instandhoudings(behoud)doelstelling voor omvang en kwaliteit van dit habitattype. Successie van ‘vochtige duinvalleien’ en ‘zilte graslanden’ naar ‘kruipwilgstruwelen’ en vervolgens naar ‘duindoornstruweel’ treedt voortdurend op. Door begrazing en maaien

blad 17 van 59

datum 7 december 2023 projectnummer 0476754 betreft Voortoets stikstof hoogspanningsstation Zierikzee

wordt deze successie zoveel mogelijk tegengegaan (RWS, 2016a). Ecologische sleutelfactoren voor het habitattype zijn zodoende het mariene verleden, toestroom van zout of brak grondwater/kwelwater en beheer (RWS, 2016a, LNV, 2009). In Sweco (2023a) is ontzilting en vegetatiesuccesie (oprukkend struweel) door gebrek aan dynamiek als mogelijk toekomstig knelpunt genoemd. Voornamelijk in hoger gelegen delen nemen zilte vegetaties langzaam af door ontzilting. De ontzilting leidt tot vegetatiesuccessie. . De ontzilting van het gebied is het meest kritische knelpunt in het Natura 2000-gebied Grevelingen en dat knelpunt is niet-stikstofgerelateerd. Onder deze omstandigheden leidt het project niet tot een belemmering van de instandhoudingsdoelen voor omvang en kwaliteit. Conclusie Significante effecten van de projectbijdrage kunnen worden uitgesloten.

3.3

H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk) Algemene beschrijving habitattype De volgende tekst is overgenomen uit het profiel van het habitattype (Min. LNV, 2009b): “Het habitattype Vochtige duinvalleien is veelomvattend: het betreft open water, vochtige graslanden, lage moerasvegetaties en rietlanden, alle voorzover voorkomend in (min of meer natuurlijke) laagten in de duinen. Buiten de duinen worden alleen de in het overige kustgebied voorkomende min of meer grazige vormen tot het habitattype gerekend5. Mede door de grote ecologische variatie is het aantal kenmerkende soorten zeer groot. Het gaat om relatief jonge successiestadia. Begroeiingen van oudere (al of niet verdroogde) successiestadia in duinvalleien behoren tot andere habitattypen, bijvoorbeeld Vochtige duinheide met Kraahei (H2140), duinstruwelen (H2160 of H2170), Duinbossen (H2180) en vochtige Heischrale graslanden (H6230). Ook in cultuur gebrachte valleien (bijvoorbeeld begroeid met Blauwgraslanden, H6410) worden niet tot het habitattype gerekend. Vochtige duinvalleien kunnen van nature op twee manieren ontstaan. Primaire duinvalleien ontstaan doordat strandvlakten door duinen worden afgesnoerd van zee. Secundaire duinvalleien ontstaan in het kielzog van mobiele duinen, maar tegenwoordig alleen nog doordat stuifkuilen uitstuiven tot op het grondwaterniveau..

Daarnaast kunnen Vochtige duinvalleien worden ontwikkeld door inrichtingsmaatregelen6. Door de vertraagde reactie van de zoetwaterbel op de neerslag wijkt de grondwaterdynamiek in duinen nogal af van die in het binnenland. Er kunnen jaren achtereen optreden waarin (grond)waterstanden ver boven, of juist onder het gemiddelde niveau liggen. Deze dynamiek is op zich gunstig voor de instandhouding van open vegetaties waarin ook ruimte is voor concurrentiegevoelige pioniersoorten. Het vormt echter een risico voor het voortbestaan van soorten die slechts in een kleine populatie voorkomen. Voorwaarde voor de instandhouding van de soortenrijkdom is daarom dat er voldoende ruimte is voor soorten om te ‘pendelen’. Daarvoor moet binnen de valleien zelf en binnen het duingebied als geheel voldoende variatie aanwezig zijn, met gradiënten die idealiter lopen van open water tot droog duin. Binnen vochtige duinvalleien bestaat een grote variatie aan standplaatscondities, afhankelijk van ontstaansgeschiedenis, leeftijd, waterregime en kalkgehalte van de bodem of het kwelwater. Om die reden zijn de vochtige duinvalleien in een aantal subtypen opgesplitst. Waterdiepte, vegetatiestructuur en kalkgehalte zijn bepalend voor de verschillen tussen de subtypen.

