CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

1013952 Bijlage 2 Verordening maatschappelijke ondersteuning SD 2024

Gemeenteraad 30 mei 2024, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: RVS Verordening Maatschappelijke Ondersteuning en Beleidsregels SD 2024 (1013952)20.909 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Artikel 34. Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet 1.

1.

2.

4.

5.

Het college informeert zorgvragers of hun vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een zorgvrager aan het college op verzoek of direct uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet. Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat: a. de zorgvrager onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de zorgvrager niet langer op de maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura of het pgb is aangewezen; c. de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten; d. de zorgvrager langer dan twee maanden verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringwet; e.

de zorgvrager niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura of het pgb verbonden voorwaarden; f. de zorgvrager de maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt. Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen drie maanden na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. Als het college een beslissing op grond van het derde lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de zorgvrager opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de zorgvrager en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening ïn de vorm van zorg in natura of het ten onrechte genoten pgb.

21

6.

7.

Indien het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 met toepassing van artikel 2.3.10, onderdeel a van de wet heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de zorgvrager opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de zorgvrager en van degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten persoonsgebonden budget. Het college kan het terug te vorderen bedrag overeenkomstig artikel 2.4.3 van de wet bij dwangbevel invorderen.

Artikel 35. Onderzoek naar recht- en doelmatigheid voorzieningen en pgb’s 1. 2.

Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen in de vorm van zorg in natura en pgb’s met het oog op de beoordeling van de recht- en doelmatigheid daarvan. Het college kan nadere regels stellen over de bevoegdheden van de toezichthouder.

Artikel 36. Opschorting betaling uit het pgb 1.

2.

3.

Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van een zorgvrager een ernstig vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de wet. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 34, derde lid, onder d. Het college stelt de persoon aan wie het pgb is verstrekt schriftelijk op de hoogte van een verzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid.

Hoofdstuk 10 Kwaliteit Artikel 37. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 1.

2.

3.

Een voorziening wordt in elk geval: a. veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht verstrekt; b. afgestemd op de reële behoefte van de zorgvrager en op andere vormen van zorg of hulp die de zorgvrager ontvangt; c. verstrekt in overeenstemming met de op de beroepskracht rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de professionele standaard; d. verstrekt met respect voor en inachtneming van de rechten van de zorgvrager. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen door: b. het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de zorgvrager; c. het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning; d. erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard; e. voor zover van toepassing erop toe te zien dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de toepasselijke sector erkende keurmerken.

Door het college via pgb verstrekte hulpmiddelen en woningaanpassingen dienen geschikt te zijn voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt.

4 Het college kan nadere regels stellen voor kwaliteitscriteria aan maatwerkvoorzieningen, zowel voorzieningen in natura als voorzieningen in de vorm van een pgb.

22

Artikel 38. Onderzoek naar kwaliteit maatwerkvoorzieningen Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen in de vorm van natura en pgb met het oog op de kwaliteit.

Artikel 39. Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden voor zorg in natura 1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met de derde; of b. een reële prijs die geldt als ondergrens voor: i. een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde; en ii. de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet. b. rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: a. de kosten van de beroepskracht; b. redelijke overheadkosten; c. kosten voor niet-productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; d. reis- en opleidingskosten; e.

indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; f. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. 4. Het college kan bij het verlenen van de opdracht voor te leveren diensten rekening houden met: a. de aard en omvang van de te verrichten taken; b. de voor de sector toepasselijke Cao-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; c. een redelijke toeslag voor overheadkosten; d. een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; e. kosten voor bijscholing van het personeel. 5. Het college houdt bij het verlenen van de opdracht voor te leveren overige voorzieningen, rekening met: a. de marktprijs van de voorziening; b. de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de leverancier worden gevraagd, zoals: i. aanmeten, levering en plaatsing van de voorziening; ii. instructie over het gebruik van de voorziening; iii. onderhoud van de voorziening. 6. Het college kan nadere regels stellen ter zake en met inachtneming van het voorgaande.

23

Hoofdstuk 11 Klachtenafhandeling en medezeggenschap Artikel 40. Klachtregeling 1. 2.

Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van hun clienten ten aanzien van alle voorzieningen. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders zorg in natura en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 41. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning 1. 2.

Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van clienten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de clienten van belang zijn ten aanzien van alle voorzieningen; Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders zorg in natura en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 42. Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1.

2.

3.

Het college stelt ingezetenen, waaronder in ieder geval zorgvragers of hun vertegenwoordigers, in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, vroegtijdig gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het eerste en tweede lid.

Hoofdstuk 12 Slotbepalingen Artikel 43. Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de zorgvrager met een vastgestelde ondersteuningsbehoefte afwijken van de bepalingen van deze verordening, als toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 44. Evaluatie De werking van de verordening wordt doorlopend in de praktijk getoetst. Indien blijkt dat er aanpassingen noodzakelijk zijn, zal er een wijzigingsvoorstel worden ingediend.

Artikel 45. Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1. 2. 3.

4.

De verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Schouwen-Duiveland 2021 wordt ingetrokken per 1 mei 2024. Tegelijkertijd wordt de Algemene Bijlage Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Schouwen-Duiveland 2021 ingetrokken. Een zorgvrager houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Schouwen-Duiveland 2021 en de algemene bijlage, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken of herzien. Hierbij wordt in concrete besluiten rekening gehouden met een zorgvuldige overgangstermijn. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Schouwen-Duiveland 2021 en de algemene bijlage en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens de verordening zoals deze luidt na inwerkingtreding van deze wijziging, tenzij deze afhandeling nadelig gevolgen heeft voor de zorgvrager.

24

5.

Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Schouwen-Duiveland 2021en de algemene bijlage wordt beslist met inachtneming van die verordening.

Artikel 45. Inwerkingtreding en citeertitel 1. 2.

Deze verordening treedt in werking op 1 mei 2024. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Schouwen-Duiveland 2024.

