1012586 Bijlage 7 Ruimtelijke onderbouwing Rijksweg 28 Nieuwerkerk
Tekst van het document
5.1.5 Luchtkwaliteit Wet- en regelgeving De belangrijkste wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit is vanaf 15 november 2007 vastgelegd in hoofdstuk 5, Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Luchtkwaliteitseisen). In de wet zijn onder andere regels en grenswaarden opgenomen voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet. In tabel 5.2 is een overzicht gegeven van de grenswaarden. Tabel 5.2: Grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer. stof jaargemiddelde uurgemiddelde 24-uursgemiddelde Opmerkingen NO2 40 µg/m3 200 µg/m3 n.v.t. Uurgemiddelde mag 18x per jaar worden overschreden PM2,5 25 µg/m3 n.v.t. n.v.t. n.v.t. 3 3 PM10 40 µg/m n.v.t. 50 µg/m 24-uursgemiddelde Mag 35x per jaar worden overschreden De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat ruimtelijke plannen doorgang kunnen vinden indien aan één van de onderstaande voorwaarden is voldaan: a. de plannen niet leiden tot het overschrijden van een grenswaarde; b. de luchtkwaliteit ten gevolge van de plannen (per saldo) verbetert of ten minste gelijk blijft; c. de plannen niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de concentratie van NO2 en PM10 en PM2,5 in de buitenlucht.
Vanaf het in werking treden van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit op 1 augustus 2009 wordt onder een NIBM bijdrage een bijdrage van minder dan 3% van de grenswaarde verstaan; d. het project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Verder is er met deze wijziging een wettelijke basis voor een Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit opgesteld. Luchtkwaliteit en goede ruimtelijke ordening Naast de bovenstaande bepalingen wordt in de Wet luchtkwaliteit een relatie gelegd met de Wet ruimtelijke ordening, in de zin van dat bij een nieuwe ontwikkeling er sprake moet zijn van een “goede
30
Ruimtelijke onderbouwing
omgevingsvergunning Rijksweg 28, Nieuwerkerk
ruimtelijke ordening”. Een dergelijke afweging wordt uiteindelijk gemaakt in samenspraak met de andere milieuaspecten. Gekeken naar het aspect luchtkwaliteit kan gesteld worden dat de huidige grenswaarden geen absolute bescherming bieden. Ook onder de normen kunnen, vooral bij gevoelige groepen, gezondheidseffecten optreden. In het algemeen geldt voor een goede luchtkwaliteit - hoe verder van een drukke weg (de belangrijkste bron van luchtvervuiling) hoe beter. Onderzoek/ beoordeling Het plan omvat het inzamelen en tijdelijk opslaan van droge metalen naast de bestaande veehandel. Het aantal verkeersbewegingen wijzigt hierdoor niet. Door de omvang van dit project is dit een project niet in betekenende mate. Er behoeft dus niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Om toch een beeld te krijgen van de luchtkwaliteit in het plangebied is de NSL monitoringstool, die behoort bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit, geraadpleegd voor 2021 en het prognosejaar 2030 in de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2, PM10 en PM2,5 langs de N59. Volgens de NSL monitoringtool bedraagt de jaargemiddelde concentratie ter hoogte van het plangebied voor stikstofdioxide ten hoogste 16,5 µg/m³. De jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) bedraagt ten hoogste 15,5 µg/m³. De concentraties liggen daarmee onder de wettelijke grenswaarde van 40 µ/m³.
Voor PM2,5 geldt dat de hoogste concentratie 7,9 µg/m³ bedraagt en ligt daarmee onder de wettelijke waarde van 25 µg/m³. Geconcludeerd wordt dat de Wlk de uitvoering van het project niet in de weg staat. Conclusie In de huidige situatie voldoet de luchtkwaliteit op de meest kritische locatie in het plangebied aan de luchtkwaliteit-grenswaarden. Volgens de prognoses wordt de luchtkwaliteit in de komende jaren door het schoner worden van het verkeer steeds beter. De planontwikkeling valt onder de noemer “kleine projecten”, zodat voor deze planontwikkeling een luchtonderzoek achterwege kan blijven. Hoofdstuk 5, Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Luchtkwaliteitseisen) staat deze planontwikkeling dan ook niet in de weg. 5.1.6 Externe veiligheid Wettelijk kader Bij Externe Veiligheid (EV) gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de opslag, productie of het transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Binnen de EV worden twee normstellingen gehanteerd: Het Plaatsgebonden risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers. Het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen.
