CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

1013952 Bijlage 3 Beleidsregels SD 2024

Gemeenteraad 30 mei 2024, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: RVS Verordening Maatschappelijke Ondersteuning en Beleidsregels SD 2024 (1013952)13.660 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Ad 4. Organiseren van het huishouden/regievoering De ondersteuning in de vorm van regievoering wordt ingezet wanneer de zorgvrager niet tot zelfregie en planning van activiteiten in staat is. Behalve dat de organisatie wordt overgenomen heeft de zorg meer dan bij huishoudelijke ondersteuning een signalerende, aansturende en regie voerende taak. Het ondersteunen bij of overnemen van regie kan nodig zijn als van de zorgvrager niet meer verwacht kan worden dat hij zelfstandig beslissingen neemt (bijvoorbeeld bij dementie, visusproblemen of een terminale situatie) of als disfunctioneren dreigt. Dat laatste kan zich uiten in vervuiling, verwaarlozing of ontreddering; van zichzelf of van huisgenoten.

Artikel 18. Uitgangspunten voor (groeps)begeleiding (verordening artikel 15) 1. Het beleid ten aanzien van de maatwerkvoorziening “(groeps)begeleiding” moet zijn gebaseerd op objectieve criteria, steunend op deugdelijk en onafhankelijk onderzoek. In deze wordt gebruikt gemaakt van een onderzoek verricht door het bureau HHM, een onafhankelijke derde partij, die geen belang heeft bij de uitkomst van het onderzoek ter vaststelling van maatstaven voor resultaten. Onderzoeksbureau HHM heeft hiertoe een objectief, onafhankelijk normenkader ontwikkeld. Dit normenkader dient als basis voor de indicatiestelling en wordt samen met deze beleidsregels vastgesteld. 2. In het kader van begeleiding worden in ieder geval de volgende taken als gebruikelijke hulp aangemerkt binnen een leefeenheid: a. Het geven van begeleiding aan een zorgvrager op het terrein van de maatschappelijke en/of sociale participatie zoals bijvoorbeeld het bieden van begeleiding bij activiteiten buitenshuis, zoals winkelen, museum, theater, strand, bos, etc.; b. Het begeleiden van de zorgvrager bij het normaal maatschappelijk verkeer binnen de persoonlijke levenssfeer, zoals het bezoeken van familie/vrienden, huisarts, enzovoort; c. Het bieden van zorg bij of het overnemen van taken die bij een huishouden horen, zoals het doen van de administratie, regie voeren over het huishouden. 3.

In hoeverre gebruikelijke hulp kan worden verwacht van de overige leden van de leefeenheid hangt daarnaast af van de volgende omstandigheden: a. De omvang van de ondersteuningsbehoefte van de zorgvrager; b. De aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met de zorgvrager;

17

c.

De leerbaarheid van de zorgvrager en/of de personen van wie gebruikelijke hulp kan worden gevraagd. 4. De ondersteuningsbehoefte kan zo groot zijn dat (deels) niet meer van gebruikelijke hulp kan worden gesproken. Dat deel kan als boven-gebruikelijk worden aangemerkt, tenzij het uitstelbare ondersteuning betreft of bijvoorbeeld gebruik kan worden gemaakt van andere oplossingen. Zo kan de zorgvrager zijn aangewezen op permanent toezicht wat zware eisen kan stellen aan de persoon van wie gebruikelijke hulp wordt gevergd. In dit geval zal ook een onderzoek naar een mogelijke Wlzindicatie aan de orde zijn. De zorg wordt niet snel als boven-gebruikelijke hulp aangemerkt, als deze incidenteel is maar wel structureel van karakter. Denk bijvoorbeeld aan zorg bij zelfzorg of participatie. De omvang van de zorg kan onder de normale routine van de leefeenheid vallen. Denk bijvoorbeeld aan het uitzoeken en klaarleggen van kleding, het gezamenlijk eten, etc. 5. Als algemeen uitgangspunt geldt dat huisgenoten elkaar onderling gebruikelijke hulp moeten bieden. Immers huisgenoten binnen de leefeenheid hebben de keuze gemaakt om een duurzaam gezamenlijk huishouden te voeren. Dat maakt hen gezamenlijk verantwoordelijk voor het functioneren van het huishouden. Daarbij wordt wel rekening gehouden met de aard van de relatie die de persoon binnen de leefeenheid heeft met de zorgvrager.

