1022793 Bijlage 3 RO Kleinschalig zonnepark
Tekst van het document
Broedvogels en niet-broedvogels in Grevelingen De verandering van de waterkwaliteit in Grevelingen als gevolg van het gewijzigd, geoptimaliseerd gebruik van het Krammersluizencomplex leidt niet tot verandering in de voedselomstandigheden van planten etende, bodemfauna etende of vis etende vogels. Significant negatieve effecten op broedvogels en niet-broedvogels in Grevelingen zijn uit te sluiten.
Bodemfauna etende vogels in Oosterschelde Voor de belangrijkste vogels die op de droogvallende platen van de noordelijke tak van de Oosterschelde foerageren (scholekster, bonte strandloper, wulp, tureluur, groenpootruiter en rosse grutto) geldt dat zij een breed palet aan prooisoorten benutten. Bij afname van één prooisoort kunnen zij overschakelen naar andere prooisoorten. Het is daarom niet waarschijnlijk dat bodemfauna etende vogels te kampen krijgen met een voedseltekort als er een wijziging in de bodemfaunasamenstelling plaatsvindt. Significante effecten door verhoogde zoetbelasting op de instandhoudingsdoelstellingen van bodemfauna etende vogels zijn uitgesloten. Monitoringsprogramma In paragraaf 8.2 van de PB is aangegeven welke aspecten deel uitmaken van het monitoringsprogramma. Dit betreft: - Het effect van gewijzigde aanvoer van minder zout water op bodemfauna; - Effect van gewijzigde bodemfaunasamenstelling op foeragerende vogels; - Effect van verhoogde aanvoer van nutriëntenrijk water op primaire productie;
27
Ruimtelijke onderbouwing ‘Kleinschalig zonnepark, Krammersluizencomplex’ – 6 juni 2023
-
Effect van verhoogde aanvoer van nutriëntenrijk water op algensamenstelling.
Het monitoringprogramma moet duidelijkheid geven over de optredende zoutgehalten als gevolg van het toegepaste spoel- en spuibeheer en de hierboven genoemde effecten. De uitkomsten van het monitoringsprogramma worden voorgelegd aan het bevoegd gezag, zoals opgenomen in voorschrift 17 tot en met 19.
Stikstofdepositie
Voor het aspect stikstof is een stikstofdepositieberekening gemaakt en meegenomen in de Passende beoordeling. De stikstofdepositieberekening maakt onderdeel uit van de Wnb-vergunning. Cumulatie Bij vergunningverlening voor een project moet een beoordeling plaatsvinden van de cumulatieve gevolgen als het project, afzonderlijk of in combinatie met andere projecten, significante gevolgen kan hebben voor het desbetreffende Natura 2000- gebied. Een vergunning kan alleen verleend worden als het project afzonderlijk of in combinatie met andere projecten geen significante gevolgen heeft. Hiervoor is geconcludeerd dat de uitvoering van de voorgenomen activiteit zelfstandig beschouwd, geen significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor de gebieden zijn aangewezen. In de aangeleverde PB is een volledige en juiste cumulatietoetsing is uitgevoerd. Conclusie Met de uitgevoerde PB, de daarbij behorende rapportages en documenten, de vergunningvoorschriften en mitigerende maatregelen is de zekerheid verkregen dat het project waarvoor de vergunning is aangevraagd, niet leidt tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden Krammer-Volkerak, Oosterschelde en Grevelingen.