Dit subtype komt voor in geheel of vrijwel geheel verzoete primaire duinvalleien en in secundaire duinvalleien die zijn ontstaan door uitstuiving. Kenmerkend zijn vooral de natte omstandigheden, waarbij de standplaatsen 5

Reden hiervoor is dat de levensgemeenschappen van het open water en van hogere moerasvegetaties (subtype A en D) weinig specifiek zijn. De door grassen en schijngrassen gedomineerde vormen (subtype B en C) zijn echter wel heel specifiek: begroeiingen elders in het kustgebied worden daarom tot dit habitattype gerekend. Ze hebben zich tot dit habitattype ontwikkeld na bedijking van zeearmen. 6 Daarbij is niet alleen te denken aan het nieuw gegraven van valleien, maar ook aan het herinrichten van infiltratiegebieden. Infiltratieplassen en -kanalen vallen alleen onder de definitie van het habitattype indien ze (weer) min of meer lijken op natuurlijk gevormde valleien.

blad 18 van 59

datum 7 december 2023 projectnummer 0476754 betreft Voortoets stikstof hoogspanningsstation Zierikzee

in de winter onder water staan en in voorjaar droogvallen. Vanwege de afwijkende dynamiek van het duinwatersysteem kunnen echter ook jaren optreden waarin valleien vrijwel permanent onder water staan, en jaren waarin de valleien ook in de winter droog staan. Dit kan leiden tot schijnbaar dramatische verschuivingen in de vegetatiesamenstelling, maar in een natuurlijke duinsysteem met voldoende natte valleien en veel variatie in maaiveldhoogte is de veerkracht van de populaties voldoende om dit soort extremen te overleven. Ten opzichte van vochtige kalkarme duinvalleien (subtype C) onderscheiden de kalkrijke duinvalleien zich door een grotere basenrijkdom en een hogere pH. In de kalkrijke duinen is het vooral het kalkgehalte van de bodem, dat zorgt voor de neutrale tot basische condities. In de kalkarme duinen is aanvoer van basenrijk grondwater nodig voor instandhouding van kalkrijke duinvalleivegetaties. In jonge primaire duinvalleien en in verzoetende strandvlaktes kan ook incidentele overstroming met brak water of nog in de bodem aanwezig brak grondwater zorgen voor zuurbuffering.” Instandhoudingsdoelstelling De instandhoudingsdoelstelling van H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk) is behoud van oppervlakte en kwaliteit.

Beschrijving van het voorkomen van habitattype in het Natura 2000-gebied In het Natura 2000-gebied Grevelingen is omstreeks 686,2 ha van het habitattype H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk) aanwezig. Omstreeks 3,2 ha van het habitattype is (naderend) overbelast. In Bijlage 4 is de ligging van het habitattype weergegeven. Met het habitattype H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk) gaat het goed, de trend in oppervlakte is neutraal en de kwaliteit is goed (Sweco, 2023a). De behoudsdoelstelling die voor het habitattype geldt, wordt in de huidige situatie bereikt. Het habitattype komt in goed ontwikkelde vorm en in relatief grote arealen voor op de Slikken van Flakkee, verder op de Veermansplaat en Dwars in de Weg. Op deze locaties staan knopbies en verschillende orchideeën (waaronder harlekijn). Daarnaast komt het habitattype ook op de Slikken van Bommenede en op de Hompelvoet voor (RWS, 2016a). De kwaliteit van het habitattype neemt op alle locaties met een overschrijding van de KDW nog steeds toe. Zodoende is stikstofdepositie op dit moment geen knelpunt voor dit habitattype op Grevelingen. Voorwaarde daarbij is wel dat het huidige beheer van begrazing en maaien onverminderd wordt voortgezet (DLG, 2017a). In de NDA (Sweco, 2023a) is het optreden van successie op plaatsen waar het hydrologisch systeem niet stabiel is, als knelpunt genoemd.