Er wordt onderscheid gemaakt tussen wat van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar als gebruikelijke hulp bieden en wat van kinderen ten opzichte van hun ouders verwacht kan worden. Dit geldt ook voor huisgenoten die geen familierelatie hebben met de zorgvrager. In het individuele geval moet beoordeeld worden wat volgens de algemeen geldende opvattingen als gebruikelijk kan worden aangemerkt. 6. Als uitgangspunt geldt dat van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar meer wordt verwacht in het kader van gebruikelijke hulp dan van kinderen ten opzichte van hun ouders. Echtgenoten/partners hebben immers een zorgplicht voor elkaar. Zo wordt het normaal geacht dat de ene partner de ander aanspoort tot bijvoorbeeld zelfzorg en/of zorg biedt bij de sociale redzaamheid. 7. De zorgplicht van ouders voor hun kinderen strekt zich uit over opvang, verzorging, begeleiding en opvoeding die een ouder (of verzorger), onder meer afhankelijk van de leeftijd en verstandelijke ontwikkeling van het kind, normaal gesproken geeft aan een kind, inclusief de ‘zorg’ bij kortdurende ziekte (minder dan 3 maanden). Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp voor de kinderen over. Gebruikelijke hulp voor kinderen omvat in ieder geval de aanwezigheid van een verantwoordelijke ouder of derde persoon die past bij de leeftijd en ontwikkeling van het kind.

Het overnemen van de gebruikelijke hulp aan kinderen kan in uitzonderingsgevallen een tijdelijke maatwerkvoorziening zijn, maar structurele opvang van kinderen in beginsel niet. 8. Het algemene principe van de verantwoordelijkheid voor de leefeenheid geldt ook voor de zorg of ondersteuning van ouders naar hun kinderen toe. Voor kinderen ten opzichte van hun ouders kan dat anders liggen. Met name de leeftijd van het kind is hier van belang. Voorkomen moet worden dat een kind hierdoor overbelast raakt. Verder is het in het algemeen niet gebruikelijk dat kinderen hun ouder(s) bijvoorbeeld aansporen tot zelfzorg. Dit is echter weer anders als de kinderen zelf al volwassen zijn. 9. Het algemene principe van de verantwoordelijkheid voor de leefeenheid geldt ook voor de zorg of ondersteuning van huisgenoten ten opzichte van elkaar. Gelet op aard van de relatie kan het zijn dat het volgens algemene opvattingen echter niet gebruikelijk is dat de ene huisgenoot de ander aanspoort tot zelfzorg. 10. Het kan voorkomen dat er al dan niet tijdelijk geen gebruikelijke hulp kan worden gevergd. Een reden daarvoor kan zijn dat de huisgenoot niet weet op welke manier zij gebruikelijke hulp kan of moet verlenen, maar dat wel kan aanleren.

Denk bijvoorbeeld aan situaties waarin men wordt geconfronteerd met een ondersteuningsbehoefte van de zorgvrager door niet eerder aanwezige beperkingen zoals niet aangeboren hersenletsel (NAH) of beginnende dementie. Er kan dan tijdelijk een maatwerkvoorziening worden ingezet om de gebruikelijke hulp aan te leren. De ondersteuning is dan ook gericht op het in staat te stellen om te gaan met (de gevolgen van) de beperkingen van de zorgvrager. De leerbaarheid van de zorgvrager kan hierbij ook een belangrijke rol spelen. Die kan bijvoorbeeld betrekking hebben op het (leren) accepteren van gebruikelijke hulp. 11. Er is sprake van matige beperkingen in de zelfredzaamheid als het zelfstandig nemen van besluiten niet vanzelfsprekend is, de zorgvrager hulp nodig heeft bij het regelen van dagelijkse bezigheden en bij het aanbrengen van dagelijkse routine en structuur, niet goed begrijpt wat anderen zeggen en zichzelf niet voldoende begrijpelijk kan maken. 12. Er is sprake van zware beperkingen in de zelfredzaamheid als taken moeten worden overgenomen en het uitvoeren van eenvoudige taken moeilijk gaat. De zorgvrager is niet in staat zelfstandig problemen op te lossen en/of besluit te nemen, heeft moeite met communiceren en/of is afhankelijk is van regie van anderen voor de dagelijkse handelingen.

18

13. Er is sprake van matige beperkingen ten aanzien van gedragsproblemen als er bijsturing en soms gedeeltelijke overname van taken vereist is door een professional omdat de situatie anders verslechtert. 14. Er is sprake van zware beperkingen ten aanzien van gedragsproblemen als er ernstige problemen zijn waardoor de veiligheid van betrokkene en/of zijn omgeving in gevaar zijn en er continu professionele bijsturing nodig is. 15. Er is sprake van matige beperkingen ten aanzien van psychisch functioneren als er regelmatig hulp nodig is vanwege concentratieproblemen en informatieverwerking. 16. Er is sprake van zware beperkingen ten aanzien van psychisch functioneren als volledige overname van de taken door een professional nodig is vanwege ernstige problemen met concentratie, denken, geheugen en waarneming van de omgeving. 17. Er is sprake van matige beperkingen ten aanzien van oriëntatie en geheugen als er problemen zijn met het herkennen van personen en omgeving, er vaak hulp nodig is bij het uitvoeren van taken en het vasthouden van een dagritme en situatie zal verslechteren zonder begeleiding. 18. Er is sprake van zware beperkingen ten aanzien van oriëntatie en geheugen als er ernstige problemen zijn met het herkennen van personen en omgeving, als de zorgvrager gedesoriënteerd is, taken moeten worden overgenomen en er ondersteuning nodig is bij de dagstructuur.

