1023328 Bijlage 6 Camping Zonnedorp Renesse Bijlagen bij regels
Tekst van het document
bestemmingsplan
Camping Zonnedorp Renesse Schouwen-Duiveland
DATUM IMRO IDN
19-04-2024 NL.IMRO.1676.00378BphRE-ON01
PROJECT PROJECTLEIDER
ir. C.A. Louws
OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER
20171778.001
AUTEUR STATUS
ontwerp
Inhoudsopgave
Bijlagen bij regels
5
Bijlage 1
Staat van Horeca-activiteiten
7
Bijlage 2
Inrichtings- en beheersplan
9
Bijlage 3
Rapport aanvullend onderzoek compensatiegebied Korte Moermondseweg
29
3/65
4/65
Bijlagen bij regels
5/65
6/65
Bijlage 1
7/65
Staat van Horeca-activiteiten
Bijlage 4: Staat van horeca-activiteiten CATEGORIE 1: CONSUMPTIEVE HORECA Horecabedrijf dat als hoofddoel heeft het verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en/of dranken, eventueel in combinatie met het exploiteren van een zaalaccommodatie 1a: consumptieve horeca tot een maximale verkoopvloeroppervlakte (vvo) kleiner dan of gelijk aan 500m². 1b: consumptieve horeca tot een maximale verkoopvloeroppervlakte (vvo) groter dan 500m². Voorbeelden: restaurants, cafetaria’s, lunchroom enzovoort
CATEGORIE 2: AVOND- EN NACHTHORECA Horecabedrijf die in met name ‘s nachts geopend is en die als hoofddoel heeft het verstrekken van dranken en aanbieden van entertainment, zoals het geven van gelegenheid tot dansen, en waar eventueel in combinatie daarmee kleine etenswaren worden verstrekt. Voorbeelden: clubs, discotheken, feestcafés, uitgaansconcepten, partycentra, danscafés, karaokebars
CATEGORIE 3: VERBLIJFSRECREATIEVE HORECA Horecabedrijf dat als hoofddoel heeft: • het aanbieden van logies waarbij ook maaltijden worden aangeboden aan uitsluitend logerende gasten (pensions) of aan zowel logerende gasten en passanten (hotel) , al dan niet in combinatie met zaalaccommodatie Voorbeelden: hotel en pension
31
Bijlage 2
9/65
Inrichtings- en beheersplan
Vakantiepark Zonnedorp Ontwerpvoorstel miva-woningen
1
Ruimtelijke opzet In het kader van een grootschalige kwaliteitsimpuls van Vakantiepark Zonnedorp, is het gehele terrein herontwikkeld. Daarmee is op het park een strandachtige sfeer gecreëerd met duurzame recreatieverblijven. De standplaatsen voor stacaravans krijgen meer ruimte. Ook wordt de infrastructuur op het vakantiepark verbeterd en worden aan de noordzijde 31 kampeerhuisjes gerealiseerd. Het gehele vakantiepark wordt centraal bedrijfsmatig beheerd. Permanente bewoning van de miva-kampeerhuisjes wordt niet toegestaan. Vakantiepark Zonnedorp heeft het bosperceel aan de noordzijde van het vakantieparkterrein aangekocht, om op deze locatie zes miva-kampeerhuisjes te realiseren (zie Figuur 1: Weergave werkzaamheden vernieuwde aanleg Vakantiepark Zonnedorp, met rood omcirkeld).
Figuur 1: Weergave werkzaamheden vernieuwde aanleg Vakantiepark Zonnedorp (bron: VakantieparkZonnedorp, november 2017).
2
Miva-kampeerhuisjes De nieuwe miva-woningen worden gerealiseerd voor een specifieke doelgroep: mindervaliden. De woningen worden uitgevoerd als mindervaliden-kampeerhuisjes (vandaar de afkorting: miva-huisjes). Dit betreft een uitbreiding en aanvulling op de reeds aanwezige verblijfstypen op Vakantiepark Zonnedorp. In afwijking van het gemeentelijk beleid, waar voor standaardkampeerhuisjes een maximum oppervlakte van 75 m2 is toegestaan, wordt voor de oppervlakte van de beoogde kampeerhuisjes een uitzondering gemaakt. Deze afwijking geldt expliciet voor onderhavige plansituatie en de specifieke doelgroep van mindervaliden. De miva-kampeerhuisjes hebben een groter grondoppervlakte dan standaard kampeerhuisjes, van maximaal 100 m2, inclusief (aangebouwde/inpandige) berging. Het volledige gebruiksprogramma voor mindervaliden is op de begane grond: toilet, badkamer en slaapkamer. Het toilet en de badkamer zijn ruimer dan in standaardvakantiehuisjes. Ook de slaapkamer heeft een ruimere omvang, zodat het bed rondom met een rolstoel bereikbaar is. Daarnaast hebben de miva-kampeerhuisjes onder andere brede deuren en zijn de drempelloos. Op de bovenverdieping zijn een slaapkamer en badkamer voor begeleiders of familieleden.
De zes nieuwe miva-kampeerhuisjes die binnen het plangebied worden gerealiseerd, sluiten aan bij de bouwstijlvan de bestaande kampeerhuisjes op Vakantiepark Zonnedorp. De eenheden worden gerealiseerd als stijlvolle karakteristieke Zeeuwse bebouwing. De bebouwing bestaat uit één laag met een hoge kap, waarbij de wanden zwarte (gepotdekselde) damwandprofielen krijgen en een oranje dakbedekking (zie Figuur 2: Gevels en plattegrond miva-kampeerhuisjes en Figuur 3: Ontwerp en positie zes miva-kampeerhuisjes). Bij de bouw wordt bovendien rekening gehouden met de aspecten: duurzaam bouwen, klimaatbestendigheid, licht en duisternis en circulair bouwen. De miva-kampeerhuisjes zijn en blijven onderdeel van Vakantiepark Zonnedorp. De mivakampeerhuisjes richten zich op de verhuur en gebruik voor mindervaliden. Van uitponden is geen sprake. Het centrale beheer, onderhoud, verhuur en eigendom behoort tot het vakantiepark. Dit is als zodanig geborgd in de regels van dit bestemmingsplan.
Figuur 2: Gevels en plattegrond miva-kampeerhuisjes.
3
Ontwerp Naar aanleiding van de opmerkingen van de gemeente en de provincie, is het ontwerp op een aantal punten aangepast. De aanpassingen bestaan uit: het handhaven van een tien meter brede groenstrook aan de noord- en westzijde. De plaats van de woningen is hierop aangepast. Anders dan de huidige 31 woningen, is het uitgangspunt hier ‘boswoningen’.
Figuur 3: Ontwerp en positie zes miva-kampeerhuisjes.
4
Herkenbaar op de tekening zijn de volgende onderdelen: 1. Randbeplanting langs de Rampweg. Dit valt buiten het werkgebied. 2. Groenstrook van tien meter op eigen terrein aan de noordzijde. 3. Groenstrook van tien meter op eigen terrein aan de westzijde. 4. Aanwezige sloot. Deze blijft gehandhaafd in de nieuwe opzet. 5. Akoestische lijn: de rode lijn waar de gebouwen binnen moeten vallen.
Figuur 4: Terreindoorsnede.
Figuur 5: Luchtfoto van het perceel.
5
Figuur 6: Bouwrijp maken van het perceel.
6
Voorbereidingen Om het terrein geschikt te maken voor de bouwactiviteiten zijn de volgende voorbereidingen nodig: • Rooien van de beplanting met wortel en tak op het terrein (zie figuur 6, weergegeven in rood). Gezien de dichtheid van de bebouwing en de aanleg van wegen en paden, is het onmogelijk om hier bomen te handhaven. De beplanting in de toekomstige singel wordt zoveel mogelijk behouden en geborgd voor de toekomst. • Snoeien en afzetten van beplanting die een gevaar vormt voor de toekomst. Na het rooien van de beplanting buiten deze strook, wordt in deze strook beplanting – die een gevaar vormen voor de toekomst – gesnoeid of afgezet. • Aanvullen met streekeigen plantsoorten. Vervolgens wordt de strook aangevuld met streekeigen plantsoorten, zodanig dat er in de toekomst een gesloten struweel ontstaat. • Hekwerk om schade en inbreuk te voorkomen. De rand aan de bouwzijde wordt afgezet met een hekwerk tijdens de bouwperiode, om schade en inbreuk in de plantstrook zoveel mogelijk te voorkomen. Aan het eind van de bouwperiode wordt de randbeplanting nogmaals beoordeeld voor een erkende en vakkundige expert (E.T.W.) en waar nodig hersteld en aangevuld.