Voorschriften Wnb vergunning d.d.25 juli 2022 Ter bescherming van de in de Natura 2000-gebieden Krammer-Volkerak, Oosterschelde en Grevelingen aanwezige beschermde natuurwaarden, worden de navolgende voorschriften aan de Wnb vergunning verbonden. Algemeen 1. Deze vergunning staat op naam van Rijkswaterstaat Zee en Delta (hierna vergunninghouder) (of diens rechtsopvolger). 2. Deze vergunning wordt uitsluitend gebruikt door (medewerkers van) de vergunninghouder of door (rechts)personen die aantoonbaar in opdracht van de vergunninghouder handelen. De vergunninghouder blijft daarbij verantwoordelijk voor de juiste naleving van deze vergunning. 3. De in voorschrift 2 genoemde (rechts)personen beschikken op de plaats waar de vergunde activiteit wordt uitgevoerd over een (digitaal) exemplaar van deze beschikking, inclusief alle daarbij behorende bijlagen. 4. De in voorschrift 2 genoemde (rechts)personen zijn aantoonbaar op de hoogte van de inhoud en het doel van deze voorschriften en beperkingen 5. Het tijdstip waarop de vergunde activiteit daadwerkelijk wordt gestart, wordt minimaal drie weken voor de aanvang ervan gemeld aan de Minister van Landbouw, Natuur en
28
Ruimtelijke onderbouwing ‘Kleinschalig zonnepark, Krammersluizencomplex’ – 6 juni 2023
Voedselkwaliteit ter attentie van het Team Natuurvergunningen (hierna: het bevoegd gezag). 6. De vergunde activiteit wordt uitgevoerd zoals de aangegeven in de aanvraag en bijbehorende passende beoordeling en volgens de voorschriften en beperkingen die aan deze vergunning zijn verbonden. Bij eventuele strijdigheid van de aanvraag en de voorschriften en beperkingen van deze vergunning hebben de laatste voorrang. 7. Als zich een incident voordoet, meldt de vergunninghouder dit met alle relevante gegevens onmiddellijk aan het bevoegd gezag. Een incident is in dit geval een onvoorziene gebeurtenis waardoor schade aan de natuurlijke kenmerken in het betrokken beschermde gebied is of kan worden toegebracht, bijvoorbeeld wanneer onbedoeld vrijgekomen schadelijke stoffen een habitattype of habitat- of vogelrichtlijnsoort bedreigen. 8. Als zich een incident voordoet, is de vergunninghouder verplicht eventuele verontreinigingen zo mogelijk direct te verwijderen en de eventueel opgetreden schade voor zover mogelijk te herstellen, zulks ter beoordeling van het bevoegd gezag. 9. De vergunninghouder volgt de aanwijzingen op die het bevoegd gezag geeft. 10. Zodra de werkzaamheden met betrekking tot de vergunde activiteit feitelijk zijn beëindigd, meldt de vergunninghouder dit uiterlijk binnen 1 week bij het bevoegd gezag. 11.
Alle correspondentie met betrekking tot deze vergunning kan per reguliere post of per email (wetnatuurbescherming@minlnv.nl) worden gedaan. Nadere inhoudelijke voorschriften 12. De werkzaamheden mogen gedurende het broedseizoen (van 1 april tot 1 augustus) aan de meest nabijgelegen rand van de broedkolonies zwartkopmeeuw op het schiereiland niet leiden tot een geluidsniveau dat hoger is dan 47 dB(A). 13. De werkzaamheden mogen aan de meest nabijgelegen rand van het leefgebied van de noordse woelmuis op het sluiseiland niet leiden tot piekgeluidniveau dat hoger is dan 75 dB(A). 14. Om te voorkomen dat de noordse woelmuis wordt weggeconcurreerd door andere soorten binnen het sluiseiland worden wildroosters aangelegd om andere muizensoorten en predatoren te weren en wordt er gewerkt met gegarandeerd ‘schone grond’. Spoel- en spuibeheer 15. Bij het in gebruik nemen van de sluis wordt een spoel- en spuibeheer met zo laag mogelijke spoel- en spuidebieten aangehouden. In het zomerhalfjaar wordt de grens van 25 psu niet onderschreden, in de winter wordt de grens van 20 psu niet onderschreden. 16. Voor de optimalisatie van het spoel- en spuibeheer gelden de volgende uitgangspunten: - Het vismigratie- en spuimiddel wordt het hele jaar door ingezet voor vismigratie en alleen in het winterhalfjaar gebruikt om te spuien.