Artikel 19. Uitgangspunten voor begeleiding regulier (verordening artikel 15) 1. Zelfredzaamheid en structuur a. Bij begeleiding thuis is de ondersteuning gericht op het bevorderen, het behoud van of het compenseren van zelfredzaamheid van de zorgvrager. Bij zelfredzaamheid gaat het om de lichamelijke, cognitieve en psychische mogelijkheden die de zorgvrager in staat stellen om binnen de persoonlijke levenssfeer te functioneren. Het kan gaan om het compenseren of actief herstellen van het beperkte of afwezige regelvermogen van de zorgvrager, waardoor hij/zij onvoldoende of geen regie over het eigen leven kan voeren. Het kan dan gaan om zaken als het helpen plannen van activiteiten, regelen van dagelijkse zaken, het nemen van besluiten en het structureren van de dag. b. Het bieden van praktische zorg en ondersteuning bij het uitvoeren of eventueel ondersteunen bij het oefenen van handelingen/vaardigheden die zelfredzaamheid tot doel hebben. c. Ter ondersteuning en/of ontlasting van mantelzorgers. 2. Persoonlijke verzorging Persoonlijke verzorging, die in het verlengde ligt van deze begeleiding met de handen op de rug en geen lijf gebonden zorg), maakt hiervan deel uit. De ondersteuning richt zich op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid.

In het algemeen geldt hier dat geen sprake is van een somatische aandoening en/of primaire medische problematiek, maar in de regel behoefte aan ondersteuning bij de Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen (ADL), in plaats van het overnemen er van. Dit komt met name voor bij mensen met een verstandelijke beperking, zintuiglijke beperking en psychiatrische problematiek. 3. Dienstverleningsmomenten De begeleiding kan volgens afspraak één of meer keer per week thuis geboden worden. Als de zorgvrager onverwacht zorg nodig heeft, buiten de afgesproken momenten, kan hij contact opnemen met zijn zorgverlener. Als dat mogelijk is, kan het contact digitaal plaatsvinden of worden bepaalde vormen van deze individuele begeleiding groepsgewijs geboden (denk aan een ‘spreekuur’ voor ondersteuning bij de administratie of een training). 4. Langdurige ondersteuning: In zijn algemeenheid wordt uitgegaan van langdurige ondersteuning indien deze structureel en regelmatig moet worden verleend gedurende een aaneengesloten periode van 26 weken. De langdurige noodzakelijkheid is in de WVG-jurisprudentie als criterium aanvaard, zij het dat daarvoor geen medische eindtoestand is vereist. Bij de beoordeling van de langdurige noodzakelijkheid kunnen ook de prognose over de medische beperkingen en de behandelmogelijkheden een rol spelen.

Concreter kan worden gesteld dat een bezoek aan een ziekenhuis 4 x per jaar wordt gezien als incidenteel en derhalve niet als langdurig.

Artikel 20. Uitgangspunten voor begeleiding specialistisch (verordening artikel 15) 1. De zorgvrager heeft langdurig specialistische begeleiding nodig, die gericht is op één of meer van de volgende aspecten met een matig tot voornamelijk zwaar karakter, waarbij ook aandacht is voor activering (= leren, stimuleren, motiveren):

19

a. b. c. d. e. f.

tekortschietende (zelf)regie; sociaal-emotionele problematiek; integratie- en participatieproblematiek; het regelen van dagelijkse bezigheden; het nemen van besluiten; het plannen en uitvoeren van taken.

Artikel 21. Uitgangspunten voor dagbesteding regulier (verordening artikel 15) 1. Begeleiding dagbesteding wordt in groepsverband geboden en is vooral gericht op participatie en/of een zinvolle invulling van de dag (dagbesteding). 2. Voor de toegang tot begeleiding dagbesteding wordt met name beoordeeld of: a. de zorgvrager kan niet deelnemen aan gewoon of regulier begeleid werken of studie vanwege beperkingen; b. de zorgvrager is niet (meer) werkzaam en kan zelf geen zinvolle invulling aan een dag geven waardoor vereenzaming dreigt en achteruitgang van sociale contacten en vaardigheden; c. ontlasten van mantelzorgers en voorliggende dagbesteding niet meer aansluit; d. indien sprake is van ontlasten van mantelzorgers en de noodzaak tot ondersteuning van algemene aard is dan is de dagbesteding in de directe nabijheid van de zorgvrager van toepassing; e. Als een zorgvrager met een Wlz-indicatie verzoekt om begeleiding op grond van de Wmo 2015, moet het college een onderzoek uitvoeren overeenkomstig artikel 2.3.2 Wmo 2015. Als uit dat onderzoek blijkt dat noodzakelijke begeleiding resteert die niet door de Wlz wordt gedekt, is het aan het college om te beoordelen of de omstandigheden van het geval aanleiding geven om in het tekort te voorzien.

