CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

1013952 Bijlage 3 Beleidsregels SD 2024

Gemeenteraad 30 mei 2024, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: RVS Verordening Maatschappelijke Ondersteuning en Beleidsregels SD 2024 (1013952)13.660 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Schouwen-Duiveland 2024

Inhoudsopgave Inleiding ........................................................................................................................................................... 3 Hoofdstuk 1 Begripsbepaling en doelgroep ...................................................................................................... 3 Artikel 1. Begripsbepalingen............................................................................................................................... 3 Artikel 2. Doelgroep van de verordening ............................................................................................................ 4 Hoofdstuk 2 Aanbod van algemene- en maatwerkvoorzieningen .................................................................... 5 Artikel 3. Algemene voorzieningen (verordening artikel 3) ................................................................................ 5 Artikel 4. Maatwerkvoorzieningen (verordening artikel 4) ................................................................................ 7 Hoofdstuk 3 Toegang ....................................................................................................................................... 9 Artikel 5. Melding algemeen (verordening artikel 5) .......................................................................................... 9 Artikel 6.

Melding specifiek (verordening artikel 6) .......................................................................................... 11 Artikel 7. Onderzoek (verordening artikel 8) .................................................................................................... 11 Artikel 8. Eigen mogelijkheden/Eigen kracht (artikel 8 verordening) .............................................................. 11 Artikel 9. Verslag (verordening artikel 9) .......................................................................................................... 12 Artikel 10. Advisering (verordening artikel 10) ................................................................................................. 12 Artikel 11. Aanvraag (verordening artikel 11) .................................................................................................. 12 Artikel 12. De beschikking (verordening artikel 12) .......................................................................................... 13 Artikel 13. Heronderzoek en evaluatie (verordening artikel 13) ....................................................................... 13 Hoofdstuk 4 Maatwerkvoorzieningen ............................................................................................................ 14 Artikel 14.

Algemeen uitgangspunt voor een maatwerkvoorziening (verordening artikel 14) ........................ 14 Artikel 15. Uitgangspunten voor huishoudelijke ondersteuning ...................................................................... 14 Artikel 16. Gebruikelijke hulp in relatie tot huishoudelijke ondersteuning ....................................................... 14 Artikel 17. Normering schoon en leefbaar huis en eigen verantwoordelijkheid ............................................... 16 Artikel 18. Uitgangspunten voor (groeps)begeleiding (verordening artikel 15) ............................................... 17 Artikel 19. Uitgangspunten voor begeleiding regulier (verordening artikel 15) ............................................... 19 Artikel 20. Uitgangspunten voor begeleiding specialistisch (verordening artikel 15) ...................................... 19 Artikel 21. Uitgangspunten voor dagbesteding regulier (verordening artikel 15)............................................ 20 Artikel 22. Uitgangspunten voor dagbesteding specialistisch (verordening artikel 15) ................................... 20 Artikel 23. Uitgangspunten voor kortdurend verblijf (verordening artikel 15) ................................................. 20 Artikel 24. Uitgangspunten voor Beschermd Wonen (verordening artikel 16)................................................. 20 Artikel 25.

Uitgangspunten voor woonvoorzieningen en woningaanpassingen (verordening artikel 17) ....... 20 Artikel 26. Uitgangspunten voor vervoer naar de dagbesteding (verordening artikel 19 en 20) ..................... 21 Artikel 27. Uitgangspunten voor regeling meerkosten vervoer van en naar de dagbesteding (verordening artikel 20) ......................................................................................................................................................... 21

1

Hoofdstuk 5. Uitgangspunten voor een persoonsgebonden budget (pgb) ...................................................... 23 Artikel 28. pgb-vaardigheid (artikel 24 verordening) ....................................................................................... 23 Artikel 29. Kwaliteit pgb zorg (artikel 25 verordening) .................................................................................... 24 Artikel 30. Uitgangspunten voor pgb-hulpmiddelen (verordening artikel 26). ................................................ 25 Artikel 31. Uitgangspunten voor pgb woningaanpassingen (artikel 28 verordening) ...................................... 25 Hoofdstuk 6 Bijdrage in de kosten .................................................................................................................. 26 Artikel 32. Bijdrage in de kosten (verordening artikel 29) ................................................................................ 26 Hoofdstuk 7 Slotbepalingen ........................................................................................................................... 27 Artikel 33. Inwerkingtreding en citeertitel (artikel 45 verordening) ................................................................. 27 Bijlage 1 Handreiking Normenkader huishoudelijke ondersteuning HHM ......................................................

28 Bijlage 2 Normenkader Begeleiding HHM ....................................................................................................... 29

2

Inleiding De Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna Wmo 2015) is bedoeld voor mensen die ondersteuning nodig hebben bij het zelfstandig thuis wonen, het ontmoeten van anderen en voor de ondersteuning van mantelzorgers. Indien een inwoner van de gemeente Schouwen-Duiveland niet of onvoldoende in staat is om op eigen kracht, middels algemene voorzieningen, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit hun sociale netwerk te functioneren kan de gemeente ondersteuning bieden gericht op (het verbeteren van) zelfredzaamheid en participatie. In de praktijk betekent dit dat het college bij een vraag van een inwoner onderzoekt wat er, afhankelijk van de individuele omstandigheden, minimaal noodzakelijk is aan ondersteuning vanuit de gemeente. De beleidsregels geven nadere uitleg en verduidelijking op de Wmo 2015 en de Verordening maatschappelijke ondersteuning Schouwen-Duiveland 2024. In de beleidsregels staat op voorzieningenniveau toegelicht waarop het college de afweging voor ondersteuning door een maatwerkvoorziening baseert, het zogenaamde afwegingskader. Het college maakt altijd een individuele afweging. In bijzondere gevallen kan daarmee ten gunste van de inwoner worden afgeweken van de bepalingen in de verordening en de toepassing van deze beleidsregels.

Samen met de Wmo 2015 en de Verordening maatschappelijke ondersteuning Schouwen-Duiveland 2024 vormen de beleidsregels het juridisch uitvoeringskader. Daarnaast zijn beleidsregels ook een middel om eenduidig te werken in de uitvoering binnen het loket samenleving en zorg (LSZ).

Hoofdstuk 1 Begripsbepaling en doelgroep Artikel 1. Begripsbepalingen Alle begrippen die in deze beleidsregels bij de verordening worden gebruikt, hebben dezelfde betekenis als in de Wmo 2015, de verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente SchouwenDuiveland 2024 of de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Begrippen die al in de Wmo 2015, verordening maatschappelijke ondersteuning 2024 of Awb zijn toegelicht worden hier niet opnieuw uitgelegd. a. AVG: Algemene verordening gegevensbescherming (privacy); b. verordening: verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Schouwen-Duiveland 2024; c. vraagverheldering: het onderzoek volgens een door het college voorgeschreven format waaraan de zorgvrager gevraagd wordt mee te werken om gegevens te verstrekken die relevant zijn voor de aanvraag van een maatwerkvoorziening; d. zorgvrager-budgethouder: de zorgvrager die zorg, hulpmiddelen of voorzieningen inkoopt door middel van een persoonsgebonden budget; e. wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). f. gebruikelijke hulp: gebruikelijke hulp is hulp die verwacht wordt van huisgenoten, die “normaal” wordt geacht in de relatie tussen huisgenoten en die niet structureel meer is dan wanneer de huisgenoot geen beperking zou hebben.