- Het debiet naar de Oosterschelde wordt in het zomerhalfjaar, voor de bodemfauna de meest kritische periode, beperkt tot circa 9 m3/s. Dit debiet komt overeen met de huidige situatie. - Het zoete water wordt door aanpassing van het beheer zoveel mogelijk via de Voorhaven geleid en het debiet zoet water naar het Slaak wordt zoveel mogelijk beperkt. - Daarnaast wordt een ‘gebruiksscenario’ achter de hand gehouden, waarbij tijdelijk, bijvoorbeeld bij de overgang van winter- naar zomergebruik en vice versa, een lager debiet dan het winterdebiet wordt afgevoerd.
29
Ruimtelijke onderbouwing ‘Kleinschalig zonnepark, Krammersluizencomplex’ – 6 juni 2023
Monitoring 17. Bij de inwerkingtreding van het ZZS start een monitoringsprogramma zoals aangegeven in hoofdstuk 8 van de PB. Het monitoringprogramma is gericht op de mogelijke effecten van het spui- en spoelbeheer. 18. De vergunninghouder stuurt ten minste eenmaal per jaar vóór 15 maart een rapportage van de resultaten van het afgelopen kalenderjaar van het monitoringprogramma schriftelijk of per mail naar het bevoegd gezag. 19. Het monitoringprogramma heeft een looptijd tot het spoel- en spuibeheer goed is ingeregeld ten aanzien van de mogelijke ecologische effecten, met een minimum van 6 jaar. Toezicht 20. De vergunninghouder voert een administratie met daarin alle documenten die betrekking hebben op deze vergunning en op de naleving van de voorschriften, in het bijzonder de voorschriften 12 tot en met 19. 21. De vergunninghouder geeft alle medewerking aan de aangewezen toezichthouder en opsporingsambtenaren. 22. De vergunninghouder toont informatie en documenten op verzoek aan de bevoegde toezichthouder en opsporingsambtenaren. Looptijd en geldigheid 23. De vergunning is geldig tot en met het moment dat de vergunde activiteit wordt beëindigd (zie voorschrift 10), en uiterlijk tot en met 31 december 2030. 24.
Met betrekking tot het monitoringprogramma, in combinatie met voorschrift 16, geldt de vergunning tot het moment van beëindigen van het monitoringprogramma, doch ten minste tot 15 maart 2037. Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.5
Bedrijven en milieuzonering Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering 2009’ wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. De beoogde ontwikkeling is geen gevoelige bestemming in het kader van de voormelde VNGbrochure. Ook zorgt de beoogde ontwikkeling niet voor belemmeringen van in de omgeving aanwezige gevoelige bestemmingen. Op het Krammersluizencomplex zijn geen gevoelige bestemmingen aanwezig. Het aspect milieuhinder vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
30
Ruimtelijke onderbouwing ‘Kleinschalig zonnepark, Krammersluizencomplex’ – 6 juni 2023
4.6
Geluidhinder Wegverkeer Sinds 1 januari 2007 geldt de gewijzigde Wet geluidhinder (Wgh). Ingevolge artikel 74 Wgh zijn in principe alle wegen gezoneerd. Uitzondering op deze regel zijn wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km per uur geldt en woonerven. Voor gezoneerde wegen geldt een grenswaarde van 48 dB. Deze waarde wordt berekend op basis van Lden. Als een geluidzone geheel of gedeeltelijk binnen het plangebied valt, moet bij de voorbereiding van een bestemmingsplan akoestisch onderzoek worden verricht naar de geluidsbelasting op nieuwe woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen die geluidszone (artikel 77 Wgh). Dit heeft echter slechts betrekking op nieuwe ontwikkelingen die binnen 10 jaar worden voorzien. De beoogde ontwikkeling voorziet niet in het realiseren van woningen dan wel andere gevoelige bestemmingen. Industrielawaai Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en gevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. De beoogde ontwikkeling voorziet niet in geluidhinder op in de omgeving gevoelige bestemmingen.
Op het Krammersluizencomplex zijn geen gevoelige bestemmingen aanwezig. Het uitvoeren van akoestisch onderzoek is niet nodig.
