1022793 Bijlage 3 RO Kleinschalig zonnepark
Tekst van het document
GEMEENTE SCHOUWEN-DUIVELAND Ruimtelijke onderbouwing ‘Kleinschalig zonnepark, Krammersluizencomplex’
Vastgesteld door burgemeester en wethouders van de gemeente Schouwen-Duiveland bij besluit van ……,
De secretaris,
De burgemeester,
opdrachtgever titel
Rijkswaterstaat Zee en Delta Ruimtelijke onderbouwing ‘Kleinschalig zonnepark, Krammersluizencomplex’
projectnummer status
SD 4004-3 Definitief concept
’s Heer Abtskerke Polderweg 6, 4444 AA tel: +31 6 11782614 e-mail: info@planomgeving.nl URL: www.planomgeving.nl
Datum
13 juli 2023
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING
Ruimtelijke onderbouwing ‘Kleinschalig zonnepark, Krammersluizencomplex’ – 6 juni 2023
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING ten behoeve van de realisatie van een kleinschalig zonnepark op het Krammersluizencomplex in de gemeente Schouwen-Duiveland
INHOUD 1
INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Vigerend bestemmingsplan 1.3 Leeswijzer
3 3 3 4
2
HUIDIGE EN BEOOGDE SITUATIE 2.1 Huidige situatie 2.2 Beoogde situatie
5 5 6
3
BELEIDSKADERS 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid
9 9 12 15
4
KWALITEIT VAN DE LEEFOMGEVING 4.1 Bodem 4.2 Archeologie 4.3 Water 4.4 Ecologie / flora en fauna 4.5 Bedrijven en milieuzonering 4.6 Geluidhinder 4.7 Luchtkwaliteit 4.8 Externe veiligheid 4.9 Overige belemmeringen
20 20 20 20 22 30 31 31 32 32
5
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
34
6
PROCEDURELE ASPECTEN
36
7
MOTIVERING 7.1 Afweging 7.2 Conclusie
38 38 38
Bijlage 1. Quickscan natuur; 2. Passende beoordeling; 3. Onderzoek Noorse Woelmuis; 4. Wnb-vergunning Zoet-Zoutscheiding Krammersluizen 2022; 5. Brief verzoek vrijstelling NGE en goedkeuring gem. Schouwen-Duiveland;; 6. Projectplan Waterwet 23 juli 2018; 7. Gewijzigd Projectplan Waterwet 10 juli 2020.
1
Ruimtelijke onderbouwing ‘Kleinschalig zonnepark, Krammersluizencomplex’ – 6 juni 2023
Projectgebied
Figuur 1: Topografische kaart met ligging van het projectgebied
Projectgebied
Figuur 2: Luchtfoto ligging projectgebied
2
Ruimtelijke onderbouwing ‘Kleinschalig zonnepark, Krammersluizencomplex’ – 6 juni 2023
1
INLEIDING
1.1
Aanleiding Het Krammersluizencomplex ligt in de Philipsdam, tussen de zoute Oosterschelde en het zoete Volkerak-Zoommeer. Ruim dertig jaar na de ingebruikname is het Krammersluizencomplex toe aan groot onderhoud. Een omvangrijk renovatieproject moet ervoor zorgen dat het complex ook in de toekomst vlot en veilig bereikbaar blijft. Om de mogelijkheden voor opwekking van duurzame energie op RWS locaties zo goed mogelijk te gebruiken in combinatie met verhoging van de beschikbaarheid van het complex én het creëren van mogelijkheden voor peak shaving (energieopslag) worden kleinschalig zonnepanelen geplaatst. In figuur 1 en 2 is respectievelijk een topografische kaart en de ligging van de projectlocatie opgenomen.
1.2
Vigerend bestemmingsplan Het te ontwikkelen projectgebied is gelegen in het rijksinpassingsplan ‘Windpark Krammer’ (vastgesteld 3 oktober 2015) en kent de bestemming ‘Waterstaatswerken - Windturbinepark’. Binnen de regels van de bestemming ‘Waterstaatswerken - Windturbinepark’ is de realisatie van de beoogde ontwikkelingen niet toegestaan. Er bestaat binnen het bestemmingsplan geen afwijkingsen/of wijzigingsbevoegdheid om de beoogde ontwikkeling te realiseren. Hierdoor is het noodzakelijk om een planologische procedure te doorlopen om de beoogde ontwikkeling te kunnen realiseren.
Projectgebied Figuur 3: Uitsnede bestemmingsplan ‘Windpark Krammer’
Alvorens wordt overgegaan tot het doorlopen van een planologische procedure is de beoogde ontwikkeling aan de gemeente Schouwen-Duiveland voorgelegd. De gemeente heeft aangegeven dat ze een positieve grondhouding heeft ten aanzien van de ontwikkeling. Vanwege de positieve grondhouding is besloten om de beoogde ontwikkeling planologisch-juridisch mogelijk te maken
3
Ruimtelijke onderbouwing ‘Kleinschalig zonnepark, Krammersluizencomplex’ – 6 juni 2023
middels een buitenplanse procedure (uitgebreide procedure, deelvergunningentraject) met een daarbij behorende ruimtelijke onderbouwing. Deze ruimtelijke onderbouwing wordt gevoegd bij de aanvraag omgevingsvergunning (deelvergunning planologie, ‘Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’) voor de ontwikkeling. Het betreft hier de gebruiksregels en de bouwregels. De aannemer kan vervolgens een omgevingsvergunning voor het deel ‘Bouwen’ aanvragen en hiervoor geldt de reguliere vergunningsprocedure. 1.3
Leeswijzer De ruimtelijke onderbouwing is als volgt opgebouwd. In hoofdstuk 1 is de aanleiding voor het opstellen van deze ruimtelijke onderbouwing beschreven. In hoofdstuk 2 wordt de situatie in haar context beschreven. Tevens wordt in dit hoofdstuk een toelichting op de ontwikkeling gegeven. Vervolgens worden in hoofdstuk 3 de verschillende relevante beleidskaders toegelicht en zal de ontwikkeling hieraan worden getoetst. In hoofdstuk 4, kwaliteit van de leefomgeving, komen de milieuaspecten aan de orde. De economische uitvoerbaarheid komt in hoofdstuk 5 aan bod. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de procedurele aspecten. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 een motivering voor afwijking van het vigerende bestemmingsplan gegeven.
4
Ruimtelijke onderbouwing ‘Kleinschalig zonnepark, Krammersluizencomplex’ – 6 juni 2023
2
HUIDIGE EN BEOOGDE SITUATIE
2.1
Huidige situatie Het Krammersluizencomplex ligt in de Philipsdam, tussen de zoute Oosterschelde en het zoete Volkerak-Zoommeer en is zo’n 30 jaar geleden gerealiseerd. Het Krammersluizencomplex is één van de dertien Deltawerken, die het zuidwesten van Nederland moeten beschermen tegen hoogwater vanaf zee. Het maakt onderdeel uit van het Deltaplan, dat na de stormvloedramp in 1953 is opgesteld. Volgens dit plan zouden alle zeearmen in het zuidwesten van Nederland worden afgesloten. Oorspronkelijk was het de bedoeling om ook de Oosterschelde met een dam af te sluiten. Samen met het Krammer-Volkerak zou de Oosterschelde één groot zoet meer gaan vormen. Tegen dit plan ontstond veel publieke weerstand. Het zoute water van de Oosterschelde en de getijdenwerking waren namelijk van grote betekenis voor de natuur en de visserij. Begin jaren zeventig besloot de regering dan ook het plan te wijzigen. In de monding van de Oosterschelde werd een afsluitbare stormvloedkering gebouwd: de Oosterscheldekering. Door de aanleg van de Oosterscheldekering kon minder zeewater de Oosterschelde in- en uitstromen en werd het verschil tussen eb en vloed kleiner. Dit was nadelig voor planten en dieren. Om de getijdenwerking te versterken moest de Oosterschelde kleiner gemaakt worden. Dat gebeurde door haar in ‘compartimenten’ op te delen.