Bebouwing is niet toegestaan binnen de zogenaamde 10-6 contour van het PR: rond inrichtingen, waarin opslag/verwerking van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Risico's verbonden aan het transport van gevaarlijke stoffen zijn in kaart gebracht in de diverse risicoatlassen. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) is opgenomen dat voor iedere toename van het GR een verantwoordingsplicht geldt, ook als de verandering geen overschrijding van de norm veroorzaakt. Onderzoek / beoordeling Transport gevaarlijke stoffen Gevaarlijke stoffen worden vervoerd over de modaliteiten binnenwater, spoor, weg en door buisleidingen. Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de transportas dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld. Op 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over water, weg en het spoor in werking getreden. Met de invoering van dit Besluit beoogt het Rijk een evenwicht tot stand te brengen tussen het vervoer van gevaarlijke stoffen, ruimtelijke ontwikkelingen en externe veiligheid. Transport over water
Ruimtelijke onderbouwing
31
omgevingsvergunning Rijksweg 28, Nieuwerkerk
Er ligt in de omgeving (binnen 200 meter) van het plangebied geen hoofdvaarweg, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Er is geen beperking voor het plangebied. Transport over spoor Er ligt binnen een zone van 200 meter van het plangebied geen spoorbaan, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Er is geen beperking voor het plangebied. Wegtransport Er ligt in de directe omgeving van het plangebied (binnen 200 meter) een provinciale weg (N59) met een route gevaarlijke stoffen (figuur 6). Het gaat hier om transport ontvlambare vloeistoffen en brandbare gassen. De ongevalscenario's die kunnen voorkomen zijn het vrijkomen van giftige dampen bij een ongeval met toxische stoffen en het ontstaan van een drukgolf bij een explosie en/of Bleve van een tankwagen met brandbaar gas. Het plangebied ligt gedeeltelijk binnen het plasbrandaandachtsgebied van 30 meter vanaf de Rijksweg. Binnen dit gedeelte vinden al bedrijfsactiviteiten plaats. In de nieuwe situatie is dat niet anders. Het risicoplafond dat op grond van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs) voor de N59 is vastgesteld, dient uitsluitend ter beheersing van het vervoersaandeel in het groepsrisico. Het groepsrisico bij ruimtelijke plannen moet worden verantwoord op grond van het Besluit externe veiligheid transport (Bevt).
In verband hiermede is een verantwoording van het groepsrisico opgenomen in paragraaf 5.1.6.1. Transport per buisleiding Voor zoneringsafstanden van hogedruk gasleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Hierbij dient te worden uitgegaan van de risicoafstanden zoals aangegeven in het Besluit. Er liggen in (de omgeving van) het plangebied geen aardgasleidingen van de Gasunie. Er zijn voor wat betreft het transport door buisleidingen geen beperkingen voor de ontwikkeling. De leiding in het plangebied betreft een rioolleiding. Deze is niet relevant vanuit oogpunt van Externe Veiligheid. Inrichtingen Binnen de 10-6 contour van een risicovolle inrichting mogen geen kwetsbare bestemmingen geplaatst worden. Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de EV relevante inrichtingen dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld. In de nabijheid van het plangebied zijn geen EV-relevante inrichtingen gevestigd, zodat het GR hier geen belemmering vormt. Risicokaart De Risicokaart geeft inzicht in de risico's in de woon- en werkomgeving. Op de kaart staan meerdere soorten typen rampen, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde.
Deze gegevens zijn afkomstig van gemeenten, waterschappen, provincie en de rijksoverheid. Op de Signaleringskaart EV (figuur 7) is opgenomen dat aan de Rijksweg 26b Hubo Nieuwerkerk is gevestigd met opslag voor restcategorie. Het plangebied ligt buiten de risicocontour, zodat er geen belemmeringen zijn voor deze planontwikkeling.