4.7
Luchtkwaliteit In 2007 is een nieuw wettelijk stelsel voor luchtkwaliteitseisen van kracht geworden. Eén van de elementen daarvan is dat projecten die ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (NIBM) aan de concentraties, niet meer afzonderlijk getoetst hoeven te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Dit is vastgelegd in de ministeriële regeling NIBM. Er hoeft geen afzonderlijke toets plaats te vinden indien het project of de activiteit maximaal 3% van de jaargemiddelde grenswaarde bijdraagt aan de concentraties fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 µg/m3 voor zowel PM10 als NO2. Het project is ‘in betekenende mate’ (IBM) als de toename voor één of beide stoffen hoger is. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een categorie uit de Regeling NIBM valt. Het gaat dan bijvoorbeeld om het realiseren van kantoor- en woningbouwlocaties. Het project is dan NIBM als ze onder de vastgestelde omvang blijft. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat het project de 3% grens niet overschrijdt. Hiervoor kunnen berekeningen nodig zijn. Dit mag ook als een project de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM overschrijdt.
Het is dan mogelijk om alsnog via berekeningen aannemelijk te maken dat de 3% grens niet wordt overschreden. Soms kan een kwalitatieve beschrijving voldoende zijn. Bijlagen 3A en 3B van de Regeling NIBM geven aan, in welke gevallen een nieuwe woningbouwlocatie in ieder geval NIBM is: 3% criterium (vanaf inwerkingtreding Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit):
31
Ruimtelijke onderbouwing ‘Kleinschalig zonnepark, Krammersluizencomplex’ – 6 juni 2023
1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg; 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling (voorschrift 3A.2).
De beoogde ontwikkeling is dermate kleinschalig en naar verhouding kleiner dan de realisatie van 1500 woningen bij minimaal 1 ontsluitingsweg. De beoogde ontwikkeling valt derhalve, naar analogie, onder het 3% criterium waardoor het aangemerkt kan worden als zijnde NIBM. Dit betekent dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
4.8
Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid van degenen die niet bij de risicovolle activiteit zelf zijn betrokken, maar als gevolg van die activiteit wel risico’s kunnen lopen, zoals omwonenden. Bij ruimtelijke plannen dient aandacht te worden besteed aan de vraag of er risicovolle activiteiten in en/of nabij het plangebied aanwezig zijn dan wel komen en zo ja, of er sprake is van een toelaatbaar risico. Risicovolle activiteiten zijn: -
het opslaan, gebruiken en/of produceren van gevaarlijke stoffen (inrichtingen);
-
het vervoer van gevaarlijke stoffen over auto-, spoor- en waterwegen of door buisleidingen (transportroutes).
De beoogde ontwikkeling is geen risicovolle inrichtingen dan wel gevoelige bestemmingen waar met betrekking tot transportroutes rekening mee moet worden gehouden. Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. 4.9
Overige belemmeringen Niet-gesprongen conventionele explosieven De gemeente Schouwen-Duiveland maakt in het kader van niet-gesprongen conventionele explosieven gebruik van de ‘Beleidsnota Conventionele Explosieven’ (CE). Hierin is tevens een beleidskaart opgenomen. In dit beleid en op de bijbehorende kaart is vastgelegd in welke deelgebieden wel of geen nader onderzoek naar CE uitgevoerd moet worden voorafgaand aan grondroerende werkzaamheden. Op de CE beleidskaart wordt het gebied waarop dit bestemmingsplan betrekking heeft, aangeduid als verdacht gebied voor de aanwezigheid van CE. Bij alle grondroerende werkzaamheden dieper dan 0,5 m –mv, dient daarom onderzoek naar CE uitgevoerd te worden. Bij aanleg van het kunstmatige eiland is de grond reeds geroerd en is het zeer onwaarschijnlijk dat er momenteel nog niet-gesprongen explosieven worden aangetroffen. Daarnaast blijkt uit bureauonderzoek dat de kans op het aantreffen van niet-gesprongen explosieven zeer laag is. Op 25 april 2018 is hierover reeds gecorrespondeerd met de gemeente Schouwen-Duiveland en Rijkswaterstaat (zie bijlage 5). Conclusie: naderonderzoek naar niet-gesprongen explosieven is niet nodig.