7
Figuur 7: Indeling van het perceel.
8
Oppervlakte- / terreinindeling Het perceel van 3850 m2 is verdeeld in de volgende onderdelen: A. Randbeplanting van tien meter breed 1175 m2 B. Woningen 600 m2 C. Beplanting op terrein 280 m2 D. Verharding wegen en parkeren 390 m2 E. Verharding rondom woning 300 m2 F. Overig terrein 1105 m2
Toelichting aan de hand van boven staande opsomming A. Randbeplanting De randbeplanting is tien meter breed. De bestaande beplanting wordt in deze strook zoveel mogelijk behouden, waar nodig gesnoeid of afgezet. De rand wordt tijdens de bouwperiode afgezet met een hekwerk ter bescherming beplanting. Op de open plaatsen wordt de beplanting aangevuld met streekeigen soorten, zodanig dat er minimaal vier planten per 9 m2 staan. Zie Plantlijst voor het assortiment. B. Woningen De woningen op het terrein zijn zodanig gepositioneerd, dat ze binnen de gestelde akoestisch grens staan. In dit schrijven wordt er op de woningen niet verder ingegaan, zie ook miva-kampeerhuisjes. C. Beplanting op het terrein Op verschillende plaatsen tussen de woningen zijn groenstroken voor het verkrijgen van enige privacy. Het uitgangspunt is om deze als los groeiende groepen aan te planten, niet als strakke haag. Dit om het boskarakter van het terrein te versterken. De beplanting bestaat uit inheemse soorten en worden in twee of drie rijen aangeplant. Afhankelijk van de aanwezige ruimte. Zie Plantlijst voor het assortiment. D. Wegen en parkeren. De toegangsweg op het perceel heeft een breedte van 4.00 meter en bestaat uit een klinkerverharding. Dit in verband met de doelgroep, want er moet rekening gehouden worden met mensen slecht ter been zijn.
De parkeerplaatsen zijn hier ook op aangepast en hebben een breedte van minimaal 3.50 meter. De rijbaan sluit aan op de bestaande verharding binnen de grenzen van Vakantiepark Zonnedorp. De afwatering van de verharding vindt plaats op het terrein, om verdroging van het terrein tegen te gaan. De uitwerking van dit systeem wordt in een vervolgstap verder uitgewerkt. E. Verharding rondom woning. Rondom de woning komt een strook van ca 1.00 meter halfverharding. Dit om het onderhoud aan en rondom de woning zo goed mogelijk uit te kunnen voeren. Deze strook kan ook dienen voor infiltratie van het regenwater vanaf het dak van de woning. Vanaf de parkeerplaats tot aan de woning komt een verhard pad voor een goede toegankelijkheid van de woning. Dit pad is ca 1.20 meter breed.
9
F. Overige terrein De rest van het terrein wordt ingezaaid met een bloemenmengsel dat geschikt is voor een schaduwrijke omgeving. Op dit deel worden ook ca 50 bomen geplant om het boskarakter te versterken. Zie Plantlijst voor het assortiment.
Plantlijst.
10
Zuidzijde vakantiepark Natuuruitbreiding Met de beoogde uitbreiding aan de noordzijde van Vakantiepark Zonnedorp verdwijnt een bosperceel en neemt de bebouwing toe. Op basis van het provinciaal beleid is voor deze ontwikkeling compensatie noodzakelijk. Ter compensatie van het bosperceel, ter compensatie van de legalisatie van het parkeerterrein en ter compensatie van de landschappelijke inpassing rondom de voormalige fruitboomgaard, wordt ten zuiden van het vakantiepark, aan de overkant van de weg bij het parkeerterrein, de aanwezige natuur uitgebreid. De realisatie en instandhouding van de uitbreiding van de natuur wordt als voorwaardelijke verplichting geborgd in de regels van dit bestemmingsplan. Zoals weergeven in Figuur 8: Locatie met omgeving blijft het bestaande bos ten zuiden van de Korte Moermondsweg behouden en wordt het versterkt. Het naastgelegen weiland wordt getransformeerd voor natuurontwikkeling in de vorm van grasland dat glooiend wordt aangelegd. Dit om water in het gebied langer vast te houden. Dat bevorderd een specifieke flora. Struiken en bomen worden zo geplaatst, dat er aansluiting is met het achtergelegen terrein van Slot Moermond. Door het gebied wordt een ruiterpad aangelegd, dat aansluit op bestaande ruiterpaden in de omgeving.
De natuurlijke aanleg van het gebied komt overeen met de omgeving en versterkt de ruimtelijke kwaliteit van het vakantiepark en de omgeving. De aan te brengen beplanting bestaat uit inheemse soorten. Vanwege de openbare toegankelijkheid van de locatie is recreatief medegebruik hier mogelijk. Het terrein sluit daarbij aan op zijn omgeving.
Figuur 8: Locatie met omgeving.
11
Figuur 9: Indeling percelen, huidige situatie met huidige gebruik.
12
Huidige situatie De percelen zijn op dit moment in gebruik bij Vakantiepark Zonnedorp. In de huidige situatie onderscheiden de percelen zich in verschillende onderdelen. Namelijk: • Parkeren • Uitlaatgebied voor honden • Bos • Grasland • Sport en spel Parkeren Binnen de huidige situatie is er ruimte voor het parkeren van 61 auto’s. Deze situatie ontstond voor aankoop door de huidige eigenaar. Hierdoor is het niet bekend sinds wanneer deze parkeergelegenheid precies in gebruik is. Op dit moment bestaat het parkeerterrein uit een halfverharding van gebroken puin met schelpen. Het is goed toegankelijk. Het functioneert op dit moment goed. Het parkeerterrein heeft een oppervlakte van ongeveer 1580 m2. Uitlaatgebied voor honden Een klein deel naast het parkeerterrein is ingericht als uitlaatplaats voor honden. Dit is toegankelijk voor gasten van Vakantiepark Zonnedorp. Het gebied is omsloten met een sloot en bereikbaar via een dam. De uitlaatplaats heeft een oppervlakte van ca 300 m2. Bos Op een deel van het terrein ontstond in de loop der jaren een bos. Het ontstaan van dit bos is niet geheel duidelijk. Het is aannemelijk dat een dit deel een kwekerij was, dat nooit gerooid is. Dat vermoeden is ontstaan door het assortiment aan bomen dat aanwezig is.
De samenstelling van de aanwezige bomen bestaat aan de noordzijde vooral uit beuken en berken met langs de noordgrens een rij dennen. Aan de zuidzijde bestaat het assortiment uit eiken en elzen. De kwaliteit is redelijk goed, ondanks de aanwezige bramen en de hoge waterstand in de winter. Vanaf de randen van het bos is een goed uitzicht richting het naastgelegen natuurgebied. Het bos heeft een oppervlakte van ca 5800 m2. Grasland Dit was landbouwgrond tot enkele jaren geleden. De kwaliteit van de grond is zodanig dat goede landbouw hier nagenoeg niet mogelijk is. Het perceel is een aantal jaren geleden ingezaaid met gras en wordt een of twee keer per jaar gemaaid. Een of twee keer per jaar is er een activiteit vanuit het vakantiepark verder heeft het geen functie op dit moment.
13
Figuur 10: huidig ontwerpvoorstel.