De stabiliteit van het hydrologische systeem (zoet water) vormt de belangrijkste drukfactor voor het habitattype (Sweco, 2023a). Projecteffect en -beoordeling Er is sprake van een tijdelijke projectbijdrage van maximaal 0,01 mol N/ha/jr op vijftien (naderend) overbelaste hexagonen. Zes hexagonen waarop een projectbijdrage is berekend, zijn naderend overbelast. De achtergronddepositie binnen deze hexagonen varieert tussen 1359 en 1419 mol N/ha/jr. De berekende tijdelijke projectbijdrage leidt niet tot overschrijding van de KDW van 1429 mol N/ha/jr. Significante effecten van de projectbijdrage op naderend overbelaste hexagonen kunnen worden uitgesloten. Het areaal overbelaste hexagonen waarop een projectbijdrage is berekend, bedraagt ongeveer 1,1 ha. Dit betreft omstreeks 0,15% van het totale areaal van het habitattype. De projectbijdrage op deze overbelaste hexagonen wordt nader beschouwd. De kwaliteit van het habitattype is goed en de behoudsdoelstelling wordt gehaald. Het habitattype komt in goed ontwikkelde vorm voor en de kwaliteit neemt op alle locaties met overschrijding van de KDW toe. Zodoende vormt stikstofdepositie geen knelpunt voor het habitattype. De tijdelijke toename leidt – gezien deze ecologische sleutelfactor - niet tot een belemmering van de instandhoudings(behoud)doelstelling voor omvang en kwaliteit van dit habitattype.

Conclusie Significante effecten van de projectbijdrage kunnen worden uitgesloten.

blad 19 van 59

datum 7 december 2023 projectnummer 0476754 betreft Voortoets stikstof hoogspanningsstation Zierikzee

3.4

H1903 Groenknolorchis De groenknolorchis heft stikstofgevoelig leefgebied in de vorm van H2190B. Dit leefgebied is voor de groenknolorchis van groot belang. Met de groenknolorchis is het Natura 2000-gebied Grevelingen gaat het goed (RWS, 2016a; DLG, 2017a). Zoals beschreven in paragraaf 3.3 wordt de behoudsdoelstelling van het habitattype H2190B gehaald, het habitattype komt in goede kwaliteit voor en de kwaliteit van het habitattype neemt ook op plaatsen waar de KDW wordt overschreden toe. Stikstofdepositie vormt geen knelpunt voor het habitattype. In de NDA (Provincie Zuid-Holland, 2022) wordt aangegeven dat getijdewerking een negatief effect heeft op de huidige groeiplaatsen. Door het instellen van het getij gaan groeiplaatsen met een stabiele toestroom van grondwater verloren. Verlaging van het gemiddelde waterpeil resulteert in daling van de waterstanden en van de zoetwaterbellen. Als gevolg daarvan neemt het uittreden van kalkrijk water af en gaan bestaande groeiplaatsen verloren. Projecteffect en -beoordeling Er is sprake van een tijdelijke projectbijdrage op H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk) dat leefgebied vormt van de groenknolorchis. In het Natura 2000-gebied Grevelingen gaat het goed met de groenknolorchis.

Ook met H2190B gaat het goed, de behoudsdoelstelling wordt gehaald, het habitattype komt in goede kwaliteit voor en de kwaliteit neemt ook op plaatsen waar de KDW wordt overschreden toe. Stikstofdepositie vormt geen knelpunt voor het habitattype. Daardoor heeft het project geen effect op de omvang en kwaliteit van het groeiplaatsen van de groenknolorchis binnen dit habitattype en dus ook niet op de draagkracht van de Grevelingen voor de populatie van de groenknolorchis. Conclusie Significante effecten van de projectbijdrage op de groenknolorchis kunnen worden uitgesloten.