Het is de normale, dagelijkse hulp die partners of ouders, inwonende kinderen of andere volwassen huisgenoten geacht worden elkaar onderling te bieden omdat ze als leefeenheid samen een huishouden voeren en op die grond een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van dat huishouden en voor elkaar. g. algemeen gebruikelijke voorzieningen: voorzieningen, producten en diensten bedoeld die voor iedereen gebruikelijk (normaal) zijn om zelf (in) te kopen. Algemeen gebruikelijke voorzieningen worden niet vanuit de Wmo verstrekt. Een algemeen gebruikelijke voorziening is een voorziening die voldoet aan de volgende criteria: . • niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; • daadwerkelijk beschikbaar is; • een passende bijdrage levert aan het realiseren van zelfredzaamheid of participatie en; • financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. h.

algemene voorziening: het gaat om in beginsel vrij toegankelijke diensten, activiteiten of zaken, gericht op zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang. Vrij toegankelijk wil zeggen: zonder dat eerst een diepgaand onderzoek wordt verricht naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers. De diensten, activiteiten of zaken

3

i.

kunnen toegankelijk zijn voor specifieke groepen of voor alle ingezetenen van onze gemeente. Er is geen beschikking nodig. Voorbeelden van een algemene voorziening zijn het Odensehuis en het geclusterd leveren van hulp bij het huishouden door Eilandzorg op een aantal gecentreerde woonlocaties binnen de gemeente (de Wieken, Mitt Hem en Jannewekken). SMWO: Stichting Maatschappelijk Werk en Welzijn Oosterschelderegio

Artikel 2. Doelgroep van de verordening Onder de doelgroep van de verordening worden verstaan: a. Personen die ingeschreven en woonachtig zijn in de gemeente Schouwen-Duiveland. b. Personen die niet ingeschreven staan in de gemeente Schouwen-Duiveland en ondersteuning zoeken op grond van beschermd wonen en opvang. c. Inwoners van jonger dan 18 jaar voor wat betreft aanvragen voor hulpmiddelen en woningaanpassingen. d. Normaal gesproken komen woonplaats, inschrijving in de Basisregistratie Personen (BRP) en feitelijke verblijfplaats overeen en is dus duidelijk wat de woonplaats is. e. Als iemand twee adressen heeft, bijvoorbeeld een woning en een vakantieadres, of een woning en een revalidatiecentrum, dan is van belang waar de persoon staat ingeschreven en of hij de intentie heeft terug te keren naar dit adres. Door een tijdelijk verblijf in een instelling of een tijdelijk verblijf op een vakantieadres verliest iemand derhalve niet direct zijn woonplaats/ingezetenschap. f. Als bij de persoon iemand staat ingeschreven die daar feitelijk niet woont, komt dat voor rekening en risico van de aanvrager. Als er in het BRP medebewoners staan ingeschreven die als huisgenoot kunnen worden aangemerkt, wordt hiermee rekening gehouden in het onderzoek. Het is aan de persoon om er zorg voor te dragen dat personen die feitelijk niet bij hem wonen, worden uitgeschreven. g.

Als uit onderzoek blijkt dat er bij een persoon iemand inwoont die kan worden aangemerkt als huisgenoot, wordt hiermee bij de vaststelling van het recht op hulp bij het huishouden rekening gehouden, ook al staat de medebewoner in het BRP niet ingeschreven op het betreffende adres. h. Om een goede overgang van jeugdzorg naar een voorziening in de Wmo of Participatiewet in het volwassenen domein te realiseren, wordt van aanbieders van jeugdzorg verwacht dat zij contact opnemen met de gemeentelijke toegang wanneer hun zorgvragers 16,5 jaar oud worden en het de verwachting is dat zij na hun 18e nog steeds ondersteuning nodig hebben. Hierbij wordt rekening gehouden met de volgende uitgangspunten die opgenomen zijn in de Jeugdwet onder artikel 1.1 begrip “jeugdige”: a. Pleegzorg en verblijf in een gezinshuis kan doorlopen tot de jongere de leeftijd van 21 jaar bereikt. b. De jeugdzorg kan doorlopen na het 18de jaar tot maximaal 23 jaar wanneer: 1. het jeugdzorg betreft zoals beschreven in de 1e categorie van de definitie van jeugdzorg in art. 1.1. van de Jeugdwet; en 2. indien er na het 18e levensjaar aantoonbaar geen opvolgende financiering beschikbaar is vanuit bijvoorbeeld de Wet langdurige Zorg, de Wmo, de Zorgverzekeringswet of vanuit justitie; en 3. voldaan wordt aan een van de volgende voorwaarden: i.

de jeugdige kreeg al voor zijn18e levensjaar zorg en het college vindt dat voortzetting nodig is; ii. er is voor het bereiken van de 18e leeftijd bepaald dat jeugdzorg nodig is; iii. na beëindiging van de jeugdzorg (die was begonnen voor het 18de levensjaar) stelt het college binnen een termijn van half jaar vast dat hervatting van de jeugdzorg noodzakelijk is. 4. Wanneer de jeugdige jeugdzorg ontvangt in het kader van straffen en maatregelen, of van reclasseringstoezicht is voortzetting tot het 23ste levensjaar op aanwijzen van justitie verplicht.

4

Hoofdstuk 2 Aanbod van algemene- en maatwerkvoorzieningen Artikel 3. Algemene voorzieningen (verordening artikel 3) Er zijn in ieder geval (niet limitatief) algemene voorzieningen beschikbaar op het gebied van: 1. informatie en advies; 2. onafhankelijke cliëntondersteuning; 3. versterking van de vrijwillige inzet en informele netwerken; 4. mantelzorgondersteuning; 5. welzijn op recept; 6. opbouwwerk en jeugdwerk; 7. algemeen maatschappelijk werk; 8. personenalarmering; 9. slachtofferzorg; 10. vrouwen opvang; 11. maatschappelijke opvang. 12. levensloop bestendig wonen ad 1. Informatie en advies De welzijnsorganisatie Stichting Maatschappelijk Werk Oosterschelderegio (SMWO) biedt ondersteuning bij veel initiatieven op het gebied van welzijn, sport, maatschappelijk werk en cliëntondersteuning. Een voorbeeld van de vele initiatieven is het Postcafé. Er zijn veel mensen die moeite hebben met het lezen van officiële brieven. Een Postcafé is een plek waar je samen met vrijwillige medewerkers de post kan doornemen. Medewerkers leggen je dan in gewone taal uit wat er precies in de brief staat. Brieven van bijvoorbeeld de Gemeente, Zeeuwland, de Verzekering, de Belastingdienst. Het Postcafé is er voor alle inwoners van Schouwen-Duiveland. De zorg is gratis en de medewerkers gaan natuurlijk heel vertrouwelijk met je brieven om. In het Postcafé kan je ook andere mensen ontmoeten.

Misschien hebben zij wel dezelfde moeite met lezen als jij. Contact met elkaar is belangrijk, maar ook gezellig. De koffie staat daarom klaar voor je in het Postcafé, tevens een ontmoetingsplek. ad 2. Onafhankelijke cliëntondersteuning Cliëntondersteuning is onafhankelijke kosteloze ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning. De cliëntondersteuning draagt bij aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie. En het draagt bij aan het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van: a. maatschappelijke ondersteuning; b. preventieve zorg; c. zorg; d. jeugdzorg; e. onderwijs; f. welzijn; g. wonen; h. werk en inkomen. Cliëntondersteuners bieden informatie, advies en kortdurende cliëntondersteuning aan ieder die dat nodig heeft en de ondersteuning kan onder andere bestaan uit: 1. ondersteuning van de zorgvrager bij het onderzoek zoals bedoeld in artikel 2.3.2 lid 3 van de wet; 2. meedenken en helpen zoeken naar oplossingen met mensen in de eigen omgeving gericht op zelfredzaamheid en het vergroten van de eigen vaardigheden; 3. onderzoek naar welke hulpmiddelen en of ondersteuning er nodig zijn; 4. een advies of verwijzing naar een leefstijlcoach als het gaat om een gezonde leefstijl; 5. advies over opgroeien en het opvoeden van kinderen en jongeren; 6.