14
Toekomst Vakantiepark Zonnedorp stelde een plan op voor meerwaarde van het gebied voor het vakantiepark en de omgeving. Dit plan is in hoofdlijnen uitgewerkt. De genoemde onderdelen zijn: • Parkeren • Uitlaatgebied voor honden • Bos • Grasland • Waterpartij/laagten Parkeren Het parkeerterrein wordt op zijn huidige plaats gehandhaafd. Het aantal parkeereenheden blijft gelijk. Het enige wat nodig is, is mogelijk een kwaliteit verbetering. Uitlaatgebied voor honden Dit onderdeel functioneert goed en zal als zodanig behouden blijven. Bos Het huidige bos wordt behouden in zijn huidige vorm. Op verschillende plaatsen komt een aanvulling van struiken. Dit op plaatsen waar leegten dreigen te ontstaan. In het bosje komt een doorgang van ongeveer 3.00 meter breed ten behoeve van het ruiterpad. Grasland Dit deel zal de grootste metamorfose ondergaan. Dit deel vindt aansluiting bij het achterliggende terrein, door het beeld en de uitstraling. Binnen het gebied worden laagten aangelegd die het water op het terrein vasthouden in een natte periode en dit langzaam terug geven aan hun omgeving. Deze inrichting wordt beeldbepalend voor het terrein. Hierdoor ontstaan een naadloze aansluiten op het achtergelegen natuurgebied.
Er worden streekeigen struiken en bomen aangeplant aan de zuidkant van het bestaande bosje en een groep met beplanting ter hoogte van de dam in het midden van het perceel aan de Korte Moermondsweg. Verder komen er enkele vrijstaande bomen in het terrein volgens aanleg tekening. De nieuw aan te brengen beplanting is in vierkante meters gelijk aan het aantal vierkante meters wat gerooid wordt in het bos aan de Rampweg. Waterpartij/laagten In het grasland wordt een laagten aangelegd in een natuurlijke vorm en met verschillende diepten. De waterloopstructuur heeft gevarieerde flauwe oevers. De waterloop wordt niet verbonden met de waterloopstructuur in de omgeving. Dit geeft mogelijkheden voor een specifieke flora en fauna. Een juiste diepte zal in een vervolg onderzocht en vastgesteld worden.
15
Aanleg Parkeerterrein Parkeerterrein blijft in de huidige vorm in grote lijn gehandhaafd. Het terrein wordt aangelegd in halfverharding. De toplaag wordt voorzien van een voldoende dikke laag schelpen. Verder wordt waar nodig afwatering verbeterd. Rondom het parkeerterrein wordt een Zeeuwse haag aangeplant van verschillende inheemse soorten.
Uitlaatgebied Aan dit deel wordt nagenoeg niets aangepast. Het functioneert naar behoren. Het is een mooi afgebakend gebied. Bos In het bos zijn geen aanpassingen. Op het huidige sport- en speelveld komt de oversteek van het ruiterpad. In het bos wordt kritisch gekeken naar bestaande beplanting of deze veilig is voor de komende jaren. Aan de oostzijde komt er een uitbreiding van het bos op het huidige grasperceel . De oppervlakte van de uitbreiding is gelijk aan de te rooien hoeveelheid aan de Rampweg. Alle nieuwe aanplant bestaat uit inheemse soorten. Grasland/laagten Hier is de grootste aanpassing op het terrein. Het gehele terrein gaat namelijk op de schop. Het voorstel is een waterloopstructuur met een uitbreiding van beplanting volgens aanleg tekening. Door deze aanpassing gaat de huidige grasvegetatie geheel verloren. Het terrein wordt opnieuw geprofileerd en ingezaaid met een ruwgrasmengsel. Na de nieuwe aanleg heeft het grasland geen noemenswaardige hoogteverschillen in het terrein. Het wordt onder profiel afgewerkt richting de waterpartij. De waterloop wordt afgewerkt met flauwe gevarieerde oevers. Er wordt geen gebruik gemaakt van een beschoeiing of andere randversteviging. De diepte van de bodem is gevarieerd en wordt in een later stadium bepaald. Uitgangspunt is dat het verzamelde infiltreert.
16
Meerwaarde van het gebied voor het vakantiepark en de omgeving Om de verkeersveiligheid op het terrein te vergroten, wordt het ruiterpad langs de Korte Moermondsweg verlegd. Hiervoor is medewerking nodig van de eigenaar van het perceel ten noordwesten van het vakantiepark. Als dit problemen geeft, is er ook de mogelijkheid om het ruiterpad rond dit perceel aan te leggen. Het gebied wordt een onderdeel van de natuurontwikkeling in de directe omgeving. Door het gebied ten zuiden van het ruiterpad vrij te houden van paden, ontstaat hier een rustig gebied voor ontwikkeling van flora en fauna. De aanvulling aan beplanting in dit deel dient hierbij als vervanging voor de te rooien beplanting aan de Rampweg.
Beheer Parkeerterrein Het onderhoud op het parkeerterrein bestaat uit het regelmatig vlakken van de schelpenverharding. En het beheren van de grasranden. De haag rondom het parkeerterrein wordt een keer per jaar gesnoeid en uitgemaaid. Uitlaatgebied voor honden Regelmatig wordt het terrein gemaaid en worden de zakjes van het hondentoilet gewisseld. Bestaande bos Het bos heeft bewezen zich de afgelopen jaren goed in stand te kunnen houden. Het vraagt daarom weinig tot geen onderhoud. In hoeverre er dood hout geruimd moet worden, staat ter discussie. Het uitgangspunt hier is: zolang het geen gevaar vormt voor de omgeving wordt er niet ingegrepen. Het enige dat men hier moet monitoren, is de ontwikkeling van de bramen binnen het gebied. Ditmag niet de overhand krijgen. Tot op heden geeft dit geen problemen. Nieuwe aanplant Het beheer van de nieuw aan te planten struweel zal zich beperken tot het één á twee keer uitmaaien van de nieuw aan te planten vlakken. Dit voor een periode van twee á drie jaar. Dit is afhankelijk van de groeisnelheid. Er wordt overwogen om de nieuwe aanplant in te zaaien met klaver dit om het onderhoud nog meer te beperken. Zodra de beplanting de grasvegetatie overgroeid, stopt het maaien. In deze periode wordt ook de uitgevallen beplanting ingeboet. Het beheer van de bomen vraagt wat meer aandacht.
Gedurende de eerste vijf jaar na aanplant, wordt regelmatig gecontroleerd en minimaal één keer per jaar gesnoeid. Na deze periode heeft de boom zich zodanig ontwikkeld dat snoeien niet meer noodzakelijk is. Een uitzondering hierop is bij stormschade of vandalisme. Ook dienen na deze periode de boompalen te worden verwijderd. Grasland Het grasland en de oevers worden één keer per jaar gemaaid en afgeruimd.
17
Oppervlakte verdeling na herinrichiting Borging uitvoering en kwaliteit Om de uitvoering en kwaliteit te borgen, is de aanbeveling om de werkzaamheden door een erkend bedrijf uit te laten voeren. Een van de experts is gekwalificeerd als European Tree Worker. Met hen is een meerjarige overeenkomst aangaan. Dat bevorderd doelgericht werken en geeft een beter inzicht in de financiële gevolgen. Planning De planning bestaat uit het jaarlijks opstellen van de noodzakelijke werkzaamheden, waarin de werkzaamheden en de periode van uitvoer worden omschreven. Het heeft de voorkeur om deze planning schriftelijk vast te leggen. Dit als archief voor belanghebbende partijen.
18
28/65
Bijlage 3 Rapport aanvullend onderzoek compensatiegebied Korte Moermondseweg
29/65
Aanvullend onderzoek herpetofauna t.b.v. werkzaamheden compensatiegebied Korte Moermondsweg te Renesse
Oktober 2023 P23-013 / W2351 Auteur: R. Majoor Natuur-Wetenschappelijk Centrum 078-6213921 info@nwcadvies.nl www.nwcadvies.nl
Aanvullend onderzoek herpetofauna t.b.v. werkzaamheden compensatiegebied Korte Moermondsweg te Renesse
Natuur-Wetenschappelijk Centrum, Noorderelsweg 4A, 3329 KH Dordrecht
Aanvullend onderzoek herpetofauna t.b.v. werkzaamheden compensatiegebied Korte Moermondsweg te Renesse Opdrachtgever:
Erik van den Bos Architect B.V.