3.5

A081 Bruine kiekendief De habitattypen H1330B Schorren en zilte graslanden (binnendijks) en H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk) maken onderdeel uit van het leefgebied van de bruine kiekendief. Projecteffect en -beoordeling Op beide habitattypen is een tijdelijke projectbijdrage berekend (zie paragrafen 3.2 en 3.3). Het habitattype H1330B kampt met verzoeting en successie als gevolg van ontzilting (zie paragraaf 3.2). Het proces van ontzilting is niet stikstof-gerelateerd. Het habitattype H2190B maakt ook onderdeel uit van het leefgebied van de bruine kiekendief. Stikstofdepositie vormt geen knelpunt voor dit habitattype (zie paragraaf 3.3). Voor de bruine kiekendief (broedvogel) vormt de vereiste uitbreiding van het leefgebied een knelpunt (Provincie Zuid-Holland, 2022). In en rond het Natura 2000-gebied zijn de mogelijkheden hiertoe beperkt. Het is de vraag of voldoende voor de soort kan worden gedaan (Provincie Zuid-Holland, 2022). Recreatie en predatie worde als mogelijke oorzaken voor het wegblijven van bruine kiekendief genoemd (Provincie Zuid-Holland, 2022). Op deze aspecten heeft het project geen effect. Gezien het voorgaande heeft het project geen effect op de omvang en kwaliteit van het leefgebied van de bruine kiekendief binnen dit habitattype en dus ook niet op de draagkracht van de Grevelingen voor de populatiedoelstelling van deze vogelsoort.

Conclusie Significante effecten van de projectbijdragen op de bruine kiekendief kunnen worden uitgesloten.

blad 20 van 59

datum 7 december 2023 projectnummer 0476754 betreft Voortoets stikstof hoogspanningsstation Zierikzee

3.6

A130 Scholekster De habitattypen H1330B Schorren en zilte graslanden (binnendijks) en H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk) maken onderdeel uit van het leefgebied van de scholekster. Projecteffect en -beoordeling Op beide habitattypen is een tijdelijke projectbijdrage berekend (zie paragrafen 3.2 en 3.3). Het habitattype H1330B kampt met verzoeting en successie als gevolg van ontzilting (zie paragraaf 3.2). Het proces van ontzilting is niet stikstof-gerelateerd. Het habitattype H2190B maakt ook onderdeel uit van het leefgebied van de scholekster. Stikstofdepositie vormt geen knelpunt voor dit habitattype (zie paragraaf 3.3). Wat het knelpunt binnen de Grevelingen is voor de scholekster als niet-broedvogel, is niet goed bekend. De afname kan een direct gevolg zijn van afname van de aantallen op landelijk niveau, waarbij er geen knelpunt in de Grevelingen ligt. De getijdengebieden zoals de Westerschelde en Oosterschelde hebben meer te bieden voor de scholekster en worden daarom mogelijk eerder opgezocht. De afname kan ook te maken hebben met een verslechterde voedselbeschikbaarheid in de Deltawateren, waarbij vooral de verminderde beschikbaarheid van kokkels (alleen waar zuurstofloosheid optreedt) van belang is (Rijkswaterstaat, 2016a). Bovengenoemde mogelijke oorzaken worden bevestigd in Provincie Zuid-Holland (2022).

Recreatie en predatie worde als mogelijke oorzaken voor het wegblijven van scholekster genoemd (Provincie Zuid-Holland, 2022). Op al deze aspecten heeft het project geen effect. Daardoor heeft het project geen effect op de omvang en kwaliteit van het leefgebied van de scholekster binnen dit habitattype en dus ook niet op de draagkracht van de Grevelingen voor de populatiedoelstelling van deze vogelsoort. Conclusie Significante effecten van de projectbijdragen op de scholekster kunnen worden uitgesloten.