Hiervoor zijn twee scheidingsdammen aangelegd, zogenaamde compartimenteringsdammen: de Philipsdam in het noordoosten en de Oesterdam in het zuidoosten. De Philipsdam scheidt het zoete Volkerak-Zoommeer en de zoute Oosterschelde. De 4 Krammersluizen in de dam zorgen ervoor dat schepen kunnen blijven passeren. Doordat de dam het zoete Volkerak-Zoommeer van de zoute Oosterschelde scheidt, blijft het water in het meer bovendien zoet en van goede kwaliteit. Boeren gebruiken dit water voor land- en tuinbouw, een bijkomend voordeel van de afdamming. De Krammersluizen in de Philipsdam zorgen ervoor dat een open verbinding voor de scheepvaart, alsmede een goede scheiding van het zoute en het zoete leefmilieu mogelijk is.
Figuur 4: Overzicht zuidwestelijke delta (deels)
5
Ruimtelijke onderbouwing ‘Kleinschalig zonnepark, Krammersluizencomplex’ – 6 juni 2023
De Krammersluizen en het bijbehorende complex hebben diverse functies. 1. Passage voor scheepvaart De Krammersluizen zijn onderdeel van de hoofdtransportas voor beroepsvaart tussen Rotterdam, Terneuzen, Vlissingen-Oost, Antwerpen, Gent en Frankrijk. Daarnaast is het een knooppunt tussen de Krammer, Zijpe en Grevelingen en daarmee een doorgaande route voor de pleziervaart. 2. Scheiden van zoet en zout water De Philipsdam, met daarin de Krammersluizen, houdt de scheiding tussen de zoute Oosterschelde en het zoete Volkerak-Zoommeer in stand. 3. Getijvrije Schelde-Rijnverbinding De Philipsdam en Krammersluizen houden het waterpeil op het Schelde-Rijnkanaal constant, zodat de scheepvaart altijd kan passeren. Door de handhaving van het getij hebben de vaste bruggen bij hoogwater onvoldoende doorvaarthoogte en is het Schelde-Rijnkanaal bij laagwater te ondiep. De verbinding is van groot belang voor de haven van Antwerpen en Rotterdam. 4. Kruisen van wegverkeer De Philipsdam is een belangrijke verbinding voor het regionale autoverkeer tussen SchouwenDuiveland, Goeree-Overflakkee, Tholen en het westen van Brabant. De 650 meter lange Krammerbrug is onderdeel van de N257. 5. Keren van water De Philipsdam is als kering onderdeel van het Deltaplan, met als doel overstromingen door hoogwater te voorkomen. Na de Oosterscheldekering is de Philipsdam de tweede barrière tegen het water. 6.
Flora en fauna De aanleg van de Philipsdam (midden in Natura 2000-gebied) heeft het landschap eromheen sterk veranderd. Door aanslibbing zijn kwelders ontstaan met een rijk dierleven. 7. Windenergie Het complex biedt ruimte aan een windmolenpark voor het opwekken van energie. 8. Uitkijktoren Op het complex staat een uitkijktoren die publiekelijk toegankelijk is. 2.2
Beoogde situatie Ruim dertig jaar na de ingebruikname is het Krammersluizencomplex toe aan groot onderhoud. Een omvangrijk renovatieproject moet ervoor zorgen dat het complex ook in de toekomst vlot en veilig bereikbaar blijft. Om de mogelijkheden voor opwekking van duurzame energie op RWS locaties zo goed mogelijk te gebruiken in combinatie met verhoging van de beschikbaarheid van het complex én het creëren van mogelijkheden voor peak shaving (energieopslag) worden kleinschalig zonnepanelen geplaatst. Hiermee wordt beoogd het Krammersluizencomplex energieneutraal te maken. Hiervoor zijn 4 locaties aangewezen op het Krammersluizencomplex. Het realisatie van een zonnepark
6
Ruimtelijke onderbouwing ‘Kleinschalig zonnepark, Krammersluizencomplex’ – 6 juni 2023
vindt plaats op de landlocaties kavelnummers 5 t/m 8 rondom de schuifgebouwen Hoogbekken, Laagbekken en Slaak. Tevens behoort benutting van het dakoppervlak van de nieuw te bouwen luchtfabriek tussen de duwvaartsluizen tot de mogelijkheden.
Projectgebieden
Figuur 5a: Projectlocaties kleinschalige zonneparken
Figuur 5b: Projectlocaties kleinschalige zonneparken (5-8)
Het ligt in de bedoeling om circa 800 m2 aan zonnepanelen te plaatsen welke een opbrengst zullen genereren van 125 MWh per jaar. Bij het aanleggen van de zonnepanelen wordt met het navolgende rekening gehouden:
7
Ruimtelijke onderbouwing ‘Kleinschalig zonnepark, Krammersluizencomplex’ – 6 juni 2023
Maximale hoogte op het maaiveld is 1,5 meter; De kleur van de panelen zijn donker (all black); De panelen hebben geen opvallende randen en de randen zijn niet afwijkend in kleur; Zonnepanelen voegen zich naar het bestaande verkavelingspatroon; Zonnepanelen mogen binnen een opstelling onderling niet in hoogte en diepte verspringen; Zonnepanelen worden landschappelijk ingepast; Zonnepanelen worden binnen het bouwvlak geplaatst te worden; Zonnepanelen zijn niet zichtbaar vanaf de openbare weg. Afstand tot de openbare weg is minstens 10 meter daarna begint de landschappelijke inpassing waarachter de panelen zich bevinden; Verlichting is niet toegestaan; Ten behoeve van een gezonde bodem dient een minimale ruimte te zijn tussen de onderzijde van de panelen en het maaiveld van 0,3 m zodat voldoende licht en lucht de bodem kunnen bereiken; Voor een goede bodemkwaliteit en vegetatiestructuur mag de bodem niet maximaal bedekt worden door zonnepanelen. Minimaal 15% van de totale oppervlakte van zonnepanelen dient te worden ingezet voor extra vrije bodem. De ruimte wordt gelijkmatig verdeeld tussen de rijen met panelen; Toegangswegen, beveiliging, hekwerken en transformator zijn mee ontworpen in de totale inpassing.
Indien de toepassing van hekwerken onvermijdelijk is, dienen deze zo laag mogelijk en transparant te zijn, landschappelijk te zijn ingepast en nooit zichtlijnen te doorkruisen; Bomenkap ten behoeve van de zonnepanelen is niet mogelijk, tenzij aantoonbaar noodzakelijk en driedubbel gecompenseerd. Nieuwe aanplant dient duurzaam in stand te worden gehouden en bestuursrechtelijk en/of privaatrechtelijk geborgd te worden; Een plan moet ter beoordeling voorgelegd worden aan het kwaliteitsteam buitengebied. Daarnaast zullen er geen zonnepanelen op het water worden geplaatst en is er onderzoek gedaan naar mogelijke significant negatieve gevolgen voor de ecologische waarden van water en omgeving. Zie voor dit laatste hoofdstuk 4.
8
Ruimtelijke onderbouwing ‘Kleinschalig zonnepark, Krammersluizencomplex’ – 6 juni 2023
3
BELEIDSKADERS In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het voor de beoogde ontwikkeling relevante beleid van Rijk, provincie en gemeente. Aan het eind van dit hoofdstuk wordt in de paragraaf ‘Toetsing beleidskaders’ beschreven waarom de beoogde ontwikkeling past binnen het vigerende beleid van de genoemde overheden.
3.1
Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie
Beleidskader Gemeenten, provincies en het Rijk worden verplicht om een omgevingsvisie op te stellen vanuit de nieuwe Omgevingswet. Vooruitlopend op de invoering van de Omgevingswet heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. De NOVI kent onder meer de volgende vier prioriteiten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Toetsing De Nationale Omgevingsvisie wordt gekenmerkt door een hoog abstractie- en schaalniveau en kent geen ruimtelijke relevantie voor het onderhavige project.
Conclusie In de NOVI is geen specifiek ruimtelijk beleid opgenomen voor de omgeving van het projectgebied. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Beleidskader Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is de juridische vertaling op rijksniveau van het beleid dat geschetst is in de SVIR. Dit beleidsdocument bevat regels die doorwerken naar lagere overheden. Dit betekent dat de regels uit het Barro ook geïmplementeerd moeten worden in provinciale en gemeentelijke ruimtelijke plannen. Toetsing Evenals de NOVI wordt het Barro gekenmerkt door een hoog abstractie- en schaalniveau. Vanuit het Barro zijn er geen artikelen relevant voor de beoogde ontwikkeling, c.q. het projectgebied.