Uitvoering:
NWC Advies
Veldwerk:
A. Balfoort, B. Beijneveld, R. Haan, W. Haan, C. Huibers-van de Velde, D. J. de Jong, E. van der Keur, J. Klute, F. Kuiphof, T. Salomons
Samenstelling:
R. Majoor
Foto’s:
NWC Advies
Aanvullend onderzoek herpetofauna t.b.v. werkzaamheden compensatiegebied Korte Moermondsweg te Renesse [Samenstel.: Majoor, R.] [Foto’s: NWC Advies] Met lit. opg., Dordrecht: Strix/NWC.
Trefw.: aanvullend onderzoek, Korte Moermondsweg, Renesse, Rugstreeppad, herpetofauna
P23-013 / W2351
Niets uit deze uitgave mag openbaar worden gemaakt of verveelvoudigd, door middel van; druk, fotokopie, microfilm of op enige andere wijze, zonder toestemming van de uitgever of de opdrachtgever.
Dordrecht, oktober 2023
Inhoud
Samenvatting
1
Inleiding
7
2
Gebiedsbeschrijving
9
3
Wettelijk kader
13
4
Methode
19
5
Resultaten
21
6
Effecten, verplichtingen en aanbevelingen
23
6
Conclusie
31
Referenties
Bijlagen: Bijlage 1: Foto’s plangebied Bijlage 2: Beschermde soorten Wet natuurbescherming
Samenvatting De onderstaande tabel geeft de conclusies uit voorliggend rapport weer. Voor de volledigheid en om een verkeerde interpretatie te voorkomen, dient ook hoofdstuk 6 (effecten, verplichtingen en zorgplicht) gelezen te worden. Tabel 1: samenvatting Korte Moermondweg, Renesse
Soortgroep
Effecten beschermde soorten
Verplichtingen
Geen.
Zorgplicht.
- Aantasten leefgebied en/of verstoren en doden van
- Mitigerende maatregelen en werkzaamheden buiten
individuen.
voortplantingsseizoen om verstoring te voorkomen. Daarnaast elementen aan
Reptielen
Amfibieën: - Rugstreeppad
het compensatiegebied toevoegen om geschiktheid van het gebied voor de rugstreeppad te verhogen. Overige soorten (geen deel van dit onderzoek): - Konijn
- Geen significant negatieve effecten verwacht
- Zorgplicht.
Aanvullend onderzoek herpetofauna t.b.v. werkzaamheden compensatiegebied Korte Moermondsweg te Renesse
1.
Inleiding Tijdens een eerder uitgevoerd onderzoek bij camping Zonnedorp, gelegen aan de Korte Moermondsweg 5 in Renesse, is een drachtige Wezel (Mustela nivalis) aangetroffen (Lips, 2021). Bij uitbreidingen van de camping is het niet te voorkomen dat leef- en foerageergebied van de Wezel vernietigd wordt. Om de camping toch uit te kunnen breiden, zal gecompenseerd moeten worden voor het leefgebied dat hierbij voor de Wezel verloren gaat. Hiervoor is een compensatiegebied uitgekozen aan de Korte Moermondsweg 10 in Renesse, welke zo ingericht zal worden met als doel om meer / geschikter leefgebied voor de Wezel te creëren. In het aangewezen compensatiegebied zijn echter al natuurwaarden aanwezig, waarop de geplande ontwikkelingswerkzaamheden in het compensatiegebied effect op kunnen hebben. Om deze reden is er in 2022 een quickscan in het aangewezen compensatiegebied (hierna plangebied genoemd) uitgevoerd om te bepalen of er hier reeds beschermde flora en fauna aanwezig zijn (Salomons, 2022). Uit deze quickscan is het plangebied aan de Korte Moermondsweg te Renesse geschikt bevonden als leefgebied voor de Rugstreeppad (Epidalea calamita), Heikikker (Rana arvalis) en Levendbarende hagedis (Zoocota vivipara), welke alle drie uit de omgeving van het plangebied bekend zijn.
Dit zijn de enige wettelijk beschermde soorten waar een reden voor is om te denken dat ze in het plangebied voorkomen. De voorgenomen ontwikkelingswerkzaamheden in het plangebied kunnen mogelijk een nadelig effect hebben op deze strikt beschermde soorten. Om te voorkomen dat er zich negatieve effecten op deze soorten voordoen, is het nodig om voorafgaand aan de beoogde werkzaamheden aanvullend onderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van herpetofauna in het plangebied. Erik van den Bos Architect B.V. heeft momenteel de leiding over het inrichten van het nieuwe compensatiegebied, en heeft het Natuur-Wetenschappelijk Centrum (NWC) opdracht gegeven om aanvullend onderzoek naar de bovengenoemde soorten herpetofauna op deze locatie te doen, en om advies te geven omtrent de relevante natuurwetgeving.
7
Aanvullend onderzoek herpetofauna t.b.v. werkzaamheden compensatiegebied Korte Moermondsweg te Renesse
8
Aanvullend onderzoek herpetofauna t.b.v. werkzaamheden compensatiegebied Korte Moermondsweg te Renesse
2.
Gebiedsbeschrijving en voorgenomen plannen Gebiedsbeschrijving Het plangebied bevindt zich aan de Korte Moermondsweg in Renesse (gemeente Schouwen-Duivenland, provincie Zeeland), bestaande uit een perceel grasland en een perceel met een deel bos en grasland en een parkeerplaats. Het plangebied heeft een totale oppervlakte van 28.270 m2 (figuur 1). Binnen het plangebied zal een compensatiegebied voor de Wezel ontwikkeld worden. Dit is nodig omdat er een stuk bos gekapt zal gaan worden in vakantiepark Zonnedorp, eveneens gelegen aan de Korte Moermondsweg, wat belangrijk leefgebied voor de Wezel vormt (Lips, 2021). Voor het compensatiegebied is al een ontwerp beschikbaar (figuur 2). In dit plan wordt de parkeerplaats, die al aanwezig is binnen het plangebied, hersteld, terwijl het bos en de hondenuitlaatplek hetzelfde blijven. Het grasland, dat ongeveer de helft van het plangebied beslaat en is omgeven door een sloot, wordt heringericht door het aanbrengen van meer dynamiek en aanplant van bomen/struiken ter compensatie van het stuk bos dat in vakantiepark Zonnedorp gekapt zal gaan worden.
Figuur 1: Ligging van het plangebied (rood omlijnd).
9
Aanvullend onderzoek herpetofauna t.b.v. werkzaamheden compensatiegebied Korte Moermondsweg te Renesse
Figuur 2: Huidig ontwerp compensatiegebied ten behoeve van de Wezel. Ontwerp gemaakt door, en eigendom van, Erik van den Bos Architect B.V.
10
Aanvullend onderzoek herpetofauna t.b.v. werkzaamheden compensatiegebied Korte Moermondsweg te Renesse
Beschermde gebieden Het plangebied grenst met de westelijke hoek tegen het Natura 2000-gebied ‘Kop van schouwen aan (figuur 3).Doordat het plangebied naast een Natura2000-gebied ligt is er hoogstwaarschijnlijk een AERIUS berekening nodig. De berekening hangt af van de plannen voor het compensatiegebied en welk materieel er wordt ingezet. Het plangebied bevindt zich niet in, maar wel direct naast het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Aan het Zuiden van het plangebied grenst het Natuurnetwerk dat bestaat uit een grasland met een grotere plassen. Aan het westen ligt het plangebied ook naast het natuurnetwerk bestaand uit een open veld met lagere vegetatie. Er zit alleen een scheidingslijn tussen het plangebied en het Natuurnetwerk, bestaande uit wandelpad en een sloot (figuur 4).
Figuur 3: Ligging van het plangebied (rood omlijnd) ten opzichte van Natura 2000-gebied ‘Kop van Schouwen’ (geel gearceerd).
11
Aanvullend onderzoek herpetofauna t.b.v. werkzaamheden compensatiegebied Korte Moermondsweg te Renesse
Figuur 4: Ligging van het plangebied ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland. (groen gearceerd).