Aldus vastgesteld door de raad van gemeente Schouwen-Duiveland in zijn openbare vergadering van

De voorzitter,

de griffier,

25

Algemene toelichting Aanleiding De Verordening maatschappelijke ondersteuning Schouwen-Duiveland is gebaseerd op de "Wet van 9 juli 2014, houdende regels inzake de gemeentelijke ondersteuning op het gebied van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen en opvang (Wet maatschappelijke ondersteuning 2015)". Deze wet is gepubliceerd in het Staatsblad onder nummer 2014, 280. Onder de Wmo 2015 hangen het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 (Stb. 2014, 420) en de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 (Stc. 2014, 36807). Ook deze regelgeving heeft invloed op de Verordening maatschappelijke ondersteuning Schouwen-Duiveland, onder andere op het gebied van de eigen bijdrage en administratieve voorwaarden. Daar waar de verordening nader uitleg behoeft wordt het in deze Toelichting gegeven. Niet iedere bepaling behoeft toelichting.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Definities In de Wmo en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit is een groot aantal definities opgenomen, reden waarom het aantal in deze verordening beperkt is. Niet iedere bepaling behoeft toelichting. Algemeen gebruikelijke voorziening: De Centrale Raad van Beroep geeft aan dat een voorziening algemeen gebruikelijk is als deze: • niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; • daadwerkelijk beschikbaar is; • een passende bijdrage levert aan het realiseren van zelfredzaamheid of participatie en; • financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. (zie: ECLI:NL:CRVB:2019:3535) Dagbesteding: Het gaat om dagbesteding als maatwerkvoorziening in de Wmo, hierbij kan men denken aan dagbesteding bij zorgboerderijen of instellingen. Essentiële leefruimte: zoals de woonkamer, slaapruimten van de aanvrager en huisgenoten, toilet, badkamer en keuken. Echter betekent dit niet dat het college de ‘extra ruimtes’ in de woning categoriaal in het beleid kan uitsluiten. Per cliënt zal steeds opnieuw onderzocht dienen te worden welke ruimten onder de essentiële leefruimten voor hem of haar vallen, wat de frequentie is van het gebruik van de ruimte en welke mogelijkheden er zijn van herinrichting om het doel te realiseren. Melding: elke vraag die op ondersteuning is gericht, in welke formulering dan ook, wordt gezien als een melding.

Een vraag kan ook betrekking hebben op informatie of voorlichting en wordt dan ook als een melding afgehandeld. Respijtzorg: dit is zorg voor de mantelzorger om op adem te komen. Respijtzorg kan variëren van enkele uren, een dag tot een weekend of een vakantieweek.

Artikel 2. Reikwijdte van de verordening De verordening kent twee doelgroepen. Ten eerste inwoners van de gemeente Schouwen-Duiveland met een behoefte aan ondersteuning vanwege een of meer beperkingen en/of chronische psychische of psychosociale problemen. De gebondenheid aan een gemeente is essentieel voor de begrenzing van de reikwijdte van de Wmo 2015. Uitgangspunt daarbij is de inschrijving in de gemeentelijke basisregistratie personen (BRP). Voor wie niet staat ingeschreven en een aanspraak op ondersteuning op grond van deze verordening wil maken, is het mogelijk om de gebondenheid aan de gemeente Schouwen-Duiveland op een andere manier vast te stellen.

26

Ten tweede kunnen mantelzorgers voor vormen van ondersteuning in aanmerking komen, indien degene voor wie zij mantelzorger zijn ingezetene is van de gemeente Schouwen-Duiveland. Het derde lid: Voor opvang en beschermd wonen, al dan niet in verband met huiselijk geweld, kan iedere ingezetene van Nederland zich melden bij de gemeente van zijn voorkeur. Het kan voor het succes van een traject wenselijk zijn dat iemand elders in Nederland opvang krijgt, bijvoorbeeld omdat hij daar personen kent die hem ondersteuning kunnen bieden of omwille van de veiligheid. In dat geval kan het college in overleg treden met het college van die andere gemeente om hem daar opvang te bieden. Nadere regels worden uitgewerkt in de Beleidsregels Beschermd Wonen die aansluiten op de beleidsregels van de centrumgemeente Vlissingen. In het vierde lid wordt de uitvoering van de taken op grond van de Wmo en van de aanpalende Jeugdwet en Participatiewet op elkaar afgestemd. Daarbij gaat de aandacht onder meer uit naar de continuïteit van de ondersteuning bij de overgang naar volwassenheid, per individuele situatie naar een op elkaar afgestemd pakket van voorzieningen en naar samenwerking tussen zorg en welzijn, formele en informele ondersteuners en intramurale en extramurale voorzieningen.

Hoofdstuk 2 Aanbod van algemene- en maatwerkvoorzieningen Artikel 3 en 4. De gemeente vindt het belangrijk dat voor iedereen duidelijk is wat het gemeentelijke aanbod aan voorzieningen is. Ook vindt de gemeente het belangrijk dat op voorhand duidelijk is welke vormen van voorzieningen alleen toegankelijk zijn na een besluit van de gemeente (de ‘maatwerkvoorzieningen’) en welke in beginsel vrij toegankelijk zijn voor iedereen waarvoor ze bedoeld zijn (de ‘algemene voorzieningen’). Daarom zijn in deze artikelen de vormen van maatschappelijke ondersteuning die door de gemeente worden geboden opgesomd. Van verschillende van de hier genoemde vormen bestaan diverse varianten. De inzet van een specifieke variant zal steeds afhankelijk zijn van de uitkomst van het onderzoek en de betreffende situatie en de specifieke behoeften van zorgvrager. Het aanbod algemene maatwerkvoorzieningen is niet limitatief. Algemene voorzieningen worden ontwikkeld op basis van behoeften, zienswijze, lasten verlichting en kostenreductie. Daar waar het college efficiëntie kan bewerkstelligen wordt de gemeenteraad voorgesteld een besluit te nemen voor een algemene voorziening.

In artikel 2.1.3, tweede lid, onder a, van de wet is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. In de memorie van toelichting op deze bepaling (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 134) wordt aangegeven dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening op maatwerk aankomt. Gemeentelijke vrijheid is nodig omdat de behoeften van inwoners per gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur per gemeente anders is. Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet in iedere gemeente gelijk. Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de verordening limitatief wordt geregeld welke maatwerkvoorzieningen zullen worden verstrekt. De gemeente moet wel aan de hand van geschikte en toepasbare criteria meer in detail en concreet nader afbakenen in welke gevallen iemand een maatwerkvoorziening kan krijgen. Een aantal maatwerkvoorzieningen worden regionaal gecontracteerd. Per 1 mei 2024 ligt er een nieuw contract vanuit de Samenwerkingsverband Oosterschelderegio. De criteria zijn in dat contract opgenomen en als bijlage bij deze verordening toegevoegd.