32
Ruimtelijke onderbouwing
omgevingsvergunning Rijksweg 28, Nieuwerkerk
Figuur 7: Uitsnede Signaleringsk aart EV (plangebied zwart omlijnd). 5.1.6.1 Verantwoording groepsrisico Er dient een verantwoording te worden opgesteld, omdat het plangebied binnen het invloedsgebied ligt de Rijksweg (N59). Een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico is niet aan de orde gezien het groepsrisico nagenoeg niet wijzigt. De hoogte van het groepsrisico moet worden onderzocht en bestuurlijk worden verantwoord. Door deze verantwoordingsplicht zijn betrokken partijen gedwongen om een goede ruimtelijke afweging te maken waarin de veiligheid in het plangebied in de omgeving voldoende is gewaarborgd. In het kader van het wettelijk vooroverleg wordt voor de verantwoording aanvullend advies gevraagd aan de Veiligheidsregio. Plaatsgebonden risico De N59 heeft volgens de vuistregels van de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) geen PR 10-6 contour (0,0003*(GF3+0,2*LF2+LT2)<1). Het plaatsgebonden risico vormt geen beperking voor dit plan. Groepsrisico Het groepsrisico wordt bepaald door de afstand van bebouwing tot de as van de weg, de aanwezigheidsdichtheid in het gebied, de aard van de vervoerde stoffen en de aantallen van de vervoerde stoffen.
Aan de hand van de vuistregels uit de Handleiding Risicoanalyse Transport en het Basisnet Weg is het aannemelijk dat het groepsrisico als gevolg van de N59 ter hoogte van het plangebied onder de waarde 0,1 x OW (oriëntatiewaarde) blijft. Het invloedsgebied bedraagt hier 880 meter als gevolg van het vervoer van stofcategorie LT2 (Propylamine). Het plangebied ligt in het invloedsgebied. Verantwoordingsplicht groepsrisico Vanwege de ligging in het invloedsgebied van de Rijksweg N59 dient op grond van artikel 8 van het Besluit externe veiligheid transportroutes het groepsrisico te worden verantwoord. In deze verantwoording wordt ingegaan op de aspecten zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid. In het kader van het wettelijk vooroverleg zal aanvullend advies gevraagd worden aan de Veiligheidsregio. De risico's van gevaarlijke stoffen over de Rijksweg ter hoogte van het plangebied ligt op maximaal 0,01* oriëntatiewaarde voor het groepsrisico (OW). Er is feitelijk geen sprake van een toename van het groepsrisico. Een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico is dan ook niet nodig. Bestrijdbaarheid en bereik baarheid
Ruimtelijke onderbouwing
33
omgevingsvergunning Rijksweg 28, Nieuwerkerk
Zowel voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. Het plangebied is goed bereikbaar voor hulpdiensten vanaf verschillende windrichtingen. Via het bestaande wegennetwerk kan ook van de bron af gevlucht worden. Zelfredzaamheid De personen binnen het plangebied zijn hoofdzakelijk zelfredzaam. De aanvraag omgevingsvergunning voorziet niet in functies die specifiek bedoeld zijn voor verminderd zelfredzame personen. De ontvluchting vanuit het plangebied vanaf de risicobron is goed. Via de achterzijde van het bedrijf kan in noordelijke richting worden ontvlucht. Aangenomen wordt dat de mobiliteit van de aanwezigen goed is en dat deze goed in staat zijn om zichzelf in veiligheid te brengen. Restrisico Hoewel de kans op een zwaar ongeval of ramp met gevaarlijke stoffen in het algemeen klein is, blijft een restrisico aanwezig. Het restrisico geeft aan hoeveel slachtoffers en materiële schade er overblijven na het toepassen van risico reducerende maatregelen, zoals alarmering, verbeteren bereikbaarheid en bluswatervoorziening en verhogen zelfredzaamheid. Het aantal gewonden zal een veelvoud zijn van het aantal berekende dodelijke slachtoffers.
Ondanks alle voorgestelde maatregelen is er een kans dat er een calamiteit ontstaat waarvoor in de eerste uren de inzet van de hulpverleningsdiensten niet toereikend is, met name omdat tegelijk getracht wordt de bron te bestrijden en de omgeving te ontruimen. Verantwoording Het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad van Schouwen-Duiveland hebben kennis genomen van de inhoud van deze rapportage en de gegeven adviezen en achten het groepsrisico, na het nemen van de voorgestelde maatregelen, aanvaardbaar. Conclusie Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die in de directe omgeving aanwezig zijn in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoeren van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Vanuit spoor-, vaarwegen, wegtransport, buisleidingen en inrichtingen gelden geen beperkingen voor het plangebied. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) staat de uitvoering van dit bouwplan dan ook niet in de weg.