12
Aanvullend onderzoek herpetofauna t.b.v. werkzaamheden compensatiegebied Korte Moermondsweg te Renesse
3.
Wettelijk kader In Nederland is de bescherming van belangrijke natuurwaarden vanaf 2017 wettelijk vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Het gaat hierbij zowel om bescherming van soorten als bescherming van gebieden. Onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming De provincies zijn sinds 1 januari 2017 verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wet natuurbescherming en dus ook voor ontheffingsaanvragen. Om een ontheffingsaanvraag in behandeling te nemen, dient het onderzoek aan goedgekeurde voorwaarden (o.a. ten aanzien van methode, intensiteit, periode, tijd tussen onderzoeksmomenten) te voldoen. Slechts als het onderzoek volgens deze voorwaarden uitgevoerd is, kan volgens de wetgever een goed onderbouwde uitspraak gedaan worden over; - de aanwezigheid van beschermde soorten; - de functie van een gebied of onderdelen binnen een gebied voor deze beschermde soorten; - het belang van een gebied of onderdelen binnen een gebied voor aanwezige beschermde soorten; - de effecten van plannen op deze soorten; - de keuze voor te nemen (mitigerende- en/of compenserende) maatregelen. De voorwaarden waaraan onderzoek moet voldoen, staan beschreven in de kennisdocumenten die in opdracht van de wetgever door BIJ12 opgesteld zijn en de inventarisatieprotocollen van het Netwerk Groene Bureaus.
Onderzoeken die niet volgens deze voorwaarden uitgevoerd zijn, kunnen volgens het bevoegd gezag geen basis en onderbouwing vormen van ontheffingsaanvragen en aanvragen zullen om die reden afgewezen worden. Het NWC is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus en werkt volgens bovengenoemde kennisdocumenten en inventarisatieprotocollen. Soortbescherming Voor dier- en plantensoorten zijn in de Wnb een aantal verbodsbepalingen opgenomen, waarvan vooral de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 belangrijk zijn in het kader van flora- en faunaonderzoek bij onder andere ruimtelijke ontwikkelingen (tekstvak 1). De verbodsbepalingen uit de artikelen gelden overal in Nederland, ongeacht het type of de omvang van de werkzaamheden of activiteiten die uitgevoerd worden. De bepalingen uit de Wnb kunnen daarom van invloed zijn op ruimtelijke ingrepen, zoals het aanleggen van infrastructuur, het slopen en realiseren van bebouwing, het uitbreiden van industriegebieden en het kappen van bomen. Ook bij het opstellen of herzien van bestemmingsplannen zijn de bepalingen uit de Wnb van belang. In het kader van het
13
Aanvullend onderzoek herpetofauna t.b.v. werkzaamheden compensatiegebied Korte Moermondsweg te Renesse
zorgvuldigheidsbeginsel en het voorzorgsbeginsel (Algemene Wet Bestuursrecht) dient bij het opstellen en herzien van bestemmingsplannen en bij (ruimtelijke) activiteiten een toetsing aan de Wnb plaats te vinden. Deze toetsing moet de volgende onderdelen bevatten: - Een inventarisatie van het voorkomen van wettelijk beschermde dier- en plantensoorten in het plangebied en binnen de invloedssfeer van de activiteit; - Een inventarisatie en beoordeling van (significant) nadelige effecten als gevolg van de activiteit, op beschermde soorten die binnen het plangebied en/of binnen de invloedssfeer van de activiteit aanwezig zijn; - Indien nodig een opname van maatregelen die de negatieve effecten op de beschermde soorten en hun leefgebieden mitigeren en/of compenseren. De Wnb kent drie categorieën van beschermde soorten die ook terug te vinden zijn in de artikelen met verbodsbepalingen: alle vogels uit de Europese Vogelrichtlijn (artikel 3.1), alle soorten die in de Europese Habitatrichtlijn vermeld worden (artikel 3.5) en “overige soorten” (artikel 3.10) die alleen op nationaal niveau beschermd worden. Provincies mogen afwijken van de lijst met “overige soorten” door vrijstelling te verlenen voor bepaalde soorten. Hierdoor kan deze lijst per provincie verschillen. Een overzicht van alle beschermde soorten is te vinden in bijlage 1.
Soorten Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn Wanneer één of meerdere verbodsbepalingen uit artikel 3.1 en/of artikel 3.5 Wnb overtreden worden door de voorgenomen activiteit, dient een ontheffing aangevraagd te worden bij de provincie waarin de activiteit plaatsvindt. Een ontheffing voor het overtreden van verbodsbepalingen wordt voor soorten uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn alleen verleend wanneer voldaan wordt aan elk van de volgende voorwaarden: - Er bestaat geen andere bevredigende oplossing; - Zij is nodig: −
In het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; of
−
In het belang van een dwingende reden van groot openbaar belang; of
−
In het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;
- Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Voor vogels kan echter geen beroep gedaan worden op belang b “dwingende reden van groot openbaar belang”. Wanneer overtreding van de verbodsbepalingen voorkomen kan worden door het treffen van mitigerende maatregelen, is het aanvragen van een ontheffing niet nodig. Wel kan in dergelijke gevallen toch ontheffing aangevraagd worden om de te treffen maatregelen
14
Aanvullend onderzoek herpetofauna t.b.v. werkzaamheden compensatiegebied Korte Moermondsweg te Renesse
goed te laten keuren. Indien het bevoegd gezag de maatregelen goedkeurt, wordt door hen een “positieve afwijzing” afgegeven. Tekstvak 1: Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming
Artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 Wet natuurbescherming: Artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van de dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5.
Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn of bijdrage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen of af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Artikel 3.10 1. Het is verboden: a) In het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten genoemd in de bijlage, onderdeel A bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b) De vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen; c) Vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Bij de aanvraag van een ontheffing in het kader van de Wnb zijn een activiteitenplan en, in sommige gevallen, een compensatieplan noodzakelijk. Hierin staan de bevindingen uit de flora- en faunatoets vermeld en worden maatregelen beschreven die uitgevoerd zullen worden om ervoor te zorgen dat de nadelige effecten op beschermde plant- en
15
Aanvullend onderzoek herpetofauna t.b.v. werkzaamheden compensatiegebied Korte Moermondsweg te Renesse
diersoorten in en binnen de invloedssfeer van de activiteit zoveel mogelijk te voorkomen, dan wel te beperken. Overige soorten Voor de soorten uit deze categorie geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 mits een door het ministerie van EZ goedgekeurde gedragscode van toepassing is op de activiteit. Indien aantoonbaar gewerkt kan worden volgens een dergelijke gedragscode, hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden voor het overtreden van één of meerdere verbodsbepalingen uit artikel 3.10 van de Wnb. Indien er geen goedgekeurde gedragscode van toepassing is op de activiteit of het niet mogelijk is om volgens een dergelijke gedragscode te werken, dient bij overtreding van verbodsbepalingen wel een ontheffing aangevraagd te worden. De ontheffing kan voor deze soorten echter op grond van meer belangen verleend worden dan het geval is voor de Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten. Zorgplicht Tenslotte geldt voor alle plant- en diersoorten (ook de onbeschermde) de zorgplicht uit artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming. Deze houdt in dat mogelijke nadelige gevolgen voor planten en dieren, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten worden. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden en hun bijzondere natuurwaarden vindt onder de Wet natuurbescherming plaats via Europese Natura 2000 -gebieden.