Artikel 22. Uitgangspunten voor dagbesteding specialistisch (verordening artikel 15) 1. Begeleiding specialistisch wordt in groepsverband geboden en is vooral gericht op participatie en/of een zinvolle invulling van de dag (dagbesteding) met specialistische begeleiding. 2. Zorgvragers hebben op basis van het ondersteuningsplan belang bij een specialistisch begeleidingsaanbod. In veel gevallen vindt multidisciplinaire samenwerking plaats door zorgaanbieders. 3. In het ondersteuningsplan staan doelen die vooral gericht zijn op voorkomen van, of begeleiding bij verdere verslechtering en/of achteruitgang. Doel kan ook zijn: realiseren van, of borgen van een veilige thuissituatie voor zorgvrager en omgeving. De aanbieder brengt in een ondersteuningsplan de zelfredzaamheid in kaart. 4. Periodiek vindt een evaluatie plaats.

Artikel 23. Uitgangspunten voor kortdurend verblijf (verordening artikel 15) 31 In tegenstelling tot de andere bouwstenen wordt kortdurend verblijf geïndiceerd in etmalen. 2. Kortdurend verblijf wordt ingezet ter ontlasting van de thuissituatie.

Artikel 24. Uitgangspunten voor Beschermd Wonen (verordening artikel 16) In het kader van beschermd wonen werkt het college samen met andere Zeeuwse gemeenten en worden gelijke regels gehanteerd. Deze worden apart vastgesteld.

Artikel 25. Uitgangspunten voor woonvoorzieningen en woningaanpassingen (verordening artikel 17) 1. Het college is op grond van artikel 2.3.5 lid 6 van de wet niet gehouden, maar wel bevoegd om een maatwerkvoorziening toe te kennen als een zorgvrager beschikt over een Wet Langdurige Zorg (Wlz) indicatie. 2. Indien sprake is van een Wlz indicatie en de zorgvrager verblijft in een Wlz instelling dan worden de woonvoorzieningen bekostigd uit de Wlz. 3. Geen woonvoorziening wordt verstrekt als de zorgvrager niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen op dat moment meest geschikte woning. Uitzondering hierop is de situatie waarin het college schriftelijk toestemming heeft gegeven voor de verhuizing (CRvB 27-02-2008,

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5846). 20

4. Geen woonvoorziening wordt toegekend als de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning geen aanleiding bestond en er geen belangrijke reden aanwezig was. Voorbeelden van belangrijke redenen zijn: samenwoning, huwelijk en het aanvaarden van werk elders. Maar ook als één van deze situaties zich voordoet, zal een weging van alle feiten en omstandigheden de doorslag geven of sprake is van een belangrijke reden, zo volgt uit de jurisprudentie. De opsomming is verder niet uitputtend, wat betekent dat ook andere omstandigheden een belangrijke reden kunnen vormen. 5. Als aan de zorgvrager geen schriftelijke toestemming is gegeven voor de verhuizing en de zorgvrager pas daarna om een woningaanpassing verzoekt, is het aan de zorgvrager om aan de hand van controleerbare gegevens aannemelijk te maken dat er geen beter passende woning beschikbaar was. 6. Zonder een daartoe verleende toestemming van het college en in die zin verwijtbare verhuizing van een adequate naar een inadequate woning kan dit niet blijvend aan de zorgvrager worden tegengeworpen. Dit zou er immers toe leiden dat de zorgvrager blijvend verstoken blijft van (woon)voorzieningen die nodig zijn om de door hem ondervonden beperkingen te compenseren. 7.

De zorgvrager wordt voor noodzakelijke woonvoorzieningen die algemeen gebruikelijk zijn gewezen op de thuiszorgwinkel dan wel op de particuliere markt. 8. Het pgb voor woningaanpassingen wordt vastgesteld als tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld in de door het college geaccepteerde offerte.