Hoofdstuk 3 Toegang Artikel 5. Melding behoefte aan maatschappelijke ondersteuning Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan worden gezien als uitwerking van de verplichting om te bepalen op welke wijze een zorgvrager in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang (artikel 2.1.3, tweede lid, aanhef en onder a, van de wet). Na de melding dient de vraag te worden verhelderd. In het kader van vraag verheldering kan de zorgvrager gevraagd worden, conform een format, aan te geven wat hij zelf heeft gedaan om zijn probleem op te lossen. In artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet wordt al bepaald dat indien bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, het college deze melding onderzoekt. Artikel 5

27

verankert in lijn daarmee in de verordening dat bij het college een melding kan worden gedaan en door wie. In artikel 2.3.2, negende lid, van de wet is bepaald dat een aanvraag niet kan worden gedaan dan nadat (naar aanleiding van de melding) onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de termijn van zes weken. In het tweede lid is opgenomen dat de melding vormvrij is en schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch bij het college kan worden gedaan. De melding kan bovendien ‘door of namens de zorgvrager’ worden gedaan. Dit kan ruim worden opgevat. Naast de zorgvrager kan bijvoorbeeld diens vertegenwoordiger, mantelzorger, partner, familielid, buurman of andere betrokkene de melding doen. Een persoon met een hulpvraag die op grond van een andere wet kan worden beantwoord, kan direct en gericht worden doorverwezen. Te denken valt hier bijvoorbeeld aan de Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw), de Participatiewet en de Leerplichtwet. Als een zorgvrager, al dan niet in verband daarmee, behoefte heeft aan ondersteuning bij het verhelderen van zijn ondersteuningsbehoefte, dan wordt de zorgvrager hierbij ondersteund. In het derde lid is de verplichte ontvangstbevestiging verankerd (artikel 2.3.2, eerste lid, slotzin, van de wet).

Aangezien het onderzoek na een melding maximaal zes weken mag beslaan (zie artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet), is registratie en ontvangstbevestiging van de melding ook in het kader van deze termijn van belang. Vierde lid In het vierde lid is overeenkomstig artikel 2.3.3 van de wet een uitzondering vervat voor spoedeisende gevallen. Het college is op grond van de wet verplicht in dergelijke gevallen een passende tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek dat volgt na de melding. Als een zorgvrager zich direct ‘meldt’ bij de aanbieder van een algemene voorziening, dan zal deze een ‘lichte toets’ uitvoeren. In ieder geval wordt dan getoetst of iemand onder de Wmo-doelgroep valt, of de zorgvrager de voorziening kan betalen (bij voorzieningen waarvoor een eigen bijdrage wordt gevraagd) en of bij de zorgvrager niet overduidelijk is dat de algemene voorziening geen passende bijdrage zal leveren aan zijn zelfredzaamheid of participatie. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan vragen over algemene eigenschappen, zoals of iemand een inwoner is van de gemeente of iemand een bepaalde leeftijd heeft.

Zodra de aanbieder constateert dat meer onderzoek nodig is of de zorgvrager aangeeft dat er geen passende ondersteuning wordt geleverd met de algemene voorziening, zowel in termen van inzet als in verband met de financiële haalbaarheid door de verschuldigde bijdrage, verwijst de aanbieder de zorgvrager door naar de gemeente.

Artikel 6. Melding specifiek Het college heeft de gecontracteerde hulpmiddelenleverancier de bevoegdheid gegeven om samen met de zorgvrager te bepalen welk hulpmiddel leidt tot een oplossing voor het ondervonden probleem. De werkwijze staat beschreven in het Handboek Wmo-hulpmiddelen Oosterschelderegio. De hulpmiddelenleverancier bepaalt welk hulpmiddel passend en toereikend is voor de zorgvrager. Bij twijfel neemt de hulpmiddelenleverancier contact op met de toegang om af te stemmen. Zij sturen vervolgens het verslag van het onderzoek en de uitkomst daarvan naar de gemeente en het college is verantwoordelijk voor het afgeven van een beschikking.

Artikel 7. Clientondersteuning Overeenkomstig artikel 2.2.4, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet, moet het college ervoor zorgen dat er voor alle inwoners gratis cliëntondersteuning beschikbaar is. Bovendien moet de zorgvrager en zijn mantelzorger voor het onderzoek gewezen worden op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning (artikel 2.3.2, derde lid, van de wet). De wet adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij verordening een regeling op te stellen. De bepaling uit de wet is toch in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van zorgvrager te geven. In het eerste lid is benadrukt dat de cliëntondersteuning op grond van de wet voor de zorgvrager kosteloos is. In de memorie van toelichting bij artikel 2.2.4 van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) is vermeld dat gemeenten hiermee de opdracht hebben in ieder geval een algemene voorziening voor cliëntondersteuning te realiseren, waar burgers informatie en advies over vraagstukken van maatschappelijke ondersteuning en hulp bij het verkrijgen daarvan kunnen krijgen. Ook uitgebreide

28

vraagverheldering alsmede kortdurende en kort cyclische ondersteuning bij het maken van keuzes op diverse levensterreinen maken daarvan deel uit.

Artikel 8. Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren Bij het onderzoek zal in samenspraak met de zorgvrager en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger in de eerste plaats gekeken worden naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de zorgvrager en kan bijvoorbeeld alsnog worden verwezen naar een algemene voorziening in plaats van, of naast, mogelijke toekenning van een maatwerkvoorziening. Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle relevante feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de zorgvrager (en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger) wordt verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om een goed beeld van de zorgvrager en de thuissituatie te krijgen. Het ligt daarom ook voor de hand dat er één of meerdere gesprekken gevoerd worden met de zorgvrager (en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger). In bepaalde gevallen, bijvoorbeeld wanneer er sprake is van een aanvullende vraag - op een reeds eerder afgegeven besluit of een eenduidige concrete vraag, kan een dossieronderzoek en/of telefonisch onderzoek volstaan, in samenspraak met de zorgvrager.

In onderdeel b is als onderwerp van onderzoek ‘het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning’ opgenomen. Dit is belangrijk omdat in de woorden van de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34, blz. 183) “de ultieme toetssteen of de maatschappelijke ondersteuning effectief is geweest, ligt in de beantwoording van de vraag of de zorgvrager zelf vindt dat de verleende maatschappelijke ondersteuning heeft bijgedragen aan een verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie. In het wetsvoorstel Wmo 2015 staat het bereiken van dit resultaat centraal”.