het ondersteunen bij verschil van opvatting over de geboden zorg of ondersteuning. ad. 3. Versterking van de vrijwillige inzet en informele netwerken Enkele voorbeelden zijn: activiteiten in je Dorpshuis: Veel dorpshuizen organiseren laagdrempelige activiteiten bijvoorbeeld op het gebied van ontmoeting, eten & drinken, sport en bewegen, of informatie. Inwoners kunnen hier gratis of tegen een kleine vergoeding aan deelnemen

5

Hulpkringen: is een hulpkring, bedoeld voor kortdurende (kleine) klusjes. De hulpkring bestaat uit inwoners van het dorp die zich vrijwillig inzetten voor hun dorpsgenoten. De hulp die gegeven wordt is in principe gratis, of tegen vergoeding van gemaakte kosten als daarvan sprake is. Het Odensehuis is een laagdrempelige ontmoetingsplek voor iedereen die zelf of in zijn of haar omgeving met beginnende dementie of geheugenklachten te maken heeft. Mensen kunnen binnen lopen om ervaringen uit te wisselen, samen dingen te ondernemen of te ontspannen. ad. 4. Mantelzorgondersteuning Mantelzorg is zorg die niet in het kader van een zorg verlenend beroep wordt gegeven aan een zorgbehoevende door een of meerdere leden binnen het netwerk, waarbij de zorgverlening direct voortvloeit uit de sociale relatie. SMWO kan ondersteuning bieden bij vragen van mantelzorgers zowel op individueel niveau als op groepsniveau. Ad 5. Welzijn op recept Welzijn op recept is bestemd voor mensen die met psychosociale klachten bij de huisarts of een andere zorgverlener komen. Voor deze klachten wordt vaak géén baat ervaren bij medische of psychologische behandelingen zoals medicijn gebruik of therapeutische hulp. De huisarts kan een doorverwijzing geven, waarna een welzijnscoach van SMWO contact opneemt met de inwoner, waarbij onderzocht wordt of de inwoner gebaat kan zijn met een welzijnsarrangement. ad. 6.

Opbouwwerk Door middel van de Wijkcirkel in Poortambacht ontwikkelen de deelnemers een informeel netwerk. Zo kunnen ze elkaar helpen in de praktijk van het dagelijks leven en samen erop uit gaan. ad. 7. Algemeen maatschappelijk werk Het maatschappelijk werk van SMWO biedt ondersteuning bij diverse problemen op alle levensgebieden. Iedereen kan een beroep doen op het maatschappelijk werk. De ondersteuning is gratis en een verwijsbrief is niet nodig. ad. 8. Personenalarmering Personenalarmering is zeven dagen en 24 uur per dag bereikbaar voor alarmberichten en ondersteuning. Personenalarmering kan aangevraagd worden via o.a. thuiszorgorganisaties. ad. 9. Slachtofferzorg Bureau Slachtofferzorg is er voor slachtoffers, familieleden en kennissen van betrokkenen, nabestaanden, getuigen en veroorzakers. De laatste categorie geldt alleen als er geen sprake is van een misdrijf zoals alcoholmisbruik of roekeloos rijgedrag. Bureau Slachtofferzorg Nederland werkt met vrijwilligers. ad. 10. Vrouwenopvang De Vrouwenopvang biedt een veilige opvang en begeleiding aan gezinssystemen bij het voorkomen en/of stoppen van geweld in afhankelijkheidsrelaties. De opvang richt zich primair op vrouwen en kinderen in situaties van geweld en van daaruit op het gehele systeem rondom deze vrouwen en kinderen.

Vormen van opvang en begeleiding reiken van een 7x24 uur telefonische zorgdienst tot residentiële opvang op een veilig opvangadres. ad. 11. Maatschappelijke opvang Maatschappelijke opvang heeft als kerntaak het bieden van tijdelijk verblijf aan mensen zonder dak boven hun hoofd, gekoppeld aan zorg en begeleiding en/of het verhelpen van een crisis. Gebruikers van de maatschappelijke opvang hebben veel met elkaar gemeen. Ze kampen vaak met meerdere, elkaar beïnvloedende problemen. Zo is er vaak sprake van een combinatie van dak- en thuisloosheid, geweldsproblematiek, schulden, opvoedings-, psychiatrische-, somatische- en/of verslavingsproblemen en/of werkloosheid of het ontbreken van een zinvolle dagbesteding. Dit maakt de zorgvraag complex en veelomvattend.

6

De zorgvragers hebben hierdoor ook vaak te maken met instanties en zorgverleners uit verschillende maatschappelijke sectoren, waaronder de jeugdzorg, de geestelijke gezondheidszorg, de verslavingszorg, de somatische zorg en de justitiële zorg. Verder is er vaak eveneens betrokkenheid van instanties die met hun inkomen, huisvesting, maatschappelijke ondersteuning en dagbesteding te maken hebben. In de wet heeft de centrumgemeente Vlissingen een centrale rol op het gebied van maatschappelijke opvang en vrouwenopvang voor zorgvragers die zich hiervoor in Zeeland melden. Ad. 12 Levensloop bestendig wonen De gemeente Schouwen-Duiveland heeft een verordening “Lening Duurzaam en Langer Thuis gemeente Schouwen-Duiveland 2022” die is bedoeld voor particuliere woningeigenaren, jonger dan 76 jaar, die op eigen kracht zijn/haar woning levensloopbestendig wenst te maken. In genoemde verordening zijn alle voorwaarden terug te vinden. Deze woningeigenaar kan tegen een laag rentetarief geld lenen bij de gemeente.

Artikel 4. Maatwerkvoorzieningen (verordening artikel 4) 1. Maatwerkondersteuning in het kader van de wet kan op twee manieren worden verstrekt: a. in de vorm van een voorziening, waarbij een door het college gecontracteerde aanbieder de ondersteuning/voorziening biedt (zorg in natura) dan wel een financiële tegemoetkoming; b. door middel van een persoonsgebonden budget (pgb). De zorgvrager koopt hierbij zelf de ondersteuning/voorziening in. c. Daarnaast zijn er voorzieningen waarvoor alleen een pgb mogelijk is en kan de voorziening niet in natura worden verstrekt. 2. De ondersteuning die het college voor een maatwerkvoorziening dienstverlening verleent in de vorm van zorg in natura of een pgb is gericht op het behoud en zo mogelijk versterking van de zelfredzaamheid en participatie binnen de volgende domeinen: a. gezondheid en zelfzorg; b. huisvesting en huishouden; c. huiselijke relaties; d. zorg voor kinderen; e. inkomen en rondkomen; f. school, werk, dagbesteding; g. sociaal netwerk; h. maatschappelijke participatie en vervoer; i. justitie. 3. Maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura a. bij een maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura wordt de voorziening georganiseerd via een door het college gecontracteerde aanbieder. Er is geen financiële relatie tussen de zorgvrager en de aanbieder. b.

voor de maatwerkvoorzieningen gericht op dienstverlening, zoals huishoudelijke ondersteuning, begeleiding of dagbesteding, geldt dat zorgvrager kan kiezen van welke van de gecontracteerde aanbieders hij de ondersteuning wil ontvangen. c. voor andere maatwerkvoorzieningen dan dienstverlening geldt geen keuzevrijheid voor een leverancier. 4. Maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget a. Een pgb is een geldbedrag om een voorziening in de vorm van een dienst, een hulpmiddel, een woningaanpassing of andere maatwerkvoorziening aan te schaffen of in te kopen. Op het pgb wordt ook een eigen bijdrage in rekening gebracht. Evenals zorg in natura wordt ook met een pgb uitgegaan van het te bereiken resultaat en maatwerk. b. Er zijn de volgende mogelijkheden van een pgb: 1. pgb voor dienstverlening zoals huishoudelijke ondersteuning en begeleiding; 2. pgb voor hulpmiddelen en woningaanpassingen; 3. vervoer. 5. Financiële tegemoetkomingen (artikel 22 verordening) a. verhuiskosten, herinrichtingskosten en bezoekbaar maken van een woning kunnen in de vorm van een financiële tegemoetkoming worden verstrekt. Het bezoekbaar maken van een woning kan ook via zorg in natura worden verstrekt. De aannemer past de woning aan en het college betaalt rechtstreeks de factuur aan de leverancier;