3.7

A137 Bontbekplevier De habitattypen H1330B Schorren en zilte graslanden (binnendijks) en H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk) maken onderdeel uit van het leefgebied van de bontbekplevier. Projecteffect en -beoordeling Op beide habitattypen is een tijdelijke projectbijdrage berekend (zie paragrafen 3.2 en 3.3). Het habitattype H1330B is als binnendijks habitattype van belang voor de bontbekplevier. Het habitattype vertoont veel kenmerken van het habitattype H1330A dat niet als leefgebied voor de bontbekplevier kwalificeert (DLG, 2017a). Het habitattype kampt met verzoeting en successie als gevolg van ontzilting (zie paragraaf 3.2). Het proces van ontzilting is niet stikstof-gerelateerd. Het belang van het habitattype H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk) is klein voor de bontbekplevier. In de Grevelingen wordt feitelijk geen gebruik gemaakt van dit habitattype door deze soort (DLG, 2017a). Daarnaast vormt stikstofdepositie geen knelpunt voor het habitattype H2190B (zie paragraaf 3.3). Recreatie en predatie worde als mogelijke oorzaken voor het wegblijven van bontbekplevieren (broedvogel) genoemd, deze factoren zijn niet stikstof-gerelateerd. Voor het instandhoudingsdoel als niet-broedvogel zijn geen knelpunten vermeld (Provincie Zuid-Holland, 2022).

De habitattypen H1330B Schorren en zilte graslanden (binnendijks) en H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk) maken onderdeel uit van het leefgebied van de bontbekplevier. Het habitattype H1330B kampt met de gevolgen van ontzilting en dit proces is niet stikstof-gerelateerd. Het habitattype H2190B maakt ook onderdeel uit van het leefgebied, maar het belang is dermate klein dat er feitelijk geen gebruik van wordt gemaakt. Daarnaast vormt stikstofdepositie geen knelpunt voor het habitattype. Daardoor heeft het project geen effect op de omvang en kwaliteit van het leefgebied van de bontbekplevier binnen dit habitattype en dus ook niet op de draagkracht van de Grevelingen voor de populatiedoelstelling van deze vogelsoort.

blad 21 van 59

datum 7 december 2023 projectnummer 0476754 betreft Voortoets stikstof hoogspanningsstation Zierikzee

Conclusie Significante effecten van de projectbijdragen op de bontbekplevier kunnen worden uitgesloten.

3.8

A138 Strandplevier De habitattypen H1330B Schorren en zilte graslanden (binnendijks) en H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk) maken onderdeel uit van het leefgebied van de strandplevier. Projecteffect en -beoordeling In paragraaf 3.2 is aangegeven dat het habitattype H1330B kampt met de effecten van ontzilting wat niet stikstof-gerelateerd is. Daardoor heeft het project geen effect op de omvang en kwaliteit van het leefgebied van de strandplevier binnen dit habitattype en dus ook niet op de draagkracht van de Grevelingen voor de populatiedoelstelling van deze vogelsoort. De laatste jaren is de populatie stabiel op een laag niveau. Dit komt mogelijk door het lage broedsucces als gevolg van predatie door meeuwen en kraaiachtigen. De voedselbeschikbaarheid is onbekend. Daarnaast is mogelijk ook sprake van externe knelpunten, namelijk de broedpopulatie rond de Middellandse Zee staat onder druk. Dit heeft mogelijk ook invloed op de populatie in het Deltagebied (Provincie Zuid-Holland, 2022). Knelpunten voor de strandplevier als niet-broedvogel zijn afname van de broedpopulatie en broedgebieden en kennisleemte rond voedselbeschikbaarheid (Provincie Zuid-Holland, 2022). Een afname van de broedpopulatie leidt tot minder doortrekkers.

Dit knelpunt ligt buiten de begrenzing van het Natura 2000-gebied (Provincie Zuid-Holland, 2023) en wordt daarom niet beïnvloed door de berekende projectbijdrage. Conclusie Significante effecten van de projectbijdragen op de strandplevier kunnen worden uitgesloten.