Artikel 26. Uitgangspunten voor vervoer naar de dagbesteding (verordening artikel 19 en 20) 1. Bij het vervoer naar de dagbesteding geldt – evenals bij dagbesteding- het uitgangspunt dat de locatie van de dagbesteding zoveel mogelijk nabij de woon- of verblijfplaats van de zorgvrager en binnen de gemeentegrenzen wordt gezocht (binnen een straal van 10 kilometer). Het college beoordeelt in bijzondere gevallen een gemotiveerd verzoek om van dit uitgangspunt af te wijken. 2. Vastgesteld wordt of de zorgvrager zijn vervoer zelf kan organiseren. Als de zorgvrager hiervoor gebruik moet maken van het collectief vervoer (dus niet in staat is gebruik te maken van het openbaar vervoer of andere vervoersmogelijkheden), dan kan een pas voor het collectief vervoer (Regiotaxi) worden toegekend. De zorgvrager reist binnen de spelregels van het collectief vervoerssysteem naar de dagbestedingslocatie. Hij betaalt ook de bijdrage per rit. Indien de zorgvrager kan aantonen dat hij met het maximum kilometerbudget van 2.000 km overschrijdt omdat hij naast zijn sociaal vervoer ook naar de dagbesteding reist, kan hij bij het college een ophoging van het kilometerbudget aanvragen. 3. Een zorgvrager die een duurdere voorziening wenst dan de voorziening die het goedkoopst adequaat is, betaalt de meerkosten zelf.

Voor het vervoer van en naar de dagbesteding kan het principe goedkoopst adequaat tot gevolg hebben dat een zorgvrager die naar een andere dagbestedingslocatie wil dan een geschikte voorziening die het dichtst bij zijn woonplaats is gevestigd, de meerkosten van het vervoer zelf moet betalen.

Artikel 27. Uitgangspunten voor regeling meerkosten vervoer van en naar de dagbesteding (verordening artikel 20) 1. Zorgvrager kan een tegemoetkoming voor meerkosten ontvangen. Hiervoor wordt geen bijdrage opgelegd. De tegemoetkoming hangt samen met de maatwerkvoorziening dagbesteding. Indien er sprake is van beëindigen van de dagbesteding dan eindigt ook de vergoeding van de meerkosten voor het vervoer. Het college beoordeelt op de volgende wijze: a. heeft de zorgvrager een indicatie voor dagbesteding in natura?; b. is de zorgvrager afhankelijk van collectief vervoer om bij de dagbesteding te komen?; c. is er dichterbij de woonplaats van de zorgvrager geen geschikte dagbesteding beschikbaar?; d. Bedragen de kosten voor vervoer van en naar de dagbesteding meer dan € 70,00 per maand? e. Heeft de zorgvrager een laag inkomen? 2. Wanneer de zorgvrager aan bovenstaande onderdelen voldoet, komt hij in aanmerking voor de regeling meerkosten vervoer van en naar dagbesteding. Hij wordt verplicht gebruik te maken van de de ‘cashless rekening’ Zodra de kosten meer dan €70,- per maand bedragen worden de meerkosten gefactureerd aan de gemeente. Het college stelt het kilometerbudget vast.

21

3. Zorgvragers die naar de dagbesteding gaan met openbaar vervoer of eigen vervoer en waarbij sprake is van intensief gebruik van de dagbesteding of een laag inkomen of een combinatie van beide, kunnen de individuele maatwerkvoorziening vergoeding meerkosten ontvangen voor zover de kosten meer bedragen dan € 70,00 per maand.

22

Hoofdstuk 5. Uitgangspunten voor een persoonsgebonden budget (pgb) Artikel 28. pgb-vaardigheid (artikel 24 verordening) 1. De vaardigheid van de zorgvrager, dan wel een ander die namens hem het pgb gaat beheren, ten aanzien van de vaardigheid om een pgb te beheren, worden op de volgende onderdelen beoordeeld. Alle onderdelen moeten voldoende worden beheerst door degene die het beheer van het pgb op zich neemt: a. een goed overzicht hebben van de eigen situatie, dan wel die van de zorgvrager, en een duidelijk beeld van de zorgvraag. Zelf kunnen aangeven welke zorg er nodig is; b. weten welke regels er horen bij een pgb, of weten waar men die regels (online) kan vinden; c. een overzichtelijke pgb-administratie en besteding van het pgb-budget bijhouden. Het kunnen verantwoorden van het pgb budget, zoals komen de gefactureerde zorguren overeen met de geleverde zorg of het stoppen van het maandloon als de zorg tijdelijk stopt. Deze administratie moet eventueel ook overgelegd kunnen worden als het college, in het kader van verantwoording, daarom vraagt; d. communicatievaardig zijn: tijdig en op eigen initiatief kunnen communiceren met het college, de Sociale Verzekeringsbank en zorgverleners; e. zelfstandig kunnen handelen en onafhankelijk voor zorgverleners kiezen; f. zelf afspraken maken en deze afspraken bijhouden en verantwoorden aan het college; g.