7

b. autoaanpassingen of autokostenvergoeding/taxikostenvergoeding worden in de vorm van een financiële tegemoetkoming verstrekt. De kosten komen alleen in aanmerking voor vergoeding indien de aanpassing c.q. reparatie van de aanpassing, gelet op de nog te verwachten levensduur van de auto c.q. rolstoelvoorziening, verantwoord is. Autoaanpassingen kunnen ook in de vorm van zorg in natura worden verstrekt. De leverancier past de auto aan en het college betaalt rechtstreeks de factuur aan de leverancier; c. overige vervoersvoorzieningen zoals het gebruik van een rolstoeltaxivervoer of collectief vervoer worden in de vorm van zorg in natura verstrekt; d. voor de collectieve vervoersvoorziening is bepaald dat: 1. de zorgvrager een bijdrage betaalt voor de vervoerspas (ook voor een duplicaat bij verlies of diefstal) en een betaling verschuldigd is voor het vervoer met het collectief vervoer, waarbij het tarief gebaseerd is op het reizigerstarief van het openbaar vervoer 2. de betaling van de zorgaanvrager door de vervoerder in ontvangst wordt genomen, in naam en voor rekening van het college dat het vervoer aanbiedt; 3. kinderen tot vier jaar gratis mee mogen; 4. er een reiziger voor begeleiding van de aanvrager mee mag reizen tegen dezelfde tarief als van toepassing is voor de aanvrager; 5.

indien sprake is van het meereizen van een medische begeleider (de zorgvrager heeft tijdens het vervoer medische handelingen nodig), op grond van een daartoe verstrekte indicatie, wordt geen tarief aan de begeleider in rekening gebracht; 6. het reizen met de collectieve vervoersvoorziening voor het gereduceerd tarief is beperkt tot 2.000 kilometer per jaar, behoudens een hiertoe afgegeven individuele beschikking; 7. als de kilometergrens is overschreden kan de zorgvrager tegen het kostendekkend tarief gebruik blijven maken van het collectief vervoerssysteem indien daartoe een noodzaak is. e. Voor vervoer naar de dagbesteding geldt de normale bijdrage voor het collectief vervoer. Zodra de bijdrage voor de ritten naar de dagbesteding het bedrag van € 70 per maand overschrijdt, dan kan de resterende ritbijdrage van die maand voor de dagbesteding komen te vervallen. Zie hiervoor artikel 20 van de verordening. f. Sport en cultuurvoorzieningen, zoals bijvoorbeeld aanpassing van een vioolstok, worden in een vorm van een financiële tegemoetkoming verstrekt. De tegemoetkoming geldt voor aanschaf, onderhoud en reparatie voor een periode van drie jaar.

8

Hoofdstuk 3 Toegang Artikel 5. Melding algemeen (verordening artikel 5) 1. Het verzoek tot maatschappelijke ondersteuning start met een melding. De melding kan worden ingediend door of namens de zorgvrager bij het loket Samenleving & zorg. Een melding kan ook binnenkomen door een digitaal verlengings- of wijzigingsverzoek van de aanbieder. 2. De melding kan digitaal, schriftelijk of telefonisch gedaan worden. 3. De zorgvrager ontvangt een bevestiging van de melding, waarin aangegeven wordt dat de zorgvrager de mogelijkheid heeft om vóór het onderzoek, uiterlijk binnen zeven dagen na melding, een persoonlijk (ondersteunings)plan (zoals bedoeld in artikel 2.3.2 lid 2 wet) te overhandigen waarin gemotiveerd aangegeven is welke ondersteuning volgens de zorgvrager nodig is. 4. Na de melding kan de zorgvrager verzocht worden medewerking te verlenen aan een vraagverheldering om informatie te verstrekken die relevant is voor de behandeling van de melding. Indien uit de uitkomst van de vraagverheldering blijkt dat de zorgvrager met de gegeven informatie en advies het ondervonden probleem zelf kan oplossen, stopt de procedure van de melder 5. Na de melding wordt de zorgvrager geïnformeerd over hoe het onderzoek plaatsvindt: door middel van telefonisch onderzoek en/of dossieronderzoek en/of huisbezoek. Afhankelijk van de ondersteuningsvraag kan het onderzoek verschillen per voorziening.

6. Bij de melding van een nieuwe zorgvrager geldt in principe dat een huisbezoek plaatsvindt, tenzij er door persoonlijke omstandigheden reden is om hiervan af te wijken. 7. Bij een melding die het huishouden of de woning betreft geldt in principe dat een huisbezoek plaatsvindt, tenzij er door persoonlijke omstandigheden reden is om hiervan af te wijken. 8. Het college wijst de zorgvrager en diens mantelzorger voor het onderzoek op de mogelijkheid gebruik te maken van de kosteloze onafhankelijke cliëntondersteuning.

Spoedprocedure, nadere invulling van artikel 5 lid 4 van de Verordening Indien de urgentie voor aanvang ondersteuning zo groot is dat niet gewacht kan worden totdat de procedure bij het college is afgerond maakt de zorgaanbieder gebruik van de spoedprocedure. Deze spoedprocedure is opgenomen als bijlage 4 in de Deelovereenkomst maatwerkvoorziening 2015: De zorgaanbieder meldt de start van de spoedprocedure telefonisch bij het Loket samenleving en zorgloket zo snel als mogelijk telefonisch of per mail. Buiten kantoortijden kan de zorgaanbieder gelijk starten met de inzet van zorg en binnen kantoortijden nadat hij melding heeft gedaan. De zorgaanbieder geeft bij de melding aan dat er gebruik wordt gemaakt van de spoedprocedure. Wanneer de melding voor inzet van ondersteuning in het kader van een spoedprocedure bij het college binnen is, geeft het college direct via e-mail een akkoord voor de inzet van ondersteuning. In de bevestiging staat ook de datum start zorg genoemd, zodat daar in de beschikking rekening mee kan worden gehouden. De zorgaanbieder ontvangt een vergoeding voor de ondersteuning vanaf het moment dat de inzet van zorg is gestart. Dat moment kan niet eerder zijn dan de dag waarop de zorgaanbieder de start van de spoedprocedure heeft gemeld, rekening houdend met de situatie buiten kantoortijden.

De vergoeding voor de ondersteuning is gelijk aan de vergoeding zoals afgesproken in de Deelovereenkomst Maatwerkvoorziening 2015. De zorgaanbieder beoordeelt of gebruik van de spoedprocedure noodzakelijk is. Het college zal dit toetsen. Het college gaat uit van een juist gebruik van de spoedprocedure. Wanneer blijkt dat de spoedprocedure is ingezet, terwijl dit niet noodzakelijk is zal dat consequenties hebben voor de zorgaanbieder. Dat zal een eerste keer in de vorm van een waarschuwing zijn. Een tweede keer zal de ingezette ondersteuning in de periode van melding tot en met het afgeven van een beschikking niet vergoed worden. Wanneer een zorgaanbieder vaker een verkeerde beoordeling maakt voor de inzet van de spoedprocedure, kan de zorgaanbieder worden uitgesloten van de mogelijkheid om nog langer gebruik te maken van de spoedprocedure. Dat wordt aan de zorgaanbieder schriftelijk medegedeeld.