Artikel 9. Verslag Deze bepaling is overeenkomstig artikel 2.3.2, achtste lid, van de wet opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en een zorgvuldige procedure. Doordat de gemeente aan de zorgvrager een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek verstrekt, wordt deze in staat gesteld een aanvraag te doen voor een maatwerkvoorziening. Een verslag bevat echter geen volledige weergave van de in het kader van het onderzoek gevoerde gesprekken. Alleen gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de voorziening worden opgenomen. Een zorgvuldige weergave hiervan maakt het voor de gemeente inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen op een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de zorgvrager. Uiteraard zal de weergave van de uitkomsten van het onderzoek anders zijn naar gelang de uitkomsten van het onderzoek variëren. Zo zal de weergave van het onderzoek bijvoorbeeld heel beperkt kunnen zijn als de zorgvrager van mening is goed geholpen te zijn en de uitkomst is dat geen aanvraag van een maatwerkvoorziening noodzakelijk is. Bij meer complexe onderzoeken zal uiteraard een uitgebreidere weergave noodzakelijk zijn.

Desgewenst kan de gemeente het verslag ook gebruiken als een met de zorgvrager overeengekomen plan (arrangement) voor het bevorderen van zijn zelfredzaamheid en participatie waarin de gemaakte afspraken en de verplichtingen die daaruit voortvloeien, worden vastgelegd. Indien een persoonlijk plan is overhandigd, wordt dit plan ook opgenomen of toegevoegd aan het verslag.

Artikel 10. Advisering Aan het onderzoeksproces (zie artikel 8) zitten allerlei zorgvuldigheidseisen vast. Voor zover het onderzoek naar de nodige hulp specifieke deskundigheid vereist zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet mogen ontbreken. De verschillende stadia van onderzoek vragen op die stadia aangepaste deskundigheid. Het college dient ervoor zorg te dragen dat die deskundigheid gewaarborgd is en dat deze naar discipline van deskundigheid concreet kenbaar is voor de zorgvrager.

Artikel 11. Aanvraag In artikel 2.3.2, negende lid, van de wet is bepaald dat een aanvraag niet kan worden gedaan dan nadat (naar aanleiding van de melding) onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is

29

uitgevoerd binnen de termijn van zes weken. De wet bepaalt verder dat het college binnen twee weken na de ontvangst van de aanvraag de beschikking moet geven (artikel 2.3.5, tweede lid, van de wet). In het eerste lid is aangegeven dat naast de zorgvrager alleen een daartoe door hem gemachtigd persoon of een vertegenwoordiger (zie voor een definitie van vertegenwoordiger de toelichting in Wmo 2015) een aanvraag kan indienen. Dit is minder ruim dan de kring van personen rond de zorgvrager die een melding kan doen. Zie hiervoor artikel 5 en de toelichting daarbij. Aangezien het hier gaat om de formele aanvraag om een beschikking in de zin van de Awb, is hier de formele eis van machtiging of vertegenwoordiging gesteld.

Artikel 12. Inhoud beschikking Als de zorgvrager een aanvraag bij het college indient (artikel 11), dan dient het college een schriftelijke beschikking op te stellen, waartegen de zorgvrager desgewenst bezwaar en beroep op grond van de Awb kunnen indienen. Het eerste lid bevestigt de regeling van deze onderwerpen in de wet en de Awb en is hier opgenomen in het belang van burgers om hen in de verordening een zo compleet mogelijk beeld te geven van hun rechten en plichten.

Het vierde lid dient uitsluitend ter informatie aan de zorgvrager. Het college neemt niet de hoogte van de bijdrage in de kosten in de beschikking op. Dat loopt immers via het CAK, evenals de mogelijkheid van bezwaar en beroep daartegen.

Artikel 13. Heronderzoek en evaluatie Hierbij wordt de bevoegdheid gegeven om een maatwerkvoorziening te evalueren of een heronderzoek te starten. Op deze wijze kan tijdig gestuurd worden op de doelen die gesteld zijn bij het afgeven van de maatwerkvoorziening en indien nodig opnieuw een beoordeling te kunnen maken om na te gaan of de maatwerkvoorziening nog voldoet aan de behoefte bij de zorgvrager.

Hoofdstuk 4 Maatwerkvoorzieningen Artikel 14. Algemene criteria voor een maatwerkvoorziening In artikel 2.1.3, tweede lid, onder a, van de wet is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan vaststellen of een zorgvrager voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. Daar is in dit artikel uitvoering aan gegeven, met de kanttekening dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening altijd op maatwerk aankomt. Tweede lid Het tweede lid is gebaseerd op artikel 2.3.5, derde en vierde lid, van de wet. In de memorie van toelichting is bij artikel 2.3.5, derde lid, van de wet (Kamerstukken II 2013-14, 33 841, nr. 3, p. 148) opgemerkt dat de maatwerkvoorziening nadrukkelijk een hekkensluiter is: “Alleen wanneer iemand echt niet zelf of met hulp van zijn omgeving in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en ook een algemene voorziening geen uitkomst biedt, is er een rol voor het college. Dat is niet het geval wanneer het gaat om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen die naar hun aard gebruikelijk zijn (fiets, schoonmaakmiddelen, wandelstok, eenvoudige rollator).

Wanneer iemand beschikt over algemeen gebruikelijke zaken, maar deze in verband met zijn beperking of problemen niet meer afdoende zijn, kan aanleiding bestaan om een voorziening te treffen. Dat is ook niet het geval als de zorgvrager zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning redelijkerwijs van tevoren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen, bijvoorbeeld: indien iemand is aangewezen op een rolstoel en een huis koopt waarin veel dure aanpassingen moeten worden aangebracht, had het in de rede gelegen dat de zorgvrager in een al aangepast huis zou zijn gaan wonen.” Deze passage in het bijzonder – maar gelezen in samenhang met de verdere parlementaire geschiedenis – biedt een onderbouwing om het begrip ‘voorzienbaarheid’ in individuele gevallen een rol te laten spelen bij de afwijzing van een maatwerkvoorziening. Zoveel volgt ook uit de passages in de parlementaire geschiedenis waaruit blijkt dat de wetgever aan heeft willen sluiten bij de huidige rechtspraak op dit punt (zie in het bijzonder de nadere memorie van antwoord, Kamerstukken I 201314, 33841, nr. J, p. 18). Ook op grond van de wettekst en blijkens de parlementaire geschiedenis is

30

geen ruimte gelaten voor het stellen van een inkomenstoets (zie verder de nota naar aanleiding van het verslag, Kamerstukken II 2013-14, 33 841, nr. 34, p. 24). Gelet op artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder a, van de wet, de genoemde wetsgeschiedenis en de huidige jurisprudentie is het van belang een expliciete grondslag te hebben voor afwijzing van een maatwerkvoorziening waarbij de ‘voorzienbaarheid’ een rol speelt. Het vierde lid voorziet in een dergelijke grondslag. Gelet op de noodzaak tot een individuele beoordeling is de weigeringsgrond als ‘kan-bepaling’ vormgegeven; het college van burgemeester en wethouders is daarmee altijd gegeven een inhoudelijke afweging te maken bij iedere individuele aanvraag. Als het college van oordeel is dat een zorgvrager zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning redelijkerwijs van tevoren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen, kan het college besluiten dat de zorgvrager niet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid of participatie. Zevende lid Het zevende lid is naar aanleiding van een uitspraak, CRvB 13-5-2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1099, concreter geformuleerd.