beoordelen en beargumenteren of de zorg uit het pgb passend is; h. de inzet van zorgverleners kunnen coördineren, waardoor de zorg door kan gaan, ook bij verlof en ziekte; i. als werk- of opdrachtgever de zorgverleners aan sturen en aanspreken op hun functioneren; j. voldoende juridische kennis hebben over het werk- of opdrachtgeverschap, of te weten waar deze kennis te vinden. 2. Het college kan degene die het pgb gaat beheren verzoeken een pgb vaardigheidstest uit te voeren, zo nodig in bijzijn van een medewerker van het college of een persoon die door het college is aangewezen. 3. Een pgb wordt niet toegekend indien er sprake is van overwegende bezwaren als er een ernstig vermoeden is dat de budgethouder, dan wel degene die het pgb namens hem gaat beheren, problemen zal hebben met het omgaan met een pgb; hiervan kan onder meer in de volgende situaties sprake zijn: a. de belanghebbende is handelingsonbekwaam; b. de belanghebbende heeft als gevolg van dementie, een verstandelijke handicap of ernstige psychische problemen onvoldoende inzicht in de eigen situatie; c. er is sprake van verslavingsproblematiek; d. er is eerder misbruik gemaakt van het pgb; e. er is sprake van schulden. 4. Het pgb wordt geweigerd: a. voor die meerkosten voor zover die hoger zijn dan de in te kopen ondersteuning van de maatwerkvoorziening als zorg in natura. b.

er is eerder sprake geweest van een situatie zoals bedoeld in artikel 2.3.6 lid 5 onder b. van de Wmo 2015. 5. Het pgb wordt ingetrokken of herzien als: a. de zorgvrager onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de zorgvrager niet langer op de maatwerkvoorziening of het gb is aangewezen; c. de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten; d. de zorgvrager niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het pgb verbonden voorwaarden; e. de zorgvrager de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt. 6. Het college onderbouwt de afwijzing in de beschikking; 7. Het pgb wordt in Nederland besteed; 8. Het college kan in bijzondere gevallen en maximaal voor een tijdelijk verblijf van maximaal dertien weken per kalenderjaar toestemming verlenen voor besteding van het pgb in het buitenland.

23

Artikel 29. Kwaliteit pgb zorg (artikel 25 verordening) 1. Indien met een pgb zorg, dienstverlening of ondersteuning wordt ingekocht beoordeelt het college de kwaliteit met name op de volgende aspecten: a. de zorgvrager en zijn sociale omgeving staat centraal en de zorgvrager heeft zoveel mogelijk de eigen regie over de geboden zorg; b. er is geen sprake van belangenverstrengeling of schijn van belangenverstrengeling tussen zorgvrager en zorgaanbieder. De zorgaanbieder voert niet zelf het pgb beheer uit. Indien de uitvoering van het pgb beheer bij een vertegenwoordiger of andere derde wordt ondergebracht, is deze op geen enkele manier verbonden met de zorgaanbieder; c. er is geen sprake van overbelasting of dreigende overbelasting van degene die zorg verleent; d. er is sprake van ‘zorg van een goede hulpverlener’ en handelen in overeenstemming met de verantwoordelijkheid die voortvloeit uit de voor de hulpverlener betreffende standaard/beroepscode; e. degene die zorg verleent evalueert de zorg periodiek en schaalt de zorg af indien en voor zover – een deel van de – resultaten uit het pgb plan zijn behaald; c. degene die zorg verleent zorgt ervoor dat huisvesting en hygiëne goed op orde zijn: de huisvesting en accommodatie voldoen aan geldende eisen voor gezondheid, zoals geluid, vocht, lucht, daglicht en hygiëne; f.

de zorg aan de zorgvrager wordt op een veilige manier verleend en beperkt zoveel mogelijk de risico’s van de cliënt; g. degene die zorg verleent voldoet bij een vermoeden van huiselijk geweld en/of kinder- of oudermishandeling voldoet aan de meldplicht; h. degene die zorg verleent rechtmatige zorg: de inzet klopt met wat in het pgb plan en de zorgovereenkomst is opgenomen en declareert niet meer dan is afgesproken. Als er financiële problemen zijn stelt de zorgaanbieder via de zorgvrager het college tijdig in kennis; 2. Als de zorg wordt verleend door een professionele zorgaanbieder dan gelden tevens de volgende kwaliteitseisen: a. de zorgaanbieder heeft kennis van de sociale kaart, informeert de zorgvrager over de mogelijkheid van onafhankelijke cliëntondersteuning en zet deze – bij gebrek aan sociaal netwerk- in voor de zorgvrager; b. de zorgaanbieder werkt optimaal samen zowel binnen het team (intern) als met andere externe actoren en betrekt zoveel mogelijk voorzieningen binnen het voorliggende veld. De samenwerkingsafspraken dan wel contacten met interne en externe actoren zijn terug te vinden in de documentatie van de zorgaanbieder; c. de zorgaanbieder komt alle relevante eisen uit wet- en regelgeving voor het in stand houden van de instelling en aanbod van de zorg na.