9

Bij inzet van de spoedprocedure voor inzet van huishoudelijke ondersteuning is er sprake van een situatie, waar naast zorg bij huishoudelijke taken er ook zorg nodig is bij het regelen en organiseren en het ondersteunen van de zorgvrager bij de regievoering. Of er is een situatie met niet uitstelbare taken (zoals de verzorging van kinderen en/of de bereiding van maaltijden). De zorgaanbieder kan bij het beoordelen van een spoedsituatie onder meer worden gevraagd in hoeverre de volgende zaken voldoende zijn onderzocht en in beeld gebracht: Hierbij is onder meer het volgende van belang: a. de inschatting welke rol huisgenoten/mantelzorgers tijdelijk nog extra kunnen vervullen. Het gaat hierbij om de vraag hoe lang de zorg nog uitgesteld kan worden (de normale bijdrage van huisgenoten/mantelzorger is reeds in de indicatie verwerkt); b. de inschatting hoe schadelijk de gevolgen zijn van het uitstellen van de zorg. De termijn (binnen hoeveel tijd is er zorg nodig) geldt steeds vanaf het moment van de melding. Dit betekent dat de zorgvraag van een zorgvrager na verloop van tijd urgenter wordt. In de volgende situaties is binnen 48 uur zorg nodig: a. mantelzorger(s)/huisgeno(o)t(en) ontbreek(t)(en) volledig of zijn op benodigde activiteiten niet inzetbaar; b. er is geen vorm van thuiszorg of andere voorliggende hulpverlening aanwezig; c.

uithuisplaatsing van kinderen wordt zonder zorg noodzakelijk; d. de schadelijke gevolgen voor de individuele gezondheid zijn bij het later inzetten van zorg zeer ernstig, bijvoorbeeld: intramurale opname wordt noodzakelijk en kan niet voorliggend vanuit de Zvw worden opgelost, ontslag uit ziekenhuis of verpleeghuis is niet mogelijk of de zorgvrager is een gevaar voor zichzelf of omgeving. In de volgende situaties is binnen één week zorg nodig: a. mantelzorger(s)/huisgeno(o)t(en) kan/kunnen hoogstens een week de strikt noodzakelijke taken vervullen; b. de schadelijke gevolgen voor de gezondheid zijn bij het later inzetten van zorg ernstig, bijvoorbeeld: mogelijkheid te herstellen van ziekte wordt sterk verminderd; c. er is geen of zeer slechte voeding beschikbaar; d. er moet worden verzuimd van werk noodzakelijk terwijl dit absoluut onmogelijk is. De procedure gaat als volgt: a. er dient zich een casus aan; b. de zorgaanbieder beoordeelt of en dat er sprake is van spoed; c. de zorgaanbieder maakt melding van de casus bij het loket Samenleving en zorg en vermeldt daarbij dat het een spoedprocedure betreft; d. de zorgaanbieder krijgt via de e-mail een akkoord voor het inzetten van ondersteuning in het kader van de spoedprocedure. De zorgaanbieder kan ondersteuning inzetten; e.

de melding door de zorgaanbieder dient tevens als melding conform artikel 2.3.2 lid 1 van de wet, op basis waarvan het college een onderzoek instelt; f. wanneer dit proces leidt tot een opdracht tot het verstrekken van een of meerdere bouwstenen binnen de Maatwerkvoorziening Maatschappelijke Ondersteuning volgens de Deelovereenkomst SWVO en zorgaanbieders, kan de zorgaanbieder gaan declareren. Wordt er geen maatschappelijke ondersteuning verleend, dan wordt enkel de geleverde zorg gedeclareerd; g. declareren kan met terugwerkende kracht, waarbij de datum in de beschikking voor start zorg gelijk is aan de datum waarop de zorgaanbieder melding heeft gemaakt van de inzet spoedprocedure bij het loket Samenleving en zorg. Het college toetst achteraf of het inzetten van de spoedprocedure terecht was. Bij alle vormen van spoed dient een melding bij het loket Samenleving en zorg gedaan te worden en van een schriftelijk akkoord te worden beantwoord.

10

Artikel 6. Melding specifiek (verordening artikel 6) De gemeente heeft regionaal in samenwerkingsverband met een gecontracteerde hulpmiddelenleverancier afspraken gemaakt om samen met de zorgvrager te bepalen welk hulpmiddel leidt tot een oplossing voor het ondervonden probleem. De werkwijze is beschreven in het Handboek Wmo Hulpmiddelen Oosterschelderegio en is vastgesteld door het bestuur van SWVO. Hierin is o.a. opgenomen dat de hulpmiddelenleverancier zelfstandig een hulpmiddel kan indiceren. Hier is voor gekozen om zo regelarm mogelijk te werken. De zorgvrager kan direct met een hulpmiddelvraag naar de hulpmiddelenleverancier. De gemeente is verantwoordelijke voor de beschikking. Loket samenleving en zorg wordt alleen bij het proces betrokken als een verantwoorde voortgang zonder afstemming niet mogelijk is: - Bij meervoudige problematiek en/of nieuwe Wmo klant. - Twijfel aan volledigheid / juistheid opdracht; - Twijfel aan juistheid indicatie; - Klant is niet rijvaardig / rijveilig bevonden; - Klant is ontevreden met de selectie / het geleverde hulpmiddel: registreren als signaal en onvrede zelfstandig oplossen.

Artikel 7. Onderzoek (verordening artikel 8) 1. Ten behoeve van het onderzoek verschaft de zorgvrager het college de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover de zorgvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Een zorgvuldig onderzoek vereist het op enigerlei doorlopen van de volgende stappen Dit volgt uit onder andere de uitspraak van de CRvB van 21 maart 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:819): 1. allereerst moet een college na een melding van behoefte aan ondersteuning vaststellen wat de hulpvraag is; 2. vervolgens zal het college moeten vaststellen welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie; 3. pas daarna kan worden bepaald welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van de ondersteuningsvrager; 4. vervolgens dient te worden onderzocht of, en in hoeverre, de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en voorliggende en/of algemene voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden om het probleem op te lossen. 5. Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn, dient het college een maatwerkvoorziening te verlenen.

Voor zover het onderzoek naar de nodige ondersteuning specifieke deskundigheid vereist zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet kunnen ontbreken. 2. Het college kan, met instemming van de zorgvrager en binnen de kaders van de AVG, informatie inwinnen bij andere instanties, zoals de huisarts, en met deze in gesprek gaan over de problemen en de meest aangewezen zorg. 3. Het onderzoek leidt tot een resultaat. Het resultaat kan bestaan uit een combinatie van inzet door eigen mogelijkheden, de inzet door het eigen netwerk, algemeen gebruikelijke voorzieningen, algemene voorzieningen en/of zaken die verstrekt kunnen worden op basis van andere voorliggende wettelijke regelingen en/of een maatwerkvoorziening. 4. Als er aanspraak is op een maatwerkvoorziening, wordt de zorgvrager geïnformeerd over de mogelijkheid van zorg in natura of een persoonsgebonden budget (pgb). Daarbij zal de zorgvrager worden gewezen op de voorwaarden om voor een pgb in aanmerking te komen, alsmede de rechten en plichten die hieraan zijn verbonden.