Het is redelijk een grens te stellen wanneer er sprake is van een aanmelding of aanvraag voor een maatwerkvoorziening waarbij een inwoner kosten heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de voorziening aantoonbaar noodzakelijk was en op eigen kracht op te lossen was. De grens is gesteld op maximaal 3 maanden voorafgaand aan de datum van aanmelding. Negende lid Indien uit het onderzoek blijkt dat een zorgvrager eerder in staat is geweest een particuliere oplossing te vinden voor zijn hulpvraag dan leidt een aanvraag niet vanzelfsprekend tot een maatwerkvoorziening. De zorgvrager dient te motiveren waarom de particuliere oplossing niet voortgezet kan worden. Een argument dat het abonnementstarief goedkoper is wordt niet gehonoreerd. Op inhoud dient de zorgvrager aan te tonen waarom ondersteuning vanuit de gemeente noodzakelijk is en welke inspanning de zorgvrager heeft ondernomen om tot een oplossing te komen. Indien wenselijk kan een onafhankelijke cliëntondersteuning ondersteuning bieden bij het vinden van een andere oplossing.

Artikel 16. Aanvullende criteria voor beschermd wonen, opvang en crisisopvang Bij nadere regels wordt de aanspraak op beschermd wonen vastgesteld, in aansluiting op de beleidsregels van de centrumgemeente.

Artikel 17. Aanvullende criteria voor woonvoorzieningen en woningaanpassingen derde lid Met rechtmatigheid wordt bedoeld dat een (voorgenomen) handelswijze in overeenstemming is met de geldende regels en besluiten. Zevende lid Indien er sprake is van een belemmering in toegang tot individuele woning binnen een wooncomplex dan kan er sprake zijn van een passende woonvoorziening. De algemene toegang tot een wooncomplex is de verantwoordelijkheid van de eigenaar.

Artikel 18. Aanvullende criteria voor (individuele) vervoersvoorzieningen Derde lid Met collectief vervoer kan maximaal 30 kilometer tegen het Wmo-vervoerstarief gereisd worden. Wel moet het vertrek-of eindpunt van de rit binnen de Oosterschelderegio liggen. Over het algemeen is collectief vervoer gericht op participeren (medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan). Het collectief vervoer is gericht op langdurig en regelmatige vervoersbehoefte, dus niet voor incidentele behoefte om voor controle naar een ziekenhuis te gaan. Als de cliënt beperkingen ondervindt in het lokaal verplaatsen rust er op het college dus een compensatieplicht, tenzij er een voorziening op grond van een andere wet bestaat waar de cliënt aanspraak op kan maken. Als het UWV het vervoer niet vergoedt, kan de gemeente op grond van de Wmo 2015 aan zet zijn, als uit onderzoek blijkt dat cliënt het vervoer niet zelf (denk ook aan openbaar vervoer), met mantelzorg, met hulp uit het sociale netwerk, hulpkring, buurtbus of met algemene voorzieningen kan regelen. Het college heeft dan een compensatieplicht op grond van de Wmo 2015 voor de goedkoopst compenserende oplossing. Mobiliteit over grotere afstanden valt onder

31

verantwoordelijkheid van het Rijk en wordt georganiseerd door Valys.

Artikel 19. Aanvullende criteria voor collectief vervoer Er wordt geen groepsvervoer geïndiceerd naar dagbesteding. Als een client zelf geen vervoer kan organiseren, dan is collectief vervoer mogelijk.

Artikel 20. Aanvullende criteria voor regeling meerkosten vervoer van en naar de dagbesteding Eerste lid Met nabijheid wordt bedoeld een straal van 10 kilometer gerekend vanaf het woonadres. Indien een dagbesteding aanwezig is in de nabijheid dan is de meeste adequate voorziening dat er gebruik gebruikt gemaakt wordt van de dichtstbijzijnde dagbesteding. Tenzij de behoefte van de inwoner een specifieke deskundigheid vraagt kan hiervan worden afgeweken. De tegemoetkoming van de meerkosten wordt uitgewerkt in de nadere regels. Artikel 30 bevat een afzonderlijk artikel over de tegemoetkoming meerkosten voor personen met een beperking of chronische problemen.

Artikel 22. Financiële tegemoetkomingen Deze bepaling is opgenomen naar aanleiding van de constatering van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) dat het (ook) onder de wet mogelijk is om een financiële tegemoetkoming te verstrekken (zie de uitspraken van de CRvB van 12 februari 2018 (ECLI:NL:CRV:2019:395 en 396)). Het betreft hier nadrukkelijk niet de (financiële) tegemoetkoming in de meerkosten voor personen met een beperking of chronische problemen. Het betreft ook geen pgb, waarvoor een specifiek regime geldt en waarop de zorgvrager aanspraak maakt als zijn voorkeur hiernaar uitgaat en de aanvraag aan de vereisten van artikel 2.3.6 van de wet voldoet. De wet verplicht weliswaar niet om specifiek iets te regelen ten aanzien van financiële tegemoetkoming. Toch is er voor gekozen, om de inzet van financiële tegemoetkoming te beperken tot die gevallen waar ze een duidelijke meerwaarde hebben of waar geen alternatief in natura voorhanden is. Met ‘financiële tegemoetkoming wordt op zichzelf overigens geen inhoudelijke kwalificatie gegeven, het betreft een verstrekking wijze. Wel geldt – net als bij alle maatwerkvoorzieningen – dat de (financiële) tegemoetkoming ‘een passende bijdrage moet leveren aan het realiseren van een situatie waarin de zorgvrager in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven’.