3.9

A193 Visdief De habitattypen H1330B Schorren en zilte graslanden (binnendijks) en H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk) maken onderdeel uit van het leefgebied van de bontbekplevier. Projecteffect en -beoordeling Het habitattype H1330B Schorren en zilte graslanden (binnendijks) maakt onderdeel uit van het leefgebied van de visdief. Het habitattype H1330B kampt met de gevolgen van ontzilting en dit proces is niet stikstofgerelateerd. Stikstof vormt ook geen knelpunt voor het habitattype H2190B (zie paragraaf 3.3). Daardoor heeft het project geen effect op de omvang en kwaliteit van het leefgebied van de visdief binnen dit habitattype en dus ook niet op de draagkracht van de Grevelingen voor de populatiedoelstelling van deze vogelsoort. Als knelpunten voor de soort worden voedselbeschikbaarheid en weinig broedsucces genoemd. Predatie en beperkte draagkracht van het Verse Meer en de Westerschelde spelen mogelijk een rol bij het beperkte broedsucces, al is onduidelijk in hoeverre dit voor de visdief speelt (Provincie Zuid-Holland, 2022). Conclusie Significante effecten van de projectbijdragen op de visdief kunnen daarom worden uitgesloten.

3.10

A162 Tureluur De habitattypen H1330B Schorren en zilte graslanden (binnendijks) en H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk) maken onderdeel uit van het leefgebied van de tureluur. Projecteffect en -beoordeling

blad 22 van 59

datum 7 december 2023 projectnummer 0476754 betreft Voortoets stikstof hoogspanningsstation Zierikzee

Op de habitattypen H1330B en H2190B is een tijdelijke projectbijdrage berekend (zie paragraaf 3.2 en 3.3). Het habitattype H1330B kampt met de gevolgen van ontzilting en dit proces is niet stikstof-gerelateerd. Het habitattype H2190B komt in goede kwaliteit voor en de behoudsdoelstelling wordt gehaald. De kwaliteit van het habitattype H2190B neemt ook op plaatsen waar de KDW wordt overschreden toe. Stikstofdepositie vormt geen knelpunt voor het habitattype. Daardoor heeft het project geen effect op de omvang en kwaliteit van het leefgebied van de tureluur binnen deze habitattypen en dus ook niet op de draagkracht van de Grevelingen voor de populatiedoelstelling van deze vogelsoort. Conclusie Significante effecten van de projectbijdragen op de tureluur kunnen worden uitgesloten.

blad 23 van 59

datum 7 december 2023 projectnummer 0476754 betreft Voortoets stikstof hoogspanningsstation Zierikzee

4.

Toetsing Natura 2000-gebied Oosterschelde Het gebied Oosterschelde is een onderdeel van het voormalige estuarium van de Schelde. In 1986 is de Oosterschelde van de zee afgesloten door een stormvloedkering, die de getijdenwerking nog in enige mate toelaat. Als gevolg van de getijdenstromen vinden erosie- en sedimentatieprocessen plaats die resulteren in een wisselend patroon van schorren, slikken en droogvallende platen (het intergetijdengebied), ondiep water en diepe getijdengeulen. In de monding van de Oosterschelde bevinden zich de diepste stroomgeulen die plaatselijk een diepte bereiken van 45 meter. Tussen deze stroomgeulen en in het gebied ten oosten van de Zeelandbrug bevinden zich uitgestrekte gebieden met ondiepe wateren met zandbanken. In het oosten en noorden van het gebied komen grote oppervlakten slikken voor. Binnendijks worden langs de oever een groot aantal karrevelden, inlagen en kreekrestanten tot het gebied gerekend. Deze gebieden bestaan voornamelijk uit vochtige graslanden en open water. Het water, het intergetijdengebied en de binnendijks gelegen gebieden vormen tezamen het leefmilieu voor de rijke flora en fauna van het gebied. De grote variatie aan milieutypen in het gebied gaat gepaard met een grote diversiteit aan dier- en plantensoorten.