Artikel 8. Eigen mogelijkheden/Eigen kracht (artikel 8 verordening) Eigen kracht is een begrip dat komt uit de Wmo 2015. Het uitgangspunt van deze wet is namelijk dat de inwoner eerst kijkt in hoeverre hij zelf, of samen met zijn directe omgeving als dat mogelijk is, een bijdrage kan leveren aan het verbeteren van zijn situatie. Het is volgens de regering heel normaal dat je je inspant om je eigen situatie te verbeteren of dat je iets doet voor een partner of familielid die niet geheel op eigen kracht kan deelnemen aan de samenleving. Daarbij heeft de gemeente de

11

verantwoordelijkheid om te bevorderen dat inwoners met hun omgeving hun eigen probleemoplossend vermogen benutten en versterken en daardoor niet, of zo min mogelijk, aangewezen raken op maatschappelijke ondersteuning. Tijdens het onderzoek wordt in het gesprek met de zorgvrager samen gezocht naar geschikte oplossingsmogelijkheden, waardoor mensen hun eigen kracht kunnen benutten en vergroten. Als er geen geschikte oplossing mogelijk is en er kan geen gebruik worden gemaakt van gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning vanuit het sociale netwerk en voorliggende en/of algemene voorzieningen dient het college een maatwerkvoorziening te verlenen. Positieve gezondheid is opgenomen in het coalitieakkoord van de gemeente Schouwen-Duiveland en ook een instrument die inwoners ook zelf kunnen inzetten om eigen mogelijkheden te verkennen en te onderzoeken waar mogelijke knelpunten en oplossingen zitten. Positieve Gezondheid is een manier om breder naar gezondheid te kijken. Kde inwoner zich bijvoorbeeld voldoende redden? Voel de inwoner zich gelukkig of misschien juist eenzaam? En is er misschien medische zorg nodig of steun uit de omgeving van de inwoner? Het gaat erom dat de inwoner zich gezond en energiek voelt, op de manier die bij de inwoner past. Het invullen van de vragenlijst Positieve Gezondheid helpt de inwoner kiezen en bespreken wat voor de inwoner belangrijk is.

Er is een vragenlijst voor volwassenen, voor kinderen en voor jongeren. Daarnaast is er een eenvoudige versie. Deze zijn te vinden op https://mijnpositievegezondheid.nl/.

Artikel 9. Verslag (verordening artikel 9) 1. De bevindingen uit het onderzoek worden schriftelijk vastgelegd in een verslag. Het college verstrekt de zorgvrager het verslag. 2. De zorgvrager en zijn of haar vertegenwoordiger krijgen de mogelijkheid om per ommegaande op het verslag te reageren door middel van het aanleveren van correcties en/of aanvullingen. Onjuistheden en feiten worden aangepast, opmerkingen en meningen komen niet in de plaats, maar worden aan het verslag toegevoegd, dit ter beoordeling aan het college.

Artikel 10. Advisering (verordening artikel 10) 1. In die situaties waarin tijdens het onderzoek onderwerpen aan de orde komen waarvoor externe specialistische kennis noodzakelijk is, wint het college advies in bij een deskundige. Dit advies wordt met inachtneming van de AVG, in overleg en met toestemming van de zorgvrager ingewonnen. 2. Indien de zorgvrager niet instemt met het inwinnen van deskundig advies, dan beoordeelt het college of de melding of de aanvraag op basis van de beschikbare informatie in behandeling kan worden genomen. 3. Het college beoordeelt of het externe onderzoek zorgvuldig heeft plaatsgevonden.

Artikel 11. Aanvraag (verordening artikel 11) 1. Een aanvraag is een aanvraag zoals bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de wet. 2. Een voor akkoord ondertekend verslag van het keukentafelgesprek wordt beschouwd als aanvraagformulier tenzij de zorgvrager een afzonderlijke aanvraag wenst in te dienen. . 4. Aanvraag maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb. a. indien een zorgvrager de ondersteuning in de vorm van dienstverlening voor een of meerdere resultaatgebieden door middel van een pgb zelf wenst in te kopen, overlegt hij bij zijn aanvraag een pgb-plan, op basis van het format dat hem hiervoor is verstrekt; b. de zorgvrager motiveert waarom hij de maatwerkvoorziening als pgb wil krijgen ; c. het college beoordeelt of degene die het pgb beheert over voldoende vaardigheden beschikt die in artikel 24 van de verordening staan omschreven; d. de zorgvrager toont aan dat de in te kopen zorg veilig, doeltreffend en cliëntgericht is. 5. De afhandelingstermijn voor de aanvraag bedraagt twee weken (artikel 2.3.5, lid 2 van de wet). 6. Opschorting beslistermijn. a. als de zorgvrager voor de afhandeling van zijn aanvraag nog gegevens moet overleggen, dan wordt hem dat schriftelijk gevraagd, met vermelding van de termijn waarbinnen hij die gegevens moet overleggen. De afhandelingstermijn wordt opgeschort zolang de zorgvrager de gevraagde gegevens niet heeft overgelegd.

Als de gegevens niet binnen de termijn zijn verstrekt, kan de aanvraag buiten behandeling worden gesteld als deze gegevens wezenlijk zijn voor de afhandeling van de aanvraag; b. de beslis-/afhandelingstermijn kan eveneens worden opgeschort: 1. als er informatie uit het buitenland moet komen, die onmisbaar is om te kunnen beslissen;

12

2. als de zorgvrager schriftelijk instemt met uitstel (telefonische afspraken over uitstel schriftelijke bevestigen); 3. als de vertraging aan de zorgvrager kan worden toegerekend; 4. als het door overmacht onmogelijk is te beslissen. 7. De zorgvrager wordt op de hoogte gesteld dat zijn aanvraag niet binnen 2 weken zal worden afgehandeld. In de brief wordt tevens een zo kort mogelijke termijn genoemd, waarbinnen hij de beslissing kan verwachten (artikel 4:14, lid 1 Awb). 8. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan door een zorgvrager alleen worden gedaan als het volledige onderzoek is afgerond, tenzij: a. het onderzoek niet is uitgevoerd binnen 6 weken; b. er sprake is van een spoedsituatie; het college beslist dan onverwijld op basis van de melding door de zorgaanbieder; . 9. Als er naar de mening van het college een dusdanig lange termijn zit tussen afronding onderzoek en indiening aanvraag, dat er twijfels zijn of het onderzoeksverslag nog actueel genoeg is, wordt dit met de zorgvrager besproken. Daarbij wordt ook de reden gevraagd waarom de zorgvrager zo lang heeft gewacht met het indienen van zijn aanvraag en hoe hij de situatie in de tussentijd heeft opgelost. 10. Als een zorgvrager een aanvraag indient terwijl er geen sprake is geweest van een melding èn er is ook geen sprake is van een spoedeisende situatie dan wordt de aanvraag aangemerkt als een melding.

De zorgvrager wordt ervan op de hoogte gesteld dat de aanvraag te vroeg is ingediend en aangemerkt is als melding. Dit betekent dat er eerst een onderzoek wordt gestart. Indien de persoon geen onderzoek wil dan neemt het college de aanvraag in behandeling en wel door een besluit te nemen op basis van de beschikbare informatie. Dit zal in veel gevallen een afwijzing zijn.

Artikel 12. De beschikking (verordening artikel 12) De hoogte van het tarief van de maatwerkvoorziening kan opgenomen worden in de beschikking ter bevordering van het kostenbewustzijn van de zorgvrager. De beschikking is opgebouwd uit het besluit en de individuele motivering hiervan.

Artikel 13. Heronderzoek en evaluatie (verordening artikel 13) Er wordt door het college doelgericht beschikt. Dit houdt in dat bij het toekennen van een maatwerkvoorziening doelen worden gesteld. Om een juiste ondersteuning te kunnen blijven verrichten gedurende de periode van de indicatie, wordt in samenspraak met de aanbieder en zorgvrager een evaluatie ingepland. Tijdens deze evaluatie wordt de dienstverlenende ondersteuning gemonitord. Ook kunnen toegekende hulpmiddelen en vervoersmiddelen worden geëvalueerd op het (juiste) gebruik.

13

Hoofdstuk 4 Maatwerkvoorzieningen Artikel 14. Algemeen uitgangspunt voor een maatwerkvoorziening (verordening artikel 14) Op basis van een vraagverheldering beoordeelt het college in hoeverre de zorgvrager zelf inspanningen heeft verricht om zijn probleem op te lossen.