Het gaat in dit geval om een forfaitaire, niet noodzakelijk kostendekkende tegemoetkoming. Deze mag echter niet zo ver afstaan van de werkelijke kosten van de compenserende maatregel dat deze geen passende bijdrage meer levert aan het verminderen of wegnemen van de beperkingen. Dan kan deze namelijk niet gelden als maatwerkvoorziening.

Artikel 23. Voorwaarden en weigeringsgronden In rechtbankjurisprudentie is inmiddels herhaaldelijk bepaald dat afwijzingsgronden, wil er een beroep op kunnen worden gedaan, een grondslag in de verordening moeten hebben. Ook in het kader van rechtszekerheid is hier iets voor te zeggen: bij het ontbreken van afwijzingsgronden of het hanteren van zeer ruime afwijzingsgronden is het voor de belanghebbende niet mogelijk om zijn rechtspositie te bepalen of te voorzien. Bovendien is met dit artikel invulling gegeven aan de verplichting van artikel 2.1.3, tweede lid onder a van de wet, omdat is aangegeven op grond van welke criteria iemand voor een maatwerkvoorziening in aanmerking kan komen. Ad. a De wet kent niet een bepaling zoals die wel was opgenomen in artikel 2 van de Wmo 2007. Het is echter wel van belang om een duidelijke afbakening te hebben met andere wetten. Vandaar dat deze bepaling in de verordening is opgenomen. Voor zover er met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat, wordt er geen maatwerkvoorziening toegekend. Uit de jurisprudentie tot stand gekomen ten tijde van de Wmo 2007 volgt dat de belanghebbende aanspraak moet hebben op de voorziening, om te kunnen spreken van een voorliggende voorziening (CRvB 0911-2011, nr.

11/3583 WMO en CRvB 28-09-2011, nr. 10/2587 WMO). Dat wil niet zeggen dat belanghebbende de voorziening daadwerkelijk moet hebben, maar dat hij daarop aanspraak heeft. Er is geen sprake van een voorliggende voorziening indien de voorziening op grond van een andere

32

wettelijke bepaling is afgewezen (CRvB 03-08-2011, nr. 11/517 WMO) of indien vaststaat dat belanghebbende daarvoor niet in aanmerking komt (CRvB 19-04-2010, nr. 09/1082 WMO). Indien de voorziening op grond van een andere specifieke wettelijke regeling slechts gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking komt, is er sprake van een voorliggende voorziening (CRvB 22-05-2013, nr. 10/6782 WMO). De belanghebbende kan dan niet voor het overige gedeelte van de kosten een beroep doen op de Wmo. Ad. b Dit betreft de herhaling van het algemene toetsingskader, zoals dat in de wet centraal staat. Door het hier te herhalen kan het dienst doen als afwijzingsgrond. Ad. c Een algemene voorziening gaat voor op verstrekking van een maatwerkvoorziening. Ook dit is een uitvloeisel van het algemene toetsingskader van de wet. Het is hier opgenomen om dienst te doen als afwijzingsgrond. Ad. d Het is niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt, waarvan gelet op de omstandigheden van de belanghebbende, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken (zie o.a. CRvB 20-11-2019, nr. 18/3544 WMO15). Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de belanghebbende.

De beoordeling of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de belanghebbende ziet op het beantwoorden van de vraag of de belanghebbende over de voorziening zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Bij die beoordeling kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie, de volgende criteria een rol spelen: Is de voorziening gewoon verkrijgbaar? Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten die algemeen gebruikelijk worden geacht? Is de voorziening specifiek voor gehandicapten ontworpen? Zou een gezonde persoon, ook gelet op de individuele omstandigheden van het geval, waaronder de leeftijd, over de voorziening beschikken? Kan de voorziening financieel gedragen worden door iemand met een inkomen op het minimumniveau. Ad. e Artikel 2.3.5, zesde lid, geldt tot een bij koninklijk besluit vast te stellen tijdstip niet voor daar bedoelde belanghebbenden: a. die thuis wonen en een maatwerkvoorziening inhoudende een hulpmiddel of een woningaanpassing hebben aangevraagd; b. die zonder behandeling in een instelling verblijven en een maatwerkvoorziening inhoudende een hulpmiddel ter verbetering van hun mobiliteit hebben aangevraagd; c. die hun recht op zorg tot gelding brengen met een modulair pakket thuis en een maatwerkvoorziening inhoudende het schoonhouden van hun woonruimte hebben aangevraagd. Ad.

f Hier wordt gedoeld op de situatie dat de belanghebbende een voorziening aanvraagt nadat deze reeds door de belanghebbende gerealiseerd of aangekocht is. Omdat het college dan geen mogelijkheden meer heeft de voorziening volgens het vastgestelde beleid te verstrekken, noch anderszins invloed heeft op de te verstrekken voorziening, kan in deze situatie de voorziening worden geweigerd. Door deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee is begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen het college als goedkoopst compenserende voorziening beschouwt. Ad. g In dit onderdeel wordt aangegeven dat de aanvraag geweigerd kan worden als het gaat om een vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft plaatsgehad, terwijl het de belanghebbende verwijtbaar is dat het middel verloren is gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid, dus niet indien de belanghebbende geen schuld treft. Ook hier kan de eigen

33

verantwoordelijkheid van een belanghebbende een rol spelen. Indien bijvoorbeeld in een woning een verstelbare keuken of een andere dure voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden. Indien vervolgens bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op dat moment geen beroep op deze verordening worden gedaan. Ad. h De maatwerkvoorziening is gericht op een individuele belanghebbende. Het past hier niet om generieke voorzieningen te treffen. Daarvoor zijn de algemene maatregelen en algemene voorzieningen geschikte instrumenten. Ad. i De eigen verantwoordelijkheid van belanghebbende speelt een prominentere rol in de Wmo, getuige bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2023:1046. Ad. j Hier wordt aangeven dat de aanvraag geweigerd kan worden als het gaat om een voorziening op therapeutische basis. Voorzieningen op therapeutische basis zijn voorzieningen die nodig zijn vanwege een behandelplan gericht op genezing of instandhouding van de gezondheid op een bepaald niveau. Deze worden op een andere wijze vergoed. Soms ontstaat er verwarring omdat vanuit twee verschillende regelingen aanspraak mogelijk is op eenzelfde soort voorziening. Het verschil zit hem dan in het doel waarvoor de voorziening nodig is. Te denken valt aan een ligbad.