Genoemde variatie aan milieutypen wordt bepaald door factoren als getij, stroming, watertemperatuur, hoogteligging, waterkwaliteit en sedimentsamenstelling. Het gebied is in 2005 met 190 ha uitgebreid in het kader van een LIFE-project als onderdeel van het natuurontwikkelingsproject Plan Tureluur. Aanwijzing Natura 2000-gebied Het Natura 2000-gebied Oosterschelde in 2009 door minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit definitief aangewezen als Natura 2000-gebied. Op 22 november 2022 zijn middels het ‘Wijzigingsbesluit vanwege aanwezige waarden’ aanvullende instandhoudingsdoelen voor 3 habitattypen (H2130, H2160 en H7210) en 3 habitatsoorten (H1103 fint, H1351 bruinvis en H1364 grijze zeehond). Het Natura 2000-gebied is aangewezen als Habitatrichtlijn- en Vogelrichtlijngebied.

4.1

Afbakening relevante instandhoudingsdoelstellingen De instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied Oosterschelde zijn in de tabellen 4.1 tot en met tabel 4.4 weergegeven. In deze tabellen vindt ook de afbakening van nader te beschouwen instandhoudingsdoelen plaats.

4.1.1

Habitattypen Tabel 4.1: Afbakening habitattypen Natura 2000-gebied Oosterschelde (www.natura2000.nl en AERIUS 2023).

Habitattypen

H1160

Grote baaien

H1310A

Zilte pionierbegroeiingen (zeekraal)

H1320

Slijkgrasvelden

ISHD Oppervlakte / Kwaliteit

Hoogste projectbijdrage (mol N/ha/jr)

Kritische depositiewaarde (KDW) (mol N/ha/jr)

Hoogste actuele depositie (mol N/ha/jr)

=>

n.v.t.

>2400

n.v.t.

>=

0,09 (max. 0,01 op (naderend) overbelaste hexagonen)

1643

2270

==

0,22 (max. 0,01 op (naderend) overbelaste hexagonen)

1643

8708

Relevant

Niet stikstofgevoelig Projectbijdrage van max. 0,01 mol N/ha/jr op (naderend) overbelaste hexagonen Projectbijdrage van max. 0,01 mol N/ha/jr op (naderend) overbelaste hexagonen

blad 24 van 59

datum 7 december 2023 projectnummer 0476754 betreft Voortoets stikstof hoogspanningsstation Zierikzee

Habitattypen

ISHD Oppervlakte / Kwaliteit

Hoogste projectbijdrage (mol N/ha/jr)

Kritische depositiewaarde (KDW) (mol N/ha/jr)

Hoogste actuele depositie (mol N/ha/jr)

==

0,22 (max. 0,01 op (naderend) overbelaste hexagonen)

1429

8708

1429

1929

H1330A

Schorren en zilte graslanden (buitendijks)

H1330B

Schorren en zilte graslanden (binnendijks)

>=

0,02 (max. 0,01 op (naderend) overbelaste hexagonen)

H2130A*

Grijze duinen (kalkrijk)

==

0,00

N.v.t.

N.v.t.

H2160

Duindoornstruwelen

==

0,00

N.v.t.

N.v.t.

H7140B

Overgangs- en trilvenen

>>

0,00

N.v.t.

N.v.t.

H7210*

Galigaanmoerassen

==

0,00

N.v.t.

N.v.t.

Relevant

Projectbijdrage van max. 0,01 mol N/ha/jr op (naderend) overbelaste hexagonen Projectbijdrage van max. 0,01 mol N/ha/jr op (naderend) overbelaste hexagonen Geen projectbijdrage Geen projectbijdrage Geen projectbijdrage Geen projectbijdrage

De berekende projectbijdragen op de habitattypen H1310A Zilte pionierbegroeiingen (zeekraal), H1320 Slijkgrasvelden, H1330A Schorren en zilte graslanden (buitendijks) en H1330B Schorren en zilte graslanden (binnendijks) worden in de paragrafen 4.2 tot en met 4.5 ecologisch beoordeeld. Voor de overige habitattypen zijn significant negatieve effecten bij voorbaat zonder ecologische beoordeling uit te sluiten (zie toelichting in tabel 4.1).

4.1.2

Habitatrichtlijnsoorten Tabel 4.2: Afbakening Habitatrichtlijnsoorten Natura 2000-gebied Oosterschelde (www.natura2000.nl en AERIUS 2023).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14177792/1