Conclusie In het Barro is geen specifiek ruimtelijk beleid opgenomen voor de omgeving van het projectgebied. Besluit ruimtelijke ordening
Eisen aan de toelichting
9
Ruimtelijke onderbouwing ‘Kleinschalig zonnepark, Krammersluizencomplex’ – 6 juni 2023
In artikel 3.1.6. van het Besluit ruimtelijke ordening (verder: Bro) is geregeld dat een bestemmingsplan alsmede een ontwerp hiervoor gaan vergezeld van een toelichting, waarin zijn neergelegd: een verantwoording van de in het plan gemaakte keuze van bestemmingen; een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding; de uitkomsten van het overleg met officiële instanties de uitkomsten van het verrichte onderzoek; een beschrijving van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken; de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan. Op al deze punten wordt in de voorliggende ruimtelijke onderbouwing ingegaan. Ingevolge artikel 5.20 van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) is dit artikel ook van toepassing voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling die met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo mogelijk wordt gemaakt. Verder is in (artikel 3.1.6. lid 2) van het Bro vastgelegd dat voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen geldt dat de behoefte aan die ontwikkeling dient te worden gemotiveerd. Het artikel luidt als volgt:
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. In welke gevallen er sprake is van een stedelijke ontwikkeling is niet concreet vastgelegd. De jurisprudentie geeft op het gebied van woningbouw wel een constante lijn aan. Voor wonen geldt, dat voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Voor andere stedelijke ontwikkelingen (naast de functies wonen, winkels, kantoren en bedrijventerrein) als bedoeld in artikel 1.1.1, lid 1, onder i van het Bro, in de vorm van een terrein is 'in beginsel' geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als het ruimtebeslag minder dan 500 m² bedraagt. Uit de Nota van toelichting op het Bro (2017) blijkt dat de aard en omvang van de ontwikkeling bepalend zijn voor de reikwijdte van het onderzoek naar, de beschrijving van en het overleg over de behoefte, waarvan de uitkomsten dienen te zijn opgenomen in de plantoelichting.
Daaruit blijkt voorts dat het primair aan de bestuursorganen is om op basis van het ruimtelijke verzorgingsgebied van de nieuwe stedelijke ontwikkeling te bepalen hoe uitgebreid het onderzoek moet plaatsvinden, met welke bestuursorganen en diensten het overleg over de nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt gevoerd en tot welk gebied de onderbouwing van de behoefte zich uitstrekt. Dit gebied kan verschillen naar gelang de aard en de omvang van de voorziene stedelijke ontwikkeling in relatie tot de context. Anders gezegd, van geval tot geval zal moeten worden bezien welk schaalniveau past bij de behoefte, in de leniging waarvan de door het plan mogelijk gemaakte stedelijke ontwikkeling voorziet, gelet op de aard en omvang daarvan (uitspraken van 11 maart 2015,
10
Ruimtelijke onderbouwing ‘Kleinschalig zonnepark, Krammersluizencomplex’ – 6 juni 2023
ECLI:NL:RVS:2015:715 (Beek), van 23 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:798 (Asten) en van 2 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2921 (Geldermalsen)). Niet aangemerkt als stedelijke ontwikkeling zijn zonneparken (uitspraak van 23 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:178 (Hof van Twente)).
Stedelijke ontwikkeling Door de aard en omvang van het project kan de beoogde ontwikkeling niet worden aangemerkt als stedelijke ontwikkeling (ABRvS 23 januari 2019; ECLI:NL:RVS:2019:178). Uit overweging 6.2 van de uitspraak van 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724, blijkt dat de Afdeling diverse voorzieningen op het gebied van energieopwekking en -distributie niet als stedelijke ontwikkeling heeft aangemerkt. Genoemd worden: een hoogspanningsverbinding, een windturbinepark en een transformatorstation. Naar het oordeel van de Afdeling is er geen aanleiding voor een andere benadering met betrekking tot een zonnepark, dat naar zijn aard niet wezenlijk verschilt van een windturbinepark. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat een zonnepark, net als een windturbinepark, zich bij uitstek niet goed leent om binnen bestaand stedelijk gebied te worden gerealiseerd. De toepasselijkheid van de ladder voor duurzame verstedelijking als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro op een dergelijke voorziening zou daarentegen juist tot gevolg hebben dat het bevoegde bestuursorgaan telkens zou moeten motiveren waarom deze voorziening niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien. Dit vindt de Afdeling in het licht van het doel en de strekking van de ladder voor duurzame verstedelijking een onlogische consequentie.
Toetsing en conclusie De beoogde ontwikkeling betreft het realiseren van 4 kleinschalige zonneparken. Gelet op het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling wordt gerealiseerd buiten het bestaand stedelijk gebied, alsmede dat de ontwikkeling voorziet in de behoefte van een sluizencomplex dat dient te voldoen aan de eisen van deze tijd. Rijksinpassingsplan ‘Windpark Krammer Het te ontwikkelen projectgebied is gelegen in het rijksinpassingsplan ‘Windpark Krammer’ (vastgesteld 3 oktober 2015) en kent de bestemming ‘Waterstaatswerken - Windturbinepark’. Binnen de regels van de bestemming ‘Waterstaatswerken - Windturbinepark’ is de realisatie van de beoogde ontwikkelingen niet toegestaan. Er bestaat binnen het bestemmingsplan geen afwijkingsen/of wijzigingsbevoegdheid om de beoogde ontwikkeling te realiseren. Hierdoor is het noodzakelijk om een planologische procedure te doorlopen om de beoogde ontwikkeling te kunnen realiseren.
11
Ruimtelijke onderbouwing ‘Kleinschalig zonnepark, Krammersluizencomplex’ – 6 juni 2023
Figuur 6: Uitsnede bestemmingsplan ‘Windpark Krammer’ Projectgebied
3.2
Provinciaal beleid Omgevingsvisie Zeeland
Beleidskader De Zeeuwse Omgevingsvisie is een strategische langetermijnvisie voor Zeeland en beschrijft de uitdagingen die op ons afkomen, de Zeeuwse ambities voor 2050 en tussendoelen voor 2030. De Zeeuwse Omgevingsvisie staat niet op zichzelf, net zoals Zeeland niet los te zien is van zijn omgeving. Wereldwijd hebben de landen van de Verenigde Naties de Duurzame Ontwikkelingsdoelen vastgesteld. De doelen helpen om nu en in de toekomst voor iedereen brede welvaart te bieden, dus vooruitgang op sociaal-maatschappelijk, economisch én ecologisch gebied. Het gaat dan bijvoorbeeld om de thema’s gezondheid, voorzieningen, woonomgeving, bereikbaarheid, onderwijs en arbeidsmarkt. Op nationaal niveau is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. Daarin geeft het kabinet richting aan de grote opgaven waar Nederland voor staat. De NOVI stelt vier prioriteiten en geeft afwegingskaders mee voor keuzes over concrete activiteiten. Uitvoering van de NOVI vindt gebiedsgericht plaats via samenwerking in Omgevingsagenda’s. Voor Zeeland is dat de Omgevingsagenda Zuidwest. Uitdagingen en ambities Het gaat goed met Zeeland. De Zeeuwse woonomgeving wordt gewaardeerd, net als de natuur en waardevolle landschappen. Het midden- en kleinbedrijf (MKB), de havens, de landbouw en recreatie en toerisme zijn belangrijke pijlers voor de economie, werkgelegenheid en leefbaarheid.
Er zijn wel uitdagingen. De klimaatverandering, stijging van de zeespiegel, afname van biodiversiteit, andere bevolkingssamenstelling door vergrijzing. Deels is het de uitdaging te behouden wat er is, deels is het de uitdaging in te spelen op de ontwikkelingen die komen gaan. Om deze uitdagingen het hoofd te bieden en tegelijkertijd te werken aan brede welvaart, beschrijft de Zeeuwse Omgevingsvisie vier Zeeuwse Ambities voor 2050. Hierna wordt ingegaan op de ambitie Duurzame energie in Zeeland. De doelstelling voor 2030 met betrekking tot Duurzame Energie is dat er in Zeeland 1800 MW aan duurzame energie wordt opgewekt.