Een Wmowoonvoorziening zal altijd gericht zijn op het normale gebruik van de woning. Indien een ligbad primair nodig is voor bijvoorbeeld het langdurig inweken vanwege psoriasis, wordt een dergelijke voorziening als therapeutisch beschouwd en vanuit de Wet afgewezen. De in het tweede lid opgenomen gronden zijn specifiek van toepassing op maatwerkvoorzieningen ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en participatie. In het derde lid zijn enkele afwijzingsgronden opgenomen die specifiek zien op een maatwerkvoorziening die onder de Wmo 2007 zouden worden aangeduid met de term 'woonvoorziening', een term die binnen de Wmo 2015 ook gebruikt kan worden. In het vierde lid heeft het primaat van collectief vervoer een grondslag gekregen. Wanneer dit in de gemeente niet aanwezig is, hoeft het artikellid uiteraard niet overgenomen te worden.

Hoofdstuk 5 Persoonsgebonden budget Artikel 24. Persoonsgebonden budget (pgb) algemeen Onderscheid formele en informele hulpverlener De zorg die met een pgb kan worden verleend kan onderscheiden worden in zorg door een formele hulpverlener en zorg door een informele hulpverlener. Een informele hulpverlener is een persoon uit het sociale netwerk. Het begrip sociaal netwerk dient hier breed te worden opgevat, zoals familieleden, vrienden en buren. Kenmerkend is dat de zorgvrager de persoon kent en daarom een beroep op hem doet om zorg te verlenen die de gebruikelijke hulp te boven gaat. Wel geldt dat de persoon – conform het bepaalde in de Wmo- veilige, doelmatige en cliëntgerichtheid zorg verleent, die is afgestemd is op de reële behoefte van de zorgvrager. Er kunnen risico’s kleven aan het feit dat de zorg wordt verleend door een persoon uit het sociale netwerk; bijvoorbeeld overbelasting omdat de persoon door zijn persoonlijke relatie met de zorgvrager moeilijk grenzen kan aangeven of er kan sprake zijn van belangenverstrengeling. Daarom worden aanvullende eisen gesteld: er bestaat geen belangverstrengeling of schijn van belangenverstrengeling en de persoon heeft aangegeven dat de zorg aan de zorgvrager voor hem niet tot overbelasting leidt.

Indien de persoon uit het sociale netwerk ingeschreven is bij de Kamer van Koophandel en beschikt over kwaliteitseisen die betrekking hebben op de door hem te verlenen zorg geldt de persoon als formele hulpverlener. De eisen aan formele hulpverleners (in de regel ZZP ‘ers) en informele hulpverleners (personen uit het sociale netwerk) zijn opgenomen in het kwaliteitskader pgb zorg dat 16 juli 2019 door het college is vastgesteld. Een persoonsgebonden budget dient door de zorgvrager binnen drie maanden na toekenning te worden aangewend ten behoeve van het resultaat waarvoor het is verstrekt.

34

Voor de inzet van een formele hulpverlener wordt 80% berekend als percentage van het tarief als zorg in natura en voor de inzet van een informele hulpverlener het percentage van 50%. Dit is gebaseerd op een objectieve berekening hoe tarieven van zorgverleners zorg in natura zijn opgebouwd en welke componenten in de tariefsopbouw overheid en marge betreffen. Deze onderbouwing is bij de gemeente op te vragen. Indien de zorgaanbieder onderbouwd aantoont dat het percentage voor hem onvoldoende is om passende zorg aan te bieden kan hij – conform geldende jurisprudentieverzoeken het percentage op te hogen tot maximaal 100% van het tarief ZIN. Feestdagen en vrij besteedbaar budget kunnen niet meer uit het pgb budget worden vergoed. Hiermee is uniform beleid intern ( tussen jeugd en Wmo) alsmede binnen de Oosterschelderegio bereikt. Reiskosten en reistijd kunnen niet uit het pgb betaald worden wel kan een verzoek tot vergoeding reiskosten worden gehonoreerd op grond van het ondersteuningsfonds mantelzorg. Vanuit de SVB bestaat de mogelijkheid dat cliënt en dienstverlener in de zorgovereenkomst een vast maandloon overeenkomen. Maandelijkse betaling aan dienstverlener vindt dan automatisch plaats door SVB zonder vooraf ontvangen factuur of specificatie.

Het college is kritisch over het overeenkomen van een vast maandloon aangezien dit niet altijd nodig voor een adequate bedrijfsvoering en fraude in de hand kan werken. Daarom is de volgende bepaling opgenomen: ‘Het is cliënt niet toegestaan om met een dienstverlener een vast maandloon overeen te komen dan wel een andersoortige afspraak te maken op basis waarvan uitbetaling door de SVB aan dienstverlener plaatsvindt zonder voorafgaande overlegging van een door cliënt geaccordeerde factuur of specificatie van ingezette zorg, als het college van oordeel is dat dit kan leiden tot een onrechtmatige en/of een ondoelmatige besteding van het pgb. Het college kan hierover nadere regels stellen.’

Hoofdstuk 6 Bijdrage in de kosten Artikel 29 Bijdrage in de kosten Artikel 28 heeft betrekking op maatwerkvoorzieningen en geeft uitvoering aan de artikelen 2.1.4, eerste lid, aanhef en onder b, tweede lid, aanhef en onder b, en het derde en zevende lid, en 2.1.5, eerste lid, van de wet. Het totaal van de bijdragen in de kosten van maatwerkvoorzieningen is als aangegeven gelimiteerd tot een wettelijk vastgestelde eigen bijdrage. In het vierde lid wordt verwezen naar het Wijzigingsbesluit langdurige zorg en het Uitvoeringsbesluit Wmo, 26-11-2018. Staatsblad 2018,444. Hierin is het zogenaamde abonnementstarief geregeld, een maximum eigen bijdrage per persoon. Tweede lid heeft betrekking op de eigen bijdrage voor de maatwerkvoorziening beschermd wonen, deze eigen bijdrage is inkomensafhankelijk in tegenstelling tot de andere maatwerkvoorzieningen waarvoor het abonnementstarief van toepassing is. In het zesde lid is in afwijking van het eerste lid de bijdrage op nihil vastgesteld wanneer uit het individueel onderzoek blijkt dat op grond van persoonskenmerken een eigen bijdrage niet bijdraagt aan het gewenste resultaat, bijvoorbeeld wanneer er sprake is van schuldhulpverlening. Het achtste lid De wet verplicht tot het vaststellen van de kostprijs van een maatwerkvoorziening (artikel 2.1.4, derde lid, tweede zin, van de wet).