5.2
Archeologie en cultuurhistorie
Wettelijk kader In 1992 is het Verdrag van Malta tot stand gekomen en in 1998 door Nederland geratificeerd. Doelstelling van het verdrag is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. In het verdrag van Malta wordt gesteld dat archeologie van wezenlijk belang is voor de geschiedschrijving van de mensheid. Het verdrag is erop gericht deze waarden voor de toekomst te behouden. De gehanteerde uitgangspunten zijn: archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren (behoud in situ); in ruimtelijke ordening (planvorming) al rekening houden met archeologische waarden; de bodemverstoorder betaalt archeologisch vooronderzoek en mogelijke opgravingen. Het verdrag is geïmplementeerd in de Erfgoedwet die per 1 juli 2016 in werking is getreden. Deze wet is in de plaats gekomen van 6 wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed. De gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van ruimtelijke plannen rekening te houden met eventueel aanwezige archeologische waarden.
Onderzoek/ beoordeling In de provincie Zeeland kan in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart.
34
Ruimtelijke onderbouwing
omgevingsvergunning Rijksweg 28, Nieuwerkerk
Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. Binnen het plangebied zijn geen rijksmonumenten en beeldbepalende panden aanwezig. De gemeenteraad van Schouwen-Duiveland heeft op 28 februari 2008 archeologiebeleid vastgelegd in het Beleidsplan Archeologie en Archeologische waarden- en verwachtingenkaarten voor de historische kernen en het buitengebied. Het gemeentelijk beleid gaat primair uit van "behoud in situ". Dit betekent dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard moeten blijven. Daar waar verstoring van de bodem onvermijdelijk is, dient initiatiefnemer zorg te dragen voor archeologisch onderzoek, zodat de informatie over het verleden middels opgravingen behouden blijft. Het beleid is daarbij streng waar het moet en minder streng waar het kan en niet tot kennisverlies leidt. Dit uitgangspunt vertaalt zich naar de vrijstellingsgrenzen: daar waar veel en waardevolle archeologische resten verwacht worden, wordt aangesloten op de wettelijke voorgeschreven vrijstellingsgrens van 100 m². Op plaatsen waar de kans op het aantreffen van archeologische resten klein is, is de kans op informatieverlies eveneens klein en worden ruimere vrijstellingsgrenzen gehanteerd. Op de beleidskaart bij het Beleidsplan heeft het plangebied een lage kans op het aantreffen van archeologische waarden (figuur 8).
In het later vastgestelde bestemmingsplan 'Nieuwerkerk en Oosterland (2014) heeft het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 7''. Op grond hiervan geldt een vrijstellingsgrens voor bodemingrepen dieper dan 50 cm -Mv en plangebied respectievelijk groter dan 5.000 m². Het plangebied is kleiner. Bovendien vinden er geen grondingrepen plaats. Gelet hierop is een Bureauonderzoek naar archeologie achterwege gelaten. Het is niet volledig uit te sluiten dat binnen het gebied toch nog archeologische resten voorkomen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van toekomstig grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij het bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 van de Erfgoedwet. Deze aanbeveling zal worden overgenomen. Wanneer onverhoopt tijdens het bouwrijp maken toch archeologische sporen worden gevonden, dan zullen verdere bodemingrepen onder archeologische begeleiding plaatsvinden. Conclusie Het initiatief tast de archeologische waarden niet aan, zodat er vanuit dit gezichtspunt geen beperkingen worden gesteld aan deze planontwikkeling.
Figuur 8: Uitsnede archeologische beleidsk aart. Plangebied blauw omkaderd.