12
Ruimtelijke onderbouwing ‘Kleinschalig zonnepark, Krammersluizencomplex’ – 6 juni 2023
Subdoel 2: Het vermogen uit zonne-energie bedraagt 1000 MW, waarvan zoveel mogelijk op daken.
Voor zonne-energie is de ambitie 1000 MW in 2030, bij voorkeur op daken en aanvullend met projecten op land en water. Uit berekeningen van netbeheerder Enduris blijkt dat het brutovermogen van zon op Zeeuwse daken ca. 1500 MW bedraagt. Netto wordt dit geschat op ca. 400600 MW (niet alle daken zijn immers geschikt). Het provinciaal beleid voor zon op land en water is een regeling op hoofdlijnen en de uitwerking tot op projectniveau vindt door de gemeenten plaats. Met alleen zon op dak kan mogelijk onvoldoende vermogen gerealiseerd worden. Aanvullend kunnen zonprojecten worden gerealiseerd in bestaand stedelijk gebied of in combinatie met andere functies. Hiermee wordt ruimte geboden voor zonne-energie, maar wel met behoud van omgevingskwaliteit, zorgvuldig ruimtegebruik en behoud van de agrarische functie van gronden in het buitengebied. Daarom is gekozen voor een opzet waarbij zonne-energie kan worden gecombineerd met andere reeds aanwezige functies zoals bedrijfsterreinen, glastuinbouw, nutsvoorzieningen, stortplaatsen, zonneparken, windmolens, infrastructuur of op water. Hiermee wordt het landelijk geformuleerde afwegingskader bij de inpassing van zonne-energie zoals dat is afgesproken in het klimaatakkoord (de zonneladder) ook voor Zeeland gehanteerd. Gemeenten dragen binnen het zonbeleid naar mogelijkheid bij.
Ruim de helft van de Zeeuwen vindt dat inpassing van zonneparken in het Zeeuwse landschap gestimuleerd moet worden (bron: Zeeland nu en in de toekomst, ZB|Planbureau, 2020). Ook voor zonprojecten geldt dat het maatwerk aan de gemeenten wordt overgelaten.
Actie 2.1 Realiseren opgave zonne-energie (via de Regionale Energie Strategie -RES)
Het Rijk verleent subsidie voor de opwekking van hernieuwbare energie (SDE), het Rijk en de regio maken op nationaal niveau afspraken over de opwekking van zonne-energie in het kader van de (RES), het Rijk, de provincie en gemeenten stellen kaders vast voor realisatie van zonneparken. Gemeenten verlenen de vergunning. Voor duurzame energieopwekking wordt momenteel het Ruimtelijk Beleid Duurzame Energievoorziening opgesteld in de gemeente Schouwen-Duiveland. Voor de realisatie van zonne-energie zijn specifieke voorwaarden opgesteld.
Toetsing De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van 4 kleinschalige zonneparken, als onderdeel van een groter renovatieproject voor het Krammersluizencomplex. Hierdoor worden de mogelijkheden voor opwekking van duurzame energie op RWS locaties zo goed mogelijk benut in combinatie met verhoging van de beschikbaarheid van het complex én het creëren van mogelijkheden voor peak shaving (energieopslag).
Conclusie De beoogde ontwikkeling is passend in de Omgevingsvisie Zeeland. Omgevingsverordening Zeeland 2018 Samenwerking tussen de provincie, andere overheden en maatschappelijke organisaties staat in het Omgevingsplan centraal. Een aantal uitgangspunten vindt de provincie van zo’n groot belang dat ze zijn opgenomen in een verordening die bindend is voor gemeenten. Gedeputeerde Staten hebben daarom ook de Omgevingsverordening Zeeland 2018 vastgesteld. Hierin zijn onder meer
13
Ruimtelijke onderbouwing ‘Kleinschalig zonnepark, Krammersluizencomplex’ – 6 juni 2023
regels over uitbreiding van bedrijventerreinen, bescherming van natuurgebieden en regionale waterkeringen in opgenomen.
Artikel 2.9 Zonne-energie 1. In een bestemmingsplan wordt een opstelling voor zonne-energie uitsluitend toegelaten binnen bestaand stedelijk gebied. 2. In afwijking van het eerste lid kan een opstelling voor zonne-energie worden toegelaten buiten bestaand stedelijk gebied:
a. aangrenzend aan bestaand stedelijk gebied indien de opstelling voor zonne-energie ruimtelijk ondergeschikt is aan het aangrenzende bestaand stedelijk gebied; b. op of aangrenzend aan een bouwvlak, mits de opstelling voor zonne-energie ruimtelijk ondergeschikt is aan het aangrenzende bouwvlak; c. op of aangrenzend aan een bedrijventerrein indien de opstelling voor zonne-energie ruimtelijk ondergeschikt is aan het bedrijventerrein; d. op of aangrenzend aan gronden waarop glastuinbouwbedrijven zijn toegelaten indien de opstelling voor zonne-energie ruimtelijk ondergeschikt is aan de glastuinbouwbedrijven; e. op of aangrenzend aan gronden die bestemd zijn voor infrastructuur, nutsvoorzieningen, stortplaats, opstellingen voor zonne-energie of een windenergie concentratielocatie; f. op gronden die bestemd zijn voor water indien in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat er geen significant nadelige effecten zijn voor natuur, recreatie of visserij. In de toelichting bij het bestemmingsplan waarin een opstelling voor zonne-energie wordt toegelaten buiten bestaand stedelijk gebied wordt aannemelijk gemaakt dat omgevingskwaliteiten zich daartegen niet verzetten. 3.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, krachtens een bestemmingsplan, een opstelling voor zonneenergie reeds is toegelaten met dien verstande dat de afwijking van de bepalingen van deze gronden niet mag worden vergroot. Toetsing De 4 kleinschalige zonneparken worden gerealiseerd op het Krammersluizencomplex, hetgeen binnen bestaand stedelijk gebied is gelegen.
Artikel 2.27 Afwegingszone natuurgebieden
1. In de toelichting bij een bestemmingsplan waarin bestemmingen worden aangewezen dan wel regels worden gegeven voor gronden die zijn gelegen binnen 100 meter rond bestaande natuurgebieden, niet zijnde binnendijken, zoals aangegeven in bijlage 9, met inachtneming van een ingevolge artikel 2.26 vastgestelde wijziging van de begrenzing, wordt een beschrijving gegeven van de wijze waarop rekening is gehouden met de wezenlijke kenmerken en waarden van de natuurgebieden en wordt aannemelijk gemaakt dat geen onevenredige aantasting van de bedoelde kenmerken en waarden plaatsvindt. 2. (…)
14
Ruimtelijke onderbouwing ‘Kleinschalig zonnepark, Krammersluizencomplex’ – 6 juni 2023
Toetsing In paragraaf 4.5 wordt hier verder op ingegaan. 3.3
Gemeentelijk beleid Strategische visie ‘Tij van de Toekomst De gemeenteraad heeft op 3 oktober 2011 de Strategische Visie Tij van de Toekomst' vastgesteld. In de visie is opgenomen hoe de gemeente Schouwen-Duiveland er in 2040 uit zou moeten zien. In de strategische visie staat de volgende ambitie centraal: 'In 2040 kent vakantie-eiland Schouwen-Duiveland een toonaangevende watereconomie die de duurzame verbinding vormt tussen wonen, werken, zorgen en genieten'. In de visie zijn de drie strategische doelen 'werken', 'wonen' en 'verblijven' uitgewerkt.
Toetsing De strategische visie wordt gekenmerkt door onderwerpen die geen betrekking hebben op het Krammersluizencomplex.