Artikel 15. Uitgangspunten voor huishoudelijke ondersteuning Het beleid ten aanzien van de maatwerkvoorziening ‘huishoudelijke ondersteuning’ moet zijn gebaseerd op objectieve criteria, steunend op deugdelijk en onafhankelijk onderzoek. In deze wordt gebruikt gemaakt van een onderzoek verricht door het bureau HHM, een onafhankelijke derde partij, die geen belang heeft bij de uitkomst van het onderzoek ter vaststelling van maatstaven voor resultaten. Het gaat hierbij om het onderzoek “HHM Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning”, aangepast in september 2022. Dit onderzoek is als bijlage bij deze beleidsregels gevoegd. Hierbij wordt in dit normenkader uitgegaan van de volgende basisuitgangspunten (de nadere uitwerking is opgenomen in artikel 17 en 18): Resultaat: Een huis is schoon en leefbaar indien het normaal bewoond en gebruikt kan worden en voldoet aan basale hygiëne-eisen. Schoon staat voor: een basishygiëne borgen, waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van bewoners worden voorkomen. Leefbaar staat voor: opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. De afbakening van de ruimtes waarop de voorziening betrekking heeft: De inwoner moet gebruik kunnen maken van een schone woonkamer, slaapvertrekken, keuken, sanitaire ruimtes en gang/trap/overloop.

De afbakening van activiteiten die onder de voorziening vallen en welke niet: Het schoonmaken van de buitenruimte bij het huis (ramen, tuin, balkon, etc.) maakt geen onderdeel uit van de huishoudelijke ondersteuning. De mogelijkheid om voor bijzondere situaties af te wijken van het normenkader: Wanneer cliënten als gevolg van hun (medische) beperkingen onvoldoende ondersteund worden door de basisvoorziening schoon huis, kunnen aanvullende maatwerkmodules ingezet worden. Dit zijn bijvoorbeeld een hoger niveau van hygiëne of schoonhouden realiseren, het klaarzetten van maaltijden en beschikken over schone kleding. Als zij minder ondersteuning nodig hebben, dan wordt rekening gehouden met de mogelijkheden van eigen kracht, gebruikelijke hulp en het netwerk. Als sprake is van voorliggende voorzieningen/oplossingen, dan wordt hiervoor geen Wmomaatwerkvoorziening inzet.

Artikel 16. Gebruikelijke hulp in relatie tot huishoudelijke ondersteuning 1. Het college hoeft geen voorziening hoeft te verstrekken voor problemen die met gebruikelijke hulp opgelost kunnen worden (artikel 2.3.5 lid 3 en lid 4 Wmo 2015). Ook staat er in de Wmo 2015 wat gebruikelijke hulp is: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten (artikel 1.1.1 Wmo 2015). 2. De huisgenoten in een leefeenheid zijn gezamenlijk en ieder apart verantwoordelijk voor het voeren van het huishouden. 3. Indien tot de leefeenheid, waarvan de zorgvrager deel van uitmaakt, een of meer huisgenoten zonder beperkingen behoren, komt men niet in aanmerking voor hulp bij het huishouden. Wij spreken dan van 'gebruikelijke hulp'. Onder huisgenoot wordt verstaan 'een persoon die- ofwel op basis van een familieband, ofwel op basis van een bewuste keuze- één huishouden vormt/samen een gemeenschappelijke woning bewoont met de persoon die beperkingen ondervindt. 4. Een uitzondering hierop kan de ondersteuning van de inwonende mantelzorger zijn die door de overname van zorgtaken zijn huishoudelijke taken niet kan uitvoeren (het voorkomen van de uitval van de mantelzorger). 5.

Op het moment dat één of meer personen van de leefeenheid om wat voor reden ook niet meer in staat is/zijn de afgesproken taken te vervullen, dan worden de overige leden van de leefeenheid geacht deze taken over te nemen. Hierbij gelden de volgende uitgangspunten:

14

a. Iedere volwassene van 21 jaar of ouder wordt verondersteld naast een volledige baan of opleiding een meerpersoonshuishouden te kunnen voeren. Het hebben van een voltijd baan of het volgen van een voltijdsopleiding staat het leveren van gebruikelijke hulp dus niet in de weg; b. Het bieden van gebruikelijke hulp gaat ook voor op de andere activiteiten van leden van de leefeenheid in het kader van hun maatschappelijke participatie; c. Bij het inventariseren van de eigen mogelijkheden van het huishouden wordt geen onderscheid gemaakt op basis van sekse, religie, cultuur, de wijze van inkomensverwerving of persoonlijke opvattingen over het verrichten van huishoudelijke taken; d. Gezondheidsproblemen van of overbelasting bij de inwonende huisgeno(o)te(n) kunnen ertoe leiden dat redelijkerwijs geconcludeerd moet worden dat de betreffende taken niet door hem/haar uitgevoerd kunnen worden. Het college onderzoekt daarom altijd of een leefeenheid door de chronische uitval van een gezinslid niet alsnog onevenredig belast wordt en overbelasting dreigt. Hierbij houdt het college rekening met de voor die leefeenheid geldende gebruikelijke hulp. Wanneer overbelasting dreigt, zullen de (medische) gegevens ter onderbouwing daarvan door de betrokkene moeten worden aangeleverd.

Wanneer de dreigende overbelasting wordt veroorzaakt door een combinatie van werk en gebruikelijke hulp en andere activiteiten dan werk en huishouden, gaan werk en gebruikelijke hulp voor. Het beoefenen van een sport en deelnemen aan vrijetijdsbesteding kan het bieden van gebruikelijke hulp in principe niet in de weg staan; e. Bij (dreigende) overbelasting kan die indicatie van korte duur (minimaal 6 en maximaal 12 weken) zijn om de leefeenheid de gelegenheid te geven de onderlinge taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen. Hetzelfde geldt als een partner of ouder ten gevolge van het plotselinge overlijden van de andere ouder of partner dreigt overbelast te raken door de combinatie van werk en verzorging van de inwonende kinderen; f. Fysieke afwezigheid van de huisgenoot belemmert het bieden van gebruikelijke hulp in principe niet. Ieder volwassen mens wordt immers geacht een volledige school- of werkweek (inclusief overwerk en reistijden) te kunnen combineren met zijn huishoudelijke taken. Afwezigheid vanwege school- of arbeid gerelateerde activiteiten kan er wel toe leiden dat de huisgeno(o)te(n) de uitvoering van de huishoudelijke taken moet plannen op momenten waarop hij/zij wel thuis is.

Een uitzondering kan gelden voor personen die vanwege arbeid langdurig van huis zijn (meer dan 7 etmalen), waardoor zij de uitstelbare taken te lang niet kunnen verrichten; denk hierbij aan offshore werk, internationaal vrachtverkeer en werk in het buitenland; g. Als de zorgvrager een korte, bekende levensverwachting (aantal maanden) heeft kan ter ontlasting van de leefeenheid afgeweken worden van de normering van gebruikelijke hulp; h. Redenen als 'niet gewend zijn om’ of ‘geen huishoudelijke werk willen en/of kunnen verrichten' (“nog nooit gedaan of nooit geleerd”) leiden niet tot een indicatie voor het overnemen van huishoudelijke taken. In voorkomende gevallen kan er een indicatie worden gesteld voor een periode van zes weken voor het aanleren van de huishoudelijke taken en/of het leren organiseren van het huishouden. Als op grond van een hoge leeftijd (als richtlijn wordt tenminste ouder dan 75 jaar gehanteerd) van de gebruikelijke hulpverlener aannemelijk is dat hij/zij dit niet meer in voldoende mate kan leren, kan hierop een uitzondering worden gemaakt; i. Kinderen worden op de volgende wijze geacht huishoudelijke taken op zich te nemen: 1. kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan de huishouding; 2.

kinderen tussen 5-12 jaar worden naar hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden als opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, boodschap doen, kleding in de wasmand gooien; 3. kinderen vanaf 13 jaar kunnen, naast bovengenoemde taken hun eigen kamer op orde houden, d.w.z. rommel opruimen, stofzuigen, bed verschonen; 4. “” van 18-21 jaar (net als andere huisgenoten) worden verondersteld de taken van een één-persoonshuishouden te kunnen uitvoeren. j. De huishoudelijke taken voor een één-persoonshuishouden zijn: 1. schoonhouden van een sanitaire ruimte; 2. keuken en een kamer schoonhouden; 3. de eigen was doen; 4. boodschappen doen; 5. maaltijd verzorgen; 6. afwassen en opruimen.