Ruimtelijke onderbouwing
35
omgevingsvergunning Rijksweg 28, Nieuwerkerk
5.3
Flora en fauna
Wettelijk kader Op 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Doelen van de Wet natuurbescherming zijn het beschermen en ontwikkelen van de natuur, het behouden en herstellen van biologische diversiteit en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur en het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen. De Wet Natuurbescherming zorgt voor bescherming van gebieden, diersoorten, plantensoorten en bossen. In de wet blijft de bescherming van Natura 2000-gebieden vrijwel hetzelfde. De bescherming van Beschermde Natuurmonumenten is komen te vervallen. Wel kunnen provincies ervoor kiezen om deze gebieden alsnog te beschermen via het provinciale beleid. De provincie voegt dan gebieden toe aan het Natuurnetwerk Nederland (NNN) of wijst ze aan als bijzonder provinciaal natuurgebied of -landschap. Onderzoek/ beoordeling Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied 'Oosterschelde' ligt circa 1,9 km ten oosten van het plangebied (ten zuiden van de kern Oosterland). In zuidelijke richting ligt dit Natura2000-gebied op een afstand van circa 2,85 km (figuur 9). Aan de noordzijde ligt op 3 km afstand het Natura2000-gebied 'Grevelingen'.
Gelet op de geringe ingreep en de relatief grote afstand worden geen (significante) effecten verwacht op deze Natura2000-gebieden. Er is voorts geen sprake van toename van stikstofdepositie in de aanleg- en gebruiksfase. In paragraaf 5.3.1 wordt hierop ingegaan. Daarom is een Habitattoets achterwege gelaten.
Figuur 9: Natura2000-gebieden nabij het plangebied. Plangebied met een rode stip aangeduid. Het plangebied ligt evenmin in de directe nabijheid van NNN (voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS) van de provincie Zeeland. Het dichtstbijzijnde NNN ligt ten oosten van het plangebied op circa 1,65 km van bestaande natuur (figuur 10). Ook heeft de planontwikkeling geen nadelige gevolgen voor de ecologische hoofdstructuur.
36
Ruimtelijke onderbouwing
omgevingsvergunning Rijksweg 28, Nieuwerkerk
Figuur 10: Uitsnede Natuurbeheerplan Zeeland. Plangebied met een rode stip aangeduid. 5.3.1 Stikstofdepositie Natura2000-gebieden kunnen gevoelig zijn voor stikstofdepositie. Binnen het invloedsgebied van de planlocatie liggen twee Natura2000-gebieden, te weten het Natura2000-gebied 'Oosterschelde' op 1,9 km afstand en het Natura2000-gebied 'Grevelingen' op circa 3,0 km afstand. In onderhavige situatie is er sprake van planologische wijziging door naast een groothandel in levende dieren ook een bedrijf voor het inzamelen en opslaan van droge metalen mogelijk te maken. Belangrijke nadelige milieugevolgen voor de natuur vallen hierdoor niet op voorhand uit te sluiten. Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) in werking getreden onder de Wet natuurbescherming (dat ook geldt onder de in te voeren Omgevingswet op 1 januari 2024). De Wsn bevat onder andere de resultaatsverplichting om stapsgewijs de stikstofbelasting op stikstofgevoelige habitattypes in de Natura 2000-gebieden onder de kritische depositiewaarde te krijgen. Hiertoe zijn een drietal omgevingswaarden opgenomen in de wet voor 2025, 2030 en 2035. Op voorhand kan de toename van stikstofdepositie niet worden uitgesloten. In verband hiermede zijn stikstofberekeningen van de aanleg- en gebruiksfase uitgevoerd door Stalbouw.NL (rapport van 29 november 2023, Bijlage 2).
Uit de AERIUS-berekeningen blijkt dat aan de hand van de depositieberekeningen geconcludeerd kan worden dat het voorgenomen plan niet zal leiden tot significant negatieve effecten op de omliggende beschermde natura 2000-gebieden. De totale depositie van de aanlegfase evenals de gebruiksfase is dan ook kleiner dan 0,00 mol per hectare per jaar. Deze bijdragen zijn zo klein dat er geen vergunningplicht is in het kader van de Wet natuurbescherming, gebiedsbescherming. Het aspect stikstofdepositie vormt voor dit bouwplan geen belemmering. Kort samengevat: Op de planlocatie is géén regelgeving met betrekking tot Natura 2000 van toepassing. Met betrekking tot stikstofdepositie zijn er geen effecten te verwachten. Het plangebied vormt géén onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland.