Professionals zijn bekend met voor de beroepssector geldende richtlijnen en protocollen en handelt hiernaar; d. professionals zijn in bezit van een voor de werkzaamheden passende beroepskwalificatie (opleidingsniveau, beroepsstandaarden en competenties) en de zorgaanbieder toont aan hoe hun kennisniveau op peil wordt gehouden; e. de zorgaanbieder is bekend met de meldcode Huiselijk geweld en kindermishandeling en handelt hiernaar; f. de zorgaanbieder meldt calamiteiten bij de GGD en gemeente en zorgt voor beschikbaarheid bij calamiteiten binnen 15 minuten; g. de zorgaanbieder werkt volgens de meest recente Governance-code Zorg en controleert het functioneren van nieuwe professionals, ervaringsdeskundigen en vrijwilligers binnen de organisatie; professionals en vrijwilligers zijn in het bezit van een VOG verklaring gedurende de indicatie; h. de zorgaanbieder heeft een aantoonbare visie op kwaliteitszorg en is aantoonbaar gericht op handhaving en verbetering van de zorg door een verbetercyclus en periodieke kwaliteitsmeting; d. de zorgaanbieder toont aan of en op welke wijze hij werkt met effectieve interventies en best practices; e. de zorgaanbieder hanteert de norm van verantwoorde werktoedeling: organiseert zich zodanig en voorziet van kwantitatief en kwalitatief personeel dat verantwoorde hulp kan worden verleend.

Er is een optimale balans tussen inzet professionals, ervaringsdeskundigen en vrijwilligers; f. de zorgaanbieder stelt per zorgvrager een veiligheidsplan op met een risicotaxatie van de cliënt. Daarin is aangegeven is hoe risico’s worden beperkt of beheerst;

24

g. er is een vast contactpersoon bij de zorgvrager en de zorgvrager is bekend wie dat is en wanneer deze bereikbaar is; h. de zorgaanbieder heeft een klachtenprocedure en een onafhankelijk vertrouwenspersoon die bij de zorgvragers bekend zijn; i. de zorgaanbieder is op de hoogte, heeft een procedure voor omgaan met privacygevoelige gegevens en handelt hiernaar; j. de huisvesting en accommodatie voldoen aan de landelijk gestelde huisvestingseisen van zorgvoorzieningen, rekening houdend met de zorgzwaarte c.q. beperking van hulpvragers; k. de zorgaanbieder is financieel gezond en stelt bij dreigende financiële problemen zowel de zorgvrager en/of diens pgb beheerder als het college tijdig hiervan in kennis. 3. De zorgvrager-budgethouder stelt de zorgaanbieder op de hoogte van de voor hem geldende kwaliteitseisen, en attendeert de zorgaanbieder op het opvragen van de Checklist pgb zorgaanbieders bij de gemeente.

Artikel 30. Uitgangspunten voor pgb-hulpmiddelen (verordening artikel 26). 1. De zorgvrager-budgethouder is zelf verantwoordelijk voor de aanschaf waarbij het aan te schaffen hulpmiddel aan de volgende eisen moet voldoen: a. de zorgvrager-budgethouder is zelf verantwoordelijk voor het organiseren van het onderhoud, de reparaties en de verzekering van het hulpmiddel; b. de zorgvrager-budgethouder schaft een hulpmiddel aan dat past bij de gevolgen van zijn beperkingen; c. de zorgvrager-budgethouder schaft een zorgmiddel aan dat voldoet aan de wettelijke eisen zoals een keurmerk of eisen zoals vastgesteld in relevante Algemene maatregelen van bestuur. 2. Indien de zorgvrager- budgethouder met het hulpmiddel deelneemt aan het verkeer dient hij een hulpmiddel aan te schaffen dat aantoonbaar geschikt is voor duurzame deelname aan het verkeer.