De Wet Natuurbescherming regelt de bescherming van specifieke natuurwaarden in gebieden die in het kader van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn aangewezen en/of aangemeld zijn als speciale beschermingszone (Natura 2000-gebieden). Voor deze beschermde gebieden zijn aanwijzingsbesluiten opgesteld waarin beschreven staat voor welke (natuurlijke) habitats en dier- en plantensoorten het gebied aangewezen is. Voor deze kwalificerende waarden zijn instandhoudingsdoelen opgesteld. Projecten, plannen en andere handelingen die nadelige effecten hebben op één of meerdere instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied, zijn vergunningplicht of moeten de goedkeuring, een “bestuurlijk oordeel”, van het bevoegd gezag hebben (in veel gevallen zijn dit Gedeputeerde Staten en in andere gevallen is dit de minister van Economische Zaken). Zij oordelen dan dat een vergunning niet nodig is. Of deze goedkeuring wordt gegeven, is afhankelijk van de uitkomst van de zogenaamde habitattoets. Uit de habitattoets kunnen drie mogelijkheden volgen: - Er is zeker geen nadelig effect. In dit geval is er geen vergunning nodig in het kader van de Wet natuurbescherming; - Er is sprake van een nadelig effect in de vorm van verstoring, maar dit is niet significant en er is geen sprake van verslechtering van aangewezen habitats. Hieruit
16
Aanvullend onderzoek herpetofauna t.b.v. werkzaamheden compensatiegebied Korte Moermondsweg te Renesse
-
volgt dat een vergunningaanvraag niet aan de orde is. Wel is een bestuurlijk oordeel van het bevoegd gezag nodig; Er is sprake van een mogelijk significant nadelig effect in de vorm van verstoring en/of er is sprake van verslechtering van aangewezen habitats. In dit geval dient een passende beoordeling opgesteld te worden en is een vergunning nodig.
Een ‘passende beoordeling’ is een rapport waarin (de zo exact mogelijke omvang van) de effecten, afzonderlijk of in combinatie met andere activiteiten, van een plan, project of handeling op een Natura 2000-gebied beschreven staan. Deze nadelige effecten worden in relatie tot de instandhoudingsdoelen bepaald. Indien uit de passende beoordeling volgt dat er significant nadelige gevolgen op zullen treden, moeten de plannen getoetst worden aan de zogenaamde ADC-criteria; 1. Zijn er Alternatieven? 2. Is er sprake van een Dwingende reden van groot openbaar belang? 3. Zijn er Compenserende maatregelen voorzien? Wanneer er een alternatief bestaat voor de voorgenomen plannen dat niet tot significant nadelige effecten op instandhoudingsdoelstellingen leidt, moet dit alternatief gekozen worden. De ecologische belangen hebben in dit geval voorrang op economische belangen. Wanneer er geen alternatieven voorhanden zijn, er sprake is van een dwingende reden van groot openbaar belang en/of er voldoende compenserende maatregelen getroffen worden, kan vergunning voor de voorgenomen plannen verleend worden. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) is een Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk.
De bescherming van het natuurnetwerk is opgenomen in de Verordening Ruimte van de desbetreffende provincie en valt hiermee buiten de Wet Natuurbescherming. Natuurwaarden van het NNN worden afgemeten aan doelsoorten. Het is belangrijk dat verlies van en winst aan belangrijke natuurwaarden hieraan worden afgemeten. Ruimtelijke ingrepen moeten vooraf worden getoetst op hun effect op het areaal, de samenhang en de kwaliteit van het NNN. Ingrepen die geen significant negatief effect op wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN hebben, kunnen in principe doorgang vinden. Als echter het tegenovergestelde geldt, hangt doorgang van de plannen onder meer af van het belang van de plannen en van de mogelijkheden voor mitigatie en compensatie. Hierbij geldt het 'Nee, tenzij-regime'. Per saldo dient de kwaliteit en/of kwantiteit van het NNN te verbeteren. Waar Natura 2000 -gebieden met het NNN overlappen, blijft ook het NNN-regime gelden.
17
Aanvullend onderzoek herpetofauna t.b.v. werkzaamheden compensatiegebied Korte Moermondsweg te Renesse
18
Aanvullend onderzoek herpetofauna t.b.v. werkzaamheden compensatiegebied Korte Moermondsweg te Renesse
4.
Methode Uit een eerder uitgevoerde quickscan, is gebleken dat het plangebied mogelijk functionele leefomgeving is voor de Rugstreeppad (Epidalea calamita), Heikikker (Rana arvalis) en Levendbarende hagedis (Zootoca vivipara) (Salomons, 2022). Deze soorten zijn alle drie beschermd onder de Wet natuurbescherming (artikel 3.5, 3.10, bijlage 1). Verstoring of doden van deze soorten, alsook het opzettelijk vernietigen van leefgebied van deze soorten, is verboden. Omdat het plangebied potentieel geschikt leefgebied voor deze soorten vormt, en deze soorten ook in de omgeving van het plangebied voorkomen, is onderzocht of ze ook in het plangebied zelf aanwezig zijn. Op deze manier kan er bepaald worden of aanvullende maatregelen nodig zijn om de geplande werkzaamheden uit te kunnen voeren. In het kader van de Wet natuurbescherming is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Deze quickscan bestond uit een literatuuronderzoek en een veldbezoek. Tijdens het literatuuronderzoek is er bepaald welke wettelijk beschermde dier- en plantensoorten er potentieel in het plangebied voor konden komen. Dit is bepaald op basis van informatie van de ecologie van soorten en de verspreidingsgegevens van soorten verzameld door de verschillende soortenorganisaties Dit literatuuronderzoek heeft de basis gelegd voor het veldbezoek.
Tijdens het veldbezoek is gezocht naar sporen en individuen van beschermde soorten in, en in de directe omgeving van, het plangebied. Hierbij is extra gelet op de soorten waarvan uit het literatuuronderzoek bleek dat deze in het plangebied voor konden komen. Levendbarende hagedis Bij aanwezigheid van de Levendbarende hagedis kan ervan uitgegaan worden dat in het gebied binnen enkele honderden meters van de waarneming op alle plekken die daarvoor geschikt zijn vaste voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van de Levendbarende hagedis aanwezig zijn, evenals de essentiële omgeving die nodig is om deze plekken als zodanig te laten functioneren. Rugstreeppad en Heikikker De Rugstreeppad is een typische pioniersoort, die vergraafbaar zand nodig heeft als overwinteringshabitat en ondiepe, tijdelijke plassen gebruikt als voortplantingshabitat. De soort komt daardoor zowel in natuurlijke habitats zoals duinen, als in door mensen open gemaakte gebieden zoals bouwterreinen voor. In de omgeving van het plangebied is de aanwezigheid van de Rugstreeppad al bekend. Omdat er in het plangebied zowel een zandhoop als ondiepe plassen op de parkeerplaats aanwezig zijn, en het plangebied op ongeveer een kilometer van duingebied af ligt, is het te verwachten dat de Rugstreeppad ook in het plangebied voorkomt.
Voor de Heikikker geldt ook dat het plangebied mogelijk geschikte leefomgeving is, en deze soort is op twee kilometer van het plangebied waargenomen.
19
Aanvullend onderzoek herpetofauna t.b.v. werkzaamheden compensatiegebied Korte Moermondsweg te Renesse
Herpetoplaten-onderzoek Om de functionaliteit van het plangebied voor de Rugstreeppad, Heikikker en Levendbarende hagedis in kaart te brengen is onderzoek met herpetoplaten uitgevoerd. Hiervoor zijn vier raaien van steeds tien herpetoplaten geplaatst, in raaien van steeds 10 platen (figuur 5), welke in totaal zeven keer gecontroleerd zijn in de periode juli-augustus. Voor geldige inventarisatie is het nodig dat er minstens vijf bezoeken met geschikte weersomstandigheden (idealiter vochtig weer) plaatsvinden. Voor de droge weersomstandigheden tijdens de onderzoeksperiode is daarom besloten om extra bezoeken te laten plaatsvinden. Herpetoplaten worden door amfibieën en reptielen gebruikt om zich onder te verstoppen en om op te warmen, aangezien het koudbloedige dieren zijn. Onderzoek door middel van herpetoplaten geeft geen duidelijk beeld over de populatiegrootte maar kan wel de functie van het gebied voor de herpetofauna aantonen. De eerste controle is in de resultaten niet meegenomen omdat de herpetoplaten toen vanwege maaiactiviteit verplaatst waren. Voorafgaand aan het herpetoplatenonderzoek is het plangebied ook tweemaal bezocht met als doel om voortplantingsplaatsen van amfibieën vast te stellen aan hand van hun koorroep. Hiervoor is het belang dat de bezoeken in de periode eind april-begin mei plaatsvinden, op warme avonden met relatief weinig wind.