Dat kan op drie manieren en deze zijn vastgelegd in sub a van het achtste lid (door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder).

Hoofdstuk 7 Mantelzorgers Artikel 30. Waardering mantelzorgers en ondersteuning van mantelzorgers Mantelzorgers van zorgvragers in de gemeente komen in aanmerking voor een jaarlijkse blijk van waardering (artikel 2.1.6 van de wet). Artikel 1.1.1 van de wet definieert een zorgvrager als een persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening, maatwerkvoorziening of pgb, of door of namens wie een melding is gedaan. Het gaat dus ook om mantelzorgers van zorgvragers die een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning hebben aangemeld, ook al is daar geen voorziening op basis van deze wet uitgekomen. Voorts is de woonplaats van de zorgvrager bepalend, zodat het dus ook mantelzorgers kan betreffen die in andere gemeenten wonen. De jaarlijkse waardering van mantelzorgers heeft een symbolische functie.

35

Hiernaast kan de gemeente in individuele gevallen ondersteuning bieden aan mantelzorgers die overbelast zijn of dreigen te raken vanuit het fonds mantelzorgondersteuning. Zowel de waardering als ondersteuning van mantelzorgers worden bij nadere regels uitgewerkt.

Hoofdstuk 8 Tegemoetkoming meerkosten Artikel 31. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen Deze bepaling betreft een uitwerking van artikel 2.1.7 van de wet. Daarin is opgenomen dat bij verordening kan worden bepaald dat door het college aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming wordt verstrekt ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie. De tegemoetkoming kan op aanvraag worden verstrekt. De beslissing op een dergelijke aanvraag is een beschikking.

Hoofdstuk 9 Toezicht en handhaving Artikel 33. Meldingsregeling calamiteiten en geweld In artikel 3.4, eerste lid, van de wet is bepaald dat de aanbieder bij de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet uiterlijk binnen drie weken melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. Het toezicht is belegd bij de toezichthoudende ambtenaar van de GGD. In artikel 6.1 van de wet is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet. In aanvulling op het bovenstaande regelt artikel 32 dat er door het college een regeling wordt opgesteld over het doen van meldingen (eerste lid) en dat de toezichthoudend ambtenaar deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld (derde lid).

Artikel 34. Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, vierde lid, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Aan het ‘bestrijden’ van ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb’s gaat als het goed is echter een poging dit te ‘voorkomen’ vooraf. Duidelijke informatie over enerzijds de rechten en plichten van de zorgvrager en anderzijds de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik spelen hierbij een belangrijke rol. Daarom is in het eerste lid een ‘informatieplicht’ voor het college opgenomen. Het tweede, derde en vierde lid bevatten grotendeels een herhaling van hetgeen al in de tekst van de wet is opgenomen (artikelen 2.3.8, 2.3.10 en 2.4.1 van de wet). Met opname van deze wettekst in de verordening wordt beoogd een compleet beeld te geven van de regels voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.

Het eerste lid dat een “informatieplicht” voor het college omvat, is toegevoegd zodat duidelijk is welke rechten en plichten de zorgvrager heeft en wat de gevolgen zijn van misbruik en oneigenlijk gebruik. Op grond van het derde lid, onderdeel d, kan het college een beslissing als bedoeld in de artikelen 2.3.5 of 2.3.6 van de wet herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat de zorgvrager langer dan 2 maanden verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg (hierna: Wlz) of de Zvw. Deze bepaling is toegevoegd naar analogie van artikel 5.20, eerste lid, onderdeel b, van de Regeling langdurige zorg op basis waarvan het zorgkantoor de verleningsbeschikking kan wijzigen of intrekken indien de verzekerde langer dan twee maanden verblijft in een instelling als bedoeld in de wet of de Zvw. De gemeente kan deze termijn overnemen maar heeft de beleidsvrijheid om op dit punt eigen regels te stellen. Zie ook de Kamerstukken II 2013/-14, 33 841, nr. 3, blz. 156-157 (bovenaan). Het derde lid sub f en g beschrijft de situatie dat een beslissing van het college herzien kan worden wanneer er door gewijzigd beleid of het ontstaan van nieuwe voorzieningen een zorgvrager niet meer

36

aangewezen is op de maatwerkvoorziening. De nieuwe voorziening voorziet dan in de oplossing van het door de zorgvrager ervaren probleem met betrekking tot zelfredzaamheid of participatie. Het vijfde lid is een ‘kan’-bepaling. Een pgb wordt verstrekt met de bedoeling dat men daarmee een voorziening treft. Als binnen zes maanden na de beslissing tot het verstrekken van het pgb nog geen voorziening is getroffen, heeft het college de bevoegdheid om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken. Deze bepaling is te zien als een verbijzondering van de bepaling in het derde lid, onder f (dat tevens op maatwerkvoorzieningen (in natura) ziet). In de artikelen 2.4.1 tot en met 2.4.4 van de wet zijn regels voor het verhaal van kosten opgenomen en is in het zesde lid de bevoegdheid aan het college gegeven tot het (in geldswaarde) terugvorderen van een ten onrechte verstrekte maatwerkvoorziening of pgb. Hierbij is tevens bepaald dat het college het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel kan invorderen. Uit de memorie van toelichting op artikel 2.4.1 van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz.

157) wordt duidelijk dat daarnaast de mogelijkheid blijft bestaan om maatwerkvoorzieningen terug te vorderen; ‘omdat het niet in alle gevallen mogelijk is een al genoten maatwerkvoorziening terug te vorderen, kan het college de waarde van de genoten maatwerkvoorziening uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt.’ In het zevende lid is dan ook een bepaling opgenomen die het college de bevoegdheid geven tot terugvordering van in eigendom en in bruikleen verstrekte voorzieningen.

Artikel 35. Onderzoek naar recht- en doelmatigheid individuele voorzieningen en pgb’s Om het recht,- en doelmatig gebruik van maatwerkvoorzieningen te beoordelen kan het college periodiek onderzoek uitzetten, waarbij inzet van derden tot de mogelijkheid behoort. De in het tweede lid benoemde toezichthouder houdt toezicht op de naleving van de uitvoering dan wel de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik of niet-gebruik van de wet. De bevoegdheden worden in de nadere regels verder uitgewerkt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14031905/1