Artikel 31. Uitgangspunten voor pgb woningaanpassingen (artikel 28 verordening) 1. De zorgvrager-budgethouder is zelf verantwoordelijk voor de aanschaf waarbij de aan te schaffen woonvoorziening aan de volgende eisen moet voldoen: a. de zorgvrager-budgethouder schaft een woonvoorziening aan dat past bij de oplossing van de gevolgen van zijn beperkingen; b. de woonvoorziening is aantoonbaar geschikt voor duurzaam gebruik. 1. De zorgvrager-budgethouder is zelf verantwoordelijk voor het onderhoud, de reparaties en de verzekering van de woonvoorziening. 3. Het college informeert de zorgvrager over de wijze van opvragen van offertes. 4. Het college stelt het pgb bedrag vast op basis van de uitgangspunten zoals in de verordening is vastgelegd. 5. De zorgvrager geeft een leverancier/aannemer binnen drie maanden opdracht tot levering van de voorziening tegen het pgb bedrag of met meerkosten die voor eigen rekening komen. 6. De leverancier/aannemer stuurt factuur naar de zorgvrager die een afschrift naar het college stuurt. 7. De meerkosten zijn voor rekening van de zorgvrager. 8. Het college betaalt de factuur tot maximaal het afgesproken pgb bedrag.

25

Hoofdstuk 6 Bijdrage in de kosten Artikel 32. Bijdrage in de kosten (verordening artikel 29) 1. Aan de zorgvrager wordt een eigen bijdrage in rekening gebracht voor een groot aantal verstrekte Wmo-voorzieningen. In de regelgeving zijn echter uitzonderingen genoemd: a. bij een rolstoel wordt geen eigen bijdrage opgelegd; b. als de aanvrager of zijn echtgenoot in verband met een verblijf in een instelling reeds een eigen bijdrage betaalt, wordt voor een eventuele Wmo-voorziening geen eigen bijdrage opgelegd (dit wordt door het CAK bewaakt); c. bij voorzieningen voor kinderen, tenzij het gaat om een woningaanpassing aan de ouderlijke woning, wordt geen bijdrage opgelegd. 2. Uitgangspunten bij reeds verstrekte voorzieningen: a. De eigen bijdrage wordt berekend op basis van de kostprijs. De kostprijs bestaat uit het bedrag van de voorziening zo nodig aangevuld met service- en onderhoudskosten; b. De gebruiksduur is de periode zolang als de voorziening in gebruik is; c. De eigen bijdrage voor pgb is berekend op basis van de kostprijs inclusief onderhoudskosten en verzekering van de voorziening. Voor het onderhoudsbedrag (inclusief verzekering) per jaar moet 7% van de aanschafprijs worden gerekend. Bij nieuwe vervoersvoorzieningen geldt een garantieperiode van één jaar, zodat in dit jaar geen onderhoudskosten hoeven gerekend te worden.

Bij een nieuwe vervoersvoorziening in de vorm van een pgb geldt dan het onderhoudsbedrag per jaar maal het aantal jaar voor de levensduur van de betreffende voorziening. d. De eigen bijdrage per maand kan niet hoger zijn dan het abonnementstarief, behoudens de situaties zoals in de verordening vastgelegd 3. De wijze waarop de eigen bijdrage voor de reeds verstrekte voorzieningen wordt berekend is als volgt: de kostprijs wordt verminderd met het bedrag dat reeds betaald is aan inkomensafhankelijke eigen bijdrage. Het restant kostprijs wordt gedeeld door het abonnementstarief. Hieruit vloeit het aantal maanden die betaald dienen te worden met abonnementstarief. 4. Voor nieuwe voorzieningen op basis van het abonnementstarief geldt het volgende: a. Onder de gebruiksduur wordt verstaan: zolang de voorziening in gebruik is en er sprake is van service- en onderhoudskosten; b. De eigen bijdrage wordt berekend op basis van de kostprijs. De kostprijs bestaat uit het bedrag van de voorziening en indien van toepassing aangevuld met service- en onderhoudskosten; 5. De eigen bijdrage berekening is als volgt: a. de kostprijs wordt gedeeld door het abonnementstarief. Hieruit volgt de gebruiksduur; b. de langstlopende voorziening bepaalt de periode van de eigen bijdrage; 6. Beschermd wonen: voor geclusterd wonen waarbij wonen en zorg gescheiden is en beschermd thuis geldt het abonnementstarief.

26

Hoofdstuk 7 Slotbepalingen Artikel 33. Inwerkingtreding en citeertitel (artikel 45 verordening) 1. De Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Schouwen-Duiveland 2024 treedt in werking op 1 mei 2024 onder gelijktijdige intrekking van de Algemene Bijlage Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Schouwen-Duiveland 2021. 2. De Beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Schouwen-Duiveland 2024

Aldus vastgesteld door het college van gemeente Schouwen-Duiveland in zijn vergadering van

De burgemeester,

de secretaris,

27

Bijlage 1 Handreiking Normenkader huishoudelijke ondersteuning HHM https://www.hhm.nl/werk/handreiking-normenkader-huishoudelijke-ondersteuning/

28

Bijlage 2 Normenkader Begeleiding HHM https://www.hhm.nl/werk/normenkader-begeleiding/

29

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14031904/1