Ruimtelijke onderbouwing
37
omgevingsvergunning Rijksweg 28, Nieuwerkerk
5.3.2 Effect vergunnen activiteiten Dit initiatief maakt in het kader van een legalisatie-aanvraag het inzamelen en tijdelijk opslaan van droge metalen mogelijk. Het terrein is volledig gecultiveerd. Er vinden geen kap- of snoeiwerkzaamheden plaats van aanwezig groen. Voor de beschermde soorten, Bastaardkikker, Bruine kikker, Gewone pad, Kleine watersalamander, Meerkikker, Bunzing, Dwergmuis, Egel, Haas, Hermelijn, Konijn, Veldmuis, Wezel, Bosmuis, Huisspitsmuis, Ree, Vos en Woelrat geldt een algemene vrijstelling in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). Er hoeft voor deze soorten geen ontheffing aangevraagd te worden. Wel dient voor deze soorten de algemene zorgplicht in acht genomen te worden. Gelet hierop is de kans klein dat er een negatief effect optreedt op aanwezige flora en fauna, zodat een ecologisch onderzoek achterwege kan worden gelaten. Het bouwplan is uitvoerbaar ten aanzien van ecologie. Algemene zorgplicht De Wet natuurbescherming bepaalt dat een ieder die weet dat zijn of haar handelen nadelige gevolgen voor flora of fauna veroorzaakt, verplicht is om maatregelen te nemen (voor zover redelijkerwijs kan worden gevraagd) die deze negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken. Wanneer er toch beschermde soorten worden gevonden, dan zal hiervoor tijdig ontheffing worden aangevraagd.
Conclusie Gelet op het vorenstaande kan worden geconcludeerd er vanuit de gebiedsbescherming en soortenbescherming geen belemmeringen bestaan tegen deze planontwikkeling.
5.4
Overige realiserings- en uitvoeringsaspecten
5.4.1 Kabels en leidingen In het plangebied ligt een ondergrondse rioolleiding. In het geldende bestemmingsplan is hiervoor de dubbelbestemming 'vrijwaringszone - leiding' opgenomen. Deze beschermingszone wordt in acht genomen bij uitvoering van de bedrijfsactiviteiten.
38
Ruimtelijke onderbouwing
omgevingsvergunning Rijksweg 28, Nieuwerkerk
Hoofdstuk 6 6.1
Economische uitvoerbaarheid
Financiële haalbaarheid
In deze situatie is alleen sprake van een gedeeltelijke functiewijziging van de bestaande bedrijfsvoering waar ook het inzamelen en tijdelijk opslaan van droge metalen mogelijk wordt gemaakt. Er is geen sprake van een planontwikkeling als bedoeld in artikel 6.12, lid 1 Wro, juncto artikel 6.2.1 Bro. Tussen initiatiefnemer en gemeente is een planschadeovereenkomst gesloten om de planschaderisico’s voor de gemeente af te dekken. Hiermee is de ontwikkeling economisch uitvoerbaar.
Ruimtelijke onderbouwing
39
omgevingsvergunning Rijksweg 28, Nieuwerkerk
40
Ruimtelijke onderbouwing
omgevingsvergunning Rijksweg 28, Nieuwerkerk
Hoofdstuk 7 7.1
M aatschappelijke betrokkenheid
Resultaten overleg ex artikel 3.1.1 Bro
Het ontwerpbesluit zal aan Gedeputeerde Staten van Zeeland, het Waterschap Scheldestromen en de Veiligheidsregio worden toegezonden met de mogelijkheid hierop te reageren gedurende de termijn van tervisielegging.
7.2
Zienswijzen
Voor onderhavig ontwerpbesluit wordt de uniforme voorbereidingsprocedure gevolgd als bedoeld in hoofdstuk 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Het ontwerpbesluit met bijbehorende stukken heeft daartoe vanaf DDMMJJ zes weken ter inzage worden gelegd. Gedurende de termijn van tervisielegging zijn wel/ geen zienswijzen ingekomen.
Ruimtelijke onderbouwing
41
IJKLMNOPQRSTUT STUVVUWXYYWZ[\ []\^Z_SZ`YaabWcdUUW TUXUeffWZghi[Zj^g\ig bWefkbWTVfdbUlmWX lllmbWTVfdbUlmWX