15

k.

Vrijwillige ondersteuning door derden niet behorend tot de leefeenheid, gaat voor op ondersteuning van de het college. Tegelijk is deze vorm van vrijwillige zorg niet afdwingbaar en daarmee in de praktijk vaak incidenteel en aanvullend op andere vormen van zorg. Indien noodzakelijk kan de gemeentelijke ondersteuning bestaan uit tijdelijke vervanging van de mantelzorger of vrijwilliger.

Artikel 17. Normering schoon en leefbaar huis en eigen verantwoordelijkheid 1. Een maatwerkvoorziening wordt toegekend wanneer er geen andere oplossing is voor de ondervonden problemen bij het schoonhouden van de woning. Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van de zorgvrager om de huishoudelijke (deel) taken waartoe hij in staat is ook uit te voeren en mee te werken aan een efficiënte uitvoering van huishoudelijke taken. Concreet: als de zorgvrager in staat is de was voor te bereiden wordt van hem verwacht dat hij dat ook doet. Ook mag worden verwacht dat met de inrichting van de woning rekening wordt gehouden met een efficiënte uitvoering van schoonmaakwerkzaamheden. 2. Is de zorgvrager al gewend om voor eigen rekening een schoonmaakzorg in te huren, dan is alleen het feit dat zich beperkingen voordoen geen reden om een beroep te doen op gemeentelijke ondersteuning. Wel moet worden meegewogen of door het ontstaan van de beperkingen mogelijkheden wegvallen, of dat de zelf ingekochte ondersteuning niet meer voldoende is, of de ingehuurde zorg niet meer wil of kan ondersteunen. 3. Hulp bij het voeren van een huishouden wordt alleen geboden wanneer er geen andere oplossingen zijn die problemen op dit leefgebied kunnen voorkomen of oplossen. Activiteiten die door de zorgvrager zelf kunnen worden uitgevoerd behoren dan ook tot de eigen verantwoordelijkheid.

In de dagelijkse praktijk kan dit dan ook betekenen dat een deel van het huishouden door de zorgvrager wordt uitgevoerd en voor een ander deel ondersteuning wordt geboden. 4. Tijdens het gesprek met de zorgvrager worden alle mogelijkheden doorgenomen en besproken. Als sprake is van gebruikelijke hulp biedt het college in de regel geen ondersteuning (zie artikel 17 over gebruikelijke hulp voor de toepassing hiervan). 5. Onderzocht wordt of betrokkene op eigen kracht of met zorg van zijn netwerk het gewenste resultaat kan bereiken. Er wordt ook gekeken of er algemene- of voorliggende voorzieningen aanwezig zijn die tot het gewenste resultaat kunnen leiden. Pas wanneer gebruikelijke hulp, de eigen mogelijkheden en algemene voorzieningen niet of onvoldoende van toepassing zijn, wordt onderzocht in welke mate het gemeentelijk aanbod in ondersteuning kan voorzien. Als er bijvoorbeeld een wasen strijkservice beschikbaar is waarmee de zorgvrager het gewenste resultaat kan behalen hoeft het college niet te ondersteunen. Datzelfde geldt voor een maaltijdvoorziening of een boodschappenservice. Ook als de zorgvrager voldoende mensen om zich heen heeft die huishoudelijke taken kunnen overnemen, hoeft er minder of niet ondersteund te worden. 6 Het resultaat van de ondersteuning is dat de zorgvrager beschikt over een schoon en leefbaar huis.

Dit betekent dat men gebruik moet kunnen maken van schone primaire gebruiksruimtes: woonkamer, als slaapkamer in gebruik zijnde kamer(s), schone keuken, toilet en badkamer en een schone gang en of trap. Deze ruimtes hoeven niet iedere week volledig schoon te worden gemaakt. Het betekent wel dat de vertrekken periodiek schoon worden gemaakt zodat het huis schoon is en niet vervuilen kan. Het betekent ook dat er ondersteuning kan plaatsvinden bij het verzorgen van de was wanneer er geen andere oplossingen zijn. Wanneer de zorgvrager in staat wordt geacht de regie te voeren over het huishouden wordt verwacht dat er ook per week keuzes worden gemaakt met betrekking tot de uit te voeren taken. 7. De maatwerkvoorziening kán bestaan uit de volgende onderdelen: 1. Schoonmaken van de woning 2. De wasverzorging 3. Maaltijdvoorziening (brood en/of warm) 4. Regievoering Ad 1. Schoonmaken van de woning Bij het schoonmaken van de woning krijgt de zorgvrager ondersteuning die gericht is op het periodiek schoonmaken van de woning. Samen met de zorgaanbieder van keuze stemt de zorgvrager af welke huishoudelijke taken door hemzelf kunnen worden opgepakt (of door het netwerk etc.) en welke activiteiten de zorgaanbieder uit moet voeren. Voor de concrete activiteiten en frequenties verwijzen we naar de activiteitenlijst in de bijlage 9 bij de Deelovereenkomst SWVO en zorgaanbieders.

Het type woning en de grootte van de woning is alleen daar van invloed als het gaat om de primaire

16

gebruiksruimtes. In een groot huis met diverse niet in gebruik zijnde kamers wordt niet extra schoongemaakt. Het hebben van huisdieren is een keuze van de zorgvrager. In deze situaties wordt verwacht dat de zorgvrager zelf voor deze huisdieren kan zorgen. Huisdieren zijn dan ook niet van invloed op de frequentie van de uit te voeren taken. Activiteiten die niet onder het resultaat van een schoon en leefbaar huis vallen zijn onder meer: a. Tuinonderhoud; b. Opruimen van schuur en zolder; c. Ramen aan de buitenkant; d. Verzorging van huisdieren; e. Vervuiling door huisdieren, tenzij het een erkende hulphond betreft; f. Opruimen van het huishouden, terwijl zorgvrager hier wel toe in staat is. Ad 2. De wasverzorging Bij was verzorging gaat het concreet om het wassen, drogen, vouwen en opbergen (of onderdelen hiervan) van kleding en linnengoed. Verwacht mag worden dat de zorgvrager beschikt over een wasmachine. Als die er niet is behoort het tot diens verantwoordelijkheid dat er een wasmachine gerealiseerd wordt. Ook wordt van de zorgvrager verwacht dat de ondersteuning waar mogelijk tot een minimum wordt beperkt bijvoorbeeld door een wasdroger te kunnen gebruiken of kleding aan te schaffen die niet gestreken hoeft te worden. De aanbieder en de zorgvrager bepalen samen hoe binnen de kaders de concrete ondersteuning vorm krijgt. Ad 3.

Maaltijdvoorziening/boodschappen Onder maaltijdverzorging wordt verstaan het verzorgen van de broodmaaltijd en het opwarmen van de warme maaltijd. Het uitgangspunt voor het te behalen resultaat is dat indien nodig 1 keer per dag de broodmaaltijden worden bereid en klaargezet en 1 keer per dag een warme maaltijd wordt opgewarmd en klaargezet..

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14031904/1