Conclusie In de Strategische visie is geen specifiek ruimtelijk beleid opgenomen voor de omgeving van het projectgebied. Gebiedsagenda Zuidwestelijke Delta 2050 Eind november stelden regio en Rijk in het Bestuurlijk Overleg Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (BO MIRT) de Gebiedsagenda Zuidwestelijke Delta 2050 definitief vast. Daarna is de Gebiedsagenda aangeboden aan de Tweede Kamer. Een mijlpaal! En tegelijk een uitnodiging van het Gebiedsoverleg Zuidwestelijke Delta om, met de Gebiedsagenda als inspiratie, samen verder te bouwen aan de toekomst van de Zuidwestelijke Delta. In het voorwoord benadrukken de minister van IenW, de voorzitter van het Gebiedsoverleg en de vicevoorzitter van de Adviesgroep Zuidwestelijke Delta, de urgentie om samen te werken aan een klimaatbestendige Zuidwestelijke Delta: ‘Het besef groeit dat we elkaar hard nodig hebben voor een passend antwoord op de uitdagingen van de klimaatverandering en de gevolgen ervan voor de waterveiligheid, de zoetwaterbeschikbaarheid, de ecologie, het landschap en de regionale economie.’ ‘De Gebiedsagenda Zuidwestelijke Delta 2050 kan daarbij structuur geven,’ vervolgen zij. ‘Er zijn belangrijke opgaven uit de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zoals klimaatadaptatie, energietransitie, kringlooplandbouw en circulaire economie die om oplossingen op regionaal niveau vragen.
De Gebiedsagenda daagt uit om de water- en andere (NOVI-)opgaven zoveel mogelijk met elkaar te verbinden tot een inspirerende aanpak voor de toekomstige ontwikkeling van de Zuidwestelijke Delta.’
Toetsing De gebiedsagenda dient nog verder uitgewerkt te worden. De beoogde ontwikkeling draagt bij aan een goede scheiding tussen zoet en zout water.
Conclusie
15
Ruimtelijke onderbouwing ‘Kleinschalig zonnepark, Krammersluizencomplex’ – 6 juni 2023
In de gebiedsagenda zijn algemene uitgangspunten geformuleerd voor de Zuidwestelijke Delta. De beoogde ontwikkeling is hierin passend. Schouwen-Duiveland Buitengebied in beweging (landschappelijk raamwerk) Schouwen-Duiveland heeft een heel herkenbaar landschap. Dat landschap is van grote betekenis voor de eigen bevolking, maar ook voor toeristen en recreanten. Het aantrekkelijke landschap is een belangrijke factor voor de toeristisch-recreatieve betekenis van het eiland. Uiteraard neemt de Kop van Schouwen daarbij een belangrijke plaats in. Daarnaast draagt echter ook het achterliggende poldergebied wezenlijk bij aan het landschapsbeeld van het eiland. De kwaliteiten van het bestaande landschap zijn sterk bepalend voor de ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden van het buitengebied. In het landschap komen de omgevingskwaliteiten samen, zoals de provincie die in het Omgevingsplan Zeeland heeft benoemd. Landschap, cultuurhistorie, ecologie en watersysteem vormen dan ook belangrijke onderleggers voor het nieuwe planningsinstrumentarium voor het buitengebied. Deze aspecten komen in het Landschappelijk Raamwerk aan de orde. Zeearmenlandschap Het zeearmenlandschap bestaat uit het getijdengebied van de Oosterschelde, de afgesloten zeearmen Grevelingen en Krammer. Het betreft het buitendijkse gebied inclusief havens, zandplaten, slikken en schorren.
Krammer De Krammer is van karakter veranderd (zoet water zonder getij) als gevolg van de Deltawerken. Opvallende elementen zijn de zeer grootschalige Krammersluizen en de Philipsdam. De eilanden zijn veelal begroeid met boom- en struikgewas. Bebouwings- en beplantingspatroon Bebouwing is zeer beperkt aanwezig. Naast de kunstwerken zoals dammen, sluizen, en beheergebouwen is er op de Roggeplaat een windturbinepark aanwezig en zijn er bijzondere objecten als uitkijktorens. Op de zandplanten ontbreekt bebouwing.
Toetsing De beoogde locatie voor de ontwikkeling is gelegen op het Krammersluizencomplex. Het landschappelijk raamwerk wordt gekenmerkt door onderwerpen die geen betrekking hebben op het Krammersluizencomplex.
Conclusie In het landschappelijk raamwerk Schouwen-Duiveland Buitengebied in beweging is geen specifiek ruimtelijk beleid opgenomen voor de omgeving van het projectgebied. Ruimtelijk Beleid Duurzame Energievoorziening Nederland moet duurzamer worden ook Schouwen-Duiveland. Het elektriciteitsverbruik gaat in de toekomst toenemen, want deze energie wordt voor nog meer zaken als koken en autorijden gebruikt. De energietransitie heeft gevolgen voor de ruimte op Schouwen-Duiveland. Boven en onder de grond moeten plaats gemaakt worden voor het opwekken van duurzame energie. Schouwen-Duiveland wil goed zorgen voor haar landschap. Om initiatieven voor het opwekken van duurzame energie in goede banen te leiden heeft de gemeente een Ruimtelijk Beleid Duur-
16
Ruimtelijke onderbouwing ‘Kleinschalig zonnepark, Krammersluizencomplex’ – 6 juni 2023
zame Energievoorziening geschreven. In dit plan wordt beschreven welke ruimtelijke ontwikkelingen er mogelijk zijn op het gebied van duurzame energieopwekking in de bebouwde kom en het landelijk gebied op Schouwen-Duiveland. In het beleid zijn de navolgende voorwaarden voor het realiseren van zonneparken opgenomen:
Zon-energieneutraal Indien voor eigenaren van een bedrijf binnen of buiten de bebouwde kom optie 1 (daken) aantoonbaar onvoldoende mogelijkheden bieden om voor eigen gebruik energieneutraal te zijn, is realisatie van zonnepanelen op maaiveld mogelijk. Daar waar een zonnepark vanuit ruimtelijk oogpunt een grotere impact heeft op het landschap, dient zwaarder ingezet te worden op de landschappelijke inpassing. Algemene toe- en inpassingseisen: Maximale hoogte op het maaiveld is 1,5 meter; De kleur van de panelen zijn donker (all black); De panelen hebben geen opvallende randen en de randen zijn niet afwijkend in kleur; Zonnepanelen voegen zich naar het bestaande verkavelingspatroon; Zonnepanelen mogen binnen een opstelling onderling niet in hoogte en diepte verspringen, dit ten behoeve van een rustig landschapsbeeld; Zonnepanelen worden landschappelijk ingepast; Zonnepanelen dienen bij voorkeur binnen het bouwvlak geplaatst te worden, indien aantoonbaar niet geschikt, dan pas plaatsing buiten het bouwvlak; Bij agrarische bedrijven grenzen de zonnepanelen aan de bouwkavel; Zonnepanelen zijn niet zichtbaar vanaf de openbare weg.
Afstand tot de openbare weg is minstens 10 meter daarna begint de landschappelijke inpassing waarachter de panelen zich bevinden; Verlichting is niet toegestaan; Ten behoeve van een gezonde bodem dient een minimale ruimte te zijn tussen de onderzijde van de panelen en het maaiveld van 0,3 m zodat voldoende licht en lucht de bodem kunnen bereiken; Voor een goede bodemkwaliteit en vegetatiestructuur mag de bodem niet maximaal bedekt worden door zonnepanelen. Minimaal 15% van de totale oppervlakte van zonnepanelen dient te worden ingezet voor extra vrije bodem. De ruimte wordt gelijkmatig verdeeld tussen de rijen met panelen; Toegangswegen, beveiliging, hekwerken en transformator zijn mee ontworpen in de totale inpassing. Indien de toepassing van hekwerken onvermijdelijk is, dienen deze zo laag mogelijk en transparant te zijn, landschappelijk te zijn ingepast en nooit zichtlijnen te doorkruisen; Bomenkap ten behoeve van de zonnepanelen is niet mogelijk, tenzij aantoonbaar noodzakelijk en driedubbel gecompenseerd. Nieuwe aanplant dient duurzaam in stand te worden gehouden en bestuursrechterlijk en/of privaatrechtelijk geborgd te worden; Voor recreatiebedrijven wordt dubbel ruimtegebruik van parkeerplaatsen met zonnepanelen aangemoedigd. Dit is maatwerk; Een plan moet ter beoordeling voorgelegd worden aan het kwaliteitsteam buitengebied.