De weersomstandigheden (gemiddelde temperatuur, bewolking en gemiddelde windsnelheid) van alle bezoeken staan vermeld in onderstaande tabel. Tabel 1. Weersomstandigheden voor inventarisatie van Rugstreeppad, Heikikker (alle data) en Levendbarende hagedis (juli/augustus). Begin- en eindtijd van de bezoeken zijn op locatie zelf en zijn dus exclusief reistijd.
Datum
Begintijd Eindtijd
MedeTemp. werkers (°C)
Wind (Bft)
Bewolking
Neerslag
21-04-2023
20:30
23:00
2
9
4
7/8
Droog
05-05-2023
20:15
21:45
1
14
1
2/8
Droog
03-07-2023
11:00
13:00
1
25
3
3/8
Droog
12-07-2023
19:00
19:45
2
19
5
3/8
Droog
19-07-2023
21:15
23:30
2
19
4
5/8
Droog
28-07-2023
11:45
13:10
2
19
4
8/8
Droog
04-08-2023
15:30
15:35
2
20
3
4/8
Droog
08-08-2023
15:15
16:00
1
19
5
4/8
Droog
29-08-2023
14:15
15:15
1
21
3
3/8
Droog
30-08-2023
12:00
13:00
2
18
3
4/8
Droog
20
Aanvullend onderzoek herpetofauna t.b.v. werkzaamheden compensatiegebied Korte Moermondsweg te Renesse
Figuur 5. Locaties van raaien (blauw) binnen het plangebied (rood). In elke raai zijn 10 herpetoplaten geplaatst. De westzijde van het plangebied bestaat voornamelijk uit bos en bebouwing, wat geen optimaal habitat voor de onderzochte soorten vormt.
Overige waarnemingen Dit aanvullend onderzoek is aangevraagd en uitgevoerd voor herpetofauna, in het bijzonder de Heikikker, Levendbarende hagedis en Rugstreeppad. Desondanks zullen er in het veld ook waarnemingen van andere soorten gedaan worden. Deze soorten staan ook in het rapport vermeld en zullen zo nodig meegenomen worden in de discussie. De focus van dit rapport ligt echter op de soorten waarnaar dit onderzoek is uitgevoerd.
21
Aanvullend onderzoek herpetofauna t.b.v. werkzaamheden compensatiegebied Korte Moermondsweg te Renesse
22
Aanvullend onderzoek herpetofauna t.b.v. werkzaamheden compensatiegebied Korte Moermondsweg te Renesse
5.
Resultaten
De Levendbarende hagedis en Heikikker zijn bij geen van de bezoeken aangetroffen. Tijdens de bezoeken in eind april-begin mei is van de Rugstreeppad zowel ten noorden van het plangebied, als in het plangebied zelf, koorroep gehoord. Bij latere bezoeken is de Rugstreeppad niet meer gezien/gehoord, maar dit kan verband hebben met de erg droge periode tijdens de zomerbezoeken. Tijdens de eerder uitgevoerd quickscan, was al vastgesteld dat er zich binnen het gebied mogelijk overwinterings- en voortplantingshabitat (respectievelijk een zandhoop en een ondiepe plas op de parkeerplaats) voor de Rugstreeppad binnen het plangebied bevinden (bijlage 1, figuren 1 en 2). In Nederland komt de Rugstreeppad plaatselijk zeer algemeen voor, maar heeft over het algemeen een versnipperd leefgebied. Voor instandhouding van Rugstreeppadpopulaties, is het noodzakelijk dat de verschillende leefgebieden en populaties met elkaar in verbinding staan. Een gezonde populatie Rugstreeppadden bestaat dan ook uit minstens 100-200 adulte Rugstreeppadden, en staat in verbinding met andere populaties. Tijdens de veldbezoeken zijn verspreid over het gebied ook nog drie andere amfibieënsoorten waargenomen: Groene kikker (Pelophylax spec.), Bruine kikker (Rana temporaria) en Gewone pad (Bufo bufo).
Van elk van deze soorten waren minstens vijf individuen aangetroffen, tijdens ten minste twee verschillende veldbezoeken. Dit zijn echter geen strikt beschermde soorten. Verder zijn er op enkele locaties midden in het plangebied muizen, inclusief een nest, gezien en zijn er aan de noordzijde van het gebied uitwerpselen van zowel Damhert (Dama dama) als Konijn (Oryctolagus caniculus) gevonden. De enige beschermde muizensoort die in Zeeland niet vrijgesteld is van de Wnb en in de omgeving van het plangebied voorkomt, is de Noordse woelmuis. Op basis van verspreiding en biotoop kan er echter uitgesloten worden dat het muizennest van de Noordse woelmuis is, en kan dus aangenomen worden dat het een niet-beschermde of vrijgestelde soort betreffen. Het Damhert en het Konijn zijn beide wettelijk beschermde soorten. Ten slotte is er nog een Groene specht (Picus viridis) gezien. De Groene specht is een categorie 5 broedvogel. Een overzicht van alle waargenomen soorten binnen het plangebied is te zien in figuur 6.
23
Aanvullend onderzoek herpetofauna t.b.v. werkzaamheden compensatiegebied Korte Moermondsweg te Renesse
Figuur 6. Overzicht van alle waargenomen dieren binnen het plangebied tijdens de veldbezoeken.
24
Aanvullend onderzoek herpetofauna t.b.v. werkzaamheden compensatiegebied Korte Moermondsweg te Renesse
6.
Effecten, verplichtingen en zorgplicht
6.1. Effecten en verplichtingen Rugstreeppad Vanwege de kooractiviteit van de Rugstreeppad binnen het plangebied, dient ervan uitgegaan te worden dat het gehele gebied functionele leefomgeving voor deze soort bevat. De ontwikkeling van het plangebied tot compensatiegebied kan hierbij een negatief effect hebben op de geschiktheid als functionele leefomgeving voor de Rugstreeppad, indien geen rekening gehouden wordt met het geschikt houden of optimaliseren van het gebied voor de Rugstreeppad. Werkzaamheden die een negatief effect op de rugstreeppad als gevolg hebben, zijn in overtreding zijn met artikel 3.5, lid 2 en 4 uit de Wet natuurbescherming. Hetzelfde geldt wanneer er Rugstreeppadden, al dan niet opzettelijk, bij de werkzaamheden verwond of gedood worden. Indien de ontwikkelingen in het plangebied uitgevoerd gaan worden, dient er daarom eerst een ontheffing Wnb aangevraagd te worden, waarbij er een aangepast activiteitenplan opgesteld wordt. In dit activiteitenplan worden de maatregelen beschreven die genomen zullen worden om de nadelige effecten op de Rugstreeppad en de functionele leefomgeving van deze soort zoveel mogelijk te voorkomen.
Bij de ontwikkeling van het compensatiegebied is het ook mogelijk om elementen in het ontwerp aan te brengen die een kwaliteitspuls aan het plangebied geven, en zo een positief effect uitoefenen op de aanwezige Rugstreeppadpopulatie in (de omgeving van) het plangebied. Indien deze kwaliteitspuls groot genoeg is (de negatieve effecten tijdens de werkzaamheden minstens tenietdoet) kan wellicht voorkomen worden dat er een ontheffing nodig is. Bovendien zou een kwaliteitspuls voor de Rugstreeppad ook positieve effecten voor de wezel met zich meebrengen, aangezien de Rugstreeppad onderdeel van het dieet van de Wezel vormt. Maatregelen om het plangebied geschikter te maken gaan voor de Rugstreeppad en de Wezel dus hand in hand. Suggesties om het plangebied geschikter te maken voor de Rugstreeppad worden gegeven in hoofdstuk 6.3 van dit rapport. Om de langetermijneffecten van de werkzaamheden voor de Rugstreeppad te kunnen bepalen, moet gekeken worden naar de gunstige staat van instandhouding van de soort op lokaal niveau en naar de landelijke staat van instandhouding van de soort. De staat van instandhouding wordt als gunstig beschouwd wanneer: •
Uit populatiedynamische gegevens blijkt dat de Rugstreeppad nog steeds een levensvatbare component is van de natuurlijke habitat waarin de soort voorkomt, en dat vermoedelijk op langere termijn zal blijven;
•
Het natuurlijke verspreidingsgebied van de Rugstreeppad niet kleiner wordt of binnen afzienbare tijd lijkt te zullen worden;
25
Aanvullend onderzoek herpetofauna t.b.v. werkzaamheden compensatiegebied Korte Moermondsweg te Renesse
•
Er een voldoende groot habitat bestaat en waarschijnlijk zal blijven bestaan om de populatie van de Rugstreeppad op lange termijn in stand te houden.