32
Ruimtelijke onderbouwing ‘Kleinschalig zonnepark, Krammersluizencomplex’ – 6 juni 2023
33
Ruimtelijke onderbouwing ‘Kleinschalig zonnepark, Krammersluizencomplex’ – 6 juni 2023
5
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Kostenverhaal In de Wro is in afdeling 6.4 de regelgeving rondom grondexploitatie opgenomen. Centrale doelstelling van deze afdeling is om in de situatie van particuliere grondexploitatie te komen tot een verbetering van het gemeentelijk kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijke regie bij locatieontwikkeling. In artikel 6.12 van de Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 Bro is vastgelegd wat onder een bouwplan wordt verstaan. De 4 te realiseren kleinschalige zonneparken valt niet onder het begrip bouwplan. Een exploitatieplan hoeft niet te worden opgesteld. Economische uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling is een overheidsinitiatief. De gronden ter plaatse zijn van de rijksoverheid. De initiatiefnemer heeft de economische uitvoerbaarheid door middel van een exploitatieopzet aangetoond. Overeenkomstig artikel 3.1.6, lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening is het plan economisch uitvoerbaar gebleken.
34
Ruimtelijke onderbouwing ‘Kleinschalig zonnepark, Krammersluizencomplex’ – 6 juni 2023
35
Ruimtelijke onderbouwing ‘Kleinschalig zonnepark, Krammersluizencomplex’ – 6 juni 2023
6
PROCEDURELE ASPECTEN In artikel 3.10 Wabo is bepaald dat op de voorbereiding van een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 3, afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing is. In afdeling 3.4 Awb is bepaald dat het ontwerp van de omgevingsvergunning gedurende 6 weken ter inzage zal liggen. Tijdens deze periode kan een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen kenbaar maken aan burgemeester en wethouders omtrent hun voornemen om medewerking te verlenen aan de onderhavige omgevingsvergunning. Binnen 26 weken na ontvangst van de aanvraag wordt de definitieve beschikking genomen. Beroep kan door een belanghebbende worden ingediend bij de Rechtbank en vervolgens hoger beroep bij de Raad van State. Van de omgevingsvergunning wordt elektronisch kennisgeving gedaan en wordt de Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro) in acht genomen. Zodoende kan via www.ruimtelijkeplannen.nl van de ontwikkeling kennis worden genomen.
36
Ruimtelijke onderbouwing ‘Kleinschalig zonnepark, Krammersluizencomplex’ – 6 juni 2023
37
Ruimtelijke onderbouwing ‘Kleinschalig zonnepark, Krammersluizencomplex’ – 6 juni 2023
7
MOTIVERING
7.1
Afweging Het vigerende bestemmingsplan voorziet niet in het realiseren van de beoogde 4 kleinschalige zonneparken op het Krammersluizencomplex. Om de beoogde ontwikkeling planologisch-juridisch mogelijk te maken, is derhalve een buitenplanse procedure noodzakelijk. Er wordt in casu een deelvergunningentraject gevolgd, met gebruikmaking van de uitgebreide procedure voor het omgevingsvergunningsdeel ‘Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’. De aannemer kan vervolgens een omgevingsvergunning voor het deel ‘Bouwen’ aanvragen en hiervoor geldt de reguliere vergunningsprocedure. De beoogde ontwikkeling is acceptabel. Zo: past de ontwikkeling binnen het vigerende beleid van Rijk, provincie en gemeente. Zie hoofdstuk 3; is de ontwikkeling ruimtelijk en functioneel goed inpasbaar in de omgeving. Zie hoofdstuk 2; brengt de ontwikkeling geen (onaanvaardbaar) nadelige milieuhygiënische of duurzaamheidseffecten met zich mee. Zie hoofdstuk 4; is de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd. Zie hoofdstuk 5.
7.2
Conclusie Alle belangen integraal afwegend komt de gemeente tot de conclusie dat er geen sprake is van belemmeringen die de realisatie van de beoogde ontwikkeling in de weg staan. Realisatie van dit nieuwe gebruik volgens het voorliggende bouw- en inrichtingsplan is in overeenstemming met een ‘goede ruimtelijke ordening’.
38