Energielandschap
17
Ruimtelijke onderbouwing ‘Kleinschalig zonnepark, Krammersluizencomplex’ – 6 juni 2023
Er zijn mogelijkheden voor zon bij bestaande ‘energielandschappen’. Concreet betekent dit dat de aanleg van zonneparken mogelijk is bij de bestaande windparken Krammer en Roggenplaat die aangesloten zijn op een externe kabel voor de afvoer van energie. Algemene toe- en inpassingseisen Omdat de zonnepanelen hier zichtbaar zijn wordt door de gemeente meegekeken met de verschijningsvorm; Zonnepanelen liggen in een duidelijk herkenbaar patroon en vormen een samenhangend cluster (voorkomen van een versnipperd landschapsbeeld); De verschijningsvorm wordt ter beoordeling voorgelegd worden aan de Welstandscommissie en het kwaliteitsteam buitengebied; Beveiligingsmaatregelen worden zoveel als mogelijk uit het zicht gehouden. Hekken zijn transparant of water wordt ingezet als fysieke barrière; Verlichting is niet toegestaan.
Specifieke eisen voor energielandschap Krammer
Binnen de bekkens wordt nooit meer dan 50% van het open water bedekt met zonnepanelen, om de waterkwaliteit te behouden; Aangetoond moet worden dat er geen significant negatieve gevolgen zijn voor de ecologische waarden van water en omgeving; Bij zon op water is het ook van belang de nodige aandacht te besteden aan de draagconstructie. Doelstelling is de zichtbaarheid van de constructie zoveel als mogelijk te beperken.
Toetsing Bij het realiseren van de 4 kleinschalige zonneparken, zal voldaan worden aan de voorwaarden zoals deze beschreven zijn in het Ruimtelijk Beleid Duurzame Energievoorziening, zowel zonenergieneutraliteit las energielandschap. Na het ontwerp van de 4 locaties zal het totale plan voorgelegd worden aan het kwaiteitsteam buitengebied van de gemeente Schouwen-Duiveland.
Conclusie De beoogde ontwikkeling is passend in het Ruimtelijk Beleid Duurzame Energievoorziening.
18
Ruimtelijke onderbouwing ‘Kleinschalig zonnepark, Krammersluizencomplex’ – 6 juni 2023
19
Ruimtelijke onderbouwing ‘Kleinschalig zonnepark, Krammersluizencomplex’ – 6 juni 2023
4
KWALITEIT VAN DE LEEFOMGEVING In dit hoofdstuk komen de onderwerpen met betrekking tot de kwaliteit van de leefomgeving aan de orde die van belang zijn om de beoogde ontwikkeling, het realiseren van 4 kleinschalige zonneparken op het Krammersluizencomplex, mogelijk te maken.
4.1
Bodem Wettelijk is bepaald dat een omgevingsvergunningplichtig bouwwerk niet mag worden gebouwd op een zodanig verontreinigd terrein, dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. In de 4 te realiseren kleinschalige zonneparken zullen geen personen verblijven. Voorts is de grond waarop de 4 te realiseren kleinschalige zonne-parken worden gerealiseerd, kunstmatig aangelegd en hebben er tussen de aanleg en heden geen bodembedreigende activiteiten plaatsgevonden. Het uitvoeren van een bodemonderzoek is niet noodzakelijk.
4.2
Archeologie De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals die in de oude wetten en regelingen golden, blijven gehandhaafd. De Erfgoedwet vormt straks samen met de nieuwe nog vast te stellen Omgevingswet het wettelijke fundament voor de archeologie in Nederland. Onderdelen van de voormalige Monumentenwet over archeologie worden te zijner tijd overgeheveld naar de Omgevingswet. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Het Krammersluizencomplex is in het verleden aangelegd op een kunstmatig eiland. Archeologische en cultuurhistorische waarden worden ter plaatse derhalve niet aangetroffen. Het uitvoeren van onderzoek naar archeologische dan wel cultuurhistorische waarden is derhalve niet noodzakelijk.
4.3
Water Water en ruimtelijke ordening hebben met elkaar te maken. Enerzijds is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik. Anderzijds kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beiden is derhalve noodzakelijk om problemen, zoals wateroverlast, slechte waterkwaliteit, verdroging, te voorkomen. Volgens het Besluit ruimtelijke ordening is een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht. In deze paragraaf
20
Ruimtelijke onderbouwing ‘Kleinschalig zonnepark, Krammersluizencomplex’ – 6 juni 2023
wordt beschreven op welke wijze in het plangebied met water en watergerelateerde aspecten wordt omgegaan. Overleg waterbeheerder In het kader van de watertoets is de waterbeheerder Rijkswaterstaat zelf. Rijkswaterstaat heeft voor de beoogde ontwikkeling een projectplan opgesteld en voorgelegd aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat. Deze heeft het projectplan ‘Innovatieve Zoet Zout Scheiding Krammersluizen’ d.d. 23 juli 2018 vastgesteld.
Samenvatting van het projectplan De Krammersluizen vormen de scheiding tussen het zoete water uit het Volkerak Zoommeer en het zoute water uit de Oosterschelde. Voor het huidig systeem van zoet zoutscheiding (ZZS) in de schutsluizen is grootschalig onderhoud nodig. In plaats van dit onderhoud is besloten om het huidige systeem van wateruitwisseling in de duwvaartsluizen te vervangen door het Innovatieve Zoet-Zout Scheidingssysteem (IZZS). Bij dit systeem wordt het zoete en zoute water van elkaar gescheiden door de toepassing van bellenschermen, in combinatie met het spoelen van zoet water, en het beperken van de deuropentijden. Voor een dergelijke wijziging aan het waterstaatswerk is het vanuit de Waterwet verplicht om een projectplan op te stellen. In dit projectplan zijn de gevolgen van de omzetting naar het nieuwe systeem beschreven. De uitvoering van het IZZS Krammersluizen is in overeenstemming met de doelstellingen van de Waterwet. Voor het project is de waterveiligheid verzekerd; er wordt voldaan aan de huidige norm. De mogelijkheden om wateroverlast rondom het Volkerak-Zoommeer te voorkomen, verbeteren doordat bij de Krammersluizen is voorzien in een nieuw vismigratie- en spuimiddel. Bij toepassing van het IZZS blijven de zoutindringing en het waterverbruik onder de norm, ook in een situatie met waterschaarste.
Significante negatieve effecten op de biologische kwaliteitskenmerken van het Volkerak Zoommeer en de Oosterschelde zijn zonder mitigerende maatregelen niet bij voorbaat uit te sluiten. Dat hangt vooral samen met de verhoogde aanvoer van minder zout water naar de Noordelijke Tak van de Oosterschelde. Door optimalisatie van de bedrijfsvoering van de Krammersluizen zijn significant negatieve effecten wel te voorkomen, zoals nader is uitgewerkt in een Passende Beoordeling. Verstoring zal worden gemitigeerd door bij de uitvoering rekening te houden met verstoringsgevoelige soorten, onder meer door gebruik te maken van geluid beperkende maatregelen. Het project heeft zowel positieve als beperkt negatieve gevolgen voor de maatschappelijke functies van het watersysteem, waaronder de functie als scheepvaartverbinding en als visserij- en schelpdierwater. De scheepvaatfunctie gaat sterk vooruit door verminderde wachttijden bij het schutten. Daartegenover staat dat de scheepvaart stremming zal ondervinden bij de uitvoering. De geoptimaliseerde bedrijfsvoering van de Krammersluizen zorgt ervoor dat mosselen geen hinder ondervinden van de verhoogde aanvoer van relatief zoet water. Migratie van vissen via de schutkolken wordt door het bellenscherm geweerd.
De potenties voor vismigratie verbeteren echter door de aanleg van een vismigratie- en spuimiddel met een minimaal gemiddeld dagdebiet van 1 m3/s (in het groeiseizoen) en een zoete lokstroom. Bij besluit van 10 juli 2020 heeft de Minister van Infrastructuur en Waterstaat het, op grond van artikel 5.4, eerste lid, van de Waterwet, vastgestelde Projectplan Innovatieve Zoet-Zout Scheiding Krammersluizen gewijzigd.