Volgens het kennisdocument van de Rugstreeppad dat is opgesteld door BIJ12, komt de Rugstreeppad plaatselijk zeer algemeen voor. Vooral in natuurlijke wateren in duinen en aanliggende gronden. In het rivierengebied, in polders in west-Nederland en in de Noordoostpolder is deze soort lokaal algemeen. De verspreiding van de Rugstreeppad is nog niet volledig in beeld gebracht. De soort is sinds 1970 veertig procent in verspreiding achteruitgegaan. De landelijke trend in aantallen Rugstreeppadden laat een matige afname zien. Rugstreeppadden leven in netwerkpopulaties. Ze kunnen vaak in lage dichtheden voorkomen. Het voortplantingssucces is in lage aantallen gering en is een gevolg van het feit dat het gebied op dat moment niet of nauwelijks geschikt is voor de Rugstreeppad. Als het gebied opeens geschikt wordt, bijvoorbeeld door plasvorming, nemen de aantallen snel toe. De minimale oppervlakte die benodigd is voor een populatie Rugstreeppadden is moeilijk te bepalen. Hier is geen eenduidige maatstaaf voor beschikbaar. In het algemeen kan men zeggen dat een populatie niet geïsoleerd mogen raken. Hoewel de veldbezoeken tijdens een droge periode gedaan zijn, wat niet ideaal is voor de Rugstreeppad, is er toch één keer een Rugstreeppad in het plangebied gehoord. Ook aan de duinzijde, net buiten het plangebied is een Rugstreeppad gehoord.
Dit alles wijst erop dat het plangebied goed als leefgebied door de Rugstreeppad gebruikt kan worden. De gunstige staat van instandhouding komt niet in het geding omdat de Rugstreeppad ook in de nabijgelegen duinen voorkomt. Het plangebied kan daarom onderdeel van het totale leefgebied vormen, of een (minder optimaal) nieuw bevolkt stuk van het leefgebied zijn. Wanneer het plangebied tijdens werkzaamheden opeens geschikter wordt, bijvoorbeeld door plasvorming, zal dit echter Rugstreeppadden aantrekken, waardoor weer rekening gehouden dient te worden met eerdergenoemd artikel 3.5, lid 2 en 4 uit de Wet natuurbescherming. Omdat het plangebied een compensatiegebied wordt om extra natuur te creëren, zullen de werkzaamheden op de lange termijn geen negatieve gevolgen hebben, mits er open delen met vergraafbaar zand en ondiepe plassen aanwezig blijven. Indien het plangebied juist ingericht wordt, kan het uiteindelijk ook een kwaliteitsimpuls voor de Rugstreeppad leveren, en daarmee de totale populatie van Rugstreeppadden versterken/ondersteunen. Andere soorten Herpetofauna Tijdens dit aanvullend onderzoek zijn Bruine kikker, Gewone pad en Groene kikker meermaals in het plangebied aangetroffen. Dit zijn geen strikt beschermde soorten, en
26
Aanvullend onderzoek herpetofauna t.b.v. werkzaamheden compensatiegebied Korte Moermondsweg te Renesse
voor deze soorten geldt dus alleen de zorgplicht (hoofdstuk 6.2 “Zorgplicht”). Indien aan de zorgplicht wordt voldaan, worden geen negatieve effecten van de geplande werkzaamheden op deze soorten verwacht. Andere herpetofauna, zoals de strikt beschermde Heikikker en Levendbarende hagedis, zijn niet aangetroffen, en van deze soorten kan dus aangenomen worden dat deze niet in het plangebied aanwezig zijn. Damhert Tijdens dit aanvullend onderzoek zijn op één locatie binnen het plangebied keutels van het Damhert aangetroffen. Dit is in Nederland een strikt beschermde soort. Het Damhert is een soort waarvan bekend is dat deze een grote vrij levende populatie in het, nabij het plangebied gelegen, duingebied van Kop van Schouwen heeft (zoogdiervereniging, n.d.). De locatie van het plangebied buiten deze duinen, alsook het feit dat slechts op één locatie binnen het plangebied uitwerpselen van deze soort zijn gevonden, wijst erop dat het plangebied geen essentieel deel van de leefomgeving van het Damhert vormt. Het plangebied zal hooguit af en toe als foerageergebied gebruikt worden. Verder vormt het voornaamste habitat van het Damhert lichte loof- of gemengde bossen, zolang er maar voldoende gras aanwezig is. Dit is aanwezig in het plangebied en zal minstens evenveel aanwezig blijven bij de voorgenomen plannen.
Bovendien is dit biotoop ook in de directe omgeving van het plangebied (vooral direct ten oosten en westen van het plangebied) aanwezig. Samengevat betekent dit dat er geen negatieve effecten van de geplande werkzaamheden op het Damhert verwacht worden, omdat het plangebied geen essentieel leefgebied voor deze soort vormt, het niet in kwaliteit voor deze soort achteruit gaat en er voldoende uitwijkmogelijkheid in de directe omgeving is om ook negatieve effecten door verstoring tijdens de werkzaamheden uit te kunnen sluiten. Konijn Tijdens dit aanvullend onderzoek zijn op één locatie binnen het plangebied keutels van het Konijn aangetroffen. Dit is in Nederland een strikt beschermde soort, waarvoor in de provincie Zeeland tegenwoordig geen vrijstelling meer geldt. Konijnen zijn sociale dieren die met families in holen leven, waarbij elk hol maximaal tien leden bevat (zoogdiervereniging.nl, n.d.). Het voornaamste leefgebied bevindt zich in de directe omgeving van het hol, zolang zich hier voldoende voedsel bevindt. Het essentiële leefgebied van het Konijn is daardoor makkelijk te herkennen aan de aanwezigheid van een of meerdere holen en de aanwezigheid van meerdere latrines (plekken waar veel gepoept wordt). Een belangrijke voorwaarde voor het leefgebied van het Konijn, is de aanwezigheid van vergraafbare, zandige bodem.
Om deze reden zijn Konijnen voornamelijk talrijk in duingebieden. Er is geen reden om te vermoeden dat het plangebied essentiële leefomgeving voor het Konijn vormt. Er zijn geen holen gevonden (ook niet in de vergraafbare, zandige plekken in het plangebied, welke voor de herpetofauna ook grondig zijn bekeken). Bovendien is er maar één plek met keutels gevonden, en er bevindt zich voldoende geschikt
27
Aanvullend onderzoek herpetofauna t.b.v. werkzaamheden compensatiegebied Korte Moermondsweg te Renesse
leefgebied in de omgeving van het plangebied. Indien het plangebied essentieel leefgebied voor het Konijn zou vormen, zouden er op zijn minst meerdere latrines verwacht worden. Verder zal het plangebied bij de voorgenomen plannen ook nog steeds geschikt leefgebied voor het Konijn blijven vormen. Om deze redenen worden geen negatieve effecten van de voorgenomen plannen op het Konijn verwacht. Groene specht Tijdens dit aanvullend onderzoek is er éénmaal een Groene specht binnen het plangebied gehoord. Dit is een categorie 5 broedvogel, waarvoor het volgende geldt: “Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd.” (habitus.nl, n.d.) Omdat de Groene specht slechts éénmaal gehoord is, is het de vraag of het plangebied essentieel leefgebied voor deze soort vormt en/of een nest van deze soort bevat. Bovendien bevindt zich genoeg soortgelijk habitat (loofbos) als in het plangebied aanwezig is, ook in de omgeving van het plangebied, en zal het bos binnen het plangebied behouden blijven.