21
Ruimtelijke onderbouwing ‘Kleinschalig zonnepark, Krammersluizencomplex’ – 6 juni 2023
Wijziging projectplan In het vastgestelde projectplan werd uitgegaan van de gunning van het werk aan de aannemer in 2019. De daadwerkelijke start was voorzien eind 2019 met een totale uitvoeringsduur van circa 3 à 5 jaar. Dit was gebaseerd op het uitvoeringsbesluit IZZS in 2017. Echter is er om efficiencyredenen, om uitvoeringsrisico’s te beperken en de hinder te beperken besloten om het IZZS doelbewust als scopeonderdeel toe te voegen aan de onderhoudsopgave voor de komende jaren voor de Krammersluizen en realisatie van bediening op afstand. Realisatie van het nieuwe zoetzoutscheidingssysteem, realisatie van het onderhoud en van bediening op afstand, betreffen namelijk voor het overgrote deel werkzaamheden die in dezelfde periode aan dezelfde bouw- en installatieonderdelen van de sluis plaats gaan vinden. De efficiencyredenen betreffen onder meer de benodigde RWS-capaciteit: met het oog op de onderlinge verwevenheid van de werkzaamheden is in dit geval voor één groot project de totale benodigde capaciteit minder, dan bij twee losse projecten/projectteams. Daarnaast is men door de integrale aanpak beter in staat om samen met de aannemer de verkeershinder tijdens de uitvoering te beperken. Het beperken van de uitvoeringsrisico’s is noodzakelijk met het oog op de vele technische raakvlakken en de complexiteit van de totale opgave.
Door de onderdelen onder te brengen binnen één project (en straks één uitvoeringscontract) kunnen deze raakvlakken veel beter beheerst worden. Het integreren van de oorspronkelijke opdracht (alleen vervangen van het zoet-zoutscheidingssysteem), vast en variabel onderhoud en bediening op afstand tot het project Renovatie Krammersluizen, heeft echter wel tot gevolg dat de mijlpalen die betrekking hebben op realisatie van het nieuwe zoet-zoutscheidingssysteem alleen, niet realistisch zijn voor het totale project Renovatie Krammersluizen. De grotere scope van het project (factor 4) en het goed doorgronden van de raakvlakken tussen de scope-onderdelen vergen extra tijd in de voorbereiding. Ook het aanbestedingstraject en de uitvoeringsperiode zullen door de aard en omvang van het project meer tijd in beslag nemen. In de huidige planning is de uitvoering van de werkzaamheden voorzien in de periode 2023 tot en met 2028. Er vinden geen inhoudelijke wijzigingen plaats aan de technische uitvoering voor de onderdelen waarvoor het projectplan is vastgesteld. De beide projectplannen zijn opgenomen in de bijlagen. 4.4
Ecologie / flora en fauna
Algemeen De Wet natuurbescherming (hierna Wnb) heeft per 1 januari 2017 de Boswet, Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998 vervangen. De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000gebieden, bescherming van soorten en de bescherming van houtopstanden. In de voorliggende Natuurtoets wordt niet ingegaan op de bescherming van houtopstanden omdat deze niet aan de orde is aangezien er geen bomen worden gekapt in voorliggend plangebied.
22
Ruimtelijke onderbouwing ‘Kleinschalig zonnepark, Krammersluizencomplex’ – 6 juni 2023
Naast bescherming vanuit de Wnb, zijn er ook gebieden die planologisch beschermd zijn. Het betreft het ‘Natuurnetwerk Nederland’ (hierna NNN). De bescherming van het NNN verloopt via het ruimtelijke ordeningsrecht (Barro, bestemmingsplannen) en niet via de natuurwetgeving.
Soortenbescherming In de Wet natuurbescherming is soortbescherming opgedeeld in drie categorieën. Voor elke categorie gelden verschillende verbodsbepalingen die zijn vermeld in artikel 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wnb. Het gaat om de volgende drie categorieën: 1. soorten van de Vogelrichtlijn; 2. soorten van de Habitatrichtlijn, inclusief bijlage I en II uit Verdrag van Bern en bijlage I uit Verdrag van Bonn, met uitzondering van vogels; 3. 'andere soorten' (onderdeel A 'fauna' en onderdeel B 'flora'). De verbodsbepalingen en ontheffingsgronden voor de eerste twee categorieën komen rechtstreeks uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. De derde categorie vindt zijn oorsprong in de nationale wetgeving. Bij voorliggende toetsing wordt tevens beoordeeld of soorten met jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn in het plangebied. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen jaarrond beschermde nesten (categorie 1 t/m 4) en mogelijk jaarrond beschermde nesten (categorie 5). In de quickscan natuur (zie hierna) zijn de werkzaamheden getoetst aan de Wnb onderdeel Soorten-bescherming. Dit betreft de bescherming van (individuele) soorten. Om te voldoen aan de randvoorwaarden van de wet heeft RWS een gedragscode opgesteld waardoor, onder voorwaarden, zonder ontheffing kan worden gewerkt.
Deze gedragscode is van toepassing op alle beschermde planten- en diersoorten en ziet toe op de volgende werkzaamheden: • Bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, wegen, of in het kader van natuurbeheer • Kleinschalige ruimtelijke ontwikkeling of inrichting De Gedragscode soortenbescherming van Rijkswaterstaat is van toepassing op de uitvoering van de werkzaamheden. Door de werkzaamheden te toetsen aan de Gedragscode wordt invulling gegeven aan deze Gedragscode van Rijkswaterstaat. Onderzoek Op 7 juli 2021 is er door Witteveen+Bos een Quickscan natuur in het kader van de soortenbescherming uitgevoerd (zie bijlagen). Voor het projectgebied volgen hierna de bevindingen.
Soortenbescherming In de onderstaande tabel zijn de bevindingen en conclusies ten aanzien van de beschermde soorten samengevat.
23
Ruimtelijke onderbouwing ‘Kleinschalig zonnepark, Krammersluizencomplex’ – 6 juni 2023
Conclusie soortenbescherming De bevindingen en conclusies ten aanzien van de beschermde diersoorten in het kader van de soortenbescherming zijn samengevat in de quickscan natuur (zie tabel 6.1 van bijlage 1). Samengevat komt het erop neer dat het aanvragen van een ontheffing niet nodig is. Voor een aantal diersoorten dienen mitigerende maatregelen genomen te worden. Deze maatregelen heeft Rijkswaterstaat in het contract meegegeven richting de uitvoerend aannemer. De aannemer is dus verplicht deze maatregelen te nemen en zal dit verder moeten uitwerken in een Ecologisch Werkprotcol.
Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Natura 2000-gebieden zijn natuurgebieden van groot internationaal belang. Deze gebieden zijn aangewezen onder de Europese Habitat- en/of Vogelrichtlijn. Voor de gebieden en de daarbij aangewezen soorten en habitattypen zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld. Een activiteit mag niet leiden tot significant negatieve effecten op deze doelen of tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken. Bij gebiedsbescherming gaat het om gebieden die zijn aangewezen als onderdeel van het Natura 2000-gebied, Natuurnetwerk Nederland (NNN) en/of belangrijke weidevogelgebieden. Natura 2000-gebieden Het plangebied grenst aan de Natura 2000-gebieden Krammer-Volkerak en Oosterschelde. Ook in de buurt ligt het Natura 2000-gebied Grevelingen. Verstoring tijdens de uitvoeringsfase is niet uit te sluiten, alsook overige (indirecte) effecten, zoals een wijziging in de zoet-zoutbalans van het water in de gebruiksfase. In het kader van de gebiedsbescherming is een Passende beoordeling opgesteld en een Wnb-vergunning verleend (vergunning op basis van de Wet natuurbescherming). De Wnb-vergunning is geldig tot 2030.
24
Ruimtelijke onderbouwing ‘Kleinschalig zonnepark, Krammersluizencomplex’ – 6 juni 2023
Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland is een stelsel van ecologisch hoogwaardige natuurgebieden; de Natura 2000-gebieden maken daar deel van uit. Naast de Natura 2000-gebieden bevat het NNN ook overige leefgebieden van soorten en – om isolatie te voorkomen - gebieden die een verbinding vormen tussen natuurgebieden. Het NNN is onderdeel van het actieve beleid om bedreigde dier- en plantensoorten in een gunstige staat van instandhouding te brengen. De natuurgebieden die behoren tot het NNN en hun functies worden planologisch beschermd, hier geldt het ‘nee, tenzij’- principe. De planologische bescherming betekent in het kort dat geen nieuwe bestemmingen worden toegestaan die per saldo leiden tot een significante aantasting van de oppervlakte, de kwaliteit en de samenhang van het NNN. Hieraan wordt getoetst bij de verlening van een omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). NNN-gebied Het plangebied grenst aan NNN-gebied van de provincie Zeeland. Mogelijke effecten zijn afhankelijk van de exacte werkzaamheden die plaatsvinden op deze grens. De uitvoering van de werkzaamheden die hier plaatsvinden worden nog in meer detail doorgenomen met de opdrachtgever om de effecten te bepalen. Indien effecten niet uit te sluiten zijn, is een ‘Nee, tenzij-toets’ aan de orde.
Tevens zijn er in de omgeving van het plangebied percelen van het NNN-netwerk van de provincie Zeeland aanwezig. Voor ingrepen die geen nieuwe ontwikkelingen betreffen geldt echter geen externe werking als toetsingscriterium. Een nadere procedure in de vorm van een ‘Nee, tenzijtoets’ voor externe werking is daarom niet noodzakelijk waardoor belemmeringen vanuit provinciaal natuurbeleid niet aan de orde zijn.
Passende beoordeling Door Royal Haskoning DHV is op 5 april 2022 een passende beoordeling uitgevoerd. Op basis van deze passende beoordeling is er op 25 juli 2022 een Wnb vergunning verleend voor de zoetzoutscheiding Krammersluizen. De bevindingen en conclusie uit de passende beoordeling volgt hierna. De voorschriften uit de verleende vergunning zijn tevens opgenomen: Voor een project dat afzonderlijk of in cumulatie kan leiden tot significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen, kan alleen een vergunning verleend worden als de aanvrager een passende beoordeling (hierna: PB) heeft overgelegd, waaruit zonder redelijke wetenschappelijke twijfel kan worden geconcludeerd dat het project niet zal leiden tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van het betrokken Natura 2000-gebied. Deze moet rekening houden met de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied. De PB biedt de grondslag voor de vaststelling van de aard en omvang van de gevolgen of de cumulatieve gevolgen en de manier waarop in mitigatie van die gevolgen is voorzien. De PB toetst de effecten aan de instandhoudingdoelstellingen uit het aanwijzingsbesluit van de Natura 2000-gebieden Krammer-Volkerak, Oosterschelde en Grevelingen. Afbakening Gebied Het Krammersluizencomplex ligt tussen de Natura 2000-gebieden Oosterschelde en KrammerVolkerak en nabij het Natura 2000-gebied Grevelingen.
25
Ruimtelijke onderbouwing ‘Kleinschalig zonnepark, Krammersluizencomplex’ – 6 juni 2023
Gevolgen Voor de beoordeling van de gevolgen inventariseert de PB welke in redelijkheid denkbare typen gevolgen kunnen optreden. Dit zijn: Tijdens de aanlegfase: - Verstoring van de noordse woelmuis en zwartkopmeeuw door geluid. Tijdens de gebruiksfase: - Effecten op het habitattype Grote baaien en Slijkgrasvelden in de Oosterschelde; - Effecten op broedvogels en niet-broedvogels in Grevelingen; - Effecten op bodemfauna etende vogels in Oosterschelde. Natuurwaarden De natuurwaarden die door de genoemde gevolgen beïnvloed kunnen worden, zijn: - Habitattypen: diverse habitattypen opgenomen in de PB; - Habitatrichtlijnsoorten en Vogelrichtlijnsoorten (broedvogels en nietbroedvogels): diverse soorten opgenomen in de PB. De beschermde waarden en de relevante instandhoudingsdoelstellingen van het betrokken Natura 2000-gebied staan vermeld op www.rijksoverheid.nl/lnv (‘Onderwerpen’ >‘Natuur en Biodiversiteit’ > ‘Natura 2000’). Conclusie afbakening De afbakening van het gebied en de inventarisatie van mogelijke gevolgen van het project op de natuurwaarden in de PB op een juiste wijze hebben plaatsgevonden.
Mogelijke effecten en mitigatie Effecten door geluidsverstoring tijdens de aanlegfase Tijdens de ombouw zijn er drie onderdelen waarbij veel geluid en (voor wat betreft het boren in beton) in enige mate trillingen worden geproduceerd: het inbouwen van rinketten (zagen en slijpen in de werkperiode van vier jaar gedurende perioden van meerdere maanden achtereen), het voorbereiden van aanleg van leidingen van compressoren (boren in beton gedurende enkele dagen) en de realisatie van het vismigratie- en spuimiddel (boren door beton gedurende enkele weken). Deze activiteiten kunnen negatieve effecten hebben op de noordse woelmuizen die aanwezig zijn in de directe omgeving van de werklocaties en eventueel (via externe werking) op de Plaat van de Vliet en op broedende zwartkopmeeuwen op het nabijgelegen broedschiereiland. Om verstoring van de noordse woelmuis en zwartkopmeeuw te beperken worden maatregelen genomen.
Door bij het inbouwen van de rinketten op de bouwplaats nabij de sluizen geluidwerende maatregelen te nemen die ervoor zorgen dat het geluidsvolume (inclusief piekgeluiden) beperkt blijft zodat aan de meest nabijgelegen rand van het broedgebied van de zwartkopmeeuw het geluidsniveau niet hoger is dan 47 dB(A) en het geluidsniveau aan de rand van het leefgebied van de noordse woelmuis niet hoger is dan 75 dB(A) wordt aantasting van omvang en kwaliteit van de leefgebieden voorkomen en wordt de draagkracht van het gebied niet negatief beïnvloed.
26
Ruimtelijke onderbouwing ‘Kleinschalig zonnepark, Krammersluizencomplex’ – 6 juni 2023
Welke geluidswerende maatregelen worden gekozen is aan de uitvoerder van de werkzaamheden, in de Passende beoordeling wordt hier geen keuze in gemaakt. Er wordt aan de vergunning voorschrift 12 en 13 verbonden, waarbij het maximum toegestane geluidsniveau is vastgelegd. Om te voorkomen dat de noordse woelmuis wordt weggeconcurreerd door andere soorten binnen het sluiseiland worden wildroosters aangelegd om andere muizensoorten en predatoren te weren. Verder wordt er gewerkt met gegarandeerd ‘schone grond’, zonder veldmuis, aardmuis en rosse woelmuis. Het doel is om zo het sluiseiland als ‘bronpopulatie’ voor de noordse woelmuizen in het Natura 2000-gebied Krammer-Volkerak te beschermen. Dit is vastgelegd in voorschrift 14 van de vergunning. Een significant negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van de noordse woelmuis en zwartkopmeeuw is, met inachtneming van voorschrift 12 tot en met 14 uitgesloten. Effecten tijdens de gebruiksfase Het project leidt op jaarbasis tot een structureel hogere aanvoer van minder zout water naar de Oosterschelde. Hierdoor zal het zoutgehalte in de bovenste laag van de waterkolom in de nabijheid van de Krammersluizen lager worden.
Bij het in gebruik nemen van het Krammersluizencomplex wordt een spoel- en spuibeheer met zo laag mogelijke spoel- en spuidebieten aangehouden met een ondergrens van 25 psu in het zomerhalfjaar, dat nooit wordt onderschreden. Hiermee worden in de zomer negatieve effecten op de groei en voortplanting van bodemfaunaorganismen voorkomen. In de winter wordt de grens van 25 psu wel periodiek onderschreden, maar de grens van 20 psu niet. Omdat bodemfauna ’s winters niet of nauwelijks groeit is afname van de groei, die in beginsel kan optreden, niet aan de orde. De optimalisatie van het spoel- en spuibeheer is opgenomen als voorschrift 15 en 16 bij de vergunning. Hierdoor zijn significant negatieve effecten op het habitattype Groote baaien en Slijkgrasvelden in de Oosterschelde uitgesloten.